Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De heren
Johan Antoni Philipse (wonend in
Rossinières,
Zwitserland) en
Jan Arnold Wilkens (wonend in
Heemstede) waren de beheerders van een geldbedrag. Dit geld kwam uit de erfenis van mejuffrouw
Antonia Martha Emelia Bunge, die in
Amsterdam woonde en daar overleed op
11 oktober 1917.
Volgens haar testament (
9 november 1916, opgemaakt bij notaris
P. de Booy in
Amsterdam) mochten twee mensen levenslang rente ontvangen van dit kapitaal:
De beheerders moesten ook regelmatig geld uitkeren aan de volgende personen en organisaties (met de bedragen en inschrijfdata):
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 19
Deze tekst bevat een lijst van personen uit Haarlem, Rotterdam, Schoten, Nijmegen, Delft, Velp, Gravenhage, Aerdenhout en Teteringen die geldbedragen (leningen of schulden) hebben ingeschreven in een register. De bedragen zijn gekoppeld aan namen, data en registratienummers.
De volgende personen staan genoemd als schuldenaren (degene die geld lenen):
-
Gerardus Johannes Duyns, een inwoner van Haarlem, leende 1400 gulden, ingeschreven op 20 december 1919 onder nummer 106 in deel 428.
-
Johannes Pieter Douglas, schoenmaker in Haarlem, leende 4000 gulden, ingeschreven op 22 december 1919 onder nummer 132 in deel 426.
-
Alida Margaretha van Hout, weduwe zonder beroep in Haarlem, leende 2100 gulden, ingeschreven op 7 januari 1920 onder nummer 172 in deel 222.
-
Lodewijk Verpoorten, timmerman in Haarlem, leende 5000 gulden, ingeschreven op 1 april 1920 onder nummer 170 in deel 433.
-
Pieter Hendrik Hartel, slager in Haarlem, leende 13.500 gulden, ingeschreven op 17 mei 1920 onder nummer 12 in deel 442.
De volgende personen staan genoemd als schuldeisers (degene aan wie geld verschuldigd is):
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 18
In
1916 verkochten
J.P. Baten en
M. Baten-Vos (als wettige vertegenwoordigers van twee minderjarige kinderen) een stuk grond in
Hoofddorp (gemeente
Haarlemmermeer), gelegen aan de
Kruisweg (kadastraal bekend als sectie C, nummers 2856, 2857 en 2926), met een oppervlakte van 5 are en 36 centiare.
Belangrijke punten van de verkoop:
- De koopsom bedroeg 4500 gulden voor het hele perceel.
- De minderjarigen hadden samen recht op 1/6 deel (elk 1/12 deel) van de opbrengst.
- De verkopers garandeerden alleen dat zij de eigenaars waren; verder gaven zij geen extra zekerheden over de geschiedenis of eventuele schulden op het land.
- De koper nam het land over zoals het was ("voetstoots"), inclusief alles wat erop groeide of aan vastzat (bijvoorbeeld bomen, gebouwen).
- Alle rechten en plichten (zoals huurcontracten) gingen over naar de koper.
- De koper moest zelf zorgen voor eventuele ontruiming en betaalde alle kosten, zoals grondbelasting en overdrachtskosten.
- De verkopers ontvingen de koopsom direct en gaven toestemming om de eigendom over te schrijven op naam van de koper.
G. Kerste, als vader en voogd van de minderjarige kinderen, had op
15 juni 1916 toestemming gekregen van de kantonrechter in
Haarlem om mee te werken aan deze verkoop. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 86
Op 29 juni 1916 gingen Johannes Petrus Baten en Matthys Baten (beide vrachtrijders uit Haarlem) naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in de gemeente Haarlemmermeer. Zij handelden:
- voor zichzelf,
- en namens vier familieleden die getrouwd waren met zussen uit de familie Baten:
Zij verkochten twee huizen met schuur, erf en tuin in de polder Haarlemmermeer, gebied Vijfhuizen (bij Hoofddorp), aan de Kruwen. Het perceel had kadastraal nummer C 2856, 2857 en 2926 en was 5 are en 36 centiare groot. De koper was Willem Elsinga, koopman uit Haarlemmermeer.
De eigendom was eerder in handen van Jozef Baten. De verkoop werd bevestigd door getuigen en de notaris. De koopsom bedroeg ƒ74,40, plus 10% belasting (ƒ7,44), totaal ƒ81,84. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 29 juni 1916 en later overgeschreven bij de kantoren voor hypotheken en de Haarlemmermeerpolder in juli en augustus 1916.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 84
In 1223 werd een overeenkomst vastgelegd over een lening met zware voorwaarden. De schuldenaar, het Gesticht, moest bij verkoop van onroerend goed eerst toestemming vragen aan de geldschieter. Alle kosten (zoals administratie, aanmaningen en eventuele rechtszaken) waren voor rekening van het Gesticht. De betrokkenen beloofden zich aan de afspraken te houden en kozen het kantoor van de notaris als officiële woonplaats voor juridische zaken. De notaris kende de deelnemers persoonlijk. Er werden kleine tekstwijzigingen goedgekeurd, zoals het toevoegen van "faillissement van den schuldenaar" en het schrappen of aanpassen van enkele woorden en letters.
De akte werd op 28 december 1908 ondertekend in Amsterdam aan de Herengracht 270, in aanwezigheid van twee getuigen: Zesnardus Jacobus Wilhelmus Eskens (tekenleraar uit Amsterdam) en Joost Johannes van Balen Blanken (tekenleraar uit Haarlem). De akte werd geregistreerd op 4 januari 1908 in Amsterdam, met registratiekosten van 1 gulden en 20 cent.
Op 28 december 1908 werd een koopovereenkomst getekend voor notaris Agathen Carel Roeloffs Valk in Uithoorn. Aan de ene kant stond het bestuur van het Gesticht „Sint-Nicolaas Hoeve" in Nieuwveen, vertegenwoordigd door:
Aan de andere kant stond Johan Willem Theodoor van Oijen (directeur van de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij in Amsterdam), die handelde namens zijn bedrijf met mondelinge toestemming van mede-directeur Johan Jacobs Jacob (wonend in Amsterdam).
Het Gesticht verkocht en droeg over aan de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij de volgende percelen in Nieuwveen en Zevenhoven (polder Nieuwkoop), bekend bij het kadaster als gemeente Nieuwveen, sectie B:
- 11 aren (van perceel nummer 219, bouwland, totaal 1 hectare, 54 aren en 20 centiaren),
- 11 aren, 5 centiaren en 45 centiaren (van perceel nummer 216, bouwland, dezelfde totale grootte),
- 11 aren en 25 centiaren (van perceel nummer 215, bouwland, totaal 1 hectare, 56 aren en 50 centiaren).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351480 / 4
De notaris maakte een lijst van leningen die werden verstrekt aan verschillende mensen in de regio Beverwijk, Assendelft, Velsen, Heemskerk en Haarlem tussen 1838 en 1839. Hier een overzicht van de leningen, met de namen van de leners, hun beroep, woonplaats, borgstellers (indien vermeld) en het geleende bedrag in guldens:
- Arie Boogaard, landbouwer in Beverwijk, kreeg 20 met borg Jan Adriaan Borgeard (landbouwer in Beverwijk).
- Jacob van 't Veer kreeg 65 met borg Gideon Kruseman.
- Theodorus Frank, landbouwer in Assendelft, kreeg 45.
- Pieter Pays kreeg 40.
- Leendert Janssens kreeg 30 (met onvermelde borg) en later nog 85 en 40.
- Hendrik Kruithof kreeg 30 (met onvermelde borg).
- Gerrit van Amersfoort kreeg 45 (met onvermelde borg).
- Arie Kuilman, vrachtrijder in Bennebroek, kreeg 75 met borgen Cornelis Teeling en Cornelis de Ruiten (beide tuinder in Beverwijk).
- Pieter Jacobus van Daalen, winkelier in Haarlem, kreeg 54 met borgen Cornelis Hoven en Cornelis Wesselingh (winkelier in Haarlem).
- Willem Grapendaal, caféhouder in Velsen, kreeg 20.
- Theodorus Frank kreeg later nog 14.
- Nicolaas van Vliet kreeg 250 (met onvermelde borg, zoals bij nummer 23).
- Jan Koornen, landbouwer in Assendelft, kreeg 350 met borg Jan Johannes de Boer (burgemeester van Assendelft).
- Nicolaas van Vliet kreeg later nog 300 (zelfde borg als eerder).
- Leonardus Sprangers, landbouwer in Beverwijk, kreeg 335 (met onvermelde borg, zoals bij nummer 18).
- Jacob Mooy, landbouwer in Oostendelft, kreeg 420 met borg Jacob Mooy Senior (landbouwer in Oostendelft).
- Leendert Janssens, landbouwer in Bennebroek, kreeg 200 met borg Leonardus Petrus Harren (koopman in Beverwijk).
- Jan Visser, landbouwer in Beverwijk, kreeg 310 met borg Klaas Dekker (landbouwer in Schoorldam).
- Cornelis Weststraten, landbouwer in Bennebroek, kreeg 185 met borg Theodorus Franck (landbouwer in Assendelft).
- Leendert Janssens kreeg later nog 170.
- Willem Schmidt, landbouwer in Beverwijk, kreeg 270 met borgen Simon Beentier en Jacob van Baanen (landbouwers in Beverwijk).
- Leonardus Sprangers kreeg later nog 105.
- Cornelis Weststraten kreeg later nog 100.
- Jan Visser kreeg later nog 250 (zelfde borg als eerder).
- Reinier Heuwe, landbouwer in Beverwijk, kreeg 260 met borgen Karel Manse en Frans van Balen (landbouwers in Beverwijk).
- Pieter Stam, landbouwer in Beverwijk, kreeg 200.
- Jacob van 't Veer, landbouwer in Assendelft, kreeg 205 namens Louis Eugène Marie von Fisenne (grondeigenaar in 's-Gravenhage).
- Nicolaas Commadeur, landbouwer in Beverwijk, kreeg 335 met borgen Cornelis Commadeur en Arie Commadeur (beide teelder in Beverwijk).
- Gerrit van Amersfoort, landbouwer in Wijkaanzee, kreeg 20 met borgen Krieven Amersfoort en Rengert Frank (landbouwers in Wijkaanzee).
De akte werd ondertekend door een aantal aanwezigen, waaronder Arie Boogaard, Leonardus Sprangers, Jacob Mooy en Willem Schmidt, en door de getuigen Johannes Theodoms Rutgen (kantonbediende in Velsen) en Laurens Diemeer (afslager in Heemskerk). Sommige aanwezigen vertrokken voor het ondertekenen zonder reden op te geven.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5308211 / 85
Op 24 juni 1909 tekenden twee mannen, Peter Bors (timmerman uit Schoten) en Wilhelmus Johannes Bouke (timmerman uit Haarlem), een leningovereenkomst bij notaris Pierre François de Bordes in Haarlem. Namens de Nederlandse Hypotheekbank (gevestigd in Veendam) ondertekende Jacob Hendrik Jongeneel, een kandidaat-notaris. Hij handelde namens de directie: Meester Niks laas Frans Wilkens (uit Veendam) en Dokter Dirk Bos (lid van de Tweede Kamer, uit Winschoten).
De afspraken in de overeenkomst waren:
- De twee mannen leenden ƒ1600,- (zestienhonderd gulden) van de bank.
- Ze moesten het geleende bedrag in 10 jaar terugbetalen, vanaf 1 mei 1909 tot 30 april 1919.
- Jaarlijks moesten ze ƒ50,- aflossen, in twee gelijkwaardige termijnen (op de rente-betaaldagen).
- Ze betaalden 4,5% rente per jaar over het openstaande bedrag, ook in twee termijnen: de eerste keer op 1 mei 1910, daarna elke zes maanden.
- Op 1 november 1909 moesten ze al ƒ26,40 aan rente en ƒ25,- aan aflossing betalen.
- Als ze niet betaalden, mocht de bank zonder waarschuwing hun onderpand (bijvoorbeeld een huis of grond) openbaar verkopen om de schuld te innnen.
- Alle kosten (zoals notaris- en invorderingskosten) en eventuele belastingen op de lening waren voor rekening van Bors en Bouke.
- Elk jaar moesten ze op 1 november bij de bank in Veendam een bewijs van betaling (kwitantie) van hun laatste pacht overleggen.
De akte werd ondertekend in het huis van de notaris in Haarlem, met Karel J. Hannis van Rijssel en Feije Meijer (beide kantoorbedienden uit Haarlem) als getuigen. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 25 juni 1909, en de bank betaalde ƒ1,20 aan registratiekosten. De eerste officiële kopie van de akte werd op 6 september 1909 afgegeven aan de Nederlandse Hypotheekbank.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332771 / 167
Johan Christoffel Peinders Volmer, een administrateur uit
Amsterdam, kwam op
6 maart 1919 om 10:30 uur naar het veilinghuis in het
Wandelbosch Groenendaal in
Heemstede. Hij was daar als vertegenwoordiger van drie personen:
De verkoop vond plaats onder toezicht van
notaris Cornelis Jan Boerlage uit
Heemstede, met
Offendrik ten Oever en
Karel Wessel van Gorkom (beide kandidaat-notaris uit
Heemstede) als getuigen.
Er werden bomen geveild. De kopers en hun aankopen waren:
De totale opbrengst van de veiling was
ƒ5170. Het proces-verbaal (verslag) werd opgemaakt en ondertekend door de verkoper, de getuigen en de notaris. De kopers tekenden niet en gaven geen reden op.
Het document werd geregistreerd in
Haarlem op
13 maart 1919. De registratiekosten bedroegen
ƒ27,55.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748848 / 104
Op
10 mei 1911 ging
Karel van Balen, een bakker uit
Haarlem, naar notaris
Jan Arnold Wilkens om een verkoopovereenkomst te tekenen. Hij verkocht een woon-winkelhuis (nummer 20) en een woonhuis (nummer 18) onder één dak, met erven en tuinen, aan de
Maerten van Heemskerkstraat in
Haarlem. Het geheel was 2 are groot (bekend bij het kadaster als sectie A, nummers 2551 en 2552).
De koper was
Jelke van der Horst, inspecteur bij een levensverzekeringsbank, ook uit
Haarlem. Het bedrag was 7500 gulden, contant betaald.
Van Balen ontving dit geld en gaf
Van der Horst alle rechten op het pand.
De afspraken waren:
- Het pand was vanaf dat moment voor risico en rekening van Van der Horst.
- Het werd geleverd in de huidige staat, vrij van hypotheken, met alle bijbehorende zaken zoals erfdienstbaarheden (rechten/plichten verbonden aan het pand).
- Verborgen of zichtbare gebreken, lasten en verplichtingen waren voor rekening van de koper.
- Van Balen hoefde alleen te garanderen dat het pand vrij was van schulden (vrijwaring voor "uitwinning").
- Hij garandeerde niet dat de opgegeven grootte (2 are) klopte.
Van Balen had het pand gekocht op
5 april 1899 via notaris
Willem Karel Loeff in
Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332708 / 323
Op 10 september 1662 werd door de erfgenamen van Stevin Ratelijntje (overleden in 1661) een testamentair geschil met Cathalyntje afgerond. Hiervoor betaalden ze een bedrag van ƒ4,8 voor het opmaken van een boedelinventaris, die uiteindelijk ƒ3,12 kostte. De notaris A. rondde de inventaris af, die bestond uit 60 bladzijden met een totale kostenpost van 3 stuivers. De rechterlijke uitspraak over het sluiten van de inventaris bedroeg ƒ0,12, met extra kosten van ƒ17,12 voor Henrick en Lijsbet van Sberg, de weduwe van Jan Ganckber.
Op 28 oktober 1661 verschenen voor notaris Grietie Braen (weduwe van Stevin Nicolaes van Ryck) en anderen, waaronder Hendrickie Jans (weduwe van Jan Cornelisz Baker), Jan Jansz Minne, Hendrick Lucasz Minne, Barent Lucasz Minne, en Hendrick Geens (getrouwd met Sara Minne). Ook Johannes Junius (getrouwd met Aertgen Lucas), Hans Mulder (als vertegenwoordiger van zijn zoon Requier Mulder en dochter Jannetie Mulders), en anderen kwamen bijeen als erfgenamen van Tryntgen Lourens, overleden in Haarlem.
Zij verklaarden dat Hans Mulder een volmacht had, opgemaakt op 1 september 1661 bij notaris Nicolaes van Bosvelt, om namens hen op te treden. Ze gaven Pieter de Jongh de opdracht om voor de schepenen van Haarlem een leningsovereenkomst (van 1000 pond met rente) over te dragen aan Maria Cruythoff, een bejaarde vrouw. Deze lening was oorspronkelijk afgesloten met Jan Thomasz van Brengel en was gedekt door twee huizen met erven in Croft. Cornelis van Campen had hier ook een rol in als mede-gevolmachtigde. De erfgenamen bevestigden dat de hoofdsom met rente volledig was betaald en dat ze Pieter de Jongh vrijwaarden van verdere claims.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 282
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510517 / 42
In
1683 werd de wet van de stad
Brugge vernieuwd door een groep belangrijke heren, onder leiding van:
- Philippe Anthone de Rubenpré, graaf van Vertain en Vertignioeul, baron van Heversberg en Aubigny, en burggraaf van Montenacq en Helfaut. Hij was heer over verschillende gebieden, zoals Averoult, Inghem, en Tilckes, en diende als jager en kolonel voor de koning.
- Pieter de Briaerde, heer van Beauvoorde, Haellewyn, en Zwijnde, en erfelijk lid van de Zuidwatering van Veurnambacht.
- Ignace Francois de Bernemecourt de Saluces, burggraaf van Lathieulloij en heer van Gunecourt en Westackere, commissaris namens de Spaanse koning.
Deze vernieuwing vond plaats op
31 augustus 1683, met de burgemeester en schepenen van
Brugge als getuigen, waaronder:
Op
25 oktober 1683 overleden
Michiel Marisael,
Jacques Neijts, en
Thomas Roelof.
Jan Cornelis Roelof nam de plaats van
Thomas Roelof in. Andere aanwezigen waren:
Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 261
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 70
Op
9 december 1764 verklaarden de volgende personen in
Haarlem voor een notaris en getuigen dat zij de zaken rondom de erfenis van hun overleden vader,
Sae Servaes Montenack, wilden afhandelen:
Zij benoemden
Francoijs Montenacq als
executeur (degene die de erfenis afhandelt) en gaven hem volledige bevoegdheid om:
- alle zaken rondom de erfenis te regelen, zowel in Nederland als in het buitenland;
- goederen en handelswaar te verkopen;
- openstaande schulden en geldzaken te innnen;
- rekeningen te controleren, goed te keuren of af te keuren;
- geschillen op te lossen, ook via de rechtbank als dat nodig is;
- contracten en akten te ondertekenen;
- voor de rechtbank op te treden, zowel als eiser als verdediger;
- een of meer vervangers aan te stellen als dat nodig is.
Kortom,
Francoijs Montenacq mocht alles doen wat nodig was om de erfenis zo goed mogelijk af te handelen, net als de erfgenamen zelf hadden kunnen doen. Alle betrokkenen waren het hiermee eens.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 69
Gerrit van de Op Huijden, notaris in
Haarlem, schreef op
1 maart 1693 een verklaring op voor
Pieter Gerlings. Hierin verklaarde
Martina Montemaco, weduwe van
François Montenacq, dat zij namens haar schoonzoon
Arnold Trip een verzoek had ingediend bij de rechtbank van
Tetrode.
Martina wilde dat er voogden werden aangesteld voor de twee kinderen van haar overleden dochter
Adriana Montenacq. Haar dochter was getrouwd met
Arnold Trip en woonde in
Tetrode, waar zij was overleden. Op
2 april 1693 stelde de rechtbank
Hendrick de Laat (een zwager van
Arnold Trip) en
Servaes Montenacq (een schepen en zoon van
Martina) aan als voogden. Eén van de twee kinderen was inmiddels ook al overleden.
Arnold Trip had, met toestemming van
Martina, alle goederen en bezittingen van zijn overleden vrouw aan
Servaes Montenacq gegeven. Deze had de spullen grotendeels verkocht en het geld als kapitaal belegd. Dit was gebeurd op verzoek van
Arnold Trip zelf, die geen belang had bij rente of winst, omdat hij alleen dacht aan het welzijn van zijn minderjarige kind.
Arnold Trip verklaarde dat er bij het beheer van de goederen geen misbruik of andere schadelijke dingen waren gebeurd. Het beheer mocht daarom gewoon doorgaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975090 / 54
- Op 8 november 1676 werd de wet van de stad Brugge vernieuwd door hoge heren, waaronder:
- De burgemeesters en schepenen van Brugge in 1676-1677 waren onder anderen:
- Andere belangrijke functionarissen:
- Op 4 december 1676 werd de ontvanger-generaal van West-Vlaanderen, Staelens, gevangengezet in Brugge. Hij werd beschuldigd van afpersing en andere misdaden. Zijn proces begon direct.
- Op 13 december 1676 maakte keizer Leopoldus zijn intocht in Passau (Beieren), gevolgd door zijn bruiloft op 14 december 1676 met Magdalena Eleonora Theresia (zijn derde vrouw). De ceremonie werd geleid door de bisschop van Passau, met hoogwaardigheidsbekleders zoals de Hongaarse kanselier. Er werd een Te Deum gezongen met wensen voor drie zonen (toekomstige koningen) en een regeringsperiode van drie keer zeven jaar.
- Op 26 december 1676 stortte een oven in de abdij van Oudenburg in tijdens de voorbereidingen om klokken voor de Onze-Lieve-Vrouwekerk te gieten. Het werk moest stoppen door de schade. Daarnaast heerste er extreme kou met veel sneeuw, die al drie weken lag – iets wat niet eerder in jaren was voorgekomen.
- Tussen 25 en 26 december 1676 (tussen tweede en derde kerstdag) gebeurde er in Antwerpen een ongeluk (details ontbreken in de tekst).
Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 201
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 238
De schepenen van de stad ontvingen op
22 januari een klacht van
Pieterse van Haar. Zij beschuldigde:
van het stelen van een lading schoenen die aan haar toebehoorde. De schoenen waren volgens
Van Haar in beslag genomen tijdens een eerdere overeenkomst.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 237
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 235
- Op onbekende datum, ongeveer 1,5 maand voor dit verhaal, lagen Anthonij Arien, Palveli (beide uit Jaffanapatnam en lid van de politieke raad daar), Belgior de Rosaijro, Christan Parrua (een christen uit Tutucorijn), Barquier Singena (stuurman uit Badagas, geboren in Madraspatnam), en Posenar (ook uit Badagas) met hun schip in de haven van Madraspatnam.
- Ze laadden goederen in voor Lodewijk Christiaensen, een burger uit Jaffanapatnam, en voeren daarna naar Tegenepatnam.
- Vanuit Tegenepatnam wilden ze met het schip van Lodewijk Christiaensen naar Jaffanapatnam varen.
- Bij aankomst in Jaffanapatnam zagen ze dat het schip van Lodewijk Christiaensen verongelukt was bij het uitvaren van de rivier.
- Lodewijk Christiaensen kwam aan boord met James Beth, Fernando Dias Maruwa, Balhasar Anthoniez Parrawa (ook een christen uit Tutucorijn en werknemer van Jaffanapatnam), en zijn schrijver.
- Ze hadden bij zich: een kist, beddengoed, een zeil en de Nederlandse vlag van hun verloren schip.
- De drie eerste getuigen (Anthonij Arien, Palveli, en Belgior de Rosaijro) verklaarden samen dat dit ongeveer een half uur voor 5:46 's nachts gebeurde.
Deze verklaring werd afgelegd voor de gecommitteerden (onderzoekers) op verzoek van François Montanier, de fiscale officier voor de verdedigingsvloot. Omdat Montanier afwezig was, werd Joan de Ridder (fiscaal van het lokale commando) ingeschakeld. Een tolk vertaalde de verklaringen uit het Maleis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1169
- Een half uur nadat ze aan boord waren, kwam een Frans schip voor anker. Dit schip stuurde een kleine boot met 10 tot 12 gewapende mannen (met vuurwapens en zwaarden) naar hun schip.
- Toen de boot naderde, adviseerden drie getuigen de burger Lodewijk Christiaansen om naar het land te vluchten. Ze waren bang dat zijn aanwezigheid de Franse bemanning nog bozer zou maken en dat hij gedood of meegenomen zou kunnen worden. Lodewijk volgde dit advies op en ging naar het land.
- Kort daarna kwamen de Franse mannen met getrokken degens aan boord en begonnen ze enkele getuigen en andere bemanningsleden te slaan. Hierdoor sprongen er 5 of 6 mensen van boord.
- De kapitein (barquier) verontschuldigde zich en zei dat ze een Engelse en Franse pas hadden. Hij beweerde dat ze dienaren van de Engelsen waren en liet deze passen ook zien.
- Ondertussen zochten enkele Franse mannen op het schip en vonden de Nederlandse vlag. Ze vervingen deze door de Engelse vlag, die ze ondersteboven hesen.
- De bemanning beschuldigde hen ervan te liegen en zei dat ze eigenlijk Nederlandse dienaren waren.
- Vervolgens werd het schip met een wacht bemand en naar Porto Novo gebracht.
- Onderweg haalden ze de kapitein van zijn eigen schip en brachten hem over naar het Franse schip.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1170
Toen een Nederlandse koopman aan boord werd gebracht van een Frans schip bij Porto Novo, hadden de achtergebleven Fransen intussen kisten en koffers opengebroken. Zij hadden alles meegenomen wat zij waardevol vonden, zonder precies te weten wat het was. De Franse kapitein was namelijk 2 dagen op Porto Novo aan land geweest.
De koopman werd daarna weer teruggebracht naar zijn eigen schip, waar hij volgens een briefje dat hij bij zich had alle Nederlandse goederen moest afgeven. Vervolgens vroeg de kapitein naar een slaaf en een slavin die volgens hem nog aan boord moesten zijn. De getuigen (andere Nederlanders) wezen toen een meisje aan, dat zij dachten de zus van de koopman te zijn. De Franse kapitein nam zowel de koopman als het meisje mee, maar liet het meisje later weer achter op Porto Novo. De koopman bleef in gevangenschap bij de Fransen.
De getuigen beëindigden hiermee hun verklaring en beloofden dat dit het eerlijke en waarheidsgetrouwe verhaal was van wat zij zelf hadden gezien en gehoord. Zij waren bereid dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.
Deze verklaring werd opgesteld in Fort Jaffanapatnam op 29 september 1672, in aanwezigheid van:
- Maerten Huijsman, de hoogste koopman en tweede man van het commando,
- Daniel Goes, een koopman die speciaal voor deze zaak was aangesteld.
De verklaring werd ondertekend door de getuigen, een tolk, en J. V. Wouw, de secretaris.
Op een later moment verschenen dezelfde getuigen opnieuw voor Huijsman en Goes om hun eerdere verklaring te bevestigen, met het nummer 547.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1171
Op 30 november 1672 in fort Jaffanapatnam bevestigden een aantal mensen hun eerdere verklaringen zonder enige wijziging. Dit gebeurde in aanwezigheid van:
De volgende personen tekenden of bevestigden met hun handtekening of merk:
De verklaring werd ook bevestigd door Marten Huijsman en Daniel Goes, en ondertekend door J. van Wouw, de secretaris.
Op 1 december 1672 verschenen dezelfde getuigen voor de eerder genoemde functionarissen. Zij bevestigden opnieuw hun verklaring van 29 november 1672 en de daaropvolgende bevestiging van 30 november 1672, zonder enige verandering. De vier christenen (Belgior de Rosaijro, Fernando Dias, Anthonij Arien en Balthasar Anthonijsz) bevestigden dit door twee vingers van hun rechterhand op te steken en de woorden "Zo waarlijk, helpt mij God Almachtig" uit te spreken. De twee niet-christenen (Lingena en Possana) deden dit op hun eigen manier, door hun handen en hoofden naar de hemel te heffen.
Dit gebeurde in het fort Jaffanapatnam, in aanwezigheid van:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1172
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1173
Montenacq vroeg beleefd aan
Uule (een hoge functionaris) of hij een baan kon krijgen in de
Nederlandse bezittingen in de West (het gebied dat Nederland toen in Zuid-Amerika had, zoals
Suriname).
Hij hoopte dat
Uule hem hiermee wilde helpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.01.28.02 / 109 / 0028
Vorige paginaVolgende pagina