Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 11 mei 1780 werd Lucia Sussanna Nawich, weduwe van Barent Casper, door het Hof veroordeeld. Hoewel slavenhandel in Para minder gevaarlijk was dan in Paramaribo, had zij op haar oude dag haar vroegere levensstijl niet opgegeven. Zij bleef contact houden met weggelopen slaven uit het bos en had toegegeven dat zij dram (sterke drank) aan slaven had verkocht. Dit gedrag werd als zeer schadelijk beschouwd en moest als voorbeeld voor anderen worden bestraft.
Het Hof veroordeelde Lucia Sussanna Nawich tot 50 jaar gevangenschap, ofwel in de kolonie ofwel in Nederland. Daarnaast moest zij de proceskosten betalen.
Het vonnis werd uitgesproken in Paramaribo en ondertekend door B. Tepier en A. de Millij.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0449 Mr. I.G. Wichers, Eerste Raad Fiscaal, heeft aan het Hof Crimineel laten weten en met onderzoek en eigen bekentenis aangetoond dat de beschuldigde en gevangene Lucia Sussa, nu weduwe van Barent Casper, enkele jaren uit Paramaribo was verbannen omdat ze gekonkel had en drank aan slaven had verkocht. Zij verbleef lange tijd op een stukje grond in Para, waar zij met haar oude praktijken was doorgegaan. In 1774 vroeg zij of ze voor korte tijd weer naar Paramaribo mocht komen, wat werd toegestaan omdat men oordeelde dat haar gekonkel met slaven
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0448 7 december 1746: De raad-fiscaal meldde dat Willem Benjamin Lindisch en Lucia Nawigh, de gescheiden vrouw van Barent Casper, sinds hun wettige scheiding samenleefden in dubbel overspel. Barent Casper had gemeld dat zijn gescheiden vrouw waarschijnlijk zwanger was van Lindisch en dat ze van plan was Paramaribo te verlaten, vermoedelijk om de vrucht weg te maken.
16 februari 1750: De 2 personen, die als echte lieden samenleefden, kregen ruzie waarbij het tot een gevecht met houwerswapens kwam. Lucia Nawigh liep een hoofdwond aan haar rechter helft op.
De raad-fiscaal legde uit dat volgens de Politieke Ordonnantie artikel 3 vrije personen die samenwonen bestraft worden met:
De boetes gingen voor een derde naar de noodofficier, een derde naar de armen van de plaats en een derde naar de aanbrenger.
Deze samenwoning was extra schandalig omdat beide personen hun echtgenoot nog in leven hadden en dus vermoedelijk dubbel overspel pleegden. Het was ernstiger omdat Lucia Nawigh volgens geruchten zwanger was en weg wilde gaan, zodat men niet wist wat ze met de vrucht van plan was.
Maart 1750: De raad-fiscaal Jacob van Baerle vroeg toestemming om Lucia Nawigh door 1 of meer vroedvrouwen te laten onderzoeken of ze zwanger was. Als dat zo bleek, moest ze in Paramaribo blijven tot na de bevalling. Ook vroeg hij toestemming om onderzoek te doen naar het vermoedelijke overspel tussen W. B. Lindisch en Lucia Nawigh en naar de vechtpartij.
Het hof gaf toestemming voor dit verzoek en beval dat W. B. Lindisch en Lucia Nawigh moesten stoppen met samenleven om verdere ergernis te voorkomen.
Woensdag 11 maart 1750: De raad-fiscaal rapporteerde mondeling over enkele slaven of slavinnen die waren gehoord voor commissarissen. Ze waren beschuldigd van samenzwering met slaven van wijlen Aman Thomas en anderen. De verhoren waren gelezen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 142 / 0102 Barent Elshoven ontving 15 gulden, Samuel Rottstadt 7 gulden 9 stuivers, Barent Komp 7 gulden 6 stuivers, Jan Leon 15 gulden, Jan Andreas 15 gulden, Harman Walters 15 gulden, Albert Almers 10 gulden 7 stuivers. Deze mannen waren gestationeerd op commando in de Courpene.
Fredrik Casper en Frans Jacob Achtienhoven kregen elk 15 gulden. Op de Sofresse Jommelsdick ontving Hans Joost Everling 10 gulden 7 stuivers.
Op de post in de Motereecq kregen Jan Hendrik hansen, Martijn Herhoft en Jan Philip Jonker elk 15 gulden. Op de Parnassusberg ontving Johannis Schufsele 7 gulden 10 stuivers.
In de Corentijn kregen Jan Bacham de Jonge, Hendrik Freij en Gebhard Wernard Gellot elk 15 gulden.
In de Wasoeme ontving Jan Borgenjon 5 gulden en Andries Huijsen 15 gulden.
De volgende soldaten verlieten de dienst met een paspoort:
31 december 1729 werd dit opgesteld in Paramaribo. De kosthoudende de Greeff monsterde op 2 januari 1730 de aanwezige manschappen die effectief in dienst waren van de Directeuren van de Sociëteit van Suriname.
2 januari 1730 in Paramaribo ontvingen de hiervoor genoemde manschappen hun tractement zoals gespecificeerd. 31 december 1729 werd dit bevestigd.
De monster- en betaallijst van de compagnie van kapitein Pieter Bleij van de Kaap vermeldde: kapitein Pieter Allij, luitenant Iean Jaques Marguls, vaandrig Claede P: Baron de Couwal 52 gulden 10 stuivers, sergeant Dirik Andriessen 25 gulden 4 stuivers, tamboer Jan Ch's Scholtz 15 gulden, Albert willem Nieman 20 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 257 / 0023 11 mei 1905 trouwden Johannes Schmidt, schilder, 42 jaar, en Hafje Stieltjes, 24 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Johannes was geboren in Amsterdam en was de meerderjarige zoon van Heinrich Wilhelm Schmidt en Willemina Suzanna Stempel, beiden overleden. Hafje was geboren in Nibbixwoud en was de meerderjarige dochter van Jacob Stieltjes, overleden, en Neeltje Zwagerman, zonder beroep, wonend in Amsterdam. De moeder van de bruid stemde in met het huwelijk. De afkondigingen waren 30 april en 7 mei gedaan. Als getuigen waren aanwezig: Simon Stieltjes, neef van de bruid, schilder, 27 jaar; Wilhelmus Johannes van Zeijl, schafthuishouder, 37 jaar; Evert Stieltjes, oom van de bruid, schilder, 55 jaar; en Andries Stieltjes, broer van de bruid, politieagent, 32 jaar, allen wonend in Amsterdam.
11 mei 1905 trouwden Christiaan Johannes Melchers, bediende, 29 jaar, en Elisabeth Cornelia Soff, 28 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Beiden waren geboren en woonden in Amsterdam. Christiaan was de meerderjarige zoon van Christiaan Adrianus Melchers, winkelier, en Catharina Johanna Lensen, wonend in Amsterdam. Elisabeth was de meerderjarige dochter van Daniel Soff, bediende, en Elizabet Cornelia Maternum, wonend in Amsterdam. De ouders van beide bruidsparen stemden in met het huwelijk. De afkondigingen waren 23 april en 30 april gedaan. Als getuigen waren aanwezig: Daniel Soff, broer van de bruid, bediende, 35 jaar; Martinus Soff, broer van de bruid, bediende, 31 jaar; Johannes Henderikus Melchers, broer van de bruidegom, bediende, 24 jaar; en Gijsbertus Weinssen, bediende, 30 jaar, allen wonend in Amsterdam.
11 mei 1905 trouwden Mathijs Remijn, bloemist, 31 jaar, en Elisabeth Maria Becker, 24 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Mathijs was geboren in Willemsoord onder Steggerda, gemeente Weststellingwerf, en woonde in Nijmegen. Hij was de meerderjarige zoon van Marinus Remijn, landbouwer, en Elizabeth Zandwijk, wonend in Vledder. Elisabeth was geboren in Amsterdam en had laatst gewoond in Wijk aan Zee en Duin. Zij was de meerderjarige doch
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1981805 / 9 In de Sint Jacobskerk in een grafstede die toebehoorde aan Frans van Amerongen, haar zwager. Zij moest zorgen voor de kist, baar, schragen en wat daarbij hoort, zonder dat haar erfgenamen zich daarmee mogen bemoeien.
De onderstaande personen verklaarden dat zij op grond van open en verzegelde brieven van octrooi, verleend door het Hof Provinciaal van Utrecht en gedateerd 10 januari 1585 om 9 uur in de ochtend, wilden beschikken over hun tijdelijke goederen die God de Almachtige hen had verleend. Allereerst bevelen zij hun ziel, wanneer die van hun lichaam gescheiden zal zijn, in de handen van de Allerhoogste, en hun lichaam moet ter aarde worden besteld.
Vervolgens ging de testatrice over tot het vaststellen van haar testament, haar laatste en uiterste wil. Zij wilde dat haar begrafenis naar ruime staat en gelegenheid geheel gedaan zou worden door Frans van Amerongen, de zoon van de broer van haar overleden man, naar zijn eigen inzicht. Hierbij moest voor het lijk wit en zwart laken gehuurd worden, verder moest er wijn geschonken worden en moest er naar behoren geluid worden. Vervolgens moest er ook een fatsoenlijke maaltijd gehouden worden, alles naar eigen inzicht zoals eerder genoemd.
Voor dit alles had de testatrice met haar neef afgesproken, zoals zij bij dezen deed, het bedrag van 110 guldens per stuk, zonder dat hij gehouden zou zijn daar aan iemand rekenschap over af te leggen. Deze 110 guldens wilde zij dat als eerste gehaald werden van:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507185 / 53 Cornelis Ghijsbertssen en Grietgen Jacobs, echtelieden wonende in Abstede, kwamen voor notaris Jan van Verhoven uit Utrecht. Cornelis Ghysbentsz was gezond, maar Grietgen Jacobs was ziek en lag te bed. Ze kon echter nog wel spreken en helder denken. Het echtpaar verklaarde dat ze als voogden over hun kinderen aanstelden: degene van hen die het langst zou leven, en daarnaast Adriaen Gysbertsz (de broer van Cornelis) en Cornelis Cornelisz De Bije, smid (de zwager van Grietgen). Deze benoemde voogden mochten zichzelf vervangen door anderen als dat nodig was. Het echtpaar wilde nadrukkelijk dat de Weeskamer van Utrecht en haar vertegenwoordigers werden uitgesloten. Er mocht geen openheid over hun bezittingen aan de Weeskamer worden gegeven, geen inventaris worden geleverd en geen verantwoording worden afgelegd. Dit alles was hun testament en laatste wil. Ze vroegen dat deze wil volledig zou worden uitgevoerd, ook al waren niet alle wettelijke formaliteiten in acht genomen. Dit werd gedaan in het huis van het echtpaar in Abstede, op het erf van Harman Bartssen en Steven Jacobsz, die als getuigen waren verzocht. Ook Anthonis Caesz opde Cuijll was als 3e getuige aanwezig. Dit gebeurde op 1 februari 1650.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507151 / 229 Henri Adneij werd door de testateur aangesteld als uitvoerder van het testament, beheerder van de nalatenschap, verzorger van de begrafenis en voogd over de minderjarige erfgenamen. Aan hem werd alle bevoegdheid gegeven die volgens de wet aan een uitvoerder, beheerder, voogd en beheerder kan worden gegeven. Ook kreeg hij de macht om zo nodig andere personen aan te wijzen of te vervangen.
De testateur sloot de voogdijkamer van de nieuwe wezen en onbeheerde nalatenschappen van deze kolonie uit van zijn testament en nalatenschap. Ook sloot hij alle voogdijkamers uit van alle andere steden en plaatsen waar hij zou kunnen overlijden, waar goederen gelegen waren of waar erfgenamen zouden kunnen wonen. Al deze instanties werden bij deze bedankt voor hun anders te nemen moeite.
Het bovenstaande werd duidelijk aan de testateur voorgelezen en daarna door de beëdigde vertaler I. C. Cramer in het Engels vertaald. De testateur verklaarde alles goed te hebben begrepen en dat dit zijn testament en laatste wil was. Hij wenste dat dit na zijn overlijden zou worden opgevolgd en nagekomen, of het nu als testament, codicil of op een andere juridische manier zou worden beschouwd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 806 / 0370 30 februari 1771 vond er in Paramaribo een taxatie en inschatting plaats van 10 tot slaaf gemaakte mensen:
De totale waarde van deze taxatie bedroeg 307195 gulden en 5 stuivers. Het document werd ondertekend door I. d. Dutouj, en aan de achterzijde door N. O. Pelichet, L. Landsknegt, Ands Witting als beëdigde taxateurs. Het document kwam overeen met het origineel dat aan de ondertekenaar werd getoond door Faures en werd geregistreerd op 21 maart 1771 door beëdigd klerk G. Schlick.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 700 / 0212 A. de Mandamie richtte zich voor de tweede keer tot het gerecht in zijn rol als curator ad hoc over de slavin Charmantje. Hij verzocht om vrijheidsbrieven voor deze slavin volgens de regels van artikelen 11, 13 en 15 van het Reglement op de manumissie (vrijlating) van slaven uit het Gouvernementsblad nummer 2 van 1832.
Zijn eerste verzoek was 13 september afgewezen met resolutie nummer 1153. De verzoeker kwam in beroep tegen deze afwijzing. Hij voerde aan dat hoewel het Reglement op de manumissie van slaven uit het Gouvernementsblad nummer 2 van 1832 geen terugwerkende kracht kan hebben, de vormen ervan wel moeten worden gevolgd.
Volgens artikel 35 van het toen geldende Reglement op de manumissie van slaven in deze gebieden (Gouvernementsblad van 1832 sub nummer 1) waren bij invoering van deze bepalingen alle eerdere reglementen, verordeningen of wetten afgeschaft.
De procureur-generaal vond dat hoewel de nieuwe wet geen inbreuk kon maken op rechten die onder eerdere regelgeving wettig waren verkregen, de manier om dat recht te laten gelden wel volgens de nieuwe wet moest gebeuren. De vorm die men moet volgen om een verkregen recht effectief te maken was namelijk geheel afhankelijk van de geldende manier van procederen.
Er deed zich echter een moeilijkheid voor: de slavin Charmantje of Catharina stond in de slavenregisters nog bekend op naam van de plantage Delwaarde. Zij maakte samen met de overige slaven van die plantage een geheel uit. De slavin Charmantje moest daarom eerst van de plantage waartoe zij behoorde worden afgeschreven, voordat de testamentaire beschikking aanleiding kon geven om vrijheidsbrieven volgens het geldende Reglement op de manumissie aan te vragen.
De procureur-generaal adviseerde gunstig te besluiten op het verzoek, nadat de verzoeker de vereiste legale stappen had gedaan om de slavin Charmantje of Catharina van de plantage Delwaarde te laten afschrijven.
Dit werd geschreven te Paramaribo op 21 november 1843 door de procureur-generaal van de kolonie Suriname, getekend door A.J. de Kanter.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0094 Andries de Randamie richtte zich met respect tot de gouverneur-generaal. P. L. Garoé had bij zijn testament op 13 juli 1827, opgemaakt door de gezworen klerk S. A. Prastek en getuigen in gesloten vorm, en op 21 augustus 1730 bevestigd na zijn dood, het volgende nagelaten aan de slavin Charmantje:
Hoewel de nalatenschap van P. L. Garoé door de executeur en erfgenamen volledig was aanvaard, werd deze beschikking niet uitgevoerd. In plaats daarvan werd de slavin Charmantje door de executeur van de nalatenschap Garoé verkocht aan S. Leach. Deze liet haar inschrijven als eigendom van de plantage Belwaarde in de slavenregisters en verpandde haar als onderpand aan de Particuliere West-Indische Bank.
Hierdoor kon het recht van Charmantje echter niet worden verminderd, en zij had nog steeds volledig recht op haar vrijheid en het overige dat P. L. Garoé haar had nagelaten. De verzoeker was door Charmantje gevraagd om haar te helpen haar recht te laten gelden.
Daarom wendde de verzoeker zich met veel respect tot de gouverneur-generaal met het verzoek hem te benoemen tot tijdelijk voogd over de slavin Charmantje, die in de slavenregisters van de kolonie bekend stond als eigendom van de plantage Belwaarde. Zo kon hij het nodige regelen om haar vrijlating te bevorderen en haar rechten op het legaat dat P. L. Garoé haar had nagelaten, af te dwingen.
Dit verzoek werd gedaan door A. de Randamie. De gouvernementssecretaris bevestigde dit afschrift op 22 augustus 1843.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0081 Charmantje, een vrije vrouw van H.C. Windhorst, verscheen voor Wilce Pieter Wilkens, beëdigd klerk van de secretarie van de kolonie Suriname, haar rivieren en districten, en voor de hieronder genoemde getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 881 / 0138 De testamentmaker wilde dat Isaacg, Prins en Cornelia, allemaal kinderen van de zwarte vrouw Charmantje en Princes (dochter van de zwarte vrouw Jannetje), elk een gelijk deel zouden krijgen. Dit gold voor alle bezittingen die zij naliet bij haar dood, zowel roerende als onroerende goederen, waar deze ook gelegen waren, en ook vorderingen, rechten en gerechtigdheden. Niets was hiervan uitgezonderd. Zij stelde hen aan als erfgenamen met alle rechten van dien.
Verder was het haar nadrukkelijke wens dat de zwarte vrouwen Charmantje en Jannetje niet mochten worden verkocht, maar moesten blijven om de hiervoor genoemde erfgenamen te dienen en voor hen te zorgen.
De testamentmaker vroeg en benoemde hierbij tot uitvoerder van dit testament, beheerder van haar nalatenschap en voogd over haar minderjarige erfgenamen en beheerder van hun goederen: de heer Willem Hendrik Casper. Zij gaf hem hiertoe alle ruime last, macht en gezag die aan een uitvoerder, beheerder, voogd en beheerder gegeven kon worden, evenals de bevoegdheid om anderen aan te stellen of te vervangen.
De testamentmaker sloot uitdrukkelijk uit dit testament en deze nalatenschap de Nieuwe Weeskamer en Onbeheerde Boedelskamer uit, zowel die van deze plaats als van alle andere plaatsen, en bedankte de heren commissarissen daarvoor bij voorbaat voor hun anders te nemen moeite.
Al het bovenstaande werd aan de testamentmaker duidelijk voorgelezen en omdat zij de Nederlandse taal niet machtig was, werd het door de beëdigde vertaler Abraham Sigusmundus Convalius in het Neger-Engels aan haar uitgelegd. Zij verklaarde dit alles te hebben verstaan en begrepen en dat dit haar testament en laatste wil was, met het verzoek dat dit zou worden opgevolgd en nageleefd en volledig van kracht zou zijn, hetzij als testament, codicil of in welke vorm dan ook.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 69 / 0232 September 1785 tot januari 1785: Voor bezoeken aan juffrouw, die 's nachts koorts had, ontving iemand 15 gulden en 15 stuivers. Er werden verschillende medicijnen verstrekt, waaronder een koortswerend mengsel. In totaal 11 dagbezoeken en 1 nachtbezoek. Betaald op 6 april 1786 door W. Scholten.
1786 in Rio Berbice: De boedel van wijlen Henrietta was geld verschuldigd aan I. A. Richter voor chirurgijnspraktijk. Jansoon werd geroepen voor de slavin Charmantje. Voor 1 bezoek 3 gulden, plus laxeermiddelen en poeders. Ook het kind van Charmantje Pierup kreeg medicijnen. Totaal 55 gulden. Betaald op 10 april 1786 door I. A. Richter.
1778 in Berbice: Henrietta Kaecks was geld verschuldigd aan H. I. Buse voor:
Verder werden er tussen 1778 en 1784 diverse goederen geleverd, waaronder:
Er werd ook stof uitgedeeld aan verschillende slaven:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.05 / 174 / 0178 In 1632 werd in Suriname een reglement over manumissie (het vrijlaten van slaven) afgekondigd. Dit reglement bevatte een uitzondering voor erfgenamen of executeurs die een boedel aanvaarden, waardoor het niet kon worden toegepast op de zaak van slavin Charmantje.
Na het overlijden van Sa Garelé in 1630 werd plantage Edelwaarde publiek geveild. L. Doecich kocht de plantage en hypothekeerde deze onder dezelfde voorwaarden als zijn voorganger Garelé aan de particuliere West-Indische Bank. Hierdoor bleef slavin Charmantje als een vast onderdeel van plantage Edelwaarde verbonden aan de Bank, tot op de huidige dag.
Persoonlijke vijandschap lijkt advocaat Heijligh te hebben bewogen om deze oude zaak op te pakken. Zeker is dat noch hij noch zijn cliënt A de Clandamie enige betrekking op slavin Charmantje heeft.
Advocaat Heijligh meldde zich bij de Gouvernements Secretaris, die belast was met het Commissariaat der Inlandsche bevolking. Hij gaf aan te willen proberen om S. S. G. Spilker, als executeur van de boedel van Garelé, te dwingen slavin Charmantje vrij te laten. Hij stelde de persoon van A de Clandamie voor om als curator ad hoc (tijdelijk voogd) deze actie te starten.
Hoewel de Gouvernements Secretaris twijfelde aan het goede resultaat van een dergelijke actie, wilde hij geen poging in het belang van slavin Charmantje tegenwerken. Op zijn voorstel werd bij resolutie van 24 augustus 1843 nummer 1066 de persoon van A de Clandamie benoemd tot curator ad hoc over slavin Charmantje.
Direct daarna diende De Clandamie een verzoek in om manumissie voor deze slavin, volgens de vormen van artikelen 11, 13 en 15 van het Reglement op de manumissie (Gouvernements Blad nummer 2 van 1832). Dit verzoek werd door de gouverneur bij resolutie van 13 september nummer 1133 afgewezen, omdat het hem voorkwam dat deze later ingevoerde wet niet kon worden toegepast op een zaak die in 1627 zijn oorsprong had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0109 Juli 1667: Daniel Walraven, beëdigd makelaar in Amsterdam, verklaarde voor notaris Jeurian de Vos dat Joseph Fion en Elias Schaepje Biloper, beiden van de Joodse afkomst, op 23 maart laatstleden een wissel van 200 pond op Antwerpen hadden verhandeld tussen Isaacq Korcamt als gever en Lucas Van Coppenal als ontvanger, waarbij hij makelaar voor een bedrag van 601 gulden bemiddelde.
19 juli 1667: Abraham Marcusz Deuin, winkelier wonende in de Halve Maensteeg te Amsterdam, verscheen met zijn vrouw Elisabeth Jacobs voor notaris Jeurian de Vos. Zij verklaarden van Trijntje Feesdorps, weduwe van wijlen Jacob Burgertsz (in leven zilversmid en schuier van de Regulierspoort) en hun schoonmoeder, het bedrag van 400 gulden te hebben ontvangen. Dit bedrag had hun vader Jacob Burgertsz hen nagelaten in zijn testament, opgemaakt voor notaris Jan Quirijnen Tpithoff op 31 januari 1659, in plaats van hun wettelijk erfdeel. De verschenen personen verklaarden met deze 400 gulden volledig voldaan te zijn en deden afstand van alle verdere aanspraken op de erfenis van hun vader tegenover hun schoonmoeder of haar erfgenamen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937137 / 410 Jacob van Medenblick kreeg volmacht om geld en kosten in te vorderen en te ontvangen, en ook om alle andere schulden, geld en resterende bedragen uit welke zaak dan ook op te eisen en te ontvangen. Hij mocht daar kwitanties voor geven en als het nodig was rechtszaken voeren om betaling af te dwingen. Ook mocht hij met de schuldenaren en schuldeisers van zijn opdrachtgever onderhandelen, tot overeenstemming komen en schikkingen treffen, op welke manier hij dat ook goed achtte. Hij kon daarbij 1 of meer andere personen of procureurs aanstellen die hem vervingen bij rechtszaken. De opdrachtgever beloofde tegenover de notaris alles goed te vinden wat Jacob van Medenblick als zijn gemachtigde zou doen. Jacob moest wel altijd goede en volledige rekening en verantwoording afleggen van wat hij ontving en deed. De volmacht zou blijven gelden tot de opdrachtgever hem introk, zonder bedrog. De opdrachtgever vroeg hiervan een document te maken. Dit gebeurde te Haarlem op de Spaarne bij de woning van de notaris, met Aemt Willemsz andemaker en Lyck Cornelis, beiden poorters van Haarlem, als getuigen.
17 juli 1586 verschenen voor notaris Adriaan Willemsz Cornelis Claesz en Anna Claesdochter, samen kinderen en erfgenamen van wijlen Claes Thissen die tuinman en poorter van Haarlem was geweest. Anna Claesdochter werd bijgestaan door de beëdigde landmeter mr. Pieter Coerraetsz als haar gekozen voogd. Zij verklaarden dat ze vriendschappelijk tot een verdeling waren gekomen van 2 kamers die naast elkaar stonden onder 1 dak in de Dijkstraat tegenover het brandende kruis:
De 2 kamers strekten zich aan de achterkant uit tot aan het perceel van Gangolfs weduwe. Alles was vrij zonder pacht of renten. Anna Claesdochter moest voor de verbetering van haar woning en het voordeel aan Cornelis Claesz betalen: 50 Karolus guldens van 40 groot Vlaams per stuk. Dit zou in 4 termijnen betaald worden:
De muur die als scheiding tussen de 2 kamers stond tot aan de zolder toe was gemeenschappelijk tussen Cornelis Claesz en Anna
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975025 / 10
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 81 / 0027 7 juni 1746: De rechter verbood de gedaagde om nog verdere eisen te stellen en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten. De deurwaarder meldde dat Cornelis Everhard, de eerste opperchirurgijn van het hospitaal van de Oost-Indische Compagnie en ook bruidsmakker in dienst van de Compagnie, behoorlijk was opgeroepen maar niet was verschenen. Iacob Kem toonde namens de Compagnie een volmacht gedateerd 27 mei van dit jaar, verleden voor notaris Abraham van Dinter, die plaatsvervanger was van de fiscaal. Hij deed dit als executeur van het testament van de overleden Iacob Giese, die tijdens zijn leven baas van de zwavelraffinaderij hier was geweest, volgens een testament gedateerd 11 september 1744 verleden voor notaris Hendrik Jansz en getuigen. Hij eiste dat Barend Casper Becker, molenaar in dienst van de Oost-Indische Compagnie, gedagvaard zou worden om te horen dat hij veroordeeld werd tot betaling van 334 guldens van 48 stuivers elk. Dit betrof geleend geld volgens een handschrift gedateerd 10 juni 1744, ondertekend door de gedaagde. Hierbij moest ook de rente van 5,875 procent per maand betaald worden vanaf die datum tot de volledige betaling. De Raad besliste: laat het gebeuren.
De deurwaarder meldde dat Hendrik Risch Bieter, burger hier ter stede, behoorlijk gedagvaardigd was maar niet verschenen was. De eiser Jan Henrik Ruijs, boekhouder in dienst van de Oost-Indische Compagnie, toonde een volmacht gedateerd 26 mei van het afgelopen jaar, verleden voor notaris Abraham van Dinter en getuigen. Hij vroeg vanwege het niet verschijnen van de gedaagde om een eerste en vervolgens een tweede dagvaarding. Hij eiste betaling van 75 rijksdaalders en 36 stuivers voor timmerwerken volgens een rekening die door de eiser was ondertekend, inclusief de daarop verschuldigde rente.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9252 / 0836 De schrijvers vonden het nodig om hun bijgaande besluit toe te sturen aan de geadresseerden. Ze verwezen daarbij naar dat besluit en lieten het aan de wijsheid van de ontvangers over om de juiste maatregelen te nemen om de christelijke gehoorzaamheid te herstellen.
Ze hoopten hiermee hun oprechte eerbied te tonen aan de hooggeleerde heren, en stelden hen als geestelijke vaders een vraag uit Genesis 37:32.
Verder werd besloten dat heer Talbot opdracht kreeg om een verslag op te stellen over de zaken van Bussi, Lieastreum en schout Barend Casper, zoals vermeld in de gezamenlijke memorie. Dit verslag moest naar de Classis worden gestuurd om aan te tonen dat:
Hiervan zou zonder hervatting een uittreksel worden gegeven.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 8695450 / 118 Joan Bruggeman uit Sint Vits diende een verzoek in. Hij trad op namens de minderjarige kinderen van Evert Willem Santvits en Regina Elizabeth Mynderman. Zij waren de erfgenamen van hun oudoom Barend Casper Mynderman, die in Suriname was overleden. Er werd verzocht om brieven aan de weesmeesters in Suriname, zodat de nalatenschap volgens het testament van de overleden oudoom kon worden overgemaakt aan de verzoeker zelf in voornoemde hoedanigheid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 14 / 0312 Casper Backer en postbode Hendr. Nolden, een onlangs aangekomen plaatsvervangend deurwaarder, kwamen samen met de schout binnen. Ze hebben overal rondgekeken in de kamer van de gescheiden vrouw van Joseph Helot, zowel onder als op het bed. De gescheiden vrouw van Joseph Helot zat in bed met haar kousen nog aan en in haar nachtkleding. De verzoeker had een muts op of in de hand, een borstkuras op zijn blote huid, een hemd, een broek aan, en droeg muilen, in een situatie waarin hij zich 's avonds vaak bevond en soms zelfs overdag. Hij had zijn horloge in zijn zak.
Nadat de doorzoeking in de kamer was gebeurd, zei schout Barend Casper tegen de aanwezige personen dat zij zagen dat Stukenbroek er niet was, en dat hij hen als getuigen nam dat deze er niet was. Daarop vroeg de verzoeker of ze ook beneden in zijn kamer wilden zoeken, waarop de schout zei van nee, dat ze genoeg gezocht hadden. Ze gingen direct naar beneden en vertrokken.
Daarna liet raadsfiscaal Mr. Halewyn van Werve de verzoeker op de 8e, zijnde zondags 's morgens, roepen via mevrouw Stukenbroek, die volgens haar zeggen bij de fiscaal was geweest om te vragen wat Barend Casper bij haar huis kwam doen. De raadsfiscaal hield de verzoeker voor dat hij op de manier zoals eerder verteld was aangetroffen, of zoals zijn afgevaardigden hem hadden gerapporteerd. Hij zei dat dit voldoende bewijs was om hem te overtuigen van overspel.
De verzoeker vertelde de raadsfiscaal dat die mensen hadden gezegd te komen om Stukenbroek te zoeken en dat ze geweld op de deur hadden gebruikt, terwijl hij zelf de deur had opengedaan zoals zojuist verteld. De raadsfiscaal antwoordde dat hij opdracht had gegeven om de deur maar open te lopen of te breken, en dat ze niet gestuurd waren om Stukenbroek te zoeken maar om de verzoeker te verrassen met de gescheiden vrouw van Joseph Helot. Deze mensen stonden onder ede, en de raadsfiscaal had van hen nog een bijzondere eed afgenomen dat ze, als de verzoeker de zaak met hem afmaakte, hun werkzaamheden en bevindingen geheim zouden houden.
Verder zei de raadsfiscaal dat de verzoeker veel ophef had veroorzaakt door zijn gewone omgang met deze vrouw en door haar cadeaus te geven en dergelijke. De verzoeker zei daarop dat dit hem toegestaan was en dat er niets verkeerds in zat, en dat hij ook wel met haar had gewandeld. De raadsfiscaal zei verder dat de verzoeker er beter aan zou doen om het af te maken om het schandaal te vermijden, en dat hem was opgedragen om over dergelijke overtredingen te waken en deze te laten straffen. Hij zei dat hij het van zulke mensen als de verzoeker moest hebben en dat deze niet alleen naar deze landen was gekomen om ze te bekijken. Hij wist wel dat de verzoeker door deze reis grote winst had gemaakt.
De verzoeker zei daarop dat hij wat hij verdiend had goed nodig had voor zijn vrouw en kinderen, en dat hij niets verkeerd had gedaan. Als hij hem al iets zou geven, zou dat zijn om te voorkomen dat door de besch
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9501 / 0006 6 april 1740: een schuld van 200 gulden Hollands geld ten laste van Andre Joseph Walraeren.
29 april 1743: een schuld van 200 gulden Hollands geld ten laste van Barend Casper.
Er was een kist met daarin enige papieren die later door de executeur onderzocht moesten worden.
Verder werden aangetroffen:
In de galerij:
In een andere kist:
In de bottelarij:
In het magazijn:
Alles werd geïnventariseerd zoals het in het sterfhuis was aangetroffen. Heer Estienne verklaarde dit zonder hoedanigheid zoals in het begin vermeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 185 / 0070 5 september 1744: Er werd een inventaris gemaakt van de roerende goederen en effecten die zich bevonden in het huis van Arie Beek, die op dat moment gevangen zat op fort Zelandia. Dit gebeurde op verzoek van Jacob van Baarle, raad-fiscaal van de kolonie. De inventarisatie werd uitgevoerd door Carl Godlieb Janssen en David Brouwer. De gegevens werden op schrift gesteld door Ioan Conraed Floto, beëdigd klerk bij de secretarie van de kolonie. Dit alles gebeurde volgens de opgave van schout Barend Casper.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 189 / 0115 De weduwe Barend Casper deed een verzoek aan het Hof van Politie en Criminele Justitie van de kolonie. Zij legde uit dat ze bijna geen kleding meer had en ook geen voedsel. Daarom wilde ze voor korte tijd naar Paramaribo reizen om deze spullen te kopen. Ze respecteerde de autoriteit van het hof en vroeg daarom eerst om toestemming. Ze beloofde op de door het hof vastgestelde dag terug te keren.
Het verzoek werd ondertekend door W. H. Nawig namens zijn moeder. 4 december 1774 werd het verzoek goedgekeurd in Paramaribo. De goedkeuring was ondertekend door Jan Nepven en A. de Millij. I. E. Vieira bevestigde als klerk dat de kopie overeenkwam met het origineel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0442 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/