Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Margareta Jacobs kocht van haar vader (de verkoper, naam niet genoemd) een huis en erf met schuur en alle bijgebouwen, beplanting en bepoting in Abstede. Het erf was erfpacht van het convent van St. Servaes binnen Utrecht. Ook kocht zij alle huisraad en inboedel, behalve 1 bed en persoonlijke spullen van de verkoper en zijn vrouw. Verder werden verkocht: alle vee en beesten (paarden, koeien en andere levende have), gereedschap voor de landbouw en al het koren op het veld en in de bergen. Het erfpachtgoed werd geschat op 2.000 gulden. De koperschap moest rekening houden met het voorkooprecht van het convent van St. Servaes. De koopster moest de volgende schulden van de verkoper betalen:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507254 / 369 Op 15 januari 1781 bespraken de autoriteiten het geval van verschillende weggelopen slaven. De slavin Nanette werd veroordeeld tot levenslang dwangarbeid in ketenen op de nieuwe vesting. Ze werd voor 200 gulden aan de directie overgedragen. Na aftrek van de kosten zou het resterende bedrag aan haar voormalige meester worden uitgekeerd. Haar kind zou aan dezelfde meester worden teruggegeven. De slaven Jason en Harard, eigendom van David de la Para, werden eveneens veroordeeld tot levenslang werk in ketenen op het Cordon, zo ver mogelijk verwijderd van de rivieren Suriname en Commewijne. Ook zij werden voor 200 gulden per persoon overgedragen, waarbij het restant na aftrek van kosten aan hun eigenaar zou worden betaald. Van deze beslissingen zouden afschriften worden gegeven aan de eerste raadsfiscaal en ingenieur Wolland.
Op vrijdag 19 januari 1781 werd een buitengewone vergadering gehouden. De commissarissen meldden dat Cornelis Bliek en zijn echtgenote opnieuw waren verschenen, met hetzelfde verhaal als eerder. Een verzoekschrift van Maria Catharina Voogelaar, de echtgenote van Cornelis Bliek, werd behandeld. Zij vroeg om toestemming (zogenaamde "veniam agendi") om een scheiding van tafel en bed tegen haar man aan te vragen. Ook verzocht zij om een curator over de gemeenschappelijke bezittingen aan te stellen. Het verzoek werd goedgekeurd. Aan Maria Catharina Voogelaar werd de gevraagde toestemming verleend. Johan Adolph van Claveren werd aangesteld als curator om samen met Cornelis Bliek de gemeenschappelijke bezittingen te beheren en een inventaris op te maken. Van deze beslissing zouden afschriften aan M.C. Voogelaar en curator Van Claveren worden gegeven.
Vervolgens legde de gouverneur een brief voor van 1 november 1780 van de directeuren en regeerders van de kolonie. Deze brief meldde dat toestemming was verkregen van de burgemeesters van Amsterdam om Lucia Susanna Nawich, weduwe van Barent Casper, op te laten nemen in het tuchthuis binnen die stad. De autoriteiten bedankten de burgemeesters voor de snelle uitvoering van dit verzoek. De raadsfiscaal werd gemachtigd om verdere actie te ondernemen met betrekking tot Lucia Susanna Nawich.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0427 23 mei 1780 werd er gesproken over een brief aan Haar Edele Groot Achtbare over de zaak van S. L. Narrich, weduwe van B. Casper. Het ging om de aankoop van de resterende 2/6 deel in de grond Fortvliet.
Op 9 augustus zou er actie ondernomen worden, en de secretaris kreeg de opdracht dit verder uit te voeren.
Er werd ook een conceptbrief voorgelezen aan Haar Edele Groot Achtbare over het vonnis dat was uitgesproken in de zaak van S. L. Narrich, weduwe van B. Casper. Deze brief werd goedgekeurd en de secretaris moest deze netjes uitschrijven.
De raad en boekhouder generaal meldde dat hij volgens het besluit van 18 mei de mogelijkheid had gevonden om het resterende 2/6 deel in de grond Fortvliet te kopen voor 600 gulden, waarbij het land de kosten voor het transport zou betalen.
De ontvanger van de kleine belastingen kreeg toestemming om het transport te laten maken.
Er werd gesproken over een antwoordbrief aan Haar Edele Groot Achtbare op hun brief van 20 december 1779.
De raad en boekhouder generaal werd bedankt voor zijn inspanningen. Er werd besloten dat Pieter Berkhoff, de ontvanger van de kleine belastingen, toestemming kreeg om het benodigde transport te laten maken en te ontvangen. Hij mocht op opdracht van de rekenmeesters de koopsom en de kosten betalen. Hiervan zouden hijzelf en de rekenmeesters een uittreksel krijgen.
Daarna vroeg de gecommitteerde raad aan de rekenmeesters om, volgens het besluit van 25 februari 1780, hun mening te geven over verschillende punten uit de brief van Haar Edele Groot Achtbare van 20 december 1779. Zij leverden hun schriftelijke mening aan. Deze werd voorgelezen en de raad werd bedankt voor hun werk. Men besloot zich hierbij aan te sluiten. De secretaris moest dit als bijlage bij de antwoordbrief voegen.
Over de rente van 8 procent op de geprotesteerde wisselbrieven tegen weglopers bij de kas werd besloten te antwoorden dat de stelling van Haar Edele Groot Achtbare over het genomen besluit weliswaar billijk was, maar dat dit onderscheid alleen was gemaakt op basis van het plakkaat van Haar Hoog Mogende van 18 december 1779 over voorrang en mededinging in deze kolonie, waar deze woorden werden gebruikt. De secretaris kreeg opdracht de antwoordbrief op te stellen.
Ook legden de gecommitteerde rekenmeesters en de raad en boekhouder generaal de rekening over van de eerste deurwaarder van deze kolonie. Deze bevatte zijn verantwoording over de door hem ontvangen deurwaarderskosten en andere gelden van 1 december 1779 tot en met 30 april 1780. Zij meldden dat zij deze hadden onderzocht en juist bevonden. De rekening werd goedgekeurd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0231 Op 18 en 23 mei 1780 werden de laatste documenten ondertekend als afsluiting van de gewone zitting. Daarna werden ook de brieven samengevat en ondertekend die bestemd waren voor de Heren Directeuren en Bestuurders van de kolonie. Deze brieven gingen over het besluit van 23 mei, over een vordering ten laste van de kolonie Berbice, en over de veroordeelde Lucia Susanna Nawich, weduwe van B. Casper. Ook werd het plakkaat voor de Dank- en Bededag behandeld.
Vervolgens rapporteerde raadslid Clementa, die belast was met de veilingen, dat de deurwaarders van beide hoven het niet eens hadden kunnen worden over wie van hen de volgende morgen als afslager bij de veilingen zou optreden. Ook de assistent Van Bülow, die deze zitting toestemming had gekregen, was niet verschenen. Hierdoor had er geen veiling kunnen plaatsvinden.
De gouverneur-generaal stelde daarop voor dat omdat de deurwaarders voortdurend bezig zijn bij de zittingen van het hof en bij de doorlopende registers, het het beste zou zijn om een apart persoon als afslager voor de veilingen aan te stellen, zoals dat vroeger ook was. Hij merkte wel op dat dan overwogen moest worden om de deurwaarders een kleine salarisverhoging te geven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0242 Margareta Julien verklaarde dat ze bepaalde gebeurtenissen niet wist of zich niet kon herinneren, behalve juffrouw Warendorp.
Ze verklaarde dat ze mevrouw Schenping niet bij het raam had zien leunen, maar dat mevrouw Schenping (of meneer Engels) in het Duits of het Neger-Engels tegen Lucia Nawich had gesproken. Er werd gevraagd of ze had gehoord wat mevrouw Schenping tegen Lucia Nawich had gezegd.
In de maand juli waren de genoemde personen mogelijk bij haar thuis geweest. Ze sprak met Lucia Nawich, de gescheiden vrouw van Barent Casper. Mevrouw Schenping zei dat ze had gehoord dat Lucia Nawich kinderen van meneer Cellier in het huis Van Hanlingen had gezocht, en dat ze daar de Heer de Waedt had gevonden. Mevrouw Schenping zei toen dat ze hoorde dat Lucia Nawich groot en klein wilde noemen die daar kinderen hadden gehad.
Lucia Nawich antwoordde dat ze niet wist dat meneer Cellier kinderen had gehad. Ze sprak over een kind in Para dat geen moeder had. Ze zei dat er bij de Heer Pallak een kind was dat negende was, en dat er geen kinderen uit de hemel vielen, maar geen kinderen zonder moeder waren.
Mevrouw Schenping waarschuwde dat er 2 mensen van de tegenpartij van meneer Cellier zouden komen die Lucia Nawich iets in de hand zouden stoppen om mevrouw Cellier te noemen. Ze zei dat als Lucia Nawich iemand wilde noemen, ze juffrouw Wilffort of gewone mensen moest noemen. Lucia Nawich antwoordde dat ze nee zei.
Mevrouw Schenping noemde de arme mensen of gewone lieden die heen en weer tussen beide partijen gingen, en zei dat ze Cellier niet kende als hij na 8 uur begon te deugen. De woorden waren in deze betekenis geweest.
De getuige verklaarde dat mevrouw Schenping de personen niet had genoemd die Lucia Nawich zouden moeten overhalen om mevrouw Cellier te noemen. Het gesprek was gebeurd in aanwezigheid van Jan Nepven en meneer Schepping was weggegaan, en Lucia Nawich ook.
Op de vraag of ze in Para was geweest en daar dikwijls op de plantage van Heer Pallak was geweest, antwoordde ze ja. Ze verklaarde dat het een mooi kind was. Er was een algemeen gerucht dat iedereen wist. Ze had daar een kind gezien genaamd Charles. Ze had gehoord dat de moeder van dat kind niet bekend wilde zijn, maar wist niet wie de moeder was of voor wie ze werd gehouden volgens de algemene zeggen.
De getuige verklaarde verder niets van deze zaak te weten. Ze
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 5784 / 0112 30 december 1780 werd er in het kasteel Orange te Ternate een lijst opgesteld van leden die zitting hadden in het college van commissarissen voor huwelijks- en kleine rechtszaken. Als voorzitter fungeerde Gerardus Willem van Renesse. Andere leden waren Coenraad van Dijk, Casper Voges, David Brand, Willem Semet, Johan Godlob Voogt en Johan Paul Christiaan Wolf. J.P.C. Wolf was de secretaris.
31 december 1780 werd er een lijst gemaakt van degenen die zitting hadden in de kerkraad van Ternate. Als voorzitter trad op Georgius Jacob Huther. Gerardus Willem van Renesse was ouderling sinds 1779 en Willem Fredrik Mersz sinds 1771. Casper Voges was diaken. De lijst werd ondertekend door G.W. van Renesse als ouderling.
Er werd ook een namenlijst opgesteld van officieren van de piënnisten:
27 december 1781 werd in het kasteel Orange te Ternate een lijst opgesteld van officieren van de matrozen en ambachtslieden:
31 december 1780 werd een namenlijst gemaakt van de officieren van de burgerij van Ternate:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8143 / 0523 Casper vroeg aan de ondervraagde of hij niet met Casper mee was gegaan. De ondervraagde antwoordde dat hij niet wist dat Casper had gezegd "jij schelm, drommel, je zult met mij naar het huis meegaan." Op nadere vraag zei hij ja.
Er werd gevraagd of Casper hem niet tot aan het huis van Andries Kuiper had meegenomen. Ook werd gevraagd of de ondervraagde niet naast het paard naar dat huis was gegaan.
Er werd gevraagd of de ondervraagde, als Casper niet was aangekomen, het meisje met geweld niet tot zijn wil had willen krijgen.
Toen ze bij het huis van Andries Kuiper kwamen, kwam Andries naar buiten en zei "goedenavond Casper". Casper zei tegen de ondervraagde "jouw schelm, waarom houd je dit meisje hier vast".
De ondervraagde antwoordde Casper dat hij haar goed hielp dragen.
Casper zei tegen Hilletje Smits: "Casper, kijk, deze jongen houdt mij hier vast."
Het genoemde meisje stond daarop op en ging naar Casper.
Dit werd gevraagd en ondervraagd en zonder dwang of marteling vrijwillig beantwoord in het Kasteel de Goede Hoop op 23 mei 1705. Dit gebeurde in aanwezigheid van O. Berg, J. Swellengrebel, Willem van Putten, K. J. Slotsboo, C. H. Diepenauw, N. Oortmans en Hendrik Donker, leden uit de Raad van Justitie. Zij tekenden samen met de ondervraagde en Abraham Poulle, die hiertoe bevoegd was.
Bij een nieuwe verhoor verscheen opnieuw voor de afgevaardigden uit de Raad van Justitie de eerder genoemde ondervraagde Jacob van de Kust Coromandel. De vragen en zijn antwoorden werden hem nogmaals voorgelezen. Hij verklaarde hierbij volledig te blijven en wilde niets toevoegen of weglaten.
Bij een derde verhoor verscheen wederom voor de afgevaardigden uit de Raad van Justitie de meergenoemde slaaf Jacob van de Kust Coromandel. Zijn eerder gegeven verklaringen werden hem van woord tot woord duidelijk voorgelezen. Hij verklaarde hierbij nog steeds volledig te blijven en wilde niets laten toevoegen of weglaten. Hij voegde wel toe bij vraag 11 dat ze toen een keer half op haar knieën is gevallen en toen weer is opgestaan. Bij vraag 17 zei hij dat Hilletje Smits de neusdoek waarin zij enkele rozijntjes had zelf in de mond heeft gestoken en dat hij die daar zo in heeft vastgehouden.
Dit werd gedaan in het Kasteel de Goede Hoop op 25 mei 1705 voor Willem van Putten en
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 4053 / 0100 Een vrouw beloofde te betalen en om zekerheid te geven, zou zij aan Herman van de Poll en compagnie extra hypotheek verstrekken. Zij zou 110 slaven, mannen en vrouwen, groot en klein, verbinden aan plantage Bladensteijn.
De vrouw verklaarde dat zij ter voldoening van deze voorlopige overeenkomst, ten behoeve van het negotiatiefonds van Herman van de Poll en compagnie, specifiek 110 slaven zou verbinden, namelijk mannen en vrouwen, jongens en meisjes. De namen waren:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 395 / 0535 Dit is een uitgebreide adressenlijst van bedrijven, organisaties en personen aan de Prins Hendrikkade en omliggende straten in Amsterdam. De lijst vermeldt honderden namen en adressen, waaronder:
De lijst bestrijkt adresnummers 79 tot 190 aan de Prins Hendrikkade en aangrenzende straten zoals de Gelderschekade, Kromme Waal, Binnenkant en diverse lanen en pleinen in de buurt.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3677024 / 1073 3 december 1744: Er was reden om te vermoeden dat de weggelopen slaaf Abraham en andere weggelopen slaven in de omgeving verbleven. Zij hielden zich mogelijk bezig met vissen of hielden contact met iemand in Paramaribo. Het was hoogstnodig om hier onderzoek naar te doen. Ook moest er onderzoek worden gedaan naar een slaaf die gevangen was genomen op de plantage Boxel.
Er werd besloten om:
Verder deelde zijn Weledelgestrenge aan de leden mee dat in de laatste buitengewone vergadering van 19 [datum niet volledig], vanwege het overlijden van de heer Frans Lorentz Wriedt die rekenmeester was geweest, de heer Hengevelt samen met de heer Dupeirou tijdelijk tot rekenmeester was gevraagd en benoemd tot aan deze gewone vergadering. Hij stelde daarom voor om deze functie definitief te vervullen. Hiervoor werd zijn Weledelgestrenge bedankt, hoewel volgens de beurt de heer Wowink eigenlijk zou moeten opvolgen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 136 / 0309 Op 3 december 1744 ging iemand voor de eerste keer na lange tijd met haar ergens naartoe. Het was gemeld dat er enkele dagen geleden op plantage Boxel een weggelopen slaaf zou zijn gevangen, die zou hebben gezegd dat hij uit een dorp kwam dat een gouverneur had. Deze gouverneur had hem samen met enkele andere slaven uitgestuurd om de plantage van Johannes Pieterse Visser te bespioneren en te onderzoeken of zij in staat waren om die plantage aan te vallen en te verwoesten. Deze slaaf was niet aan de autoriteiten overgedragen. Volgens een verklaring van de beheerder van die plantage, Frans Kerkhoven, was daar geen andere slaaf gevangen dan een nieuw aangekomen slaaf genaamd Simon Elijn, aan wie hij die slaaf had overgedragen. De autoriteiten namen op zich om hier in stilte onderzoek naar te doen. Over de laatste slaaf werd gezegd dat de eigenaar hem bij de autoriteiten moest brengen, maar men hoorde dat de slaaf meer dan 3 weken geleden met zijn eigenaar naar de rivier Cottica was vertrokken.
Op 8 december 1744 hadden de autoriteiten de slaaf en slavin ondervraagd, en zij hadden niet alleen alles wat eerder gemeld was verteld en bekend, maar ook nog meer andere zaken, zoals bleek uit het verslag van hun ondervraging en hun antwoorden dat aan tafel werd voorgelegd. De autoriteiten werden bedankt voor de genomen moeite en het gedane verslag.
Uit het verslag bleek dat de slaaf na zijn vlucht aan Wanica een slaaf had gevonden genaamd Coeparie of Solon, toebehorend aan Johannes Kleij, die altijd aan Wanica was en altijd enkele dagen bleef. Ook bekende hij dat de slaaf Fortuijn van de weduwe Sieskent daar soms enkele weken bleef. Ook had de weggelopen slaaf Abraham hier in Paramaribo een vrouw genaamd Affiba of Amemba, toebehorend aan Barent Casper. Verder had deze slaaf Abraham enkele netten bij zich die hij zei in Paramaribo te hebben gekocht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 136 / 0308 15 oktober 1746 kreeg de bevolking in Paramaribo een ernstige waarschuwing. De Gouverneur was vastbesloten om bepaald gedrag niet langer te dulden. Wie na deze waarschuwing nog zou overtreden, zou meteen vervolgd worden zoals gebruikelijk was bij landverraad en het maken van oproer.
20 oktober 1746 werd een mededeling gedaan aan welmenende burgers. Er werd kwaadwillig beweerd dat een beslissing van de Gouverneur over een verzoek van afgevaardigden van de Joodse Natie tegen Isaak Carilho gevolgen zou hebben voor andere christelijke burger officieren. De zaak was verwezen naar de Edele Societeit, die als enige bevoegde rechter gold over de privileges van de Joodse Natie. Namens de Gouverneur werd verzekerd dat christelijke burger officieren zich hier niets van hoefden aan te trekken. In de zaak tegen Carilho ging het niet om de rechten van burger officieren, maar om de privileges van de Joden. Deze privileges waren niet gebaseerd op een octrooi, maar hingen volledig af van de gunst van de Edele Societeit.
Op een niet genoemde datum richtten Barent Casper en Lucia Susanna Nawigh, echtgenoten, zich tot het Hof van Politie en Criminele Justitie van de kolonie Suriname. Zij lieten weten dat zij tot hun grote verdriet hadden ontdekt dat hun karakters heel verschillend waren. Hierdoor zouden er veel problemen in het huishouden kunnen ontstaan. Om dit te voorkomen waren zij overeengekomen om in der minne te scheiden van tafel, samenwoning en goederen. Zij verzochten het Hof dit goed te keuren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 188 / 0175 Op 23 oktober hebben de ingenieurs Pierre Dominique des Marets en Dirik Hendrik de With aan het hof laten weten dat tussen maandagnacht en dinsdagnacht een gedeelte van de verdedigingsmuur van de Nieuwe fortres was ingestort. Deze muur had al 5 jaar gestaan. Op die dag ontbraken er 13 mannen. Het hof bedankte de ingenieurs voor hun moeite en de documenten werden opgeslagen bij de secretarie.
Verder werd de gewone zaak van 6 oktober hervat, waarbij sommige eisen en verhoren werden behandeld. De heer commandant Marielius Brouwer gaf iets te kennen aan het hof.
De ingenieurs meldden dat zij opdrachten hadden gevonden van de gouverneur en de commissarissen om niet verder te gaan met het metselwerk op het bastion, dat wat was gezakt. Ze zouden het werk stopzetten totdat er een noodzakelijke inspectie was gedaan en nieuwe orders waren ontvangen.
Hendrick Talbot legde de eed af als voorlopig deurwaarder.
De gouverneur liet weten dat hij als plaatsvervangende deurwaarders had aangenomen: Willem Benjamin Lindisch en Andries Liedstreum, en als schout Barent Casper. Het hof werd gevraagd deze personen tot hun functies toe te laten.
Na beraadslaging werden de genoemde personen toegelaten in hun functies en legden zij de eed af. De ingenieurs werd opgedragen om schriftelijk uit te leggen waarom zij tegen de orders van de gouverneur en commissarissen waren ingegaan, en hun overwegingen over het instorten van de verdedigingsmuur op schrift te stellen en aan het hof te overhandigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 134 / 0813 26 november 1779 verklaarde de heer Pierre du Peirou dat hij, ondanks de beledigingen die waren aangericht, uit oogpunt van het welzijn van de gemeenschap zijn ambt zou aanvaarden. Hij zou over de aangedane beledigingen zijn mening geven zoals hij dat passend achtte.
De heer Mendickkorg weigerde echter volledig om samen met de heer Visser zijn ambt aan te nemen en gaf daar geen enkele reden voor, hoewel dit wel gevraagd was. Hij werd daarop volgens een resolutie gevraagd of hij zijn plaats en stoel in de rechtbank verliet, waarop hij antwoordde "bij provisie" en vervolgens de vergadering verliet. De gewone zitting van het Hof van Civiele Justitie werd de volgende dag door alle leden, behalve de heer Kocq, voortgezet.
Enkele dagen later kwam de heer Korg weer binnen en toonde aan het Hof van Civiele Justitie aan dat hij, hoewel hij nog steeds van mening was redenen te kunnen aanvoeren waarom hij niet met de heer Visser wilde samenwerken, gehoord had dat de heer fiscaal die dat had voorgesteld zich wel met hem wilde conformeren. Hij legde zijn redenen over met het verzoek deze in de notulen op te nemen. Hij werd toen opnieuw gevraagd of hij zelf sessie wilde nemen, maar hij bleef bij zijn eerdere standpunt en verliet opnieuw de vergadering.
Van dit alles heeft het Hof van Civiele Justitie in de notulen aantekening gehouden. Het Hof zou hieruit alle verdere omstandigheden kunnen zien. Er werd besloten de beraadslaging uit te stellen en de notulen van het Hof van Civiele Justitie ter tafel te brengen.
26 november 1739 werd aan de secretaris verzocht om de volgende dag de notulen van de laatste vergadering van het Hof van Civiele Justitie ter tafel te brengen.
De heer raad fiscaal en meester W.G. van Meel als raad fiscaal en exploiteur hebben aan het Hof laten weten dat de substituut-exploiteur Lindisch moest worden afgeroepen. Dit omdat vanwege de langdurige ongesteldheid van hem en zijn substituut-exploiteur Daniël Letort de zaken van schout Barent Caspo niet konden worden behandeld en de inwoners daaronder leden. Hij was genoodzaakt geweest hem ontslag te geven. Ook vanwege het slechte gedrag van de schout zelf had hij zich genoodzaakt gezien deze te ontslaan.
Omdat het Hof in die tussentijd geen zitting had en de zaken intussen wel moesten worden behandeld, had hij voorlopig als substituut-exploiteur aangenomen Benjamen Willem Lindisch en als schout Barent Casper. Deze waren, voor zover hij wist toen er geen leden van het Hof aanwezig waren, door hem in aanwezigheid van hem en de secretaris van het Hof voorlopig onder ede genomen. Hij wilde hen graag definitief in die ambten laten bevestigen en droeg hen daarom voor aan het Hof, met het verzoek deze aanstelling goed te keuren en van hen de eed voor hun functie af te nemen.
Dit werd goedgevonden en de aanstelling werd goedgekeurd. B.W. Lindisch werd binnengehaald en heeft de eed als substituut-deurwaarder
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 134 / 0575 Op 11 mei 1780 werd Lucia Sussanna Nawich, weduwe van Barent Casper, door het Hof veroordeeld. Hoewel slavenhandel in Para minder gevaarlijk was dan in Paramaribo, had zij op haar oude dag haar vroegere levensstijl niet opgegeven. Zij bleef contact houden met weggelopen slaven uit het bos en had toegegeven dat zij dram (sterke drank) aan slaven had verkocht. Dit gedrag werd als zeer schadelijk beschouwd en moest als voorbeeld voor anderen worden bestraft.
Het Hof veroordeelde Lucia Sussanna Nawich tot 50 jaar gevangenschap, ofwel in de kolonie ofwel in Nederland. Daarnaast moest zij de proceskosten betalen.
Het vonnis werd uitgesproken in Paramaribo en ondertekend door B. Tepier en A. de Millij.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0449 Mr. I.G. Wichers, Eerste Raad Fiscaal, heeft aan het Hof Crimineel laten weten en met onderzoek en eigen bekentenis aangetoond dat de beschuldigde en gevangene Lucia Sussa, nu weduwe van Barent Casper, enkele jaren uit Paramaribo was verbannen omdat ze gekonkel had en drank aan slaven had verkocht. Zij verbleef lange tijd op een stukje grond in Para, waar zij met haar oude praktijken was doorgegaan. In 1774 vroeg zij of ze voor korte tijd weer naar Paramaribo mocht komen, wat werd toegestaan omdat men oordeelde dat haar gekonkel met slaven
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0448 7 december 1746: De raad-fiscaal meldde dat Willem Benjamin Lindisch en Lucia Nawigh, de gescheiden vrouw van Barent Casper, sinds hun wettige scheiding samenleefden in dubbel overspel. Barent Casper had gemeld dat zijn gescheiden vrouw waarschijnlijk zwanger was van Lindisch en dat ze van plan was Paramaribo te verlaten, vermoedelijk om de vrucht weg te maken.
16 februari 1750: De 2 personen, die als echte lieden samenleefden, kregen ruzie waarbij het tot een gevecht met houwerswapens kwam. Lucia Nawigh liep een hoofdwond aan haar rechter helft op.
De raad-fiscaal legde uit dat volgens de Politieke Ordonnantie artikel 3 vrije personen die samenwonen bestraft worden met:
De boetes gingen voor een derde naar de noodofficier, een derde naar de armen van de plaats en een derde naar de aanbrenger.
Deze samenwoning was extra schandalig omdat beide personen hun echtgenoot nog in leven hadden en dus vermoedelijk dubbel overspel pleegden. Het was ernstiger omdat Lucia Nawigh volgens geruchten zwanger was en weg wilde gaan, zodat men niet wist wat ze met de vrucht van plan was.
Maart 1750: De raad-fiscaal Jacob van Baerle vroeg toestemming om Lucia Nawigh door 1 of meer vroedvrouwen te laten onderzoeken of ze zwanger was. Als dat zo bleek, moest ze in Paramaribo blijven tot na de bevalling. Ook vroeg hij toestemming om onderzoek te doen naar het vermoedelijke overspel tussen W. B. Lindisch en Lucia Nawigh en naar de vechtpartij.
Het hof gaf toestemming voor dit verzoek en beval dat W. B. Lindisch en Lucia Nawigh moesten stoppen met samenleven om verdere ergernis te voorkomen.
Woensdag 11 maart 1750: De raad-fiscaal rapporteerde mondeling over enkele slaven of slavinnen die waren gehoord voor commissarissen. Ze waren beschuldigd van samenzwering met slaven van wijlen Aman Thomas en anderen. De verhoren waren gelezen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 142 / 0102 Barent Elshoven ontving 15 gulden, Samuel Rottstadt 7 gulden 9 stuivers, Barent Komp 7 gulden 6 stuivers, Jan Leon 15 gulden, Jan Andreas 15 gulden, Harman Walters 15 gulden, Albert Almers 10 gulden 7 stuivers. Deze mannen waren gestationeerd op commando in de Courpene.
Fredrik Casper en Frans Jacob Achtienhoven kregen elk 15 gulden. Op de Sofresse Jommelsdick ontving Hans Joost Everling 10 gulden 7 stuivers.
Op de post in de Motereecq kregen Jan Hendrik hansen, Martijn Herhoft en Jan Philip Jonker elk 15 gulden. Op de Parnassusberg ontving Johannis Schufsele 7 gulden 10 stuivers.
In de Corentijn kregen Jan Bacham de Jonge, Hendrik Freij en Gebhard Wernard Gellot elk 15 gulden.
In de Wasoeme ontving Jan Borgenjon 5 gulden en Andries Huijsen 15 gulden.
De volgende soldaten verlieten de dienst met een paspoort:
31 december 1729 werd dit opgesteld in Paramaribo. De kosthoudende de Greeff monsterde op 2 januari 1730 de aanwezige manschappen die effectief in dienst waren van de Directeuren van de Sociëteit van Suriname.
2 januari 1730 in Paramaribo ontvingen de hiervoor genoemde manschappen hun tractement zoals gespecificeerd. 31 december 1729 werd dit bevestigd.
De monster- en betaallijst van de compagnie van kapitein Pieter Bleij van de Kaap vermeldde: kapitein Pieter Allij, luitenant Iean Jaques Marguls, vaandrig Claede P: Baron de Couwal 52 gulden 10 stuivers, sergeant Dirik Andriessen 25 gulden 4 stuivers, tamboer Jan Ch's Scholtz 15 gulden, Albert willem Nieman 20 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 257 / 0023 11 mei 1905 trouwden Johannes Schmidt, schilder, 42 jaar, en Hafje Stieltjes, 24 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Johannes was geboren in Amsterdam en was de meerderjarige zoon van Heinrich Wilhelm Schmidt en Willemina Suzanna Stempel, beiden overleden. Hafje was geboren in Nibbixwoud en was de meerderjarige dochter van Jacob Stieltjes, overleden, en Neeltje Zwagerman, zonder beroep, wonend in Amsterdam. De moeder van de bruid stemde in met het huwelijk. De afkondigingen waren 30 april en 7 mei gedaan. Als getuigen waren aanwezig: Simon Stieltjes, neef van de bruid, schilder, 27 jaar; Wilhelmus Johannes van Zeijl, schafthuishouder, 37 jaar; Evert Stieltjes, oom van de bruid, schilder, 55 jaar; en Andries Stieltjes, broer van de bruid, politieagent, 32 jaar, allen wonend in Amsterdam.
11 mei 1905 trouwden Christiaan Johannes Melchers, bediende, 29 jaar, en Elisabeth Cornelia Soff, 28 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Beiden waren geboren en woonden in Amsterdam. Christiaan was de meerderjarige zoon van Christiaan Adrianus Melchers, winkelier, en Catharina Johanna Lensen, wonend in Amsterdam. Elisabeth was de meerderjarige dochter van Daniel Soff, bediende, en Elizabet Cornelia Maternum, wonend in Amsterdam. De ouders van beide bruidsparen stemden in met het huwelijk. De afkondigingen waren 23 april en 30 april gedaan. Als getuigen waren aanwezig: Daniel Soff, broer van de bruid, bediende, 35 jaar; Martinus Soff, broer van de bruid, bediende, 31 jaar; Johannes Henderikus Melchers, broer van de bruidegom, bediende, 24 jaar; en Gijsbertus Weinssen, bediende, 30 jaar, allen wonend in Amsterdam.
11 mei 1905 trouwden Mathijs Remijn, bloemist, 31 jaar, en Elisabeth Maria Becker, 24 jaar, zonder beroep, in Amsterdam. Mathijs was geboren in Willemsoord onder Steggerda, gemeente Weststellingwerf, en woonde in Nijmegen. Hij was de meerderjarige zoon van Marinus Remijn, landbouwer, en Elizabeth Zandwijk, wonend in Vledder. Elisabeth was geboren in Amsterdam en had laatst gewoond in Wijk aan Zee en Duin. Zij was de meerderjarige doch
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1981805 / 9 In de Sint Jacobskerk in een grafstede die toebehoorde aan Frans van Amerongen, haar zwager. Zij moest zorgen voor de kist, baar, schragen en wat daarbij hoort, zonder dat haar erfgenamen zich daarmee mogen bemoeien.
De onderstaande personen verklaarden dat zij op grond van open en verzegelde brieven van octrooi, verleend door het Hof Provinciaal van Utrecht en gedateerd 10 januari 1585 om 9 uur in de ochtend, wilden beschikken over hun tijdelijke goederen die God de Almachtige hen had verleend. Allereerst bevelen zij hun ziel, wanneer die van hun lichaam gescheiden zal zijn, in de handen van de Allerhoogste, en hun lichaam moet ter aarde worden besteld.
Vervolgens ging de testatrice over tot het vaststellen van haar testament, haar laatste en uiterste wil. Zij wilde dat haar begrafenis naar ruime staat en gelegenheid geheel gedaan zou worden door Frans van Amerongen, de zoon van de broer van haar overleden man, naar zijn eigen inzicht. Hierbij moest voor het lijk wit en zwart laken gehuurd worden, verder moest er wijn geschonken worden en moest er naar behoren geluid worden. Vervolgens moest er ook een fatsoenlijke maaltijd gehouden worden, alles naar eigen inzicht zoals eerder genoemd.
Voor dit alles had de testatrice met haar neef afgesproken, zoals zij bij dezen deed, het bedrag van 110 guldens per stuk, zonder dat hij gehouden zou zijn daar aan iemand rekenschap over af te leggen. Deze 110 guldens wilde zij dat als eerste gehaald werden van:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507185 / 53 Cornelis Ghijsbertssen en Grietgen Jacobs, echtelieden wonende in Abstede, kwamen voor notaris Jan van Verhoven uit Utrecht. Cornelis Ghysbentsz was gezond, maar Grietgen Jacobs was ziek en lag te bed. Ze kon echter nog wel spreken en helder denken. Het echtpaar verklaarde dat ze als voogden over hun kinderen aanstelden: degene van hen die het langst zou leven, en daarnaast Adriaen Gysbertsz (de broer van Cornelis) en Cornelis Cornelisz De Bije, smid (de zwager van Grietgen). Deze benoemde voogden mochten zichzelf vervangen door anderen als dat nodig was. Het echtpaar wilde nadrukkelijk dat de Weeskamer van Utrecht en haar vertegenwoordigers werden uitgesloten. Er mocht geen openheid over hun bezittingen aan de Weeskamer worden gegeven, geen inventaris worden geleverd en geen verantwoording worden afgelegd. Dit alles was hun testament en laatste wil. Ze vroegen dat deze wil volledig zou worden uitgevoerd, ook al waren niet alle wettelijke formaliteiten in acht genomen. Dit werd gedaan in het huis van het echtpaar in Abstede, op het erf van Harman Bartssen en Steven Jacobsz, die als getuigen waren verzocht. Ook Anthonis Caesz opde Cuijll was als 3e getuige aanwezig. Dit gebeurde op 1 februari 1650.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507151 / 229 Henri Adneij werd door de testateur aangesteld als uitvoerder van het testament, beheerder van de nalatenschap, verzorger van de begrafenis en voogd over de minderjarige erfgenamen. Aan hem werd alle bevoegdheid gegeven die volgens de wet aan een uitvoerder, beheerder, voogd en beheerder kan worden gegeven. Ook kreeg hij de macht om zo nodig andere personen aan te wijzen of te vervangen.
De testateur sloot de voogdijkamer van de nieuwe wezen en onbeheerde nalatenschappen van deze kolonie uit van zijn testament en nalatenschap. Ook sloot hij alle voogdijkamers uit van alle andere steden en plaatsen waar hij zou kunnen overlijden, waar goederen gelegen waren of waar erfgenamen zouden kunnen wonen. Al deze instanties werden bij deze bedankt voor hun anders te nemen moeite.
Het bovenstaande werd duidelijk aan de testateur voorgelezen en daarna door de beëdigde vertaler I. C. Cramer in het Engels vertaald. De testateur verklaarde alles goed te hebben begrepen en dat dit zijn testament en laatste wil was. Hij wenste dat dit na zijn overlijden zou worden opgevolgd en nagekomen, of het nu als testament, codicil of op een andere juridische manier zou worden beschouwd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 806 / 0370 30 februari 1771 vond er in Paramaribo een taxatie en inschatting plaats van 10 tot slaaf gemaakte mensen:
De totale waarde van deze taxatie bedroeg 307195 gulden en 5 stuivers. Het document werd ondertekend door I. d. Dutouj, en aan de achterzijde door N. O. Pelichet, L. Landsknegt, Ands Witting als beëdigde taxateurs. Het document kwam overeen met het origineel dat aan de ondertekenaar werd getoond door Faures en werd geregistreerd op 21 maart 1771 door beëdigd klerk G. Schlick.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 700 / 0212 A. de Mandamie richtte zich voor de tweede keer tot het gerecht in zijn rol als curator ad hoc over de slavin Charmantje. Hij verzocht om vrijheidsbrieven voor deze slavin volgens de regels van artikelen 11, 13 en 15 van het Reglement op de manumissie (vrijlating) van slaven uit het Gouvernementsblad nummer 2 van 1832.
Zijn eerste verzoek was 13 september afgewezen met resolutie nummer 1153. De verzoeker kwam in beroep tegen deze afwijzing. Hij voerde aan dat hoewel het Reglement op de manumissie van slaven uit het Gouvernementsblad nummer 2 van 1832 geen terugwerkende kracht kan hebben, de vormen ervan wel moeten worden gevolgd.
Volgens artikel 35 van het toen geldende Reglement op de manumissie van slaven in deze gebieden (Gouvernementsblad van 1832 sub nummer 1) waren bij invoering van deze bepalingen alle eerdere reglementen, verordeningen of wetten afgeschaft.
De procureur-generaal vond dat hoewel de nieuwe wet geen inbreuk kon maken op rechten die onder eerdere regelgeving wettig waren verkregen, de manier om dat recht te laten gelden wel volgens de nieuwe wet moest gebeuren. De vorm die men moet volgen om een verkregen recht effectief te maken was namelijk geheel afhankelijk van de geldende manier van procederen.
Er deed zich echter een moeilijkheid voor: de slavin Charmantje of Catharina stond in de slavenregisters nog bekend op naam van de plantage Delwaarde. Zij maakte samen met de overige slaven van die plantage een geheel uit. De slavin Charmantje moest daarom eerst van de plantage waartoe zij behoorde worden afgeschreven, voordat de testamentaire beschikking aanleiding kon geven om vrijheidsbrieven volgens het geldende Reglement op de manumissie aan te vragen.
De procureur-generaal adviseerde gunstig te besluiten op het verzoek, nadat de verzoeker de vereiste legale stappen had gedaan om de slavin Charmantje of Catharina van de plantage Delwaarde te laten afschrijven.
Dit werd geschreven te Paramaribo op 21 november 1843 door de procureur-generaal van de kolonie Suriname, getekend door A.J. de Kanter.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0094 Andries de Randamie richtte zich met respect tot de gouverneur-generaal. P. L. Garoé had bij zijn testament op 13 juli 1827, opgemaakt door de gezworen klerk S. A. Prastek en getuigen in gesloten vorm, en op 21 augustus 1730 bevestigd na zijn dood, het volgende nagelaten aan de slavin Charmantje:
Hoewel de nalatenschap van P. L. Garoé door de executeur en erfgenamen volledig was aanvaard, werd deze beschikking niet uitgevoerd. In plaats daarvan werd de slavin Charmantje door de executeur van de nalatenschap Garoé verkocht aan S. Leach. Deze liet haar inschrijven als eigendom van de plantage Belwaarde in de slavenregisters en verpandde haar als onderpand aan de Particuliere West-Indische Bank.
Hierdoor kon het recht van Charmantje echter niet worden verminderd, en zij had nog steeds volledig recht op haar vrijheid en het overige dat P. L. Garoé haar had nagelaten. De verzoeker was door Charmantje gevraagd om haar te helpen haar recht te laten gelden.
Daarom wendde de verzoeker zich met veel respect tot de gouverneur-generaal met het verzoek hem te benoemen tot tijdelijk voogd over de slavin Charmantje, die in de slavenregisters van de kolonie bekend stond als eigendom van de plantage Belwaarde. Zo kon hij het nodige regelen om haar vrijlating te bevorderen en haar rechten op het legaat dat P. L. Garoé haar had nagelaten, af te dwingen.
Dit verzoek werd gedaan door A. de Randamie. De gouvernementssecretaris bevestigde dit afschrift op 22 augustus 1843.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0081 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/