Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 2 november 1651 verscheen Cornelis de Vhrijp samen met Aertje Freris (de weduwe van Marten Iersijn, woonachtig in Edam) voor notaris Brijp Nots in Amsterdam. Aertje werd geïdentificeerd door Marike de Vroom, een bekende van de notaris. Zij verklaarden uit vrije wil toestemming te geven voor het huwelijk van hun dochter Trijntje Persijns (18 jaar oud) met Nammus Emerha, een jongeman uit Lier in Oost-Friesland. Aertje en Cornelis hadden geen bezwaar tegen dit huwelijk en vroegen juist vriendelijk om de bruiloft door te laten gaan. Dit gebeurde in het huis van Marike de Vroom in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Hendrikus Bruijnenburgh en Barent ter Brugghe.

Op 6 november 1651 werd deze verklaring opnieuw bevestigd, nu met de getuigen Hendricus Bruijnenburgh en Barent ter Bruggse, en vastgelegd door notaris Grijp Nots.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936989 / 183  


Op 5 november 1671 kwamen voor notaris Jacob van Loosdrecht in Amsterdam:

Zij waren allemaal kinderen en erfgenamen van Servaes Montenacq (overleden). Ze bevestigden een eerder goedgekeurde rekening (nummer 14), opgemaakt door François Entenach (zwager). Deze rekening dekte de periode vanaf 10 juni 1667 en was vastgelegd op 17 februari 1671.

De erfgenamen:

Daarnaast verklaarden Joris Boch (namens zijn vrouw) en Elisabeth Montenacq dat:

Tot slot bleek uit de rekening dat François Montenacq een bedrag van 29.273 Carolusgulden, 18 stuivers en 4 penningen (exclusief rente) aan de erfgenamen verschuldigd was. Beide partijen bevestigden dit bedrag.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936900 / 193  


Lourens Baert, een notaris in Raerlem (nu: Haarlem), schreef op 19 november 1668 een akte op. Daarin stond dat de volgende personen een afspraak maakten: Pieter Olykan sprak ook namens Johannes van Duren. Zij waren allemaal familie (kinderen en kleinkinderen) van Alida Dan NemansAlida was eerst getrouwd met Jacob Olykom en later met Nicolaes van Loo. Zij woonde in een huis genaamd ’t Hoeffijser en overleed in Haarlem. De familie had eerder al afgesproken hoe ze de erfenis van Alida zouden verdelen. Ze hadden toen een aantal schulden die nog niet waren betaald (kleine bedragen en leningen) onverdeeld gelaten. Nu wilden ze de verdeling afmaken. Ze besloten om de openstaande schulden als volgt te verdelen: Een van die schulden was een bedrag van 9 gulden dat nog ontvangen moest worden van iemand genaamd Jan ten Toren.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 530  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 529  


Op 3 november 1668 begaf Lourens Baert, een beëdigd notaris werkzaam voor het Hof van Holland en woonachtig in Haarlem, zich samen met getuigen naar het huis van Abram Denise, een koopman in Haarlem. Namens Franchoijs Montenack, een koopman uit Amsterdam, overhandigde Lourens Baert aan Abram Denise verschillende rekeningen die betrokken waren bij de erfenis van Montenacks schoonvader, Servaes Montenacq. De rekeningen betroffen de volgende zaken:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 528  


De tekst bevestigt dat alles in goede trouw gebeurt en onder een strafbare belofte (een soort officieel contract). Dit is volgens de regels vastgelegd en met kennis van de waarheid. Het document is ondertekend door de notaris Wittens in Toircond.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 281  


Op 19 juni 1672 werd in Haarlem een officiële mededeling (insinuatie) gedaan door de notaris in aanwezigheid van getuigen Ludolff van Littensteyn en Dirck Harcken. Deze mededeling was in opdracht van Juffrouw Elisabeth Montenacq, dochter en mede-erfgename van de overleden Servaes Montenacq. De mededeling was gericht aan Abraham Denijse, die getrouwd was met Margareta Montenacq (ook een erfgename van Servaes).

De kern van de zaak was een volmacht (procuratie) die Elisabeth Montenacq en haar zussen op 9 februari 1665 hadden afgegeven aan hun zwager François Montenacq. Deze volmacht gaf hem het recht om zaken te regelen namens hen. Hoewel ze de volmacht oorspronkelijk goedkeurden en François vertrouwden met het beheer van de nalatenschap van Servaes Montenacq, trokken ze deze nu in.

Elisabeth liet via de notaris weten:

Abraham Denijse hoorde de mededeling aan en Elisabeth Montenacq vroeg om een kopie van het document. De handeling werd bevestigd door de notaris L. Rittensteijn en de getuigen.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 280  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983602 / 450  


Op het schip de Jonge Hilligman stonden de volgende bemanningsleden die, bij aankomst in het Vaderland (Nederland), recht hadden op een beloning volgens de regels van 1742:

Daarnaast was er een weesjongen aan boord, Willem Nicolaas Vrugt (jonger dan 12 jaar), afkomstig van Kaap de Goede Hoop. Hij was de zoon van de overleden kapitein-ter-zee en uitrustingsmeester Willem Vrugt. Voor zijn verzorging en verblijf in de kajuit was het benodigde transportgeld al betaald aan de kassier van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Jacobus Johannes Le Sueur, op 6 mei 1714. Ook was er een kist met kleding voor hem meegenomen.

Het document was ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 6 mei 1714 door C: L: Neethling en G: H: Cruijwagen.

Een andere zeeman, Anthonij Helber (oud, uit Hamburg, van beroep kuiper), was eerder actief op het schip de Jonge Lieve. Hij was door ziekte achtergebleven in Duinkerke. Zijn loon werd geregeld via:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10633 / 0546  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9230 / 0279  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975088 / 189  


De Staten-Generaal behandelden verschillende verzoeken en besluiten:

Bij een verzoek van de burgemeesters en het stadsbestuur van Appingedam werd besloten:

Verzoeken om paspoorten werden als volgt behandeld:

Op 15 augustus 1595 werd er niets besloten (nihil actum).

Op 17 augustus 1595 werd beslist:

Er werd een ontwerpbesluit over de verdeling van serviciegelden (logeergelden) in grenssteden doorgestuurd naar de Raad van State voor advies.

Twee brieven van de Raad van State (gedateerd 11 en 13 augustus 1595) meldden:

Brienen, terug uit Gelderland, zou verslag doen aan de Staten-Generaal over zijn bevindingen, ondanks de afwezigheid van de afgevaardigden van Zeeland. Dit verslag zou plaatsvinden tijdens de bijeenkomst met de gezanten in Delft op 16 augustus 1595.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 21 / 0354  


Johanna Catharine Isabelle Wiggers van Kerchem, een vrouw zonder vaste woonplaats (tijdelijk in Brussel), vraagt aan de rechtbank in 's-Gravenhage om toestemming voor de openbare verkoop van een aantal onroerende goederen. Deze goederen maken deel uit van de erfenis van haar overleden moeder, Isabella Petronella Louisa Stelling (weduwe van Carel Frederik Wilhelm Wiggers van Kerchem), die op 31 december 1921 in Leiden overleed.

De erfenis bestaat uit:

Johanna wil de grond verkopen omdat:

De rechtbank in 's-Gravenhage roept Fritz Roeber Sr. op om op 26 mei 1922 te verschijnen. Tijdens deze zitting geeft zijn advocaat aan dat Fritz Roeber Sr. geen bezwaar heeft tegen de verkoop. Daarna besluit de rechtbank op 5 mei 1922 dat de openbare verkoop van de grond mag doorgaan, volgens de geldende regels.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 282  


De notaris Alvalui J. den Blanken heeft wijzigingen aangebracht in een eerder document. Deze veranderingen gaan over:

Het document is opgemaakt en ondertekend in Uithoorn door de betrokkenen, getuigen en de notaris. Twee heren, Wesseling en van den Ancker, hebben het document niet ondertekend omdat zij vertrokken voor de afronding.

Het proces-verbaal is geregistreerd in Amsterdam op 12 juni (jaar niet vermeld) onder nummer 1210. Er is 351 gulden betaald voor rechten en registratie. Op 21 juli 1922 is een uittreksel hiervan overgeschreven in deel 2408, nummer 23.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 290  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974685 / 59  


Op 29 januari 1849 werd in Amsterdam, in een huis aan de Roepoortstraat (wijk A, nummer 13), een boedelinventaris opgemaakt van de overleden weduwe Fruytier. Zij woonde en overleed hier. De inventarisatie gebeurde op verzoek van een andere weduwe, die met de overledene had samengewoond en nu als erfgename optrad. De overledene had geen testament achtergelaten voor deze erfgename, dus erft zij volgens de wet (als wettelijk erfgename). De erfenis werd als volgt verdeeld: Er bleek echter wel een testament te bestaan, opgemaakt op 14 september 1839 bij notaris Gerhard Leefkens in Amsterdam en geregistreerd op 29 januari 1849. Hierin werd de erfenis als volgt verdeeld: De waarde van de inboedel werd geschat door Jan Gerhardus van Neke uit Duivendrecht, een deskundige die hiervoor een eed aflegde. De belangrijkste bezittingen waren: De totale waarde van de roerende goederen bedroeg 915 gulden en 65 cent. Daarnaast waren er financiële bezittingen: Deze gegevens werden bevestigd door weduwe Tentem, die ook een afschrift van het testament van 14 september 1839 overhandigde. Er waren geen andere papieren of schuldbewijzen bekend. De originele bewijzen berustten bij heer Schuijmer in Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 2475 / 0181  


Aert Laurensz van Bylebelt, als echtgenoot en wettig vertegenwoordiger van Anna Ghysbert Corneliszdochter, en de vier kinderen van Jan Jan St en Groetzen Ghusbert Corneliszdochter (zijn vrouw), allemaal erfgenamen van Ghysbert Cornelisz (hun vader en grootvader), komen overeen over de verdeling van diens nalatenschap. De schulden en bedragen zijn als volgt: De goederen uit de nalatenschap zijn 6.099 gulden en 2 stuivers waard. Daarnaast is er nog een schuld van 175 gulden en 5 stuivers die de weduwe van Jan (en haar kinderen) moeten betalen. Deze 175 gulden en 5 stuivers worden gelijk verdeeld tussen Aert Laurensz (helft) en de vier kinderen (andere helft), zoals afgesproken op 25 januari 1623. Wat nog gemeenschappelijk en onverdeeld is: De partijen (Aert Laurensz voor de helft en de vier kinderen van Jan Jansz en Geertje Jans voor de andere helft) hebben nu afgesproken dit bedrag van 6.874 gulden en 9 stuivers vriendschappelijk en eerlijk te verdelen. Willem Adriaen van Montfoort treedt op als borg. Alle partijen gaan akkoord met deze verdeling.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506998 / 166  


Op 11 oktober 1645 verscheen voor notaris Cornelis Schoffs van Vliet in Utrecht: Zij waren allemaal kinderen en erfgenamen van Aert Laurensz van Bijlevelt. Ze verklaarden dat ze Annigje Aertsdr Bijlevelt (weduwe van Antoni Laurensz van Bijlevelt) en Gerrit van Schrijck (een koopman en burger van Utrecht, ook momboir over Gijsberta) machtigden om namens hen op te treden. Deze volmacht gold voor het overdragen van twee stukken land in het gerecht van Jutphaas aan Lambert de Snuyter en diens vrouw: Ze bevestigden dat de koopsom volledig was betaald en beloofden de landen vrij te houden van jaarlijkse lasten zoals tienden en heerlijkheidsrechten. De akte werd ondertekend in het huis van de weduwe van Staten Lancens bij het Weeshuis, met Cornelis Hendriksz en een andere burger als getuigen. --- Op dezelfde dag, 11 oktober 1645, verscheen voor notaris Gerard Vastert in Utrecht: De akte werd opgesteld in het huis van De Swezeringh bij het Sint-Servaasklooster, met Francois de Wijs en Gerard van Waerije (ook notaris) als getuigen. --- Op 13 oktober 1645 verscheen voor dezelfde notaris Gerard Vastert: Hij machtigde Geerloff van Jaersvelt om namens hem: Dit land grensde aan de Hofsteden van Hendrick Tonissen, de Koswijse Molen, de Merendijk, en de Costeijsel Molen. De akte werd ondertekend in hetzelfde huis als de vorige, met dezelfde getuigen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507197 / 166  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507224 / 202  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507009 / 407  


Laurens van Bijlevelt, die buiten de Tolsteegpoort in Utrecht woonde, en Henrick Jansz, kleermaker, traden op als voogden over Elizabeth, het minderjarige kind van de overleden Pons Avez (een rooimaker) en Neeltje Lakens. Op 17 december 1633 verklaarden zij bij notaris Gerrit Vastert dat ze net het lichaam van Pons Jansz (de overleden vader) bij de Wittevrouwenpoort in Utrecht hadden laten begraven. Ze benadrukten nadrukkelijk dat ze geen erfenis wilden aanvaarden, noch als officiële erfgenamen, noch als tijdelijke beheerders. Wel hadden ze tijdelijk krediet verstrekt voor de begrafenis, met het recht dit later te verhalen op de nalatenschap. Omdat er spullen in het huis (waar Pons was overleden) lagen, maar er niemand was om die te bewaken (er woonden soldaten), vreesden ze dat de bezittingen gestolen, vernield of verdwenen zouden raken. Ze wilden voorkomen dat de nalatenschap hierdoor helemaal verloren zou gaan.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507045 / 16  


Op 4 januari 1611 (oude stijl) verscheen Huijbert Harmanssoon van Voorn, een bakker uit Utrecht, voor Jacob Op huijden, een notaris verbonden aan het Hof van Utrecht. Huijbert was gezond en bij zijn volle verstand. Hij had eerder, op 19 januari 1605, een testament gemaakt, maar wilde dit nu wijzigen.

In zijn oude testament had Huijbert zijn dochter Geertgen (getrouwd met Adriaen van Bijlevelt) en haar kinderen als erfgenamen aangewezen. Nu trok hij die beslissing in en veranderde zijn testament als volgt:

Huijbert wijst Harman en Willem (zijn zoons) aan als uitvoerders van zijn testament. Zij moeten erop toezien dat de erfenis goed wordt verdeeld en dat de regels voor de kleinkinderen worden nageleefd. Adriaen van Bijlevelt (de man van Geertgen) heeft geen zeggenschap over de erfenis van zijn kinderen, ook al zou hij daar volgens de wet of gewoonte recht op hebben.

Huijbert bevestigde dat dit zijn nieuwe, geldige testament is. De akte werd opgesteld in Utrecht, in aanwezigheid van twee getuigen: Cornelis Ghijsbertsz (een leerbewerker) en Willem Evertsz van Zutphen (een bakker).

Op 13 januari 1611 werd de akte nogmaals bevestigd door de notaris en de getuigen.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506910 / 10  


Op 25 augustus 1551 kwam Annichie Gijsberts, weduwe van Anthonis Kaiversz van Bijlevelt, in Utrecht bij notaris Gerard Vastert. Ze was in haar huis aan de Hoogcornmarkt bij het Weeshuis, met getuigen Dirck van Westerholt (een Utrechtse schrijnwerker) en Peter Vastert.

Annichie verklaarde het volgende over de kinderen van haar overleden dochters Johanna en Maria van Bijlevelt:

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506997 / 278  


Adriana, Gerrit en Aert van der Meulen maken afspraken over hun erfenis, ook voor het geval een of meer van hen overlijdt en hun kinderen hen opvolgen. Ze stellen de volgende regels vast: Deze regels zijn bindend en mogen niet worden gewijzigd.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506997 / 276  


Op 16 oktober 1652 verscheen Annichgen Gijsberts, de weduwe van Aert Laurensz van Bijlevelt, voor een notaris in Utrecht. Zij werd bijgestaan door de notaris als haar vertegenwoordiger. Annichgen stelde zich borg voor een schuld van 385 gulden aan de executeurs (de mensen die een erfenis afhandelen) van de nalatenschap van Adriaen Beijer. Deze schuld betrof de pacht van een stuk land met een boerderij aan de oever, voor ongeveer 30 jaar. Zij beloofde de schuld in termijnen te betalen: Annichgen gaf de executeurs toestemming om haar te vervolgen als ze niet betaalde. Ze gaf ook toestemming aan Gijsbert van de Meij, een advocaat bij het Hof van Utrecht, om namens haar juridische stappen te ondernemen. Op dezelfde dag verscheen ook Johan Ram, een van de executeurs van het testament van Adriaen Beijer. Hij bevestigde namens zichzelf en de andere executeurs dat ze op 26 maart van dat jaar al 40 gulden hadden ontvangen van Gijsbet van Bijlemelt (waarschijnlijk een familielid of vertegenwoordiger). Dit was de restschuld voor de pacht van 1649, plus 15 gulden voor de huur van de nieuwe huizen en 3 gulden en 10 stuivers voor gemaakte kosten.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507009 / 345  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/