Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0729 Een slaaf viel een andere slaaf aan in het huis van zijn eigenaar en probeerde deze in het bijzicht van meerdere mensen te vermoorden. De aanklager vindt dit een zwaarder vergrijp dan gewone straatroof en eist daarom dat de dader:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0728 Een man is naar het terrein bij het Rondebosje bij Caelwaert gegaan. Hij had het plan om de dienstmeid Maria te vermoorden in het huis van zijn werkgever, omdat hij dacht dat zij iets verkeerd had gedaan. Voordat hij dit deed, heeft hij zich moed ingedronken in de wijnkelder. Hij was niet zo dronken dat hij niet wist wat hij deed, zoals blijkt uit zijn eigen bekentenis. Ook al zou hij heel dronken zijn geweest, dan nog is dat geen excuus voor zo'n verschrikkelijke misdaad. Dit wordt bevestigd door verschillende rechtsgeleerden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0726 Adriaan van Kervel, werkzaam als onafhankelijk aanklager in Kaap heeft een aanklacht ingediend namens Jijta van Batavia tegen Johannes Heuske. De aanklacht betreft een geplande moord. Dit speelde zich af onder toezicht van Jan de LaContaine, die het bestuur over het gebied had. De aanklacht werd onderbouwd met een vrijwillige bekentenis van de beschuldigde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0723 Op 14 mei liet landbouwer Jan Steen Kamp aan Kaap de Goede Hoop zijn slaaf Hector door twee andere slaven (Pieter en Joias) vastbinden en geselen. Hector overleed door deze mishandeling. Pieter Lourensz, de hoofdaanklager van het gebied, diende een aanklacht in bij gezaghebber Jan de LaContaine en de rechtbank van het gebied.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0657 De chirurg uit Drakensteijn laat weten dat hij op 10 juni op het land van Jan Botma in Stellenbosch een overleden slaaf genaamd Joseph heeft onderzocht. Dit gebeurde in aanwezigheid van de heemraden op verzoek van landdrost Pieter Lourensz. De slaaf was kennelijk gegeseld maar had geen dodelijke verwondingen. De chirurg vermoedt dat Joseph na de geseling is verdronken, omdat er water uit zijn mond liep toen hij werd omgedraaid. Dit document is opgesteld in Stellenbosch op 20 juni 1729, ondertekend door chirurg Schabort en secretaris De Grandpreez.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0653 Op 10 juni 1729 bezochten enkele gedelegeerde bestuursleden, een vervangend secretaris en een gerechtsbode het huis van burger Jan Botma in Stellenbosch om een onderzoek in te stellen naar de dood van zijn slaaf Joseph, na een verzoek van landbestuurder Pieter Lourensz. Ze constateerden dat:
De bestuurders concludeerden op 20 juni 1729 dat het drinken van het water vermoedelijk de doodsoorzaak was. Het document werd ondertekend door Johannes Loui, C. Mabort en P. de Grandpreez.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0649 Op woensdag 8 juni heeft Jan Botma zijn slaaf Haron van Madagaskar opgedragen om een andere slaaf, Joseph van Malabar, te straffen. Joseph moest zijn kleren uittrekken en werd op een ladder vastgebonden. Hij werd met gespleten rotanstokken op zijn blote rug geslagen. Na enige tijd moest een andere slaaf, Domingo, ook meedoen met het slaan. Na ongeveer een uur slaan met pauzes tussendoor, mocht Joseph op bevel van Botma worden losgemaakt. Joseph ging toen naar de keuken, waar hij even zat. Daarna ging hij naar buiten en dronk twee keer uit een plas vies regenwater. Haron vond hem bij die plas liggen en legde hem op zijn bed, waar Joseph die nacht overleed. Dit verslag is in het Nederlands afgelegd door Haron, die de taal goed beheerste. Het verslag werd gedaan op verzoek van landdrost Pieter Lourensz.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0645 Op 8 juni 1729 kwam de slaaf Jelaas thuis. Zijn meester Jan Botma gaf hem de opdracht om een andere slaaf, Joseph van Malabaar, te helpen geselen. Joseph was naakt vastgebonden op een ladder en was al eerder geslagen door een slaaf genaamd Aaron. Jelaas en Aaron sloegen Joseph ongeveer een half uur met gespleten rottingen. Daarna moesten ze hem op bevel van de meester losmaken.
Joseph ging toen naar de keuken en zat daar een tijdje. Hij ging vervolgens naar buiten waar hij twee keer water dronk uit een regenton. Aaron haalde Joseph weg bij het water en bracht hem naar zijn slaapplaats. Die nacht overleed Joseph.
Dit verslag werd opgesteld in Stellenbosch op 11 juni 1729. Jelaas, een slaaf van landbouwer Jan Botma, heeft zijn verklaring afgelegd op verzoek van landdrost Pieter Lourensz.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0641 Jan Botma verklaarde voor de leden van de Raad van Justitie in het bestuur van Kaap de Goede Hoop dat hij bij zijn eerdere antwoorden blijft na het voorlezen daarvan. Hij voegde toe dat hij de slaaf Joseph ongeveer een half uur met tussenpozen heeft laten slaan tijdens het verhoor. Dit werd ondertekend in het kasteel van Kaap de Goede Hoop op 29 juli 1729 door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0639 Op 28 juli 1729 werd in het Kasteel de Goede Hoop een verhoor afgenomen. De slaven Aaron en Domingo moesten een andere slaaf, Joseph, geselen met gespleten rottangs. Dit gebeurde op de hofstede van Jan Botma. Joseph werd zo erg geslagen dat hij na het drinken van water bij de waterput moest worden weggedragen door Aaron en Domingo. De volgende ochtend werd Joseph dood aangetroffen. Botma verklaarde dat hij niet wist dat zijn handelen verkeerd was en dat hij, als hij niet ziek was geweest, de slaaf dezelfde avond nog naar Stellenbosch zou hebben gebracht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0638 Pieter Lourensz legde een conclusie voor aan de rechtbank waarin hij eiste dat de gedaagde:
Dit was omdat niemand lijfeigenen mocht mishandelen of doden zonder toestemming van de rechter of ambtenaren. Als iemand een lijfeigene doodde, zou hij met de dood gestraft worden. Het document werd ingediend bij de rechtbank op 25 augustus 1729 en werd bekrachtigd door secretaris Pieter Veirand.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0634 Sephtha van Batavia, een 30-jarige slaaf van burger Johannes Herfke, verscheen voor de Raad van Justitie. Op verzoek van Adriaan van Hervel, de onafhankelijke aanklager, bekende hij het volgende: Op dinsdag 30 augustus kreeg hij van zijn eigenaar opdracht om vroeg in de ochtend naar diens boerderij bij het Rondebosje te gaan. In plaats van daar te blijven:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0731 Op 30 januari 1545 kwam er een wet die bepaalde dat voor moorden gepleegd tijdens dronkenschap geen gratie of kwijtschelding zou worden verleend. Als dit toch gebeurde, zou dit worden gezien als onterecht verleend en zou de dader juist zwaarder worden gestraft. De aanklager meent hieruit te kunnen concluderen dat de verdachte de absolute intentie had om de slavin Maria te vermoorden. Hoewel ze niet aan haar verwondingen is overleden, moet de verdachte even schuldig worden bevonden als wanneer hij de moord daadwerkelijk had gepleegd. Het mislukken van de moord lag namelijk niet aan zijn wil, maar het was duidelijk zijn bedoeling om de moord te plegen. Dit gebeurde zelfs in het huis van zijn meester, waar iedereen veilig zou moeten zijn tegen dit soort aanvallen. Daarom moet in dit geval de intentie net zo zwaar worden bestraft als de daad zelf, zoals ook wordt beschreven door Simon van Leeuwen in zijn werk over strafrecht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0727 Sephta was boos omdat Maria met iemand anders een relatie had. Sephta ging met Maria (een slavin) naar binnen en ging met haar op de trap zitten. Hij hield haar daar vast totdat ze kon ontsnappen. Ze vluchtte naar de opslagruimte in de keuken. Sephta achtervolgde haar met een mes dat hij bij zich droeg en eerder had geslepen. Hij stak haar eerst in haar linkerborst en daarna in haar rechterborst. Maria van Ceylon viel neer, maar stond op en vluchtte naar voren. De burgervrouw Johanna Lins en de metselaar Baarend Smit zeiden tegen Sephta: "Wat doe je? Weet je wel dat je Maria verwond hebt? Weet je wat daar de straf voor is?" Sephta antwoordde woedend: "Het maakt me niet uit als ik geradbraakt word, ik zal haar vermoorden, ik zal haar hart opeten, ik zoek mijn dood."
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0752 Jephta van Batavia, een slaaf van burger Johannes Heufke, was 30 jaar oud en zat in de gevangenis. Hij heeft zonder dwang bekend dat hij op dinsdag 30 augustus door zijn eigenaar naar diens grond bij het rondebosje was gestuurd. In plaats van daar te blijven zoals opgedragen, keerde hij om 9 uur 's ochtends al terug naar de Kaap. Hij zwierf daar rond tot ongeveer 7 uur 's avonds. Toen ging hij naar het huis van zijn eigenaar, dat achter het bedrijfshospitaal stond. In de wijnkelder dronk hij zich dronken. Daarna riep hij zijn mede-slavin Maria van Ceylon, die ook in dat huis woonde en met wie hij enige tijd een relatie had gehad. Zij kwam naar buiten en bleef in de deuropening staan. Jephta sprak toen tegen Maria.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0751 Op 31 augustus 1729 werd in Kaap de Goede Hoop een verklaring afgelegd in aanwezigheid van de klerk Johannes Henricus Blanckenberg en getuige Joachim Nicola Dessin. De verklaring werd ondertekend door secretaris De Grandpreez.
Later, op 1 oktober 1729, verscheen Maria van Ceylon, een slavin van burger Johannes Heufke, voor de Raad van Justitie. De verklaring werd haar voorgelezen in aanwezigheid van Zephtha van Batavia. Ze bevestigde dat alles de zuivere waarheid was en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden. De secretaris De Grandpreez was hier ook bij aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0736 Op 2 september 1729 legde Barendsmit uit Groningen, een metselaar in dienst van de Oost-Indische Compagnie, een verklaring af. Hij deed dit op verzoek van Adriaan van Kervel, die hoofdaanklager was. Barendsmit verklaarde dat hij op 30 augustus 's middags in het huis van burger Johannes Heucke was. Rond 7 uur 's avonds zag hij daar een jongen genaamd Testa, die buiten met een slavin, Maria, stond te praten. Daarna kwamen ze samen binnen en gingen op de trap zitten. Testa hield Maria vast. Toen Testa haar losliet, ging Maria naar de voorraadkamer in de keuken. Testa, die volgens Barendsmit een mes in zijn hand had, volgde haar. Kort daarna hoorde Barendsmit de slavin hard schreeuwen. Toen hij naar de keuken ging, zag hij Testa.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0743 Een slaaf heeft een slavin gevolgd naar een bottelarij (opslagruimte) in de kombuis. Hij heeft haar vastgehouden op de trap. Toen ze loskwam en wegvluchtte, heeft hij haar met een mes twee keer in haar borst gestoken. Dit blijkt uit een verklaring van de tweede oppermeester van het gouvernement. De gewonde slavin vluchtte naar voren, waar Johanna Lens en metselaar Barend Smit tegen de dader zeiden: "Testa, wat doe je daar, weet je wel dat je Maria verwond hebt en dat zulke daden zwaar gestraft worden?" De dader antwoordde woedend: "Het maakt niet uit als ik geradbraakt word, ik zal haar vermoorden, ik zal haar hart opeten, ik zoek mijn dood." Dit alles deed hij uit jaloezie, tegen de orders van zijn eigenaar in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0725 Jan Botma was een 27-jarige landbouwer die werd ondervraagd door landdrost Pieter Lourensz. Botma was geboren in Kaap de Goede Hoop en woonde in Stellenbosch. Op 8 juni liet hij een slaaf genaamd Joseph vastbinden op een ladder en hem geselen met gespleten rottangs. De reden hiervoor was dat Joseph de kleren van een slavin van Botma had afgescheurd, geweld had gebruikt en de slavin had getrapt en geslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0637 Op dinsdag 30 augustus werd de beschuldigde door zijn eigenaar Johannes Heufke naar diens terrein bij het Rondebosje gestuurd. In plaats van daar te blijven, keerde hij rond 9 uur 's ochtends terug naar de kaap waar hij tot ongeveer 7 uur 's avonds bleef. Daarna ging hij naar het huis van zijn eigenaar achter het compagnieshospitaal. In de wijnkelder daar dronk hij zich dronken. Vervolgens riep hij een slavin genaamd Maria van Zeijlon, die ook in het huis woonde en met wie hij enige tijd een relatie had gehad. Toen zij in de deuropening kwam staan, vroeg hij haar waarom ze hem kwaad deed, waarbij hij bedoelde dat ze seksuele omgang had met iemand anders. Daarna ging hij met genoemde slavin naar binnen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11007 / 0724 Coenraad Oostma uit Husten in het graafschap Lippe, een 20-jarige matroos in dienst van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, heeft een bekentenis afgelegd voor de Raad van Justitie. Hij was aangekomen met het schip de Magdalena dat voor anker lag. Op verzoek van de fiscaal Adriaan van Kervel verklaarde hij het volgende: Op 11 september had hij wat drank gekregen van een bottelier's helper, wiens naam hij niet kende. Hij had voor deze man wat was gedaan en was dronken geworden. Tijdens de middagmaaltijd met zijn bakgenoten kreeg hij ruzie met zijn mede-matroos Rijnke Jansz uit Oostfriesland over het schoonmaken van de bakken. Rijnke Jansz schold hem uit, waarop Oostma zo boos werd dat hij Rijnke Jansz een klap tegen het hoofd gaf.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11004 / 0597 De getuige Patima verklaarde dat zij rumoer op het plein van de loge hoorde. Toen ze naar beneden ging in het huis van de mandoor, trof ze Samiel die gewond was aan zijn linkerwang en rechterhand. Ook zag ze Anthoni die vastgebonden was. De verklaring is afgelegd op 11 september 1725 aan de Kaap de Goede Hoop. Als getuigen tekenden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11004 / 0594 In de maand augustus ging Patima uit Madagascar, een slavin van de compagnie, rond 9 uur 's avonds naar boven in het gebouw om te eten. Ze zat daar met de gevangene Samiel en haar kinderen toen een slavin genaamd Sara uit Rio de la Goasse bij hen kwam. Sara vertelde dat de slaaf Anthoni de Roose haar had geslagen en geschopt.
Even later kwam Anthoni de Roose ook naar boven. Samiel vroeg hem waarom hij Sara had geslagen. Anthoni antwoordde met scheldwoorden en zei "dat gaat je niks aan, kom maar naar beneden". Na deze ruzie ging Anthoni naar beneden. Direct daarna kwam hij weer naar boven en riep Samiel voor de tweede keer om naar beneden te komen, waarbij hij zei "dan zal ik je wat anders leren".
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11004 / 0593 In augustus gebeurde het volgende voorval rond 9 uur 's avonds, toen de aanwezigheidscontrole in het verblijf werd gedaan. De slaaf Anthoni de Roose kwam naar boven op zoek naar een slavin uit Rio de La goa, maar zij was er niet. De verteller zat op dat moment met de slavin Patima en haar kinderen op zolder te eten. Even later kwam de slavin Sara naar hem toe en vertelde dat Anthoni haar had geslagen met een stok en had geschopt. De verteller vroeg aan haar waarom Anthoni haar had geslagen. Ze antwoordde dat ze onschuldig was geslagen. Toen Anthoni weer boven kwam, vroeg de verteller aan hem waarom hij de slavin had geslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11004 / 0589 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/