Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
P. Quast, scheepsbouwer uit
Amsterdam, solliciteerde op
29 november 1897 naar de functie van
scheepsbouwmeester bij de
Rijkswerf in
Amsterdam. Hij woonde toen aan de
Commelinstraat 37.
Zijn sollicitatie werd beoordeeld door de
Ressortchef van de Afdeling Personeel. Deze functionaris stuurde een brief over
Quast naar het
ministerie (waarschijnlijk het ministerie van Marine) in
's-Gravenhage op
12 december 1897. De brief had als onderwerp:
"Kandidaat rijkscommies voor het vak van scheepsbouw" en was gerelateerd aan een eerdere brief van
10 oktober 1851 over het indienen van notities.
Quast was op dat moment 40 jaar oud en had al 22 jaar ervaring als scheepsbouwer. Hij had eerder een aanstelling gehad als
gedetacheerde scheepsbouwmeester bij de
Rijkswerf in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 5224 / 0448
Op
10 maart 1712 werd vanuit
Aspel 's-Gravenhage een bericht gestuurd naar de minister.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2665 / 0004
In zijn testament bepaalt de man het volgende:
- Zijn kinderen en zijn huidige vrouw Geertruijd Gerrits Dieren erven allemaal een gelijk deel. Ieder krijgt een achtste deel van zijn erfenis.
- Als een van zijn kinderen overlijdt, erft diens wettige nakomeling (kind) het deel in plaats van de overleden ouder.
- Hij wijst Leendert Cortenhoeff (een huistimmerman) en Jan Jansz Verhoeve (een blikslager) aan als voogden over zijn minderjarige kinderen en als beheerders van hun erfenis.
- Deze voogden krijgen volledige bevoegdheid om alles te regelen wat nodig is voor de zorg over de kinderen en hun bezittingen, zoals de wet dat voorschrijft voor voogden en beheerders.
- Zij mogen tijdens hun leven iemand anders aanwijzen die hun taken overneemt na hun dood, mochten zij zelf komen te overlijden.
- Als een van de twee voogden sterft zonder een opvolger te hebben aangewezen, mag de langstlevende voogd zelf een betrouwbare man kiezen om de overleden voogd te vervangen. Deze nieuwe voogd krijgt dezelfde bevoegdheden.
- Deze regeling sluit de betrokkenheid uit van de heren weesmeesters (officiële voogdij-instanties) in Amsterdam of andere plaatsen waar het sterfhuis (de erfenis) terecht zou kunnen komen.
- Hij wil niet dat de bestaande regels van de weeskamer of andere wetten en verordeningen invloed hebben op zijn testament.
Het testament is opgesteld in
Amsterdam, in het huis van de man in de
Sint Jansstraat, op
onvermelde datum. Aanwezig als getuigen waren
Jan Lucasz van Nieulant (een bakker) en
Dirck Touw. De notaris
A. Lock heeft het document opgemaakt en bevestigd.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965501 / 48
Op 1 november 1677 werd de nalatenschap van de gereformeerde gemeente verdeeld. Hier volgt een overzicht van de erfenis en wie wat kreeg:
Daarnaast werden de volgende zaken en bedragen toegekend:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936916 / 343
Op 9 januari 1696 verklaarde Juffrouw Magdalena Bontemps, weduwe van Thomas Snep, ziek te bed maar met heldere geest, voor notaris Pieter Herlings in Haarlem dat zij haar testament van 11 mei 1693 en codicil van 17 februari 1695 (beide opgemaakt bij notaris Pieter Baes) bevestigde.
Zij bepaalde dat na haar overlijden:
- Haar bedrijf (negotie) niet mocht worden stopgezet of gesplitst, maar voortgezet.
- Haar huishouden en het huis in de Schagchelstraat (waar zij woonde) niet verkocht of opgedeeld mochten worden, maar voor haar erfgenamen behouden moesten blijven.
Zij droeg de leiding hierover over aan haar dochter Margareta Snep en schoonzoon Matthijs van Elten, die moesten beslissen wat het beste was. Ook vroeg ze de door haar man aangestelde voogden om niet de vaderlijke erfenis van haar minderjarige dochter Anna Snep op te eisen zolang het bedrijf en huishouden nog liepen.
Op 11 januari 1692 was door haar man een testament opgesteld voor hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen.
Op een eerdere datum (13 december 1695) was een overeenkomst gesloten tussen Benjamin Withoijn (uit Amsterdam, toen in Haarlem) en een zekere Cooper. Withoijn stond zichzelf borg voor een schuld van Cooper van 13.000 gulden. De overeenkomst werd getekend in Haarlem door Diederick Ramp, Martin Montenack, Pieter van Adrichem (uit Dordt), Jacob Graafland en Benjamin Withoijn zelf. Notaris Gorlings bevestigde dit.
Een andere overeenkomst ging over een huis en boerderij die door twee partijen (waaronder Cooper) voor 23 gulden zouden blijven wonen, met alle planken en materialen die bij het huis hoorden. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en stelden zich onder toezicht van alle rechters en gerechten.
Een rekening van S.M. Lefeburg vermeldde een schuld van minder dan 4000 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842951 / 20
Op
14 mei 1751 kwamen bij
Aalst de Bruijn, een openbaar notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Haarlem, de volgende personen:
Alle betrokkenen woonden in
Haarlem en waren bekend bij de notaris. Zij verklaarden dat ze direct na het overlijden van
Johanna Plovier de boedel (de bezittingen en schulden) van haar en
Pieter Bogaard hadden verdeeld, zoals die in hun gemeenschappelijke huwelijk was ontstaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975229 / 419
Op 26 november 1666, rond 11:00 uur 's ochtends, maakte de zieke maar geestelijk heldere Hendrik Plovier uit Haarlem (wonende in de Besemsteeg) voor notaris Joan Geraers zijn testament bekend. Hij was zich bewust van de kortstondigheid van het leven en wilde zijn bezittingen regelen.
Plovier bepaalde het volgende:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842766 / 128
In zijn testament bepaalt
Hendrik Plovier uit
Haarlem hoe zijn bezittingen verdeeld moeten worden onder zijn drie kinderen:
Grietgen Plovier,
Janneken Plovier en
Gijsbrecht Plovier.
- Grietgen, die getrouwd is met Jan Blo, krijgt haar deel alleen als zij en haar man eerst een schuld van 1000 pond (een oude munteenheid) aan Gijsbrecht betalen. Deze schuld is eerder door Jan Blo op een eerlijke manier opgeëist.
- Als Grietgen (of iemand namens haar) zich verzet tegen deze regeling, verliest zij al haar voordeel uit het testament. Ze krijgt dan alleen het wettelijke minimum (de "legitieme portie") en niets extra.
- Het deel dat Grietgen niet krijgt (het "surplus"), gaat volledig naar Gijsbrecht.
Hendrik Plovier verklaart op
onbekende datum in
Haarlem dat dit zijn laatste wil is. Hij wil dat deze regeling geldt als een officieel testament, zelfs als er juridische fouten in zitten. Hij vraagt een notaris om hier een openbaar document van te maken.
Aanwezig als getuigen zijn:
Het document wordt ondertekend door
Hendrik Plovier,
Symon van —,
Raphel Adamsz en een handtekening (mogelijk van
Hendrik zelf).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842766 / 129
Op
18 januari 1697 verscheen voor notaris
Maerten Kouwenhove (werkzaam in
Schiedam en erkend door het
Hof van Holland) het echtpaar
Cornelis Jansz van der Lee en
Annetge Jorisdr.. Zij woonden in de heerlijkheid
Oud-Matthijs, buiten de
Overschiepoort.
Cornelis was ziek en bedlegerig, maar
Annetge was gezond. Beide waren echter helder van geest en konden goed praten.
Ze beseften dat het leven onzeker is en de dood zeker, maar het tijdstip onvoorspelbaar. Daarom wilden ze hun bezittingen regelen. Ze maakten afspraken over hun
gehele vermogen (spullen, onroerend goed, schulden en tegoeden), waarbij de langstlevende alles zou erven.
Belangrijkste afspraken:
- De langstlevende moet de kinderen verzorgen (kleding, eten, onderdak) tot ze meerderjarig zijn of trouwen.
- Deze verzorging geldt als hun wettelijke erfdeel (wat kinderen normaal gesproken erven).
- De langstlevende wordt ook voogd over de kinderen en het vermogen.
- De weeskamer (instantie die wezen beschermt) van Oud-Matthijs mag zich niet bemoeien met hun nalatenschap.
Getuigen waren
Sijmon Cornelisz Santvoerder en
Jacob Pietersz Verbeecq. Het document werd ondertekend door het echtpaar, de getuigen en de notaris.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1504889 / 11
In zijn testament laat de overledene het volgende na:
- Een bedrag van f 5.000 aan Hester Geremias Tnoot, zijn halfzus, en na haar overlijden aan haar kinderen Willem en Harmanus Smits. Als een van hen overlijdt, gaat het geld naar hun nakomelingen. Als die er niet zijn, gaat het naar de langstlevende van de twee.
- Ook laat hij aan dezelfde Willem en Harmanus Smits (de kinderen van zijn overleden zus Cijne) ieder f 1.500. Als een van hen overlijdt, gaat hun deel naar de nakomelingen. Als die er niet zijn, gaat het naar de langstlevende, die dan in totaal f 3.000 krijgt. Als beiden overleden zijn zonder nakomelingen, gaat dit bedrag naar Maria en Adriana Buijlerkerk (zijn nichten) in Oudewater, of naar de langstlevende van hen. Als zij ook overleden zijn, gaat het geld naar zijn zus Gester Geremias.
- Alle overige bezittingen (zoals huisraad, goud, zilver, aandelen, schulden en andere goederen) gaan naar Agneta Willemina, Quirijn Willem en Cornelis Craffert, de kinderen van Marinus Craastraluijden en Helerandrina Metsen in Suriname. Als een van hen overlijdt, erft de langstlevende alles. Zij mogen de erfenis vrij gebruiken, verkopen of behouden zonder toestemming van anderen.
Er is een voorwaarde: zolang de moeder van de drie erfgenamen (Helerandrina Metsen) leeft, krijgen zij jaarlijks de opbrengsten van de volgende plantages en slaven in Suriname:
- Lindorp (met kinderen en volwassenen: Carle, de Doven, van de Cee, Alimande, Javannu, nde al La Jeen, Saanjam, higentwoodig vn, hoe Cata vogdee, D hete, g 2 Liibo, erstoneade Ce, Sar een, geschren odn, germalde a Elde, Sa Samo, A LE Le lon, en vadegale, Le Lange Landeen Poan, eede Ce, enaano LaDe, MeR K 78, Odem Lee, Sallondedee, dandande, Ldeta Codanas, ee Jaa dan belesden, adn intraten, op aminiset, SR erterannte, detant, endrdmen LPn, Jurauw anane, en Jaclau, Callen cate, Po Loebankuoe, Lan LL Lien hann, Pae Lo Maanen, ven Jan Laeene).
- alle andere slavenplaatsen en aanhorigheden in de Vallei: heantje, Janob Ja L, enddan, Nan dartallan, met lCo, ordonna Conta, Ma Lae Jao da Capp, Jogen Handao aa G, Salanen.
De moeder (Helerandrina Metsen) mag deze inkomsten gebruiken zolang zij leeft. Daarna gaan de plantages en slaven definitief naar de drie erfgenamen. Het testament is opgemaakt in Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 673 / 0201
Op 25 maart 1747 werd in Suriname een wisselbrief (een soort betalingsbelofte) opgesteld voor 100 gulden in courant geld (geld dat toen direct bruikbaar was). Deze brief was de derde poging, omdat de eerste twee niet waren betaald. De brief was gericht aan Harmanus Smit of zijn vertegenwoordiger. Het geld moest komen van de waarde die Smit had ontvangen in Suriname, en het bedrag werd in rekening gebracht voor de plantage Schaanhoort en het vermogen van de afzender. De afzender noemde zichzelf "uw dienstwillige dienaar" (iemand die bereid is te helpen).
De brief was ondertekend door Mijnsteeren DCellier namens Dingeman Broen en zijn bedrijf. Op de achterkant stond dat het geld ook betaald kon worden aan mevrouw de weduwe Cooplieden Smit of een vertegenwoordiger van Harmanus Smit. In Amsterdam bevestigde Harmanus Swit op 19 september 1748 dat de kopie klopte met het origineel. Dit werd geregistreerd door Sloto, een beëdigd griffier.
Op 29 juli 1748 werd in Suriname een tweede wisselbrief gemaakt voor 200 gulden in courant geld. Ook dit was de derde poging, omdat de eerste twee niet waren betaald. De brief was gericht aan Abel Schaanenberg of zijn vertegenwoordiger. Het geld kwam uit de waarde die Schaanenberg in Suriname had ontvangen, en het bedrag werd in rekening gebracht voor de plantage d'Choop. De afzender noemde zichzelf weer "uw dienstwillige dienaar".
Deze brief was ondertekend door Samuel P. Pichot. Op de achterkant stond dat Charllus en Theodorus Hendrik Luystar het geld konden betalen aan de heer Dupel of zijn vertegenwoordiger, waar het ook was ontvangen. Op 10 oktober 1748 bevestigde Mm in Amsterdam dat de betaling was gedaan aan Isaak Fremirck namens Schoenenberg. Op 20 september 1748 werd bevestigd dat de kopie klopte met het origineel, geregistreerd door Cennaeme, een beëdigd griffier.
Op 25 november 1747 werd een derde document ondertekend door Hendrik Luijster en bevestigd door Floto Clercq, een beëdigd griffier.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 760 / 0540
In
1739 werd een lijst gemaakt van goederen die geladen waren in het schip
Maria, onder leiding van schipper
Jacob Stoel. Het schip was op weg van
Curaçao naar
Amsterdam. De volgende handelaren en hun lading stonden op de lijst:
* Lamoensop, pamoensop, seroenen cacao en Cathoen zijn oude benamingen voor producten die tegenwoordig niet meer gangbaar zijn. Lamoensop en pamoensop waren likeuren, seroenen cacao verwijst naar cacaobonen in een bepaalde verpakking, en Cathoen was waarschijnlijk een textielsoort.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 586 / 0331
Op 14 juli 1777 schrijven J. vander Mandere, Huijbregt de Haze en Bomme aan de Kamer van de West-Indische Compagnie in Amsterdam en Middelburg over twee onderwerpen:
- Een wisselbrief van Commandeur P. van Schuijlenburch ter waarde van ƒ350, getrokken op Hermanus Smit, is niet bij hen ingediend. Als er geen bezwaren zijn, mogen de ontvangers deze betalen.
- Een tweede wisselbrief van ƒ88, afkomstig van Jan Koolhof uit Amsterdam, moet ook worden geëerd, tenzij er redenen zijn om dat niet te doen.
Daarnaast gaat het over weggelopen slaven in Spaanse gebieden. Het voorstel is:
- Als het Spaanse hof niet akkoord gaat met directe teruggave van slaven (tegen betaling van de kosten), dan een overeenkomst sluiten om slaven terug te kopen voor ƒ50 of ƒ100 per persoon, exclusief extra kosten.
- Door de prijs hoog te zetten, hopen ze dat plantage-eigenaren liever nieuwe slaven kopen in plaats van weggelopen slaven terug te halen. Dit zou weglopen zelfs aanmoedigen, omdat de Spanjaarden dan geneigd zijn de slaven te houden.
Op 21 juli 1777 melden ze dat het schip De Willem, onder leiding van schipper Egbert Zouw, rond half september 1777 klaar zal zijn om goederen voor de kust van Afrika te vervoeren. De exacte vertrekdatum volgt later. Ze verontschuldigen zich dat ze eerder geen details konden geven, omdat de overeenkomst met de reders pas op 19 juli 1777 was afgesloten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 807 / 0134
Op
28 maart 1786 in
Rio Demerary namen de heren
F.C. Chanquion en
J. van Baerle, als commissarissen, de
ondertrouw (officiële aankondiging van een huwelijk) af van twee hoofdpersonen:
Het stel verklaarde
met elkaar te willen trouwen en vroeg om de gebruikelijke huwelijksprocedure. De secretaris kreeg opdracht om de officiële aankondiging op het juiste moment en de juiste plek te doen. Aanwezig waren ook:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AZ.9.1 / 0138
In een testament uit
19 maart 1758 in
Paramaribo legden
George Curtius en
Elisabeth Geertruysmit (ook wel
Elisabeth Geertruys Smit) hun laatste wensen vast:
- Als Elisabeth overlijdt, erft haar man George Curtius al haar bezittingen zolang hij leeft. Daarna gaan de bezittingen naar hun kinderen, volgens de wettelijke regels voor erfgenamen.
- Als Elisabeth geen kinderen achterlaat, erft haar moeder, Engelina Maria Geelmuijden (weduwe van Hermanus Smit), het deel dat ouders normaal gesproken van hun kinderen erven.
- George Curtius wordt aangesteld als de uitvoerder van het testament. Hij krijgt alle bevoegdheden die een uitvoerder volgens de wet mag hebben, inclusief het recht om iemand anders aan te wijzen als dat nodig is.
- De Weeskamer (de instantie die wezen en nalatenschappen zonder erfgenamen beheert), zowel in Paramaribo als in Nederland, wordt uitgesloten van de nalatenschap. Elisabeth en George bedanken hen voor hun mogelijke inzet, maar willen niet dat zij zich met de erfenis bemoeien.
Elisabeth en
George bevestigen dat dit hun officiële, laatste wil is. Ze vragen dat hun wensen precies worden uitgevoerd, ook als niet alle juridische formaliteiten zijn gevolgd. Het testament is door hen eigenhandig ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 30 / 0349
Johanna Henrietta du Bruijel, gescheiden van
Jacobus Johannes Eberhard, verklaarde op
7 mei 1760 in
Paramaribo (toen nog
Surinaam Rivieren en Districten genoemd) voor notaris
Pieter Berkhoff en getuigen dat zij
Engelina Maria Geelvinck, weduwe van
Hermanus Smit uit
Leerdam, machtigde om voor haar te handelen.
De opdracht was specifiek:
- Zorgen voor Jan Gerard van Echten, de 12-jarige zoon van Johannes van Bergen en Anna Maria de Loeff.
- Het kind zo snel mogelijk naar Nederland sturen, waar Geelvinck hem zou opvangen.
- Zorgen voor kleding, eten, drinken, onderdak en eventueel een goede school.
- Betalen voor zijn opleiding, afhankelijk van zijn aanleg en capaciteiten (verwezen wordt naar artikelen 288, 382 en 386 uit een ongenoemd document).
Du Bruijel beloofde hiervoor jaarlijks
600 gulden te betalen, zonder enige voorbehoud of uitzondering. Ze zette haar hele vermogen in als waarborg en onderwierp zich aan alle Nederlandse rechtbanken.
De reden voor deze regeling was haar "zuivere liefde en genegenheid" voor
Jan Gerard, zodat hij zich in "eer en wetenschap" kon ontwikkelen. Dit gebeurde met instemming van zijn grootouders,
Johannes van Bergen en
Anna Maria de Loeff.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 545 / 0409
Op 4 februari 1738 maakte J. Pieter Teijler van der Hulst, koopman uit Haarlem, een officiële volkmachtiging op in Akersloot. Hierin benoemde hij John Worster, een koopman uit Londen, als zijn wettige vertegenwoordiger.
Teijler van der Hulst gaf Worster de opdracht om namens hem geld op te eisen en te innnen van:
Het ging om een bedrag van £ 62, 12 shilling en 9 pence sterling (omgerekend 34 shilling en 11 pence Vlaams per pond sterling), afkomstig van een wisselbrief die op 30 augustus 1737 in Londen was opgesteld. Deze wissel was eerst geaccepteerd door Hermanus Smit in Amsterdam, maar na niet-betaling was deze onder protest teruggekeerd naar de afzender. Daarna was de wissel opnieuw geprotesteerd wegens niet-terugbetaling.
Worster kreeg volmacht om:
- alle nodige juridische stappen te ondernemen om het geld te innnen,
- kwijtingen en ontvangstbewijzen te tekenen,
- Teijler van der Hulst te vertegenwoordigen voor rechters, ambtenaren of rechtbanken,
- zaken te verdedigen, te beantwoorden en af te handelen,
- eventueel een vervanger aan te wijzen.
Teijler van der Hulst bevestigde dat alles wat Worster of diens vervanger in deze zaak deed, geldig en bindend was. Het document werd ondertekend en verzegeld in Haarlem op 14 februari 1738 (nieuwe stijl), in aanwezigheid van de notaris en getuigen C. Cuijper, G. Braband en W. Baart.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975329 / 181
In deze historische documenten worden verschillende juridische conflicten beschreven, vooral over wissels (een soort betaalopdrachten), borgtochten (financiële garanties) en procuraties (volmachten). Hier een overzicht van de zaken:
- Philip Abraham van Halle heeft een conflict met Bernard van der Goift over een niet-betaalde wissel.
- Pieter Gudebom doet een wisselprotest (officiële klacht over niet-betaling) tegen Roeloff Boot.
- Pieter van Alphen heeft een geschil met Christian Gottlieb Fredrik over een wissel.
- Pieter Gudebom doet opnieuw een wisselprotest, nu tegen Jan Grasper.
- Pierre Bapt. Jangerand staat borg voor Amos Russel.
- Philippe Couthner geeft Theodore Jacobsen een volmacht (procuratie).
- Pieter Roeters krijgt volmacht van Isaac van Alerdelft.
- Simon Petrus Duhlgq vervangt (substitutie) Christian van Booneval en Hendrik Meelingh.
- Simon Tijling krijgt volmacht van John Edwards.
- Simon Petrus Suhl staat borg voor P.H., de voogd van Sama van Isaac Franco Mendess.
- Para de Pinto (weduwe van Isaac de Meza) geeft volmacht aan Manuel Mendes Floris Junior voor een zaak tegen Frarus Pereira.
- Sara de Pinto en Abraham de Isaac de Meza doen twee keer een procuratie tegen Francis Pereira.
- Thomas Wilhison heeft een conflict met Hermanus Smit over een wissel.
- Theodore Pasalaigue en Jean Condere hebben een wisselprotest.
- Thomas en Adrian Hope hebben ook een conflict met Hermanus Smit over een wissel.
- Theodore Vignon en Balthazar Jurgen Arven sluiten een overeenkomst (contract) over een schuld van 7000 gulden (referentienummers: 2299, 2339, 2340, 2385, 2395, 2396, 2405, 2266, 2273, 2332, 2359, 2392, 2393, 2394, 2263, 2269, 2284, 2345).
- David van Salmnel en zoon doen een wisselprotest tegen Volkert van Sever.
- Duif Muttheus de Neufville heeft een conflict met Hermanus Smit over een wissel.
- William Wilde krijgt volmacht van George Clifford en zijn zonen.
- Pieter Raak en Gerard Pauw hebben een wisselprotest.
- Hendrik van Couwenhoven en zonen doen een wisselprotest tegen Hermanus Smit.
- Moes Pemir de Suvsa krijgt volmacht voor een zaak tegen Fnnuis Sekeiva.
- Willem Poll heeft een conflict met Bernard van der Grist over een wissel.
- Marcellus Broen en zoon doen een assignatieprotest (officiële klacht over niet-overdracht van een vordering) tegen Jan Seph. Schaap en tegen Joan Bapt. van Molzen en Lamb. Shijm.
- Juran en zoon en Gilles Clermont hebben een wisselprotest.
- Willem Roek en zijn vrouw, dochter van Cornelis van Rakeren, hebben een overeenkomst (obligatie) voor 600 gulden.
- Willem Moliver heeft een conflict met Gilles Clermont over een wissel.
- John Grepn krijgt volmacht van Charles van Notten.
- Hendrik van den Eikhout heeft een geschil (nunnatie, een soort dagvaarding) met Steph. Schaap.
- Hendrik van Couwenhoven en zonen doen een wisselprotest tegen Francis Porgh, die de insolvente (failliete) boedel van Hermanus Smit beheert.
- Jan van Vollenhoven en zoon hebben een conflict met Claas en Claas Louwe over een wissel.
- Abraham Beek heeft een wisselprotest tegen Lodewijk Blooij.
- Willem Clermont en Joh. Christian Sparchach sluiten een contract op 10 november (referentienummers: 2267, 2287, 2288, 2289, 2295, 2298, 2302, 2304, 2305, 2307, 2310, 2318, 2321, 2343, 2348, 2354, 1203, 2384, 2408).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1176170 / 492
Op
19 maart 1748 kwamen
Hendrik Kemper,
Willem Boeken en
Paulus Pelt bij notaris
Daniel van den Brink in
Amsterdam. Zij waren de executeurs en voogden over de erfenis van de overleden
Boudewyn Smit en beheerden de zaken voor diens minderjarige kinderen, waaronder
Hermanus Smit.
Zij gaven
Hermanus Smit de speciale opdracht om:
- de gezamenlijke of aparte rekeningen te controleren en te beheren;
- een huis genaamd Het Keyserspadt aan het Boomsloot in Amsterdam te verhuren, inclusief kamers en kelders;
- huurcontracten op te stellen en te ondertekenen;
- achterstallige en toekomstige huurpenningen te innnen;
- ontvangen bedragen netjes te verantwoorden en kwijtingen te geven;
- weigerachtige huurders via juridische stappen tot betaling te dwingen;
- indien nodig beslag te laten leggen op hun bezittingen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510697 / 731
Op
20 juli 1747 legde de notaris
Daniel van den Brink in
Amsterdam een verklaring vast op verzoek van koopman
Jacob Laswood, ook uit
Amsterdam.
Laswood vroeg aan koopman
Jochem Matthys Smitt om een officiële aanvaarding (betalingsbelofte) van een
wisselbrief (een soort betaalopdracht).
Smitt reageerde schriftelijk op het verzoek:
- Hij zag dat de wisselbrief
gescheurd was, van boven tot onder.
- Op de achterkant stonden meerdere namen ingevuld, maar niet volledig (in
blanco).
- Volgens hem was dit
geen geldige wisselbrief, vooral omdat het in die tijd gevaarlijk was op zee door
piraten (
kapers).
- Hij wist niet in wiens handen het gescheurde papier allemaal was geweest.
- Toch beloofde hij de brief te
accepteren (te betalen) als
Laswood (de huidige houder)
garandeerde dat de brief echt was en bij hem hoorde.
Omdat
Smitt de brief niet direct accepteerde, maakte de notaris een
officiële protestverklaring (
protest van non-acceptatie). Dit betekende dat
Laswood later de kosten, schade en rente kon terugvorderen, volgens de wisselregels van toen.
De verklaring werd opgesteld in
Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen
Jacob Willmet en
Jacob Hijleman.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510692 / 711
Op
1728 bevestigde
Jan van Dijk, notaris in
Haarlem, in aanwezigheid van getuigen dat de executeurs van het testament van
Juffrouw Anna Margareta Groot Harmen een bedrag van
29.000 gulden hadden uitgekeerd aan de in het testament genoemde erfgenamen (legatarissen). De executeurs verklaarden hiermee dat zowel
Willem Boeken (in zijn hoedanigheid als executeur) als de erfenis van
Willem Meijerus volledig waren voldaan. Zij beloofden dat er geen verdere claims of eisen meer zouden worden ingediend en dat zij
Willem Boeken en de erven van
Willem Meijerus hiervoor zou beschermen tegen eventuele toekomstige vorderingen.
Daarnaast verklaarden de executeurs dat de heren
Boudewijn Smit,
Hendrick Kemper en
Jan Hennings – die op
2 juni 1722 als borg hadden opgetreden voor de betaling van de
29.000 gulden bij de schepenen (rechters) van
Haarlem – hiermee waren ontslagen van hun borgstelling. Deze borgtocht zou officieel worden doorgehaald uit de registers van de stad
Haarlem, na inlevering van dit document. Er werd ook toestemming gegeven om een of meerdere afschriften van deze akte te maken.
De akte werd ondertekend in
Haarlem, in aanwezigheid van de getuigen
Jacob Clout en
Benjamin Meijer. Onder de ondertekenaars waren verder:
De akte werd uiteindelijk gepubliceerd op
22 oktober 1738.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843145 / 459
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843145 / 457
Op
18 maart 1656 ’s middags rond
1 uur verscheen voor
Albertus Jolle, een notaris erkend door het
Hof van Holland in
Amsterdam, het echtpaar:
Zij waren gezond, helder van geest en wilden een nieuw
testament opstellen, waarmee alle eerdere versies kwamen te vervallen.
Belangrijkste punten:
- De langstlevende erft alles van de eerststervende, inclusief bezittingen, schulden, aandelen en rechten.
- Als er kinderen zijn uit dit huwelijk bij het overlijden van de eerste ouder:
- De langstlevende moet de kinderen opvoeden tot hun 23e (mondigheid) of huwelijk.
- De langstlevende mag zelf bepalen hoe de kinderen financieel ondersteund worden (bijv. uithuwelijken).
- Deze opvoeding en financiële steun vervangt het verplichte erfdeel (legitieme portie) van de kinderen.
- De langstlevende hoeft geen financiële zekerheid (borgstelling) te geven voor dit geld, maar moet wel bewijs leveren aan twee door de overleden ouder gekozen mannelijke familieleden.
- Als Jan Boudewijn Smit als eerste sterft zonder kinderen en zijn moeder nog leeft, erft zij wel haar legitieme portie.
- De langstlevende wordt automatisch voogd over de kinderen en beheerder van hun erfenis, met het recht om goederen te verkopen of te vervangen.
- Zij beloven dit testament te respecteren en bevestigen dat het hun laatste wil is, na voorlezing door notaris Klaasen.
Het echtpaar vraagt de
weesmeesters van Amsterdam (en andere relevante instanties) dit testament uit te voeren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 676 / 0730
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843083 / 478
In
1710 stuurde een groep christenen uit
Batavia (het huidige
Jakarta) een brief naar de leiding van de Nederlandse Republiek. Hierin vermeldden ze de namen van 28 mensen die als zendelingen of bezoekers waren uitgezonden, waaronder:
Een deel van deze groep, zoals
Harmanus Lenegra,
Matthijs Smit en
Cornelis Faas, keerde terug naar Nederland. De schrijvers vroegen de leiding om bescherming en steun voor de gemeenschappen van "de levende God". Ze benadrukten dat de leiders niet alleen rechtvaardigheid moesten handhaven en aardse zegen mochten verdelen, maar ook als "schilden der aarde" moesten optreden – mensen die God eerden.
De brief haalde een bijbeltekst aan uit
Maleachi 3:10, waarin God belooft overvloedige zegen te geven als het volk zijn tienden (een soort belasting voor de kerk) betaalt. De schrijvers hoopten dat de leiders, net als hun voorouders, naar God zouden luisteren. Dan zou Hij het land zegenen, zodat andere volken Nederland benijdden om zijn welvaart.
De brief was ondertekend door de predikanten en ouderlingen van de
Batavse Kerkenraad, namens alle gemeenteleden. De belangrijkste ondertekenaars waren:
De afzenders noemden zichzelf "gehoorzame, willige en geringere onderdanen" en baden voor een langdurige zegen over de Nederlandse leiding. De brief was gedateerd op
20 oktober 1710.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1782 / 1032
Volgende pagina