Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


De tekst beschrijft afspraken en documenten rond de overname van Suriname door de West-Indische Compagnie en de betrokkenheid van Cornelis van Aarssen, heer van Somelsdijck en gouverneur van Suriname. Er zijn ook specifieke data genoemd, zoals:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 17 / 0003  


Op 25 september 1691 maakten Sander Pietersz van Grevenbroeck en zijn vrouw Maritje Pieters van Tipsma in Haarlem een testament. Op 29 september 1691 maakte Lammert Theunisse in Haarlem een testament.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 226  


Johanna van Leeuwen was als begunstigde schuldig om op 1 december 1711 een attestatie van leven (bewijs dat iemand nog leeft) te overleggen voor 12 stuivers, zoals op folio 109 verso staat. Dit bedrag van 5/5 part (ƒ 10:3) werd door de executeurs ontvangen en op folio 62 onder de opbrengsten geboekt. Op 5 januari 1711 werd voor 10/12 part een bedrag van ƒ 36 geboekt op folio 110. Een lijfrentebrief (een soort levenslange uitkering) van ƒ 2000 met maandelijkse rente vanaf 1711 was aan haar toegekend. Hiervan had ze ƒ 150 ontvangen. Op 1713 werd voor het ontvangen van de rente aan Gerrit Febrij een bedrag van ƒ 33 geboekt. Op 10 december 1712 en 9 december 1712 werden bedragen van respectievelijk 180 stuivers en ƒ 330 voor attestaties van leven en rente ontvangen, zoals op folio 119 verso en 122 verso staat. Op 1 april werd ƒ 330 aan Gerrit Jemaar betaald voor het ontvangen van de rente, en ƒ 16:10 voor het salaris van de executeurs. Gerard Weeksteen en Catharina van der Pullen, en Hendrick van Leeuwen en Yda van der Pullen als wettige erfgenamen en vruchtgebruikers waren op 11 april 1713 schuldig voor ontvangen opbrengsten van kapitaal die op het moment van overlijden bestonden. Deze opbrengsten waren geboekt en betaald volgens een lijst, met een totaal van ƒ 822:9:4 op folio 52 en eindigend op folio 78 verso met ƒ 330. Er waren geen verdere schulden voor salaris of opbrengsten uit overstaande kapitaal door de executeurs. De executeurs hadden ƒ 179:5:8 ontvangen en afgelost, en ƒ 2200 ontvangen volgens de zesde ontvangst, beginnend op folio 79. Uitgaven die ten laste van de vruchtgebruikers kwamen, waren getrokken uit de rekening van de executeurs uit de tweede uitgave, beginnend op folio 100 op 4 april 1711. Hierin stonden bedragen voor diverse personen en zaken, zoals: Op 2 januari 1712 werden diverse kortingen en betalingen gedaan, zoals aan Daniel de Renout, Marcus van der Wal, Frans van der Steen, Samuel Joly, Joost Schuurman, Frederick Smits, Jan Claes van der Horst en Philip de Graaf. Ook was er pompgeld van ƒ 264:6:2. Op 12 maart 1712 werd een transport (overdracht) van ƒ 267:6 aan Cornelis de Bruijne gedaan. Verponding (belasting) voor het grote huis was ƒ 27:9:4, voor het huis ernaast ƒ 13:16:12, en voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg ƒ 10:5:6, totaal ƒ 51:11:6. Op 20 mei werden zegels betaald voor het ontvangen van lijfrenten aan Carel Bouwens. Op 6 juni werd huur gekort aan Daniel Renaux en weduwe Jacob Zeewyck. Op 29 september werd het geheim op de hoek van de Nieuwsteeg geleegd voor ƒ 14. Op 14 december werd 100 penningen betaald voor obligaties op de Thesaurie van 1712. Op 19 december werd een losrentebrief van ƒ 2000 op het comptoir aldaar voor 40 betaald. Op 20 december werd een attestatie van leven van Johanna van Leeuwen en Hendrik Cuylenburg voor 13 ontvangen. Op 27 december werd 13 betaald voor een huurcel van De Groene Papegaai. In 1713 werden op 9 januari bedragen betaald aan Coenraat Coenraatse, Jan Broere, Albert Bosvelt, Philip de Graaf, Frederick Smits, Joost Schuurman, Jan Claes van der Horst, Frans van der Steen en Marcus van der Wal. Op 4 februari werd pompgeld voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg betaald. Op 16 februari werd de ordinari verponding (gewone belasting) van 1712 voor diverse huizen betaald, zoals voor De Groene Papegaai (ƒ 27:9:4), het huis ernaast (ƒ 13:16:12) en het huis op de hoek van de Nieuwsteeg (ƒ 10:5:6). Ook werd 100 penningen voor 1713 voor deze huizen betaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842981 / 369  


Op 7 mei 1650 werd besproken dat rederijen van twee schepen, de Cramer en de Graeff, een nieuwe tol wilden heffen in Nijmegen voor goederen die door het land werden vervoerd. De schepen, gevoerd door Peeter Maertens Moijman en Lenart Peters Graeff, waren geladen met tarwe en waren op 19 april 1650 door een Brits schip voor de kust aangevallen en buitgemaakt. De eigenaren kregen toestemming om de koning van Groot-Brittannië te vragen de schepen en lading vrij te geven. Lambertus Joannes Palmeto, een wiskundige uit Harlingen, vroeg om een beloning voor zijn uitvinding: een houten tafel die berekeningen kon uitvoeren zonder menselijk ingrijpen. Hij kreeg toestemming om zijn uitvinding aan de autoriteiten te tonen. Louis Saulmon kreeg een octrooi voor 15 jaar op een nieuw type lakenvolmolen, mits hij toestemming vroeg aan de provincies waar hij deze wilde bouwen. De heren Bronchorst en anderen onderzochten verschillende verzoeken, waaronder die van Remijs van Grevenbroeck, een priester uit Tilburg. Hij mocht twee derde van zijn inkomen uit twee kleine beneficies houden, terwijl een derde naar het land ging. Op 8 en 9 mei 1650 werd niets beslist. Op 10 mei 1650 werd Johan Eeck benoemd als raad van state in plaats van Counraet meyer voor de provincie Groningen. Hij legde de eed af tijdens de vergadering. De zaak van de molenaars van Cadsant werd overgedragen aan de Bije en Eijssinge, die Meinderswijck en Andrée vervingen. Een brief van Roermond over de zaak van Henrick Lambertsz de Bruijn, een marktschipper, werd doorgestuurd naar de heren die onderhandelden met Ambr. de Brun. Roch, voormalig resident van de koning van Denemarken, kreeg een paspoort om zijn boeken en bagage uit te voeren. De zaak van de schepenen van Oosterwijck tegen Lambert Sleccher werd onderzocht door Bronchorst en anderen. Sleccher moest wachten met verdere stappen. Het verzoek van de moeder en nonnen van het Arme Vrouwe Clooster in Oosterwijck werd ook doorgestuurd voor onderzoek. Jonr. Fredrick Schellaert van Owendorff kreeg toestemming om over zijn goederen in Brabant en Overmaas te beschikken, mits hij kon aantonen dat hij zijn leengoederen had verheven bij de Raad van Brabant. De afgezanten van Oost-Friesland kregen toestemming voor hun verzoek.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0271  


19 december 1650 hielden de Staten-Generaal een vergadering onder leiding van Bronckhorst. Aanwezig waren onder anderen Graeff van Flodroff, Linteloe, Raesfelt, Huijgens, Ommeren, Loo, Paets, Sonck en een buitengewone gedeputeerde van Holland, Veth. Bronckhorst deelde mee dat de ambassadeur Joachimij op bezoek was geweest. Ook werd een brief van Rhijngraeff, gouverneur van Maastricht, voorgelezen. Hierin waarschuwde hij dat een Spaans leger onder leiding van Don Anthonio de la Convie dorpen bij Maastricht wilde bezetten. Rhijngraeff zou dit, in opdracht van de Raad van State, tegenhouden. De verzoeken van Remijs van Grevenbroeck (een priester) om in Diessen te mogen wonen, en van Jan de Barie uit Amsterdam om veiligheid voor 6 maanden, werden goedgekeurd. Er werd gesproken over de slechte staat van de vergaderzaal en de grote vertrekzaal. Commis Spronssen kreeg de opdracht om dit op te lossen. Een brief van Schrasser uit Hamburg werd ontvangen, maar er werd geen besluit over genomen. De Staten bespraken de situatie in Engeland en bedankten Bronckhorst voor zijn inzet. De provincies beloofden hier later op terug te komen. Er werden brieven van aanbeveling besproken voor afvaardigingen uit Oost-Friesland en Emden. Deze zouden zonder verdere discussie worden verzonden. Een brief van Rhijngraeff over Spaanse troepen bij Maastricht werd besproken. De Staten besloten om Huijgens en andere gedeputeerden in te schakelen om met de ambassadeur de Brun te overleggen. Zij moesten proberen om via Leopold (aartsherog) de spanningen te verminderen. De Mauregnault, kapitein bij het Sas van Gent, vroeg toestemming om dijken aan te leggen bij Canisvliet. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de bevoegde rechters en de Raad van State. Het verzoek van Willem van Thil, drossaard van Valckenburg en Daelhem in Overmaas, om bepaalde personen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State. Ten slotte werd een commissie van de Staten van Utrecht voorgelezen, waarin verschillende heren werden benoemd voor het behartigen van de algemene zaken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0664  


De Staten-Generaal bespraken de situatie in Engeland en bedankten heer Bronchorst voor zijn inzet. De provincies zouden later passende maatregelen nemen.

Er kwam een brief van heer Schrasser uit Hamburg (17 december), maar er werd geen beslissing genomen.

De verzoeken van:

Er werd een brief van heer Rhijngraeff, gouverneur van Maastricht (13 december), voorgelezen. Hij waarschuwde dat een compagnie onder Don Anthonie de la Coive, luitenant-generaal in Spaanse dienst, dorpen onder Maastricht wilde bezetten. Rhijngraeff zou dit eerst met diplomatie proberen te voorkomen en anders met geweld. De Staten-Generaal namen deze brief ter kennisgeving aan en besloten hem voor te leggen aan heer Huijgens en andere gedeputeerden voor bespreking met ambassadeur de Brun. Zij moesten proberen via aartshertoog Leopold en anderen druk uit te oefenen om verdere escalatie te voorkomen.

Holland vroeg een kopie van de brief om deze intern te bespreken en wilde dat Rhijngraeff wist dat de inhoud met ambassadeur de Brun besproken zou worden.

Het verzoek van Gaspar de Mauregnault, kapitein en sergeant-majoor van het Zas van Gent, en zijn partners om schorren bij Canisvliet (tussen het Zas van Gent en Sint-Maartens) te bedijken, werd doorgestuurd naar de gedelegeerde rechters voor de dijkzaak. Ook werd een kopie gestuurd naar de Raad van State om te beoordelen of de dijk bij Sint-Maartens schadelijk zou zijn voor de landsverdediging.

Het verzoek van Willem van Thill, drost van Valkenburg en Daelhem (in Overmaas), om bepaalde personen die samenwerkten met Spaanse garnizoenen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State. Holland herhaalde eerdere standpunten over Overmaas.

De Staten van Utrecht stuurden een commissie (28 november) met gedeputeerden, waaronder Nicolaes van Berck, Arent van Culenburch, Jacob van Baaxen, Justus van Borre van Amerongen, Carel Parmentier, Joachim Philibert van Thuijl van Serooskerke, Gaspar van Lijnden, Gerrart van Reede, Godaert Adriaen van Reede, Hugo Diderick Ruijsch, Andries van Odijck, Fredrick Ruijsch, Cornelis van Deuverden, Cornelis van Werchoven, Peeter de Goijer en Dirck Vock van Linden. Zij mochten de vergaderingen van de Staten-Generaal bijwonen en meedenken over het algemeen belang, volgens een resolutie van 14 november. De Staten-Generaal verwelkomden hen en gaven hen toegang.

De ordinaire gedeputeerden van Utrecht meldden namens de Staten van Utrecht (28 november, oude stijl) dat er steeds meer valse gouden en zilveren munten in omloop waren. Ook werd er geprobeerd slechte munten in omloop te brengen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3210 / 0890  


De Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden geven toestemming aan:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12316 / 0398  


De testateurs (de twee personen die een testament opstellen) bepalen dat de langstlevende van hen beiden alle bezittingen mag behouden en gebruiken zonder verzet van familie van de eerst overledene. Ook hoeft de langstlevende geen boedelbeschrijving af te geven. Alle onroerende goederen die door een van de testateurs in het huwelijk zijn ingebracht, blijven in het bezit van de langstlevende. Een uitzondering is het land in Baardwijk, dat na de dood van de man naar zijn bloedverwanten gaat. Na de dood van de langstlevende worden de overgebleven goederen als volgt verdeeld: Als een van deze personen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten. De onroerende goederen die van de vrouw afkomstig zijn, gaan na haar dood als volgt: De andere helft van de goederen van de vrouw gaat direct na de dood van de langstlevende in eigendom en vruchtgebruik naar de kinderen van Gerit Jan Teulingh. Als een van hen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten. De bloedverwanten van beide testateurs moeten gezamenlijk een legaat van 150 pond betalen aan de kinderen van Peter Cornelis de Lepper na de dood van de langstlevende. De testateurs benoemen elkaar tot enige en universele erfgenaam. Na de dood van beide gaan de goederen naar hun respectievelijke bloedverwanten, zoals hierboven beschreven. Het testament is opgesteld op 18 maart 1704 in het woonhuis van de testateurs in t Gravemoer, in aanwezigheid van Adriaen Smits (oud-burgemeester van t Gravemoer) en Adriaen dens Schapendonck (inwoner van t Gravemoer) als getuigen. Op 31 mei 1709 is een kopie van het testament verstrekt aan Aert van Horst (bloedoom van de kinderen van Gerit Jan Teulingh). Op 18 juni 1721 is het legaat van 150 pond aan de kinderen van Peter Cornelis de Lepper voldaan door de erfgenamen, zoals blijkt uit een notariële akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504757 / 163  


Op 12 juli 1689 gaven Heiliger Colen, Adriaen Jan Segers, Coopluyden in wol en lakens, en gezworen tarra-meesters in Tilburg een verklaring af. Zij bevestigden dat al ongeveer 20 jaar een regel gold: als een tarra-meester afwezig was, werd zijn werk overgenomen en gecontroleerd door anderen. Dit gold ook voor de minder waardevolle stoffen die open waren gevonden. Op 10 augustus 1689 droegen Heiliger Colen, Adriaen Cornelisz Francken, Jan Jansz Heycants (als voogd voor de onmondige kinderen van Joost Adriaen Geerts de Roy en Anna Cornelis van Beurden, en voor de onmondige dochter van Jan Jan Heijcants en Marie Adriaen Broeders), en Ruylen Comanceurs (als man en voogd van Jenneken Jan Heijcants) een schuldbrief en openstaande boekschulden over aan Joan Melis, erfgenaam van Catharina Jan Melis. Zij gaven alle rechten op deze schulden op. Op 30 juli 1689 verklaren Jacobus van Esche, schepen van Tilburg en bierbrouwer in Goirle, dat hij de brouwerij van Joost Peeter Eelckens in Goirle had gehuurd voor het jaar 1688-1689 voor 10 gulden. De zonen van Eelckens moesten als tegenprestatie zijn bier verkopen. Deze afspraak gold tot het einde van de huurperiode.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 402  


De gedeputeerden van de Meijerij van 's Hertogenbosch, waaronder Tempelaer, Buijs, Abberdaen en Wichmans van Raesfelt, behandelden op 5 april een verzoek van Reijnier Jansz Tempelaer uit Aelst. Hij wilde het ambt van boswachter in Bercheijck overnemen van de vorige houder. Het verzoek werd doorgestuurd naar de schout van het kwartier Kempelandt voor advies. Op 8 april werd het verzoek van Maurits Buijs besproken. Hij vroeg of zijn zoon Laurens Buijs een beurs van 50 gulden in Boxtel mocht krijgen, die eerder aan de zoon van de conrector de Vries was toegekend. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de ontvanger Florintius Schuijl voor informatie. Op 14 maart werd het verzoek van Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester in Legemierde, behandeld. Augustinus Wichmans, abt van Tongerloo, had hem drie kerkelijke beneficies in Mierlo (in het kwartier Peelant) toegekend. Abberdaen vroeg om bevestiging van deze aanstellingen. Het verzoek werd doorgestuurd naar rentmeester Pieterson om de aard en status van de beneficies te onderzoeken. Op 22 januari rapporteerden de gedeputeerden Swanenburch, Stavenisse, Wijckel en de thesaurier-generaal van Beverningk over hun werk in de provincie Stad Groningen en Ommelanden. Met steun van stadhouder Willem van Nassau hadden zij geschillen opgelost die voortkwamen uit het reglement van 8 juli 1655. Ze kregen de opdracht om een nieuw reglement op te stellen voor de besturing van de Ommelanden tussen de Eems en Lauwers. Op 28 februari hadden dezelfde gedeputeerden bij de Staten van Stad Groningen en Ommelanden aangedrongen op het heffen van een belasting van 200ste penning voor de verdediging van de staat, onder andere tegen piraterij en oorlogen. De Staten beloofden hierop te reageren op basis van noodzaak. Op 3 maart 1659 bevestigden de Staten van Stad Groningen en Ommelanden in een resolutie dat ze de petitie en het voorstel voor de 200ste penning zouden overwegen, afhankelijk van de noodzaak. Op 4 april rapporteerden van Raesfelt en andere gedeputeerden over een gesprek met gecommitteerden uit de Raad van State. Dit betrof een beloning voor iemand die informatie kon geven over goederen en activa onder het gezag van de Generaliteit, met uitzondering van de huidige bezitters en gebruikers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3265 / 0287  


Op 24 maart 1668 kreeg Ariaentie Claes, die woonde achter de Twijstraat in Utrecht, een attestatie uit Culemborg, ondertekend door Gisbert Oostrom.

Reijnier Hamaker woonde op het Claes Kerckhof. Trijntie Jans had een attestatie uit Maarssen van 21 juni 1668, getekend door Dirck Hamaker en Johannes Houdius.

Reijer Jansz, een jurist, woonde in de Ganse-steeg en had een attestatie uit Amersfoort van 22 juni 1668, getekend door Vincentius van Deurn. Gerrit Jansz woonde in de Claes steeg en had een attestatie uit Den Haag van 5 april 1668, getekend door Cornelius Triglandius. Aeltie van Neck woonde ook in de Claas steeg en had een attestatie uit Nijkerk van 26 mei 1666, getekend door Titus Bachusius.

Meindert Christiaensz, een jurist, woonde bij de Hamburgerstraat en had een attestatie uit Rotterdam van 4 mei 1668, getekend door J. Ridderus. Eringart Hendrikx, een jurist, woonde over de Weesbrug en had een attestatie uit Reekum van 2 april 1668, getekend door Samuel Heshuisius.

Catharina Dirksz de Vriese woonde in de Hamburgerstraat en had een attestatie uit 's Gravenhage van 10 november 1667, getekend door Daniel van Sonnevelt. Marcus Neusen, een jurist, woonde op de Kunnen en had een attestatie uit Deventer van 30 juni 1668, getekend door Paulus Colonius. Davidt Kerckraedt woonde op het Oude Kerckhof en had een attestatie uit 's Gravenhage van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Triglandius.

Op 10 juli 1668 werd een zitting gehouden door P. van Nellesteyn in aanwezigheid van Joan de Latfeur.

Dina Beukelaer, de vrouw van Abraham Kempenaer, woonde tussen de Bakkerbrug en Bezembrug en had een attestatie uit Amsterdam van 12 april 1668, getekend door Johannes Visscherus. Peterken Leenaerts, een jurist, woonde bij de Bezembrug en had een attestatie uit Tiel van 1 juni 1668, getekend door Ottho Gelummerus.

Zacharias Verbessel woonde onder de Snippenvlucht en had een attestatie uit Den Haag van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Triglandius. Zijn dochter Adriana van Kip had een attestatie uit 's Gravenhage van 14 juni 1668, getekend door Godefridus Lamotius.

Johannes Zeelander woonde onder de Lakensuijders en had een attestatie van de Waalse Kerk in Amsterdam van 29 april 1668, getekend door N. Colvius en David du Cloux. Zijn vrouw Teuntje van Vlook had een attestatie uit Amsterdam van 19 april 1668, getekend door Jacobus Clercquius.

Anna Elisabeth Laurens, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Arnhem van 27 maart 1668, getekend door Lucas Harlæus III. Claartje Isbrantsz, de vrouw van Henrick Willemsz Grevenbroeck, woonde in de Wittevrouwenstraat en had een attestatie uit Scheveningen van 23 mei 1668, getekend door Isaac Daesdonck.

Hester Barents van Limbeeck, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Hijen en Dodereert van 29 april 1668, getekend door Johannes Nethenus. Janrichen Jans, een jurist, woonde in de Keizerstraat en had een attestatie uit Rhenen van 15 juni 1668, getekend door Johannes Hupius.

Femmetje Rijkels, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Steenwijk van 7 april 1668, getekend door Jacobus de David. Theodora van Hattum, een jurist, woonde in de Jodenstraat en had een attestatie uit 's Hertogenbosch van 6 mei 1668, getekend door Wilhelm Costerus.

Niesken Cornelis woonde in de Muntstraat en had een attestatie uit Eck van 26 april 1668, getekend door Henricus a Laer. Lijsbeth Pieters van Swoll, een jurist, woonde bij De Vrouw van Harmsten en had een attestatie uit Kampen van 8 april 1668, getekend door Johannes ab Olen.

Neeltjen Gijsberts woonde in de Keizerstraat en had een attestatie uit Heusden van 22 april 1668, getekend door Leonardus van Rijssen. Catelijntje Pieters, een jurist, woonde in de Lauwerstraat en had een attestatie uit Amsterdam van 17 mei 1668, getekend door Laurentius Homma.

Nikolaas Vonk woonde buiten de Weer en had een attestatie uit Rotterdam van 27 juni 1668, getekend door Jacob Borstig. Anneke Beyers van Uden woonde buiten de Weer en had een attestatie uit Klaas van 12 april 1668, getekend door Johannes Alexander Neuspita.

De heer Henrick Haecx en Maria van den Bergh, zijn vrouw, woonden op het Sint Jans Kerckhof en hadden een attestatie uit Amsterdam van 26 april 1661, getekend door Per A Roij. Barbara Krodt woonde in de Domssteeg en had een attestatie uit Mülheim an der Ruhr van 18 april 1668, getekend door Jacobus Rhenferdius.

Maria van Gessel, de vrouw van Dirck van Hessel, woonde in de Ballemaeckersstraet. Mayken Dirckx, de vrouw van Gerrit Haechman, woonde op de Voorstraat. Grietien Vermeer, de vrouw van Dirck Vermeer, woonde in de Lauwerstraat.

Joan le Contre, een linnenmaker, woonde in de Beekelsteeg. Andries Essenius en Michiel Simons, een schilder, woonden in de Oude Gentman. Cornelis van Werckhoven, een linnenmaker, woonde in de Prins van Breen Twijstraat.

Janneke Kool, een jurist, woonde in de Choorstraat en had een attestatie uit Harlingen van 30 juni 1668, getekend door Matthæus Bernhardi. Sarie Jacobs woonde bij de Veerstraatbrug in het poortje naast De Sterre en had een attestatie uit Amersfoort van 20 juni 1668, getekend door Henricus Teeckmannus.

Geertruij Huijberts van Doorenweert, een jurist, woonde op de Breestraat en had een attestatie uit Tiel van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Vdents. Anneken Dalwiks, een jurist, woonde bij de Bezembrug en had een attestatie uit Buckolt van 1 mei 1668, getekend door Johannes Wrsinus.

Geruchje Wijnen, een jurist, woonde op de Hansemarkt en had een attestatie uit Rhenen van 26 maart 1668, getekend door Paulus Andringa. Aeltje Folckers woonde op de Voorstraat en had een attestatie uit Voorst van 16 september 1667, getekend door Hermannus Altius.

Jacobus van Linschoten en zijn vrouw Grietje Sleeman woonden in de Lange Taverstraat en hadden een attestatie uit 's Gravenhage van 26 maart 1668, getekend door J. Vollenhoven. Susanna van Regenmorter, de vrouw van Adriaen van der Heyden, een advocaat, en Jannetje van Langenbergh, een jurist en hun dienaar, woonden op het Oude Kerckhof en hadden een attestatie uit Dordrecht van 14 april 1668, getekend door Grijphonius van Ravestijn.

Engel Jans woonde in het Baxensteegje en had een attestatie uit Bolsward van 21 maart 1667, getekend door Adolphus Marck. Hanschen Rossen woonde in Lijn en had een attestatie uit Rees van 26 april 1668, getekend door Johannes Justus Rötekenius.

Abrahamus Simonis en Petrus Simonis woonden in de Stroosteeg en hadden een attestatie uit Medtmann van 12 juni 1668, getekend door David Bongart. Berentie Jacobs, een jurist, woonde op de Marienplaats en had een attestatie uit Zutphen van 7 maart 1668, getekend door Cornelius Lambergius.

Belitje Swagers woonde in de Molensteeg op de Springweg en had een attestatie uit Nieuwpoort van 25 braakmaand 1668, getekend door Joannes Ubelman.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11298540 / 77  


Op 21 augustus 1638 stelde Willem Gomert, hoedemaker en burger van Utrecht, in aanwezigheid van notaris Nicolaes Verduyn en getuigen Cornelis van Wijckersloot en Ellert Lubbertsen van Oldenberch zijn testament op. Hij benadrukte dat de dood onvermijdelijk is en wilde zijn bezittingen regelen. Hij schrapte eerdere testamenten, behalve een eerdere afspraak met zijn overleden vrouw Annaken Adams van 's Grevenbroeck uit 27 september 1612. Willem Gomert doneerde: Als universele erfgenaam benoemde hij Catharijntgen Wijvalt Rutenberghs, dochter uit Deventer, die 5 jaar bij hem had gewoond. Hij sluit alle anderen uit. Het testament is bindend en vervangt alle eerdere testamenten of afspraken. Willem Gomert behield het recht om het testament te wijzigen. Op 20 augustus 1638 gaf Ryck van Dieren, burger van Utrecht, zijn zoon Willem van Dieren volmacht om: Ryck van Dieren beloofde dat zijn zoon alles zou doen alsof hij zelf aanwezig was. Dit werd bevestigd in aanwezigheid van getuigen Geurt Jansz van Woudenberg en Laurents ten Itale.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507220 / 284  


De testateurs (erflaters) laten al hun bezittingen, of die nu klaar of nog niet klaar zijn, na aan de langstlevende van hen twee. Deze mag ermee doen wat hij of zij wil, zonder verzet van anderen.

Als de langstlevende trouwt, moet hij of zij de helft van de bezittingen van de eerste overledene (die dan nog bestaan) afstaan aan de kinderen van hun zus Maria van Reijnen en Dirck Grevenbroeck. Als beide kinderen ongetrouwd overlijden, erft de hele nalatenschap naar deze neven en nichten. Hun moeder en de zus van de testateurs mogen wel het vruchtgebruik (inkomen uit de bezittingen) houden zolang zij leven.

De testateurs benoemen als erfgenamen hun neven en nichten, met uitzondering van anderen. Zij sluiten ook alle officiële instanties, zoals weeskamers en rechtbanken, uit van bewind over de nalatenschap. In plaats daarvan benoemen zij Roelof Willems van Rijnen (wonend op de Haersteegd onder Vlijmen) en van Linden (wonend in Lith, kwartier van Maasland) als voogden en executeurs voor de minderjarige erfgenamen. Deze voogden krijgen alle nodige bevoegdheden, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan anderen dan aan de erfgenamen zelf als die meerderjarig zijn of trouwen.

Als een van de voogden overlijdt, mag de langstlevende testateur een vervanger aanwijzen. Het testament is opgesteld op 20 april 1700 in Oosterwijk, in aanwezigheid van Bernardus van Hemert en Louis Wollaert als getuigen.

Op 12 februari 1700 erkent Adriaen Jansz Vermeer (wonend in Den Hout) schuldig te zijn aan Huijbert van Berkel en Hendrick Verhoeven (voogden van de kinderen van wijlen Adriaen Jansz) een bedrag van 250 gulden (à 20 stuivers per stuk, Hollands). Dit bedrag moet hij terugbetalen over 6 jaar, met een jaarlijkse rente van 3 gulden en 5 stuivers per 100 gulden. Als het bedrag niet op tijd wordt terugbetaald, blijft de rente doorlopen. Beide partijen moeten elkaar 4 maanden voor de vervaldatum waarschuwen.

Adriaen Jansz Vermeer verbindt zich en zijn bezittingen als zekerheid voor deze schuld. Huijbert van Berkel en Joost Arens van Tessel (als man en voogd van Geertruy Adriaen Elis) bevestigen dat het bedrag inclusief rente is betaald en vragen om de kwijting van deze schuld.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 358  


In een testament uit 27 juli 1694 stellen Jan Hendrickense en zijn vrouw elkaar aan als enige erfgenaam van alle bezittingen, zoals geld, zilver, schulden en goederen. De langstlevende mag alles vrij besteden, verkopen of weggeven. Als er later nog bezittingen worden gevonden, worden deze verdeeld: de helft gaat naar de familie van Jan Hendrickense, en de andere helft naar de familie van zijn vrouw. Specifieke bedragen gaan naar bepaalde familieleden, zoals een dochter die 40 gulden krijgt. Een nicht van de vrouw van Jan Hendrickense erft de andere helft na het overlijden van de langstlevende.

Het testament is opgesteld in Tilburg in aanwezigheid van Dirck van Grevenbroeck en Adriaen Jacobshen als getuigen, en bevestigd door notaris Joannes Wittebol.

In een tweede testament uit 6 augustus 1694 in Woensel bepaalt Jacob Janssen van Woensel, weduwnaar en vader van vier kinderen (Maria, Joannes, Geertruijt en Peeter), dat zijn kinderen zijn enige erfgenamen zijn. Alle bezittingen, inclusief schulden en goederen, gaan naar hen. Als zijn kleinkinderen (van zijn zoon Joannes) zonder wettige geboorte overlijden, gaan de goederen terug naar de familie van Jacob Janssen van Woensel. Het testament is opgesteld in ’s-Gravenhage in aanwezigheid van Jan Peijnenborgh en Pieter Con. als getuigen, en bevestigd door notaris Joannes Wittebol.

In een derde document uit 8 augustus 1694 huurt Gerard van Zon een stuk land van ongeveer 7 quarter (een oude maat) in Brockhovensche akkers bij Tilburg aan Geert Cornelisz Breck. De huur duurt vier jaar, en de opbrengst van het land wordt elk jaar gelijk verdeeld. De huurder moet het land in goede staat houden en is verantwoordelijk voor eventuele schade. Het contract is opgesteld in aanwezigheid van Peeter Kosters en Antoni Wittebol als getuigen, en bevestigd door notaris Antoni Wittebol.

In een vierde document uit 8 augustus 1694 wordt bevestigd dat Claesken Willem Heijkants, ziek te bed, een verklaring aflegt in Tilburg in aanwezigheid van notaris Joannes Wittebol.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069124 / 243  


1700:
Boudewijn en gront delle en Willemijntie Zeemans, een echtpaar uit Bergh, lieten bij notaris Michiel van Tilburgh een testament opstellen. Boudewijn was ziek en bedlegerig, maar bij vol bewustzijn. Ze wilden hun wereldse bezittingen regelen voor hun overlijden.

Ze begonnen met het toevertrouwen van hun ziel aan God en het verzoeken om een eerlijke begrafenis voor hun lichaam.

1711:
Er was een huurovereenkomst voor land in Bergh. De huurder moest:
De huurder, Barthelomeus de Hoogh, en Juris stonden als borg. Lambert Vijff huijsen en Jan van Buijle werden als getuigen genoemd.

De akte werd op 23 oktober 1711 ondertekend in Bergh door Jan van grevenbroeck, Bartholomeus geordt Campe, Michael van borgh en anderen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739568 / 77  


Op 25 april 1653 hielden Veth en andere gedeputeerden, zoals van Genth, Verbolt, Capelle, Raesfelt en Huijgens, een vergadering in Den Haag.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3259 / 0453  


Op 2 juni 1702 werd in een vergadering onder leiding van Mulert besproken of verschillende verzoeken om paspoorten goedgekeurd konden worden. De gedeputeerden van Holland en West-Friesland stemden in met het arresteren (intrekken) van verschillende orders en plakkaten die te maken hadden met de oorlog. Hierbij ging het om: De gedeputeerden van Zeeland moesten hier nog op reageren. Er werden brieven ontvangen van: Op deze brieven werd geen besluit genomen. Aanwezig waren onder anderen Gent, Lintelo, Essen, Ham, Slingelandt, Bleyswyck, de Haes, Bors van Waveren, raadpensionaris Heinsius, Odyck, van Hecke, een extra gedeputeerde uit Zeeland, Bergesteyn, Domburgh, Du Tour, Hairingen, Lemker, De Drews, Clant en zes extra gedeputeerden uit Stad en Lande.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3346 / 0639  


In 1694 schreven Ernst de Hevere van Westisselmondi en anderen aan de Hoog Mogende Heren over een geschil rond inkomsten die niet klopten met een eerdere akte. De Raad van State had op 14 februari 1664 een besluit goedgekeurd, maar Raes van Grevenbroeck had op 20 september 1668 een kopie aan Willem Kelberts van Ravesteijn gegeven. Er was twijfel of deze inkomsten, bedoeld voor missen en andere katholieke diensten in de kapel van het huis of de parochie van Mierlo, ooit aan Ravesteijn toebehoorden. Barbaro van Schergenreel, weduwe van Grevenbroeck, bevestigde dat de stichtingsbrieven ontbraken en dat de inkomsten al lang voor 1648 aan priesters waren gegeven. De adviseurs vonden dat deze inkomsten bestemd moesten blijven voor de gereformeerde godsdienst, tenzij de stichtingsbrieven het tegendeel zouden aantonen. Op 19 september 1693 had de Hoog Mogende Heren besloten dat zonder deze brieven geen goedkeuring voor giften zou worden gegeven, ook al kon de eiser eerdere bezittingen aantonen.

Op 9 november 1694 werd dit rapport ondertekend door Johan de Veer van de Generaliteits Rekenkamer.

In een ander rapport van 13 december 1694 meldden de Gecommitteerden in de Generaliteits Rekenkamer dat de provincie Friesland sinds 20 februari 1692 de honderdste penningen (een soort belasting) had ingetrokken op sommen uit een ordonnantie. Dit had geleid tot een schade van 3.945 gulden en 13 schellingen voor het Collegie ter Admiraliteit. Bovendien was er een schade van 3.939 gulden en 19 schellingen door een ordonnantie van 26 maart 1693, omdat schellingen niet langer gangbaar waren en de waarde was gedaald. De Ontvanger-Generaal had deze bedragen moeten ontvangen, maar kon ze niet uitbetalen zonder verlies.

De Gecommitteerden wezen erop dat volgens hun instructie van 2 januari 1622 (artikel 3) onderzocht moest worden hoeveel elke provincie had betaald voor de oorlogskosten. Ze vreesden voor verwarring in de rekeningen van Cornelis de Jonge van Ellemeet, de Ontvanger-Generaal, die assignaties had gegeven aan het Collegie ter Admiraliteit zonder rekening te houden met de kortingen en schade. Ze verzochten de Hoog Mogende Heren om maatregelen te nemen om verdere schade te voorkomen.

Op 11 december 1694 werd dit rapport ondertekend door ster. van Rhemen en Johan de Veer.

De Gedeputeerde Staten van Friesland bevalen op 20 maart 1693 de Ontvanger-Generaal Sibrant van Ockinga om 53.945 gulden en 13 schellingen te betalen aan de Raden ter Admiraliteit te Harlingen voor de equipage ter zee in 1692. Dit werd ondertekend door J. V. Aylva, E. Willinga, A. Lijcklama a Nijeholt, B. V. Vreessen en V. van Glinstra.

Op 8 maart 1693 ontving de Ontvanger-Generaal een ordonnantie van 53.945 gulden en 15 schellingen van de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Friesland. Hij moest 4.495 gulden en 8 schellingen in rekening brengen als tekort voor de betaling van kapiteinskosten voor de equipage van 1692. Omdat schellingen niet langer gangbaar waren, verzocht hij om een decharge (vrijwaring) om dit bedrag alsnog in rekening te kunnen brengen.

Op 22 maart 1693 werd dit verzoek goedgekeurd en ondertekend door B. van Nijsten en T. Lanting.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11203 / 0219  


Op 16 november 1660 in Den Haag ontvingen de heren een brief van de Gecommitteerden in de Rekenkamer van de Generaliteit. Hierin ging het over de kosten van de bussen voor de boden van de Generaliteit.

Na overleg werd besloten: Op verzoek van Françoise Danchies om een subsidie, werd besloten haar eenmalig 25 gulden toe te kennen.

Op verzoek van Charles Floid, een gereformeerde kapitein, werd hem toestemming gegeven voor 3 maanden naar Engeland te reizen voor persoonlijke zaken.

Op verzoek van Jan Roijen, inwoner van Dalem en Overmaas, die klaagde dat Frans Wijnandt van Eijnatten, heer van de bank van Gulpen in ’s-Hertogenrade, zijn vruchten onterecht had geconfisqueerd, werd besloten het verzoek door te sturen naar de Raad van State voor advies.

Op verzoek van Cornelis van Grevenbroeck, heer van Swijnsbergen, om heer van Raesfelt te vervangen bij het onderzoeken van een eerdere aanvraag, werd heer van Braeckel aangewezen om dit zo snel mogelijk te doen en rapport uit te brengen.

De boden en assistent-boden moeten de nieuwe bussen gebruiken en deze doorgeven aan hun opvolgers. Als ze dit niet doen, worden zij of hun erfgenamen beboet met 50 gulden. Een afschrift van dit besluit wordt gestuurd naar de Raad van State en de Rekenkamer van de Generaliteit.

Er werd een brief ontvangen van commissaris Pels uit Dansich met een mededeling, maar hierop werd geen besluit genomen.

Op 17 november 1660 werden de besluiten van de vorige dag gelezen en samengevat. Ook werd een memoriaal van de Franse ambassadeur gelezen, waarin hij toestemming vroeg voor het uitvaren van het schip St. Louis van de koning van Frankrijk, bestemd voor China en nog in Amsterdam. Na overleg werd besloten: Op verzoek van de hoofddirecteuren, dijkgraven en gezworenen van de dijkage van Beoostereede tegen burgemeester en schepenen van ’s Lands van de Vrije in Sluis (Vlaanderen), werd besloten het verzoek door te sturen naar de Gedeputeerden voor Vlaanderen, waaronder heer Huyghens, om te onderzoeken en rapport uit te brengen.

Op verzoek van de weduwe van Pieter Gillisz, molenaar in Beoostereede bij de parochie van Sint-Laurens, die klaagde dat een jaar geleden op bevel van de Generaliteit het molenijzer van haar molen was meegenomen naar Sluis onder het voorwendsel dat de molen onder een octrooi van de koning van Spanje zou vallen, werd besloten het verzoek door te sturen naar de Raad van State voor advies.

Op verzoek van Jacob Lievens, burger en koopman uit Middelburg (Zeeland), die gevangen zat in Gent en om vrijlating vroeg, werd besloten het verzoek door te sturen naar heer van Crommon om te onderzoeken en rapport uit te brengen.

Op verzoek van soldaten die betrokken waren bij een gevecht bij Nieuborch in Friesland en om losgeld voor gevangenen vroegen, werd besloten het verzoek door te sturen naar de Raad van State voor advies.

Er werd een brief ontvangen van de administrateuren van de Stenden van Oost-Friesland uit Emden met een reactie op een brief van de Generaliteit van 28 oktober 1660. Hierin gaven zij aan dat zij niet van plan waren om de resolutie van 29 september 1660 over de inning van geld voor de betaling van de vierde termijn, die de Stenden nog aan de staat schuldig waren, verder uit te breiden of te misbruiken. Na overleg werd besloten de brief door te sturen naar de Gedeputeerden voor Oost-Friesland om te onderzoeken en rapport uit te brengen.

Op verzoek van Etsert Benedic uit Bolsweert (Friesland) om uitstel van betaling aan zijn schuldeisers in Friesland en Holland, werd besloten hem door te verwijzen naar de provincies Holland en Friesland of de hoven van justitie aldaar.

Op voorstel van de Gedeputeerden voor Vlaanderen, waaronder heer Huyghens, werd besloten om de heren Gedeputeerden te vragen in overleg te treden met enkele Gecommitteerden uit de Raad van State over de afbetaling van de schulden van de stad Hulst en het Hulsterambacht aan verschillende particulieren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3266 / 0685  


Op 23 maart 1747 werd besloten dat een kopie van een eerdere brief zou worden gegeven aan de heren van Benthem en andere gedeputeerden voor militaire zaken. Zij moesten samen met enkele gecommitteerden uit de Raad van State de zaak onderzoeken en verslag doen aan de vergadering. Op 23 maart 1747 ontving men een brief van de Raad van State uit Den Haag, gedateerd 21 maart 1747. Hierin werd advies gegeven over de verzoek van Peter Vonck om 100.000 naties fourage naar Venlo te leveren. Het verzoek om een paspoort voor vrij transport zonder betaling van landsrechten werd goedgekeurd. Op 23 maart 1747 ontving men een brief van Grave van Rechteren, hoogschout van ’s-Hertogenbosch, gedateerd 28 maart 1747. Hij meldde dat Generaal-Major de Guij, die op dat moment in ’s-Hertogenbosch commandeerde, zich bemoeide met de rechtspraak over een soldaat die buiten het garnizoen een misdrijf had gepleegd. De soldaat was gearresteerd en door de dienders van de justitie binnengebracht om in de gevangenpoort te worden opgesloten. Grave van Rechteren verzocht dat Generaal-Major de Guij de soldaat weer zou overdragen, zodat tegen hem kon worden opgetreden volgens de wetten en plakkaten van het land. Het werd goedgekeurd om een kopie van de brief en bijlagen naar Generaal-Major de Guij te sturen. Totdat zijn reactie was ontvangen, zouden alle procedures in deze zaak worden opgeschort. Op 23 maart 1747 werd de verzoek van Elias Zonnevijlle, griffier van Oostburg, en Johanna Margreta van Grevenbroeck behandeld. Zij vroegen om octrooi om over 20 gemeten grond in Vlaanderen te mogen beschikken, met uitsluiting van de weeskamer. Dit verzoek werd goedgekeurd, mits de verschuldigde rechten werden betaald. Op 23 maart 1747 werd het verzoek van Hendrik Adriaan Wiltens uit Den Haag goedgekeurd. Hij kreeg een paspoort om met zijn vrouw en twee dienstmeisjes naar Brussel, Vlaanderen en Brabant te reizen en weer terug te keren. Op 24 maart 1747 werd onder voorzitterschap van van Haren en in aanwezigheid van diverse gedeputeerden en raadpensionarissen de resoluties van de vorige dag gelezen en samengevat. Op 24 maart 1747 werden verschillende brieven ontvangen van: Op deze brieven werd geen resolutie genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3484 / 0350  


De overheid besloot om een verzoek door te sturen naar de ontvanger Florentius Schuijl voor informatie. De heren Raesfelt en andere afgevaardigden van de overheid rapporteerden over de zaken van de meierij van 's-Hertogenbosch. Ze hadden op 14 maart een onderzoek gedaan naar de verzoeken van Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester van Legemeer. Abberdaen vroeg om bevestiging van de benoemingen door Augustinus Wichmans, abt en heer van Tongelre, voor drie kerkelijke functies in de kerk van Mierlo (in het kwartier van Peelland): De overheid besloot het verzoek door te sturen naar de rentmeester Pietersson om te onderzoeken of deze functies al waren toegekend aan goede doelen. De afgevaardigden Swanenburch, Stavenisse, Wijckel en de thesaurier-generaal van Beberningk (met afwezige Isselmuijder) rapporteerden over hun missie in de provincie Stad Groningen en Ommelanden. Op 28 februari hadden ze geprobeerd de provincie te overtuigen om het middel van de 200 penning in te voeren. Op 22 januari waren ze samen met prins Willem van Nassau, stadhouder, in Groningen om nieuwe geschillen op te lossen die waren ontstaan sinds het reglement van 8 juli 1655. De overheid bedankte prins Willem van Nassau en de afgevaardigden voor hun inspanningen en vroeg hen om een voorstel te maken voor de toekomstige besturing van Ommelanden, gebaseerd op het reglement van 8 juli 1655. Een extract uit het resolutieboek van Stad Groningen en Ommelanden van 3 maart 1659 meldde dat de afgevaardigden de noodzaak benadrukten om de 200 penning in te voeren voor de verdediging van de staat, onder andere tegen Turkse rovers in de Middellandse Zee en de oorlog tegen Portugal. De Staten van Groningen beloofden hierop te reageren. De overheid bedankte de afgevaardigden voor hun moeite. De heren Raesfelt en andere afgevaardigden rapporteerden op 4 maart over een verzoek van Jan Jans. Deze bood aan om informatie te geven over goederen en zaken van belang voor de staat, in ruil voor een beloning. De overheid vroeg de afgevaardigden en gecommitteerden van de Raad van State om advies hierover. De heer van den Honert, afgevaardigde naar Thorn, meldde dat hij opmerkingen had over het reglement voor vredesonderhandelingen in het noorden. De overheid vroeg de heren van Ommeren en andere eerdere afgevaardigden voor Zweden en Polen om samen met van den Honert het reglement te bespreken en rapport uit te brengen. De heren Oostdorp en Swanenburch werden ook gevraagd hierbij aanwezig te zijn. De afgevaardigden van Zeeland deden een mededeling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 149 / 0075  


De gedeserteerde matrozen kregen gratie en Capi„teyn moest voor zijn schip 140 gulden betalen. De requirant mocht tussen de schepen van Laagers beslag leggen. De Heer Predikant van Grevenbroeck vroeg om met pensioen te gaan vanwege zijn hoge leeftijd, gezondheidsproblemen en geheugenverlies. Na 40 jaar dienst in de kolonie werd zijn verzoek goedgekeurd. H: E: G: A stelde voor om hem een jaarlijkse toelage van 400 gulden te geven. Ook werd besloten een predikant voor de gemeenschap van Dimmerarij te zoeken, met dezelfde voorwaarden als in de rivier. Dhr. Stephanus Gerardus van der Heijden, kapitein, had verzocht om timmerlieden en Indiaenen te mogen huren om werk te verrichten. Omdat er niet genoeg vrije Criolen beschikbaar waren, kreeg hij toestemming om twee slaafgemaakten te huren op kosten van de kolonie. Tobias van Braband wilde vertrekken met het schip Jongen Abraham en eiste geld terug dat Assistent Elias in Dimmerarij van hem had ontvangen. De Heer Raad Halen kreeg de opdracht om Assistent Elias te vragen ervoor te zorgen dat Van Braband voor zijn vertrek betaald zou worden. Er was een probleem met vreemdelingen die in de kolonie verbleven zonder kennisgeving aan De Heer Directeur Generaal. Besloten werd dat vreemdelingen niet langer dan één nacht bij een inwoner mochten verblijven zonder zich aan te melden. Bij overtreding zou de inwoner 100 gulden boete krijgen en zou de vreemdeling worden gearresteerd. De Heer Raad Repersberg deelde mee dat Johannes Keuman uit Cajoenij berichtte dat de Caribisen van plan waren een Spaanse missiepost aan te vallen. Ze zouden eerst om kruit vragen. Besloten werd om de Caribisen geen kruit te geven en De Heer Directeur Generaal te vragen de commandant van Guaijana hiervan op de hoogte te stellen. Hendrik Bisterus was uit de kolonie Berbice gevlucht en had zich tot De Heer Directeur Generaal gewend. Besloten werd dat deze zaak onder de verantwoordelijkheid van De Heer Directeur Generaal viel. De jaarlijkse dank- en bededag in maart 1737 werd vastgesteld op woensdag 9 maart. De weeskamer kreeg een verzoek van George Christoffel Dinkelberg om de nalatenschap van Jacobus Batet te gebruiken om diens schulden af te lossen. Dit werd goedgekeurd. Ook werd besloten commissarissen aan te stellen om de boedel van Nicols Coquest te onderzoeken. Janatius van Hoek klaagde dat vrije Indiaanse kinderen, Pamphilius en Mancelijtie, na 5 jaar bij hem te hebben gewerkt, waren weggelopen. Hij eiste dat ze voor dezelfde periode bij hem terug moesten keren. Besloten werd eerst de kinderen en hun vrienden te horen voordat er een beslissing werd genomen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AB.3.9B / 0051  


Op 17 september 1660 in Haarlem sloten Daniel Cambij de Jonge, timmerman uit Heemstede, en Jannetje Jans van Grevenbroeck een huwelijkscontract.

Afspraken: Getuigen: Barent Jansen, Gillis de Remaulx, Pynckgen de Remants, Jean de Remaulx, Hoofdt Pardoel (notaris).

Op 24 september 1660 in Haarlem bevestigden Daniel Cambij Bleijker (vader van de bruidegom) en Hendrik van Schendel (schoolmeester uit Heemstede) als getuigen het contract.

Op 25 september 1660 in Haarlem dicteerde Lijsbet Jans van Buijl, ziek te bed in Overveen, haar testament.

Afspraken: Getuigen: Daniel Rambij de Jonge, Jan Jans van Grevenbroeck, Daniel Cambij, Hendrik van Schendel, T'oirconden, E. Een Bardoel (notaris).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842798 / 275  


Op 27-02-1727 in Haarlem maakten Jacob van Grevenbroek en Reijnier Smedingh, als executeurs van het testament van Jacob Peek, bekend dat zij aan de erfgenamen de erfenis van Jacob Peek uit de nalatenschap van zijn overleden vrouw Geertruijd van Grevenbroek hadden overgedragen. Dit betrof zowel de erffportie als alle bijbehorende papieren en documenten. De erfgenamen verklaren Jacob van Grevenbroek en Reijnier Smedingh volledig kwijt te schelden voor hun werk als executeurs. Zij beloofden hen schadeloos te houden voor eventuele claims. Verder bevestigden de erfgenamen dat zij de erfenis van Jacob Peek uit de nalatenschap van Geertruijd van Grevenbroek eerlijk hadden verdeeld en dat ieder zijn deel had ontvangen. Zij beloofden geen verdere claims te zullen indienen. Er bleven nog twee zaken onverdeeld: De kosten hiervoor zouden gezamenlijk worden gedragen en de opbrengsten verdeeld. Alle relevante papieren waren overgedragen aan de diakenen van de Gereformeerde Nederduitse Kerk in Haarlem, die deze als codicillaire legatarissen in bewaring hadden genomen. Onder deze documenten bevonden zich:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843136 / 272  


De huurder moet het huis en de grond goed bewonen en onderhouden. Hij moet de landerijen bewerken en bemesten, zowel in het eerste als het laatste jaar. Bij vertrek mag hij alleen stro meenemen en geen aarde of mest. De oogst van het laatste jaar moet in de schuur blijven tot 2 februari van het volgende jaar. Niets mag worden meegenomen voordat de huur volledig is betaald. Ook meubels of vee mogen niet worden meegenomen als er nog openstaande huur is. Bij vertrek moet de huurder alles achterlaten in een leeg, schoon en stoppelvrij land, zoals hij het heeft aangetroffen. Als zekerheid voor de verhuurder staan Adriaan Beekelmans de oude, Jan Hendrik en Beert (allen woonachtig in Venloon) borg. Zij beloven samen en afzonderlijk dat de huurder aan alle afspraken zal voldoen. Ze onderwerpen zich aan de beslissing van de Edele Mogende Raad en Souvereine Leenhof van Brabant en het land van Overmaas in Spa. Het contract is opgesteld in Tilburg op 1 augustus 1767 voor notaris Cornelis Bles, in aanwezigheid van getuigen Marcellus Mastenbroek en Will van Gewen. Edel Edele Boekelmans de jonge kan niet schrijven, Adriaan Boekelmans de oude tekent met een kruis. Hendrik Jan van Dijk en Maria Nicolaas Clings (weduwe van Florens van Dijk en eerder van Francis Donders) wonen in Tilburg en Velthoven. Maria Nicolaas Clings is ziek maar bij vol verstand. Zij benoemt Hendrik Jan van Dijk als voogd voor haar minderjarige kinderen, met alle bevoegdheden die een testamentair voogd kan hebben.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1817047 / 263  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/