Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Henricus Versteegh en zijn zus
Geertruid Versteegh woonden in
Steenweg in
november 1653 met een verklaring uit
Hoorn van
16 september 1653. Getuigen:
Gerardus Puppius en
Georgius Goethals.
Henricus Rouse, student theologie, woonde in
Lijnmarkt met een verklaring uit
Deventer van
25 juli 1653. Getuige:
Henric Malecootius.
Antonius de Rijck woonde in de
Mariaestraat met een verklaring uit
Tiel van
23 augustus 1653. Getuige:
Ottho Glimmerus.
Lambertus van Bommel woonde in
Snippevlucht met een verklaring uit
Deventer van
15 augustus 1653. Getuige:
Wilh. Alstorpius.
Abrahamus Nethenus, student theologie, woonde in
Snippevlucht met een verklaring uit
Batenburg. Getuige:
Joh. Valentinus Ruppius.
Anna Gelton, weduwe, woonde op het
Hof met een verklaring uit
Vianen van
november 1684.
Johannes Luilophs woonde op
Domskerckhof met een verklaring uit
Franeker van
15 mei 1653. Getuige:
Jos. Walckens.
Geertje Gerrits van Nes, weduwe, woonde op
Domskerckhof met een verklaring uit
Vianen van
11 september 1653. Getuige:
Abbema.
Christianus ten Ham, student, woonde in de
Donckerstraat met een verklaring uit
Harderwijk van
26 juni 1653. Getuige:
Otto van Hetteren.
Walterus van Halewyn en zijn zus
Maria van Halewyn woonden op
Munsterkerckhof met een verklaring uit
Alphen van
3 augustus 1653. Getuigen:
Joach. Horstius,
Petrus Neckius.
Petrus Neckius, student, woonde op
Steenweg met een verklaring uit
Cortehoef van
18 september 1653.
Arn. Neckius en
Cornelius Cornelis, studenten, woonden bij
Nicolis van de Weteringen op de
Nieuwe Gracht bij
Muntstraat met een verklaring uit
Hees in het land van Nieuwegen van
24 september 1653. Getuige:
Johannes Cornelis.
AEgidius de Raedt, student, woonde op de
Nieuwe Gracht bij
Zuijlestraat in het huis van
Joffr. van Wyngaerden met een verklaring uit
Amsterdam van
28 augustus 1653. Getuige:
Abrahamus Roesel.
Franciscus Blanckius woonde bij
Willem Thomassen Pey, een Engelsman, op
Buurkerckhof met een verklaring uit
Meurs van
7 mei 1653. Getuige:
Het G. Grevenbroeck.
Henricus Frederici woonde bij de
Reguliersbrug oostzijde met een verklaring uit
Zutphen van
24 maart 1653. Getuige:
Gellius de Bouma.
Johannes Hasius, student, woonde aan de
Oude Gracht bij de
Smeekwestraat met een verklaring uit
Amsterdam van
18 juli 1653. Getuige:
Samuel Althusius.
Jannetje Josias woonde in de
Haverstraat met een verklaring uit
Wendenberg van
17 augustus 1653. Getuige:
Petrus Pollion.
Anthonis Jansen en zijn vrouw
Trijntjen Hendrix woonden in
Brandsteeg met een verklaring uit
Amersfoort van
19 juli 1653. Getuige:
Jacobus Bergman.
Op
27 september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door
Joh. Brejez:
Op
september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door
Jos. Flaman:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11298522 / 47
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974519 / 27
Op
15 november werd door de gerechtsbode
Pieter de Hollander een bedrag van 100 gulden ontvangen als schuld van
Sijtje Criks, weduwe en erfgenaam van
Abraham Grosett. Deze schuld betrof een lening van 250 gulden, verzekerd door een huis en erf in de
Gierstraat in
Amsterdam, met een rente van 4% over de periode van
14 juni tot
30 november 1726 (5,5 maanden), wat neerkwam op 1 gulden en 15 stuivers.
Een rente van 20 jaar op een kapitaal van 90 gulden per jaar, waar nog 5 jaar rente op ontvangen kon worden, werd verkocht voor 405 gulden. Na aftrek van makelaarskosten en transportkosten bleef 402 gulden en 3 stuivers over.
De contante gelden uit de boedel bedroegen 94 gulden en 5 stuivers.
De volgende goederen werden overgedragen:
- Twee gouden ringen met diamanten, twee zilveren zoutvaten en een zilveren speldendoosje aan Jacob Peck.
- Twee gouden voorwerpen met diamanten aan Jacoba Ampe.
- Een gouden ketting aan Alida van Grevenbroeck.
- Diverse zilveren voorwerpen, een kerkboek met zilveren sloten, een zilveren haarnaaldje, een zilveren pen en drie zilveren lepels aan Alida van Grevenbroeck.
Alida van Grevenbroeck ontving ook kleding, meubels, huishoudelijke spullen, porselein en wijn.
Jacob van Grevenbroeck ontving als enige erfgenaam de overige goederen, waaronder meubels en huishoudelijke spullen die oorspronkelijk aan
Jacob Peck waren beloofd.
De totale opbrengst van de boedel bedroeg 1575 gulden en 3 stuivers.
De uitgaven bestonden uit:
- 275 gulden en 19 stuivers voor de begrafenis van de overledene.
- 57 gulden en 18 stuivers voor schulden van het sterfhuis, zoals aan een arts en apotheker.
- 5 gulden en 4 stuivers voor kleine uitgaven.
- 38 gulden en 16 stuivers voor het recht van collaterale successie.
- 23 gulden en 16 stuivers aan notaris Aalst de Bruijn voor het opmaken en afsluiten van de inventaris.
- 401 gulden, 13 stuivers en 14 penningen aan notaris Aalst de Bruijn voor het opstellen van de rekening en verantwoording van de boedel.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 576
In
1723 werd de gemeente
Den Dungen zwaar getroffen door een hagelbui. Hierdoor gingen gewassen zoals
boekweit,
haver en
gerst grotendeels verloren. Dit overkwam niet alleen de getuigen, maar bijna de hele gemeente.
In
mei 1724 verwoestte strenge vorst de
rogge in de velden. De bewoners moesten deze afmaaiien, omdat er bijna niets van over was. Vervolgens zaaiden ze opnieuw
boekweit, maar ook deze oogst ging verloren door vorst in de herfst.
Daarnaast was er in
1724 nog een hagelbui. Door de combinatie van vorst, hagel, droogte en harde winden gingen ook andere gewassen zoals
lathoorn,
gerst,
havermout,
raapsaad,
vlas,
bonen en
etenswaren volledig verloren. Het gras op de weides was verdord, waardoor er geen voer voor het vee was.
Bovendien was er grote schade aan bomen: de toppen en nieuwe scheuten waren zwart en afgestorven.
Deze verklaring werd op
3 juni 1725 opgesteld in
Den Dungen in aanwezigheid van
Arien Hendrick Kamers en
Aen Marte als geloofwaardige getuigen. Onder de ondertekenaars waren onder anderen
Franck Claes Peters,
Jansz Wagemakers,
Adriaen Anthonis van Jersel,
Adriaen Wijnant van der Seldit,
Niclaes Han Wijnants,
Hessel Wijnants van Abeele,
Pieter Cornelis Vermeer,
Jan Barth. Rademakers,
Adriaen Pingen,
Cornelis Roesses,
Lant Bert van Jersel,
Jan Antoni Peter Krancken,
Jans de Groot Heyleger van Grevenbroeck,
Adriaen Jansen Sloth,
Adriaen Jan Kruijssen,
Willem Peter Bertens,
Gerel Peteren van Boorhouden,
Jan vande Sterre,
Huijbert van Eerssel,
Jan Coolen,
Jan Peeter Verhoeven,
Joost Hendrick de Kels,
Peter Adriaen Vermeer,
Jan Daniels van Sou,
Pieter Aerts Verhoeve,
Goet Wijnant van Jensel,
Maria Jansz van Cleeff,
Ijanse van der Sel,
Adriaen Hendrick Hamers en
Adriaen Marten Prienen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 131
Op 26 juli 1694 werd een akkoord gesloten tussen twee partijen. De tweede partij moest direct na ondertekening 16 gulden, een zilveren kruisje en een schort (dat toebehoorde aan Geertruijdt Egmonts) betalen aan de eerste partij. Hiermee gaf de tweede partij afstand van alle rechten op de goederen van Geertruijdt Egmonts en hoefde geen inventaris meer op te stellen. Beide partijen verklaarden tevreden te zijn en beloofden het akkoord na te leven, onder verantwoordelijkheid van hun bezittingen.
Op 22 augustus 1644 getuigden verschillende inwoners van Eenhout, waaronder Dirck Janssen vanden Broeck, Wouter Jansen van Laarhoven, Lauris vrien Witlocx, Hendrick Huijberts van Laarhoven, Hendrick Janssen Vermeer, Anthonij Janssen van den Boer, Embert Dirck Appels, Aert Janssen van Grevenbroeck, Cornelis Hendrick vande Cas en Guilliam Bles, op verzoek van Cornelis Jacob Witlocx (gevangen in Rotterdam). Zij bevestigden onder ede dat Cornelis Jacob Witlocx en de dochter van Bastiaan Witlocx samen waren, zonder dat Cornelis Jacob Witlocx hiervoor was gestraft. Verder verklaren ze dat Cornelis Jacob Witlocx een eerlijk persoon was. Cornelis Hendricx van Plas voegde toe dat de vrouw van Willem Bastiaan Witlocx recentelijk had gezegd: "Kom vrij, ons lijk moet ons lijk hebben" of iets dergelijks.
Op 22 augustus 1644 sloten Hendrick van Osch (weduwnaar van Jenneken Pieters vanden Heuvel) en Jan Goossen Peinenburch (man en voogd van Adriaantje Cornelis van Beneden, weduwe van Janssen van Heuvel) een akkoord over de roerende goederen van Jenneken Pieters vanden Heuvel. Hendrick van Osch kreeg alle goederen in bezit en hoefde geen inventaris op te stellen. Jan Goossen Peinenburch deed afstand van alle rechten op deze goederen. Wel moest Hendrick van Osch in plaats van de beloofde 50 gulden uit de huwelijkse voorwaarden, 25 gulden betalen voor het nieuwe jaar. Beide partijen waren tevreden en beloofden het akkoord na te leven.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1659509 / 120
Op
26 november 1685 legden de schepenen van
Tilburg en
Goirle een kostenvergoeding op aan
Willem van Vorster, kosterschoolmeester in
Goirle, ten nadele van een onbekende persoon. Deze persoon tekende op
8 december 1685 beroep aan bij de schepenen van
's-Hertogenbosch, omdat de kosten zonder voorafgaande afspraak of vermindering waren opgelegd. De sommatie werd op
29 november uitgevoerd door
Rut van Delft bij de vrouw van de appellerende partij.
Op
24 december 1685 verklaren 25 inwoners van
Tilburg, waaronder
Adriaen Maes,
Henricus Hubertus de Roij en
Willem van Hees, dat
Victor van Beughem, advocaat in
's-Hertogenbosch, probeert een nieuw recht op gruit (een soort belasting) in te voeren in
Tilburg. Dit recht is volgens hen nog nooit eerder opgeëist. Om dit tegen te gaan, benoemen ze
Adriaen Bemage, drossaard, en
Adriaen Maes, oud-schepen, als hun vertegenwoordigers. Deze mogen alle juridische stappen ondernemen, inclusief raadplegen van juristen, proces voeren en vonnissen aanvechten, om de introductie van dit recht te stoppen. Ze beloven elkaars kosten en schade te vergoeden als iemand door dit gruitrecht wordt aangesproken.
Beide akten zijn opgesteld in
Tilburg in aanwezigheid van getuigen en ondertekend door de betrokkenen en notaris
Arnold van Loon.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069107 / 53
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 392
Op
14 april 1658 bevestigde
Abrakam aan de
Hoogmogende Heren dat in
Bilbao de verkoop van goederen goed georganiseerd was en dat de regels van de resolutie van
9 januari van dat jaar strikt werden nageleefd.
Op
6 juni 1673 schreven de
Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in
Rotterdam aan de
Hoogmogende Heren over de levering van graan en levensmiddelen voor de inwoners van
Waelwijck. Op
5 mei 1673 was besloten dat
Adriaen Wouters Couwenburgh, de weduwe van
Jacob Molegraeff, en
Adriaen van Grevenbroeck Backer graan mochten importeren voor de inwoners. Op
30 mei 1673 kregen ook
Bastiaen Sijmonssen de Gester, een schipper uit
Waelwijck, toestemming om elke drie weken een halve last tarwe, een last bagge, een halve last gerst, een kwart last haver, een zak hout en andere levensmiddelen te halen. Ze vroegen of de hoeveelheid en soort levensmiddelen die nodig waren voor
Waelwijck duidelijker moesten worden gespecificeerd en of er bewijs moest worden geleverd dat eerdere leveringen waren verdeeld en geconsumeerd, om misbruik te voorkomen.
Op
13 juni 1673 schreef
Michiel de Ruyter vanaf het schip
De Zeven Provinciën bij
Schooneveld aan de
Hoogmogende Heren over een zeeslag. Op
12 juni 1673 rond
10 uur waren ze de vijand tegengekomen. De vijand leek eerst te willen wachten, maar trok zich terug toen
De Ruyter naderde. Rond
17 uur kwam het tot een gevecht dat duurde tot na zonsondergang. De volgende ochtend zagen ze dat de vijandelijke vloot beschadigd was.
De Ruyter wilde de
Grijchsraad bijeenroepen voor meer informatie. Hij vroeg om extra buskruit, scherp, touw, kardoespapier, naalden en garen, omdat veel schepen beschadigd waren. Ook vroeg hij om kippenlood, omdat hij dacht dat de vijand zich naar de
Theems in
Londen had teruggetrokken. Hij stelde voor om bij
Schooneveld voor anker te gaan tot er nieuwe orders kwamen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11145 / 1021
Op verzoek van
Vrouwe van Asherihan, gesteund door
Heer Ripperda, stemden
Hun Hoog Mogenden ermee in dat zij zonder belasting vier paarden naar
Brussel mocht vervoeren. Deze paarden zou ze ontvangen volgens de regels van het land op de kantoorposten van
Gorcum of
Bommel.
Er werd een verzoek gelezen van
Heer van Batenburch namens
Dirck Lessel. Deze had een conflict met de heren
Arnhem en
Schonenborch, de gecommitteerden van
Hun Hoog Mogenden in
Maastricht.
Lessel vroeg om soldaten om zijn onderdanen in
Steijn te dwingen gehoor te geven. Hij wilde eerst een reactie van
Hun Hoog Mogenden aan
Arnhem en
Schonenborch voordat zij actie ondernamen. Na overleg kregen
Lessel en zijn raad de kans om zich te verdedigen, en werd zijn verzoek ingewilligd.
Op verzoek van
Dideric van Grevenbroeck mocht deze na overleg een peer inkoop en uitvoeren naar
Mierlo in de meierij van
’s-Hertogenbosch, mits betaling van de belasting.
Het verzoek van
Arien en
Cornelis Lampsius voor betaling van 4825 gulden of een schuldbekentenis werd aangehouden tot de provincies zouden hebben gereageerd.
Jacob de Maeckere, dijkgraaf en penningmeester van de
Baemstpolder bij
Cadsant in
Vlaanderen (onder
Nieuwvliet), en mede-eigenaar van de
Versche Polder, diende een verzoek in. Hij klaagde over
Johan van der Lingen, ontvanger, die een octrooi had verkregen voor de
Baemstpolder en
Vier Gemeten in de
Versche Polder.
Van der Lingen had deze gronden als zijn eigen bezit behandeld, hoewel
De Maeckere en zijn voorgangers al lang eigenaar waren. Er was een rechtszaak gaande, en
Van der Lingen was al veroordeeld door de schepenen van
Vrije en de Raad van
Vlaanderen in
Middelburg. Omdat
Van der Lingen in beroep was gegaan, was de zaak nog niet afgerond.
De Maeckere vreesde een langdurig proces en dat
Van der Lingen intussen de oogst zou stelen. Hij vroeg om een bevel om
Van der Lingen te dwingen zijn beroep binnen 40 dagen in te dienen en de oogst in beslag te nemen tot een beslissing. Na overleg werd besloten dat
Van der Lingen 40 dagen de tijd kreeg om te reageren.
Volgens een eerdere beslissing van
Hun Hoog Mogenden van
6 november 1638 werd het verzoek van
Louis de Geer, koopman in
Amsterdam, voor betaling van 9180 gulden voor ijzeren kanonnen op twee nieuwe roeifregatten goedgekeurd. Het bedrag zou worden betaald uit de tekorten van de provincie
Utrecht en
Stad en Lande in de rekening van
1637 en
1638 voor zeezaken. Wel moesten
Utrecht en
Stad en Lande eerst afrekenen met de
Admiraliteit in Zeeland over de kosten van uitrusting in
1637 en
1638. Binnen twee maanden moesten zij dit regelen.
Het verzoek van
Steenbergen werd aangehouden.
Er werd een brief ontvangen van
Heer van Oosterwijck uit
Parijs van
4 december, maar hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 72 / 0237
De overheid regelde dat de bagage, paarden en voertuigen van
Zijne Majesteit en zijn gevolg, samen met voorraden en andere benodigdheden, vrij van belasting door de Nederlandse landen mochten reizen naar
Engeland. Ook het
Collegie ter Admiraliteit op de Maas kreeg de opdracht om ervoor te zorgen dat deze goederen zonder kosten ingescheept konden worden.
Er werden twee brieven ontvangen van
Consul Hudson, gedateerd
38 augustus en
10 september 1735, uit
Tunis. Hierin stond dat Franse fregatten en galeien schepen van andere naties aanhielden en eisten dat alle personen en goederen die bij
Tunis hoorden, werden vrijgelaten. De
Deij (heerser) van
Tunis had de consuls van andere landen hierover geïnformeerd en was verbaasd over deze acties. Hij beval om hierover bericht te sturen naar hun leiders. Ook werd melding gemaakt van de activiteiten van
Kapitein van Reede, die in
Tunis was geweest en weer vertrokken. De
Gedeputeerden van Holland en West-Friesland namen kopieën van deze brieven om ze verder te verspreiden.
Antonij van Grevenbroeck, drost van de helft van de heerlijkheid
Oirschot, diende een verzoek in. Hij vertelde dat
Antonij Andries Schepens op
10 februari 1735 Jan de Marck, de vorige drost van
Oirschot, had vermoord.
Schepens was hiervoor bij verstek veroordeeld, maar later gearresteerd. Hij was ’s nachts gewelddadig uit zijn cel bevrijd.
Van Grevenbroeck vroeg om de zaak over te dragen aan de rechtbank van de
Raad en Leenhof van Brabant en alle stukken aan de
fiscaal en procureur-generaal van Brabant te geven. De zaak werd doorgestuurd naar de
Gemeenteraad van Brabant voor verdere afhandeling.
Louis Joseph Le Sage, een 22-jarige koopmanszoon uit
Rijsel, vroeg toestemming om te trouwen met
Marie Françoise Le Brun, een 26-jarige vrouw uit
Rijsel. Zijn ouders weigerden toestemming, dus wilde hij met haar naar
Holland gaan om daar te trouwen. Hij had zich aangesloten bij het regiment van
Kolonel Soute, onder bevel van
Majoor van Puthamer, om bescherming te krijgen. Zijn verzoek werd afgewezen.
Andries Gesteling, voormalig schepen van
Philippine, diende een verzoek in in verband met het overlijden van
Abraham de Kraeker, die tijdens zijn leven schepen was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2442 / 0076
Op
9 maart 1700 in
s'Hertogenbosch werd
Hageman getekend als ondertekening dat een attest voor
Dijckschi despolders, gelegen onder
den Groenendijck, was goedgekeurd. Daarnaast waren er resoluties van de Gecommitteerden van
den Groenendijck van
3 mei 1663,
26 augustus 1694,
28 december 1697 en
25 juni 1699 toegevoegd, alle betrekking hebbend op
den Groenendijck.
Op
21 april 1700 ontving
Ontfanger Lintworm een brief van
Weduwe Werckhoven uit
s' Gravenhage, gedateerd
12 april 1700. Hierin maakte zij bekend dat haar zoon
Willem Werckhoven zijn studies had stopgezet. Hij had een beurs van 100 gulden per jaar ontvangen volgens een resolutie van
22 december 1687.
Ontfanger Lintworm meldde dat deze beurs nu vacant was en ter beschikking stond van de autoriteiten.
Op
28 april 1700 meldde
Ontfanger Lintworm dat de beurs van
Gerardie Loenius, ook van 100 gulden per jaar, vacant was gekomen. Hij bracht dit onder de aandacht van de autoriteiten.
Op
23 april 1700 berichtte
Ontfanger Lintworm over een verzoek van
Weduwe Henrick van Winteroij. Volgens een resolutie van
29 april 1700 betrof dit een beneficie dat op
25 november 1681 door
vrouwe Barbera van Scherpenseel, weduwe van
Erasmus van Grevenbroeck, heer van
Mierlo, was toegekend aan haar oudste zoon
Henrick van Winteroij. Deze toekenning was bevestigd op
8 mei 1682.
Henrick van Winteroij had het beneficie genoten tot en met 1696.
De betalingen voor de jaren 1686, 1687 en 1688 waren echter geweigerd door de heeren van de Generale Rekenkamer. Zij beriepen zich op een resolutie van
13 december 1685 en een andere van
13 november 1694, die stelden dat de inkomsten van beneficies geaffecteerd bleven voor de Gereformeerde godsdienst zolang niet bewezen was dat de stichting leek (niet-geestelijk) was.
Henrick van Winteroij had zich hiertegen verzet bij de Raad van State.
De Raad van State had op
29 augustus 1696 geoordeeld dat de collatie (toekenning) geldig was, omdat alle titels en rechten in 1649 waren overgedragen aan de autoriteiten. De betalingen waren goedgekeurd volgens een resolutie van
19 september 1693, die stelde dat een studebeurs behouden bleef tot de leeftijd van 25 jaar, tenzij de begunstigde eerder een baan kreeg.
Op
6 september 1697 had de Raad van State besloten dat
Henrick van Winteroij een verklaring moest overleggen, onder ede, dat de originele stichtingsbrieven verloren waren gegaan en dat hij geen authentieke kopie had. Deze verklaring was ondertekend en verzegeld door de collatrice (toekennende instantie) en ingediend op
4 december 1697.
Ontfanger Lintworm had hierover bericht op
23 december 1697.
De collatrice had later bevestigd dat de stichtingsbrieven verloren waren gegaan tijdens de vlucht naar
Brussel in een eerdere oorlog. Zij had ook verklaard dat het recht op het beneficie was overgedragen van haar overleden man op haar en haar kinderen. De stichtingsbrieven zouden in het begin van de Reformatie zijn overhandigd aan de autoriteiten, en de opeenvolgende toekenningen waren bevestigd.
Op
28 april 1699 had de Raad van State besloten dat
Henrick van Winteroij het beneficie mocht behouden tot en met 1696. Omdat
Willem van Anteroij in militaire dienst was getreden, had de collatrice het beneficie opnieuw toegekend aan haar kleinzoon
Johan van Winteroij voor een periode van 8 jaar, volgens een acte van
12 januari 1700. Zij zocht hiervoor goedkeuring van de autoriteiten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11221 / 0412
In het testament van de overledene, bevestigd bij haar dood, werden de volgende erfgenamen benoemd:
In het testament stond een voorbehoud: de overledene voegde later handgeschreven extra legaten toe, die onder de schulden van de boedel vielen.
In de boedel werden de volgende bezittingen gevonden:
- Een handgeschreven obligatie van 21 december 1708 met een kapitaal van 5460 gulden, afkomstig van Daniel de Vos, tegen 3,5% rente per jaar. Het kapitaal werd later verhoogd:
- op 31 mei 1709 met 300 gulden,
- op 31 mei 1710 met 300 gulden,
- op 31 december 1711 met 600 gulden,
- op 31 december 1714 met 450 gulden,
- op 31 december 1717 met 1550 gulden,
- op 31 december 1718 met 1200 gulden,
- op 15 juni 1725 met 2200 gulden.
Het totale kapitaal bedroeg uiteindelijk 12000 gulden. De aflossing hoefde pas twee jaar van tevoren te gebeuren. Daarnaast was er een jaar rente van 420 gulden verschuldigd op 31 december 1725.
- Een handgeschreven obligatie van Daniel Nietringh van 12 december 172_ met een kapitaal van 4000 gulden tegen 3,5% rente. Op 23 december 1723 werd dit verhoogd met 900 gulden door Aaltje van Grevenbroek, weduwe en erfgenaam van Daniel Nietringh. Het totale kapitaal bedroeg 4900 gulden. Er was geen bewijs van betaalde rente.
- Een handgeschreven obligatie van 200 gulden van Matthijs Haamer, timmerman, tegen 4% rente per jaar, gedateerd 6 maart 1724. De rente was betaald tot maart 1726.
- Een aandeel ter waarde van 175 gulden in een kussenraam, bewerkt door Assuerus Benus Coster van de bakkerskerk. Hiervoor werd jaarlijks 75 gulden betaald.
- Een handgeschreven obligatie van 100 gulden van Dina de Roij en Catarina Bogaard, gedateerd 14 juni 1726, tegen 4% rente.
- Een schepenenschuldbrief van 1 december 1717 met een kapitaal van 250 gulden van Sijtje Ericks, weduwe en erfgenaam van Abraham Noset, tegen 4% rente. De schuld was gedekt door haar huis met erf in de Gierstraat. De rente was betaald tot mei 1725.
- Een 20-jarige rente van 90 gulden per jaar van het Gemeeneland van Holland en West-Friesland, op naam van Geertruijd van Grevenbroek, gedateerd 6 maart 1711 en geregistreerd op 20 mei 1711. Hiervan waren al 15 jaar betaald.
- Contant geld: 94 gulden en 5 stuivers in verschillende munten.
- Juwelen en zilverwerk: twee gouden ringen met diamanten en twee zilveren zoutvaten.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 445
De partijen komen een afspraak over:
- Als Magdaleen binnen 6 jaar overlijdt, stopt de huur of het gebruik van de vastgoederen in mei van het volgende jaar.
- De andere partijen betalen jaarlijks 100 gulden aan hun moeder voor het gebruik van de vastgoederen gedurende die 6 jaar.
- Zij betalen ook alle schulden van Magdaleen aan de burgemeesters van Verloon en andere particulieren.
- Zij betalen ook alle belastingen en lasten van de vastgoederen gedurende de huurperiode.
De partijen beloven deze afspraken na te komen zonder ertegen in te gaan.
De akte is opgesteld op
13 mei 1712 in
Verloon in aanwezigheid van getuigen en de notaris
Botermans.
Huijbert,
Bernart en
Paulus (zoons van
Johan vanden Sande) maken een testament.
- Zij willen hun zielen in Gods genade achterlaten en hun lichamen christelijk begraven.
- De eerststervende laat al zijn bezittingen na aan de langstlevende.
- De langstlevende wordt volledig eigenaar van deze bezittingen.
- Als de langstlevende ook overlijdt, gaan de bezittingen naar de laatste overlevende.
De akte is opgesteld op
1712 door notaris
Cloostermans.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 196
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 124
10 juni 1577
12 juni 1577
- Kapitein Elias de Lion krijgt ontslag als kapitein van de haakbusiers te paard onder de hertog van Arschot. De heren de Bruys en Bestren worden aangewezen om de afrekening met hem te doen en de voorwaarden te bespreken.
- Er wordt besloten dat één compagnie van de Beersels in Maastricht mag blijven, maar zonder de rang van kolonel.
- De markies van Havré, generaal van de cavalerie, neemt ontslag en draagt zijn taak over aan de Staten-Generaal. De Staten-Generaal bedanken hem voor zijn trouwe dienst aan de koning en het vaderland.
11 juni 1577
De Staten-Generaal worden ontboden om
Zijne Alteze te horen, die naar
Mechelen vertrekt om te onderhandelen met de kolonels van de Hoogduitse troepen. Hij stelt vier punten voor:
- Hij vertrekt op verzoek van de Staten-Generaal om in Mechelen te onderhandelen met de kolonels en hoopt snel resultaat te boeken.
- De Staten-Generaal moeten intussen geld zoeken om de Hoogduitse troepen af te kopen.
- Het is nodig om de rest van de ruiters (gendarmerie) te ontbinden, omdat er dagelijks klachten zijn over hun wanordelijk gedrag en de schade die ze aanrichten bij de burgerbevolking.
- Hij beveelt aan om Amsterdam te steunen, omdat de stad lijdt door haar standvastigheid in het katholieke geloof en gehoorzaamheid aan de koning.
De Staten-Generaal antwoorden via de griffier:
- Ze bedanken Zijne Alteze voor zijn inzet voor het vaderland.
- Ze zullen zich blijven gedragen als goede en trouwe onderdanen van de koning, vooral wat betreft gehoorzaamheid aan de koning en het katholieke geloof.
- Zodra er bericht is over Amsterdam, zullen ze doen wat goede en trouwe onderdanen betaamt.
- Ze hebben besloten om alle ruiters te ontbinden, behalve de twee regimenten van de hertog van Arschot en de heer de Champagnie, totdat de Duitsers de Nederlanden hebben verlaten.
- Ze zullen niets belangrijks doen zonder eerst Zijne Alteze te raadplegen, om goede afstemming te behouden.
- Ze vragen Zijne Alteze om na de onderhandelingen met de Hoogduitse kolonels terug te keren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3097 / 0051
Op
14 juni 1690 stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Dirck Grevenbroeck, weduwe van
Jan Dircksz Driessen uit
Nijmegen, naar het
Collegie ter Admiraliteit op de Maas. Ze vroegen om hierop te beslissen.
Op dezelfde dag stuurden de
Staten ook een kopie van een brief van de
drost en
Gedeputeerde Staten van het Landschap Drenthe over
Lt. Kimmel naar de
resident Hulst.
Daarnaast ontvingen de
Staten een kopie van een brief van
Simon Gausen, koopman en burger van
Rotterdam, met de opdracht om ervoor te zorgen dat de eiser in de zaak uit het eerder genoemde verzoek, voor zover deze gegrund was, zonder klacht zou worden gesteld.
Op
15 juni 1690 stuurden de
Staten een kopie van een verzoek betreffende het schip
Het Schaep naar het
Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam.
De
Staten lieten weten dat ze een jacht klaar maakten voor
heere Schoonenberg.
Ook stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Fisca Dias da Fonseca, weduwe van
Neijlen Hamuel Dias da Fonseca, en
Davis Franco Vraho, moeder en zwager van
Abraham Dias da Fonseca, geboren in
Amsterdam. Ze wilden dat
Abraham Dias da Fonseca vrijgelaten zou worden.
De
Staten lieten weten wat ze hadden besloten over de publicaties van de keizerlijke en rijksadvocaten in
Hamburg en de reactie van
Abt Ridal, resident namens de koning van
Frankrijk.
Daarnaast stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Nicolaes Arnolt de Malte en vroegen om advies.
De
Staten lieten ook weten wat ze hadden besloten over het intrekken van het mandaat van
Johan de Lange en
Johan de Raken.
De
admodiateur Nieupoort liet de
Staten weten dat op
29 mei 1690 (oude stijl) bedienden van de admodiatie een schuit met Franse wijnen, in strijd met de plakkaten, in beslag hadden genomen. De bedienden wilden deze zaak voor de
Admiraliteit in Friesland brengen, maar werden tegengehouden door de
Gedeputeerde Staten van Groningen. Deze hadden aan de huurster van het stads wijnhuis in
Groningen toestemming gegeven om 18 vaten wijn onder voorwaarden mee te nemen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11978 / 0188
De oorspronkelijke opstellers van de fondsen zijn bekend.
- Johan Abberste ontvangt het inkomen van Adriaen van Maenden in de vorm van 10 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- Arnoldus Moonen ontvangt het inkomen van Anna Potteij in de vorm van 27 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Bartholomeus Grauwels ontvangt het inkomen van Barbara van Grevenbroeck in de vorm van 20 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Bartholomeus Granneis ontvangt het inkomen van Jor. Becx uit Helmont in de vorm van 16 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Jan Sone Gerwijn Govers ontving het inkomen van Catharina Heeren in de vorm van 20 gulden, volgens een besluit van 22 mei en 8 augustus 1662.
- Het inkomen van Willem van Boucksolt in de vorm van 175 gulden is vergeven, maar het is onduidelijk aan wie.
- David Baij ontvangt 40 gulden, volgens een besluit van 8 juli 1682.
- Bartholomeus Granwals ontvangt 50 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Jacobus Cotterus ontvangt 120 gulden, volgens een besluit van 2 februari 1661.
- Cornelis vanden Dijck staat voor 980 gulden onder Adriaen en Cornelis vanden Dijck.
- Dirck de Ruijter ontvangt het inkomen van Cornelis van Poppels in de vorm van 42 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 22 mei.
- Het inkomen van Cornelis Aerts van Eersel bedroeg oorspronkelijk 174 gulden, maar is door slecht beheer van Pieter de Louw aanzienlijk verminderd.
- N. Ringelants ontvangt hieruit 30 gulden, volgens een besluit van de autoriteiten van onbekende datum.
- Gerrit Harweijer ontving eerder een bedrag, nu ontvangt N. Ringslants 65 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- De zoon van Jacob Beecke ontvangt het inkomen van Dirck Peelmans in de vorm van 13 gulden.
- Jan Franscsen van Boxtel ontvangt het inkomen van Erbert vanden Bichlaer in de vorm van 36 gulden, volgens een akte van 1 oktober.
- Robbert Gordon ontvangt 36 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- De zoon van Musiel Filliher ontvangt het inkomen van Ellebena Strick in de vorm van 50 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- Gerardies Egborti ontvangt het inkomen van Frans vander Weijden in de vorm van 30 gulden, volgens een besluit van 25 januari.
- Hendrick Greve ontvangt het inkomen van Frans Beijsaurts in de vorm van 62 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 31 december 1669.
- Peter van Davervelt ontvangt het inkomen van Jansciscus Sominus in de vorm van 33 gulden, maar de huidige status is onbekend.
- De Gemertse Boursen bedragen 580 gulden, maar er mag geen verdere betaling worden geëist.
- De stichting van Gerardus Westechoven is tot nu toe niet bekend.
- Gerardus Janssemies ontving een bedrag.
- Het inkomen van Gerardus Naets bedroeg oorspronkelijk 28 gulden en 10 stuivers, maar nu wordt er nog maar 19 gulden en 1 stuiver ontvangen.
- Dirck de Ruijter ontvangt hieruit 1 gulden, volgens een besluit van 22 mei.
- Gerardus Egberti ontvangt 1 gulden, volgens een besluit van 25 januari.
- Nicolaes Lamberts ontvangt 17 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 19 augustus 1656.
- Het inkomen van Gerrit Creijt uit Sodrancht bedroeg 15 gulden, maar is bestemd als subsidie voor het seminarie om een groter bedrag te kunnen betalen.
- Goijaert van Engelandt is in het gasthuis van 's-Hertogenbosch.
- Het inkomen van Gijlbertus Coevarincx in de vorm van 70 gulden wordt door vrienden ontvangen.
- Arnoldus Moonen ontvangt 45 gulden uit het inkomen van Godefridus de Cobbeijck in de vorm van 50 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Het inkomen van Gerrit Thiel Alens in de vorm van 38 gulden en 10 stuivers wordt als leeg beschouwd.
- Robbert Gordon ontvangt 30 gulden uit het inkomen van Hendrick van Broeckhoven in de vorm van 60 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Jan Sone Gerwijn Govers is opnieuw vergeven, maar het is onduidelijk aan wie, in de vorm van 30 gulden.
- Bartholomeus Grauwels ontvangt het inkomen van Hendrick Verbeeck in de vorm van 22 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Andreas Immens ontvangt het inkomen van Hendrick Verbeeck in de vorm van 43 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 4 augustus 1664.
- Gerardies Egberti ontvangt 1 gulden, volgens een besluit van Amiel van Winteroij.
- Gerardies Egberti ontvangt 43 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van onbekende datum.
- Gerardies Egberti ontvangt 679 gulden en 15 stuivers uit het inkomen van Hendrick vander Waijden in de vorm van 61 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van onbekende datum.
- Het inkomen van Hendrick Buck in de vorm van 450 gulden is door Pieter de Louw, als rentmeester van deze stichting, aanzienlijk verminderd tot 9881 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11147 / 0986
Op
10 mei 1687 schrijft men vanuit
Malacca over de situatie op het kruisende vaarwater. Men vraagt om een
Chiampan (een klein schip) van 150 tot 200 lasten, omdat de kosten voor de huidige missie al ƒ 3216, 2 en 5 bedragen. Men overweegt een nieuwe missie als de Deense kleding in
Riouw aankomt. Chinese zijde en kleding worden daar goed verkocht tegen 13 tot 14 per picul.
Anthonij Matthijsz. Mars, de commandant, moet het kruisende vaarwater goed in de gaten houden. Hij krijgt een adjunct om alles bij te houden. Twee onbekwame stuurlieden,
Jan Vermeij en
Willem Iansz. van Rotterdam, zijn al geschorst of opgestuurd.
Men vraagt opnieuw om een
Chiampan van 20 tot 24 lasten voor de rivier en om de wacht te versterken. Voor de werkzaamheden van de
VOC zijn ongeveer 90 tot 55 slaven ingehuurd tegen een dagloon van 8 stuivers. Voor de verdediging zijn 50 blanke soldaten,
Nicolaes Christiaensz. en
Frederick van Grevenbroeck nuttig gebleken. Het garnizoen is nu 228 man sterk, maar men vraagt om meer soldaten en matrozen. Een chaloep moet onbemand blijven.
De handel in
Siac (Siak) is nog niet winstgevend. Ondanks waarschuwingen aan
VOC-medewerkers, blijkt uit de boeken van de fiscale
Naerssen dat anderen ook meedoen aan de handel. De winst op de laatste Siac-boeken bedraagt ƒ 4735, 4, maar door slijtage van schepen en onbetaalde lonen valt dit tegen.
Men probeert goede relaties te onderhouden met de onderdanen van
Johor, met name
Dato Paduka Radja, door wat rechten van de
VOC op te geven om klachten te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1438 / 0361
De testateur (de persoon die het testament opstelt) bepaalt wat er met zijn bezittingen moet gebeuren als hij zonder kinderen komt te overlijden of als zijn minderjarige zoontje (van zijn moeders kant) ongetrouwd sterft. In dat geval wil hij dat zijn bezittingen als volgt worden verdeeld:
Als de testateur kinderen nalaat of als zijn zoontje ongetrouwd en minderjarig sterft, benoemt hij de volgende personen als zijn erfgenamen. Zij erven in gelijke delen alle bezittingen (zowel roerend als onroerend, nu en in de toekomst), behalve de bezittingen die hij al aan anderen heeft nagelaten:
De testateur behoudt het recht om zijn testament op elk moment te wijzigen, helemaal of gedeeltelijk, en om legaten (geldbedragen) toe te voegen, te vermeerderen of te verminderen. Dit kan hij doen met zijn handtekening of in aanwezigheid van twee getuigen (man of vrouw).
Hij benoemt
Johan Vermeulen, secretaris van de weeskamer van
Amsterdam, en
Johannes le Maire als executeurs (uitvoerders) van zijn testament en als voogden over zijn minderjarige zoontje of andere minderjarige erfgenamen en legatarissen. Als een of beide executeurs of voogden overlijden of niet in staat zijn hun taak uit te voeren, worden
Abraham Hasius en
Johan Dingemans als vervangers benoemd. Zij krijgen dezelfde bevoegdheden.
De testateur sluit de weeskamer van
Amsterdam (of de weeskamer waar zijn sterfhuis valt) uit van de afhandeling van zijn nalatenschap. Hij vraagt om gebruik te mogen maken van de voordelen die daarbij horen.
Het testament is opgesteld in
Haarlem, in het huis van de notaris, in aanwezigheid van
Wouter Bijnens. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is en dat alles volgens zijn wensen moet worden uitgevoerd, ook als niet alle formele vereisten zijn nageleefd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842847 / 239
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975029 / 191
Op 10 april 1702 in Tilburg gaf Arnold van Loon, notaris, een akte op. Hierin stond dat Aert Janssen van Grevenbroeck, voormalig burgemeester van Inden Hout, een bedrag van 150 gulden per jaar afstond aan Wilhelmus Sijnen, een theologiestudent uit Loveren. Dit bedrag moest betaald worden uit de goederen van Aert Janssen van Grevenbroeck in Oisterwijk, op een plek genaamd Den Hout. Als Wilhelmus Sijnen priester werd en niet in staat was om het bedrag zelf te ontvangen, mochten anderen het voor hem innemen. Aert Janssen van Grevenbroeck verbond zich en al zijn goederen hiervoor. Adriaen Huijbert Wigger en Adriaen Aert Hamers, voormalige burgemeesters van Inden Hout en buren van Aert Janssen van Grevenbroeck, bevestigden dat ze hem en zijn goederen kenden en dat zijn jaarlijkse inkomen ongeveer 150 gulden bedroeg. Getuigen waren Peeten van Spaendonck en Cornelis Peters van Eeten, beide inwoners van Tilburg.
Op 5 april 1702 in Tilburg stelde Cornelia Jungeert, weduwe van Cornelis Adriaen Olincx, met hulp van Laurens Denijs Pieters als voogd, Jacob Lips, schoolmeester in Gilze, aan als volmacht. Jacob Lips mocht namens Cornelia Jungeert een stuk land van 5 lopense (ongeveer) in Gilze, in de Baronie van Breda, op een plek genaamd Het Reck, verkopen voor 23 gulden. Het land lag tussen de erven van Oost den Doorenbos, Uit den Claessen, De Wede Peeteren en de kinderen van Jacob Cornelis Baster. Jacob Lips mocht alle benodigde documenten laten opmaken volgens de gewoonten van de secretarie en vestkamer van Breda.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 120
Rijnier Hendrick houwen krijgt verschillende stukken land in bezit:
- Een deel van een akker (ongeveer 3 hond) bij Oosterwijk tot Aldenhout, genaamd "den bent", grenst aan:
Hiervoor moet jaarlijks 5 stuivers aan de heer van Loon betaald worden.
- Een vierde deel van een akker (ongeveer 5-6 hond) bij Tilburg in de oostelijke heikant bij de Houtse Straat, grenst aan:
- Een stuk heide (ongeveer 2 hond) bij Ven Zoon bij de Molenstraat, grenst aan:
- Een stuk heide (ongeveer 1 hond) grenst aan:
- Enkele weiden (ongeveer 3 hond) grenst aan Joost van Versel. Hiervoor moet jaarlijks 5 stuivers Rijns aan de heer van Loon betaald worden.
De deelnemers aan de verdeling beloven:
- Geen schade aan te richten aan elkaars land.
- Als er onverwachte kosten of schade zijn, deze gelijk (in 7 gelijke delen) te dragen of elkaars deel op te kopen.
- Elkaar toegang te verlenen tot elkaars land voor onderhoud, zoals het onderhouden van een paal bij de Houtse Straat op eigen kosten.
- Bij metingen de wallen op de sloephoofden mee te meten.
- De middellijn (dwarskant) gemeenschappelijk te gebruiken.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 200
Op
18 oktober 1553 verschenen voor notaris
Johannes de Roij in
’s-Hertogenbosch verschillende personen, waaronder:
Zij bevestigden een jaarlijkse erfelijke rente van 75 gulden ten laste van de
Staten van Brabant in het kwartier van
Antwerpen, geregistreerd in de boeken van de
Rekenkamer. De rente was al 40 jaar bekend en bevestigd door eed in
Goirle en
Tilburg.
Op
10 november en
10 mei werden verdere bevestigingen gegeven, verzegeld met het zegel van de
Staten van Brabant.
Op
5 mei 1571 werd de rente wettelijk overgedragen aan
Guilliam van Tampen. De betrokkenen verklaren af te zien van alle rechten op de rente en leveren een authentieke kopie van het protocol over.
Op
5 april 1654 in
Tilburg bevestigden
Ambrosius Verbraken en anderen onder getuigenis van
Adriaan de Weer (notaris) en
Peter Colen de overdracht. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris
Johannes de Roij.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069100 / 35
Op 1 december 1741 werd een akte opgesteld voor Peter Zeijlmans (schout), Jacobus Zeijlmans en Michiel Janssen (schepenen). Hierin stond dat Adriaen Schippers een stuk land, bestaande uit een geer (een stuk land) en een derde deel van een geer, gemeenschappelijk met anderen, moest afstaan aan Jan Cornschippers. Dit land lag in Henderick Luijten Ambacht en was belend (grensde) aan de oostkant aan Cornelis Peter Melsen en de heer Advocaat Sprangers, en aan de westkant aan de weduwe Pieter Cuijl en erfgenamen van de Bavelaeren. Het land strekte zich uit van het noorden tot de helft van de Heere Straat en liep door tot aan de oude vaart. Adriaen Schippers moest hiervoor Jan Cornschippers een bedrag van 95 gulden en 10 stuivers betalen.
Daarnaast werd een inventaris opgemaakt van alle goederen, zowel roerend als onroerend, die in gemeenschap werden bezat door Jan Arens Hoevenaer en Janneke Dolck, en later door Jan Arders Hoevenaer (na zijn dood). Dit omvatte:
- een gerecht en een derde deel in een stuk land met huis, erf en gerecht, gemeenschappelijk met Jan Peters, gelegen in Henderick Luijten Ambacht;
- ongeveer 3/4 acre akkerland, gemeenschappelijk met Cornelis Ariens Dolck, gelegen onder Groot Waspik;
- diverse roerende goederen zoals vee (3 koeien, 2 kalveren), koperen voorwerpen (2 ketels, 1 pan, 4 schotels, 2 tafelborden, 24 lepels), houtwerk, meubels (1 kast, 1 kist, 1 tafel, 2 bedden), keukengerei (2 potten, 2 postels, 1 spade, 1 schop), 10 kannen, 2 slopen, 12 tafelborden, 2 lampen, 2 tonnen, 6 stoelen, 2 botten, en andere huishoudelijke spullen;
- graan op zolder: ongeveer 7 vertelen (oude maat) boekweit en 26.000 hooi en toemaat (hooi en stro);
- geld: ongeveer 25 gulden.
De schulden van de boedel waren:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1783024 / 131
De Raad van State besloot om een kopie van een eerdere resolutie te sturen naar Nagel en andere gedeputeerden voor Vlaanderen. Zij moesten samen met enkele door de Raad van State aangewezen leden de situatie onderzoeken en hierover rapport uitbrengen.
Op 3 mei 1753 werd een verzoek ingediend door een grote groep inwoners van Tilburg en Goirle, waaronder Frans van Heijst, Jacobus Willem Ingraavinge van den Heer van Tilborg, Francois Peeters Mutsaars en vele anderen. Zij vroegen om hulp om verdere schade en ongeluk te voorkomen. Ze wilden dat de Drossaard en schepenen van Tilburg en Goirle toestemming kregen om 250 tot 300 lopens (een oude maat) gemeenteland in te graven. Ook vroegen ze om een heer van Tilburg aan te stellen die toezicht zou houden op verdere ingravingen en leningen. Bestaande ingravingen moesten worden gesloopt en voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar gesteld. De Drossaard en schepenen mochten voortaan geen toestemming meer geven voor enige ingravingen, ongeacht het doel.
Op 3 mei 1754 werd een verzoek gelezen van Nicolaas Lousberg, een inwoner en burger van Maastricht. Hij had onlangs via een openbare aanbesteding de opdracht gekregen om een nieuw kruitmagazijn te bouwen, inclusief het aanleggen van een nieuw werk buiten de Sint-Pietersberg aldaar. Op 23 november 1758 had de Admiraliteit toestemming gegeven voor het onderhoud van werken in Maastricht, Venlo en andere landsdelen. Lousberg vroeg om orders en voorzieningen zodat materialen voor landswerken konden worden aangevoerd en gemeentégronden voor particulier gebruik konden worden ingegraven en toegeëigend. Hierop besloot men een kopie van het verzoek te sturen naar de rentmeester de Schmeeling, zodat deze hierover verslag kon uitbrengen aan de hogere overheid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3562 / 0622
Volgende pagina