Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Abraham de Haas en Pieternella van der Stricht, een echtpaar wonend in Gouda, dienden 16 februari 1807 een verzoek in bij de stadsraad. Ze hadden regelmatig ruzie en huiselijke twisten, waardoor ze gedwongen waren om met toestemming van de raad een contract op te stellen voor een scheiding.
Er was een officieel contract opgesteld door notaris Johan David Schiffer met getuigen erbij. De echtelieden vroegen de raad om dit contract goed te keuren.
Ze wilden gescheiden worden van:
Ook vroegen ze om een openbare bekendmaking dat geen van beiden vanaf dat moment nog schulden mocht maken op naam van de ander.
De stadsraad van Gouda bekeek het verzoek en het contract. 5 mei 1807 keurde de raad het verzoek goed en ging akkoord met de scheiding tussen Abraham de Haas en Pieternella van der Stricht van tafel, bed, samenwoning en goederen. Er werd aangekondigd dat geen van beiden meer schulden op naam van de ander mocht maken. Hiervan werd op die dag de gebruikelijke openbare bekendmaking gedaan.
Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 277 / Requestboek / 1804-1807 / Gda / 0143 Jan van Baalen, Lambartus Ruigers, Hendrik Spit, N. Weijman en Jan Koster richtten zich tot de Raad van Gouda. Ze vroegen de Raad dringend om onmiddellijk maatregelen te nemen. De stadsbelasting die 31 december was ingevoerd moest ook voor de gemalen goed worden nageleefd. Door een verkeerd begrip werd er nu brood en meel van buiten de stad naar binnen gebracht zonder dat daar belasting over werd betaald. Dit moest worden gestopt. De verzoekers wilden dat hun rechten als inwoners die stadslasten betaalden werden gehandhaafd. Ze vroegen ook om bekendmaking en om een besluit zonder uitstel. De beslissing op dit verzoek stond in de vergadering van de Raad van 17 april 1807.
De ondergetekende commissarissen van de openbare vleeshal in Gouda schreven aan de Raad van de stad. Kort na de verordening over vee van 6 december 1805 begonnen vreemde slagers die op het platteland woonden vlees van buiten de stad binnen te brengen. Ze verkochten dit aan de huizen van inwoners. Dit was zeer nadelig voor de vleeshouwers en spekslagers en voor de stadsfinanciën. De Raad had hier 7 januari 1806 tegen ingegrepen met een bekendmaking en boetes voor overtreders.
Deze maatregel leek nu zijn effect te hebben verloren, vooral sinds de invoering van de nieuwe stadsbelasting van 8 extra stuivers per pond bovenop de oude stadsbelastingen. Veel inwoners brachten nu openlijk vlees en spek van buiten, van het platteland of kleinere steden waar geen openbare hal was, naar binnen Gouda. Dit berokkende grote schade aan het bestaan van de slagers en aan de stadsfinanciën. Het zou zelfs mogelijk worden dat slagers binnen Gouda niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien.
De verzoekers voelden zich genoodzaakt om snel voorziening te vragen tegen de invoer van vlees en spek. Ze hoefden geen nieuwe wet maar alleen handhaving van de bekendmaking van 7 januari 1806. Deze moest ook voor spek gelden, want dat stond er niet uitdrukkelijk bij. Een verbiedende bekendmaking naar aanleiding van het verzoek van de bakkers en molenaars zou daarvoor een goede gelegenheid zijn.
De verzoekers vonden het onnodig om alle lasten, regels en boetes waar vleeshouwers van de openbare hal aan onderworpen waren uitgebreid op te sommen. Ook de 8 extra stuivers per pond die nu werden geheven droegen daaraan bij. Het nadeel voor de stadsfinanciën door de invoer van vlees en spek van buiten hoefden ze niet breed uit te leggen. Dit was de Raad te goed bekend en ook al krachtig uitgedrukt in de bekendmaking van 7 januari 1806.
Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 277 / Requestboek / 1804-1807 / Gda / 0141 In de maanden waarin er geen garnizoen in de stad aanwezig was, zijn bij de ontvanger Hendrik Smaasen 2.500 Amsterdamse zakken aangegeven en gemalen. In de maanden januari en februari van dit jaar waren dat, ondanks het aanwezige sterke garnizoen, slechts 1.574 zakken. Dit verschil van ruim 920 zakken leverde een schade op van 1.110 gulden in 2 maanden voor de stadsfinanciën. Omdat deze invoer steeds bekender wordt, neemt dit dagelijks toe en zal de schade van dag tot dag groeien.
De verzoekschrijvers waren van plan zich hierover te richten tot Zijne Majesteit de koning van Holland, zoals zij aan de raad hadden gemeld, en vroegen daarbij om medewerking. Na verdere overweging hebben zij dit plan echter moeten laten varen. Zij zijn er namelijk van overtuigd dat geen ander college of persoon dan deze raad de bevoegdheid en autoriteit heeft om tegen dit verkeerde begrip en de schadelijke gevolgen op te treden. Tegelijkertijd kan de raad het bestaan en levensonderhoud van ruim 30 inwoners van deze stad en hun huisgenoten voor een totaal verlies behoeden. Een verzoek aan de koning of een ander college, zonder tussenkomst van de raad, zou als een belediging worden beschouwd.
De verzoekschrijvers zijn echter weinig aangemoedigd, omdat de raad tot nu toe huiverig lijkt om krachtdadig op te treden, ondanks dat hij volledig zeker is van de werkelijke invoer van brood en meel van buitenaf en van de nadelen hiervan voor de stadsbelastingen en de bakkers en molenaars. Toch menen de verzoekschrijvers geen vrijheid te hebben zich elders te vervoegen voordat zij al hun pogingen bij deze raad hebben beproefd en van de uitslag zeker zijn.
De verzoekschrijvers brengen hun verzoek om krachtdadige voorziening bij de raad, met vertrouwen op een goede beslissing. Zij stellen dat:
Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 277 / Requestboek / 1804-1807 / Gda / 0139 D.S. Adams, burger en inwoner van Gouda, vroeg aan de stadsraad om toestemming om een schuitenhuis te mogen bouwen. Hij had de huur overgenomen van de baan buiten de Doelenpoort die aan de stad toebehoorde. Hij wilde daar een bergplaats voor zijn visschuitje hebben. Adams verzocht of hij op eigen kosten een schuitenhuis in de stadsgracht mocht laten bouwen, met de vrijheid om het weer weg te halen als de huurjaren afliepen.
31 maart 1807 keurde de raad van Gouda het verzoek goed. Thomas Philip Adams kreeg toestemming om bij de gehuurde baan buiten de Doelenpoort in de stadsgracht een schuitenhuis te bouwen voor zijn visschuitje. Hij mocht het ook weer weghalen als de huurjaren voorbij waren. Het besluit werd ondertekend door J.s L. Hess.
Een aantal ondertekenaars, allemaal burgers van Gouda of wonend buiten de stad maar wel onder de rechtsmacht van de stad, wendden zich tot de stadsraad. Zij droegen dezelfde lasten als de inwoners van de stad. Ze waren blij dat de stadspoorten in de maanden mei, juni, juli en augustus tot kwart voor 11 uur 's avonds open bleven. Ze vroegen of de poorten het hele jaar door tot kwart voor 11 uur 's avonds open konden blijven tegen betaling van het normale poortgeld. Zo konden zij 's avonds een uur langer bij vrienden in de stad blijven, net zoals stedelingen in de zomer langer buiten de stad konden verblijven.
De ondertekenaars waren:
Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 277 / Requestboek / 1804-1807 / Gda / 0137 Op 21 februari 1731 werd vanuit Ceylon gerapporteerd over de levering van kaneel. In het voorgaande jaar moest eind september naar het vaderland worden verzonden met het schip. Het hoge bestuur schreef op 8 augustus dat de hoeveelheid van 1488 balen niet voldoende zou zijn voor een volledige levering van het aandeel voor de kleine kamers. Volgens de gouverneur moest dit, naast de 1000 balen kaneel, ook voldaan worden. Daarnaast was in het voorgaande en lopende jaar aan de aangekomen handelaren uit Manilla een groot deel verkocht van wat in voorraad lag op Batavia voor de aandelen van de respectieve kleine kamers. Dit gebeurde volgens de bekende orders om de Indische handel boven de vaderlandse te laten gaan, wat het meeste voordeel opleverde voor de Compagnie. Het was wenselijk dat dit jaarlijks kon gebeuren door een grote aanvoer van Spaanse realen uit Manilla. Dit was echter ook de enige reden waarom de gewoonlijke aandelen voor de respectieve kamers van de Maas en het noorderkwartier niet volledig geleverd konden worden tot een complete hoeveelheid van 2000 vaten.
Als men in overweging nam dat per schip de Linschoten in het voorgaande jaar op Batavia 1337 balen waren aangevoerd en per de Baukenrode 1370 balen, en daarnaast in september nog per de Meijnden 1488 balen waren verzonden, bleek daaruit duidelijk het volgende: na de volledige levering van de aandelen voor de grote kamers direct van dit eiland had men daarnaast van januari 1729 tot 12 september achtereenvolgens naar Batavia overgestuurd 4195 balen. Daarvan resteerden na aftrek van 2000 voor een tweejarige Indische handel nog 2195 balen, dus 195 meer dan men voor voldoening van een jaarlijks aandeel voor de kleine kamers dit jaar van Batavia naar het vaderland zou moeten verzenden. Voor rekening van het voorgaande jaar had Ceylon niet gehapert en had men deze direct van hier voldaan met de vorige retourzendingen, vanwege dringende redenen en motieven zoals uitgebreid aangehaald in de eerbiedige brieven aan uwe edele hoogachtbare van 10 december van het voorgaande jaar.
Uit dit alles bleek duidelijk dat het aan Ceylon niet gehapert had dat genoemde kleine kamers hun kaneelaandelen dit jaar van Batavia niet compleet konden ontvangen. Als vervolg hierop zou men de eer hebben om verder te communiceren hoe men op de ontvangen toestemming sinds 1 september van de Kandiase koning niet had nagelaten met alle mogelijke ijver en naarstigheid zowel in zijn majesteits als in het Compagniesterritorium voort te zetten met het schillen van de verplichte kaneel. Daarvan had men dit jaar door een bijzonder geluk een aanzienlijk aantal van 8137 vaten binnengekregen, geleverd op de navolgende plaatsen zoals duidelijk te zien in Colombo.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0043 21 februari 1731 ontving men van Ceylon bericht van de gewezen gouverneur Petrus Vuijst. Aan hem moesten de gebruikelijke eerbewijzen worden geboden toen hij per schip de Boukenrode naar Batavia vertrok. Deze ceremoniën waren verplicht volgens de instructies van de hoge Indiase regering aan gouverneur Versluijs bij diens vertrek van Batavia naar dit eiland. Hoewel Vuijst werd omschreven als een man van slechte manieren, geschikt voor allerlei snode bedrijven en iemand die Ceylon had gedompeld in een bloedbad en poel van ellende, werd nadrukkelijk verklaard dat hij toch de rang en het fatsoen van een gewoon raad van Indië behield. De gouverneur interpreteerde dit zo dat hij in uiterlijke tekenen van respect en achting passend bij de rang van een gewoon raad moest tonen. Er werd wel gezorgd voor de belangen van de Compagnie door middel van een geheime instructie van 9 januari van dat jaar, ondertekend door de gouverneur en overhandigd aan schipper Meijnder Schut op de Boukenrode, waarin stond beschreven hoe men zich gedurende de reis tegenover Vuijst moest gedragen.
Wat betreft de kaneel: van de kleine oogst waren 1488 balen klaargemaakt en allemaal opgeslagen. Deze werden op 12 september naar Batavia verzonden per schip de Meijnden. De verzending kon niet eerder gebeuren vanwege ongunstige omstandigheden door het seizoen. De kaneel werd pas in mei binnen gekregen. Volgens de laatste berichten aan de hoge autoriteiten van eind augustus kon het schip niet eerder vertrekken, maar zou het waarschijnlijk nog op tijd in Batavia aankomen om de lading over te geven aan de tweede vloot van retourschepen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0042 21 februari 1731 werd er geschreven aan Ceylon. Op 20 februari 1731 werd er vanuit Ceylon bericht dat de gouverneur snel een aanzienlijk gezantschap met geschenken had ontvangen van de koning. Dit was bedoeld om de goede wil van de koning te behouden door hem respect te tonen. Op 24 juni van het voorgaande jaar arriveerden 4 voorname hovelingen in het kasteel, namelijk Ekenaike Madamwolle, Ralehamij (dessave van Matule), Heendenie Coerwe Mohandiaar, Collegoloewe en Imboel Maldenie Mohandirams. Zij brachten een brief van de hofedelen mee, samen met een getande olifant en een alva olifant als geschenk voor de gouverneur.
Dit geschenk aan de gouverneur was buitengewoon bijzonder. Er werd uitgebreid over bericht in de laatste berichten naar Batavia van 31 augustus. In het dagregister van Colombo stonden alle bijzonderheden van dit voorname gezantschap beschreven. Mogelijk was er geen vergelijkbaar voorbeeld te vinden. Er was geen bekend geval dat een gouverneur zo snel zo'n gezantschap had ontvangen met 2 olifanten.
De getande olifant was bijzonder waardevol voor de Compagnie en de gouverneur persoonlijk. Dit dier had alle kenmerken van een volmaakte lichaamsbouw en was 7 3/8 cob hoog. Dit was 7/8 cob hoger dan de hoogste maat die ooit door wijlen de heer van Mijdregt in de prijscourant was vastgesteld. Boven die maat werden bijna nooit getande olifanten gevonden. Dit prachtige dier overtrof in grootte en schoonheid alle olifanten die men ooit op dit eiland had gezien.
De gouverneur was van plan om dit dier in het volgende voorjaar naar Jaffna en Patnam te sturen om het daar te verkopen aan liefhebbers. Hij hoopte dat dit koninklijke geschenk samen met de 2 alva olifanten bij verkoop aan de Compagnie de kosten van de laatste ambassade en de verzonden geschenken ter waarde van 14.221 gulden, 17 stuivers en 8 penningen zouden vergoeden. Hierover werd nog uitgebreider bericht in de brief naar Batavia van 31 augustus. In de brief van 23 januari kon verder gezien worden dat er toen 1.370 robalen fijne kaneel was afgesonden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0041 21 februari 1731 ontving men bericht uit Ceylon. De gezanten werden na hun afscheidsaudiëntie op een buitengewone manier, die sinds het jaar 1688 niet meer was voorgekomen, begeleid. De dessave van Oedoepalate, 3 mohatiaars en evenveel mohandirams brachten hen tot aan Hangwelle, binnen het gebied van de Compagnie. De koning stuurde zijn carnax met 4 oude olifanten naar het kasteel, met de opdracht daar te blijven zolang men ze nodig had, maar men stuurde hem met een klein geschenk weer terug.
Er werden verdere blijken ontvangen van het oprechte vertrouwen van de koning. De dessave van Oedoepalate had namens de koning aan de gezanten bij hun verblijf in Sitavaque gevraagd om diverse soorten medicamenten die op een lijst waren vermeld. Deze werden, vanwege de afwezigheid van de gouverneur naar Jaffanapatnam, direct door hoofdadministrateur Maten in een mooi beslag kistje verzonden en door de gezanten aan de hofgroten overhandigd.
De hofgroten toonden hun tevredenheid en vroegen of de nog ontbrekende olieën cumini en anthos zo spoedig mogelijk konden worden nagestuurd. Dit werd toegezegd en later ook gedaan toen men met de laatst aangekomen schepen van die oliën wat had ontvangen.
De eerste rijksadigaar naar het hof heeft door 2 appohamijs een schriftelijk verslag laten overleggen, waaruit blijkt hoe aangenaam die oliën aan het hof waren ontvangen. Bij die gelegenheid deed de dessave van Saffragam namens het hof een verzoek om 2 zwarte gekrulde waterhonden te mogen hebben in plaats van een gelijk aantal andere die eerder waren opgestuurd maar inmiddels gestorven waren.
De gouverneur heeft gekozen om kapitein Johan Wilhelm Schnee, de tweede kapitein van het kasteel, te sturen met een gewoon geschenk, maar wel in verhouding tot de bijzondere hoogachting en hoffelijkheid die de koning tegenover de Compagnie heeft betoond. Hij zou binnenkort vertrekken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0040 21 februari 1731 ontving men van Ceylon met plezier brieven en documenten die in december van het voorgaande jaar naar het Kandiase hof waren gestuurd. Men werd zeer vereerd met het geschenk van 2 olifanten.
Wat betreft het schillen van kaneel: het vervoer daarvan werd hier nog bij de tekst gevoegd. Men had nauwkeurig gekeken naar de scheepskisten van de varende schippers en had die aangevuld met de papieren die ontbraken en die volgens gebruik aan hen moesten worden toegedeeld voor hun reizen.
In vervolg op de eerbiedige adviezen aan u van 10 december 1729 wordt verwezen naar de hier ingesloten brieven van 23 januari, 31 mei en eind augustus van dit jaar. Deze werden naar Batavia gestuurd aan de hoge Indische regering met de schepen Boukenrode, Meijnden en Constantia.
Kort wordt herhaald: volgens het besluit van 27 september van het voorgaande jaar werden op 22 december daarop de predikant Pieter Cornelis Le Patot en de dispencier Guaeterus het Lam als gezanten naar het Kandiase hof gestuurd. Ze brachten een brief mee en een geschenk van ƒ14.221:17:8. De koning ontving dit met bijzondere genegenheid en bewees de gezanten zulke eer als men niet weet dat ooit eerder aan iemand is bewezen. Ze mochten namelijk niet aan het einde zitten zoals altijd gebruikelijk was, maar tot op de helft van de ontvangstruimte voor de troon. Bovendien hadden ze het genoegen dat zijn majesteit uitlegde waarom zij tijdens hun reis naar het hof zo lang in Attapatij en Ganaroewe hadden moeten wachten.
Het rapport van genoemde gezanten en het verslag van Louis De Sarran (die de ambassade volgens oud gebruik weer als tolk had bijgewoond) worden beide in kopie hierbij overgelegd, zodat u dit nader kunt zien. Daaruit blijkt ook dat de koning toestemming heeft verleend om kaneel te schillen in de bossen van zijn majesteit en om olifanten door zijn gebied te laten passeren. Dit alles werd zonder enig bezwaar toegestaan, wat een overtuigend bewijs is van de bijzondere welwillendheid en genegenheid die de vorst voor de maatschappij heeft.
Deze genegenheid blijkt nog duidelijker uit het buitengewone geschenk dat, naast de gewone geschenken aan de gezanten, bij de laatste audiëntie werd gegeven. Het bestond uit 2 mooie olifanten van 6 5/8 voor de eerste gezant en 6 1/8 voor de tweede gezant. Deze zullen voor de Compagnie worden aangehouden en bij verkoop daarvan zal aan elk 50 rijksdaalders als beloning worden toegekend, zoals bepaald door de hoge Indische regering bij de Bataviase brief van 12 september 1698. Hierover wordt de nadere beslissing van hun hoge edelen afgewacht bij hun algemene antwoord op de complete adviezen van 31 mei over Malabaar.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0039 21 februari 1731 ontving men een bericht van Ceylon. Na het lossen van de schepen bij de Goede Hoop werden verklaringen opgesteld dat de schepen in staat waren om naar het vaderland te varen. De equipagemeester en aangestelde schippers van de schepen die voor anker lagen deden hiervan een inspectie. De volgende schepen werden geïnspecteerd:
Samen met de baas en meesterknechts van de scheepstimmerlieden werd alles nauwkeurig onderzocht in aanwezigheid van Livinus de Heere. Zij leverden hiervan een notariële verklaring aan de gouverneur, gedateerd 14 oktober. Hieruit bleek dat de achtersteven 1/4 duim van de hekbalk was afgeweken. Dit probleem kon volgens de verklaring gerepareerd worden door een stevige knie tegen de hekbalk en steven te plaatsen, zodat het schip veilig de reis naar het vaderland kon maken.
De baastimmerman kreeg opdracht om geschikt hout te kappen en voor te bereiden voor het schip Commerust bij aankomst aldaar. De retourschepen werden na het lossen van hun lading van rijst, houtwerk en andere goederen voor het gouvernement opnieuw beladen met kaneel, linnen en andere retourzendingen voor het vaderland. Op 22 en 30 oktober en 3 en 10 van deze maand vertrokken zij naar Gale, waar ze achtereenvolgens in de baai aankwamen.
Daar werden hun ladingen gelost, werden de schepen geïnspecteerd en gekalfaat, werden hun gebreken hersteld en werden ze voorzien van goed buskruit, bemanningsgoederen, provisie en alle andere benodigdheden volgens voorschrift en gebruikelijke praktijk. Uiteindelijk waren ze volgens verklaringen klaar om met Gods hulp de reis naar het vaderland te ondernemen onder leiding van de onafhankelijke fiscaal van dat gouvernement, Daniel van den Henghel, op het schip Gaastrederdam. Deze fiscaal verzocht om aan de Kaap zijn dank aan de autoriteiten over te brengen voor deze aanzienlijke bevordering, waarmee hij bij besluit van 11 oktober vereerd was met het commando over de vloot naar de Kaap, volgens het eerdere voorbeeld van wijlen de onafhankelijke fiscaal Cornelis van Beaumond in het jaar 1712.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0038 De schepen uit Ceylon hadden op 21 februari 1731 nog geldkisten die naar Amsterdam gestuurd moesten worden. Vanwege een tekort aan transportmiddelen moesten ze wachten op een geschikte gelegenheid om deze naar Batavia te sturen. De redenen voor de geringe handel in koffie en het terugsturen van de geldkisten waren uitgebreid beschreven in brieven van de residenten en de hoge Indische regering, gedateerd 16 augustus.
Men besloot het schip extra te beladen met:
Het doel was het schip volledig te laden en ruimte te maken in de schepen voor meer peper. Als de lijwaatpakketten verdeeld zouden worden over meerdere schepen, zou de Compagnie 200.000 pond peper mislopen.
Schipper Livinus de Heere van het schip Commerust meldde dat de achtersteven en hekbalk wat waren afgeweken. Dit kon volgens deskundigen problemen geven. Dit was extra vervelend omdat peper in Nederland een hoge prijs had en Batavia dringend voorzien moest worden vanwege een groot tekort daar.
De lijwaatpakketten voor de Kamer Zeeland wilde men liever direct versturen via de schepen Meijenberg en 't Slot den Hooge. Dit om:
Men hoopte dat deze handelwijze goedgekeurd zou worden, aangezien men naar beste inzicht had gehandeld om de belangen van de Compagnie zo goed mogelijk te behartigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0037 21 februari 1731 werden vanuit Ceylon verschillende schepen gestuurd met brieven voor Batavia. Door gebrek aan suiker voor de onderlading kwamen meerdere schepen apart aan bij dit bestuur. 't Slot ter Hoge en Commerust arriveerden op 27 en 30 september voor het kasteel, Voorn en Verschijnen en Meijenbergg op 9 oktober daarna.
Het schip Gaasperdam, als laatste op 2 september vanuit India vertrokken, miste Colombo door verkeerde inschatting en stroming. Het kwam aan de zuidoostkant van het eiland bij Bapos terecht. Vandaar laveerde het schip in enkele dagen naar de baai van Gale, waar men het liet binnenlopen en naast de andere schepen liet ontlossen van de goederen voor Ceylon en Coromandel. De laatste goederen werden in de pakhuizen opgeslagen tot het opengaan van de vaart, waarna men ze zou doorsturen bij eerste gelegenheid.
Samen met de goederen kwamen ook bedienden over van Batavia, namelijk:
Op 22 oktober ontving men een brief uit Indië waarin 4 schepen werden toegewezen om zoveel mogelijk peper uit de ruime voorraad mee te nemen. Wegens de kleine hoeveelheid Madurese retourvracht en om onnodige zwaarte te vermijden, moesten klipstenen, onbruikbare ankers en kanonnen aan boord blijven. Men zou de schepen wel suiker voor onderlading geven en zoveel mogelijk sappanhout, want men had vanuit Batavia door gebrek aan peper en salpeter daar ruim van gekregen, plus 1000 kanasters van die soort als onderlading voor 1 schip van 145 voet.
Bij resolutie van 11 oktober besloot men het schip Komssenhoeff, dat op 25 september met een lading van 726 balen of 186.998 pond Arabische koffiebonen uit de Rode Zee was aangekomen, ook mee te sturen. Het schip had de verlossene Mochasen resident Jan Elias van Mijlendonk meegebracht, samen met 15 verzegelde kisten Spaanse realen. Die werden eerst naar Gale gezonden en daar in het pakhuis bewaard tot ze bij geschikte gelegenheid verder verscheept konden worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0036 Op 21 februari 1731 werd vanuit Ceylon bericht dat 10.000 rijksdaalders naar Batavia gestuurd zouden worden. Het proberen en snijden van zakken volgens de orders was goed bevonden om misbruiken tegen te gaan. De ziekenbezoeker die van dit eiland vertrok, werd volgens bevel voorzien van de gevraagde kerkelijke verklaringen over zijn gedrag in de kerk en in zijn leven.
Er moest verder met alle zorgvuldigheid en goed overleg een verzoek om contant geld worden opgesteld, conform de aanbeveling uit de brief van 28 oktober van dat jaar. Dit in plaats van de 5.000 rijksdaalders uit het vorige jaar. In die brief werd met een terechte verklaring van ongenoegen en verbazing om informatie gevraagd over de geëiste 50.000 rijksdaalders betaling uit Nederland.
In de brief uit Ceylon van 26 september 1728 was duidelijk vermeld dat een bedrag van 100.000 rijksdaalders kleingeld naar Batavia gestuurd zou worden, omdat dat geld hier renteloos moest blijven liggen en daar beter gebruikt kon worden. De schrijvers verklaarden dat dit wonderlijke gedrag alleen te wijten was aan de onbezonnen, spoorloze en winderige plannen van de gewezen gouverneur Vuijst.
Deze had tijdens zijn gezag al 50.000 rijksdaalders van dat kapitaal naar Batavia gestuurd en de resterende 50.000 rijksdaalders daarvoor naar Gale laten vervoeren. Gouverneur Vers Luijs had bij zijn aankomst en aantreden van het bestuur dit geld meteen terug laten brengen, omdat het op dit eiland hoognodig was voor:
Dit was al praktisch gemerkt, zoals bleek uit het laatst verstuurde algemene verzoek van 10 december van het vorige jaar. Om onnodige herhalingen te vermijden hielden zij zich daaraan met toestemming.
Verder werd vermeld dat men ter voldoening aan het bevel alle lakens die bij nameting te korte stukken hadden, maar die wel heel en met de loden eraan bevonden werden, bij eerste gelegenheid naar het vaderland terug zou sturen.
Men had ook de lopen van de laatst aangevoerde kanonnen nadat de wapens uitgeladen waren volgens aanbeveling met kogels laten proberen. De laatste hier aangebrachte schietgeweren via de schepen Knapenburg en Landschoon waren getest. Van de 116 geweren waren er volgens het verslag van de commissie 5 onbruikbaar bevonden. Deze 5 onbruikbare geweren werden conform het verzoek teruggestuurd naar de Kamer Amsterdam via de nu van dit eiland vertrekkende retourschepen Gaasperdam, Meijenberg, Commerust en Het Slot ten Hoge.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0035 12 februari 1731 werd er vanuit Ceylon een verslag ontvangen over goederen en de uitvoering van zaken. De fiscaal te deze rede had 5 november van het voorgaande jaar nog geen volledig rapport kunnen leveren aan de Edele, zoals eerder vermeld in de respectvolle berichten van 10 december 1729. Men betuigde zijn verplichting voor de goede verzorging van alle toegezonden goederen en verzekerde dat men volgens plicht de orders en bevelen zou uitvoeren die vervat stonden in de eerder genoemde brieven met betrekking tot Ceylon.
Bij aankomst van schepen die tijdens hun reis met een ongewoon groot aantal doden en zieken waren bezocht, zou men niet nalaten om van de scheepsoverheden en chirurgijnen nauwkeurig te onderzoeken waaruit de ziekten en sterfte waren ontstaan, bijvoorbeeld door:
Hiervan zou aan de Edele kennis worden gegeven, samen met het gehouden journaal van de opperchhirurgijnen over alles wat met de zieken en doden was voorgevallen en welke hulpmiddelen zij hadden toegepast.
De schepen die hiervoor waren genoemd, namelijk Landskroon en Knapenburg, waren met voldoende gezond volk aangekomen. Het eerste schip had tussen de Kaap en deze eilanden maar 1 dode gehad en het andere niet meer dan 5 doden. Op beide schepen waren geen buitengewone ziekten vernomen.
De fiscaal had bij aankomst van voornoemde vaderlandse schepen gelet op de aangevoerde particuliere goederen en had geen andere gevonden dan die op de getekende lijsten bekend stonden. Men verzekerde dat men naar Nederland alleen zou toestaan te vertrekken degenen die hun verbonden tijd volledig hadden uitgediend, tenzij de thuisvarende schepen door gebrek aan nodige timmerlui dit zouden eisen.
Men twijfelde niet dat de boekhouders die te Batavia op hun respectievelijke schepen waren geplaatst, voor hun boeken de nodige zorg zouden dragen. De gesloten en bezegelde boeken van dit kasteel tot eind augustus waren volgens de resolutie van 2 dezer op het visitatiekantoor behoorlijk nagezien.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0034 Vanuit Ceylon werd op 12 februari 1731 een brief geschreven. De brief was gericht aan de heren bewindhebbers van de Vergadering van Zeventien, die de Verenigde Oost-Indische Compagnie vertegenwoordigden, en had het kantoor in Amsterdam als hoofdzetel.
De schepen Landskroon en Knapenburg waren op 20 januari 1731 vanuit Texel vertrokken namens de kamer Amsterdam. Vervolgens waren ze op 18 mei vanaf Kaap de Goede Hoop verder naar Ceylon gevaren. Op 11 augustus en 19 augustus waren beide schepen behouden aangekomen bij de rede.
Met deze schepen werden ontvangen:
Er werd een memorie van gebreken opgemaakt over wat er ontving was. Ook werd een aparte memorie gemaakt over de geleverde ladingen van de schepen 't Huis Assenburg en 't Hof niet Altijd Winter die vanwege hun late aankomst uit Nederland bij deze kamer hoorden.
De brief was ondertekend door Adriaan Maten, Gerrit Kalden, J. Bvernatti, J. E. van Mylendonk en W. B. Albinus in Colombo op 12 februari 1731.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2199 / 0033 Margareta Jacobs kocht van haar vader (de verkoper, naam niet genoemd) een huis en erf met schuur en alle bijgebouwen, beplanting en bepoting in Abstede. Het erf was erfpacht van het convent van St. Servaes binnen Utrecht. Ook kocht zij alle huisraad en inboedel, behalve 1 bed en persoonlijke spullen van de verkoper en zijn vrouw. Verder werden verkocht: alle vee en beesten (paarden, koeien en andere levende have), gereedschap voor de landbouw en al het koren op het veld en in de bergen. Het erfpachtgoed werd geschat op 2.000 gulden. De koperschap moest rekening houden met het voorkooprecht van het convent van St. Servaes. De koopster moest de volgende schulden van de verkoper betalen:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507254 / 369 Op 15 januari 1781 bespraken de autoriteiten het geval van verschillende weggelopen slaven. De slavin Nanette werd veroordeeld tot levenslang dwangarbeid in ketenen op de nieuwe vesting. Ze werd voor 200 gulden aan de directie overgedragen. Na aftrek van de kosten zou het resterende bedrag aan haar voormalige meester worden uitgekeerd. Haar kind zou aan dezelfde meester worden teruggegeven. De slaven Jason en Harard, eigendom van David de la Para, werden eveneens veroordeeld tot levenslang werk in ketenen op het Cordon, zo ver mogelijk verwijderd van de rivieren Suriname en Commewijne. Ook zij werden voor 200 gulden per persoon overgedragen, waarbij het restant na aftrek van kosten aan hun eigenaar zou worden betaald. Van deze beslissingen zouden afschriften worden gegeven aan de eerste raadsfiscaal en ingenieur Wolland.
Op vrijdag 19 januari 1781 werd een buitengewone vergadering gehouden. De commissarissen meldden dat Cornelis Bliek en zijn echtgenote opnieuw waren verschenen, met hetzelfde verhaal als eerder. Een verzoekschrift van Maria Catharina Voogelaar, de echtgenote van Cornelis Bliek, werd behandeld. Zij vroeg om toestemming (zogenaamde "veniam agendi") om een scheiding van tafel en bed tegen haar man aan te vragen. Ook verzocht zij om een curator over de gemeenschappelijke bezittingen aan te stellen. Het verzoek werd goedgekeurd. Aan Maria Catharina Voogelaar werd de gevraagde toestemming verleend. Johan Adolph van Claveren werd aangesteld als curator om samen met Cornelis Bliek de gemeenschappelijke bezittingen te beheren en een inventaris op te maken. Van deze beslissing zouden afschriften aan M.C. Voogelaar en curator Van Claveren worden gegeven.
Vervolgens legde de gouverneur een brief voor van 1 november 1780 van de directeuren en regeerders van de kolonie. Deze brief meldde dat toestemming was verkregen van de burgemeesters van Amsterdam om Lucia Susanna Nawich, weduwe van Barent Casper, op te laten nemen in het tuchthuis binnen die stad. De autoriteiten bedankten de burgemeesters voor de snelle uitvoering van dit verzoek. De raadsfiscaal werd gemachtigd om verdere actie te ondernemen met betrekking tot Lucia Susanna Nawich.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0427 23 mei 1780 werd er gesproken over een brief aan Haar Edele Groot Achtbare over de zaak van S. L. Narrich, weduwe van B. Casper. Het ging om de aankoop van de resterende 2/6 deel in de grond Fortvliet.
Op 9 augustus zou er actie ondernomen worden, en de secretaris kreeg de opdracht dit verder uit te voeren.
Er werd ook een conceptbrief voorgelezen aan Haar Edele Groot Achtbare over het vonnis dat was uitgesproken in de zaak van S. L. Narrich, weduwe van B. Casper. Deze brief werd goedgekeurd en de secretaris moest deze netjes uitschrijven.
De raad en boekhouder generaal meldde dat hij volgens het besluit van 18 mei de mogelijkheid had gevonden om het resterende 2/6 deel in de grond Fortvliet te kopen voor 600 gulden, waarbij het land de kosten voor het transport zou betalen.
De ontvanger van de kleine belastingen kreeg toestemming om het transport te laten maken.
Er werd gesproken over een antwoordbrief aan Haar Edele Groot Achtbare op hun brief van 20 december 1779.
De raad en boekhouder generaal werd bedankt voor zijn inspanningen. Er werd besloten dat Pieter Berkhoff, de ontvanger van de kleine belastingen, toestemming kreeg om het benodigde transport te laten maken en te ontvangen. Hij mocht op opdracht van de rekenmeesters de koopsom en de kosten betalen. Hiervan zouden hijzelf en de rekenmeesters een uittreksel krijgen.
Daarna vroeg de gecommitteerde raad aan de rekenmeesters om, volgens het besluit van 25 februari 1780, hun mening te geven over verschillende punten uit de brief van Haar Edele Groot Achtbare van 20 december 1779. Zij leverden hun schriftelijke mening aan. Deze werd voorgelezen en de raad werd bedankt voor hun werk. Men besloot zich hierbij aan te sluiten. De secretaris moest dit als bijlage bij de antwoordbrief voegen.
Over de rente van 8 procent op de geprotesteerde wisselbrieven tegen weglopers bij de kas werd besloten te antwoorden dat de stelling van Haar Edele Groot Achtbare over het genomen besluit weliswaar billijk was, maar dat dit onderscheid alleen was gemaakt op basis van het plakkaat van Haar Hoog Mogende van 18 december 1779 over voorrang en mededinging in deze kolonie, waar deze woorden werden gebruikt. De secretaris kreeg opdracht de antwoordbrief op te stellen.
Ook legden de gecommitteerde rekenmeesters en de raad en boekhouder generaal de rekening over van de eerste deurwaarder van deze kolonie. Deze bevatte zijn verantwoording over de door hem ontvangen deurwaarderskosten en andere gelden van 1 december 1779 tot en met 30 april 1780. Zij meldden dat zij deze hadden onderzocht en juist bevonden. De rekening werd goedgekeurd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0231 Op 18 en 23 mei 1780 werden de laatste documenten ondertekend als afsluiting van de gewone zitting. Daarna werden ook de brieven samengevat en ondertekend die bestemd waren voor de Heren Directeuren en Bestuurders van de kolonie. Deze brieven gingen over het besluit van 23 mei, over een vordering ten laste van de kolonie Berbice, en over de veroordeelde Lucia Susanna Nawich, weduwe van B. Casper. Ook werd het plakkaat voor de Dank- en Bededag behandeld.
Vervolgens rapporteerde raadslid Clementa, die belast was met de veilingen, dat de deurwaarders van beide hoven het niet eens hadden kunnen worden over wie van hen de volgende morgen als afslager bij de veilingen zou optreden. Ook de assistent Van Bülow, die deze zitting toestemming had gekregen, was niet verschenen. Hierdoor had er geen veiling kunnen plaatsvinden.
De gouverneur-generaal stelde daarop voor dat omdat de deurwaarders voortdurend bezig zijn bij de zittingen van het hof en bij de doorlopende registers, het het beste zou zijn om een apart persoon als afslager voor de veilingen aan te stellen, zoals dat vroeger ook was. Hij merkte wel op dat dan overwogen moest worden om de deurwaarders een kleine salarisverhoging te geven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 172 / 0242 Margareta Julien verklaarde dat ze bepaalde gebeurtenissen niet wist of zich niet kon herinneren, behalve juffrouw Warendorp.
Ze verklaarde dat ze mevrouw Schenping niet bij het raam had zien leunen, maar dat mevrouw Schenping (of meneer Engels) in het Duits of het Neger-Engels tegen Lucia Nawich had gesproken. Er werd gevraagd of ze had gehoord wat mevrouw Schenping tegen Lucia Nawich had gezegd.
In de maand juli waren de genoemde personen mogelijk bij haar thuis geweest. Ze sprak met Lucia Nawich, de gescheiden vrouw van Barent Casper. Mevrouw Schenping zei dat ze had gehoord dat Lucia Nawich kinderen van meneer Cellier in het huis Van Hanlingen had gezocht, en dat ze daar de Heer de Waedt had gevonden. Mevrouw Schenping zei toen dat ze hoorde dat Lucia Nawich groot en klein wilde noemen die daar kinderen hadden gehad.
Lucia Nawich antwoordde dat ze niet wist dat meneer Cellier kinderen had gehad. Ze sprak over een kind in Para dat geen moeder had. Ze zei dat er bij de Heer Pallak een kind was dat negende was, en dat er geen kinderen uit de hemel vielen, maar geen kinderen zonder moeder waren.
Mevrouw Schenping waarschuwde dat er 2 mensen van de tegenpartij van meneer Cellier zouden komen die Lucia Nawich iets in de hand zouden stoppen om mevrouw Cellier te noemen. Ze zei dat als Lucia Nawich iemand wilde noemen, ze juffrouw Wilffort of gewone mensen moest noemen. Lucia Nawich antwoordde dat ze nee zei.
Mevrouw Schenping noemde de arme mensen of gewone lieden die heen en weer tussen beide partijen gingen, en zei dat ze Cellier niet kende als hij na 8 uur begon te deugen. De woorden waren in deze betekenis geweest.
De getuige verklaarde dat mevrouw Schenping de personen niet had genoemd die Lucia Nawich zouden moeten overhalen om mevrouw Cellier te noemen. Het gesprek was gebeurd in aanwezigheid van Jan Nepven en meneer Schepping was weggegaan, en Lucia Nawich ook.
Op de vraag of ze in Para was geweest en daar dikwijls op de plantage van Heer Pallak was geweest, antwoordde ze ja. Ze verklaarde dat het een mooi kind was. Er was een algemeen gerucht dat iedereen wist. Ze had daar een kind gezien genaamd Charles. Ze had gehoord dat de moeder van dat kind niet bekend wilde zijn, maar wist niet wie de moeder was of voor wie ze werd gehouden volgens de algemene zeggen.
De getuige verklaarde verder niets van deze zaak te weten. Ze
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 5784 / 0112 30 december 1780 werd er in het kasteel Orange te Ternate een lijst opgesteld van leden die zitting hadden in het college van commissarissen voor huwelijks- en kleine rechtszaken. Als voorzitter fungeerde Gerardus Willem van Renesse. Andere leden waren Coenraad van Dijk, Casper Voges, David Brand, Willem Semet, Johan Godlob Voogt en Johan Paul Christiaan Wolf. J.P.C. Wolf was de secretaris.
31 december 1780 werd er een lijst gemaakt van degenen die zitting hadden in de kerkraad van Ternate. Als voorzitter trad op Georgius Jacob Huther. Gerardus Willem van Renesse was ouderling sinds 1779 en Willem Fredrik Mersz sinds 1771. Casper Voges was diaken. De lijst werd ondertekend door G.W. van Renesse als ouderling.
Er werd ook een namenlijst opgesteld van officieren van de piënnisten:
27 december 1781 werd in het kasteel Orange te Ternate een lijst opgesteld van officieren van de matrozen en ambachtslieden:
31 december 1780 werd een namenlijst gemaakt van de officieren van de burgerij van Ternate:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8143 / 0523 Casper vroeg aan de ondervraagde of hij niet met Casper mee was gegaan. De ondervraagde antwoordde dat hij niet wist dat Casper had gezegd "jij schelm, drommel, je zult met mij naar het huis meegaan." Op nadere vraag zei hij ja.
Er werd gevraagd of Casper hem niet tot aan het huis van Andries Kuiper had meegenomen. Ook werd gevraagd of de ondervraagde niet naast het paard naar dat huis was gegaan.
Er werd gevraagd of de ondervraagde, als Casper niet was aangekomen, het meisje met geweld niet tot zijn wil had willen krijgen.
Toen ze bij het huis van Andries Kuiper kwamen, kwam Andries naar buiten en zei "goedenavond Casper". Casper zei tegen de ondervraagde "jouw schelm, waarom houd je dit meisje hier vast".
De ondervraagde antwoordde Casper dat hij haar goed hielp dragen.
Casper zei tegen Hilletje Smits: "Casper, kijk, deze jongen houdt mij hier vast."
Het genoemde meisje stond daarop op en ging naar Casper.
Dit werd gevraagd en ondervraagd en zonder dwang of marteling vrijwillig beantwoord in het Kasteel de Goede Hoop op 23 mei 1705. Dit gebeurde in aanwezigheid van O. Berg, J. Swellengrebel, Willem van Putten, K. J. Slotsboo, C. H. Diepenauw, N. Oortmans en Hendrik Donker, leden uit de Raad van Justitie. Zij tekenden samen met de ondervraagde en Abraham Poulle, die hiertoe bevoegd was.
Bij een nieuwe verhoor verscheen opnieuw voor de afgevaardigden uit de Raad van Justitie de eerder genoemde ondervraagde Jacob van de Kust Coromandel. De vragen en zijn antwoorden werden hem nogmaals voorgelezen. Hij verklaarde hierbij volledig te blijven en wilde niets toevoegen of weglaten.
Bij een derde verhoor verscheen wederom voor de afgevaardigden uit de Raad van Justitie de meergenoemde slaaf Jacob van de Kust Coromandel. Zijn eerder gegeven verklaringen werden hem van woord tot woord duidelijk voorgelezen. Hij verklaarde hierbij nog steeds volledig te blijven en wilde niets laten toevoegen of weglaten. Hij voegde wel toe bij vraag 11 dat ze toen een keer half op haar knieën is gevallen en toen weer is opgestaan. Bij vraag 17 zei hij dat Hilletje Smits de neusdoek waarin zij enkele rozijntjes had zelf in de mond heeft gestoken en dat hij die daar zo in heeft vastgehouden.
Dit werd gedaan in het Kasteel de Goede Hoop op 25 mei 1705 voor Willem van Putten en
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 4053 / 0100 Een vrouw beloofde te betalen en om zekerheid te geven, zou zij aan Herman van de Poll en compagnie extra hypotheek verstrekken. Zij zou 110 slaven, mannen en vrouwen, groot en klein, verbinden aan plantage Bladensteijn.
De vrouw verklaarde dat zij ter voldoening van deze voorlopige overeenkomst, ten behoeve van het negotiatiefonds van Herman van de Poll en compagnie, specifiek 110 slaven zou verbinden, namelijk mannen en vrouwen, jongens en meisjes. De namen waren:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 395 / 0535 Dit is een uitgebreide adressenlijst van bedrijven, organisaties en personen aan de Prins Hendrikkade en omliggende straten in Amsterdam. De lijst vermeldt honderden namen en adressen, waaronder:
De lijst bestrijkt adresnummers 79 tot 190 aan de Prins Hendrikkade en aangrenzende straten zoals de Gelderschekade, Kromme Waal, Binnenkant en diverse lanen en pleinen in de buurt.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3677024 / 1073 3 december 1744: Er was reden om te vermoeden dat de weggelopen slaaf Abraham en andere weggelopen slaven in de omgeving verbleven. Zij hielden zich mogelijk bezig met vissen of hielden contact met iemand in Paramaribo. Het was hoogstnodig om hier onderzoek naar te doen. Ook moest er onderzoek worden gedaan naar een slaaf die gevangen was genomen op de plantage Boxel.
Er werd besloten om:
Verder deelde zijn Weledelgestrenge aan de leden mee dat in de laatste buitengewone vergadering van 19 [datum niet volledig], vanwege het overlijden van de heer Frans Lorentz Wriedt die rekenmeester was geweest, de heer Hengevelt samen met de heer Dupeirou tijdelijk tot rekenmeester was gevraagd en benoemd tot aan deze gewone vergadering. Hij stelde daarom voor om deze functie definitief te vervullen. Hiervoor werd zijn Weledelgestrenge bedankt, hoewel volgens de beurt de heer Wowink eigenlijk zou moeten opvolgen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 136 / 0309 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/