Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De testateurs (de twee personen die een testament opstellen) bepalen dat de langstlevende van hen beiden alle bezittingen mag behouden en gebruiken zonder verzet van familie van de eerst overledene. Ook hoeft de langstlevende geen boedelbeschrijving af te geven.
Alle onroerende goederen die door een van de testateurs in het huwelijk zijn ingebracht, blijven in het bezit van de langstlevende. Een uitzondering is het land in
Baardwijk, dat na de dood van de man naar zijn bloedverwanten gaat.
Na de dood van de langstlevende worden de overgebleven goederen als volgt verdeeld:
Als een van deze personen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten.
De onroerende goederen die van de vrouw afkomstig zijn, gaan na haar dood als volgt:
De andere helft van de goederen van de vrouw gaat direct na de dood van de langstlevende in eigendom en vruchtgebruik naar de kinderen van
Gerit Jan Teulingh. Als een van hen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten.
De bloedverwanten van beide testateurs moeten gezamenlijk een legaat van 150 pond betalen aan de kinderen van
Peter Cornelis de Lepper na de dood van de langstlevende.
De testateurs benoemen elkaar tot enige en universele erfgenaam. Na de dood van beide gaan de goederen naar hun respectievelijke bloedverwanten, zoals hierboven beschreven.
Het testament is opgesteld op
18 maart 1704 in het woonhuis van de testateurs in
t Gravemoer, in aanwezigheid van
Adriaen Smits (oud-burgemeester van
t Gravemoer) en
Adriaen dens Schapendonck (inwoner van
t Gravemoer) als getuigen.
Op
31 mei 1709 is een kopie van het testament verstrekt aan
Aert van Horst (bloedoom van de kinderen van
Gerit Jan Teulingh).
Op
18 juni 1721 is het legaat van 150 pond aan de kinderen van
Peter Cornelis de Lepper voldaan door de erfgenamen, zoals blijkt uit een notariële akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504757 / 163
Op
12 juli 1689 gaven
Heiliger Colen,
Adriaen Jan Segers,
Coopluyden in wol en lakens, en gezworen tarra-meesters in
Tilburg een verklaring af. Zij bevestigden dat al ongeveer
20 jaar een regel gold: als een tarra-meester afwezig was, werd zijn werk overgenomen en gecontroleerd door anderen. Dit gold ook voor de minder waardevolle stoffen die open waren gevonden.
Op
10 augustus 1689 droegen
Heiliger Colen,
Adriaen Cornelisz Francken,
Jan Jansz Heycants (als voogd voor de onmondige kinderen van
Joost Adriaen Geerts de Roy en
Anna Cornelis van Beurden, en voor de onmondige dochter van
Jan Jan Heijcants en
Marie Adriaen Broeders), en
Ruylen Comanceurs (als man en voogd van
Jenneken Jan Heijcants) een schuldbrief en openstaande boekschulden over aan
Joan Melis, erfgenaam van
Catharina Jan Melis. Zij gaven alle rechten op deze schulden op.
Op
30 juli 1689 verklaren
Jacobus van Esche, schepen van
Tilburg en bierbrouwer in
Goirle, dat hij de brouwerij van
Joost Peeter Eelckens in
Goirle had gehuurd voor het jaar
1688-1689 voor 10 gulden. De zonen van
Eelckens moesten als tegenprestatie zijn bier verkopen. Deze afspraak gold tot het einde van de huurperiode.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 402
De gedeputeerden van de Meijerij van
's Hertogenbosch, waaronder
Tempelaer,
Buijs,
Abberdaen en
Wichmans van Raesfelt, behandelden op
5 april een verzoek van
Reijnier Jansz Tempelaer uit
Aelst. Hij wilde het ambt van boswachter in
Bercheijck overnemen van de vorige houder. Het verzoek werd doorgestuurd naar de schout van het kwartier
Kempelandt voor advies.
Op
8 april werd het verzoek van
Maurits Buijs besproken. Hij vroeg of zijn zoon
Laurens Buijs een beurs van 50 gulden in
Boxtel mocht krijgen, die eerder aan de zoon van de conrector
de Vries was toegekend. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de ontvanger
Florintius Schuijl voor informatie.
Op
14 maart werd het verzoek van
Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester in
Legemierde, behandeld.
Augustinus Wichmans, abt van
Tongerloo, had hem drie kerkelijke beneficies in
Mierlo (in het kwartier
Peelant) toegekend.
Abberdaen vroeg om bevestiging van deze aanstellingen. Het verzoek werd doorgestuurd naar rentmeester
Pieterson om de aard en status van de beneficies te onderzoeken.
Op
22 januari rapporteerden de gedeputeerden
Swanenburch,
Stavenisse,
Wijckel en de thesaurier-generaal
van Beverningk over hun werk in de provincie
Stad Groningen en Ommelanden. Met steun van stadhouder
Willem van Nassau hadden zij geschillen opgelost die voortkwamen uit het reglement van
8 juli 1655. Ze kregen de opdracht om een nieuw reglement op te stellen voor de besturing van de
Ommelanden tussen de
Eems en
Lauwers.
Op
28 februari hadden dezelfde gedeputeerden bij de Staten van
Stad Groningen en Ommelanden aangedrongen op het heffen van een belasting van 200ste penning voor de verdediging van de staat, onder andere tegen piraterij en oorlogen. De Staten beloofden hierop te reageren op basis van noodzaak.
Op
3 maart 1659 bevestigden de Staten van
Stad Groningen en Ommelanden in een resolutie dat ze de petitie en het voorstel voor de 200ste penning zouden overwegen, afhankelijk van de noodzaak.
Op
4 april rapporteerden
van Raesfelt en andere gedeputeerden over een gesprek met gecommitteerden uit de Raad van State. Dit betrof een beloning voor iemand die informatie kon geven over goederen en activa onder het gezag van de Generaliteit, met uitzondering van de huidige bezitters en gebruikers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3265 / 0287
Op 24 maart 1668 kreeg Ariaentie Claes, die woonde achter de Twijstraat in Utrecht, een attestatie uit Culemborg, ondertekend door Gisbert Oostrom.
Reijnier Hamaker woonde op het Claes Kerckhof. Trijntie Jans had een attestatie uit Maarssen van 21 juni 1668, getekend door Dirck Hamaker en Johannes Houdius.
Reijer Jansz, een jurist, woonde in de Ganse-steeg en had een attestatie uit Amersfoort van 22 juni 1668, getekend door Vincentius van Deurn. Gerrit Jansz woonde in de Claes steeg en had een attestatie uit Den Haag van 5 april 1668, getekend door Cornelius Triglandius. Aeltie van Neck woonde ook in de Claas steeg en had een attestatie uit Nijkerk van 26 mei 1666, getekend door Titus Bachusius.
Meindert Christiaensz, een jurist, woonde bij de Hamburgerstraat en had een attestatie uit Rotterdam van 4 mei 1668, getekend door J. Ridderus. Eringart Hendrikx, een jurist, woonde over de Weesbrug en had een attestatie uit Reekum van 2 april 1668, getekend door Samuel Heshuisius.
Catharina Dirksz de Vriese woonde in de Hamburgerstraat en had een attestatie uit 's Gravenhage van 10 november 1667, getekend door Daniel van Sonnevelt. Marcus Neusen, een jurist, woonde op de Kunnen en had een attestatie uit Deventer van 30 juni 1668, getekend door Paulus Colonius. Davidt Kerckraedt woonde op het Oude Kerckhof en had een attestatie uit 's Gravenhage van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Triglandius.
Op 10 juli 1668 werd een zitting gehouden door P. van Nellesteyn in aanwezigheid van Joan de Latfeur.
Dina Beukelaer, de vrouw van Abraham Kempenaer, woonde tussen de Bakkerbrug en Bezembrug en had een attestatie uit Amsterdam van 12 april 1668, getekend door Johannes Visscherus. Peterken Leenaerts, een jurist, woonde bij de Bezembrug en had een attestatie uit Tiel van 1 juni 1668, getekend door Ottho Gelummerus.
Zacharias Verbessel woonde onder de Snippenvlucht en had een attestatie uit Den Haag van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Triglandius. Zijn dochter Adriana van Kip had een attestatie uit 's Gravenhage van 14 juni 1668, getekend door Godefridus Lamotius.
Johannes Zeelander woonde onder de Lakensuijders en had een attestatie van de Waalse Kerk in Amsterdam van 29 april 1668, getekend door N. Colvius en David du Cloux. Zijn vrouw Teuntje van Vlook had een attestatie uit Amsterdam van 19 april 1668, getekend door Jacobus Clercquius.
Anna Elisabeth Laurens, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Arnhem van 27 maart 1668, getekend door Lucas Harlæus III. Claartje Isbrantsz, de vrouw van Henrick Willemsz Grevenbroeck, woonde in de Wittevrouwenstraat en had een attestatie uit Scheveningen van 23 mei 1668, getekend door Isaac Daesdonck.
Hester Barents van Limbeeck, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Hijen en Dodereert van 29 april 1668, getekend door Johannes Nethenus. Janrichen Jans, een jurist, woonde in de Keizerstraat en had een attestatie uit Rhenen van 15 juni 1668, getekend door Johannes Hupius.
Femmetje Rijkels, een dienaar, woonde bij De Heer van Dieden aan de Plompentoren en had een attestatie uit Steenwijk van 7 april 1668, getekend door Jacobus de David. Theodora van Hattum, een jurist, woonde in de Jodenstraat en had een attestatie uit 's Hertogenbosch van 6 mei 1668, getekend door Wilhelm Costerus.
Niesken Cornelis woonde in de Muntstraat en had een attestatie uit Eck van 26 april 1668, getekend door Henricus a Laer. Lijsbeth Pieters van Swoll, een jurist, woonde bij De Vrouw van Harmsten en had een attestatie uit Kampen van 8 april 1668, getekend door Johannes ab Olen.
Neeltjen Gijsberts woonde in de Keizerstraat en had een attestatie uit Heusden van 22 april 1668, getekend door Leonardus van Rijssen. Catelijntje Pieters, een jurist, woonde in de Lauwerstraat en had een attestatie uit Amsterdam van 17 mei 1668, getekend door Laurentius Homma.
Nikolaas Vonk woonde buiten de Weer en had een attestatie uit Rotterdam van 27 juni 1668, getekend door Jacob Borstig. Anneke Beyers van Uden woonde buiten de Weer en had een attestatie uit Klaas van 12 april 1668, getekend door Johannes Alexander Neuspita.
De heer Henrick Haecx en Maria van den Bergh, zijn vrouw, woonden op het Sint Jans Kerckhof en hadden een attestatie uit Amsterdam van 26 april 1661, getekend door Per A Roij. Barbara Krodt woonde in de Domssteeg en had een attestatie uit Mülheim an der Ruhr van 18 april 1668, getekend door Jacobus Rhenferdius.
Maria van Gessel, de vrouw van Dirck van Hessel, woonde in de Ballemaeckersstraet. Mayken Dirckx, de vrouw van Gerrit Haechman, woonde op de Voorstraat. Grietien Vermeer, de vrouw van Dirck Vermeer, woonde in de Lauwerstraat.
Joan le Contre, een linnenmaker, woonde in de Beekelsteeg. Andries Essenius en Michiel Simons, een schilder, woonden in de Oude Gentman. Cornelis van Werckhoven, een linnenmaker, woonde in de Prins van Breen Twijstraat.
Janneke Kool, een jurist, woonde in de Choorstraat en had een attestatie uit Harlingen van 30 juni 1668, getekend door Matthæus Bernhardi. Sarie Jacobs woonde bij de Veerstraatbrug in het poortje naast De Sterre en had een attestatie uit Amersfoort van 20 juni 1668, getekend door Henricus Teeckmannus.
Geertruij Huijberts van Doorenweert, een jurist, woonde op de Breestraat en had een attestatie uit Tiel van 15 juni 1668, getekend door Cornelius Vdents. Anneken Dalwiks, een jurist, woonde bij de Bezembrug en had een attestatie uit Buckolt van 1 mei 1668, getekend door Johannes Wrsinus.
Geruchje Wijnen, een jurist, woonde op de Hansemarkt en had een attestatie uit Rhenen van 26 maart 1668, getekend door Paulus Andringa. Aeltje Folckers woonde op de Voorstraat en had een attestatie uit Voorst van 16 september 1667, getekend door Hermannus Altius.
Jacobus van Linschoten en zijn vrouw Grietje Sleeman woonden in de Lange Taverstraat en hadden een attestatie uit 's Gravenhage van 26 maart 1668, getekend door J. Vollenhoven. Susanna van Regenmorter, de vrouw van Adriaen van der Heyden, een advocaat, en Jannetje van Langenbergh, een jurist en hun dienaar, woonden op het Oude Kerckhof en hadden een attestatie uit Dordrecht van 14 april 1668, getekend door Grijphonius van Ravestijn.
Engel Jans woonde in het Baxensteegje en had een attestatie uit Bolsward van 21 maart 1667, getekend door Adolphus Marck. Hanschen Rossen woonde in Lijn en had een attestatie uit Rees van 26 april 1668, getekend door Johannes Justus Rötekenius.
Abrahamus Simonis en Petrus Simonis woonden in de Stroosteeg en hadden een attestatie uit Medtmann van 12 juni 1668, getekend door David Bongart. Berentie Jacobs, een jurist, woonde op de Marienplaats en had een attestatie uit Zutphen van 7 maart 1668, getekend door Cornelius Lambergius.
Belitje Swagers woonde in de Molensteeg op de Springweg en had een attestatie uit Nieuwpoort van 25 braakmaand 1668, getekend door Joannes Ubelman.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11298540 / 77
Op
21 augustus 1638 stelde
Willem Gomert, hoedemaker en burger van
Utrecht, in aanwezigheid van notaris
Nicolaes Verduyn en getuigen
Cornelis van Wijckersloot en
Ellert Lubbertsen van Oldenberch zijn testament op.
Hij benadrukte dat de dood onvermijdelijk is en wilde zijn bezittingen regelen. Hij schrapte eerdere testamenten, behalve een eerdere afspraak met zijn overleden vrouw
Annaken Adams van 's Grevenbroeck uit
27 september 1612.
Willem Gomert doneerde:
- 150 Carolusguldens (van 20 stuivers per stuk) aan de arme gemeente van de Engelse kerk in Utrecht, te betalen binnen 6 maanden na zijn overlijden.
- 100 Carolusguldens aan Andries Roest, een geldman in Utrecht, voor het afhandelen van zijn zaken in Amsterdam en Holland als hij zou overlijden aan zijn huidige ziekte.
Als universele erfgenaam benoemde hij
Catharijntgen Wijvalt Rutenberghs, dochter uit
Deventer, die 5 jaar bij hem had gewoond. Hij sluit alle anderen uit.
Het testament is bindend en vervangt alle eerdere testamenten of afspraken.
Willem Gomert behield het recht om het testament te wijzigen.
Op
20 augustus 1638 gaf
Ryck van Dieren, burger van
Utrecht, zijn zoon
Willem van Dieren volmacht om:
- een schuld van 70 Carolusguldens te innen van een waterbrief van 550 guldens, uitgegeven door Adriaen Stevensz Schuth uit Arnhem op 4 december 1630.
- de waterbrief te laten annuleren na betaling.
- alle juridische stappen te ondernemen, inclusief het indienen van vorderingen en het uitvoeren van vonnissen.
Ryck van Dieren beloofde dat zijn zoon alles zou doen alsof hij zelf aanwezig was. Dit werd bevestigd in aanwezigheid van getuigen
Geurt Jansz van Woudenberg en
Laurents ten Itale.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507220 / 284
De testateur Sander Pieters van Grevenbroeck bepaalt in zijn testament dat zijn vrouw Maritje Pieters na zijn overlijden alle kleding, linnen, wol, goud en zilverwerk mag houden die bij haar horen. Zijn twee kinderen uit een eerder huwelijk, Pr en Janneken Sanders, krijgen alle kleding die bij hem hoort. De overige goederen, schulden en rechten worden voor de helft verdeeld tussen zijn vrouw en voor de andere helft tussen zijn twee kinderen of hun nakomelingen.
Hij bevestigt dat dit zijn laatste wil is en dat deze na zijn overlijden moet worden uitgevoerd, ongeacht of alle formaliteiten zijn nageleefd. Het testament is opgesteld op 225 70 in het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Severeijn Terwelburgh en Bartholomeus Verselewel als getuigen.
Op 1661, 29 september om ongeveer half acht 's avonds, komt Lammert Theunisse, herbergier woonachtig buiten de Cruijspoort in Haarlem, voor notaris Zeeger van der Pullen. Hij is ziek en ligt in bed, maar heeft zijn volle verstand en geheugen. Hij benadrukt dat zijn ziel na zijn dood in Gods handen komt en zijn lichaam een christelijke begrafenis moet krijgen.
Hij benoemt zijn vrouw Sijtgen Jans als enige erfgenaam van al zijn goederen. Zij mag deze vrij gebruiken, verkopen of weggeven. Dit testament is zijn laatste wil en moet na zijn dood worden uitgevoerd. Het is opgesteld in zijn huis in aanwezigheid van Bartholomeus Verselewel en Jacobus de Bie als getuigen.
Op 1661, 2 oktober om ongeveer acht uur 's avonds, komt Neeltgen Theunis, weduwe van Claes, voor notaris Zeeger van der Pullen in Haarlem. Zij is ziek, maar heeft haar volle verstand. Ze denkt na over de broosheid van het leven en de zekerheid van de dood.
Om onzekerheid over haar dood voor te zijn, regelt ze de verdeling van haar goederen. Zij benoemt als erfgenamen:
Deze bedragen van in totaal 1000 gulden moeten worden veiliggesteld of verpand op haar huis aan de Meestraat. Als een van de kinderen van haar zoon overlijdt, gaat diens deel naar de andere kinderen, tot het laatste kind toe.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 227
De testateurs (erflaters) laten al hun bezittingen, of die nu klaar of nog niet klaar zijn, na aan de langstlevende van hen twee. Deze mag ermee doen wat hij of zij wil, zonder verzet van anderen.
Als de langstlevende trouwt, moet hij of zij de helft van de bezittingen van de eerste overledene (die dan nog bestaan) afstaan aan de kinderen van hun zus Maria van Reijnen en Dirck Grevenbroeck. Als beide kinderen ongetrouwd overlijden, erft de hele nalatenschap naar deze neven en nichten. Hun moeder en de zus van de testateurs mogen wel het vruchtgebruik (inkomen uit de bezittingen) houden zolang zij leven.
De testateurs benoemen als erfgenamen hun neven en nichten, met uitzondering van anderen. Zij sluiten ook alle officiële instanties, zoals weeskamers en rechtbanken, uit van bewind over de nalatenschap. In plaats daarvan benoemen zij Roelof Willems van Rijnen (wonend op de Haersteegd onder Vlijmen) en van Linden (wonend in Lith, kwartier van Maasland) als voogden en executeurs voor de minderjarige erfgenamen. Deze voogden krijgen alle nodige bevoegdheden, zonder verantwoording af te hoeven leggen aan anderen dan aan de erfgenamen zelf als die meerderjarig zijn of trouwen.
Als een van de voogden overlijdt, mag de langstlevende testateur een vervanger aanwijzen. Het testament is opgesteld op 20 april 1700 in Oosterwijk, in aanwezigheid van Bernardus van Hemert en Louis Wollaert als getuigen.
Op 12 februari 1700 erkent Adriaen Jansz Vermeer (wonend in Den Hout) schuldig te zijn aan Huijbert van Berkel en Hendrick Verhoeven (voogden van de kinderen van wijlen Adriaen Jansz) een bedrag van 250 gulden (à 20 stuivers per stuk, Hollands). Dit bedrag moet hij terugbetalen over 6 jaar, met een jaarlijkse rente van 3 gulden en 5 stuivers per 100 gulden. Als het bedrag niet op tijd wordt terugbetaald, blijft de rente doorlopen. Beide partijen moeten elkaar 4 maanden voor de vervaldatum waarschuwen.
Adriaen Jansz Vermeer verbindt zich en zijn bezittingen als zekerheid voor deze schuld. Huijbert van Berkel en Joost Arens van Tessel (als man en voogd van Geertruy Adriaen Elis) bevestigen dat het bedrag inclusief rente is betaald en vragen om de kwijting van deze schuld.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 358
In een testament uit 27 juli 1694 stellen Jan Hendrickense en zijn vrouw elkaar aan als enige erfgenaam van alle bezittingen, zoals geld, zilver, schulden en goederen. De langstlevende mag alles vrij besteden, verkopen of weggeven. Als er later nog bezittingen worden gevonden, worden deze verdeeld: de helft gaat naar de familie van Jan Hendrickense, en de andere helft naar de familie van zijn vrouw. Specifieke bedragen gaan naar bepaalde familieleden, zoals een dochter die 40 gulden krijgt. Een nicht van de vrouw van Jan Hendrickense erft de andere helft na het overlijden van de langstlevende.
Het testament is opgesteld in Tilburg in aanwezigheid van Dirck van Grevenbroeck en Adriaen Jacobshen als getuigen, en bevestigd door notaris Joannes Wittebol.
In een tweede testament uit 6 augustus 1694 in Woensel bepaalt Jacob Janssen van Woensel, weduwnaar en vader van vier kinderen (Maria, Joannes, Geertruijt en Peeter), dat zijn kinderen zijn enige erfgenamen zijn. Alle bezittingen, inclusief schulden en goederen, gaan naar hen. Als zijn kleinkinderen (van zijn zoon Joannes) zonder wettige geboorte overlijden, gaan de goederen terug naar de familie van Jacob Janssen van Woensel. Het testament is opgesteld in ’s-Gravenhage in aanwezigheid van Jan Peijnenborgh en Pieter Con. als getuigen, en bevestigd door notaris Joannes Wittebol.
In een derde document uit 8 augustus 1694 huurt Gerard van Zon een stuk land van ongeveer 7 quarter (een oude maat) in Brockhovensche akkers bij Tilburg aan Geert Cornelisz Breck. De huur duurt vier jaar, en de opbrengst van het land wordt elk jaar gelijk verdeeld. De huurder moet het land in goede staat houden en is verantwoordelijk voor eventuele schade. Het contract is opgesteld in aanwezigheid van Peeter Kosters en Antoni Wittebol als getuigen, en bevestigd door notaris Antoni Wittebol.
In een vierde document uit 8 augustus 1694 wordt bevestigd dat Claesken Willem Heijkants, ziek te bed, een verklaring aflegt in Tilburg in aanwezigheid van notaris Joannes Wittebol.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069124 / 243
1700:
Boudewijn en gront delle en
Willemijntie Zeemans, een echtpaar uit
Bergh, lieten bij notaris
Michiel van Tilburgh een testament opstellen.
Boudewijn was ziek en bedlegerig, maar bij vol bewustzijn. Ze wilden hun wereldse bezittingen regelen voor hun overlijden.
Ze begonnen met het toevertrouwen van hun ziel aan
God en het verzoeken om een eerlijke begrafenis voor hun lichaam.
1711:
Er was een huurovereenkomst voor land in
Bergh. De huurder moest:
- de huur betalen totdat hij het land volledig had gebruikt;
- bomen planten die geschikt waren voor planken, zowel voor hoog als laag land;
- het land niet vaker dan één keer per jaar laten begrazen door paarden, behalve met toestemming en tegen betaling van een dubbele pacht en 25 gulden per paard;
- wegen, steegjes, dammen, bruggen en beken onderhouden;
- reparaties uitvoeren, behalve het graven van nieuwe sloten (dat was voor rekening van de eigenaar);
- kosten voor zegels en schrijfgeld betalen.
De huurder,
Barthelomeus de Hoogh, en
Juris stonden als borg.
Lambert Vijff huijsen en
Jan van Buijle werden als getuigen genoemd.
De akte werd op
23 oktober 1711 ondertekend in
Bergh door
Jan van grevenbroeck,
Bartholomeus geordt Campe,
Michael van borgh en anderen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739568 / 77
Op
25 april 1653 hielden
Veth en andere gedeputeerden, zoals
van Genth,
Verbolt,
Capelle,
Raesfelt en
Huijgens, een vergadering in
Den Haag.
- De verzoeken van Anna en Margareta Balschi (dochter van Francois Balochi) werden uitgesteld.
- Het verzoek van Guillius Sijlvius werd besproken, maar er werd geen beslissing genomen.
- Er werd besloten een commissie te sturen voor Pieter Maertenl Moijman Cape om namens het schip de Vraemer tegen de Engelsen op te treden.
- Het verzoek van de weduwe van Philips Gersij werd in lijn met eerdere besluiten afgewezen.
- De verklaring van de cipier van de voorpoort van het hof in Den Haag werd doorgestuurd naar de voormalige secretaris Gerart van der Haer voor informatie.
- Eddinck Jacobssen Stampenhove werd benoemd tot kapitein voor de Oost-Indische Compagnie in Hoorn.
- Het verzoek van Elisabeth van Grevenbroeck over een rente van 50 gulden werd doorgestuurd naar rentmeester Pieck voor advies.
- Het verzoek van de erfgenamen van het dorp Son om toezicht op de dorpsrekeningen werd doorgestuurd naar de betrokkenen voor reactie.
- François de Ram, heer van Hagendoorn, kreeg toestemming om voor 6 weken naar Vlaanderen te reizen voor persoonlijke zaken, mits hij een geschikte kapitein achterliet in Steenbergen.
- Het verzoek van Covelars (dochter van kapitein Lovelars) voor een toelage van 50 gulden werd uitgesteld.
- Een brief van Cornelis Proeningh (schout van Peelland in de Meijerij van 's-Hertogenbosch) over Gerlingh Willemsen werd als antwoord beschouwd en verder niet besproken.
- Brief van Consul Abraham Casembroot uit Messina en Jacomo Strijcker uit Venetië werden ontvangen, maar er werd geen beslissing genomen.
- Er werd bericht ontvangen dat het schip de Luypert van kapitein Herman Sonne was gezonken. Hij werd tijdelijk overgeplaatst naar het veroverde schip Luijpart.
- Het verzoek van Henrick de Cock (schoolmeester in Maren) om een vervanger aan te stellen tijdens zijn afwezigheid werd afgewezen.
- Het verzoek van de kooplieden die handelden op Saint-Malo om contrabande waar naar Saint-Malo te mogen vervoeren werd afgewezen.
- Er werd besloten dat dubbele stuivers met het wapen van Frisia 1652 in de hele Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden verboden zouden worden.
- Het rapport van Raesfelt en andere gedeputeerden over de Meijerij van 's-Hertogenbosch werd gehoord. Het verzoek van Henrick Brant (schoolmeester in Velthoven) om verplaatsing naar Lommel werd besproken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3259 / 0453
Op
2 juni 1702 werd in een vergadering onder leiding van
Mulert besproken of verschillende verzoeken om paspoorten goedgekeurd konden worden.
- Gerredt Slooter, schipper namens de volmolenaars uit Noord-Holland, kreeg toestemming om met goedgekeurde kooplieden naar Gent te varen en graan te halen. Dit graan mocht 2 maanden lang ongehinderd naar Holland worden gebracht. Het Collegie ter Admiraliteit in Zeeland kreeg opdracht om hierop toe te zien. De gedeputeerden van Zeeland waren het hier niet mee eens.
- Jan de Leeuw, Bastiaen de Roij, Arien Heijmans, Meerten de Leeuw, Jan van der Hoeven en Adriaan Spranger uit Ramsdonk, Waspik, Schijfduin, Capel, Besoyen, Sprang en Schravenmoer (in de Langestraat onder Dordrecht) kregen toestemming om paarden te vervoeren naar deze plaatsen. Op het paspoort moesten jaar, kleur en merkteken van de paarden worden genoteerd.
- Nicolaes Aert Voskens, Anthonij Sijmon Emmen, Jan de Roij, Bastiaen Smittens, Adriaen Somers, Peter van Roestelbergh, Jan Colen, Jan van Asten, Peter Verhiel uit Tilburg en Aert Janssen uit Grevenbroek (Udenhout) mochten ieder één paard kopen en in totaal 10 paarden naar Tilburg en Udenhout vervoeren. Ook hier moesten jaar, kleur en merkteken op het paspoort staan.
- Anthonij Alvares Machado, proviandmeester-generaal, kreeg toestemming om zonder belasting te betalen 1 miljoen pond hooi van de Langestraat, Maas, Waal en Rijn naar Nijmegen en De Graaf te vervoeren voor het leger.
- Jean Reijnniers, koopman uit Parijs, kreeg toestemming om naar Parijs te reizen.
- N. de la Marivelle, koopman uit Rouen, kreeg toestemming om naar Rouen te reizen.
- Marie Anne van der Vinck, echtgenote van J. de Vriese uit Gent, kreeg toestemming om met haar dochter en bagage naar Gent terug te keren.
De gedeputeerden van
Holland en
West-Friesland stemden in met het arresteren (intrekken) van verschillende orders en plakkaten die te maken hadden met de oorlog. Hierbij ging het om:
- het formulier voor commissies en de instructie voor commissievaarders;
- het plakkaat voor het terugroepen van scheepsvolk uit vreemde dienst;
- het plakkaat over het bergloon (beloning voor geredde schepen).
De gedeputeerden van
Zeeland moesten hier nog op reageren.
Er werden brieven ontvangen van:
Op deze brieven werd geen besluit genomen.
Aanwezig waren onder anderen
Gent,
Lintelo,
Essen,
Ham,
Slingelandt,
Bleyswyck,
de Haes,
Bors van Waveren, raadpensionaris
Heinsius,
Odyck,
van Hecke, een extra gedeputeerde uit
Zeeland,
Bergesteyn,
Domburgh,
Du Tour,
Hairingen,
Lemker,
De Drews,
Clant en zes extra gedeputeerden uit
Stad en Lande.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3346 / 0639
In 1694 schreven Ernst de Hevere van Westisselmondi en anderen aan de Hoog Mogende Heren over een geschil rond inkomsten die niet klopten met een eerdere akte. De Raad van State had op 14 februari 1664 een besluit goedgekeurd, maar Raes van Grevenbroeck had op 20 september 1668 een kopie aan Willem Kelberts van Ravesteijn gegeven. Er was twijfel of deze inkomsten, bedoeld voor missen en andere katholieke diensten in de kapel van het huis of de parochie van Mierlo, ooit aan Ravesteijn toebehoorden. Barbaro van Schergenreel, weduwe van Grevenbroeck, bevestigde dat de stichtingsbrieven ontbraken en dat de inkomsten al lang voor 1648 aan priesters waren gegeven. De adviseurs vonden dat deze inkomsten bestemd moesten blijven voor de gereformeerde godsdienst, tenzij de stichtingsbrieven het tegendeel zouden aantonen. Op 19 september 1693 had de Hoog Mogende Heren besloten dat zonder deze brieven geen goedkeuring voor giften zou worden gegeven, ook al kon de eiser eerdere bezittingen aantonen.
Op 9 november 1694 werd dit rapport ondertekend door Johan de Veer van de Generaliteits Rekenkamer.
In een ander rapport van 13 december 1694 meldden de Gecommitteerden in de Generaliteits Rekenkamer dat de provincie Friesland sinds 20 februari 1692 de honderdste penningen (een soort belasting) had ingetrokken op sommen uit een ordonnantie. Dit had geleid tot een schade van 3.945 gulden en 13 schellingen voor het Collegie ter Admiraliteit. Bovendien was er een schade van 3.939 gulden en 19 schellingen door een ordonnantie van 26 maart 1693, omdat schellingen niet langer gangbaar waren en de waarde was gedaald. De Ontvanger-Generaal had deze bedragen moeten ontvangen, maar kon ze niet uitbetalen zonder verlies.
De Gecommitteerden wezen erop dat volgens hun instructie van 2 januari 1622 (artikel 3) onderzocht moest worden hoeveel elke provincie had betaald voor de oorlogskosten. Ze vreesden voor verwarring in de rekeningen van Cornelis de Jonge van Ellemeet, de Ontvanger-Generaal, die assignaties had gegeven aan het Collegie ter Admiraliteit zonder rekening te houden met de kortingen en schade. Ze verzochten de Hoog Mogende Heren om maatregelen te nemen om verdere schade te voorkomen.
Op 11 december 1694 werd dit rapport ondertekend door ster. van Rhemen en Johan de Veer.
De Gedeputeerde Staten van Friesland bevalen op 20 maart 1693 de Ontvanger-Generaal Sibrant van Ockinga om 53.945 gulden en 13 schellingen te betalen aan de Raden ter Admiraliteit te Harlingen voor de equipage ter zee in 1692. Dit werd ondertekend door J. V. Aylva, E. Willinga, A. Lijcklama a Nijeholt, B. V. Vreessen en V. van Glinstra.
Op 8 maart 1693 ontving de Ontvanger-Generaal een ordonnantie van 53.945 gulden en 15 schellingen van de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Friesland. Hij moest 4.495 gulden en 8 schellingen in rekening brengen als tekort voor de betaling van kapiteinskosten voor de equipage van 1692. Omdat schellingen niet langer gangbaar waren, verzocht hij om een decharge (vrijwaring) om dit bedrag alsnog in rekening te kunnen brengen.
Op 22 maart 1693 werd dit verzoek goedgekeurd en ondertekend door B. van Nijsten en T. Lanting.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11203 / 0219
Op
16 november 1660 in
Den Haag ontvingen de heren een brief van de
Gecommitteerden in de Rekenkamer van de Generaliteit. Hierin ging het over de kosten van de bussen voor de boden van de Generaliteit.
Na overleg werd besloten:
- Elke bode en assistent-bode van de Generaliteit krijgt een nieuwe bus met het wapen van de plaats waar hij werkt. Deze bus is een antwoord op een brief van 28 oktober 1660 over de inning van geld in het graafschap Oost-Friesland.
- De brief wordt doorgestuurd naar de Gedeputeerden voor Oost-Friesland, inclusief heer Isselmude, om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
Op verzoek van
Françoise Danchies om een subsidie, werd besloten haar eenmalig 25 gulden toe te kennen.
Op verzoek van
Charles Floid, een gereformeerde kapitein, werd hem toestemming gegeven voor 3 maanden naar
Engeland te reizen voor persoonlijke zaken.
Op verzoek van
Jan Roijen, inwoner van
Dalem en
Overmaas, die klaagde dat
Frans Wijnandt van Eijnatten, heer van de bank van
Gulpen in
’s-Hertogenrade, zijn vruchten onterecht had geconfisqueerd, werd besloten het verzoek door te sturen naar de
Raad van State voor advies.
Op verzoek van
Cornelis van Grevenbroeck, heer van
Swijnsbergen, om
heer van Raesfelt te vervangen bij het onderzoeken van een eerdere aanvraag, werd
heer van Braeckel aangewezen om dit zo snel mogelijk te doen en rapport uit te brengen.
De boden en assistent-boden moeten de nieuwe bussen gebruiken en deze doorgeven aan hun opvolgers. Als ze dit niet doen, worden zij of hun erfgenamen beboet met 50 gulden. Een afschrift van dit besluit wordt gestuurd naar de
Raad van State en de
Rekenkamer van de Generaliteit.
Er werd een brief ontvangen van
commissaris Pels uit
Dansich met een mededeling, maar hierop werd geen besluit genomen.
Op
17 november 1660 werden de besluiten van de vorige dag gelezen en samengevat. Ook werd een memoriaal van de
Franse ambassadeur gelezen, waarin hij toestemming vroeg voor het uitvaren van het schip
St. Louis van de koning van
Frankrijk, bestemd voor
China en nog in
Amsterdam. Na overleg werd besloten:
- Een kopie van het memoriaal wordt gestuurd naar het Collegie van de Admiraliteit te Amsterdam met het verzoek om de nodige orders voor het uitvaren te geven, tenzij er belangrijke redenen zijn om dit niet te doen. In dat geval moeten zij dit zo snel mogelijk melden.
Op verzoek van de hoofddirecteuren, dijkgraven en gezworenen van de dijkage van
Beoostereede tegen burgemeester en schepenen van
’s Lands van de Vrije in
Sluis (
Vlaanderen), werd besloten het verzoek door te sturen naar de
Gedeputeerden voor Vlaanderen, waaronder
heer Huyghens, om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
Op verzoek van de weduwe van
Pieter Gillisz, molenaar in
Beoostereede bij de parochie van
Sint-Laurens, die klaagde dat een jaar geleden op bevel van de Generaliteit het molenijzer van haar molen was meegenomen naar
Sluis onder het voorwendsel dat de molen onder een octrooi van de koning van
Spanje zou vallen, werd besloten het verzoek door te sturen naar de
Raad van State voor advies.
Op verzoek van
Jacob Lievens, burger en koopman uit
Middelburg (
Zeeland), die gevangen zat in
Gent en om vrijlating vroeg, werd besloten het verzoek door te sturen naar
heer van Crommon om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
Op verzoek van soldaten die betrokken waren bij een gevecht bij
Nieuborch in
Friesland en om losgeld voor gevangenen vroegen, werd besloten het verzoek door te sturen naar de
Raad van State voor advies.
Er werd een brief ontvangen van de
administrateuren van de Stenden van Oost-Friesland uit
Emden met een reactie op een brief van de Generaliteit van
28 oktober 1660. Hierin gaven zij aan dat zij niet van plan waren om de resolutie van
29 september 1660 over de inning van geld voor de betaling van de vierde termijn, die de Stenden nog aan de staat schuldig waren, verder uit te breiden of te misbruiken. Na overleg werd besloten de brief door te sturen naar de
Gedeputeerden voor Oost-Friesland om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
Op verzoek van
Etsert Benedic uit
Bolsweert (
Friesland) om uitstel van betaling aan zijn schuldeisers in
Friesland en
Holland, werd besloten hem door te verwijzen naar de provincies
Holland en
Friesland of de hoven van justitie aldaar.
Op voorstel van de
Gedeputeerden voor Vlaanderen, waaronder
heer Huyghens, werd besloten om de heren
Gedeputeerden te vragen in overleg te treden met enkele
Gecommitteerden uit de Raad van State over de afbetaling van de schulden van de stad
Hulst en het
Hulsterambacht aan verschillende particulieren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3266 / 0685
Op
23 maart 1747 werd besloten dat een kopie van een eerdere brief zou worden gegeven aan de heren
van Benthem en andere gedeputeerden voor militaire zaken. Zij moesten samen met enkele gecommitteerden uit de
Raad van State de zaak onderzoeken en verslag doen aan de vergadering.
Op
23 maart 1747 ontving men een brief van de
Raad van State uit
Den Haag, gedateerd
21 maart 1747. Hierin werd advies gegeven over de verzoek van
Peter Vonck om 100.000 naties fourage naar
Venlo te leveren. Het verzoek om een paspoort voor vrij transport zonder betaling van landsrechten werd goedgekeurd.
Op
23 maart 1747 ontving men een brief van
Grave van Rechteren, hoogschout van
’s-Hertogenbosch, gedateerd
28 maart 1747. Hij meldde dat
Generaal-Major de Guij, die op dat moment in
’s-Hertogenbosch commandeerde, zich bemoeide met de rechtspraak over een soldaat die buiten het garnizoen een misdrijf had gepleegd. De soldaat was gearresteerd en door de dienders van de justitie binnengebracht om in de gevangenpoort te worden opgesloten.
Grave van Rechteren verzocht dat
Generaal-Major de Guij de soldaat weer zou overdragen, zodat tegen hem kon worden opgetreden volgens de wetten en plakkaten van het land. Het werd goedgekeurd om een kopie van de brief en bijlagen naar
Generaal-Major de Guij te sturen. Totdat zijn reactie was ontvangen, zouden alle procedures in deze zaak worden opgeschort.
Op
23 maart 1747 werd de verzoek van
Elias Zonnevijlle, griffier van
Oostburg, en
Johanna Margreta van Grevenbroeck behandeld. Zij vroegen om octrooi om over 20 gemeten grond in
Vlaanderen te mogen beschikken, met uitsluiting van de weeskamer. Dit verzoek werd goedgekeurd, mits de verschuldigde rechten werden betaald.
Op
23 maart 1747 werd het verzoek van
Hendrik Adriaan Wiltens uit
Den Haag goedgekeurd. Hij kreeg een paspoort om met zijn vrouw en twee dienstmeisjes naar
Brussel,
Vlaanderen en
Brabant te reizen en weer terug te keren.
Op
24 maart 1747 werd onder voorzitterschap van
van Haren en in aanwezigheid van diverse gedeputeerden en raadpensionarissen de resoluties van de vorige dag gelezen en samengevat.
Op
24 maart 1747 werden verschillende brieven ontvangen van:
Op deze brieven werd geen resolutie genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3484 / 0350
De overheid besloot om een verzoek door te sturen naar de ontvanger
Florentius Schuijl voor informatie.
De heren
Raesfelt en andere afgevaardigden van de overheid rapporteerden over de zaken van de meierij van
's-Hertogenbosch. Ze hadden op
14 maart een onderzoek gedaan naar de verzoeken van
Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester van
Legemeer.
Abberdaen vroeg om bevestiging van de benoemingen door
Augustinus Wichmans, abt en heer van
Tongelre, voor drie kerkelijke functies in de kerk van
Mierlo (in het kwartier van
Peelland):
De overheid besloot het verzoek door te sturen naar de rentmeester
Pietersson om te onderzoeken of deze functies al waren toegekend aan goede doelen.
De afgevaardigden
Swanenburch,
Stavenisse,
Wijckel en de thesaurier-generaal
van Beberningk (met afwezige
Isselmuijder) rapporteerden over hun missie in de provincie
Stad Groningen en
Ommelanden. Op
28 februari hadden ze geprobeerd de provincie te overtuigen om het middel van de
200 penning in te voeren. Op
22 januari waren ze samen met
prins Willem van Nassau, stadhouder, in
Groningen om nieuwe geschillen op te lossen die waren ontstaan sinds het reglement van
8 juli 1655. De overheid bedankte
prins Willem van Nassau en de afgevaardigden voor hun inspanningen en vroeg hen om een voorstel te maken voor de toekomstige besturing van
Ommelanden, gebaseerd op het reglement van
8 juli 1655.
Een extract uit het resolutieboek van
Stad Groningen en
Ommelanden van
3 maart 1659 meldde dat de afgevaardigden de noodzaak benadrukten om de
200 penning in te voeren voor de verdediging van de staat, onder andere tegen Turkse rovers in de Middellandse Zee en de oorlog tegen
Portugal. De Staten van
Groningen beloofden hierop te reageren.
De overheid bedankte de afgevaardigden voor hun moeite.
De heren
Raesfelt en andere afgevaardigden rapporteerden op
4 maart over een verzoek van
Jan Jans. Deze bood aan om informatie te geven over goederen en zaken van belang voor de staat, in ruil voor een beloning. De overheid vroeg de afgevaardigden en gecommitteerden van de
Raad van State om advies hierover.
De heer
van den Honert, afgevaardigde naar
Thorn, meldde dat hij opmerkingen had over het reglement voor vredesonderhandelingen in het noorden. De overheid vroeg de heren
van Ommeren en andere eerdere afgevaardigden voor
Zweden en
Polen om samen met
van den Honert het reglement te bespreken en rapport uit te brengen. De heren
Oostdorp en
Swanenburch werden ook gevraagd hierbij aanwezig te zijn.
De afgevaardigden van
Zeeland deden een mededeling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 149 / 0075
De gedeserteerde matrozen kregen gratie en
Capi„teyn moest voor zijn schip 140 gulden betalen. De requirant mocht tussen de schepen van
Laagers beslag leggen.
De Heer Predikant van Grevenbroeck vroeg om met pensioen te gaan vanwege zijn hoge leeftijd, gezondheidsproblemen en geheugenverlies. Na 40 jaar dienst in de kolonie werd zijn verzoek goedgekeurd.
H: E: G: A stelde voor om hem een jaarlijkse toelage van 400 gulden te geven. Ook werd besloten een predikant voor de gemeenschap van
Dimmerarij te zoeken, met dezelfde voorwaarden als in de rivier.
Dhr. Stephanus Gerardus van der Heijden, kapitein, had verzocht om timmerlieden en
Indiaenen te mogen huren om werk te verrichten. Omdat er niet genoeg vrije
Criolen beschikbaar waren, kreeg hij toestemming om twee slaafgemaakten te huren op kosten van de kolonie.
Tobias van Braband wilde vertrekken met het schip
Jongen Abraham en eiste geld terug dat
Assistent Elias in
Dimmerarij van hem had ontvangen.
De Heer Raad Halen kreeg de opdracht om
Assistent Elias te vragen ervoor te zorgen dat
Van Braband voor zijn vertrek betaald zou worden.
Er was een probleem met vreemdelingen die in de kolonie verbleven zonder kennisgeving aan
De Heer Directeur Generaal. Besloten werd dat vreemdelingen niet langer dan één nacht bij een inwoner mochten verblijven zonder zich aan te melden. Bij overtreding zou de inwoner 100 gulden boete krijgen en zou de vreemdeling worden gearresteerd.
De Heer Raad Repersberg deelde mee dat
Johannes Keuman uit
Cajoenij berichtte dat de
Caribisen van plan waren een Spaanse missiepost aan te vallen. Ze zouden eerst om kruit vragen. Besloten werd om de
Caribisen geen kruit te geven en
De Heer Directeur Generaal te vragen de commandant van
Guaijana hiervan op de hoogte te stellen.
Hendrik Bisterus was uit de kolonie
Berbice gevlucht en had zich tot
De Heer Directeur Generaal gewend. Besloten werd dat deze zaak onder de verantwoordelijkheid van
De Heer Directeur Generaal viel.
De jaarlijkse dank- en bededag in
maart 1737 werd vastgesteld op woensdag
9 maart.
De weeskamer kreeg een verzoek van
George Christoffel Dinkelberg om de nalatenschap van
Jacobus Batet te gebruiken om diens schulden af te lossen. Dit werd goedgekeurd. Ook werd besloten commissarissen aan te stellen om de boedel van
Nicols Coquest te onderzoeken.
Janatius van Hoek klaagde dat vrije
Indiaanse kinderen,
Pamphilius en
Mancelijtie, na 5 jaar bij hem te hebben gewerkt, waren weggelopen. Hij eiste dat ze voor dezelfde periode bij hem terug moesten keren. Besloten werd eerst de kinderen en hun vrienden te horen voordat er een beslissing werd genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AB.3.9B / 0051
Op
17 september 1660 in
Haarlem sloten
Daniel Cambij de Jonge, timmerman uit
Heemstede, en
Jannetje Jans van Grevenbroeck een huwelijkscontract.
Afspraken:
- Als de bruidegom overlijdt, krijgt de bruid alle roerende goederen (zoals meubels en huishoudelijke spullen) en de helft van de gemeenschappelijke goederen. De andere helft gaat naar de erfgenamen van de bruidegom.
- Als de bruid overlijdt, geeft de bruidegom alle kleding van de bruid aan haar erfgenamen. De rest van haar goederen (roerend en onroerend) blijft volledig in handen van haar erfgenamen.
- Beide partijen brengen hun eigen goederen in het huwelijk in, beschreven in een inventaris. Deze goederen blijven persoonlijk eigendom en keren na overlijden terug naar de oorspronkelijke eigenaar of diens erfgenamen.
- Winst en verlies tijdens het huwelijk worden gelijk verdeeld.
- Erfgoed dat tijdens het huwelijk wordt verkregen, wordt ook gelijk verdeeld.
Getuigen:
Barent Jansen,
Gillis de Remaulx,
Pynckgen de Remants,
Jean de Remaulx,
Hoofdt Pardoel (notaris).
Op
24 september 1660 in
Haarlem bevestigden
Daniel Cambij Bleijker (vader van de bruidegom) en
Hendrik van Schendel (schoolmeester uit
Heemstede) als getuigen het contract.
Op
25 september 1660 in
Haarlem dicteerde
Lijsbet Jans van Buijl, ziek te bed in
Overveen, haar testament.
Afspraken:
Getuigen:
Daniel Rambij de Jonge,
Jan Jans van Grevenbroeck,
Daniel Cambij,
Hendrik van Schendel,
T'oirconden,
E. Een Bardoel (notaris).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842798 / 275
Op
27-02-1727 in
Haarlem maakten
Jacob van Grevenbroek en
Reijnier Smedingh, als executeurs van het testament van
Jacob Peek, bekend dat zij aan de erfgenamen de erfenis van
Jacob Peek uit de nalatenschap van zijn overleden vrouw
Geertruijd van Grevenbroek hadden overgedragen. Dit betrof zowel de erffportie als alle bijbehorende papieren en documenten.
De erfgenamen verklaren
Jacob van Grevenbroek en
Reijnier Smedingh volledig kwijt te schelden voor hun werk als executeurs. Zij beloofden hen schadeloos te houden voor eventuele claims.
Verder bevestigden de erfgenamen dat zij de erfenis van
Jacob Peek uit de nalatenschap van
Geertruijd van Grevenbroek eerlijk hadden verdeeld en dat ieder zijn deel had ontvangen. Zij beloofden geen verdere claims te zullen indienen.
Er bleven nog twee zaken onverdeeld:
- een derde deel van een schuldbrief van 250 gulden met rente, ten laste van Sijtje Eriks, weduwe van Vosett;
- een vierde deel van een huis en erf in de Giesstraat, in afwachting van een legaat van 3000 gulden dat Geertruijd van Grevenbroek onder bepaalde voorwaarden aan Daniel de Vos had nagelaten.
De kosten hiervoor zouden gezamenlijk worden gedragen en de opbrengsten verdeeld.
Alle relevante papieren waren overgedragen aan de diakenen van de
Gereformeerde Nederduitse Kerk in
Haarlem, die deze als codicillaire legatarissen in bewaring hadden genomen. Onder deze documenten bevonden zich:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843136 / 272
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1817047 / 263
In
1707 werden verschillende juridische documenten opgesteld in
Nederland:
In
1708 werden onder andere de volgende documenten opgesteld:
In
1707 en
1708 werden nog meer volmachten en testamenten opgesteld, waaronder:
- Jacob van Gijsse en Jan Cools regelden een volmacht voor Joost Basen en voor de Hagoort.
- Anna van Cassopijn regelde een volmacht voor Johannes Cop.
- Er was een testament voor Metie Jans, weduwe van Cornelis Aerde.
- Er was een testament voor Corn Cornelisse Nobel.
- Pleuntje Cornelisse, weduwe van Jacob Abraham, regelde een volmacht voor Willem Abrahams.
- Er was een testament voor Anthonij Tijsse Conincx en Jenneke Adriaen de Jongh.
- Gilis Wijnoxberger en Martijntje van Heusden regelden een lening voor 1207 oud land.
- Er was een testament voor Willem Jansse Ins en Adriaentje Avontuer.
- Er was een testament voor Adam de Gilde en Alida Wijnoxbergen.
- Henneke de Mooij, weduwe van Lindert de Exter, verkocht land aan Cornelis van Rijckevorsel.
- Er was een testament voor Claes Dircxsz Swaens.
- Johanna van Gijse regelde een lening voor land.
- Er was een testament voor Corstiaen Willemse Lipper en Geertruij Cornelis.
- Er was een testament voor Huijbert Adriaense Prins en Marike Leenderde van den Broeck.
- Pieter Doome van Damus van Sasburgh regelde een huurcontract.
- Er was een testament voor Adriana Voordij, weduwe van Gijsbert van Giels.
- Gijsbert Ottens regelde een lening voor Magtelina Winckelmans.
- Er was een testament voor Dirck Seijlmans, voormalig schout van Raamsdonk.
- Magrita, weduwe van Jan Moleschot, regelde een volmacht voor Oos en Jan Moleschot.
- Er was een testament voor Hester Gibbes, weduwe van Johannes Heijmans.
- Er was een testament voor Jan Jansse Ven Is en Neeltje Hendricx Boesers.
- Er was een testament voor Adriaentje Govers en Adriaen Centen.
- Er was een testament voor Jan Pijl en Barbera Meerhout.
- Er was een testament voor Nicolaes Turck en Waria Janse.
- Er was een testament voor Nicolaas Turck en Maria Jans.
- Geertruij Hardenbergh, weduwe van Etersen, regelde een volmacht voor Melchior Etersen.
- Er was een testament voor Marinis Adriaensen en Marit Adriaensz van Dipendael.
- Dirck Bastiaense Hulsmans regelde een volmacht voor J. van Tilborg.
- Jan Cools regelde een lening namens het land.
- Gilis Wijnoxbergen regelde een lening namens het land.
- Gielis Wijnoxbergen regelde een volmacht voor Aert Muijs.
- Er was een testament voor Thomas Pieter Cocke en Lijsbeth Daniels.
- Gerit Bisschop regelde namens zijn vrouw een volmacht voor Cornelis van Outheusden.
- Er was een testament voor Cornelis Aerde de Jongh en Anna Berbel Gramel.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739692 / 31
Tijdens een vergadering werd een rapport van de Bewindhebberen van de oude West-Indische Compagnie voorgelezen. Hierin stond dat zij eerder heer van Beuningen en Ambr. van den Staet naar de koning van Groot-Brittannië hadden gestuurd met een verklaring over de schade en rente die de compagnie had geleden door de inbeslagname van het schip Asia. Dit schip was op 27 mei 1674 tussen Mourée en Cormantijn door een Engels fregat aangevallen en veroverd, 12 dagen na het einde van de vijandelijkheden tussen beide landen. De bewindhebberen vroegen of hunne Hoog Mogenden heer van Beuningen in een nieuwe brief wilden vragen om met krachtige diplomatieke stappen te zorgen voor de volledige, kosteloze en schadeloze teruggave van het schip met lading. Na overleg werd besloten om de eerdere correspondentie hierover op te zoeken en te bekijken.
Ook werd een verzoek van Pieter van Borssele van der Hooghe, heer van der Hooghe en Nieuwliet, en gecommitteerde in de Vergadering van Staten van Walcheren, voorgelezen. Hij was getrouwd met Constantia Theresia van der Goes, erfgename van Marcelis van der Goes en eerdere heren van Nieuwliet. Het verzoek betrof een rechtszaak tussen hem en Cornelis de Boot, de voormalige heer van het hof van Cadsant. Pieter van Borssele van der Hooghe vroeg om een civiele rechtszaak met committimus aan de Hoge Raad in Holland, waar de zaak was gedelegeerd. Hij wilde verschillende documenten en artikelen uit zijn antwoord kunnen gebruiken als bewijs. Na overleg werd besloten om in te stemmen met dit verzoek en de gevraagde brieven voor de civiele rechtszaak met committimus naar de Hoge Raad te sturen.
Ten slotte werd een verzoek van de advocaat-fiscaal en procureur-generaal van Brabant voorgelezen. Hierin stond dat Barbara van Scherpenzeel, weduwe en vruchtgebruikster van de nalatenschap van Erasmus van Grevenbroeck, en als moeder en voogdes van haar kinderen bij Grevenbroeck, aanspraak maakte op het dorp en de heerlijkheid Mierlo met alle bijbehorende rechten. Zij had een dagvaarding voor een rechtszaak bij de Raad en Leenhof van Brabant in 's-Gravenhage laten uitvaardigen op 22 van de lopende maand, gericht op het verkrijgen van de heerlijkheid en alle bijbehorende rechten. De advocaat-fiscaal en procureur-generaal vonden dat zij zich niet in deze zaak konden mengen zonder eerst kennis te geven aan hunne Hoog Mogenden en hun goedkeuring en orders te vragen. Zij vonden ook dat zij de zaak niet goed konden behandelen zonder de nodige instructies en kennis van eerdere verzoeken die Barbara van Scherpenzeel of haar voorgangers aan hunne Hoog Mogenden hadden gedaan. Zij vroegen om orders en goedkeuring van hunne Hoog Mogenden over het vervolgen van de zaak en om opzoek te doen in de griffie naar eerdere verzoeken en resoluties die relevant waren voor de verdediging van het recht van hunne Hoog Mogenden. Na overleg werd besloten om het verzoek in handen te geven van heer Ruijter en andere gedeputeerden van hunne Hoog Mogenden voor de zaken van de meierij van 's-Hertogenbosch, om het te onderzoeken en te bekijken. De aanwezige heren gedeputeerden mochten, bij afwezigheid van een of meer van hen, met de aanwezigen doorgaan en verslag doen in de vergadering.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 224 / 0355
Henricus Versteegh en zijn zus
Geertruid Versteegh woonden in
Steenweg in
november 1653 met een verklaring uit
Hoorn van
16 september 1653. Getuigen:
Gerardus Puppius en
Georgius Goethals.
Henricus Rouse, student theologie, woonde in
Lijnmarkt met een verklaring uit
Deventer van
25 juli 1653. Getuige:
Henric Malecootius.
Antonius de Rijck woonde in de
Mariaestraat met een verklaring uit
Tiel van
23 augustus 1653. Getuige:
Ottho Glimmerus.
Lambertus van Bommel woonde in
Snippevlucht met een verklaring uit
Deventer van
15 augustus 1653. Getuige:
Wilh. Alstorpius.
Abrahamus Nethenus, student theologie, woonde in
Snippevlucht met een verklaring uit
Batenburg. Getuige:
Joh. Valentinus Ruppius.
Anna Gelton, weduwe, woonde op het
Hof met een verklaring uit
Vianen van
november 1684.
Johannes Luilophs woonde op
Domskerckhof met een verklaring uit
Franeker van
15 mei 1653. Getuige:
Jos. Walckens.
Geertje Gerrits van Nes, weduwe, woonde op
Domskerckhof met een verklaring uit
Vianen van
11 september 1653. Getuige:
Abbema.
Christianus ten Ham, student, woonde in de
Donckerstraat met een verklaring uit
Harderwijk van
26 juni 1653. Getuige:
Otto van Hetteren.
Walterus van Halewyn en zijn zus
Maria van Halewyn woonden op
Munsterkerckhof met een verklaring uit
Alphen van
3 augustus 1653. Getuigen:
Joach. Horstius,
Petrus Neckius.
Petrus Neckius, student, woonde op
Steenweg met een verklaring uit
Cortehoef van
18 september 1653.
Arn. Neckius en
Cornelius Cornelis, studenten, woonden bij
Nicolis van de Weteringen op de
Nieuwe Gracht bij
Muntstraat met een verklaring uit
Hees in het land van Nieuwegen van
24 september 1653. Getuige:
Johannes Cornelis.
AEgidius de Raedt, student, woonde op de
Nieuwe Gracht bij
Zuijlestraat in het huis van
Joffr. van Wyngaerden met een verklaring uit
Amsterdam van
28 augustus 1653. Getuige:
Abrahamus Roesel.
Franciscus Blanckius woonde bij
Willem Thomassen Pey, een Engelsman, op
Buurkerckhof met een verklaring uit
Meurs van
7 mei 1653. Getuige:
Het G. Grevenbroeck.
Henricus Frederici woonde bij de
Reguliersbrug oostzijde met een verklaring uit
Zutphen van
24 maart 1653. Getuige:
Gellius de Bouma.
Johannes Hasius, student, woonde aan de
Oude Gracht bij de
Smeekwestraat met een verklaring uit
Amsterdam van
18 juli 1653. Getuige:
Samuel Althusius.
Jannetje Josias woonde in de
Haverstraat met een verklaring uit
Wendenberg van
17 augustus 1653. Getuige:
Petrus Pollion.
Anthonis Jansen en zijn vrouw
Trijntjen Hendrix woonden in
Brandsteeg met een verklaring uit
Amersfoort van
19 juli 1653. Getuige:
Jacobus Bergman.
Op
27 september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door
Joh. Brejez:
Op
september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door
Jos. Flaman:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11298522 / 47
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974519 / 27
Op
15 november werd door de gerechtsbode
Pieter de Hollander een bedrag van 100 gulden ontvangen als schuld van
Sijtje Criks, weduwe en erfgenaam van
Abraham Grosett. Deze schuld betrof een lening van 250 gulden, verzekerd door een huis en erf in de
Gierstraat in
Amsterdam, met een rente van 4% over de periode van
14 juni tot
30 november 1726 (5,5 maanden), wat neerkwam op 1 gulden en 15 stuivers.
Een rente van 20 jaar op een kapitaal van 90 gulden per jaar, waar nog 5 jaar rente op ontvangen kon worden, werd verkocht voor 405 gulden. Na aftrek van makelaarskosten en transportkosten bleef 402 gulden en 3 stuivers over.
De contante gelden uit de boedel bedroegen 94 gulden en 5 stuivers.
De volgende goederen werden overgedragen:
- Twee gouden ringen met diamanten, twee zilveren zoutvaten en een zilveren speldendoosje aan Jacob Peck.
- Twee gouden voorwerpen met diamanten aan Jacoba Ampe.
- Een gouden ketting aan Alida van Grevenbroeck.
- Diverse zilveren voorwerpen, een kerkboek met zilveren sloten, een zilveren haarnaaldje, een zilveren pen en drie zilveren lepels aan Alida van Grevenbroeck.
Alida van Grevenbroeck ontving ook kleding, meubels, huishoudelijke spullen, porselein en wijn.
Jacob van Grevenbroeck ontving als enige erfgenaam de overige goederen, waaronder meubels en huishoudelijke spullen die oorspronkelijk aan
Jacob Peck waren beloofd.
De totale opbrengst van de boedel bedroeg 1575 gulden en 3 stuivers.
De uitgaven bestonden uit:
- 275 gulden en 19 stuivers voor de begrafenis van de overledene.
- 57 gulden en 18 stuivers voor schulden van het sterfhuis, zoals aan een arts en apotheker.
- 5 gulden en 4 stuivers voor kleine uitgaven.
- 38 gulden en 16 stuivers voor het recht van collaterale successie.
- 23 gulden en 16 stuivers aan notaris Aalst de Bruijn voor het opmaken en afsluiten van de inventaris.
- 401 gulden, 13 stuivers en 14 penningen aan notaris Aalst de Bruijn voor het opstellen van de rekening en verantwoording van de boedel.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 576
In
1723 werd de gemeente
Den Dungen zwaar getroffen door een hagelbui. Hierdoor gingen gewassen zoals
boekweit,
haver en
gerst grotendeels verloren. Dit overkwam niet alleen de getuigen, maar bijna de hele gemeente.
In
mei 1724 verwoestte strenge vorst de
rogge in de velden. De bewoners moesten deze afmaaiien, omdat er bijna niets van over was. Vervolgens zaaiden ze opnieuw
boekweit, maar ook deze oogst ging verloren door vorst in de herfst.
Daarnaast was er in
1724 nog een hagelbui. Door de combinatie van vorst, hagel, droogte en harde winden gingen ook andere gewassen zoals
lathoorn,
gerst,
havermout,
raapsaad,
vlas,
bonen en
etenswaren volledig verloren. Het gras op de weides was verdord, waardoor er geen voer voor het vee was.
Bovendien was er grote schade aan bomen: de toppen en nieuwe scheuten waren zwart en afgestorven.
Deze verklaring werd op
3 juni 1725 opgesteld in
Den Dungen in aanwezigheid van
Arien Hendrick Kamers en
Aen Marte als geloofwaardige getuigen. Onder de ondertekenaars waren onder anderen
Franck Claes Peters,
Jansz Wagemakers,
Adriaen Anthonis van Jersel,
Adriaen Wijnant van der Seldit,
Niclaes Han Wijnants,
Hessel Wijnants van Abeele,
Pieter Cornelis Vermeer,
Jan Barth. Rademakers,
Adriaen Pingen,
Cornelis Roesses,
Lant Bert van Jersel,
Jan Antoni Peter Krancken,
Jans de Groot Heyleger van Grevenbroeck,
Adriaen Jansen Sloth,
Adriaen Jan Kruijssen,
Willem Peter Bertens,
Gerel Peteren van Boorhouden,
Jan vande Sterre,
Huijbert van Eerssel,
Jan Coolen,
Jan Peeter Verhoeven,
Joost Hendrick de Kels,
Peter Adriaen Vermeer,
Jan Daniels van Sou,
Pieter Aerts Verhoeve,
Goet Wijnant van Jensel,
Maria Jansz van Cleeff,
Ijanse van der Sel,
Adriaen Hendrick Hamers en
Adriaen Marten Prienen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 131
Volgende pagina