Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Willem Rido en Pr. Quick maken op 1 februari 1633 in Amsterdam een afspraak om een geschil binnen een week op te lossen. Ze beloven zich aan de uitspraak te houden en eventueel geld terug te betalen. Als ze zich niet aan de afspraak houden, verliezen ze hun recht op verdere claims. Beide partijen zetten hun handtekening met getuigen Albert Pietersen van der Veer en Pieter Ride (als notaris). Op 26 mei 1652 maken Matheus Butler en Jacob Claesz Ruts, beide kooplieden in Amsterdam, een geheime overeenkomst over de handel in soedthout (kurk) uit Spanje. Ze spreken af dat:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 5 juli 1652 verscheen Jan Huijbertsz van Empt, wonend in Empt (in het land Gulick), voor notaris Frans Wtenbogaert in Amsterdam. Hij verklaarde officieel dat hij een schuldbrief (obligatie) van 200 gulden – oorspronkelijk afgesloten op 4 april 1548 door Jan Jansz (hoofdschuldenaar) en Pieter Brouwer (mede-hoofdborg) – heeft overgedragen aan Aeltgen Sweerts, een weduwe uit Zaandam. Jan van Empt bevestigde: Getuigen waren: --- Op 1612 (exacte datum onbekend) verscheen Hendrick Jeuriaensz van Swartsluijs, net terug uit Oost-Indië, voor dezelfde notaris Frans Wtenbogaert. Hij gaf volmacht aan Herman Gerritsz (een bode in Zeeland) om namens hem 18 gulden te innen bij de bewindhebberen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), kamer Zeeland.
Bekijk transcriptie 


Op 5 juli 1652 werden Jan Poolman (een begrafenisuitnodiger van ongeveer 30 jaar) en Joannes Swaen (een witwerker van ongeveer 27 jaar), beide woonachtig in Amsterdam, door notaris Nicolaas Kruijs opgeroepen als getuigen. Zij moesten aanwezig zijn bij een overeenkomst tussen Matheus Butler (een koopman) en Joan Schouwenburgh in de herberg achter de oude kerk in Amsterdam, waar het uithangbord Emaus hing. De getuigen bevestigden dat:
  • Het contract door notaris Nicolaas Kruijs hardop, duidelijk en volledig werd voorgelezen.
  • Zowel de betrokken partijen als de getuigen tekenden de akte.
  • Beide partijen aangaven vrijwillig akkoord te gaan en tevreden te zijn met de afspraken.
  • Er geen bezwaar of tegenwerpingen waren van een van de partijen.
Op 2 oktober 1652 ging notaris Nicolaas Kruijs samen met twee getuigen naar Casper van de Veen, een koopman in Amsterdam. Namens Mathijs Verhaegh maakte de notaris het volgende bekend:
Bekijk transcriptie 


Maria Harmans, een 44-jarige weduwe van Jan de Vos, woonachtig in Amsterdam, verklaarde op 13 februari 1662 voor notaris Pieter van Buijten en getuigen het volgende:
  • In 1653 voer zij met haar man naar Engeland. Tijdens die reis werd hun schip, dat uit Cádiz kwam, onderschept door een Engels oorlogsschip. Nederland en Engeland waren toen in oorlog.
  • Haar man gaf haar in Gravesend (een plaats in Engeland) een zak met 200 munten van 18 stuivers (dus 180 gulden in totaal). Hij had deze gespaard en wilde niet dat het geld in handen van de vijand viel.
  • Zij verstopte het geld onder haar kleren, dicht bij haar lichaam, zodat het niet gevonden zou worden tijdens controles.
  • Toen ze een stuk de rivier af waren en dachten dat er geen controles meer zouden komen, haalde zij het geld tevoorschijn. Ze legde het in de kajuit van de schipper om even te rusten.
  • Kort daarna kwam er toch een inspectieteam aan boord. Ze vonden het geld en namen de 180 gulden in beslag. Zowel Maria als haar man kregen niets terug.
  • Ze verklaarde dit onder ede en beloofde, als dat nodig was, haar verhaal nogmaals te bevestigen.
Bekijk transcriptie 


Op 28 juli 1676 verscheen Cornelia Butler, een vrouw van ongeveer 50 jaar en echtgenote van Fredrick Lodewijcx, voor notaris Adriaan Lock in bijzijn van getuigen. Op verzoek van koopman Matheus de Haes vertelde zij onder ede het volgende:

  • In mei 1674 ging zij met De Haes en diens vrouw naar een kelder op de Oude Schans in de stad om daar mee (bier) te proeven.
  • Daar was ook een Duitse Jood, Mathan Swael (zo noemde Butler hem toen), die hun wat van zijn mee liet proeven. Die bleek van slechte kwaliteit.
  • De Haes wilde de mee niet kopen of als betaling voor een schuld aannemen.
  • Swael vroeg toen aan De Haes om geduld: hij verwachtte binnenkort een partij goede witte mee, waar zelfs een ambtenaar ("Officier") in geïnteresseerd was. Hij beloofde De Haes daarvan ook mee te geven.
  • Butler hoorde ook dat De Haes Swael dringend vroeg om te betalen voor harpuijs (een soort vis) die hij aan hem had verkocht en geleverd.
  • Swael nam dat verzoek aan en beloofde te betalen. Hij zei tegen De Haes: "Je zult geen cent tekort komen, ik zal je eerlijk en volledig voldoen."
  • Tot slot bevestigde Butler dat De Haes uiteindelijk wel ongeveer 24 mingelen (emmers) van de slechte mee van Swael kocht en ontving.

Zij verklaarde dit te weten omdat ze erbij was.

Bekijk transcriptie 


Matheus Butler had goederen van zijn broer (de insinuant, dus de eiser) verkocht op bevel van de rechtbank. Op 24 april 1552 liet de eiser echter zonder reden arresteren en gevangenzetten in een herberg in Amsterdam, wat zijn eer en reputatie schaadde. De eiser vraagt om:
  • direct vrijgelaten te worden,
  • vergoeding voor de kosten en schade,
  • de rekening van de verkochte goederen (door Matheus Butler) overhandigd te krijgen,
  • een officiële garantie (borgtocht) van de Hof van Holland dat alles correct is afgehandeld.
Als dit niet gebeurt, zal de eiser via de notaris officieel protest aantekenen tegen:
  • de onterechte gevangenneming,
  • de schade aan zijn naam en eer,
  • alle gemaakte kosten, schade en rente.
De tegenpartij (de geminueerde, dus de gedaagde) reageert:
  • eerst een kopie van het verzoek en de borgtochtakte willen zien,
  • de rekening alleen accepteren als deze ondertekend is.
Dit alles vond plaats in Amsterdam op 26 april 1552, in aanwezigheid van de getuigen Johannes van Hel en Jacob Cloek. Bij de zaak hoort ook een lijst met facturen en rekeningen van goederen die zijn losgemaakt voor onder anderen Jacob Ruts en Pieter Temminck.
Bekijk transcriptie 


Op 6 april 1660 verscheen Jan Butler, koopman in Amsterdam, voor een notaris. Hij gaf Hartman de Coster een officiële volmacht om namens hem op te treden. De Coster mocht:

  • Als vertegenwoordiger optreden bij de rechtbank in Rotterdam.
  • Eisen dat François en Wit (wonend in Belle, Vlaanderen) een schuld betaalden die voortkwam uit een eerdere overeenkomst over een schip.
  • Actie ondernemen tegen eventuele andere schuldenaren, zoals Matheus Hardeman en Loduwijcq Pijlser, als die weigerden te betalen.
  • Zelf een vervanger (substituut) aanwijzen als dat nodig was.

Jan Butler beloofde dat alles wat De Coster of diens vervanger in deze zaak deed, bindend was. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van getuigen: Roeloff Roelofsz, Johannes van den Hoven en Cornelis Hallius.

Bekijk transcriptie 


Op 19 maart 1655 ging het om een bedrag van 2400 gulden.

Op 14 mei 1658 verscheen Pieter van Buijtend, notaris in Amsterdam, samen met getuige Albert Lemmerman, een koopman uit dezelfde stad. Lemmerman verklaarde officieel dat hij alle rechten en claims afstond aan Thielman Denckel, een koopman uit Hamburg.

Deze rechten kwamen uit een eerdere overeenkomst van 3000 gulden, waaronder een lening van 2900 gulden. Deze lening was door Jacob Claesz Ruts gegeven aan Matheus en Jacob Butler. Dit was vastgelegd door notaris Alart Eggericx en getuigen in Amsterdam. Het geld diende als zekerheid voor een wisselbrief van 1400 daalders die Ruts had gegeven aan Thielman Henckel. Deze wisselbrief was geaccepteerd maar niet betaald, ondanks protest.

In deze overeenkomst zat ook een eerdere overeenkomst van 11 november 1654, waarbij Ruts opnieuw geld had geleend aan Matheus en Jacob Butler. Lemmerman bevestigde dat hij niets van dit geld had ontvangen.

Hij verklaarde dat Thielman Henckel hem volledig had betaald. Daarom droeg Lemmerman alle rechten en claims over aan Henckel. Hierdoor kon Henckel zelf het geld opeisen en ontvangen, als dat nodig was.

Bekijk transcriptie 


Claes Jansz Clopper werd door een notaris gevraagd of hij bij zijn woorden bleef die hij zondag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam had gezegd. Hij had toen, waar veel mensen bij waren, zijn eigen zoon beledigd. Hij noemde Matheus Butler een "schelm", "dief", "sodomieter" en "de slechtste persoon uit de hele stad". Hij zei dat hij dit kon bewijzen en herhaalde zijn beschuldigingen zelfs voor de notaris en getuigen. Zijn zoon liet weten dat hij hiertegen juridische stappen zou ondernemen en schadevergoeding zou eisen voor alle kosten en schade die hij hierdoor had geleden en nog zou lijden. Toen Claes Jansz Clopper dit hoorde, zei hij alleen: "Ik zal het hem wel persoonlijk zeggen." Dit gebeurde op 26 juli 1659 in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jan van den Hoven en Cornelis Hallius. --- In een andere zaak, voor notaris Nicolaes Kruijs (die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam), kwamen Jacob Basson en Johannes van Hell (beide kooplui uit Amsterdam). Zij gaven Evert van Hell de officiële machtiging om hun belangen te behartigen in een rechtszaak op Malakka (een plaats in Azië) of elders. Evert van Hell mocht hen verdedigen, zowel binnen als buiten de rechtbank, tegen wie dan ook, en mocht zelf ook weer iemand anders aanwijzen om hem te vervangen. Zij beloofden alles te accepteren wat Evert van Hell (of zijn vervanger) in deze zaak zou doen.
Bekijk transcriptie 


Deze tekst is een lijst van juridische handelingen uit een notarieel register. Het gaat om verschillende soorten documenten die in de 17de eeuw in Amsterdam zijn opgesteld. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste gegevens:

De documenten zijn op naam van verschillende personen en bevatten onder andere:

  • Protesten
  • : Jan Appelman doet een protest op folio 8, 50, 27 en 353.
Bekijk transcriptie 


Sr. Jan Butler, een koopman uit Amsterdam, verscheen op 16 mei 1557 voor notaris Nicolaas Keurs en getuigen Willem van Seventer en Antonij Hendricxsz. Hij verklaarde het volgende: De notaris bevestigde dat hij deze overeenkomst namens Meersman en Elisabet Pieters had geaccepteerd. Alles werd officieel vastgelegd in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


In een oude lijst uit 1879 staan namen, beroepen en woonplaatsen van mensen die grond of eigendommen kochten of als borg optraden. De bedragen staan in guldens en centen.

De volgende personen worden genoemd:

Ook staan er namen van kopers en borgstellers, met hun bijdragen aan het transport (een soort belasting of kosten voor de overdracht):

Het totale transportbedrag was 1087 gulden.

In een tweede lijst staan opnieuw kopers en borgstellers met hun bijdragen, ditmaal voor een totaalbedrag van 1349 gulden:

Bekijk transcriptie 


Op 3 juli 1718 maakte Reinier La Cle Coopman uit Amsterdam twee arbeidsovereenkomsten op basis van schriftelijke opdrachten van anderen:

De eerste overeenkomst was namens Jean en Paulus Jamesz Coopluyden (kooplieden in Moskou) met Hendrik Deeker (linnenwever) en Jan Koster (servet- en beddengoedwever). Zij zouden:

  • met het eerste schip naar Archangelsk en vervolgens Moskou reizen;
  • daar hun vak uitoefenen onder leiding van de gebroeders Coopluyden, met inzet en gehoorzaamheid;
  • gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (Moskovitisch geld) per maand.
  • gratis vervoerd worden van Amsterdam naar Moskou (via Archangelsk);
  • voorschot ontvangen: 90 gulden (voor 2 maanden, berekend als 41 gulden per maand), vanaf aankomst in Archangelsk;
  • een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.
    • Na 2 of 4 jaar konden de Coopluyden het contract verlengen of de werknemers (of één van hen) terugsturen naar Nederland, kosteloos.
Deeker en Koster moesten hun vak goed kunnen uitoefenen en opdrachten van de Coopluyden opvolgen.

De tweede overeenkomst was namens Jean Tamesz (koopman in Moskou) met Jan Mathijsz van Tocht (linnenpakker uit Haarlem). Van Tocht zou:

  • met het eerste schip naar Sint-Petersburg of Archangelsk reizen;
  • daar werken voor Tamesz als "valler" (sorteren, controleren, tellen en openmaken van linnen en servetten);
  • gratis vervoer heen en terug krijgen (na afloop dienst);
  • gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (45 gulden) per maand (12 maanden per jaar);
  • een voorschot ontvangen van 90 gulden (na aankomst, als het "Tessel"-schip vertrokken was);
  • een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.

Bekijk transcriptie 


Op 10 maart 1746 verscheen George Clifford, namens het bedrijf George Clifford en Zoonen (handelaars uit Amsterdam), voor notaris François Jacob Galle in Haarlem. Hij handelde met een speciale volmacht, opgesteld op 10 oktober 1745 in Sint-Petersburg (Rusland), namens:

George Clifford verklaarde namens dit echtpaar af te zien van alle rechten op de erfenis van Jacoba de Klerck (overleden in Haarlem). In plaats daarvan accepteerden ze het legaat van 1200 gulden dat Jacoba de Klerck in haar testament van 21 mei 1731 had nagelaten aan nakomelingen van Geertruijd Block.

Om zekerheid te geven aan de andere erfgenamen van Jacoba de Klerck, gaf Clifford toestemming om deze afstand officieel te laten vastleggen door de Hoge Raad van Holland. Hij wees het Russisch recht af en koos voor de Nederlandse rechtbank. Daarnaast machtigde hij drie advocaten (Victor Breij, Willem Hoijer en Jacob van Zanen) om de zaak te regelen, inclusief een eventuele veroordeling tot nakoming van de afspraak.

Aanwezig als getuigen waren Isaac van de Waereld en Nicolaas Gallé.

Bekijk transcriptie 


Op 14 augustus 1674 verscheen Adriaen Lock, notaris, in aanwezigheid van de ondergetekende getuigen Pieter Uijlenburch (schipper en eigenaar van het schip Het Wapen van Spanje) en meester Naest Godt. Pieter Uijlenburch verklaarde dat hij van Nino da Costa d’Andrada, koopman in Amsterdam, een lening had ontvangen van 625 carolusguldens (elk ter waarde van 20 stuivers). Deze lening was bedoeld als bodemmerij (een soort risicovolle lening voor schepen) voor zijn schip, inclusief rompschade, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor de reis van Amsterdam naar Cádiz (in Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen. De risico’s van de zeereis (zoals schade of verlies) waren voor rekening van de geldschieter, vanaf de datum van deze akte totdat het schip veilig in Cádiz aankwam. Pieter Uijlenburch beloofde dat hij, als het schip veilig aankwam, binnen 14 dagen na aankomst in Cádiz het volgende zou betalen:
  • Niet de oorspronkelijke 625 gulden, maar het equivalent in Spaans geld (omdat Nederlands geld in Spanje niet gangbaar was).
  • Hij moest 350 stukken van acht (Spaanse zilveren munten) betalen aan Niclaes Schellingwou (die afwezig was) via Diego Butler.
  • Als hij in goud kon betalen, moest hij het verschil tussen goud en zilver extra bijbetalen.
Als onderpand voor deze afspraak zette Pieter Uijlenburch in:
  • Zijn schip (inclusief romp, uitrusting en alles wat erbij hoorde).
  • De opbrengst van de vracht die hij zou verdienen.
  • Zijn persoonlijke bezittingen.
Bekijk transcriptie 


Op 23 mei 1551 stonden Johannes van Hel en Jacob Basson als getuigen bij Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam. Samen met de getuigen ging de notaris naar Jurian Boekaert, namens Jan Butler. Jan Butler liet via Jurian Boekaert een officiële mededeling doen, die was opgesteld door de notaris. De boodschap was namelijk: Jan Butler handelde namens Jeremias Hagens en zijn bedrijf, een handelsfirma in Antwerpen. Dit bedrijf had een Spaanse wisselbrief (een soort betaalopdracht) van 800 dukaten, getekend door Twillen Fredricx Volcomer en Diego Butler in Vilien. Deze wisselbrief was bestemd voor Jurian Boekaert en had een waarde van 410 pond Vlaams geld (uit Antwerpen), wat overeenkwam met 415 pond, 2 schellingen en 6 grooten in Amsterdamse valuta, inclusief 1,25% kosten. Het bedrijf had Jurian Boekaert gevraagd de wisselbrief door te sturen, zodat zij het geld konden innnen. Ze hadden al 284 pond en 18 schellingen Vlaams betaald aan Hendrick Bertels, zoals was afgesproken. Nu bleef er nog een openstaand bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten in Amsterdamse valuta over. Volgens het bedrijf ontbraken er nog ongeveer 4 pond Vlaams geld. Jurian Boekaert was al 10 of 12 dagen eerder door Jan Butler gevraagd om het resterende bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten te betalen. Nu herhaalde Jan Butler dit verzoek namens het bedrijf.
Bekijk transcriptie 


Jacobus Alias Diego Butler had een aantal handelsrekeningen lopen, zoals:
  • hoeden en gallonnen (een soort stof) ontvangen van Pr. Rootha, die werkte als vertegenwoordiger voor de rozijnenhandel van Corven Corff;
  • een rekening van Otto Jeuriaensz voor ontvangen goederen;
  • goederen die waren gelost (uitgeladen) in Malaga;
  • goederen die voor de helft in "compagnie" (samenwerking) waren gelost in Matril;
  • 10 vaten olie, ontvangen via een vertegenwoordiger van De Slopen;
  • een rekening van messen die in Seville waren gelost en verkocht.
Deze goederen waren verkocht en hadden winst opgeleverd volgens de afspraken die Matto Butler (de broer van Jacobus) of zijn gemachtigde had gemaakt. Jacobus zou deze goederen en winsten overdragen zoals zijn broer ze aan hem had gegeven. Op 26 april 1652 verscheen Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam, samen met twee getuigen: Jan Butler en Mattheus Butler (beide kooplieden in Amsterdam die de notaris kende). Jan en Mattheus Butler beloofden gezamenlijk en ieder apart borg te staan voor Jacobus Alias Diego Butler, in een zaak aangespannen door Jacob Claesz Ruts. Dit was nodig omdat Ruts een rechtszaak wilde beginnen tegen Butler bij de Heren Radens over Holland, Zeeland en West-Friesland. De borgstelling gold voor een vonnis dat mogelijk zou volgen uit een arrestbevel dat Ruts al had verkregen op 16 april 1652. Jan en Mattheus beloofden het vonnis direct te betalen als dat nodig was, zonder verdere discussie. Ze stelden al hun huidige en toekomstige bezittingen als zekerheid en gaven hun rechten op bepaalde juridische voordelen (zoals het recht om eerst hun eigen schulden af te handelen) op. Ze gingen akkoord met de voorwaarden en vroegen de notaris om dit vast te leggen in een akte. Dit gebeurde in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Adriaen Lock, notaris, noteerde op 5 oktober 1671 in aanwezigheid van de getuigen Pieter Jansen Loos (schipper en mede-eigenaar) dat deze een bedrag van 500 carolusguldens (à 20 stuivers per stuk) had ontvangen van Josep Seutteno, een koopman uit Amsterdam. Dit geld was een lening (bodemarie, een soort risicovolle scheepslening) voor het schip De Constantia, inclusief de rompkiel, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor een reis van Amsterdam naar Cádiz (in Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen. De risico’s en gevaren van de zeereis (zoals schade of verlies) waren vanaf de datum van deze akte voor rekening van de geldschieter. Deze risico’s golden totdat het schip veilig in Cádiz was aangekomen en het anker had laten vallen. Na een veilige aankomst moest Pieter Jansen Loos binnen 14 dagen het geleende bedrag van 500 guldens plus 12% rente (12 gulden per 100) terugbetalen aan Diego Butler (afwezig) of diens vertegenwoordiger Luis de Victoria. De terugbetaling moest plaatsvinden in goede, gangbare stukken van acht (een soort munten) en kosteloos (zonder extra kosten voor de geldschieter).
Bekijk transcriptie 


Op 16 januari 1905 verscheen Johan Jozef Wiertz, mijnwerker uit Rhewement (gemeente Herkrade), bij notaris Setuw Toeehuns Cubortue Moors in Rerkrade. Hij verklaarde dat hij een huis met mestplaats, tuin en schuur in Cheivemont (ook Herkrade) had verkocht aan Johan Jozes Wetzelaer, eveneens mijnwerker en getrouwd met Maria Agnes Wechseler.

Het perceel was 3 are en 45 centiare groot (kadastraal bekend als sectie B, nummer 4400). De laatste eigendomsakte dateerde van 1 juli 1900 en was ingeschreven in Maastricht op 13 juli 1900 (register deel 875, nummer 92). Beide partijen bevestigden dat het perceel vrij was van schulden.

De verkoopprijs bedroeg 670 gulden, met de volgende afspraken:

  • De grondbelasting was vanaf 1 januari 1905 voor rekening van de koper.
  • De koper kreeg het bezit van het perceel op 1 januari 1905.
  • De koper moest de koopsom binnen 14 dagen betalen bij de notaris.

De betrokkenen en getuigen – Frans August Hoekstenbach (notarisklerk) en Nicolaas Gibbels (zonder beroep, uit Kersrade) – waren bekend bij de notaris. Na voorlezing tekenden allen de akte in Herkrade op 16 januari 1905.

Bekijk transcriptie 


Op 11 januari 1673 verscheen Adriaen Lock, notaris, samen met de getuige Hendrick Ram, een koopman uit Amsterdam, om een verklaring af te leggen. Adriaen Lock verklaarde het volgende:
  • Diego Butler, die in Cádiz (Spanje) woont, had hem op 27 november 1672 een brief gestuurd met een betalingsopdracht (assignatie) van 200 gulden. Deze moest worden betaald door Luis Gonsales d'Andrada, die ook in Amsterdam woonde, binnen 8 dagen na voorlegging, tegen een kwitantie (bewijs van betaling).
  • De opdracht was aan d'Andrada getoond, die beloofde te betalen en vroeg om later die dag het geld op te halen. Adriaen Lock kon dat niet doen, omdat hij de betalingsopdracht in de tussentijd had uitgeleend of verloren.
  • Hij had d'Andrada vervolgens gevraagd om alsnog de 200 gulden te betalen. In ruil daarvoor zou Lock een definitieve kwitantie afgeven en beloven dat d'Andrada niet aansprakelijk zou worden gesteld voor verdere claims op de opdracht. Ook bood Lock aan om een geschikte borg te stellen voor extra zekerheid.
  • D'Andrada ging akkoord en beloofde de 200 gulden te betalen. Daarna ontving Lock het geld van d'Andrada en verklaarde volledig tevreden en betaald te zijn.
Bekijk transcriptie 


Hendrick Ram verklaart met deze akte dat alle rekeningen met Diego Butler tot 25 [datum onvolledig] zijn afgerond. Hij heeft geen openstaande schulden of vorderingen meer bij Butler en verklaart hem volledig kwijt te zijn van alle verplichtingen, zonder uitzondering. Daarnaast belooft Hendrick Ram dat hij Luuis Jonsales d'Andrada en Diego Butler altijd zal vrijwaren van eventuele claims of eisen met betrekking tot een lening van 200 gulden die hij heeft verloren. D'Andrada en Butler (of hun erfgenamen) hoeven hiervoor geen kosten, schade of lasten te dragen. Ook verschijnt Coenraet Segers, eveneens woonachtig in Amsterdam, voor de notaris. Hij verklaart zich borg te stellen voor zijn neef Hendrick Ram, ten behoeve van Jlomis Gonsalis d'Andrada en Diego Butler. Segers belooft dat hij, als hoofdborg, alle verplichtingen van Hendrick Ram (zoals vastgelegd in deze akte) zal nakomen, alsof het zijn eigen schuld is. Hij doet afstand van zijn recht om eerst andere schuldenaren aan te spreken voordat hij zelf moet betalen (beneficiën van orde en uitwinning). Zowel Hendrick Ram (als hoofdschuldenaar) als Coenraet Segers (als borg) verbinden zich hiertoe met hun persoon en bezittingen, onder geschikt recht. De akte is opgemaakt in Amsterdam, in aanwezigheid van getuigen Dirck Touw en twee anderen. Ondertekend door: De notaris A. Lock bevestigt de geldigheid.
Bekijk transcriptie 


  • Op 27 april 1652 in Amsterdam belooft Jacob van Zwielen (notaris) in aanwezigheid van getuigen (Pr. van Buijtene en Abraham Bosch) dat hij zijn broer Diego Butler (ook wel Jacob Butler genoemd) zal vrijwaren van alle kosten en schade. Dit komt door een geschil met Jacob Ruts over lading die Jacob Ruts naar Diego/Jacob Butler in Spanje heeft gestuurd. Ook andere mogelijke claims tegen Jacob Butler worden hiermee afgedekt. De akte is opgesteld voor 55 gulden, met Jan van Wijningen en Abraham Bosch als getuigen.
  • Op dezelfde dag (27 april 1652) bevestigt Steven de Geer, namens zijn broer Louwerens de Geer (een vertegenwoordiger van de koning van Zweden), dat Joost Cramer is aangenomen. Joost Cramer verbindt zich hiermee om te werken voor de Afrikaanse West-Indische Compagnie (die in Zweden gevestigd is) als ondercommissaris. Hij moet:
    • werken waar de Compagnie of hun vertegenwoordigers hem heen sturen, op zee of aan land;
    • zich inzetten voor het belang van de Compagnie, dag en nacht;
    • vertrekken op bevel van de heer de Seer en inschepen op een schip van de Compagnie naar West-Indië of de kust van Afrika;
    • ervoor zorgen dat medewerkers van de Compagnie geen privéhandel drijven, tenzij dit door de Compagnie is toegestaan;
    • zijn werk doen met de trouw die van een goede ondercommissaris verwacht wordt, onder straffe van een boete van 6 boeken (een geldbedrag).
Bekijk transcriptie 


De overheid besloot op 5 september 1693 dat werkzaamheden die in het volgende jaar afgerond moesten worden, voor 7.422,97 gulden gefinancierd zouden worden. Dit bedrag werd toegevoegd aan de begroting van het Bouwdepartement voor Burgerlijke Werken voor het jaar 1694. Er werden kopieën van deze beslissing gestuurd naar de Administrateur van de Financiën en de ambtenaar die verantwoordelijk was voor het departement, zodat zij op de hoogte waren.

Op 17 december 1765 diende Isaac Cadell een verzoek in. Hij wilde dat een strafzaak tegen hem, omdat hij geen toezichthouder (opzichter) had aangesteld op zijn plantage De Zwarigheid, zonder verdere rechtsstappen zou worden afgerond. De Procureur-Generaal adviseerde op 15 december 1765 dat het verzoek kon worden ingewilligd, mits Cadell direct de boete zou betalen die op hem stond. De overheid stemde hiermee in op 14 januari 1766. Cadell kreeg een officiële mededeling hierover en moest wel snel een geschikte opzichter aanstellen voor zijn plantage. Ook de Procureur-Generaal kreeg een kopie van deze beslissing.

Op 17 december 1766 las de overheid een verzoek van Louisa Volmer. Zij noemde zichzelf de voogd van Doris Rumveld (ook wel Doris Niumvelck genoemd) en vroeg om vrijlating van Rumveld uit haar nog resterende straf. Rumveld was door het Schepenhof (een rechtbank) veroordeeld tot 8 jaar tuchthuisstraf wegens diefstal. De Procureur-Generaal had op 14 december 1763 al laten weten dat de straf niet kon worden ingetrokken.

Bekijk transcriptie 


De tekst is een lijst van inwoners met hun leeftijdscategorie (boven of onder de 16 jaar) uit een bepaalde plaats. Hier volgt de samenvatting:

In totaal gaat het om 11 huishoudens, met 16 personen boven de 16 jaar en 2 personen waarvan de leeftijd onduidelijk is (aangeduid als "onder wjaeren").

Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/