Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 11 juli 1659 ’s middags rond 16:00 uur verscheen Aeltgen Jans, weduwe van Gerrit Gerritsz Vettewarier, voor notaris Adriaan Lock in de stad Amsterdam. Zij was ziek, maar nog helder van geest. Voor twee getuigen bevestigde zij haar eerdere testament (30 januari 1656) en codicil (15 januari 1657), maar voegde daar enkele wijzigingen aan toe:
Bekijk transcriptie 


Op 4 januari 1669 gingen Jan Jansz van der Heijden (draadwerker en weduwnaar van Neeltgen Adriaens) en Aefge Valckhuijsen (weduwe van Warnaer Jansz Brouwer) naar notaris Adriaen Lock in Amsterdam. Bij hen waren Pieter van Schaijck en Maria van Schaijck als getuigen. Ze verklaarden dat ze gingen trouwen en spraken af wat ieder in het huwelijk zou inbrengen: Jan Jansz van der Heijden (de aanstaande bruidegom) zou het volgende meebrengen:
Bekijk transcriptie 


Jan de Vos, een openbaar notaris in Amsterdam, legde op 25 mei 1641 twee conflicten vast tussen verschillende partijen over kunstwerken en een stuk land.
Bekijk transcriptie 


Op 4 maart 1618 verscheen voor Jan de Vos, een openbare notaris in Amsterdam, een groep mensen samen met getuigen: - Jan Ewoutsz, een jonge wijnhandelaar en aanstaande bruidegom, bijgestaan door: - Anna Jans, de weduwe van Ewout Lambertsz (zijn moeder) - Mathijs Jansz, een lakenhandelaar (zijn oom) - Margrietge van Nieulant, de aanstaande bruid, bijgestaan door: - Stoffel Gerritsz van Tricht, een chirurgijn (haar oom) - Isaack Lambertsz, een doosmaker (haar voogd) Al deze personen waren bekende inwoners van Amsterdam. Zij verklaarden dat ze, voor God en ter wille van hun eigen geluk, een christelijk huwelijk wilden sluiten onder de volgende voorwaarden:
Bekijk transcriptie 


In een oude administratie uit de 17e eeuw werden de volgende personen en hun beroepen of situatie genoemd:
Bekijk transcriptie 


In 1699, op 1 januari rond half zes ’s avonds, kwam Veronica Persijn – een volwassen, ongehuwde vrouw die woonde aan de Fluwele Kleverniersburgwal in de Onkelboersteeg in Amsterdam – voor notaris Joannes Boots en getuigen. Ze lag ziek op bed, maar was helder van geest en kon goed praten. Omdat ze besefte dat het leven breekbaar is en de dood onvermijdelijk (maar het moment onzeker), maakte ze een testament (een officiële wilsverklaring over wat er na haar dood moet gebeuren). Hierin trok ze alle eerdere testamenten in. In dit nieuwe testament liet ze een bed met beddengoed na aan Geertruijt Nieulant, een jongemeisje.
Bekijk transcriptie 


Jan Jansz Buijk, een weduwnaar die eerder getrouwd was met Marritje Jacobs, ging een nieuw huwelijk aan met Juffrouw Bijgel van Nieulant, de weduwe van Samuel Konink. Op 1682 werd een lijst gemaakt van alle spullen die Jan Jansz Buijk op dat moment bezat. Hij woonde toen in Breda, aan het water tussen de Papenbrug en de Oude Brug, in een oud huis genaamd Oude Spijker. In de binnenkamer van het huis stond het volgende meubilair:
Bekijk transcriptie 


Op 31 mei 1441 ging Jan de Vos, een openbare notaris die werkte voor het hof van Holland en woonde in Amsterdam, op verzoek van de schilder Adriaen van Nieulant naar het huis van de koopman Jan Domis, ook in Amsterdam. Hij deed dit om namens Adriaen van Nieulant een officiële mededeling af te geven. Jan de Vos vertelde Jan Domis het volgende: - Er is een conflict over een schilderij tussen Adriaen van Nieulant en Jan Domis, dat al voor de rechter in Amsterdam is gebracht. - Adriaen van Nieulant heeft Jan Domis 300 gulden geboden voor het schilderij. - Jan Domis heeft het schilderij nog niet geleverd, ook al had iemand anders eerder eenzelfde bedrag geboden. - Als Jan Domis niet snel reageert en het aanbod van 300 gulden weigert of niet accepteert, dan dreigt Adriaen van Nieulant het schilderij alsnog af te staan en er zelf zijn voordeel mee te doen.
Bekijk transcriptie 


Op 1 augustus 1896 liet Hermann Feldhusen, een huisknecht uit Amsterdam (wonend aan de Kerkstraat 108), een testament opmaken bij notaris Gerrij Dirk van der Hart in Amsterdam.

Feldhusen maakte alle eerdere testamenten en wilsbeschikkingen ongedaan. Hij benoemde zijn vrouw, Judith Roelofs, als zijn enige erfgename. Zij zou alles erven waar Feldhusen op het moment van zijn overlijden vrij over kon beschikken, zonder uitzonderingen.

Daarnaast kreeg Roelofs het recht om bij de verdeling van de erfenis zelf roerende (bijvoorbeeld meubels) en onroerende goederen (bijvoorbeeld huizen) uit de nalatenschap te kiezen. Wel moest zij de waarde van deze goederen, bepaald door onafhankelijke deskundigen, vergoeden aan de erfenis.

Het testament werd opgesteld in het kantor van de notaris aan de Overtoom 247 in Amsterdam. Na voorlezing bevestigde Feldhusen dat dit zijn definitieve wil was. Als getuigen tekenden Johannes Malchus te Riele (koopman) en Johan Georg Lucas (winkelier), beide uit Amsterdam. Ook de notaris en Feldhusen zelf ondertekenden het document op 24 augustus 1896.

Bekijk transcriptie 


Deze tekst is een codicil (een aanvulling op een testament) uit 1619, opgesteld in Utrecht door Gerrit Wesselsz van Essen en zijn vrouw Susanna Schryvers. Ze weten dat een testament soms niet voldoende is en dat een codicil of andere laatste wil (zoals een schenking bij overlijden) soms sterker kan zijn. Ze willen zeker weten dat hun wensen worden uitgevoerd, zelfs als niet alle juridische regels precies zijn gevolgd.

Het echtpaar behoudt het recht om hun testament, codicil of laatste wil geheel of gedeeltelijk te veranderen, toe te voegen of in te trekken, zolang ze het maar samen eens zijn over het vruchtgebruik (het recht om van iets de opbrengsten te gebruiken, zoals huurinkomsten). Ze vragen de notaris, Hendrick Jacobsz de Leeuwe, om één of meerdere officiële documenten hiervan op te stellen.

Het document is ondertekend op woensdag 6 november 1619 (in die tijd de 7e maand, "bris") rond 17:00 of 18:00 's avonds, in het huis van het echtpaar aan de Sint-Pieterskerk in Utrecht. Getuigen zijn Roeloff de Leeuw, Christiaen Sebastiaensz van Schoonrewoert (beide burgers van Utrecht) en Judith Roeloffs van Waeck (die alleen een "L" als handtekening zet) en Thresse van Schoonderloerdt (die een kruisje zet).

Gerrit en Susanna beseffen dat het leven onzeker is en de dood onvoorspelbaar. Daarom maken ze hun laatste wil bekend. Ze regelen eerst hun begrafenis en schenken hun bezittingen (die God hun gegeven heeft) zoals hierna beschreven staat. Ze geven toestemming om hun lichaam na overlijden te begraven door bevoegde personen in Utrecht. Ook maken ze alle eerdere testamentswijzigingen, codicillen of giften ongedaan.

Bekijk transcriptie 


Op 5 oktober 1679 laten Henrick Godsdan, een voormalig kapitein in Oost-Indië, en zijn vrouw Ludith Roeloffs van Varick, wonend in Utrecht, hun testament opmaken bij een notaris. Ze zijn gezond en helder van geest, maar beseffen dat het leven onzeker is. Daarom regelen ze hun nalatenschap.

Ze maken eerst alle eerdere testamenten ongeldig. Daarna bepalen ze:

Verder regelen ze:

Het testament wordt opgesteld in Utrecht en ondertekend in aanwezigheid van getuigen en een notaris.

Bekijk transcriptie 


De verdediging van de vesting bestond uit: In totaal telde de vesting 86 kanonnen: Daarnaast waren er verdedigingswerken in de noorder voorstad, waaronder: Deze versterkingen waren nodig na een verrassingsaanval door de Manicabersen in 1671, toen de vesting onvoorbereid werd aangevallen. Verdeling van de kanonnen per bolwerk (met hoogte in voet):
Bekijk transcriptie 


Henrick Godsdaij, een kapitein die 4 jaar in Banda (Oost-Indië) had gediend, vroeg op 18 december 1619 aan de rechtbank in Utrecht om een verklaring af te geven over Jonck Jehan by Zuiden. Deze Jehan was heer van Seventer en Eern en wilde bewijzen dat zijn zoon, jonker Fillick, als adelborst (jonge officier in opleiding) had gediend onder Godsdaij. Godsdaij bevestigde onder ede dat Fillick op 22 december 1615 in Banda indedaad als adelborst in zijn compagnie had gediend. Dit werd bevestigd door getuigen: Deze verklaring werd opgesteld door een notaris (Angenweste Vald op tlant Stens) en bevestigd door de genoemde getuigen. De originele akte uit 1617 werd ook overgelegd als bewijs.
Bekijk transcriptie 


Op 4 juni 1617 werd een officiële verklaring opgesteld in Utrecht, in de herberg De Drie Harmen. De volgende personen waren aanwezig: Jan B. Eeuws Henrick en anderen uit Utrecht handelden namens: Zij verklaarden dat ze het recht hadden om eerder benoemde vertegenwoordigers (of "geconstitueerden") te vervangen of hun volmachten in te trekken. Daarnaast stonden zij nog 6 stuivers en 6 geldschellingen (in totaal 6 stuivers en 6 gulden) schuldig, wat volgens hen te veel was ("is meer dan rechtvaardig"). Zij vroegen om hier een officiële akte van op te maken. Deze verklaring werd opgesteld door Jan de Leeuw en bevestigd door de aanwezigen, waaronder Anna Jacob de Leers van Coolwijk, die aantoonde dat zij erfgenaam was van Willem den Erentfeste, een man uit Keulen die in Doodwijk woonde.
Bekijk transcriptie 


Op 11 juni 1943 zijn in het vernietigingskamp Sobibor in Polen omgekomen:

De overlijdens werden pas op 12 april 1950 officieel geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam, op basis van een schriftelijke melding van de minister van Justitie.

Bekijk transcriptie 


Op 15 maart 1824 werden in Amsterdam vier geboortes officieel geregistreerd. Alle inschrijvingen vonden plaats om 11:00 uur 's ochtends.

Alle akten werden ondertekend door de betrokkenen en bevestigd door een lid van de stadsraad, die hiertoe was aangesteld volgens een besluit van de koning van 14 februari 1823.

Op 14 september 1800 trouwde het echtpaar C. Sacher de Singe in Amsterdam. Op 13 september 1800 werd de naam Joannes Minaar officieel gecorrigeerd door de rechtbank.

Bekijk transcriptie 


Pieter Stevens (32) en Pieter van der Velde (chirurgijn, 36) werkten op het schip Lands Kroon voor de Kamer Amsterdam (Admiraliteit van Amsterdam). Pieter Godschalk was landhandelaar en opperwachtmeester in Karsenshage (173, loon: 26 gulden). Willem Albert Pauw uit Enkhuizen was onder-de-hoofdofficier in Onstwedde (1758, loon: 26 gulden). Pieter van der Sprenkel uit Delft was mijnwerker in Rinsterwolde (loon: 24 gulden). Juriaan Adriaansz de Leeuw, timmerman uit de Commijne, werkte in Onstwedde (1730, loon: 11 gulden). Hille Siebes uit Leeuwarden was haakbus-schutter in Ditmarsen (1731). Een onbekende uit Rotterdam werkte als petronella (kanonnier) voor 48 gulden. Pieter Beiker uit Bergen was opper-soldaat in Nieuwpoort (1752, loon: 32 gulden). Frans Affel uit Amsterdam was onder-officier in Venendaal (loon: 26 gulden). Pieter Perfect uit Amsterdam was 2e onder-officier bij de saai-lijders (slepers) (1733, loon: 8 gulden). Op het schip Nieuwland (ook voor de Kamer Amsterdam): Michiel de Kijser uit Veere was stuurman (loon: 48 gulden, 1733). Pieter Keijman (stuurman, loon: 26 gulden) en Pieter Laurens (chirurgijn) werkten in Bathberg als opperwachtmeester (1735, loon: 2 gulden). Caspardule (36) en Cornelis Spanjerberg uit Delft waren onder-officieren in Haamstede (loon: 24 gulden). Een onbekende uit Groningen was 3e matroos in Middelharnis (loon: 14 gulden). Doeds Eberts, timmerman uit Amsterdam, werkte in Jumadel (1731, loon: 32 gulden). Manus Jans de Vries uit Kerkwerve (loon: 29 gulden), Claas Eertsschoon uit Hoorn (loon: 32 gulden), en Pieter Vroote uit Amsterdam (onder-officier in Lijduin, loon: 26 gulden) waren timmerlieden. Billeg was opper-soldaat in Halling (loon: 2 gulden, 1754). Cornelis Broers uit Amsterdam was onder-officier in Westhorn (1732, loon: 1 gulden, later 26 gulden in 1735 en 1754). Hendrik Schoon was stuurman op een onbekend schip (loon: 32 gulden, 1744).
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 20 april 1659 schreef Adriaen van der Meijde een brief vanaf het jacht De Schelvis, dat voor anker lag bij Calicoelangh (nu: Kalkulang, nabij Tuticorin). Hij besprak militaire plannen tegen de Dessavas (lokale heersers) in Zuid-India, met name in gebieden als:

De bedoeling was om met extra troepen uit de verwachte vloot van Goa Baer (een Portugese of lokale commandant) de Dessavas aan te vallen of elders voordelen te behalen. Dit hing af van:

Er werden schepen en troepen ingezet:

De plannen werden aangepast toen De Rode Leeuw arriveerde met een brief van koopman Isbrant Godtske. Deze meldde dat het plan voor Coilan vanuit Colombo was gewijzigd. De nieuwe afspraken stonden in een bijgevoegde kopie (niet inbegrepen in deze tekst). Jan Compas, de schipper die bij de gebeurtenissen in Coilan aanwezig was, kon hier mondeling meer over vertellen.

De brief werd later, op 11 mei 1669 in Colombo, bevestigd door Jacob Borchoost als een exacte kopie van het origineel. De tekst eindigt met een verwijzing naar een eerdere brief ("aris 384"), maar details hierover ontbreken.

Bekijk transcriptie 


In 1080 arriveerde Jan van Almonde in de regio. Adriaen de Leeuw en Ottho van Schrick, de secretaris, werden als de meest geschikte personen gezien om hout te halen. Er was dringend behoefte aan een groter schip, de mees, dat door Hartsinck was gestuurd. Met dit schip kwam ook Joan van Almonde, de opperkoopman, aan, samen met alle documenten en brieven die bij de zaak hoorden.

Joan van Almonde had de Herren XVII (leiding van de VOC) gevraagd om een oordeel te vellen in een conflict tussen hem en de Goske (lokale bestuurder) en de raad van Malabar. De bestuurders in de regio vonden dit echter te ingewikkeld. Ze hadden al twijfels over de betrouwbaarheid van de Goske, die dacht dat ze partij kozen voor Van Almonde. Ze weigerden een beslissing te nemen, omdat dit het hele bestuur zou ontregelen. Ze verwachtten dat de Herren XVII dit zou begrijpen en de zaak niet verder zou laten lopen.

De rekening van Van Almonde werd doorgestuurd zoals die was binnengekomen. Het schip de Inlandse Vrede was tijdelijk in gebruik genomen om hout te vervoeren van Mature naar Galle, omdat het hout te zwaar en groot was voor het schip van Waluwe. Er was dringend behoefte aan een groter schip, omdat de Vrede niet lang meer kon worden gebruikt en dringend gerepareerd moest worden. De pakhuizen waren bovendien ernstig beschadigd door ratten, waardoor er risico bestond op verlies van kostbare goederen zoals neli (een soort rijst) en specerijen.

Adriaen de Leeuw was naar de Herren XVII gestuurd omdat hij weigerde voor de VOC te werken. Zijn salaris was al stopgezet. Ottho van Schrick was aangesteld als secretaris, terwijl Simon Walpoth (secretaris van de Raad van Justitie) tijdelijk werd ingezet als beheerder van de soldij (salaris) op Galle, op verzoek van commandeur Roothaes.

De bestuurders ontkenden dat het fort Tricoen door verraad of verandering van de Konchiise prinsen (lokale vorsten) was overgegeven aan de Canarezen (een lokale bevolkingsgroep). Ze zagen dit als een leugen om wantrouwen te zaaien. Ze hoopten op een vrede met Engeland, omdat een zwakke koning van Konchin (een lokale vorst) beter was dan een strijdlustige. Ze benadrukten dat ze zich niet volledig uit de lokale politiek konden terugtrekken.

De orders over de pasjes voor de Canarezen kwamen overeen met eerdere instructies. Over de peperhandel was er geen meningsverschil met de Herren XVII. De bestuurders vonden het jammer dat hun inspanningen vaak werden bekritiseerd door mensen die minder ervaring hadden.

De reis van Christoffel Jansen van Bimelpatnam naar Perzië was goedgekeurd, maar omdat hij onder het gezag van de gouverneur van de Kust Coromandel viel, konden ze geen advies geven over de beschuldigingen tegen de leiders van de Pauw (een VOC-schip).

Adriaen van der Goes had de aanstelling van Nicolas Verburgh verwacht en wenste hem succes in zijn moeilijke taak. Van Goens (een andere bestuurder) begreep dat zijn verzoek was afgewezen en zou wachten op verdere instructies uit Nederland, zolang er oorlog met Engeland was.

De fiscale ambtenaar François Montanier bevestigde dat hij van Adriaen van der Goes 174 rijksdaalders had ontvangen als schuldeiser (niet als gevolmachtigde). Het resterende bedrag van 35,1 rijksdaalders was in de kas van de VOC gestort. Dit zou worden gebruikt om de schuld van Van der Goes aan de VOC af te lossen.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 24 januari 1680 schreef Simon van der Stel vanuit Kasteel de Goede Hoop in Hottentots Holland (Kaapstad) een brief aan korporaal Hans Michel Caembach. Hierin meldde hij dat bijna alles was afgehandeld, behalve één boek schrijfpapier dat nog ontbrak. Dit boek werd nu meegestuurd. Ook werden assistent Salomon de Leeuw en sergeant Steven Wagenaer naar het eiland gestuurd om de spullen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) daar te inventariseren. Van der Stel benadrukte dat Caembach goed moest letten op de schepen die werden verwacht en dat hij de gebruikelijke groet met de vlag naar Bokkebaai (vermoedelijk Tafelbaai) moest uitvoeren. Ook moest hij zeldzame voorwerpen die hij vond, opsturen. Verder beloofde Van der Stel dat er later meer nieuws zou volgen.

Op 29 januari 1680 schreef Van der Stel opnieuw, nu aan korporaal Jacob Herckenraedt. Hij bevestigde de ontvangst van 13 gestroopte schapenvachten en een brief van 27 januari. Omdat de steenbok (een schip of dier) was omgekomen, moest Herckenraedt doorgaan met het stroppen van schapen, maar niet meer dan nodig. Hij moest goed opletten dat er niets van de VOC werd gestolen. Van der Stel was blij dat Herckenraedt onnodig personeel had teruggestuurd, want die konden in Kaapstad goed worden ingezet. Hij stuurde ook de gevraagde twee boeken papier mee en hoopte snel weer nieuwe vachten of huiden te ontvangen.

Op dezelfde dag (29 januari 1680) schreef Van der Stel een brief vanuit Batavia (Jakarta) aan Rijkloff van Goens, de gouverneur-generaal, en de Heren Raad (de bestuurders) van de VOC. Deze brief ging over het schip De Hoeck, dat bijna was vertrokken en onderweg was geweest via Mauritius. Het schip moest in Batavia worden gerepareerd. Van der Stel hoopte dat er snel een nieuw schip uit Nederland zou komen om De Hoeck te vervangen. Hij meldde ook dat het hoofd en de raad van Mauritius Hecker (vermoedelijk een schip of persoon) zo snel mogelijk terug wilden sturen na het lossen van de lading.

Verder beschreef Van der Stel de situatie op Mauritius: er lag al lang een grote voorraad ebbenhout (een soort hout) klaar, dat nog steeds bruikbaar was. Hij stelde voor dit hout te gebruiken als ballast voor schepen die terugvoeren of voor andere doeleinden, zodat het niet zou vergaan. Hij vermeldde dat hij een kort budget had opgesteld voor Mauritius, maar dat dit toch nog een bedrag van ƒ4740,17 opbracht. Tot slot vroeg hij of de Heren Raad beslissingen hadden genomen over de eerdere verzoeken om Oom Vlemin en een monster van Mauritius-arrack (een alcoholische drank) naar Nederland te sturen. Hij sloot af met de mededeling dat beide nog niet in Batavia waren aangekomen.

Bekijk transcriptie 


Op 18 mei 1914 werden in Amsterdam verschillende geboortes officieel geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand. De volgende kinderen werden aangemeld:

Bij elke aangifte waren twee ambtenaren als getuigen aanwezig: Jan van Soest (30 jaar) en een tweede ambtenaar (variërend in naam en leeftijd, maar altijd 25 jaar). De akten werden voorgelezen en ondertekend volgens de regels.

Bekijk transcriptie 


Op 23 januari 1737 werden in Amsterdam vier overlijdens geregistreerd:

Bekijk transcriptie 


In september 1676 werd in Fort De Goede Hoop (Kaapstad) een financieel overzicht gemaakt: Uitgaven:
Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/