Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Marritgen Jans, dochter van
Styntge Pieters, gaf op
8 november 1653 een volmacht aan de burgemeesters, schepenen en raad van de stad
Zwolle. Dit was een kopie van het origineel, dat dateerde van
1 december 1652.
Op dezelfde dag (
8 november 1653) verschenen voor notaris
Adriaen Lock en getuigen de volgende personen:
Deze groep verklaarde dat zij gezamenlijk 6 grafplaatsen in de oude kerk bij het
hoog altaar van Isbrants bezaten. Ze spraken af hoe ze de kosten voor onderhoud en gebruik zouden verdelen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965426 / 477
Op 5 augustus 1639 werd in Amsterdam een overeenkomst getekend waarbij Gabriel Ferdinandus Portugees volmacht kreeg om namens een andere persoon (de "constituant") alle minnelijke schikkingen te regelen. Hij mocht:
- afspraken maken en ondertekenen,
- bemiddelaars aanwijzen,
- een woonplaats kiezen voor juridische zaken,
- vonnissen accepteren of weigeren, zoals zijn "goede raad" hem ingaf.
Hij beloofde dit alles eerlijk te doen, alsof de constituent zelf aanwezig was. Getuigen waren Jacob van Ewiten en Jan van Hogen.
Op dezelfde dag erkende Gabriel Ferdinandus Portugees dat hij van Jacob van Nieulant (wonende in het Hof van Holland in Amsterdam) 150 gulden had ontvangen. Dit bedrag was onderdeel van een schuld van 186 gulden die Jacob van Nieulant verschuldigd was aan Phillippe George. Gabriel Ferdinandus verklaarde dat deze vordering aan hem was overgedragen en bedankte Jacob van Nieulant voor de betaling. Hij beloofde Jacob van Nieulant te beschermen tegen eventuele claims van Phillippe George of anderen, onder dreiging van beslag op zijn bezittingen. Getuigen waren Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.
Op 12 augustus 1639 bevestigde Jacob van Nieulant (namens zichzelf en zijn schoonmoeder, Maria van Hoij) dat hij van Gabriel Ferdinandus Portugees 10 stuivers had ontvangen. Dit was voor kosten en maaltijden die bij hem thuis waren gemaakt. Hij bedankte voor de betaling en beloofde Gabriel Ferdinandus vrij te houden van verdere claims. Getuigen waren opnieuw Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.
Op 2 augustus 1629 verklaarde notaris Willem Thijt dat hij, op verzoek van koopman Willem de Vries, naar het kantoor van koopman Wouter Lenaertsz was gegaan. Daar hoorde hij van een dienstmeid dat Wouter Lenaertsz niet aanwezig was, maar dat zijn moeder wel bereikbaar was. Bij Wouter Lenaertsz’ moeder toonde de notaris een wisselbrief die aan Wouter Lenaertsz was gericht en door hem geaccepteerd. De notaris vroeg om snelle betaling.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510996 / 104
- In 1696 verklaarde een getuige dat de overleden Pietertje Jans in augustus van dat jaar, tijdens haar laatste ziekte, had gezegd dat ze hulp nodig had met linnen of slaaplakens.
- Pietertje zei dat ze slaaplakens had in een bepaalde kist en vroeg aan Hendrickje Pieters (een andere getuige) om hulp.
- Daarom haalde Pieters (waarschijnlijk een familielid) samen met Hendrickje Pieters drie bekende lakens uit een schip en gaf die aan de vrouw van de aanvrager (de persoon die deze verklaring liet opstellen) als excuus.
- Pietertje Jans wilde niet dat iemand in de genoemde kist zou kijken.
- De getuigen bevestigden dat ze dit zelf hadden gehoord, gezien en meegemaakt.
- Deze verklaring werd opgesteld in Amsterdam in aanwezigheid van Nicolaes Nieulant en Melchior de Reeder als getuigen.
- De notaris Jannes Wolmer stelde dit document op, en Geertruij Hendricks Nieulandt (weduwe) betaalde de notaris Loots voor zijn werk.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320329 / 157
Isaac Pool, een notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam, ontving op
7 december 1779 een verklaring van
Pieter Mulier, die ook in
Amsterdam woonde.
Pieter Mulier verklaarde het volgende:
De overleden
Juffrouw Helena Nieulandt had op
11 augustus 1767 een testament laten opmaken bij notaris
Johannes Benkelaar. In dit testament had zij haar broer,
Hendrik Nieulandt, aangesteld als haar enige erfgenaam.
Daarnaast had
Helena Nieulandt bepaald dat, als haar broer
Hendrik Nieulandt zonder kinderen zou komen te overlijden, een bedrag van 15.000 gulden zou worden nagelaten aan haar neven en nichten:
Dirk Mulier,
Pieter Mulier,
Maria Mulier,
Magtilda Mulier en
Fredrik Mulier. Deze vijf waren de kinderen van
Pieter Mulier en
Magtilda Steenhoff (of hun nakomelingen, als zij nog in leven waren op het moment dat
Hendrik Nieulandt overleed).
Er golden wel een paar voorwaarden bij deze erfenis:
- Als een of meer van deze erfgenamen voor hun 25ste overleed en ongehuwd was, ging diens deel van de erfenis automatisch naar de andere erfgenamen, zonder dat er belasting of kosten van af gingen.
- De erfgenamen mochten niet zelf beslissen om het geld anders te verdelen of te besteden.
Dit was duidelijk en uitdrukkelijk vastgelegd in het testament.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486035 / 199
Nicolaes van Oot en
Abigael van Nieulandt (namens
Isacq Sangeniet, boekverkoper) spreken af dat ze voor de rechtbank zullen verschijnen, persoonlijk of via een vertegenwoordiger met volledige volmacht. Als een partij drie keer niet komt opdagen, verliest deze het recht om bezwaar te maken. De zaak wordt dan beslist op basis van de argumenten van de partij die wel aanwezig is, alsof beide partijen erbij waren.
Zij kiezen hun officiële woonplaats voor deze zaak:
-
Nicolaes van Oot: zijn adres in
Amsterdam.
-
Abigael van Nieulandt: het adres van
Isacq Sangeniet in de
Vedelaarsteeg in
Amsterdam.
Alle officiële mededelingen en oproepen zullen op deze adressen worden bezorgd.
De partijen af dat ze geen verdere bezwaarmiddelen zullen gebruiken en zich vrijwillig onderwerpen aan de uitspraak van de
Hoge Raad van Holland. Ze benoemen hiervoor onherroepelijk hun vertegenwoordigers:
- Voor
Nicolaes van Oot:
Martijn Deijmz en
Abraham van Hoogburgh (beide advocaten bij de
Hoge Raad), samen of afzonderlijk.
- Voor
Abigael van Nieulandt:
Adriaen Copmoijen en
Willem Schuijffhil (ook advocaten bij de
Hoge Raad), samen of afzonderlijk.
Deze vertegenwoordigers mogen de veroordeling aanvragen en namens hen optreden zonder dat er nog extra oproepen of toestemming nodig is. Beide partijen beloven dat ze alles zullen nakomen wat hun advocaten in deze zaak doen en dat ze hen schadeloos zullen stellen.
Deze overeenkomst is opgesteld in
Amsterdam op
24 november 1667, in aanwezigheid van de getuigen
Wijbrant Wijlrantsz en
Jacobus van Heussen (beide inwoners van
Amsterdam). De notaris is
Dirk Doornick.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965081 / 257
Marijtje Montenacq, de weduwe van
Pieter Verschuijl, heeft op
21 februari 1732 een officiële volmacht (procuratie) afgegeven.
- Deze volmacht is opgesteld door notaris Jacobus Hagerbeer.
- Het document is geregistreerd onder nummer 19.
- De volmacht is ook voorzien van een officiële stempel (gegrosseerd).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975498 / 85
Op 14 augustus 1672 verscheen Marten Deynen, een volwassen man die normaal in Londen (in Engeland) woont, voor notaris Pieter Baes in Haarlem. Hij bevestigde officieel dat hij het volledig eens is met alles wat Jan Montenacq, een koopman uit Goes, heeft gedaan tijdens Marten Deynen zijn minderjarigheid.
Jan Montenacq handelde namelijk als zijn vervangend testamentair bewindvoerder (iemand die het geld en bezit beheert voor een minderjarige). Dit gold voor:
- alle financiële afhandelingen,
- rechtelijke stappen,
- afspraken en overeenkomsten,
- en alles wat Jan Montenacq in die hoedanigheid had gedaan, ongeacht met wie of waarover.
Marten Deynen verklaarde dat hij dit alles net zo geldig vond alsof hij het zelf als volwassene had gedaan. Hij beloofde ook dat hij zich aan alle afspraken zou houden. Daarnaast gaf hij expliciet aan dat hij geen verdere rekeningen, bewijzen, bezwaar of voorbehouden zou maken tegen Jan Montenacq.
Hij stemde er ook mee in dat Jan Montenacq een officiële kwijting (een bewijs dat alles is afgerond en goed is gegaan) zou krijgen voor zijn werk als bewindvoerder. Hiervoor zou later een aparte akte worden opgesteld.
Deze verklaring werd opgesteld in Haarlem, in het bijzijn van de getuigen Dirck van Rossum en Jan du Laat.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975031 / 152
Pieternella Carlot, een weduwe van
Abraham Goderns die in
Haarlem woonde, ging op
21 september 1693 ’s middags naar notaris
Assuerus Benus. Deze notaris was officieel erkend door het
Hof van Holland en de
magistraat van Haarlem.
Pieternella was ziek, maar leek helder van geest en kon goed praten. Ze zei dat ze, omdat iedereen ooit sterft en niemand weet wanneer, haar zaken wilde regelen. Ze vertrouwde haar ziel na haar dood toe aan Gods barmhartigheid en liet haar lichaam achter voor haar erfgenamen, zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kon krijgen.
Ze maakte alle eerdere testamenten, codicillen (aanvullingen op een testament) of andere soortgelijke documenten die ze eerder had gemaakt, ongeldig. Dit nieuwe testament maakte ze vrijwillig, zonder druk van anderen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 354
Op
12 juli 1642 verschenen twee getuigen,
Jan Staes (ongeveer 30 jaar) en
Dirck Mont (ongeveer 41 jaar), beide inwoners van
Amsterdam, voor notaris
Barent Coop van Groen. Zij verklaarden op verzoek van koopman
Jacob Pruijs (ook uit
Amsterdam) het volgende:
- De schipper Willem Schipper Willem Thebbes van der Schell kwam recent uit Danzig met een lading rogge van 20 lasten, die hij daar van Reijnier van Heemskerck had gekregen.
- Toen het schip in Amsterdam lag, vroeg Pruijs meerdere keren om een lichter (klein vaartuig) om de rogge over te laden, omdat het schip niet in een bepaalde mast kon liggen.
- Op 7 juli gebeurde dit uiteindelijk. De getuigen bevestigden dat Schipper herhaaldelijk had gezegd dat de rogge die uit zijn schip kwam, eigendom was van Pruijs en niet van Pieter Hendricksz.
De getuigen beloofden dit altijd te kunnen bevestigen. De akte werd opgemaakt in aanwezigheid van
Jan Fransz Maeckel,
Jan Fransz Sael,
Jan Hans, en
Jan Fransen Sael.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936807 / 100
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606882 / 110
In een overeenkomst uit 1716 werden de volgende afspraken gemaakt over een huis:
- Jacob Cornelisse Santvoort (de koper) mocht de betaling uitstellen, maar moest wel:
- de verponding (een soort belasting) en het honderdste penning (1% belasting) voor 1717 betalen;
- alle extra kosten dragen, zoals de veertigste penning (2,5% belasting), tachtigste penning (1,25% belasting), een extra heffing (tiende verhooging), en de kosten voor het opstellen en verzegelen van de documenten.
- De huurder, Pieter Pieter, mocht 38 biersten (oude inhoudsmaat) hout uit het huis gebruiken voor zijn werk, op voorwaarde dat hij het dak weer in dezelfde staat terugbracht als hij het aantrof. Hij mocht ook zijn eigen spullen meenemen als hij vertrok.
- De getuigen Jochem ter Braack en Jan Barentst waren aanwezig bij het opstellen van de akte.
- Drie mannen – Gijsbert van Leeuwen, Abraham de Bevoij en Claas van Heukelum – stonden borg voor Jacob Cornelisse Santvoort. Zij beloofden dat als Santvoort de koopsom niet op tijd betaalde, zij zelf de schuld zouden overnemen en betalen. Hiervoor zetten zij hun bezittingen en persoon als zekerheid in.
De akte werd ondertekend in het bijzijn van de getuigen Willem Baart en Pieter Albertus Vernatie, met Nots. Pub. Baas (de notaris) als officiële getuige.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843018 / 834
Op
10 december 1716 kwamen voor
Cornelis Baart, een openbare notaris in
Haarlem, de volgende personen:
De eerste groep verkocht en
Jacob Cornelisse Santvoort kocht een huis met erf en een tuin erachter in de
Vlamingstraat in
Haarlem. Het huis grensde:
Het huis werd verkocht met alle rechten en plichten, zoals:
- eigen of gedeelde muren
- heiningen, tuinen, waterlopen, dakgoten, licht, lucht en andere vrijheden of verplichtingen
- oude documenten over het huis
De koper hoefde geen reparaties uit te voeren of diensten te vergoeden. Hij kreeg dezelfde rechten als de weduwe
Montenacq had. De koopsom was
360 gulden, te betalen in drie termijnen:
- de eerste termijn van 120 gulden op 1 mei 1717 (bij de overdracht)
- de tweede termijn van 120 gulden op 1 mei 1718
- de derde termijn van 120 gulden op 1 mei 1719
Bij te late betaling moest de koper een rente van
20% betalen vanaf de vervaldatum tot de volledige betaling.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843018 / 833
Pieter Heuschen maakte een rekening op als
procuratie (volmacht) en gaf advies. De rekening was ondertekend door
Juan Christoffo Kelm op
7 november 1661 en mede-ondertekend door
Montenacq.
Het adres op de brief was:
"Monsieur Pieter Montenacq te Amsterdam",
en er stond ook
"in opdracht van Anthonie van Winder".
De notaris
Anthonie Lock bevestigde dit als officiële notariële akte. Hij zette erbij:
"Quod attestor rogatus" (wat betekent:
"Ik bevestig dit op verzoek").
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965443 / 754
Op 15 oktober 1666 verklaarde Johannes Oli, een openbare notaris uit Amsterdam, het volgende voor de ondergetekende getuigen:
Op verzoek van François Montenac (getrouwd met Martijntgen Moutenac en erfgenaam van de overleden Servaes Montenac) en namens zijn schoonzus Elisabeth Montenac (ook een dochter en erfgenaam van Servaes), werd een verklaring voorgelezen aan Joris Becqs (getrouwd met Mouwijntgen Montenac, eveneens een dochter en erfgenaam van Servaes).
De verklaring luidde:
- Joris Becqs en zijn zwager Abraham Beuijse hadden eerder bij François Montenac een intrekking (terugtrekking) en annulatie (ongeldigverklaring) aangevraagd van een volmacht (toestemming om namens anderen te handelen). Deze volmacht was op 9 februari 1665 opgesteld door de andere erfgenamen bij notaris Willem Kittensteijn in Haarlem. Het doel was om de zaken van de nalatenschap van Servaes Montenac af te handelen en schulden te innemen.
- Daarnaast hadden zij schuldenaren verboden om openstaande bedragen aan François Montenac te betalen.
- Hierdoor konden de openstaande rekeningen van de nalatenschap niet worden afgerond, wat kon leiden tot onnodige schulden voor alle erfgenamen, waaronder François Montenac.
- Joris Becqs en Abraham Beuijse beweerden dat François Montenac nooit een duidelijk overzicht van zijn beheer had gegeven. Dit was onjuist: Montenac had op 22 september 1666 de boeken en rekeningen aan Becqs en de andere erfgenamen getoond, zowel individueel als in groepsverband. Hij was altijd bereid geweest dit te doen en bood aan dit opnieuw te laten zien.
- Becqs en Beuijse waren een rechtszaak begonnen over deze kwestie, terwijl François Montenac en Elisabeth Montenac juist een vriendelijke en eerlijke verdeling van de nalatenschap wilden.
De verklarenden (François en Elisabeth Montenac) protesteerden via de notaris tegen de onterechte intrekking van de volmacht en het betalingsverbod. Zij eisten dat alle kosten, schade en rente die hierdoor waren ontstaan (en nog zouden ontstaan) op Joris Becqs en zijn bezittingen zouden worden verhaald, mocht dat nodig zijn.
Joris Becqs vroeg om een kopie van deze verklaring en bevestigde dat hij deze in de juiste vorm wilde ontvangen, zonder bedrog.
De akte werd opgemaakt in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Charles Vignom en Dirck Rendorp.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937203 / 305
De tekst bevat een lijst met namen van personen, organisaties en zaken die betrokken waren bij juridische en financiële kwesties in de 17e en 18e eeuw. Hier volgt een overzichtelijke samenvatting:
- Er zijn verschillende rechtszaken en geschillen genoemd, zoals:
- Er worden verschillende personen genoemd die betrokken zijn bij deze zaken, zoals:
- Er zijn ook verwijzingen naar specifieke goederen en bezittingen, zoals:
- Het Rentmeesterschap tot Mierlo.
- Goederen van Weduwe Mazan en Weduwe Mareschal.
- Maltezer Goederen (goederen verbonden aan de Orde van Malta).
- Gearresteerde schepen en reparaties van schade door deze arrestaties.
- Goederen en meubels van de overheid, aangeduid als 's-Landts meublen.
- Goederen en zaken in Montenaken.
- Er wordt ook een agent van Grootmeester Kempingh genoemd in verband met de gearresteerde schepen en reparaties.
- Tot slot worden nog enkele individuen genoemd:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3268 / 0030
De Britse koning probeerde met vriendelijke diplomatieke acties de
Staten-Generaal (de hoogste bestuurders van de Republiek) te helpen. Zo wilde hij voorkomen dat de onderhandelingen met
markies de Prié vastliepen op punten waar de
Staten-Generaal geen toegeven konden. Ook wilde hij voorkomen dat vertragingen of nadelige gevolgen daarvan de
Staten-Generaal zouden worden aangerekend.
De
Staten-Generaal besloten bovendien het volgende:
- Het paspoort voor het vervoer van paarden van het cavalerie-regiment onder kolonel van Pallandt naar Eppen (afgegeven op 17 augustus voor 3 weken) werd verlengd.
- De verlenging werd doorgegeven aan Hamel Bruyninx, de speciale gezant van de Staten-Generaal aan het hof van de keizer, zodat hij hiervan op de hoogte was.
Dit besluit kwam na een verzoek van
Jan Frederik van Lijere, een majoor in hetzelfde regiment.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2178 / 0049
Na het overlijden van Jan Hendriksz Konink maakte zijn weduwe, Geertruijd van Nieulandt, op 16 januari 1619 een lijst van alle bezittingen, schulden en tegoeden die zij samen hadden. Dit gebeurde in Nieuwland, onder toezicht van Cornelis op 't Anger (een soort notaris). Ook hun dochter Jannetje Koninks was aanwezig, samen met Geertruijd van Outhuijzen als ondersteuning, omdat Jannetje nog minderjarig was. Jan Buijs (of Adriaensz.) trad op als tweede getuige.
De boedelinventaris bestond onder andere uit:
- Op zolder:
- Een klein hoopje brandhout
- 2 of 3 manden met onduidelijke inhoud (aangetekend als "tier ff")
- Wat rommel
- In de achterkamer:
- Een oud bed met bedstijlen (bedframe) – waarde: 14 gulden
- Een groene deken, een oud beddengoed en een hoofdkussen
- Een slaaplaken, een laken voor het bed en een sloop (soort beddensprei)
- Op de zolder boven het keukentje:
- Een oud bed met bedstijlen – waarde: 10 gulden
- Drie hoofdkussens en twee kleine kussens – waarde: 4 gulden
- Twee oude slaaplakens, twee slopen en twee dekens – waarde: 4 gulden
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937021 / 477
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965055 / 200
- Een vrouw, Juffrouw Helena Nieulandt, heeft in haar testament bepaald dat een erfenis van 15.000 gulden pas wordt uitgekeerd aan haar 5 achterneven en -nichtjes (de kinderen van Pieter Mulier en Machtilda Steenhoff) als ze 25 jaar oud zijn óf eerder trouwen.
- Zij wijst haar broer, Hendrik Daniël Olivier Nieulandt, aan als voogd over deze kinderen en als beheerder van het geld. Als hij overlijdt, nemen Eerste Comparant (een andere voogd) en diens opvolgers deze taak over.
- Hendrik Daniël Olivier Nieulandt sterft kinderloos op een later moment, waardoor de 15.000 gulden vrijkomt voor de 5 kinderen van Pieter Mulier en Machtilda Steenhoff.
- Twee van deze kinderen, Maria Mulier en Frederik Mulier, zijn op dat moment al overleden (ze waren nog niet 25 en niet getrouwd). De overgebleven drie kinderen, Dirk Mulier, Pieter Mulier en Magtilda Mulier, krijgen dus elk een deel van de 15.000 gulden.
- De voogden (waaronder Eerste Comparant en Tweede Comparant) bevestigen dat ze het geld hebben ontvangen van Mejuffrouw Alberdina Kist, de weduwe van Hendrik Nieulandt en zijn executeur-testamentair (degene die zijn nalatenschap afhandelt).
- Hiermee is de erfeniskwestie definitief afgerond (Amsterdam, in aanwezigheid van getuigen en notaris Isaac Pool).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486035 / 225
- De erven (kavels) 41-42 werden waarschijnlijk als industrieterrein gebruikt, terwijl de erven 43-45 en 46 als tuin dienden. Deze grondstukken waren al meerdere keren van eigenaar gewisseld.
- In het familie-archief van De Graeff wordt een overdrachtsakte van erven 41-42 bewaard, maar zonder verdere details. Francois van Bergen had deze erven in bezit, mogelijk al snel na aankoop. In 1683 werd hij genoemd als noorderbuurman van het huis Amstel 258. Het terrein grensde aan zijn andere bezittingen aan de Keizersgracht en Kerkstraat, wat het extra waardevol maakte.
- Jan Six had de erven 42-45 al in 1673 verkocht, evenals het aangrenzende erf 46, dat hij in 1670 van Dortsman had overgenomen. De combinatie van de namen Six en Dortsman suggereert dat er ooit bouwplannen waren, maar de oorlog van 1672 stopte deze tijdelijk.
- Op 9 maart 1673 droeg Six de erven 43-45 over aan Rutgert Vlieck de Oude, verwijzend naar een contract van 8 maart (inhoud onbekend). Op dezelfde dag verkocht hij erf 46 aan Sieuwert Jansz (een metaalkeurder) en Harmen Stoffels van Swoll.
- De zaken van Vlieck gingen slecht: op 12 januari 1675 werd zijn tuin (drie erven breed) en zijn buitenplaats onder Nieuwer Amstel (aan de Amstel) bij een gedwongen veiling verkocht. Dit was waarschijnlijk oud familiebezit van zijn vrouw uit de familie Spiegel. Het is onwaarschijnlijk dat Vlieck de stadstuin privé gebruikte.
- Koper was Hendrik Baseliers, een wijnhandelaar in de Sint Jansstraat. Op het terrein stond een loods, mogelijk een herberg. Baseliers stierf in 1678, en zijn weduwe hield de tuin.
- In 1686 begon de bouw op deze terreinen door Hendrick Claesz Nieulandt, een timmerman uit Delft die in 1675 trouwde met Engeltje Claes Pelsers uit Kampen.
- Op 13 december 1686 werd Nieulandt eigenaar van de tuin van de weduwe Baseliers. Een week later kocht hij ook de aangrenzende tuin, die weer in handen was van Jan Six door financiële problemen van Sieuwert Jansz.
- De bouwplannen kwamen niet van de weduwe Baseliers of Six. Op 4 februari 1687 leende Nieulandt 4000 gulden van Francois van Bergen. Op 15 maart 1687 werd deze schuld officieel geregistreerd.
- Nieulandt bouwde zes huizen: eerst de twee noordelijkste (Amstel 244-246), daarna vier huizen met bomenamen (Amstel 248-254). Hij hield alleen huis 252 ("De Akerboom") voor zichzelf. Toen deze huizen in 1687 of 1688 klaar waren, begon hij met de bebouwing van 3 erven aan de Keizersgracht en Kerkstraat.
- Deze erven behoorden niet meer aan Francois van Bergen, maar aan diens nicht, de dochter van Louis Quickelenburg, getrouwd met Arnoldus Hellius. Op 20 maart 1691 vond de officiële overdracht aan Nieulandt plaats, maar uit akten bleek dat hij al in 1690 met de bouw bezig was.
- Notaris Boots (ook notaris van Van Bergen) werkte nauw samen met Nieulandt. Het laatste project van Nieulandt was op terrein gekocht van Pieter van Dam, een zwager van Van Bergen. Van Dam bezat twee tuinen langs de Amstel, tussen de schutsluizen en de Hoge Sluis.
- In 1668 en 1670 had Van Dam deze erven gekocht. Voor zijn dood (17 mei 1706) maakte hij afspraken met Nieulandt over bebouwing; de overdracht gebeurde in 1707 door de erfgenamen. Nieulandt bouwde huizen langs de Achtergracht en Amstel en stierf in 1710 in een van deze huizen.
- Francois van Bergen (bekend van het schilderij De vier leeftijden en de vijf zinnen in het Museum van Loon) bleef betrokken bij de bouw in Amsterdam, ook na zijn verhuizing naar Utrecht. Hij was eigenaar van het terrein waar in 1687/88 herberg De Plaets Royael werd gebouwd.
- De tuin met een waarschijnlijke herberg van de weduwe Baseliers verdween. Op 3 juni 1688 droeg notaris Boots (namens Van Bergen) twee erven over aan Arent de Roode (later bleek dit Ernst de Roode te zijn) voor 5400 gulden op rente.
- De Roode, een wijnhandelaar die ook het Utrechtse Veerhuis huurde, nam een lening van 5400 gulden en een extra lening van 2600 gulden voor bouwmaterialen en loonkosten. Hij stierf echter al op 29 september 1688.
- Zijn weduwe, Catharina Blauw, hertrouwde in 1689 met de 27-jarige goudsmid Johannis de Hoest. Omdat niets was afgelost, liet ze de herberg op 21 januari 1692 veilen. De Plaets Royael werd beschreven met een kelder, portaal, trokhuis (keuken), prieel, duiventil en vogelkooi.
- De herberg werd gekocht door Eva Martin, weduwe van wijnhandelaar Laurens Sarckhuysen, voor 13.000 gulden. Zij had een band met de familie De Roode (ze was meter bij de doop van hun zoon in 1684).
- In 1694 werd de herberg getaxeerd als volbouwd, samen met vier huizen van Nieulandt. Eva Martin verhuurde de herberg en verkocht deze in 1701 aan Jan Vechtersen voor 6000 gulden contant en 8000 gulden op rente.
- Vechtersen was al herbergier op het Rustenburgerpad onder Amstelveen in 1686. In 1694 woonde hij nog onder Amstelveen, maar in 1704 bleek hij al waard van De Plaets Royael te zijn. Hij loste snel de schulden af die nog openstonden sinds 1688.
- Francois van Bergen stierf in 1708, vier jaar nadat zijn investering in de herberg was afgerond. Jan Vechtersen was in 1686 al herbergier en huurde toen een herberg op het Rustenburgerpad.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3586479 / 151
De tekst beschrijft de laatste wil van een vrouw (de testatrice) uit Amsterdam, opgesteld in augustus 1656 en aangepast in september 1656. Hier de belangrijkste punten:
-
Susanneken Conincx en Elfge Wijnants (en de kinderen van Maria Wijnants) erven de goederen van de testatrice. Als Susanneken Conincx eerder sterft dan de testatrice, gaat de helft van haar erfdeel naar haar eigen kinderen en de andere helft naar Hans Biermans (haar man). Hans Biermans mag de opbrengsten (zoals huurinkomsten) van dit erfdeel gebruiken voor zijn levensonderhoud, maar het geld zelf blijft voor de kinderen.
-
Als een van de kinderen of kleinkinderen van de testatrice overlijdt, gaat diens erfdeel naar de overige nakomelingen. De testatrice wil dat alles goed wordt beheerd.
-
De testatrice wijst Salomon Comme, Jan Rosewel en Gerrit Fresenburch (een neef) aan als executeurs (uitvoerders van de wil) en voogden (verzorgers) over de goederen van haar kinderen. Zij mogen ook een vervanger kiezen als een van hen komt te overlijden. De testatrice sluit specifiek de weeskamer (een instantie die wezen beschermde) van Amsterdam of een andere stad uit voor deze taak.
-
De testatrice kan later nog wijzigingen aanbrengen in haar testament, ook met een handtekening. Alles wat zij opschrijft of ondertekent, geldt als officieel.
-
In een latere aanpassing (16 augustus 1656) verandert de testatrice haar wil: Abigael Nieuwlant (de weduwe van haar overleden zoon) krijgt niets meer uit de erfenis. Het erfdeel van de overleden zoon gaat nu naar Susanneken Conincx (voor de helft) en naar Elfge Wijnants en de kinderen van Maria Wijnants (voor de andere helft).
-
Op 1 september 1656 voegt de testatrice toe dat Abigael Nieuwlant toch 1100 Carolusgulden (een geldbedrag) krijgt, maar alleen onder voorwaarden:
- Het geld gaat terug naar de andere erfgenamen als Abigael hertrouwt of overlijdt.
- Abigael mag het geld niet aan anderen geven of er anders over beschikken.
Abigael Nieuwlant gaat hiermee akkoord.
De akte is opgesteld in Amsterdam, in het huis van Abraham Jacobsz Greve, met getuigen zoals Hendric Mermer, Wijbrant Schelling en Gerrit Evenkamp. De testatrice is op hoge leeftijd en ziek, maar bij verstand.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936887 / 86
Joan Hoekebak, notaris, schreef op
15 april 1694 een document over een aantal mensen die betrokken waren bij zaken in
West-Indië. In dit document staan de volgende namen en samenwerkingen:
Voor meer informatie wordt verwezen naar een volgend document, nummer 3.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 5071040 / 1007
De tekst is een lijst van inwoners en bedrijven in Amsterdam uit de 17e eeuw, met hun beroep en locatie. Hier volgt een samenvatting van de belangrijkste gegevens:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936838 / 580
- Op 13 maart 1655, rond 20:00 uur, verscheen Paschijntge Lammers, weduwe van Pieter Coninck, voor een notaris in Amsterdam. Ze woonde bij haar zoon Salomon Coninck op de Singel, bij de Lansbrouwerij. Ze was gezond en helder van geest.
- Omdat ze besefte dat het leven breekbaar is en de dood zeker, maakte ze een testament om haar bezittingen te verdelen.
- Ze maakte alle eerdere testamenten ongedaan en bepaalde nu het volgende:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936887 / 85
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510453 / 236
Volgende pagina