Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 1731 maakten Arnoldus Peter Mutserts, Francie Pere Mutserts en Jan Baptist van Grevenbroeck (getrouwd met Cornelia P. Mutserts) een verdeling van de erfenis van hun ouders Peter Acht Mutserts en Geertruijd Boogers.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803088 / 61  


De vergadering ontving een brief van de hertog van Courland, gedateerd 5 november in Mijlau, waarin hij vroeg of zijn pasgeboren zoon als peter mocht worden aangenomen. Na overleg werd besloten dit verzoek in te willigen en de hertog hiervan op de hoogte te stellen met een felicitatiebrief. Er kwam een brief binnen van graaf van Horne, commandeur in Grave, geschreven op 5 januari. Hierin stond dat prins van Condé met zijn troepen was aangekomen in Ruurmonde en zijn kwartieren zou opzetten in Roermond, Venlo en het land van Kessel, waaronder het dorp Venray waar ongeveer 300 ruiters zouden komen. Hierop werd geen beslissing genomen. Op verzoek van Robbert Ittersom, kapitein in dienst van de landen en drost van ’s-Hertogenrade, die toestemming vroeg om tijdelijk buiten de landen te verblijven, werd na overleg besloten dat hij mocht terugkomen, mits hij een verklaring meebracht van de gouverneur of commandeur van Maastricht, volgens de regels van het land. De vergadering las een verzoek van Dirck van Grevenbroeck, heer van Mierlo in Peelland, die om uitstel van 3 maanden vroeg om de bescheiden betreffende de verpanding van zijn heerlijkheid te herstellen en over te dragen, zoals eerder was gewaarschuwd. Na overleg werd besloten dat hij de bescheiden binnen de termijn van de laatste waarschuwing moest overhandigen. Er werd een lijst getoond van Braziliaanse soldaten die in Den Haag waren gelegerd en schulden hadden bij verschillende herbergen. De heren van Holland hadden de kosten al afgeschreven en wilden dat deze op hun rekening werden gezet als dat nog niet was gebeurd. Na overleg werd besloten de lijst door te sturen naar de Raad van State voor advies. De vergadering las een verzoek van Hubrecht Emonts en Jan Bartholomeus, die door de staten waren benoemd tot het gilde van schippers in Gent. Ook las men een verzoek van Anthonij Henricx Jonghman, die nog steeds het passagiegeld in pacht wilde houden. Na overleg werd dit verzoek aangehouden. Er kwam een brief binnen van vice-admiraal de Ruijter, geschreven op het schip Tijdverdrijf voor Cádiz op 21 november, met verschillende bijlagen. Na overleg werd besloten de brief en bijlagen door te sturen naar de heren Huijgens en andere gedeputeerden voor zeezaken om te onderzoeken en rapport uit te brengen. De vergadering las een verzoek van Gerard Wijbrandts, schipper van het boeierschip Sint Pieter uit Rotterdam, die betaald wilde worden voor het vervoer van meubels van heer ambassadeur Chanut naar Frankrijk, inclusief 15 gulden voor kaplaken. Na overleg werd besloten het verzoek door te sturen naar de gecommitteerden van de Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen, en vervolgens door te sturen naar de Raad van State voor een beslissing. Er werd een verzoek gelezen van Hubrecht Emonts en Jan Bartholomeus over het merkschippersambt van het Sas van Gent naar Stad Gent, tegenover de gilden van vrije en onvrije schippers van die stad. Na overleg werd besloten het verzoek door te sturen naar de heren Huijgens en andere gedeputeerden voor onderhandelingen met de ambassadeur van Spanje om te onderzoeken en rapport uit te brengen. De verklaring van Adriaen Adamsz van Spijck, meester-timmerman in Den Haag, over werk dat hij had gedaan in verschillende kamers van de staten, werd na overleg doorverwezen naar de gecommitteerden van de Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen volgens de regels van het land. Op een nieuw verzoek van de hoofdofficieren, staten en ingesetenen van de drie landen van Overmaas met klachten over de heffingen door licentmeester Johan van Elck, werd na overleg besloten nogmaals te schrijven aan het College ter Admiraliteit in Rotterdam dat zij binnen 8 dagen na ontvangst advies moesten uitbrengen over de eerdere verzoeken van de verzoekers. Als dat niet gebeurde, zouden de staten zelf een beslissing nemen. De verklaring van Isaacq de Gruter, rector van de Latijnse School in Maastricht, over kosten voor het vervoer van zijn meubels van Middelburg naar Maastricht, werd na overleg doorverwezen naar de gecommitteerden van de Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen volgens de regels van het land. De resoluties van de vorige dag werden gelezen en samengevat, evenals de depêches die daaruit voortvloeiden. Er kwam een brief binnen van heer van Isselmude, een van de buitengewone ambassadeurs van de staten naar keurvorst van Brandenburg, geschreven in Vollenhove op 21 december (oude stijl). Hierin werd gemeld dat hij, zodra het open water was of hard genoeg bevroren om wegen en veerponten te passeren, zijn reis zou vervolgen. Hierop werd geen beslissing genomen. Er kwamen drie brieven binnen van heer ambassadeur Boreel, geschreven in Parijs op 29, 30 en 31 december, evenals een brief van 31 december aan griffier Ruijsch, met bijlagen en mededelingen. Hierop werd geen beslissing genomen. Er kwamen twee brieven binnen van heer van Ommeren, buitengewoon gedeputeerde van de staten, geschreven in Genève op 22 december, met mededelingen. Hierop werd geen beslissing genomen. Er kwam een brief binnen van het Sindicaat en Raad van Genève, geschreven aldaar op 30 december, met een verzoek om een subsidie voor reparatie en onderhoud. Hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3262 / 0054  


Lijsbet Bos, weduwe van Antonij van Grevenbroeck, maakte op 2 september 1631 in Haarlem een testament op bij notaris Cornelis Rens. Ze was gezond en helder van geest. Ze schrapte alle eerdere testamenten en bepaalde:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842816 / 211  


Arnold van Loon, een openbare notaris in dienst van de Edelen van Brabant, woonachtig in de heerlijkheid van Tilburg, ontving op 14 in de maand Wande 1702 Dirck Cornelis van Grevenbroeck en Anna Adriaen Hendrick Janssen, een getrouwd stel uit Stock Hasselt. Zij waren gezond van lichaam en geest en maakten een testament op. In hun testament: Het testament werd opgesteld in Tilburg, in het woonhuis van het paar.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504581 / 280  


Op 28 januari 1700 stelde Adriaen Jans van Deursen, collecteur van het hoofdgeld voor de dorpen van Adenhout (ingegaan in oktober 1743), bij notaris Anthonij Gaviman in Oosterwijk Willem Grevenbroeck aan als zijn vertegenwoordiger.

Willem Grevenbroeck mocht namens Adriaen Jans van Deursen het hoofdgeld innnen volgens het collecteboek van de regenten van Udenhout. Hij kreeg de bevoegdheid om:

Willem Grevenbroeck moest wel op verzoek verantwoording afleggen aan de regenten van Udenhout of aan Adriaen Jans van Deursen. De akte werd opgesteld in Oosterwijk in aanwezigheid van de getuigen Jan van Bakel en Goijaert Andems, die beiden verklaren niet te kunnen schrijven. Notaris Slaveman was ook aanwezig.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703735 / 21  


Op 3 december 1703 verscheen Jan van Grevenbroeck, wonend in Waspik, voor Michiel van Tilburgh, openbaar notaris in ’s-Gravenhage. Hij bevestigde een huurovereenkomst te hebben gesloten op 21 november 1703 met Jennes van Sasburgh, heer van Manier, voor de helft van een landerij genaamd Klein Gespik (17 gemet). De huur duurde 4 jaar, van 1704 tot 1707, tegen een jaarlijkse huur van 204 gulden Hollands (24 gulden per gemet). Jan van Grevenbroeck beloofde: Jan van Grevenbroeck stelde zich persoonlijk en met al zijn bezittingen aansprakelijk. Als borg stonden Meus de Hoogh (burger en visser in ’s-Gravenhage) en Griet Camp (wonend in Sas van Gent). De huur werd als volgt betaald: Op 2 maart 1708 werd door Jannes van Sasburgh een kwijting getekend voor de betalingen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739521 / 136  


Op 27 oktober 1648 was Mulert voorzitter van een vergadering met onder anderen Gent, Bronchorst, Verbolt, de Bije, Eck, vander Cappelle, Raesfelt, Huijgens, Schrasser, Wimmenum, de Witter, Bicker, Vett, vander Nissen, Vosbergen, vander Hoolck, Donia, van Haren, Jeltinga, Andréé en Veneris.

De besluiten van de vorige dag werden voorgelezen en samengevat.

Er werd een verzoek voorgelezen van Remijs van Grevenbroeck, een priester uit Tilburg in de Meijerij van 's-Hertogenbosch. Hij had zich volgens een besluit van 16 juni 1648 naar het land van Antwerpen begeven, maar kon daar slecht leven. Hij vroeg toestemming om terug te keren naar Tilburg als particulier, zonder de regels te overtreden. Na overleg werd besloten zijn verzoek af te wijzen.

In november werd een verzoek voorgelezen namens de inwoners van de Meijerij van 's-Hertogenbosch. Zij vroegen om de belasting op het vervoer van ossen, koeien en veersvarkens onder de 75 gulden te verlagen naar het tarief van 1625 en voor goederen boven de 80 gulden tegen 2 gulden en 10 stuivers. Ook vroegen zij om boter uit de Meijerij zonder uitgaande belasting naar de markt te mogen brengen. Na overleg werd besloten hier niet op in te gaan.

Het verzoek van Pieter Quartier en Pieter Poelge met anderen, kooplieden uit Amsterdam, om 1200 graf zout naar Gent te mogen uitvoeren in 4 kleine schepen, werd na overleg afgewezen.

Er werd een memo voorgelezen van Boswel, de resident van de koning van Groot-Brittannië. Hierin stond dat prins van Wales zijn schepen uit de haven van Helvoetsluis had teruggetrokken in de hoop dat ze daar beter beschermd zouden zijn tegen overvallen of het meenemen van schepen door geweld, zoals al met 4 schepen was gebeurd. Hij vroeg om de schepen te beschermen tegen geweld en ze niet als belegerd te beschouwen in de vrije havens. Hij verwachtte dat de Staten, conform de verdragen en allianties, de neutraliteit zouden handhaven in de conflicten tussen de koning en het parlement. Als er iets met de schepen zou gebeuren, zou dat een grote minachting zijn voor de soevereiniteit van de Republiek. De prins zou dat zeer betreuren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 101 / 0519  


Op 21 september 1710 in Huijden verschenen voor Isaac Augustin Rumpf, secretaris van het Ceylonse gouvernement onder gezag van Henrick Becker, gouverneur en directeur van Ceylon en de kust van Madure, de getuigen Theunis de Haan, schipper van het schip Slooten dat in de rede lag, en Jan van Grevenbroeck, opperstuurman en gezaghebber op de hoek De Leeuwenburg. Zij verklaren dat op 19 september 1710 ’s middags besloten was om van koers te veranderen om de lage wal van Rotten Eiland te vermijden. Dit eiland ligt aan de Madurese kust, ten noorden van Haasen Eiland, en is gevaarlijk. Men was al binnen 5 vadem water genaderd. Toen het schip Slooten draaide om de wal te ontwijken, lag het schip Beverwijk aan lij van Rotten Eiland en tegen Slooten aan. Volgens zeemansgebruik hees Beverwijk zijn blinde zeilen en tuig op, om te kunnen manoeuvreren. Dit was noodzakelijk, omdat Slooten niet boven Beverwijk heen kon varen en ook niet eronderdoor zonder gevaar voor grondraken en mogelijk verlies van schip en lading. In plaats van te draaien, liet Beverwijk zijn blinde zeilen opgehesen, toen men merkte dat Slooten te dichtbij was. Er waren al twee waarschuwingschoten afgevuurd vanaf Slooten: één met loskruit en één met een kogel, volgens de afspraken daarover. Beverwijk voer voor de wind, achter Slooten langs, zo dichtbij dat als Beverwijk omviel door zijn opgehesen blinde zeilen, de schepen elkaar zeker aan boord zouden zijn gekomen. Beverwijk passeerde Slooten aan bakboord met slechts ongeveer een scheepslengte afstand. Ondanks dat Gerrit Domker, schipper van Beverwijk, op bevel van Henrick Becker in aanwezigheid van Isaac Augustin Rumpf zowel schriftelijk als mondeling had bevolen om minstens twee kanonschoten van Slooten af te blijven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1806 / 1103  


Op 26 november 1669 werd beslist dat de heeren van Wijnbergen en andere gedeputeerden voor de zaken van de Oost- en West-Indische Compagnieën moesten onderzoeken of er onregelmatigheden waren bij de benoeming van bewindvoerders. Ook moesten zij advies geven over eventuele nieuwe regels of edes. Daarnaast werd het rapport van de heeren van den Steen en andere gedeputeerden voor de zaken van Vlaanderen behandeld. Pieter van Maele, griffier in Vlaanderen, had namens Johannes Pieters verzocht om Jacob Pezijn, ontvanger van landsmiddelen in Gent, tijdelijk aan te stellen voor het innemen van ontdekte tienden en landerijen in Vlaanderen. Dit verzoek werd goedgekeurd en de lokale ontvangers in Vlaanderen kregen de opdracht hiertoe. Verder werd het verzoek van Floris van Grevenbroeck, vendrich van de compagnie van graaf van Wittgenstein in garnizoen te Wesel, behandeld. Hij kreeg toestemming voor drie maanden verlof om naar Henegouwen te reizen voor persoonlijke zaken. Het verzoek van Hubert Minnicx, burger van Maastricht, om uitstel van executie van een vonnis ten gunste van de erfgenamen van Dionijs Meijs werd doorgestuurd naar de tegenpartij. Zij kregen 14 dagen de tijd om te reageren. Ook werd het bericht van de gecommitteerden in de Generale Rekenkamer besproken. Henrick Monier had gevraagd om betaling van 1077 gulden en 6 stuivers voor 13 livreirokken die hij in 1668 had geleverd aan gedeputeerden te velde. De rekening was goedgekeurd, maar de gedeputeerden hadden hun uitgaven nog niet onderling verrekend. De Staten beslooten de betrokken provincies te vragen hun gedeputeerden aan te sporen tot afhandeling, zodat Monier zijn geld zou ontvangen. Ten slotte werd het rapport van de heeren Schimmelpenningh en andere gedeputeerden voor de Lüneburgse zaken behandeld. Resident Huneken had in een memorie uitleg gegeven over de Berenbergse schuld. Volgens hem moesten de gearresteerde goederen van Berenberg direct na ratificatie van een akkoord worden vrijgegeven, zodat Berenberg deze kon verkopen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De Staten hadden beloofd de arresten op de goederen op te heffen, zonder beperkingen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3238 / 0328  


Op 17 augustus 1700 kwamen Jan Quirijn Peeters en Cornelis Janssen van Grevenbroeck, beide inwoners van Tilburg, voor notaris Arnold van Loon in Hilvarenbeek. Jan Quirijn Peeters verhuurde een stuk land van ongeveer 3 loopensaten (ca. 3 hectare) in de parochie van Tilburg, op de plek Moenstraat onder Hilvarenbeek, aan Cornelis Janssen van Grevenbroeck. De huur duurde 8 jaar, van 1700 tot 1708, met de mogelijkheid om de eerste 4 jaar op te zeggen voor Kerstmis.

Als huur betaalde Cornelis Janssen van Grevenbroeck jaarlijks 1 mud (ca. 100 liter) rogge, goed leverbaar graan. De eerste betaling was uiterlijk in 1701, maar moest voor Kerstmis dat jaar geleverd zijn. Daarnaast moest hij het land na de oogst braak laten liggen in witte stoppels en de belasting (tienden) betalen.

Cornelis Janssen van Grevenbroeck gaf toe dat hij het land al eerder had gebruikt en nog 11 vaten (ca. 1100 liter) rogge schuldig was: 1 vaat van de pacht van 1699 en 10 vaten van de oogst van 1700, die hij beloofde te betalen.

Beide partijen beloofden de afspraken na te komen, met inzet van al hun bezittingen. Als getuigen tekenden Hendrick Prijs en Jan van Bueste, beide inwoners van Tilburg.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 251  


1744 Arnoldus Pijnenborgh en Johanna van Grevenbroeck, een getrouwd stel uit Swarbeek, lieten een testament opstellen bij notaris Anthonij Gaerman in ’s-Hage. Zij benadrukten dat ze gezond en helder van geest waren en maakten afspraken over hun bezittingen na hun dood.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 341  


Bij Gerrit Victor thuis werd Jan Baptista, de luitenant, gebracht door de pachter. Daarna werd hij door dezelfde pachter betaald. Pieter de Witt verklaarde dat hij het afgelopen paar keer op twee verschillende momenten had gezien: Jan Baptista had aan Gerrit Victor brandewijn uit de kelders gegeven op de laatste dagen van het vorige jaar, aan het einde van de pacht. De Witt had deze brandewijn namens Gerrit Victor verkocht.

De verklaring werd voorgelezen aan de getuigen, die beloofden deze onder ede te bevestigen. Zij waren hierbij aanwezig en gaven als reden dat ze erbij waren. Er werd een akte opgemaakt in algemene vorm.

Dit gebeurde in Kasteel de Goede Hoop op 12 juni 1685. Ondertekend door G. Solbergh en Pieter de Witt. In de kantlijn stond: "Ons present als gecommitteerden" en was ondertekend door Johannes Bacherus en R. Decker. Lager stond: "Mij present J. G. De Grevenbroeck, secretaris".

Bij een herhaling van de verklaring bleven G. Solbergh en Pieter de Witt bij hun verhaal. Zij bevestigden de waarheid met de woorden: "Zo waarlijk moet mij God Almachtig helpen".

Ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 12 juni 1685 door G. Solbergh en Pieter de Witt. In de kantlijn stond opnieuw: "Ons present als gecommitteerden" en was ondertekend door Johannes Bacherus. Lager stond: "Mij present J. G. De Grevenbroeck, secretaris".

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10439 / 0158  


De tekst beschrijft een contract uit 15 december 1708 en een latere vermelding uit 1 december 1708.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 378  


Op 30 juli 1751 kwamen voor notaris Anthoni Glaviman in Oosterwijk de volgende personen: Zij waren de naaste familie van de overleden Jenneken van Laerhoven, die getrouwd was geweest met Adriaen Gommerts de Cort. In het testament van Jan Adriaen Gommerts de Cort (zoon van Jan Adriaen Gommerts de Cort), opgesteld op 4 maart 1730 in Den Hout, was bepaald dat zijn moeder Johanna Aert Grevenbroeck (eerst weduwe van Jan de Cort, later van Jan Liggen) zijn erfgenaam was. Als zij zou overlijden, zou het erfgoed naar zijn halfbroer Francis Jan Piggen gaan. Als deze zonder wettige nakomelingen zou sterven (wat nu het geval was), dan zou het erfgoed naar de naaste familie van zijn grootmoeder aan vaderskant, de familie van Laerhoven, gaan. Deze familie zou dan 400 gulden ontvangen. Omdat Johanna Grevenbroeck nog in leven was, was de 400 gulden nog niet vrijgegeven. De familie wilde echter zekerheid dat de wens van Jan Adriaen Gommerts de Cort zou worden uitgevoerd en dat Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen van deze verplichting zouden worden ontlast. De aanwezigen bevestigden daarom dat zij de 400 gulden van Johanna Grevenbroeck (eerst weduwe van Lande Cort, later van Jan Siggen) in volle omvang hadden ontvangen en betaald. Zij ontheffden Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen van verdere verplichtingen hieromtrent. Zij beloofden ook dat zij of hun erfgenamen geen verdere claims zouden indienen na het overlijden van Johanna Grevenbroeck. De akte werd opgesteld in Den Hout in aanwezigheid van Adriaen van de Laer, Geraert Verschueren en Harman (een inwoner van Tilburg) als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 106  


Op 11 februari 1756 kwam Anthonij Gla, een openbaar notaris in Den Haag die was toegelaten in de vrijheid Oosterwijk, voor Althoffer D Vanden. Hij noteerde de verklaring van de volgende personen uit Den Hout:

Zij benoemden Willem van Grevenbroeck en Jan Raijmakers (beide wonend in Den Hout) als hun vertegenwoordigers. Deze mochten namens hen en in elkaars naam de belastingen innnen volgens de heffingsboeken die de regenten van Den Hout aan de verklarenden hadden gegeven. Ook mochten zij weigerachtige betalers dwingen via gerechtelijke maatregelen, zoals beslaglegging, en hiervoor de nodige juridische stappen ondernemen. Verder mochten zij anderen aanstellen om deze taken uit te voeren.

De vertegenwoordigers moesten ervoor zorgen dat alle landelijke belastingen en dorpsschulden op tijd werden betaald, zodat de verklarenden, de gemeente of de regenten van Den Hout geen schade zouden lijden. De verklarenden beloofden dat alles wat door de vertegenwoordigers of hun opvolgers werd gedaan, geldig en bindend zou zijn.

De vertegenwoordigers moesten wel op verzoek van de regenten van Den Hout of de verklarenden tijdig rekening en verantwoording afleggen.

De akte werd opgesteld in Oosterwijk op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Jan Stovimans en Anthonij Stovimans (beide inwoners van Oosterwijk) als getuigen. De volgende personen ondertekenden of merkten de akte:

De akte werd opgemaakt door H. Stormans, grootnotaris.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 418  


Op 7 december 1747 stelde Cornelia Seger in Telbort een testament op. Hierin legde ze vast dat haar wensen na haar overlijden precies uitgevoerd moesten worden, of dat nu via een testament, codicil, schenking of op een andere manier was. Ze wilde dat dit geldig en waardevol zou zijn, ook als niet alle juridische formaliteiten waren nageleefd. Eventuele wetten of gewoonten die hiertegen ingingen, schrapte ze voor zover dat in haar macht lag.

Het testament werd opgesteld in het woonhuis van Cornelia Seger in aanwezigheid van Wouterus de Rooij en Cornelis van Heiligerlee, beide inwoners van Telbort, als getuigen. De notaris Jan in de Voor Mouten Heijligen uit Grevenbroek bevestigde dit op 7 december 1747.

Op 7 december 1747 maakte Johan Adriaan van Meurs, een openbaar notaris in Den Haag, een officiële verklaring. Hij bevestigde dat hij in de heerlijkheid Selborg was en in het huis van Wouter van Laarhoven en Cornelia Seger, een getrouwd stel in Selborg, was gekomen. Wouter van Laarhoven was gezond, terwijl Cornelia Seger ziek op bed lag, maar wel bij vol bewustzijn. Ze begrepen de kwetsbaarheid van het leven en de zekerheid van de dood en wilden hun bezittingen regelen voordat ze stierven.

Zij maakten een testament op uit vrije wil, zonder druk van anderen. Ze droegen hun onsterfelijke zielen op aan God.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803090 / 338  


Uit de nalatenschap van Geertruijd van Grevenbroek werd eerst ƒ 10261: 3: 2 betaald. Daarna ontving Daniel de Vos, als executeur, ƒ 3000 volgens haar testament, met voorbehoud van restitutierecht na zijn overlijden. De overgebleven som van ƒ 7261: 3: 2 werd verdeeld onder haar erfgenamen: Alleen een schuldbrief van ƒ 250 (met 4% rente per jaar) op een huis in de Gierstraat in Haarlem, toebehorend aan Sijtje Cricks (weduwe) en erfgenamen van Abraham Groset, bleef onverdeeld. Op 18 december 1726 bevestigden Alida van Grevenbroek, Jacob van Grevenbroek en Reijnier Smedingh (als executeurs van Jacob Peck) voor notaris Aalst de Bruijn in Haarlem dat Daniel de Vos als executeur een correcte afrekening had gegeven. Zij aanvaardden de verdeling en kwijten Daniel de Vos volledig van verdere aansprakelijkheid. Alleen de schuldbrief van ƒ 250 bleef gezamenlijk eigendom.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 579  


Elias Heijtge van Grevenbroeck, neef van de testatrice, krijgt: Hij krijgt hiervan alleen het vruchtgebruik voor zijn leven. Het eigendom gaat naar de erfgenaam van de testatrice. Daarnaast krijgt hij: Dit moet binnen 6 weken na haar overlijden worden uitgekeerd. Elias van Grevenbroeck is uitgesloten van verdere erfenis, maar zijn broer Willem Heijtge van Grevenbroeck beheert de goederen en het geld. Deze mag bij ziekte of beletsel iemand anders aanstellen. Hij moet de opbrengsten jaarlijks aan Elias van Grevenbroeck uitkeren. Voor dit beheer krijgt hij 4 gulden per jaar en hoeft geen rekening of bewijs af te leggen. Dina Heijtge van Grevenbroeck, getrouwd met Peter van Heeswijck, krijgt een rente van 1200 gulden kapitaal, afkomstig van Adriaan Cornelis van Jessel (woonachtig onder Loon), tegen 10 stuivers interest per jaar. Als zij zonder kinderen overlijdt, gaat de rente terug naar het kapitaal en wordt de overleden kant met de levende kant gedeeld. Maria Elisabeth van de Lipstad (woonachtig in 's Bosch) krijgt 2 percelen land (samen ongeveer 6 sten) onder Den Hout, genaamd Ses Hoeven, nu gehuurd door de weduwe Frans van Broeckhoven. Deze percelen zijn belast met 2 vaten en 2 à 3 kannen hagel per jaar aan de rentmeester Tengnagel, plus 100 gulden binnen een jaar na het overlijden van de testatrice. Johanna Catharina van de Lipstad, getrouwd met Reijster (woonachtig in 's Bosch), krijgt 100 gulden binnen een jaar na het overlijden van de testatrice. Cornelis, zoon van de overleden Maria Acht Broek (verwekt bij Adriaan van Tessel, woonachtig onder Soon), krijgt een stuk weiland of kooland van 6 hout onder Besoijen, over de oude straat, in het smalle stuk. Aken Gommet de Cort krijgt een perceel land en bos (samen 3 sten) onder Den Hout aan de Houtse straat. Goijaert Heeren (moeder was Jaria Cornelis Namers, woonachtig in Berkel), krijgt een perceel land van ongeveer 1 laat onder Kerke aan de Geen. Acht Peter Kaamers (woonachtig in Sprang) krijgt een perceel weiland of heide (samen ongeveer 3 sten) onder Telboth aan de Houtse straat 83.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803091 / 55  


Op 14 januari 1693 in Amsterdam verschenen voor notaris Assuerus Benus: Zij verklaren dat Antonij van Grevenbroeck en Elisabet Bosch van plan zijn te trouwen onder de volgende voorwaarden: De partijen beloven deze afspraken na te komen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 253  


Catharina Albert van Sittert maakte op 22 juli 1658 rond 10 uur 's avonds een testament op bij notaris Zeger van der Hullen in Den Haag. Zij was getrouwd, had kinderen en was gezond en helder van geest. In haar testament bedacht ze dat het leven broos is en de dood onvermijdelijk. Daarom bepaalde ze dat haar ziel na de dood in Gods barmhartigheid zou komen en haar lichaam christelijk begraven zou worden. Mocht ze zonder wettige erfgenamen komen te overlijden, dan benoemde ze haar man als enige en universele erfgenaam, uit pure genegenheid.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 140  


Op 1240 vertrok een schip genaamd de Gendt uit het vaderland. Willem van Tessel was tweede schipper. De onderkoopman Mindert Vos en de burger Hendrick Ketelaar hadden transportkosten betaald om in de kajuit te mogen reizen. Ook betaalden de burger Willem Keijts en zijn vrouw voor hun transport en kosten. Verder werden de volgende personen genoemd: Er was ook een notitie over huishoudens en slaven. De terugreis kostte ƒ 1240.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1589 / 0136  


De tekst bevat een opsomming van zaken en personen die betrokken waren bij verschillende juridische, bestuurlijke en financiële kwesties in de 17e eeuw.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3267 / 0018  


Op 17 maart 1706 kwam de vergadering bijeen met onder anderen Carpenter Praside d'Heer van Essen, Heeren van Harrevelt, Dicx, Heemskerck, Meerens, Heinsius, Becker, van Hecke, Coninck, Wellandt, Velthuijsen en Gedepde uit Utrecht, Du Tour, Ittersum en Gockinga.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3358 / 0400  


Bilderbeeck krijgt een kopie van een brief en het origineel om deze aan keurvorst van Keulen te overhandigen. Hij moet de inhoud steunen met alle beleefdheid. Staten Generaal hopen dat keurvorst van Keulen inziet dat als de belasting van 60 penning blijft, andere landen manieren zullen zoeken om hun inwoners hiervan te vrijwaren. De brief wordt ook gestuurd naar de magistraat van Stad Luik. Staten Generaal vinden het prettig dat Luik de onderlinge handel en scheepvaart, die nu bijna stilstaat, weer wil laten groeien. Ze vragen Luik om mee te werken, zodat de belasting van 60 penning kan verdwijnen. Uit het register van Staten Generaal blijkt dat op 20 december 1656 een brief van resident Bilderbeeck uit Vorden is ontvangen, gedateerd 17 december 1656. Hierin staat dat keurvorst van Keulen Blankert Gailliu van Grevenbroeck heeft gestuurd. Deze meldt dat op 13 november 1656 drie compagnieën paarden van de Republiek op weg naar Maastricht in Neerpelt (tussen ’s-Hertogenbosch en Maastricht, in het gebied van Grevenbroeck) hebben overnacht. Ze leefden op kosten van de inwoners en dwongen hen om voer, eten en drinken gratis te leveren. Normaal gesproken hoefden doortrekkende troepen in vredestijd niet meer dan een maaltijd en voer voor één dag te krijgen. De schade wordt geschat op ongeveer 200 rijksdaalders, maar het probleem is vooral de slechte naam die dit geeft. Keurvorst van Keulen heeft Bilderbeeck gevraagd dit aan Staten Generaal door te geven. Bilderbeeck verwacht dat Staten Generaal keurvorst van Keulen tevreden zullen stellen. Staten Generaal besluiten dat Heeckeren en Gijsbert van Heeren (gedeputeerden voor militaire zaken) de zaak moeten onderzoeken. Ze moeten prins van Oranje om advies vragen en rapport uitbrengen. Daarnaast wordt besloten om Bilderbeeck te laten weten dat de landen van de Republiek en keurvorst van Keulen zo in elkaar grijpen dat troepen naar of van Maastricht of andere garnizoenen van de Republiek door het gebied van keurvorst van Keulen moeten. Dit veroorzaakt overlast voor keurvorst van Keulen. Hij heeft altijd orders gegeven dat troepen zich netjes moeten gedragen en overtreders streng gestraft zullen worden. Het is gebruikelijk dat troepen op doorreis door de lokale overheid wat eten en voer krijgen. Dit is moeilijk te voorkomen, zelfs met strenge regels. Staten Generaal hopen dat keurvorst van Keulen inziet dat deze doortochten noodzakelijk zijn en dat het oude gebruik in stand blijft, zolang er geen excessen zijn. Staten Generaal zullen excessen niet alleen afkeuren, maar ook bestraffen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 349 / 0027  


Grevenbroek heeft beloofd de huur voor Geertruijdenberg te betalen zodra Monsieur Tilburgh hem daarvoor oproept. Dit moet snel gebeuren, want als Grevenbroek dit uitstelt, kan de verhuurder de landerijen aan anderen verhuren. Daarnaast moet Monsieur Tilburgh zonder uitstel een overzicht geven van de administratie over het jaar 1710, omdat er al te lang op is gewacht. Verder is Grevenbroek verplicht om schade aan de landerijen te vergoeden als deze is veroorzaakt door paarden of vee. Tijdens de huurperiode moet hij op eigen kosten onderhoud plegen aan: Ook moet hij sloten graven en onderhouden wanneer dat nodig is. Als hij dit niet doet, kan de verhuurder maatregelen nemen. Bartholomeus de Hoogh, Gerrit Camp en anderen beloven Monsieur Tilburgh te helpen en zich als borg te stellen. Zij verbinden zich ertoe hun bezittingen ter beschikking te stellen om eventuele schulden af te lossen. De afspraken zijn vastgelegd op 23 december 1711 in Dordrecht, in aanwezigheid van Johannes Michiel van Tilburgh en anderen als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739600 / 163  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/