Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 1 februari 1814 verscheen Gerrit Albas, een 32-jarige arbeider uit Westveen, bij notaris Jacobus Arnijk van Bergen in Ouder-Amstel. Albas was eerder in Zevenhoven ingeschreven voor de landmilitie (een soort loting voor militaire dienst) en had in Alphen aan den Rijn lotnummer 268 getrokken.
Ook Teunis Verweij, een boerenknecht uit De Warre (bij Ouderkerk aan de Amstel), was aanwezig. Hij had bij de loting op 7 januari 1814 in Ouderkerk nummer 19 getrokken.
Beide mannen spraken af om hun lotnummers te ruilen. Hierdoor zou Albas in dienst hoeven als vervanger (romplaçant) voor Verweij. Albas beloofde vanaf die dag als soldaat te zullen dienen, zo lang de overheid dat nodig vond.
Als tegenprestatie zou Verweij aan Albas in totaal 100 gulden betalen:
- 25 gulden direct bij het tekenen van de akte (die Albas meteen ontving),
- 75 gulden zodra Albas daadwerkelijk in actieve dienst werd gesteld.
Beide mannen beloofden zich aan de afspraak te houden en gaven hun woonadres op als officiële contactplek.
De akte werd opgesteld in Ouderkerk, in het huis van Pieter Kok (kasteelbewaarder) en zijn vrouw Tictie van Rooijen. Omdat Albas en Verweij niet konden schrijven, tekenden alleen de getuigen (Pieter Kok, Pater van Roogen) en de notaris.
De akte werd later, op 1 februari 1834, geregistreerd in Amsterdam. De notaris de Haan ontving hiervoor 1 gulden, 6 stuivers en 8 penningen (omgerekend ongeveer €0,52).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5307737 / 15
In haar testament benoemt de vrouw de volgende personen als haar enige erfgenamen, die alles gelijk verdelen:
Er is één voorwaarde: de erfgenamen moeten akkoord gaan met hoe Jacob van Vaerlem en Martina Montenac (weduwe van Francoijs Mons) de goederen van de overledene hebben beheerd en verdeeld. Ze moeten tevreden zijn met de staat en inventaris die deze twee aan hen presenteren. Als ze dat niet doen, verliezen ze hun erfdeel. Dat deel gaat dan naar degenen die wel akkoord gaan.
De vrouw bevestigt dat dit haar laatste wil is. Het document is opgesteld in Haarlem op onbekende datum (in document "binnen dese st. 355" genoemd), in aanwezigheid van de getuigen Pieter Soutman en Willem van Beveren. De notaris is Assuerus Beuns.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 355
- Op 11 april 1691 kwamen de volgende personen bij notaris Maerten Rouwenhove in Schiedam:
- Zij waren allemaal erfgenamen van Lucas Jansz Jonge Jan, die in Peruis woonde en overleden was.
- De erfgenamen hadden de erfenis (goederen en bezittingen) van Lucas Jansz eerlijk en in goede harmonie verdeeld.
- Bij de verdeling kreeg Jan Lucassz en de familie van Stoffel Lucasz:
- Een stuk land van 200 roeden in Outgers, grenst aan:
- Een ander stuk land in Outgers, grenst aan:
- Jan Cornelisz Duijn en Pieter Claesz van Crimpen ontvingen 50 gulden bij deze verdeling.
- Pieter Claesz kreeg ook:
- Een stuk land van 44 roeden in Roosand, grenst aan:
- Een boomgaard in Nieuw-Herins, grenst aan:
- De erfgenamen beloofden dat ze elkaars land als eigen bezit zouden respecteren, zonder verdere claims.
- Als ze dit niet deden, konden hun persoonlijke bezittingen (zoals huizen en spullen) als boete worden ingenomen.
- De akte werd ondertekend in het kantoor van de notaris, met Wouter Meijers (wijnverkoper) en Otto Wert (klerk en burger van Schiedam) als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1528463 / 95
Op 18 maart 1735 verscheen Cornelis Ariense van der Meer (64 jaar) en Jan Willemse van der Hoeven (58 jaar), beide inwoners van Schiedam, voor notaris Jan van Lijken. Zij verklaarden op verzoek van:
- Mees van Duijn (woonde in Schiedam),
- Jacob van Duijn (woonde buiten Delft),
- Arij van Duijn (woonde in Schiedam),
- Petronella van Duijn (getrouwd met Joost van der Beek, woonde in Wateringen),
- Catharina van Duijn (getrouwd met Eckbert Kof, woonde in Rotterdam),
- Anna van Duijn (getrouwd met Jacobus van Banken, woonde in Rotterdam),
- Martijntie Stolch (woonde in Schiedam),
dat zij Cornelis Ariensz van Duijn goed hadden gekend. Deze was in 1717 als jonge, ongehuwde soldaat in dienst getreden van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de Kamer van Zeeland in Middelburg. Hij vertrok met het schip 't Vaderland naar Oost-Indië, waar hij later was overleden.
Volgens de getuigen had Cornelis Ariensz van Duijn de volgende familieleden achtergelaten:
Zij bevestigden dat Cornelis Ariensz van Duijn geen andere (half)broers, (half)zussen of nakomelingen had. Zijn ouders, Arij van Duijn en Trijntie Cornelis, waren al jaren eerder overleden en begraven in Schiedam.
De getuigen kenden de familie al jaren en waren bereid hun verklaring onder ede te bevestigen. Aanwezig als extra getuigen waren Jan Hooningh en Johannes Schuijnsteijn.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1526209 / 222
J. Geelvinck meldt in een brief vanaf
1 april 1711 uit
Brussel dat er ongeveer 10.000 soldaten verdeeld worden over verschillende steden in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België). De verdeling ziet er als volgt uit:
- Luxemburg: het hele regiment van Saxen Gotha, twee grenadiercompagnieën van Murrai en een compagnie artilleristen.
- Mons (Bergen): twee bataljons van Dlinze, zes eskadrons dragonders (bereden soldaten) van Sintignon en een detachement (groep) artilleristen.
- Ath: een compagnie van D'Einse en een detachement artilleristen.
- Brugge: twee bataljons van Vierset en een detachement artilleristen.
- Gent: twee bataljons van Los Rios en een detachement artilleristen.
- Oostende: een bataljon van Vierset en een detachement artilleristen.
- Dendermonde: een bataljon van Los Rios, dat het bataljon van Ferrari vervangt. Dit laatste bataljon gaat naar Luxemburg om zich bij de rest van het regiment te voegen en vervolgens samen op mars (verplaatsing) te gaan.
- Brussel: twee bataljons van Murrai, zes grenadiercompagnieën (twee van Los Rios, twee van D'Einse en twee van Vierset), een compagnie huzaren (lichte cavalerie), een eskadron dragonders van Sintignon en een detachement artilleristen.
- Mechelen: de niet-uitgezonden artilleristen (in totaal 811 man).
- Antwerpen: een bataljon van Murrai en een detachement artilleristen.
De veldbataljons, grenadiers, dragonders en artilleristen van de vijf genoemde regimenten hebben voorlopige orders gekregen om klaar te staan voor een mars. Of ze daadwerkelijk vertrekken, hangt af van hoeveel troepen keizer
Karel VI (keizerlijk) en de koning (koninklijk) nodig achten voor hun plannen, die nog niet bekend zijn. Er gaan geruchten, zelfs onder het volk, dat Franse troepen deze gebieden zouden komen bezetten, omdat ze
Oostende in de laatste oorlog verdedigd hadden.
Geelvinck belooft nauwkeurig verslag te doen van alle troepenbewegingen in de regio en zal
de Mint (de geadresseerde) hierover informeren. De brief is ondertekend in
Brussel op
1 april 1711 en ontvangen op
14 april 1711.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11488 / 0821
Gouverneur John Murray gaf op
26 januari 1873 aan
Brigadegeneraal Dene de opdracht om een vonnis uit te voeren in de kolonie
Berbice.
William Threlfall, plaatsvervangend
vennootschapsbestuurder (tweede man) van de kolonie, diende een verzoek in. Hij eiste namens
Peter Coner en een zekere
kapitein betaling van een schuld van 567 gulden van
J.A. Leisner en
L.S. Gallen. Deze twee waren
borg (garant) voor een lening.
Threlfall wilde dat
Leisner en
Gallen als borgstelling betaalden, omdat zij volgens de
wetten (officiële documenten) hiertoe verplicht waren. De schuldenaren hadden echter
geen geld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AB.6.3A / 0087
Op 5 november 1890 dienden Han Pielle Jannette en Willem Abraham Mulder, beiden werkzaam voor de firma Tiedeman en van Kerchem, een verzoek in bij de overheid in Batavia (nu Jakarta). Zij wilden graag een tijdelijke vergunning (voor 1 jaar en 6 maanden) voor het aanleggen en exploiteren van een hoofdspoorweg van:
- De rechteroever van de rivier de Tjiliwoeng (nu Ciliwung),
- via Meester Cornelis (nu Jatinegara), Oosnelio, Aseet,
- naar Sangjong, Plok (met een aftakking naar de staatsspoorweg in Weltevreden (nu centraal Jakarta) en Harmoni).
De totale lengte van het traject zou 47,7 kilometer bedragen. De aanvragers boden 2000 gulden voor de vergunning.
De Resident van Buitenzorg (nu Bogor) bevestigde op 31 oktober 1890 dat Jannette en Mulder Nederlanders waren en in Nederlands-Indië woonden.
In de beoordeling van het verzoek werden een paar punten gemaakt:
- Als de overheid deze vergunning verleende, zou de staat afzien van het zelf aanleggen van deze spoorlijn.
- Het geven van de vergunning zou garanties bieden voor de plannen die de overheid had voor spoorlijnen rond Batavia en Buitenzorg.
- Het afwijzen van de vergunning zou gelijkstaan aan het opgeven van een belangrijke kans, vooral omdat eerdere pogingen om een spoorwegmaatschappij op te zetten waren mislukt. Een afwijzing zou kunnen leiden tot het voortbestaan van een onhoudbare situatie.
De Resident vond dat er nog geen definitief besluit genomen kon worden, omdat de onderhandelingen met de aanvragers nog niet waren afgerond. Hij stelde voor om de uiteindelijke beslissing over te laten aan het Opperbestuur (de hoogste overheid in de kolonie). Wel adviseerde hij om de minister op de hoogte te brengen van het verzoek van de firma Tiedeman en van Kerchem, voor zover dat per telegram mogelijk was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4443 / 0545
Op 18 maart 1595 verschenen voor een notaris in Haarlem twee mannen:
Zij verklaarden onder ede (maar zonder een echte eed af te leggen, alleen op hun eer en geweten) dat ze zich herinnerden dat Jan Jacobsz Volck op een dinsdag een huis had gehuurd. Dit huis was eigendom van fremyn Laurens ten Nys, die woonde in de Warmoesstraat. Het huis was eerder gekocht door Jacobsz Calck, een kalkverkoper. De huurperiode was 3 jaar, beginnend in mei 1595, en de huurprijs was 22 pond Vlaams per jaar. Deze verklaring werd opgetekend in het huis van Jan ter Letten op de Burchwal, in aanwezigheid van:
Op 29 maart 1595 verschenen voor dezelfde notaris:
Zij handelden namens Jonge Merre Maninxche, de erfgenamen van wylen Kenn. Symons (een overleden persoon) en diens moeder. Zij gaven Roen van Soutelande volmacht om namens hen op te treden bij de Hoge en Provinciale Raad in Holland. Deze volmacht was bedoeld om een rechtszaak te voeren tegen Baert Claesz Bierman en anderen, zowel in civiele zaken als bij de heren van de rechtbank. Roen van Soutelande mocht ook anderen aanstellen om hem te vervangen en alle nodige stappen ondernemen. Claes Jansz en Joost Cornelisz beloofden deze volmacht te bevestigen en te respecteren. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974437 / 82
Op 4 december 1662 werd een officiële akte opgemaakt door een notaris in Haarlem, in aanwezigheid van twee getuigen:
Op verzoek van Andries Palinck bevestigden de getuigen onder ede dat:
- Cilletgen, de vrouw van Rut Reynertsz Baker, op vrijdag (de dag voor de akte) had toegegeven dat zij:
- de huishoudelijke spullen en kleding van de weduwe van Joos van Casel (die in haar kamer was overleden) door een tweedehandsverkoper had laten verkopen,
- het geld had ontvangen en
- een deel daarvan had gebruikt om schulden van de weduwe af te betalen.
Ook Fremijn Laurens, een 52-jarige zijdelakenkoopman, bevestigde op verzoek van Andries Palinck dat:
- de tweedehandsverkoper, Lijsbeth Pieters, de dag ervoor bij hem thuis had bekend dat zij:
- op verzoek van Rut Reynertsz Baker’s vrouw de spullen van de weduwe van Joos van Casel uit diens sterfkamer had gehaald,
- de spullen op een veiling "op de Vlaamse wijze" (met opbod) aan verschillende mensen had verkocht en
- daarvoor 15 stuivers had gekregen van Rut Reynertsz Baker’s vrouw, terwijl eigenlijk alleen 10 stuivers was afgesproken.
De getuigen beloofden hun verhaal later nogmaals te bevestigen als dat nodig was. De notaris, N. W. van Triers, maakte hiervan een officiële akte in zijn huis aan de Batterijstraat in Haarlem, met als extra getuigen:
De akte werd ondertekend door de notaris en de getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975208 / 135
In
1751 werd in
Batavia (het huidige
Jakarta) het toezicht op het
waterfiscalaat (belastingen op water) tijdelijk toevertrouwd aan
Willem Daniel Vignon, die toen werkzaam was als
advocaat-fiscaal (openbaar aanklager en belastingcontroleur). Deze taak werd hem gegeven na het overlijden van de vorige
waterfiscaal,
Herlach Cornelis Johannes van Massau, op
30 maart.
Naast
Vignon werden ook de volgende personen genoemd in deze zaak:
De brief vermeldt ook dat de redenen voor deze beslissing eerder waren toegelicht in een geheime brief aan een hoge functionaris, gedateerd
27 juli van datzelfde jaar.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3869 / 1705
Frederik Hendrik, de prins van Oranje, had met zijn leger vier kampementen opgeslagen rond
Breda, maar deze waren niet goed met elkaar verbonden. Toen kreeg hij een brief van
de hertog van Bouillon, gouverneur van
Maastricht, met het nieuws dat
de markies del Ytona met het Spaanse leger onderweg was naar
Bredade Langstraat naar
Drunen en
Heusden, waar hij met het Staatse leger een nieuw kamp opsloeg om het Spaanse leger tegen te houden. Het Spaanse leger, dat voor
Maastricht had gelegen, liet alleen
de markies de Eytona achter om
kasteel Argenteau en een schans bij
Weset te bewaken.
Een brug bij het klooster
De Hucht werd verplaatst naar
Stevensweert, wat de Spanjaarden goed uitkwam. Hierdoor kon
Maastricht ontzet worden.
Daarna werden de steden
Aken en de gebieden
Limburg en
Gulik goed voorzien van allerlei benodigdheden. De
Staten-Generaal dreigden
Luik dat als ze de handel niet vrij zouden laten, ze die zelf zouden stoppen.
Op
14 september 1634 voerden de Spanjaarden met 4 regimenten ruiterij en 200 voet soldaten een aanval uit op het ruiterkamp van
graaf Willem van Nassau bij
Venlo. Ze werden echter verslagen door
baron Slabada en verloren een vaandrig en enkele ruiters. Aan Staatse kant sneuvelde
kolonel Roosekrans, een ervaren soldaat die de
Staten-Generaal goed had gediend.
Adriaan Pauw en
Joan Knuyt werden in
1634 als gezanten naar
Frankrijk gestuurd om een overeenkomst met koning
Lodewijk XIII te bevestigen en verdere afspraken te maken. Later hielp
Joan Knuyt ook mee bij de onderhandelingen voor de Vrede van Münster in
1646 tussen
de koning van Spanje en de
Staten-Generaal.
Na hun verblijf in
Parijs keerde
Joan Knuyt terug met nieuwe voorstellen die afweken van eerdere afspraken. Hierover werd in september
1634 een bijeenkomst gehouden in
Heusden, waar ook
de prins van Oranje aanwezig was. Ze bespraken de volgende punten:
- Koning Lodewijk XIII moest voor 1 januari 1635 duidelijk maken of hij de koning van Spanje de oorlog zou verklaren.
- Als de oorlog uitbrak, zou Frankrijk 25.000 voet soldaten en 5.000 ruiters leveren, met alle benodigde wapens, munitie en andere uitrusting voor een veldslag of belegering.
Bekijk transcriptie kronieken / 367608 / 40
-
Charles de la Selle (ook Selle Braad), namens Louise Morie (een weduwe uit Stadt Zell in Duitsland), verzoekt of de goederen van het gestrande schip De Liefde van Rouaan (bij Den Helder) zonder belasting mogen worden verscheept naar Duitsland. De goederen zijn volgens hem niet bedoeld voor handel in Nederland, maar voor persoonlijk gebruik in Duitsland. De zaak wordt doorgestuurd naar het Collegie ter Admiraliteit in West-Friesland en het Noorderkwartier voor advies.
-
Jan Brand, koopman uit Amsterdam, vraagt namens Hendrick Praegman (koopman uit Staden, België) of de geborgen goederen van hetzelfde schip (De Liefde, kapitein Cornelis Pietersen) belastingvrij naar Staden mogen. De goederen waren voor Praegman zelf en zijn door storm bij Den Helder aangespoeld. Ook dit verzoek wordt doorgestuurd naar het Collegie ter Admiraliteit in West-Friesland en het Noorderkwartier voor advies.
-
Johan Francois Crojé, kapitein in het regiment van Brigadier van Els, vraagt om een bevordering tot majoor voor de komende veldtocht. Zijn verzoek wordt doorgestuurd naar de heren van Broekhuizen en andere militaire adviseurs van Hare Hoog Mogenden (de Staten-Generaal) voor onderzoek.
-
Jan Alexander Bilderbeeck, een Franse huzaar-kapitein in dienst van de koning van Frankrijk, is sinds 28 mei 1707 krijgsgevangene in Bergen op Zoom. Hij vraagt om:
- Een paspoort voor 6 weken om op zijn "woord van eer" zijn familie te bezoeken, met de belofte terug te keren.
- Of anderszins 3 weken verlof om naar Brussel te gaan en geld te regelen voor zijn onderhoud in de gevangenis.
Zijn verzoek wordt geweigerd.
-
Charel Goosen, boer uit de parochie Sainte-Croix (in Vlaanderen), heeft een rechtszaak lopen tegen Gijsbert Coenraed Volmer, burgemeester van Sluis. De zaak sleept al lang en beide partijen hebben stukken uitgewisseld, maar Volmer weigert verder mee te werken. Goosen vraagt om een deadline van 14 dagen voor Volmer om documenten in te dienen, anders verliest hij automatisch. De rechter besluit dat beide partijen binnen 3 weken hun stukken moeten indienen, anders volgt een verstekvonnis.
-
De heren van Broekhuizen en andere buitenlandse zaken-adviseurs rapporteren over een brief van heer Goes (gezant in Kopenhagen). Deze gaat over klachten van Prins Karel van Denemarken: zijn oorlogspensioen (een schadevergoeding) voor 1706 is niet betaald door de Nederlandse provincies. De vertraging veroorzaakt problemen. Hare Hoog Mogenden besluiten Goes te antwoorden dat het pensioen niet voor 1707, maar voor 1706 had moeten worden uitbetaald. De zaak wordt verder onderzocht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3364 / 0269
Gregorius Hendrick Praagman, het opperhoofd in
Siam, schrijft op
25 november 1724 een brief naar de leiding van de
Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in
Batavia.
- De koning van Siam had beloofd jaarlijks 12.000 pikol (een gewichtsmaat) soppanhout (een soort hout) te leveren, maar in werkelijkheid werd slechts ongeveer 1200 pikol per jaar afgeleverd. Praagman vraagt of de VOC-leiding dit in hun volgende brief aan de koning en berquelang (een hoge Siamese functionaris) wil aankaarten.
- Eerdere brieven en geschenken van de VOC, gebracht door het schip Oudenaerde, zijn op 1 oktober 1724 overhandigd aan de berquelang, maar er is nog geen reactie of tegen cadeau ontvangen.
- Het Siamese hof was eerst ontevreden omdat ze niet op de hoogte waren gebracht van de benoeming van Praagman als opperhoofd. Na de vertrek van de schepen en een genomen beslissing (waarvan eerder een kopie was gestuurd) is hier echter geen ruzie meer over gemaakt. Praagman bedankt de VOC-leiding wel voor hun steun in deze kwestie.
- De VOC had gevraagd om gomlak (een soort hars) en olifantstanden, maar hier kon niet aan voldaan worden:
- Door ziekte (kinderpokken) in het gebied waar gomlak verzameld wordt, is er te weinig van binnengebracht. Het beetje dat wel beschikbaar was, werd door Chinese handelaren opgekocht tegen 8 tical (munteenheid) per picol (gewichtsmaat).
- Er waren geen olifantstanden beschikbaar, omdat een Engels schip onder leiding van kapitein Abbadie met handelaren uit Benja (mogelijk Banten of Bengalen) de hele moesson (seizoen) in de regio was geweest en alles had opgekocht.
- Praagman bedankt de VOC-leiding voor:
- De toestemming voor reparaties aan de schepen Leguw, Huis ter Boede en Limburg.
- De afschrijving (financiële kwijtschelding) van bepaalde kosten.
- Het afdanken (uit dienst nemen) van de schepen Barcq, Spiering en Rena Coe.
- Toestemming om 4100 pond slecht soppanhout te verbranden, zoals opgedragen in eerdere instructies (onder nummer 5).
- Hij sluit af met een wens voor goede gezondheid en kracht voor de VOC-leiding, voor het welzijn van de Compagnie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2013 / 0262
- De schuldenaar moest het geleende geld in één keer aflossen, samen met de rente. Er mocht geen rechtszaak komen, behalve een simpele aanmaning tot betaling die bij de rechtbank in Kieren werd ingediend.
- Als de schuldenaar niet betaalde, mocht de geldschieter (of diens erfgenamen) het onderpand openbaar verkopen in Amsterdam. De opbrengst hiervan werd gebruikt om de schuld, rente en kosten te betalen.
- De schuldenaar beloofde dat al zijn huidige en toekomstige bezittingen als zekerheid golden. Hij gaf de geldschieter het recht om deze afspraken direct uit te voeren zonder verdere rechtsstappen.
- De kosten voor het innnen van de schuld moesten altijd door de schuldenaar worden betaald.
Op 12 mei 1858 werd in Heemstede een boedelbeschrijving opgemaakt bij notaris Jan Dolleman, in aanwezigheid van:
De boedel omvatte:
- Een afschrift van het testament van Heindrickje Roodenburg (18 april 1845), waarin Cornelis Lok als erfgenaam werd benoemd voor een deel van de nalatenschap.
- Een afschrift van de boedelscheiding uit het eerste huwelijk van Cornelis Lok, waarbij hij een huis, schuur en erf in Zevenhoven (kadastraal bekend: sectie B, nummers 677-678, groot 2 roeden en 55 ellen) had gekregen. Dit was al verkocht voor het overlijden van zijn tweede vrouw.
- Een boerderij met schuur en hooiberg aan de Yweg in Haarlemmermeer (sectie K, nummer 26), gebouwd op gehuurde grond van de Heer van Outeren. Bij beëindiging van de huur zou de verhuurder eigenaar worden van de gebouwen.
- Roerende goederen in de woning, getaxeerd door Jacob Roodenburg, waaronder:
- Twee gordijnen, matten en een kleed: 2 gulden.
- Twee tafels en zes stoelen: 6 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748864 / 73
In een brief aan het opperhooft werd een verzoek ingediend om
4100 pond sappanhout te mogen verbranden, omdat het ongeschikt was voor transport.
Bij de brief zaten ook documenten van de bedienden, waaronder een overdrachtsbewijs. Dit bewijs toonde aan dat alle geld, goederen en andere bezittingen van het kantoor in
Judia (een oude naam voor een gebied in Azië) waren overgedragen door
Rogier van der Welt, een koopman en opperhooft genaamd
Gregorius Hendrik Praagman. Deze overdracht klopte met drie
sap-negotiëboeken (boeken voor de handel in sappanhout).
Bij het controleren van de overdracht bleek dat er nog
1.259.665 pond sappanhout in
Judia lag, waarvan
400 pond onbruikbaar was voor vervoer. De bedienden vroegen toestemming om
2091 pond te verbranden, omdat dit hout bedoeld was voor drie grote schepen die het
Limburghout (een soort sappanhout) moesten ophalen, maar een schip en zes bemanningsleden waren verdwenen.
Het verzoek om het hout te verbranden zou later worden beoordeeld, samen met de vraag of er aan de eisen van de bedienden kon worden voldaan, zoals het leveren van drie grote schepen voor het vervoer van het
sappanhout en andere goederen.
In een naschrift van de brief werd ook vermeld dat de sloep van het schip
Consteeren en de sloep van het schip
Limburg, bemand door
100 man, waren verdwenen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1989 / 0118
- Al sinds de begintijd was het de gewoonte dat de gouverneur-generaal en de Raden van Indië (het bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie, afgekort VOC) een nieuwe leider stuurden voor de handelspost in Siam (het huidige Thailand).
- De lokale bestuurder (waarschijnlijk een Siamees) kreeg dan altijd een brief van de gouverneur-generaal over deze nieuwe leider. Pas daarna mocht de nieuwe man zijn werk voor de VOC beginnen.
- Maar in 1703 (het "Jaar van de Haas" in de Siamees-Chinese kalender) kwam de Nederlander Gregorius Hendrik Praagman aan met een schip van de VOC.
- Twee lokale ambtenaren (een fetor – een soort douanebeambte – en een tolq – een tolgaarder) vertelden de bestuurder dat Praagman door de gouverneur-generaal was gestuurd als nieuwe leider van de VOC-post in Siam.
- De bestuurder vond dit vreemd, want:
- Daarom zei de bestuurder tegen Praagman:
- Hij moest terug naar Batavia (het huidige Jakarta, het hoofdkwartier van de VOC).
- Hij moest een officiële brief van de gouverneur-generaal meebrengen als bewijs.
- Pas dan mocht hij in 1704 (het "Jaar van de Aap") terugkomen om zijn werk te doen.
- Praagman protesteerde hiertegen, maar de bestuurder bleef bij zijn besluit.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1988 / 1109
In
1725 ontving de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op
12 april een officiële brief afkomstig uit
Calouang (het huidige
Ayutthaya,
Thailand).
De brief was een origineel schrijven van het opperhoofd
Gregorius Hendrik Praagman en de raad in
Siam (het huidige
Thailand), gericht aan de gouverneur-generaal van de VOC.
De brief bevatte ook een
register van brieven en belangrijke bijlagen, die in
1725 waren verzonden en ontvangen. De documenten waren achtereenvolgens ingesloten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8320 / 0211
In
25 december 1724 schreef een brief uit
Siam (het huidige
Thailand) over een verzoek om Nederlandse en Indiase stoffen (zoals kleding en zijde) naar
Siam te sturen. Dit zou helpen om de handel vast en goed te houden.
In het jaar van het Konijn (een bepaald Jaar in de Aziatische kalender) stuurden de gouverneur-generaal en de Raad van
Indië (de VOC-leiding in Azië)
Gregorius Hendrik Praagman als nieuwe leider naar
Siam. Toch kwam er toen geen officiële brief voor het hof of een bevestiging van zijn aanstelling. Daarom schreef de afzender (waarschijnlijk een lokale bestuurder) terug naar de gouverneur-generaal dat
Praagman nog niet als leider werd geaccepteerd.
Nu had de gouverneur-generaal wel een officiële brief gestuurd, zowel voor het hof als voor de afzender zelf, om
Praagman als leider te bevestigen. Als
Praagman verstandig en volgens de afspraken werkt, zal de afzender hem ondersteunen, zoals afgesproken in eerdere overeenkomsten.
Daarnaast werd bekend dat de
Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een geldlening had gegeven aan ambtenaren van de
Chinese Keizer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8689 / 0101
Johannes Abllas bezat een stuk land in de buurt van
Haserswoude met de volgende grenzen:
- Oosten: Johannes Abllas
- Zuiden: een waterloop genaamd Boezem Kadens
- Westen: de Heerweg en Ysbrand de Kok
- Noorden: de Molen Erven en een ringsloot
Het land bestond uit verschillende percelen hooiland en weiland, verspreid over verschillende polders rond
Haserswoude:
- Een perceel hooiland/weiland van 5 morgen en 400 roeden in de Oostgeere polder, grenzend aan:
- Twee kleine stukjes weiland bij elkaar, aan de oostkant van Haserswoude (maar vallend onder de Laagbosknoopse polder), ter waarde van 500 bunders, grenzend aan:
- Oosten, Zuiden en Noorden: de erfgenamen van Hendrik Praagman
- Westen: de oostzijde
- Een perceel weiland in de Rietveldsche polder van 2 morgen en 200 roeden, grenzend aan:
- Een perceel weiland van 1 morgen en 200 roeden, grenzend aan:
Er waren ook verschillende erven (kleine stukken land met vaak een huis) in het
westeinde van
Haserswoude:
- Een erf van 137 roeden (kaartnummer 15), grenzend aan:
- Een elstwerf (een soort erf) van 95 roeden (kaartnummer 8), grenzend aan:
- Een erf van 155 roeden (kaartnummer 14), grenzend aan:
- Oosten: de erven van Boon van Ostade
- Zuiden: de dijk van de droogmakerij
- Westen: de baljuw (een soort rechter) Boers
- Noorden: een vaart
- Een erf van 73 roeden (kaartnummer 18), grenzend aan:
- Een erf van 93 roeden (kaartnummer 20), grenzend aan:
- Een erf van 127 roeden (kaartnummer 37), grenzend aan:
- Westen: Arij van Noord
- Zuiden: de dijk van de droogmakerij
- Oosten: de baljuw Boers
- Noorden: een vaart
Er waren ook twee schuldbrieven (leningen) gekoppeld aan deze eigendommen:
- Een schuldbrief van 3 augustus 1759 voor ƒ300,-, afgesloten door Jacob van der Hart (nu in handen van zijn weduwe) ten behoeve van Pieter van Wilgen. Het geld was geleend onder pand van een huis en erf in het oosteinde van Haserswoude, met een rente van 3,5%. De rente was betaald tot 1 juli 1780.
- Een schuldbrief van 29 mei 1761 voor ƒ375,-, afgesloten door Hendrik Lubeek ten behoeve van Cornelis van der Schaap. Later, op 13 oktober 1762, werd deze overgedragen aan Abraham Wittebol. Er was al ƒ50,- afgelost op 1 mei 1762, dus de openstaande schuld was ƒ325,-. Ook dit was geleend onder pand van een huis en erf in het oosteinde van Haserswoude, met een rente van 3%. De rente was betaald tot 1 mei 1797.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974913 / 377
In deze overeenkomst werden de rechten van een
naamloze vennootschap in liquidatie (een bedrijf dat bezig was met afwikkeling) overgedragen aan verschillende kopers. De afspraken waren als volgt:
- De kopers kregen recht op de rente van de overgedragen leningen vanaf de laatste betaaldag.
- Alle risico’s en verantwoordelijkheden voor de overgedragen vorderingen (geld dat nog betaald moest worden) gingen vanaf dat moment naar de kopers.
- De vennootschap garandeerde alleen dat de schulden op dat moment daadwerkelijk bestonden voor de genoemde bedragen. Verdere garanties gaf ze niet.
- De kosten van deze akte en eventuele gevolgen daarvan werden betaald door de vennootschap.
Er werden enkele kleine fouten in de tekst verbeterd.
De akte werd opgesteld in
Haarlem op de datum die bovenaan vermeld stond, in aanwezigheid van twee getuigen:
Een deel van het bedrag, namelijk 1500 gulden, werd betaald met een lening op naam van
Arie Geylvoet, een gasfitter uit
Haarlem, die was ingeschreven op
20 maart 1920.
De verkoper,
Jan Arnold Wilkens, bevestigde dat hij de volgende zaken had verkocht aan verschillende kopers (genummerd I t/m VII) voor de volgende bedragen:
- Totaalbedrag voor Jan Arnold Wilkens: 130.723 gulden en 40 cent.
- Vrouwelijke koper (sub I): 41.755 gulden.
- Koper (sub II): 6.790 gulden.
- Kopers (sub III): 6.000 gulden.
- Kopers (sub IV): 19.000 gulden.
- Kopers (sub V): 19.000 gulden.
- Kopers (sub VI): 10.000 gulden.
- Kopers (sub VII): 1.500 gulden.
De verkoper verklaarde dat alle bedragen volledig waren voldaan en dat er niets meer openstond. De kopers werden officieel de nieuwe eigenaars van de vorderingen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 20
De heren
Johan Antoni Philipse (wonend in
Rossinières,
Zwitserland) en
Jan Arnold Wilkens (wonend in
Heemstede) waren de beheerders van een geldbedrag. Dit geld kwam uit de erfenis van mejuffrouw
Antonia Martha Emelia Bunge, die in
Amsterdam woonde en daar overleed op
11 oktober 1917.
Volgens haar testament (
9 november 1916, opgemaakt bij notaris
P. de Booy in
Amsterdam) mochten twee mensen levenslang rente ontvangen van dit kapitaal:
De beheerders moesten ook regelmatig geld uitkeren aan de volgende personen en organisaties (met de bedragen en inschrijfdata):
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 19
Deze tekst bevat een lijst van personen uit Haarlem, Rotterdam, Schoten, Nijmegen, Delft, Velp, Gravenhage, Aerdenhout en Teteringen die geldbedragen (leningen of schulden) hebben ingeschreven in een register. De bedragen zijn gekoppeld aan namen, data en registratienummers.
De volgende personen staan genoemd als schuldenaren (degene die geld lenen):
-
Gerardus Johannes Duyns, een inwoner van Haarlem, leende 1400 gulden, ingeschreven op 20 december 1919 onder nummer 106 in deel 428.
-
Johannes Pieter Douglas, schoenmaker in Haarlem, leende 4000 gulden, ingeschreven op 22 december 1919 onder nummer 132 in deel 426.
-
Alida Margaretha van Hout, weduwe zonder beroep in Haarlem, leende 2100 gulden, ingeschreven op 7 januari 1920 onder nummer 172 in deel 222.
-
Lodewijk Verpoorten, timmerman in Haarlem, leende 5000 gulden, ingeschreven op 1 april 1920 onder nummer 170 in deel 433.
-
Pieter Hendrik Hartel, slager in Haarlem, leende 13.500 gulden, ingeschreven op 17 mei 1920 onder nummer 12 in deel 442.
De volgende personen staan genoemd als schuldeisers (degene aan wie geld verschuldigd is):
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 18
In
1916 verkochten
J.P. Baten en
M. Baten-Vos (als wettige vertegenwoordigers van twee minderjarige kinderen) een stuk grond in
Hoofddorp (gemeente
Haarlemmermeer), gelegen aan de
Kruisweg (kadastraal bekend als sectie C, nummers 2856, 2857 en 2926), met een oppervlakte van 5 are en 36 centiare.
Belangrijke punten van de verkoop:
- De koopsom bedroeg 4500 gulden voor het hele perceel.
- De minderjarigen hadden samen recht op 1/6 deel (elk 1/12 deel) van de opbrengst.
- De verkopers garandeerden alleen dat zij de eigenaars waren; verder gaven zij geen extra zekerheden over de geschiedenis of eventuele schulden op het land.
- De koper nam het land over zoals het was ("voetstoots"), inclusief alles wat erop groeide of aan vastzat (bijvoorbeeld bomen, gebouwen).
- Alle rechten en plichten (zoals huurcontracten) gingen over naar de koper.
- De koper moest zelf zorgen voor eventuele ontruiming en betaalde alle kosten, zoals grondbelasting en overdrachtskosten.
- De verkopers ontvingen de koopsom direct en gaven toestemming om de eigendom over te schrijven op naam van de koper.
G. Kerste, als vader en voogd van de minderjarige kinderen, had op
15 juni 1916 toestemming gekregen van de kantonrechter in
Haarlem om mee te werken aan deze verkoop. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 86
Op 29 juni 1916 gingen Johannes Petrus Baten en Matthys Baten (beide vrachtrijders uit Haarlem) naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in de gemeente Haarlemmermeer. Zij handelden:
- voor zichzelf,
- en namens vier familieleden die getrouwd waren met zussen uit de familie Baten:
Zij verkochten twee huizen met schuur, erf en tuin in de polder Haarlemmermeer, gebied Vijfhuizen (bij Hoofddorp), aan de Kruwen. Het perceel had kadastraal nummer C 2856, 2857 en 2926 en was 5 are en 36 centiare groot. De koper was Willem Elsinga, koopman uit Haarlemmermeer.
De eigendom was eerder in handen van Jozef Baten. De verkoop werd bevestigd door getuigen en de notaris. De koopsom bedroeg ƒ74,40, plus 10% belasting (ƒ7,44), totaal ƒ81,84. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 29 juni 1916 en later overgeschreven bij de kantoren voor hypotheken en de Haarlemmermeerpolder in juli en augustus 1916.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 84
In 1223 werd een overeenkomst vastgelegd over een lening met zware voorwaarden. De schuldenaar, het Gesticht, moest bij verkoop van onroerend goed eerst toestemming vragen aan de geldschieter. Alle kosten (zoals administratie, aanmaningen en eventuele rechtszaken) waren voor rekening van het Gesticht. De betrokkenen beloofden zich aan de afspraken te houden en kozen het kantoor van de notaris als officiële woonplaats voor juridische zaken. De notaris kende de deelnemers persoonlijk. Er werden kleine tekstwijzigingen goedgekeurd, zoals het toevoegen van "faillissement van den schuldenaar" en het schrappen of aanpassen van enkele woorden en letters.
De akte werd op 28 december 1908 ondertekend in Amsterdam aan de Herengracht 270, in aanwezigheid van twee getuigen: Zesnardus Jacobus Wilhelmus Eskens (tekenleraar uit Amsterdam) en Joost Johannes van Balen Blanken (tekenleraar uit Haarlem). De akte werd geregistreerd op 4 januari 1908 in Amsterdam, met registratiekosten van 1 gulden en 20 cent.
Op 28 december 1908 werd een koopovereenkomst getekend voor notaris Agathen Carel Roeloffs Valk in Uithoorn. Aan de ene kant stond het bestuur van het Gesticht „Sint-Nicolaas Hoeve" in Nieuwveen, vertegenwoordigd door:
Aan de andere kant stond Johan Willem Theodoor van Oijen (directeur van de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij in Amsterdam), die handelde namens zijn bedrijf met mondelinge toestemming van mede-directeur Johan Jacobs Jacob (wonend in Amsterdam).
Het Gesticht verkocht en droeg over aan de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij de volgende percelen in Nieuwveen en Zevenhoven (polder Nieuwkoop), bekend bij het kadaster als gemeente Nieuwveen, sectie B:
- 11 aren (van perceel nummer 219, bouwland, totaal 1 hectare, 54 aren en 20 centiaren),
- 11 aren, 5 centiaren en 45 centiaren (van perceel nummer 216, bouwland, dezelfde totale grootte),
- 11 aren en 25 centiaren (van perceel nummer 215, bouwland, totaal 1 hectare, 56 aren en 50 centiaren).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351480 / 4
Volgende pagina