Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 7 januari 1629 werd besloten dat het schip Nassauw minder bemand was dan de andere twee schepen uit Delfshaven en Vlissingen. Daarom werden 6 matrozen van Vlissingen en 4 van Delfshaven overgeplaatst naar de Nassauw. Sijmon Dircksen, onderstuurman op de Nassauw, werd bevorderd tot opperstuurman na het overlijden van Sijmon Sijmonsz. Hij kreeg hiervoor een salarisverhoging volgens de artikelenbrief. Op dezelfde dag overleed Theunis Stevensz, een jongen, en werd aan land begraven. Van 8 januari 1629 af probeerde men dagelijks bij de eilanden te komen door op de wind te letten. Op 16 januari 1629 bereikten ze met een landwind de zee bij Delfshaven, uit de zuidoosthaven van Vlissingen. Het schip uit Vlissingen bleef liggen omdat de sloep, die was uitgezonden om geiten te vangen, niet terug was. Toen ze de sloep zagen aankomen, wachtten ze af. ’s Middags kwam de sloep ook in zee en ’s avonds voegde deze zich bij hen. Ze zetten koers naar het zuidwesten om de reis naar Kaap de Goede Hoop voort te zetten. Op de Nassauw waren 84 mannen en 1 vrouw, meestal gezond, behalve 2 of 3 zieken. Op Mauritius hadden ze goede voorraden gekregen: geiten, schildpadden, velduilen, dode ersen (een soort zeevogels), varkens, palmolie, kokosnoten en veel lekkere vis. Het volk droogde en nam veel vis mee, evenals 10 levende geiten aan boord. God werd gedankt voor deze goede bevoorradingsplaats. De zuidoosthaven is moeilijk uit te varen, maar wel makkelijk binnen te komen door de constante wind die daar heerst. Hoewel de haven beschut ligt tegen alle winden en er geen water in kan, zou men zonder noodzaak tot bevoorrading afraden om met grote schepen naar binnen te varen, omdat uitvaren niet zonder groot gevaar gaat. De gouverneur Le Febure had een brief achtergelaten over het vertrek van de schepen, zodat andere schepen die daar aankwamen, wisten van hun aankomst. Van 17 januari 1629 tot 31 januari 1629 voeren ze verder met wisselende wind en weer. Ze noteerden dagelijks de afgelegde afstand en koers:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1095 / 0922  


Op 12 april 1615 voer het schip met wind uit het zuidoosten, later noordoost. De hoogte werd gemeten op 23 graden. Op 13 april 1615 bleef de koers gelijk, de hoogte was 22,5 graden. Er werd een noordoostelijke afwijking van 23,5 graden vastgesteld. Op 14 april 1615 waaide de wind uit het zuidzuidoosten, de koers bleef gelijk. De hoogte was 22 graden. Er werd veel land gezien, waardoor men dacht dicht bij Mauritius te zijn. ’s Avonds lag het schip voor anker bij het Molukse Rif op 36 vadem diepte. De Feuijnighberg lag ten zuiden en een hoek van het rif ten noordoosten. De hoogte was 20 graden met een noordoostelijke afwijking van 22,5 graden. Er werd een kanonschot gelost naar het land. Op 15 april 1615 werd besloten water te halen bij Mauritius. ’s Avonds lag het schip voor anker. Er kwam een boot met mensen van het schip Prouintia. Zij vertelden dat hun schip en het schip Banda waren vergaan in de Noordwesterhaven door een zware storm. Van Banda verdronken 45 opvarenden, waaronder Pieter Both, de generaal. Van Prouintia verdronken 30 opvarenden. Ook de schepen Gelderland en Delft hadden hun masten moeten kappen. Het schip Vlieland was in de Zuid-Oosterhaven en zou daar gesloopt worden. Delft lag in de Noordwesterhaven en had nieuwe masten gemaakt. Op 12 april 1615 was het schip Hoorn vertrokken naar het vaderland met een lading van Gelderland. Ook werd gemeld dat de schepen Walcheren en Engel in de Noordwesterhaven lagen. Op 17 april 1615 stuurde men een boot naar Walcheren en Engel met een brief. De boot bracht ook jagers mee die schildpadden en dodo’s aan boord brachten. Op 18 april 1615 keerde de boot terug met een antwoord. De boten van Walcheren en Engel kwamen aan boord en meldden dat Hoorn geladen was en vertrokken naar het vaderland. Alle brieven en andere documenten werden klaargemaakt om mee te sturen. Op 19 april 1615 waren de brieven en papieren klaar. Een grote boot vertrok naar de Zuid-Oosterhaven met een brief voor de raad van Walcheren en Engel. Op 20 april 1615 gingen houthakkers en jagers aan land om water te halen uit een beek. Op 21 april 1615 haalden ze weer water en vingen schildpadden, dodo’s, ganzen en papegaaien. Op 22 april 1615 kwamen Pieter Bahuet en Jacques Ronssel, opperkooplieden van Walcheren en Engel, aan boord. Zij vertelden over het verlies van Banda en Prouintia en andere schade. Op 23 april 1615 werd besloten de anker te lichten en naar de Noordwesterhaven te varen om de reis in compagnie voort te zetten. Ronssel vertrok terug.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1059 / 0276  


Op 3 februari 1763 verscheen Cornelis Smeekens, wonend onder Alphen, voor notaris Henricus Kamerling. Hij verkocht aan Marinis Pr. Harpers (namens zichzelf en voor Peter, Marie en Catharina van Olmen) een vierde deel van:

De verkoopprijs was 150 gulden, die Cornelis Smeekens ontvangen had. Voorwaarde was dat hij het recht behield om in het verkochte huis te wonen of het te verhuren zolang hij leefde, met de bijbehorende dorpslasten, renten en kijnzen vanaf 1 januari 1763.

De kosten voor het opstellen van het contract, de leges voor de heer Schout, schepenen en Secretaris, alsmede de notaris en de veertigste penning moesten door de kopers worden betaald.

Beide partijen verbonden zich om aan deze afspraken te voldoen en stelden hun persoon en goederen als zekerheid. Ze onderwierpen zich aan de rechtbanken, met name de Edel Mogende Raad en Leenhof van Brabant en landen van Overmaze in ’s Gravenhage. Ze benoemden Gijsbert Mijne en Mr. Johan Hendrik van Kervel als procureurs om de vonnissen te vragen of te aanvaarden.

De akte werd opgesteld in Baerle Nassau.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1742929 / 14  


1626, 17 januari: Voor notaris Nicolaes Verduyn in Utrecht verklaren Steven, Lodowijck en Evert Christoffelszonen (zonen van Jan Christoffell Adamsz), Claes Henricxsz van Venloo en zijn vrouw Marritgen Stevensdr. (wonend in Vreeswijk), en Aeltgen Adams (dochter van Hans Pauwelsz) als erfgenamen van Adam Lodowijcx (glazenmaker in Viana en in dienst van Van Brederode) dat zij van de huismeester van het Sint-Bartholomeüs Gasthuis in Utrecht 100 karolusguldens (van 20 stuivers per stuk) hebben ontvangen. Dit geld kwam uit de nalatenschap van Janneken Leonaerts (vrouw van Adam Lodowijcx), die in het gasthuis was overleden. De erfgenamen beloven het gasthuis niet meer lastig te vallen en Geerhard Kuyst staat hiervoor borg. De akte wordt opgesteld in het huis van Wolphaert van Hoerbeeck in Utrecht, met Thomas Noth en Caerl Caerlss Rijckwaert als getuigen. 1626, 19 januari: Voor dezelfde notaris verklaren Anthonij du Catte (47 jaar), Henrick van Moeurs (leeftijd onbekend) en Dirck Hentijxz van Woll (35 jaar), alle drie buren van Cornelis den Bergen (wonend op het Sint-Nicolaaskerkhof in Utrecht), dat Rijck Aertsz van der Maer (stiefzoon van Cornelis den Bergen) in 1625 in dienst trad bij de compagnie van ritmeester Daniël. Rijck Aertsz van der Maer keerde ziek terug rond Sint-Victor (1625) en lag ongeveer 1 maand en 1 week ziek in het huis van Henrick van Moeurs in Utrecht, waarna zijn toestand iets verbeterde.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507230 / 368  


Op 5 augustus 1634 herriep Jacob Ghysbertsz in Utrecht al zijn eerdere testamenten. Hij legateerde: Hij stelde Geertgen Gijsberts aan als zijn universele erfgenaam. Bij haar overlijden of gebrek zou Elbert Gijsbertsz of Anna Gijsberts (zijn zus) of hun wettige nakomelingen de erfenis krijgen. Geertgen Gijsberts mocht de goederen niet verkopen, verpanden of belasten, maar moest ze doorgeven aan de volgende generatie. Elbert Gijsbertsz en Anna Gijsberts kregen het recht om de landerijen gezamenlijk te kopen tegen een eerlijke prijs, vastgesteld door onpartijdige deskundigen. Daarnaast kreeg Geertgen Aelten, zijn moeder, een levenslange jaarlijkse uitkering van 25 gulden, betaald uit de erfenis. Alle andere goederen, inclusief onroerend goed, acties en vorderingen, gingen naar Geertgen Gijsberts of, bij haar gebrek, naar Elbert Gijsbertsz en Anna Gijsberts of hun nakomelingen. De erfenis moest binnen een jaar na zijn overlijden worden uitgekeerd.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507230 / 370  


Op 6 januari 1837 werden in Wilp verschillende vee, wagens, gereedschappen en huishoudelijke spullen verkocht. De verkopen vonden plaats in het huis van de weduwe Hermanus Kraere, landbouwster in Wilp, onder toezicht van notaris Philip Pelgrin Everts uit Twello. De totale opbrengst van deze dag was 1274,20 gulden. De verkoop werd voortgezet op 26 januari 1837 om 10:00 uur op dezelfde locatie. Op 26 januari 1837 werden aanvullende spullen verkocht: De totale opbrengst van deze dag was 1281,60 gulden. De verkoop vond plaats in aanwezigheid van Gradus Smits (deurwaarder in Twello) en Willem Ribberink (veldwachter in Twello), die als getuigen fungeerden. Notaris Rhuerts stelde het proces-verbaal op.
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 1388 / 0675  


Op 27 december 1641 maakten Abraham Loreijn (brouwer in de brouwerij De Drie Sterren in Haarlem) en zijn vrouw Judith van der Cruijce een testament op. Zij schrapten alle eerdere testamenten en maakten nieuwe afspraken: Op dezelfde dag, 27 december 1641, maakten Willem Jansz Blaeu (verver in Haarlem) en zijn vrouw Janneken Pieters ook een testament:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974993 / 166  


Op 17 oktober 1628 verschenen voor notaris Willem van Galen in Utrecht: Zij besloten de goederen van Niclaes van Berck en Barbara van Warmelo te verdelen. De totale waarde van de goederen (na aftrek van schulden) was 69.543 gulden, 12 stuivers en 2 penningen. Ter betaling kregen de erfgenamen van Berck de volgende documenten:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 325  


Op 21 september 1528 kwamen Joost Hasse Bruin en Johanna van Warmelo, echtelieden, voor notaris Willem van Galen in Utrecht. Zij verklaarden na het voorlezen van het testament van Barbara van Warmelo (overleden op 5 augustus 1528) af te zien van de helft van hun levenslange gebruikrecht op de erfenis. Dit deden zij ten voordele van Gerard van Isselmuiden, de enige erfgenaam van Barbara van Warmelo (zijn moeder). Gerard van Isselmuiden accepteerde dit dankbaar. De akte werd opgesteld in het sterfhuis van Barbara van Warmelo in Utrecht, met als getuigen Johan van Straten en Otto Schrasser, beide raadsheren.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 297  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507177 / 192  


De gevolmachtigden kregen de opdracht om alle inkomsten, zoals rente of andere betalingen die Hermen van Warmelo tijdens zijn leven had ontvangen, te innen. Ze moesten kwijtingen afgeven, schuldenaren die niet wilden betalen via de rechter dwingen, hoofdsommen bij aflossing ontvangen, rente- en schuldbewijzen vernietigen en het geld opnieuw beleggen voor het grootste voordeel van de opdrachtgevers. Ook mochten ze juridische stappen ondernemen en iemand anders als vertegenwoordiger aanstellen in rechtszaken. Alles wat de opdrachtgevers zelf hadden kunnen doen, mochten de gevolmachtigden nu ook.

De opdrachtgevers beloofden dat alles wat de gevolmachtigden in deze opdracht deden, geldig en bindend zou zijn. Ze verbonden hiervoor al hun bezittingen en onderwierpen zich aan beslaglegging door de heerlijke en gewone rechtbanken.

De akte werd opgesteld op 5 oktober 1628 in aanwezigheid van de getuigen Willem van Bemmel en Willem van Schut. Ondertekend door de compagnie, Johan van Welvelde, Johan Joachim van Grovenstein, Willem van Bemmel en Willem van Schaijck Asschebers.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 365  


Op 90 16.. verschenen voor Jan van Vischouen, hoofdman van Utrecht, en de ouders: Op Huijgen, de weledele Johan van Weelvelde uit Ter Cluicke. Hij kwam voor zichzelf en als vader en voogd van zijn onmondige kinderen, afkomstig uit zijn huwelijk met de overleden weledele Barbara van Warmelo. Ook verschenen Joachim van Asscheberch uit Ter Heyde voor zichzelf, en Fabius van Grevenstein als man en voogd van de weledele Anna Hebricht van Asscheberch, zijn vrouw, die ook voor zichzelf kwam.

Zij verenigden zich en versterkten gezamenlijk hun positie als broers, zwagers en twee zussen. In die hoedanigheid eisten zij gezamenlijk recht op de goederen die Herman van Warmelo, natuurlijke zoon van de overleden Gerard van Warmelo (die in zijn leven drossaard van Valant was), had nagelaten. Deze goederen werden ook door Herman van Warmelo in lijftocht gebruikt.

Zij benoemden en machtigden Galen om in hun naam de goederen op te eisen en in ontvangst te nemen.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 363  


Op 11 juni 1634 gaf Catharina van Groen uit Rotterdam aan notaris Nicolaes Verduyn in Utrecht de opdracht om Dr. Josephus Vorstius te machtigen.

Hij mocht namens haar een erfenis opeisen uit het testament van Jan Serman van Wermelo van 31 maart 1623. Deze erfenis was al overgedragen aan de Kamer van de Aalmoezeniers in Utrecht. Catharina van Groen gaf Dr. Josephus Vorstius ook de vrijheid om iemand anders in te schakelen voor deze zaak.

Op 13 juni 1634 werden er nog meer documenten ondertekend, waaronder een volmacht voor Joost van Eewijck door Gillis Passeer en een andere voor Bathina van Groen door J.W. Lobessen.

Op 11 juni 1634 machtigde Catharina van Groen ook Johan van Noortdijck, burger van Utrecht, om namens haar een jaarlijkse uitkering van 90 karolusguldens te innen. Dit bedrag kwam van het klooster Sint Agnieten in Amersfoort. Johan van Noortdijck moest de ontvangstbevestigingen ondertekenen en het geld doorsturen naar Catharina van Groen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507310 / 236  


Op 11 september 1626 werd een overeenkomst gesloten in Utrecht in herberg De Drie Leeuwen. Cornelia en Aelt van Meurs kwamen tot een regeling: Cornelia werd vrijgesteld van een borgtocht van 150 gulden, mits Aelt van Meurs binnen 14 dagen de resterende 50 gulden van een lening van 400 gulden (inclusief rente en proceskosten) aan Cornelia zou betalen. Als dit niet gebeurde, zou Cornelia haar rechten behouden. Getuigen waren Cornelis van Jacob Ottensz van Roijen en Cornelis van Borckhorst, beide letterkundigen van Utrecht.

Op 25 september 1626 stelde Barbara van Warmele, weduwe van Nicolaas Berck en beheerder van de goederen van haar neef Herman van Warmelo (overleden in Oost-Indië), Aemont Gijsels aan als haar vertegenwoordiger. Aemont Gijsels mocht namens haar alle geld opeisen dat Herman van Warmelo had verdiend tijdens zijn reis naar Oost-Indië en alles doen wat Barbara van Warmele zelf had kunnen doen. Getuigen waren Nicolaes Merou en Johan Vosch, beide inwoners van Utrecht.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506995 / 261  


Op 23 februari 1901, na 17:00 uur, hield Gerrit Cornelis Merens, notaris in Haarlem, in het verkooplokaal De Gouden Leeuw aan de Zijlstraat in Haarlem een openbare veiling. Dit gebeurde op bevel van de Arrondissements Rechtbank in Haarlem van 5 februari 1901.

De veiling vond plaats op verzoek van Johan Koorhoven, kandidaat-notaris in Haarlem. Hij was gemachtigd door Fredericus Josephus Eman, tekenaar in Haarlem, voor zichzelf en als wettelijke voogd van zijn minderjarige kinderen Nicolas Eugene Frederie Eman en Mauriel André Lucien Eman. Ook Nicolaas Eman, zonder beroep in Haarlem, was betrokken als toezichthoudend voogd, benoemd door de kantonrechter in Haarlem op 28 december 1900.

Er werd een huis met erf, gelegen aan de Pieler Kiesstraat 36 in Haarlem, veiling gebracht. Dit perceel was bij het kadaster bekend onder sectie A, nummer 1438, met een oppervlakte van 99 centiare. De belastbare opbrengst was vastgesteld op 300 gulden voor gebouwde eigendommen en 1,97 gulden voor ongebouwde eigendommen. Voor dat jaar bedroegen de belastingen 32,10 gulden voor gebouwde en 0,14 gulden voor ongebouwde eigendommen.

Fredericus Josephus Eman had het perceel gekocht, zoals blijkt uit een koopakte van 6 mei 1893, opgemaakt door de notaris. Een afschrift hiervan was ingeschreven bij het hypotheekkantoor in Haarlem op 10 mei 1893 in deel 597.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 713 / 0247  


Op 29 juni 1899 werden verschillende akten geregistreerd in Meersen. Hierin staan onder andere hypothecaire inschrijvingen, verkopen en delingen van onroerend goed. Op 1 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd: Op 21 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd: Op 5 juli 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd:
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9183 / 0045  


Op 3 juli 1903 ging Jan Willem Neus, bakker uit Vaals, naar Jan Adolphe Emile Wijnans, notaris in Gulpen. Hij verkocht aan zijn zuster Maria Catharina Neus, weduwe van Jozef Schmalen en Peter Mukolajewitz, ook uit Vaals, het levenslange gebruik van een huis aan de Akerstraat in Vaals (grootte: 2 are 30 centiare, kadastraal nummer 3778, 3779, 47635).

De koopsom bedroeg 2300 gulden, die Jan Willem Neus al had ontvangen. Het huis werd verkocht zoals het was, met alle rechten en plichten, waaronder een erfdienstbaarheid voor andere percelen in Vaals. Het was vrij van hypotheken.

De akte werd opgesteld in Vaals op 3 juli 1903 in aanwezigheid van Hendrik Joseph Piereij (kandidaat-notaris uit Gulpen) en Jan Mathijs von Houten (werkman uit Mechelen Wittem) als getuigen.

De akte werd geregistreerd in Gulpen op 17 juli 1900 voor een bedrag van 76 gulden.

Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9201 / 0261  


Op 30 juli 1900 werd een document vastgehecht aan een akte in Gulden. Hierin stond dat voor 3 gulden en 60 cent een zekerheid was gesteld voor de betaling van een koopsom. Dit betrof een hypotheek op verkochte goederen, met als voorwaarde dat de verkoper de inschrijving ten koste van de koper kon laten doorhalen. Op 1 mei 1903 gaven Maria Catharina Grooten (weduwe van Martin van Elsen), Aloys van de Weijer, Philomine van de Weijer (vrouw van Frans Wallrafen) en Henriette Freialdenhoven (weduwe van Anton van de Weijer) volmacht aan Frans Wallrafen. Hij mocht namens hen onroerende goederen in Vaals en Wittem verkopen, de koopvoorwaarden vaststellen, de koopsom ontvangen en hypotheken afsluiten. Ook mocht hij inschrijvingen laten doorhalen en alle nodige documenten ondertekenen. Op 27 februari 1903 en 5 maart 1905 werden er documenten opgesteld in Amerongse en Radermühle met betrekking tot Anton van de Weijer en zijn familie. Op 12 april 1905 werd in Dülken een akte ondertekend door Jos van de Weijer en anderen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9279 / 0368  


De verkoopvoorwaarden waren als volgt: Na voorlezing werd het onroerend goed geveild. Jan Schonbrodt, postbode uit Vaals, bood als hoogste 1750 gulden. De verkopers wezen dit bod af en lieten het goed opnieuw veilen. Jaan Jan Willem Neus, bakker uit Vaals, bood het hoogst en nam de koop aan. De verkopers keurden deze toewijzing goed. Dit gebeurde in aanwezigheid van Andries Joses Ramaekers (notarisklerk uit Gulpen) en Matheeu Schmalbach (koopman uit Vaals) als getuigen. Op 16 december 1897 herriep Bernhard Philipp August Eickenscheidt, een rooms-katholieke priester en Redemptorist uit Glanerbrug, zijn testament uit 30 december 1882, opgemaakt door notaris Joannes Malhuas Adolphus Wynaus uit Gulpen. Dit gebeurde in aanwezigheid van Andries Josef Ramaekers en Prans Enops (landbouwer uit Elenaken).
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9195 / 0309  


Op 23 juni 1899 ging Johan Neus, bakker en winkelier uit Vaals, getrouwd met Anna Mommer, naar notaris Jan Eugene Adolphe Emile Wijnans in Gulpen. Hij erkende schulden te hebben: Jan Willem Neus aanvaardde deze schulderkenning, ook namens Martina van Wintersdorff. Ze spraken af: Als zekerheid voor de totale schuld van 1150 gulden (inclusief rente en kosten) bood Maria Krill, weduwe van Arnold Neus en winkelierster in Vaals, hypotheek aan op haar onroerende goederen in Vaals: Daarbij spraken ze af: De akte werd opgesteld in het huis van Maria Krill in Vaals, in aanwezigheid van getuigen Andries Josef Ramaekers (notarisklerk uit Gulpen) en Mathieu Simons (verver uit Vaals). Op 10 december 1899 werd een eerste afschrift afgegeven aan de schuldeisers.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9197 / 0197  


Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9194 / 0023  


Op 30 juni 1898 tekende notaris Jan Eugene Idolphe Emile Wijnans in Gulpen een leningsovereenkomst op tussen: Jan Willem Neus leende 900 gulden van Sophia Elisabeth Nijssen tegen een rente van 5% per jaar, die na 6 weken na de vervaldatum daalt naar 4%. De lening moet na 5 jaar in één keer worden terugbetaald in Nederlandse guldens, zonder korting. De rente is jaarlijks verschuldigd en opeisbaar. De lening kan eerder worden opgeëist als: Als zekerheid voor de lening stelde Jan Willem Neus een eerste hypotheek op een huis met bijbehorende grond in Vaals, gelegen aan de Akerstraat (groot 2 aren en 95 centiaren, kadastraal bekend als nummers 3776, 3777, 3778, 3779, sectie A). Aan de hypotheek zijn de volgende voorwaarden verbonden: De partijen kozen Gulpen als woonplaats voor juridische kwesties. De akte werd ondertekend door Jan Willem Neus, Mathieri Vijssen, de getuigen Andries Josef Ramaekers en Sylvester Engels, en notaris Wijnans. De akte werd geregistreerd in Gulpen op 8 juli 1898. Op 26 augustus 1898 werd een eerste afschrift verstrekt aan Sophia Elisabeth Nijssen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9196 / 0240  


De tekst beschrijft afspraken en documenten rond de overname van Suriname door de West-Indische Compagnie en de betrokkenheid van Cornelis van Aarssen, heer van Somelsdijck en gouverneur van Suriname. Er zijn ook specifieke data genoemd, zoals:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 17 / 0003  


Op 25 september 1691 maakten Sander Pietersz van Grevenbroeck en zijn vrouw Maritje Pieters van Tipsma in Haarlem een testament. Op 29 september 1691 maakte Lammert Theunisse in Haarlem een testament.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 226  


Johanna van Leeuwen was als begunstigde schuldig om op 1 december 1711 een attestatie van leven (bewijs dat iemand nog leeft) te overleggen voor 12 stuivers, zoals op folio 109 verso staat. Dit bedrag van 5/5 part (ƒ 10:3) werd door de executeurs ontvangen en op folio 62 onder de opbrengsten geboekt. Op 5 januari 1711 werd voor 10/12 part een bedrag van ƒ 36 geboekt op folio 110. Een lijfrentebrief (een soort levenslange uitkering) van ƒ 2000 met maandelijkse rente vanaf 1711 was aan haar toegekend. Hiervan had ze ƒ 150 ontvangen. Op 1713 werd voor het ontvangen van de rente aan Gerrit Febrij een bedrag van ƒ 33 geboekt. Op 10 december 1712 en 9 december 1712 werden bedragen van respectievelijk 180 stuivers en ƒ 330 voor attestaties van leven en rente ontvangen, zoals op folio 119 verso en 122 verso staat. Op 1 april werd ƒ 330 aan Gerrit Jemaar betaald voor het ontvangen van de rente, en ƒ 16:10 voor het salaris van de executeurs. Gerard Weeksteen en Catharina van der Pullen, en Hendrick van Leeuwen en Yda van der Pullen als wettige erfgenamen en vruchtgebruikers waren op 11 april 1713 schuldig voor ontvangen opbrengsten van kapitaal die op het moment van overlijden bestonden. Deze opbrengsten waren geboekt en betaald volgens een lijst, met een totaal van ƒ 822:9:4 op folio 52 en eindigend op folio 78 verso met ƒ 330. Er waren geen verdere schulden voor salaris of opbrengsten uit overstaande kapitaal door de executeurs. De executeurs hadden ƒ 179:5:8 ontvangen en afgelost, en ƒ 2200 ontvangen volgens de zesde ontvangst, beginnend op folio 79. Uitgaven die ten laste van de vruchtgebruikers kwamen, waren getrokken uit de rekening van de executeurs uit de tweede uitgave, beginnend op folio 100 op 4 april 1711. Hierin stonden bedragen voor diverse personen en zaken, zoals: Op 2 januari 1712 werden diverse kortingen en betalingen gedaan, zoals aan Daniel de Renout, Marcus van der Wal, Frans van der Steen, Samuel Joly, Joost Schuurman, Frederick Smits, Jan Claes van der Horst en Philip de Graaf. Ook was er pompgeld van ƒ 264:6:2. Op 12 maart 1712 werd een transport (overdracht) van ƒ 267:6 aan Cornelis de Bruijne gedaan. Verponding (belasting) voor het grote huis was ƒ 27:9:4, voor het huis ernaast ƒ 13:16:12, en voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg ƒ 10:5:6, totaal ƒ 51:11:6. Op 20 mei werden zegels betaald voor het ontvangen van lijfrenten aan Carel Bouwens. Op 6 juni werd huur gekort aan Daniel Renaux en weduwe Jacob Zeewyck. Op 29 september werd het geheim op de hoek van de Nieuwsteeg geleegd voor ƒ 14. Op 14 december werd 100 penningen betaald voor obligaties op de Thesaurie van 1712. Op 19 december werd een losrentebrief van ƒ 2000 op het comptoir aldaar voor 40 betaald. Op 20 december werd een attestatie van leven van Johanna van Leeuwen en Hendrik Cuylenburg voor 13 ontvangen. Op 27 december werd 13 betaald voor een huurcel van De Groene Papegaai. In 1713 werden op 9 januari bedragen betaald aan Coenraat Coenraatse, Jan Broere, Albert Bosvelt, Philip de Graaf, Frederick Smits, Joost Schuurman, Jan Claes van der Horst, Frans van der Steen en Marcus van der Wal. Op 4 februari werd pompgeld voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg betaald. Op 16 februari werd de ordinari verponding (gewone belasting) van 1712 voor diverse huizen betaald, zoals voor De Groene Papegaai (ƒ 27:9:4), het huis ernaast (ƒ 13:16:12) en het huis op de hoek van de Nieuwsteeg (ƒ 10:5:6). Ook werd 100 penningen voor 1713 voor deze huizen betaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842981 / 369  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/