Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
- Het schip Batavia verging door slecht gedrag van de bemanning. De schepen Galias en Davidt waren door president Pelsaert vanaf de Cheribon (nabij Java) met soldaten en voorraden naar de Kust van Coromandel (Zuidoost-India) gestuurd.
- Op 12 juli werden deze schepen bij Negapatnam (ook India) veilig bereikt door de schepen Wapen van Hoorn en De Kamel, hoewel ze niet direct met elkaar spraken.
- De schepen die in 1628 en 1629 onder leiding van heer Specx waren vertrokken, kwamen bijna allemaal veilig aan, behalve de Batavia en het jacht Zoutelande, met weinig verlies van mensenlevens.
- De Batavia liep op 4 juni ’s nachts op een onzichtbaar rif, op 28,3 graden zuiderbreedte, ongeveer 16 kilometer van het Zuidland (waarschijnlijk Australië). Het schip liep vol water en kon niet gered worden.
- Op 3 juli arriveerde het schip Fredrik Hendrick vanuit de Straat Soenda (tussen Java en Sumatra), en kwam op 7 juli aan op de bestemming. Bij vertrek lieten ze de Batavia achter met nog levende opvarenden: 180 mensen, waaronder 30 vrouwen en kinderen.
- Deze mensen zaten vast op een zandbank, ongeveer 16 kilometer van het vasteland, zonder voldoende voorraden: slechts 12 ton brood, geen drinkwater, brandhout of middelen om het land of schepen te bereiken. Ze zouden waarschijnlijk sterven door honger en dorst.
- Voor het ongeluk vonden er op de Batavia ernstige wreedheden en misdaden plaats. Een van de daders, de hoofdbootsman, werd ter dood gebracht. Hij was onder andere betrokken bij het martelen van een vrouw genaamd Lucretia Jans, die met geweld over het schip werd gesleept en mishandeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1097 / 0010
- De beslissing over wie er voorrang krijgt om schepen (een soort rechter) te worden, wordt uitgesteld. De burgemeester en de raad moeten dit eerst nader bekijken. Tot die tijd blijven de weesmeesters (mensen die wezen helpen) hun huidige bevoegdheden houden.
- Omdat de functie van president (voorzitter) van de weeskamer in Batavia vrij is gekomen, besluit men Joan Cops, een belangrijke koopman en raadslid in de rechtbank, te benoemen voor deze functie.
- De bemanning van het jacht (een snel schip) Sardan heeft in een verzoek laten weten dat Francisco Pelsaert, de president, hen ernstig had opgeroepen om hun plicht te doen bij het bergen en vissen van de munten van het vergane schip Battavia. Hij beloofde hen een extra beloning als ze dit goed deden. Omdat ze hard hebben gewerkt, krijgen ze een beloning van 100 esseldoren (een soort munten) van 8 stuivers per stuk, die onder hen verdeeld moet worden naar rang en persoon.
- Op woensdag 13 maart 1630 laat kapitein Hans Jacobsz Bincker in een verzoek zien dat hij in 1623, toen hij gevangen zat in Macau, twee loonbriefjes kwijtraakte. Deze briefjes, met een totale waarde van 679 gulden en 19 stuivers, had hij verdiend tijdens zijn dienst op Fort Batavia en Fort Malayo in Ternate. De briefjes waren in handen gevallen van Hendrick Brustens. Door een vals transport (een vervalste overdracht) van de secretaris van der Dussen waren ze aan Brustens gegeven en in Europa in ontvangst genomen. Ondertussen was Hans Jacobsz uit zijn gevangenschap gekomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1099 / 0152
Deze tekst gaat over de straf en de inbeslagname van bezittingen van de opstandige en moordenaars uit Het Zuiderland. De zaak werd behandeld door commandeur Francisco Pelsaert en de scheepsraad van het schip Sardam, samen met de advocaat-fiscaal (openbaar aanklager) voor de Raad van Justitie.
De volgende bedragen werden maandelijks in beslag genomen en toegewezen:
De bedragen werden maandelijks geïnd en verdeeld zoals hierboven vermeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1104 / 0925
William Wylich was in
1645 en
1646 schepen in een bepaalde stad. Tijdens zijn tweede jaar als schepen gaf hij zijn functie als stadhouder op, met toestemming van de toenmalige hoogschout
Bergaigne. Zijn plaats als stadhouder werd ingenomen door
Laurens van Berkel, die zelf in
1648 en
1649 schepen was. Tijdens die jaren liet
Laurens van Berkel zijn taken als stadhouder waarnemen door
William Wylich, die toen weer schepen was.
Johan van Blosenburg was in
1651 stadhouder en in
1667 schepen. Uit documenten bleek dat hij alleen als schepen had gewerkt, niet als stadhouder terwijl hij schepen was.
Cornelis Hoofd was in
1677 stadhouder en werd in oktober van dat jaar ook schepen. Hij bleef schepen in
1678 en
1679, maar gaf bij zijn aanstelling als schepen zijn stadhouderschap op.
Turriaan van Luenen was van
1679 tot
1693 stadhouder en werd in
1699 schepen. Er was geen bewijs dat hij als stadhouder optrad terwijl hij schepen was.
Uit deze voorbeelden bleek niet dat een stadhouder die schepen werd, verplicht was zijn stadhouderschap op te geven vanwege een officiële verklaring of vonnis. Wel bleek dat stadhouders die schepen werden, hun stadhouderschap soms vrijwillig opgaven, soms na onderhandelingen of toestemming van de hoogschout. Dit voorkwam conflicten met de schepenen of de overige bestuurders, die anders tot ernstige problemen konden leiden, zoals in de voorgaande eeuw was gebeurd. De bewijzen hiervoor stonden in de bijlagen van het adres onder nummer
112.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11570 / 0412
Dirk Bierens,
Pieter Cornelis de Patot (hoofdadministrateur),
Thomas Termathe (secretaris van politie),
Rudolph Seijzelaer,
Daniel Evertsen (onderkoopman),
Hendrik Koorenaer,
Pieter Sneek (luitenant),
Leendert Overschie (onderkoopman),
Theunis Holst (baas der smeden) en
Cornelis van Aerden (eerste pakhuismeester) waren allemaal werkzaam in deze functies op
Colombo.
Zij waren samen leden van de zogenaamde
Ceylonsen krijgsraad (een soort militaire en bestuurlijke raad op
Ceylon, nu
Sri Lanka).
Daarnaast was
Abraham Velge, die secretaris was, ook bij deze zaak betrokken.
Deze kwestie was op dat moment nog niet afgerond en lag nog bij de rechter (
litispendent).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0115
Op
15 oktober besliste de rechtbank dat een zaak tegen
Abraham Velge verder onderzocht moest worden. De officier van justitie (toen
advocaat fiscaal genoemd) had eerder schriftelijke bewijsstukken en aanklachtpunten ingediend.
Vervolgens, op
12 november, kreeg
Abraham Velge toestemming om:
- een normale rechtszaak te beginnen, waarbij hij zich door een advocaat (procurator) mocht laten vertegenwoordigen;
- zijn verdediging apart in te dienen;
- een kopie te ontvangen van de aanklachtpunten;
- zes weken de tijd om te reageren of andere stappen te ondernemen, zoals hij zelf het beste vond.
De verdere stappen in de zaak, zoals de standpunten van beide partijen en de planning van de zittingen, werden bepaald aan de hand van de eerder genoemde feiten en aanklachten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0119
Op
8 oktober stemde de hogere krijgsraad (een soort militaire rechtbank) in met het verzoek van de leden om een normaal rechtsproces te voeren. Zij mochten zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. Ook kregen ze kopieën van de aanklacht en andere stukken die ze nodig hadden voor hun verdediging. Ze kregen
drie maanden de tijd na ontvangst van deze kopieën om zich voor te bereiden.
Voor de secretaris
Abraham Velge gold een uitzondering. Voordat er een beslissing werd genomen over zijn verzoek, moest de officier van justitie (de advocaat-fiscaal) eerst uit de aanklacht halen:
- alle punten die Velge als beschuldiging kreeg;
- de bewijsstukken die daarbij hoorden;
- de argumenten waar de officier van justitie zijn aanklacht op had gebaseerd.
Pas daarna zou de krijgsraad beslissen hoe verder te gaan met de zaak van
Velge.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0118
Op
onbekende datum werden de volgende vonnissen uitgesproken tegen een groep gevangenen:
- De eerste drie gevangenen, Dirk Bierens, Pieter Cornelis de Patot en Thomas Termathe, kregen een zware straf:
- Ze werden met hun handen op de rug gebonden aan een kruis.
- Vervolgens werden ze van onderen met een knuppel zwaar verwond (zodat ze kreupel raakten), maar ze bleven in leven.
- Deze straf werd uitgevoerd met uitsluiting van gratie (er was geen genade mogelijk).
- De overige gevangenen, Rudolph Peijzelaar, Daniel Vertsen, Hendrik Korenaer, Pieter Sneek, Leendert Overschie, Theunis Holst, Cornelis van Aerden en Abraham Velge, kregen de doodstraf:
- Ze werden opgehangen tot de dood erop volgde.
Daarnaast werd besloten dat:
- Alle bezittingen, uitstaande lonen en nog te ontvangen maandsalarissen van de gevangenen in beslag werden genomen.
- Ditzelfde gold voor de bezittingen en openstaande betalingen van vijf overleden leden: Jan Croef, Arij van Marseveen, Jan Theunis Heurika, Jacob Engel en Jan Snoek.
- Ook de bezittingen van de overleden officier van justitie Jan Bernard Weitnauw werden in beslag genomen.
- Al dit beslagnaamde geld en goederen zouden worden gebruikt om de kosten van het rechtsproces en de strafuitvoering te betalen.
- Het restant zou worden verdeeld volgens het â uso-systeem (een gebruikelijke verdeling volgens de toenmalige regels).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0117
De
krijgsraad behandelde een zaak over verschillende zware misdaden, zoals majesteitsschennis (een aanval op de gezaghebbende vorst) en moord. Op
2 oktober van dat jaar eiste de
advocaat-fiscaal Isaac van Schinne namens de openbare aanklager (
fiscaal) een definitief vonnis tegen de gevangenen en overleden leden van de groep
Weitnauw.
Volgens de aanklacht hadden zij schuldig zijn aan:
- Majesteitsschennis (een misdaad tegen de vorst).
- De opzettelijke moord op 19 onschuldige mensen, die daarna zonder eerlijk proces waren terechtgesteld.
- Geweld, mishandeling en onterecht vervolgen van verschillende personen.
- Deze daden waren gedaan onder het voorwendsel dat de slachtoffers verdacht werden van moord of landverraad.
De gevangenen zouden volgens de eis veroordeeld moeten worden en ter plekke gebracht worden waar strafvonnissen normaal gesproken werden uitgevoerd. Daar zouden zij aan de
beul worden overgedragen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0116
Op
7 augustus 1739 werd een verzoek ingediend om betalingen uit te stellen voor het aandeel van
Falk, omdat diens weduwe, de douairière (weduwe met recht op inkomen) van de overleden
Arend van Broijel (een raadslid in
Nederlands-Indië, woonachtig in
Batavia), nog niet had betaald. Het bedrag dat zij verschuldigd was, bedroeg
147 gulden en 16 stuivers.
Daarnaast werd gevraagd hoe om te gaan met het aandeel van
Casparus De Jong, de
mallabaarse commandeur (een militaire leider in
Malabar), dat
6066 gulden en 13 stuivers bedroeg. De vraag was of dit bedrag rechtstreeks aan het
Commando Malabar mocht worden toegerekend of aan de hoofdpost.
Verder moesten de aandelen van
Wijer,
Patot en
Van Hagen (in totaal
17.596 gulden, 6 stuivers en 8 penningen) worden afgeschreven, omdat zij geen vertegenwoordigers in
Indië hadden. Het aandeel van
Van Dam (
184 gulden, 13 stuivers en 8 penningen) moest echter door zijn weduwe contant worden uitgekeerd.
Op
30 juli 1759 diende
Donna Anna De Zaa, weduwe van de overleden
modliaar (een lokale functionaris)
Don Simon in
Matara (
Illangacoom), een verzoek in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2959 / 0344
Tijdens een vergadering van de Raden in Rheede werd een brief besproken die al eerder was ingediend. Deze brief ging over het schip Anna Maria, dat was gezonken. Tijdens de discussie kwam ter sprake dat het zegel (een soort officiële afsluiting) van de brief was afgebroken en in het vuur was gegooid.
De Raden vroegen Patot (een van de aanwezigen) wie dit had gedaan. Patot gaf toe dat hij, zonder na te denken, het afgebroken zegel in het vuur had gegooid. Een van de Edele Heren (hoge functionarissen) zei dat Patot zijn vertrek op dat moment voor verwarring kon zorgen. De Edele Heer voegde eraan toe dat hij Patot altijd goed had behandeld en vertrouwd had, maar dat deze nu zoiets deed.
Patot begon te smeken en leek spijt te hebben, waarna de Edele Heer medelijden kreeg. Toen Patot zich weer kalmeerde, ging de vergadering verder. Er werd gevraagd of Patot nog andere belangrijke informatie had die schade of opheldering kon geven. Hij antwoordde nee. Daarna werden de volgende getuigen ondervraagd, zoals beschreven in document raed 270.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10121B / 0491
In haar testament bepaalt Caterina Hustaert hoe haar bezittingen en inkomsten (jaarlijkse opbrengsten) na haar dood moeten worden gebruikt voor haar kinderen. Hier de belangrijkste punten:
- Haar man, de voogd van de kinderen, moet het geld en de goederen alleen gebruiken voor het welzijn van de kinderen, zoals zij dat zou doen. Hij mag niets weghalen of verkwisten.
- Als een kind ongehuwd of voor zijn 25e sterft, erft het andere kind (of de andere kinderen) alles, inclusief de inkomsten. Als alle kinderen ongehuwd of voor hun 25e sterven, gaat de erfenis naar haar eigen familie:
- Eerst naar haar ouders: Pieter Hustaert (vader) en Elisabeth de Moucheron (moeder).
- Als die er niet meer zijn, naar haar broers (en hun kinderen, als die broers al dood zijn).
- Niet naar haar man of diens familie.
- De kinderen mogen niets in een testament, schenking of andere regeling zetten wat hier tegenin gaat.
- Als Caterina Hustaert geen kinderen heeft op het moment van haar overlijden, erven haar ouders (of wie van hen nog leeft) alles. Als die er ook niet meer zijn, gaat de erfenis naar haar broers en hun nakomelingen.
- De erven mogen direct na haar dood over de goederen beschikken, zonder tussenkomst van een rechter.
Als uitvoerders en voogden wijst zij aan:
Zij geeft hen volle macht om alles uit te voeren zoals hierboven staat. Het testament moet worden gerespecteerd, ook als lokale wetten of gewoontes hiermee in strijd zijn. Caterina Hustaert vraagt om een officiële akte hiervan op te stellen en te registreren in Amsterdam, bij de notaris op de Faijesgracht (bij de Pesbane van Malt).
Getuigen bij het opstellen: Gillis Gaduijts en anderen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937295 / 189
Op 7 juli 1651 kwamen in Amsterdam verschillende personen een overeenkomst sluiten over een erfeniskwestie. De betrokkenen waren:
Zij maakten definitief afspraken over de verdeling van de erfenis van Neeltge Claes, die op haar beurt erfgenaam was van Grietghe Claes (de weduwe van Jacob Sijbrantsz). Deze erfenis was vastgelegd in een testament uit 12 oktober 1603, opgemaakt in Hoorn voor Jacob Claesz Cort. Uit deze erfenis was echter niets ontvangen, ondanks een fideicommissum (een soort erfelijke last).
De afspraak was dat Corle Twarthenburch (namens de familie van Neeltge Claes) zijn aandeel in de erfenis behield, zonder verdere claims. Hiervoor betaalde hij een bedrag van 211 carolus gulden (een oude munteenheid). Daarna zouden alle partijen geen verdere aanspraak meer maken op elkaars erfenis.
De overeenkomst moest nog goedgekeurd worden door de Weeskamer (de instantie die toezicht hield op wezen en hun bezit), omdat het ook de belangen van de vier wezen betrof. De partijen beloofden zich aan de afspraak te houden.
Als extra zekerheid werd vastgelegd dat als er later nog meer erfenis boven water zou komen, dit ten goede zou komen aan de erfgenamen van Neeltge Claes. Ook werd bepaald dat de partijen zich, indien nodig, zouden laten veroordelen door het Hof van Utrecht om de overeenkomst na te leven. Hiervoor werd een procureur (een juridisch vertegenwoordiger) aangesteld.
De akte werd opgesteld in Amsterdam op 7 juli 1651, in aanwezigheid van de geloofwaardige getuigen Jacob Pondt en Can van Gelder. De notaris was Laurens Jansz, met als merk Bouwe Jansz Kick.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510370 / 57
-
Op 3 oktober 1924 overleed in Amsterdam:
-
Ernst Bouwknegt, 74 jaar oud, geboren in Muiden. Hij had geen beroep, was getrouwd met Anna Cornelia Elisabeth Rotman en was weduwnaar van Johanna Hertel. Zijn ouders, Dirk Bouwknegt en Jacoba Landwaart, waren allebei al overleden. De aangifte werd gedaan door Jan Gerardus Steevens (41, kaanspreker) en Willem Frederik Willems (75, aanspreker).
-
Simon de Boer, 24 jaar oud, veehouder, geboren in Oostzaan. Hij was getrouwd met Tijtske Hendrina Koele. Zijn vader, Simon de Boer, was overleden; zijn moeder, Guurtje Tump, had geen beroep. De aangifte werd gedaan door Franciscus Josephus Meijer (27, aanspreker) en Jan Willem de Vries (45, aanspreker).
-
Louisa Christina Kuhn, 83 jaar oud, geboren in Amsterdam. Zij had geen beroep en was weduwe van Albertus Cornelis Johannes Pickkers. Haar ouders, Carl Friedrich Kuhn en Trijntje Wijnberg, waren overleden. De aangifte werd gedaan door Willem Over (44, aanspreker) en Arie Starreveld Duee (51, incasseerder).
-
Op 4 oktober 1924 overleed in Amsterdam:
-
Op 2 oktober 1924 overleed in Amsterdam:
-
Op 4 oktober 1924 overleed in Amsterdam:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2344056 / 33
Op 26 mei 1814 trouwden in Amsterdam twee stellen:
-
Hermann Claasen (24 jaar), koopman uit Amsterdam, zoon van Jan Jacob Claasen (koopman) en Sara Dentz.
Hij trouwde met Johanna Maria van Raan (24 jaar) uit Amsterdam, dochter van Hendrik Gerrits van Raan en de overleden Johanna Al..
Hendrik Claasen (oom, 48) en Hendrik Willem Clement van Engen (oom, 46) waren getuigen, samen met Wynand van Ep Boute (makelaar, zwager, 36) en Willem Breyl (predikant, neef, 32).
-
Hermanus Fredrik Eyben (31 jaar), suikeraffinadeur en weduwnaar van Catharina Henrietta Bruin, zoon van Frederik Gerhard Eyben (suikeraffinadeur) en Janna Elisabeth Scholten.
Hij trouwde met Anna Catharina Kerkhoven (32 jaar) uit Amsterdam, dochter van de overleden Pieter Kerkhoven en Anna Elisabeth Menkema (koopvrouw).
Getuigen waren Taans Klin Bo (suikeraffinadeur, broer, 39), Pieter Jacobus Kerkhoven (koopman, broer, 28), Johannes Kerkhoven (koopman, broer, 25) en Harman Scholten (suikeraffinadeur, 35).
Bij beide huwelijken werden de wettelijke documenten voorgelezen, waaronder:
- Uittreksels uit het huwelijksregister van 15 mei 1814.
- Doopbewijzen van de verloofden.
- Overlijdensaktes van de overleden ouders.
- Toestemmingsverklaringen van de nog levende ouders.
Na bevestiging van beide partijen verklaarde de ambtenaar (G. ten Sande, lid van de burgerlijke stand) hen officieel getrouwd volgens de wet van 20 ventôse jaar 11 (Franse republikeinse kalender).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1928521 / 32
Wolgang Günther Kamel en
Johanna Elisabeth Kameli gaven een volmacht aan
Albertus Allen, die op dat moment op terugreis was naar
Suriname. Ze trokken hiermee een eerdere volmacht in, die ze op
24 maart 1808 aan
Christiaan Godlieb Pleiser hadden gegeven.
Albertus Allen kreeg de volgende taken:
- Hij moest een inventaris (overzicht van bezittingen) en een rekening met verantwoording opvragen bij degenen die de erfenis van Johan Christiaan Kamel (overleden in Suriname) beheerden of goederen van deze erfenis in bezit hadden.
- Als de rekening klopte, moest hij deze goedkeuren. Als dat niet zo was, moest hij deze betwisten.
- Hij moest het overschot (winst) van de rekening innemen, een kwitantie (bewijs van betaling) afgeven en garanderen dat er geen verdere claims zouden volgen.
- Hij mocht Kamel of diens opdragers vertegenwoordigen in alle zaken rond de erfenis.
- Hij mocht roerende (bijv. geld, meubels) en onroerende goederen (bijv. grond, huizen) uit de erfenis verkopen, de koopsom innemen en deze volgens de regels aan de verkopers overhandigen, met de nodige garanties.
- Hij mocht schikkingen (afspraken om conflicten op te lossen) treffen en compromissen (afspraken om geschillen voor te leggen aan een scheidsrechter) sluiten, en de benodigde akten hiervoor opstellen.
- Als het nodig was, mocht hij rechtzaken beginnen:
- Hij kon alle juridische middelen inzetten, zoals het vragen om voorlopige maatregelen (bijv. beslag) en vonnissen.
- Hij mocht vonnissen uitvoeren, in hoger beroep gaan of deze aanvechten.
- Hij kon beslag leggen op personen, geld of goederen, en dit weer opheffen als dat nodig was.
- Hij mocht borgstellingen (financiële waarborgen) vragen en geven, en inbeslaggenomen geld vrijgeven.
- Hij mocht een woonplaats kiezen waar officiële stukken bezorgd konden worden.
- Hij mocht in naam van Kamel eden (plechtige beloftes onder ede) afleggen.
- Kortom: hij mocht alles doen wat nodig was om de erfenis van Johan Christiaan Kamel te regelen.
Albertus Allen mocht deze taken ook aan een ander overdragen (
substitutie).
De akte werd opgesteld in
Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen
Jan Hendrik Obertop Junior en
Isaac Coronel Pereira. De notaris was
J.B. van der Meersch, die bevestigd werd door andere koninklijke notarissen in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0277
Op
10 juni 1808 gingen de heren
Rudolph Mees,
Pieter van der Wallen van Vollenhoven,
Jan Bartholomeus Snellen en
Michiel Baelde Roehussen (allen uit
Rotterdam) naar notaris
Jan van Oosterhout. Ze vertegenwoordigden een groep geldschieters die samen 650.000 gulden hadden geïnvesteerd in twee plantages:
L'Embarras en
Venlo, gelegen in
Suriname aan de
Commewijne-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart).
Deze vier heren gaven
H.I. Matile (wonend in
Suriname) een officiële opdracht:
- Hij mocht namens hen de helft van beide plantages beheren, met dezelfde bevoegdheden als hij al had voor een kwart van de plantages (zoals vastgelegd in een eerdere volmacht van 15 november 1804 bij notaris Jacob Pieter Beijerman).
- Hij mocht ook optreden tegen of met de executeurs van de overleden zakenpartner van de geldschieters, als dat nodig was.
Herman Forsten was ook betrokken, maar kon door slecht ziend vermogen niet zelf tekenen. De vier heren spraken namens hem.
De akte werd later bevestigd en geregistreerd in
Paramaribo op
15 december 1841 door
H. Heeve (provinciale gezworen klerk) en vertaald door
J.A. Gerding (beëdigd vertaler). Er zat een zegel van 50 stuivers (1 gulden) op.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0267
Op
28 december 1816 werd in
Amsterdam een officiële akte opgesteld bij notaris
I. Commelin in het huis van
Pieter Jacobus Kerkhoven. De akte ging over de vernietiging van eerdere volmachten (
procuratie en
substitutie) voor een handelshuis en plantage in
Suriname. De volgende personen waren betrokken en ondertekenden:
De akte werd later, op
5 maart 1817, geregistreerd door
P. Schuster, een beëdigd klerk voor de kolonie
Suriname, nadat
U. H. Wilkens het origineel had ingediend.
Op dezelfde dag (
28 december 1816) bevestigden de notarissen
J. Commelin,
W. van Homrigh,
F. Berkman,
H. Happe en
A. Houthoper dat de akte geldig was en door hen was ondertekend.
Later, in
Suriname, liet
Josephus Donatus Iustus Thym (die op het punt stond naar
Europa te vertrekken) een persoonlijk document, een
onderhandse akte van substitutie (een soort volmacht), verzegelen door
Jorchem Frederik Stoffens, een beëdigd klerk. Het document werd voorzien van
Thym's persoonlijke stempel en het officiële stempel van de secretarie van de kolonie. Het verzegelde document bleef bij de secretarie berusten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 901 / 0267
Het Huis van Negotie (een handelsorganisatie) stelde strenge regels op voor het beheer van een plantage in Suriname:
-
Alle benodigde goederen (zoals voedsel, medicijnen en materialen) moesten via het Huis van Negotie worden besteld. Alleen in noodgevallen mocht iets ter plekke in Suriname worden gekocht, en dan alleen met toestemming van het Huis van Negotie.
-
Voor grote uitgaven (zoals de aankoop van tot slaaf gemaakten of het bouwen van nieuwe gebouwen) was altijd voorafgaande toestemming van het Huis van Negotie nodig.
-
Het Huis van Negotie mocht namens de plantage wisselbrieven (een soort betaalmiddel) uitschrijven voor noodzakelijke kosten.
-
De beheerders van de plantage mochten namens de eigenaren (constituanten) optreden in alle zaken, zoals:
- Het innemen van geld, goederen of schulden die aan de plantage toebehoorden.
- Het geven van kwitanties (bewijzen van betaling) en het bijhouden van de boekhouding.
- Indien nodig: juridische stappen ondernemen (zoals een rechtszaak starten, bezittingen in beslag laten nemen of schuldenaren dwingen te betalen).
- Akkoorden sluiten of onderhandelingen voeren als dat voordelig was.
- Alle benodigde documenten ondertekenen.
-
De beheerders mochten ook anderen aanstellen (substitutie) om taken over te nemen.
-
Als er onverwacht een beheerder wegviel (bijvoorbeeld door overlijden), mocht de overgebleven beheerder tijdelijk iemand anders aanwijzen, tot de eigenaren een nieuwe beheerder hadden benoemd.
-
De beheerders beloofden jaarlijks een duidelijke financiële verantwoording af te leggen, inclusief een lijst van de tot slaaf gemaakten op de plantage.
-
Ze moesten ook de Curatele en Onbeheerde Boedels Kamer (een organisatie die wezen en erfenissen beheerde) en de Nieuwe Curatele Wezen Onbeheerde Boedels Kamer in Suriname erkennen.
Alles wat de beheerders deden, moest volgens de wet gebeuren en werd bindend verklaard.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 901 / 0265
P. Quast, scheepsbouwer uit
Amsterdam, solliciteerde op
29 november 1897 naar de functie van
scheepsbouwmeester bij de
Rijkswerf in
Amsterdam. Hij woonde toen aan de
Commelinstraat 37.
Zijn sollicitatie werd beoordeeld door de
Ressortchef van de Afdeling Personeel. Deze functionaris stuurde een brief over
Quast naar het
ministerie (waarschijnlijk het ministerie van Marine) in
's-Gravenhage op
12 december 1897. De brief had als onderwerp:
"Kandidaat rijkscommies voor het vak van scheepsbouw" en was gerelateerd aan een eerdere brief van
10 oktober 1851 over het indienen van notities.
Quast was op dat moment 40 jaar oud en had al 22 jaar ervaring als scheepsbouwer. Hij had eerder een aanstelling gehad als
gedetacheerde scheepsbouwmeester bij de
Rijkswerf in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 5224 / 0448
Op
10 maart 1712 werd vanuit
Aspel 's-Gravenhage een bericht gestuurd naar de minister.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2665 / 0004
In zijn testament bepaalt de man het volgende:
- Zijn kinderen en zijn huidige vrouw Geertruijd Gerrits Dieren erven allemaal een gelijk deel. Ieder krijgt een achtste deel van zijn erfenis.
- Als een van zijn kinderen overlijdt, erft diens wettige nakomeling (kind) het deel in plaats van de overleden ouder.
- Hij wijst Leendert Cortenhoeff (een huistimmerman) en Jan Jansz Verhoeve (een blikslager) aan als voogden over zijn minderjarige kinderen en als beheerders van hun erfenis.
- Deze voogden krijgen volledige bevoegdheid om alles te regelen wat nodig is voor de zorg over de kinderen en hun bezittingen, zoals de wet dat voorschrijft voor voogden en beheerders.
- Zij mogen tijdens hun leven iemand anders aanwijzen die hun taken overneemt na hun dood, mochten zij zelf komen te overlijden.
- Als een van de twee voogden sterft zonder een opvolger te hebben aangewezen, mag de langstlevende voogd zelf een betrouwbare man kiezen om de overleden voogd te vervangen. Deze nieuwe voogd krijgt dezelfde bevoegdheden.
- Deze regeling sluit de betrokkenheid uit van de heren weesmeesters (officiële voogdij-instanties) in Amsterdam of andere plaatsen waar het sterfhuis (de erfenis) terecht zou kunnen komen.
- Hij wil niet dat de bestaande regels van de weeskamer of andere wetten en verordeningen invloed hebben op zijn testament.
Het testament is opgesteld in
Amsterdam, in het huis van de man in de
Sint Jansstraat, op
onvermelde datum. Aanwezig als getuigen waren
Jan Lucasz van Nieulant (een bakker) en
Dirck Touw. De notaris
A. Lock heeft het document opgemaakt en bevestigd.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965501 / 48
Op 1 november 1677 werd de nalatenschap van de gereformeerde gemeente verdeeld. Hier volgt een overzicht van de erfenis en wie wat kreeg:
Daarnaast werden de volgende zaken en bedragen toegekend:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936916 / 343
Op 9 januari 1696 verklaarde Juffrouw Magdalena Bontemps, weduwe van Thomas Snep, ziek te bed maar met heldere geest, voor notaris Pieter Herlings in Haarlem dat zij haar testament van 11 mei 1693 en codicil van 17 februari 1695 (beide opgemaakt bij notaris Pieter Baes) bevestigde.
Zij bepaalde dat na haar overlijden:
- Haar bedrijf (negotie) niet mocht worden stopgezet of gesplitst, maar voortgezet.
- Haar huishouden en het huis in de Schagchelstraat (waar zij woonde) niet verkocht of opgedeeld mochten worden, maar voor haar erfgenamen behouden moesten blijven.
Zij droeg de leiding hierover over aan haar dochter Margareta Snep en schoonzoon Matthijs van Elten, die moesten beslissen wat het beste was. Ook vroeg ze de door haar man aangestelde voogden om niet de vaderlijke erfenis van haar minderjarige dochter Anna Snep op te eisen zolang het bedrijf en huishouden nog liepen.
Op 11 januari 1692 was door haar man een testament opgesteld voor hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen.
Op een eerdere datum (13 december 1695) was een overeenkomst gesloten tussen Benjamin Withoijn (uit Amsterdam, toen in Haarlem) en een zekere Cooper. Withoijn stond zichzelf borg voor een schuld van Cooper van 13.000 gulden. De overeenkomst werd getekend in Haarlem door Diederick Ramp, Martin Montenack, Pieter van Adrichem (uit Dordt), Jacob Graafland en Benjamin Withoijn zelf. Notaris Gorlings bevestigde dit.
Een andere overeenkomst ging over een huis en boerderij die door twee partijen (waaronder Cooper) voor 23 gulden zouden blijven wonen, met alle planken en materialen die bij het huis hoorden. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en stelden zich onder toezicht van alle rechters en gerechten.
Een rekening van S.M. Lefeburg vermeldde een schuld van minder dan 4000 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842951 / 20
Op
14 mei 1751 kwamen bij
Aalst de Bruijn, een openbaar notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Haarlem, de volgende personen:
Alle betrokkenen woonden in
Haarlem en waren bekend bij de notaris. Zij verklaarden dat ze direct na het overlijden van
Johanna Plovier de boedel (de bezittingen en schulden) van haar en
Pieter Bogaard hadden verdeeld, zoals die in hun gemeenschappelijke huwelijk was ontstaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975229 / 419
Volgende pagina