Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Deze historische advertenties richten zich op verschillende bedrijven en winkels in Amsterdam en Rotterdam:

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3677037 / 308  


In 1837 werd Gouverneur-Generaal Merens geïnformeerd door Algemeen Secretaris Pors over problemen met een zending goederen die was aangevoerd met het schip Resolutie. Deze goederen waren bestemd voor het Departement van Marine, maar een deel moest teruggestuurd worden volgens een besluit van 21 januari 1837. De volgende problemen werden gemeld:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 2588 / 0261  


Op 8 juni 1820 werd een officiële akte opgesteld en ondertekend door verschillende leden van de familie Kerkhoven en twee notarissen: Willem van Homrigh en Johannes Commelin, beide werkzaam in Amsterdam. De akte ging over de afhandeling van wezen, curatele (voogdij) en onbeheerde erfenissen, zowel in Nederland als in Suriname. De ondertekenaars beloofden alles wat in deze akte stond te accepteren en na te leven, volgens de wet.

De akte werd opgesteld op de woonplaatsen van de betrokkenen. Het origineel bleef in bewaring bij notaris Van Homrigh. De ondertekenaars waren:

De akte kostte 2 revocatien (soort belasting) van ƒ2,- en werd geregistreerd in Amsterdam op 8 juni 1820 in deel 3, folium 2-3 en 5-7. Er werd ƒ4,75 betaald, inclusief 13½ cent belasting.

Op 9 juni 1820 bevestigden de notarissen Johannes Welhelmus Cramer, B. Baak en J.H. Silver dat Willem van Homrigh en Johannes Commelin indertijd indruk indrukwekkende, betrouwbare notarissen waren. Alle akten die door hen waren opgesteld, werden als geldig en waarheidsgetrouw beschouwd, zowel in als buiten de rechtbank.

Op 17 augustus 1820 werd een afschrift van de akte getoond aan S.M. Klein en geregistreerd. Een gezworen klerk, Spillenaar, bevestigde dit onder toezicht van notaris Johannes van Trigt uit Soetermeer (bij ’s-Gravenhage, Zuid-Holland).

Bij deze gelegenheid waren ook aanwezig:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 924 / 0089  


Deze tekst lijkt een onleesbare, waarschijnlijk verkeerd gescande of gecodeerde bron te zijn. Er valt geen bruikbare historische informatie uit te halen om samen te vatten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.36.22 / 889 / 0154  


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565730 / 43  


  • Op 22 augustus 1657, om 10 uur 's ochtends, verscheen Maritge Jans, weduwe van Jan Mathijsz Steen, voor een notaris in Amsterdam. Ze was ziek en lag op bed, maar was helder van geest.
  • Ze maakte een nieuwe laatste wil en schrapte alle eerdere testamenten. Ze verdeelde haar bezittingen als volgt:
  • Al haar andere kinderen (Jochum, Pieter, en Maritge Amst.) erven de rest van haar bezittingen.
  • De akte werd opgesteld in het huis van de notaris, met Jan Willemsz en Pieter Lambertsz als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936882 / 377  


Op 4 februari 1717:
  • Het kleermakersgild had klachten over het maken van militaire kleding en uitrusting voor de provinciale troepen in deze stad en andere steden van de provincie. Deze klachten waren al vaker ingebracht het jaar ervoor. De zaak werd overgedragen aan de heren gecommitteerden (vertegenwoordigers) van het gild om te onderzoeken en er verslag over uit te brengen.
  • De burgemeesters brachten een vreemde zaak naar voren: in Thiel was een juridische procedure gestart tegen Lambert Stapelkamp, die in deze stad was aangesteld als koopmansbode tussen de twee steden. De enige reden voor deze procedure was dat Stapelkamp dit ambt had aangevraagd en gekregen. De vroedschap (stadsbestuur) besloot een brief te schrijven aan het bestuur van Thiel met het verzoek om de procedure tegen Stapelkamp te stoppen. Als dat niet zou gebeuren, zou deze stad genoodzaakt zijn tot "retorsies" (tegenmaatregelen), wat onprettig zou zijn voor andere inwoners van Thiel.
Op 4 februari 1732:
  • De heren gecommitteerden voor stadsfinanciën rapporteerden dat ze de postrekening van de heer Meijer over december 1731 hadden gecontroleerd en afgesloten. De inkomsten bedroegen 1489 gulden en 12 stuivers, de uitgaven 509 gulden en 11 stuivers. Het overschot voor de stadskas was 980 gulden en 1 stuiver. De vroedschap ging akkoord met deze afhandeling en bedankte de heren.
  • Er werd een rapport gehoord over het verzoek van Abraham van der Schilden (zoon van Jan) om uitbreiding van zijn huis buiten de Tolsteeg, op grond van de stad. De vroedschap gaf toestemming om twee nieuwe kamers aan te bouwen, mits dit niet in strijd was met de voorwaarden van de erfpachtovereenkomst en alleen bedoeld was als woonruimte voor zijn gezin en bedienden.
  • Het rapport van de heren gecommitteerden voor de plantage (stadsplantsoen/landgoed) werd behandeld. De vroedschap droeg de heer Cameraer (penningmeester) op hier verder naar te kijken.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 4088715 / 64  


David Stapelkamp liep een steekwond op, ongeveer een handbreedte onder zijn lies. De wond bloedde hevig. Hij kwam alleen en zwaar bloedend bij de woning van de persoon die deze verklaring aflegt (de deponent). Stapelkamp vertelde tegen de deponent en anderen die daar aanwezig waren dat Toon Dingenman hem met een getrokken mes had gestoken. Daarna vluchtte Dingenman direct na de steekpartij. De volgende ochtend heel vroeg was Stapelkamp opnieuw bij het huis van de deponent.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11104569 / 103  


In 1668 had Jan Pou uit Thiel ruzie met zijn buurman Stapelkamp. Jan Pou noemde Stapelkamp voor de grap een "zen aluwe" (een soort scheldwoord). De ruzie liep zo hoog op dat Stapelkamp Jan Pou uit zijn huis zette. Later probeerde Jan van Helmond (een soort bemiddelaar) de ruzie te sussen. Hij zei tegen Stapelkamp dat het maar een grapje ("korstwijl") was en dat mensen elkaar wel vaker zo noemen. Maar Stapelkamp reageerde boos en vroeg of Jan van Helmond het voor Jan Pou op wilde nemen. Daarna zette hij Jan van Helmond ook uit zijn huis. Toen ze allebei buiten stonden, zei Jan Pou opnieuw dat het maar een grapje was. Daarop trok Stapelkamp een mes en stak Jan Pou twee keer: één keer in zijn been en één keer in zijn rechterarm.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11104667 / 131  


De tekst bevat een lange lijst met namen, vaak met verwijzingen naar kaarten, huwelijken ("haart" = trouwt) of geboortegegevens. Hier is een overzichtelijke samenvatting van de belangrijkste informatie: Plaatsnamen die genoemd worden: De tekst bevat veel verwijzingen naar kaarten, huwelijken en geboorten, maar zonder verdere context is het moeilijk om alle details precies te duiden. De data en cijfers lijken verwijzingen naar pagina’s, registratienummers of jaartallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.36.22 / 953 / 0125  


Op 24 maart 1910 gingen Jozef Baten (metselaar) en Gerrit Bras (vishandelaar), allebei wonend in Haarlemmermeer, naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in Haarlemmermeer. Ze maakten een officiële verkoopovereenkomst:
  • Jozef Baten verkocht twee aan elkaar gebouwde woningen met erf en grond aan Gerrit Bras.
  • De woningen lagen in Haarlemmermeer, in de polder Vyfhuizen (tegenwoordig Hoofddorp), aan een binnenweg.
  • Het kadaster kende de percelen als sectie C, nummers 2720 en 2721, samen 3 aren groot (ongeveer 300 m²).
  • De verkoopprijs was 1800 gulden.
Jozef Baten had de grond gekocht op 18 april 1895 en de huizen zelf gebouwd. Bij de verkoop golden deze voorwaarden:
  • De woningen gingen per direct over naar Gerrit Bras, inclusief alle risico’s (bijvoorbeeld schade).
  • Er zaten geen hypotheekschulden meer op het pand.
  • Alles wat aan de woningen vastzat (zoals bomen, vaste installaties) ging mee.
  • Ook rechten en plichten (zoals erfdienstbaarheden) gingen over naar de koper.
  • Als de grond groter of kleiner bleek dan 3 aren, veranderde de prijs niet.
  • Gerrit Bras nam de woningen direct in bezit.
De akte werd op 2 juni 1910 voor het eerst als officiële kopie afgegeven aan Cornelis Willem Smit, die blijkbaar een schuldeiser was. De originele akte was eerder, op 29 maart 1900, al geregistreerd in Haarlem voor 2,40 gulden aan rechten. Getuigen bij de ondertekening in 1910 waren Albert Boetje en Anne Tienstia (notarisklerk).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351778 / 138  


Deze tekst beschrijft de werkzaamheden en reiskosten van een ambtenaar in de 18e eeuw:

  • Op 16 april en 17 april wachtte de ambtenaar twee uur bij het Stadhuis voor een zaak over geconfisqueerde goederen (spullen die door de overheid in beslag waren genomen). Hij bezocht ook heer Wijnonbergen twee keer en deed verslag bij heer Fiscaal (een soort openbaar aanklager). De kosten hiervoor waren 3 gulden.
  • Op 19 december kreeg hij een brief van Brender à Brandis over een zaak in Brielle (een karrenman, iemand die paarden en wagens verzorgde). Hij schreef een antwoord en deed verslag bij de Provoost Generaal (hoofd van de militaire politie). De kosten waren 1 gulden en 10 cent.
  • Op 23 december ging hij opnieuw naar Brielle om de commandant en een predikant (dominee) te spreken. Hij rapporteerde hierover. De reiskosten en maaltijden bedroegen 134 gulden.
  • Op 27 december kreeg hij opdracht van heer Fiscaal om naar Gouda te gaan. Daar maakte hij afspraken over de opsluiting van gevangengenomen muiters (soldaten die in opstand kwamen). Hij bleef twee dagen en de kosten waren 169 gulden en 1 cent.
  • Hij huurde een wagen voor reizen naar Gouda, Wallere en Rooij (16 gulden en 10 cent), betaalde tol en veergeld (12 gulden en 27 cent) en had kosten voor maaltijden (9 gulden en 13 cent).
  • Hij organiseerde een vergadering met de Heeren Regenten (bestuurders) in Gouda, maakte een verslag en gaf dit door aan heer Fiscaal. De kosten waren 110 gulden.
  • Op 4 januari bezocht hij alle bestuurders in Gouda om goedkeuring te krijgen voor de opsluiting van de muiters. Hij rapporteerde hierover aan heer Fiscaal (110 gulden).
  • Op 5 januari kreeg hij volmacht van heer Fiscaal om een contract te sluiten met de bestuurders van Gouda over hoe de gevangen muiters behandeld moesten worden. Dit kostte 204 gulden, 16 cent en 48 cent.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11930 / 0333  


  • Op 13 september 1850 werd een officiële verkoopakte opgesteld door Johannes Leendert ter Hoffsteede, notaris in Bloemendaal (maar werkzaam voor Haarlem).
  • De verkoper, Levie Abraham Glaser (koopman uit Haarlem, Lange Veerstraat 1085), verkocht een huis met erf aan Hendricus Aalders (winkelier uit Haarlem, Valkesteeg).
  • Hendricus Aalders kocht het pand aan de oostkant van de Klerksteeg in Haarlem (kadaster: sectie D, nummer 1782, grootte: 81 ellen).
  • Het pand was eerder gekocht door Levie Abraham Glaser op 9 februari 1843 en was vrij van hypotheken of schulden.
  • De koopsom bedroeg 400 gulden, die Glaser direct ontving. Aalders mocht vanaf die dag het pand gebruiken en was verantwoordelijk voor alle belastingen (rijks- en plaatselijk).
  • De akte werd ondertekend in het huis van mevrouw de weduwe Ter Hoffstede aan het Klein Heiligland in Haarlem.
  • Getuigen waren Jan Hoomans (schilder) en Gerrit Jan Pels (schoenmaker), beiden woonachtig op Klein Heiligland 511.
  • De akte werd geregistreerd op 14 september 1850 in Haarlem (kosten: 22 gulden en 8 cent).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351566 / 147  


Op 1 september 1743 stuurden de bestuurders van Javas Oostkust (onder wie H. Verijsel, I.H. Theling, J.W. Cramer, H. Roorenaer, P. de Vos, J. Tonneman Jr. en P.J. Bangeman) een brief naar gouverneur-generaal Gustaaf Willem baron van Imhoff en de Raden van Nederlands-Indië in Batavia. Hierin meldden ze het volgende:
  • De soldaten en kanonniers die recent uit Batavia waren aangekomen, zouden vanaf 1 september 1743 kostgeld (levensonderhoud) en randsoen (extra uitkering) ontvangen, net als de troepen die buiten de stad gelegerd waren. Ze vroegen toestemming om deze uitgaven door te voeren en om versterking van extra manschappen.
  • Drie officieren werden voorgedragen voor bevordering vanwege hun verdienste tijdens onrustige tijden:
    • Carel Fleurken (luitenant) naar kapitein-luitenant.
    • Pieter Brouwer (vaandrig) naar adjudant-luitenant.
    • Christoffel Claasz. (vaandrig van de ambachtslieden) mocht in zijn huidige rang blijven, omdat hij al jaren in het vaderland bij het leger had gediend.
  • De vaandrig Jan Christiaan Mijnke en de soldaat Hendrik Niel Loon moesten vanuit Kartasoera naar Soerabaja worden gestuurd om het bataljon daar te versterken. Samen met de eerder vertrokken vaandrig Jürgen Otto Pondorp zouden zij het aantal officieren op drie brengen.
  • De kapitein van de artillerie, Frederik Cunes, moest een lijst maken met:
    • het aantal kanonniers, bombardiers, wachtmeesters, matrozen en hulpkrachten dat op elk kantoor nodig was;
    • hoeveel hij kon missen, zodat overtollig personeel naar Javas Oostkust of Calcutta gestuurd kon worden.
  • Korporaal Andries Fransz. van Greef vroeg om eervol ontslag uit dienst bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) vanwege zijn lange diensttijd. Hij wilde in Samarang blijven om zijn vak uit te oefenen.
Bij de brief zat een bijlage van 11 september 1743 uit Samarang, waarin P.S. Brenger meldde dat hij 2001 peperduiten (munten) had ontvangen, ter waarde van 450 rijksdaalders en 10 stuivers. Deze werden met het schip meegezonden naar Batavia, samen met drie Arabische gevangenen: Said Alowie, Absie Arabie van Jaman en Hadji Mohamat van Mataram, die in ketens waren geslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 7847 / 0166  


Op 8 mei 1692 verschenen voor notaris Jacob Jacobz het echtpaar Pieter Hustardt en Elisabeth de Moucheron in goede gezondheid en met heldere geest. Ze maakten een codicil (een soort testament) om duidelijk vast te leggen wie hun zaken zou regelen na hun overlijden. Ze sloten uitdrukkelijk uit dat:
  • de weesmeesters (toezichthouders op wezen) of de weeskamer (instantie voor wezen) van Amsterdam (of waar ze ook zouden wonen) zich zouden bemoeien met hun nalatenschap, kinderen of bezittingen;
  • andere rechters of instanties enige zeggenschap zouden krijgen over hun erfenis of voogdij over hun kinderen;
  • er een officiële boedelinventaris (lijst van bezittingen) zou worden opgemaakt of dat er toezicht zou komen op hun nalatenschap.
Ze wilden niet dat er kosten gemaakt zouden worden voor extra onderzoek of administratie. De langstlevende partner zou zelf de volledige voogdij en controle krijgen over de kinderen, hun nakomelingen en alle bezittingen. Als de langstlevende later zou hertrouwen of alleen zou blijven, zou deze regeling gewoon blijven gelden. Ook na het overlijden van de langstlevende zou degene die door hen was aangewezen (bijvoorbeeld een vertrouwd persoon) de voogdij en het beheer over de nalatenschap krijgen. Dit alles gold ondanks eventuele bestaande wetten of regels die hiermee in strijd waren – die verklaarden ze hiermee ongeldig voor hun situatie.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937301 / 274  


Op 26 april 1634 verscheen voor notaris Jacob Jacobs in Amsterdam: Beide waren helder van geest en bevestigden hun eerder gemaakte gezamenlijke testament van 29 maart 1626 als een soort aanvulling (codicil). Ze wilden dit testament versterken, verbeteren of waar nodig aanpassen. Daarnaast wijzigden ze hun keuze voor voogden: Mocht een van de gekozen voogden (Jacques of Moucheron) weigeren of overlijden, dan gaven ze elkaar toestemming om een geschikte vervanger te kiezen. Deze persoon kreeg dan dezelfde taak.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937279 / 488  


Op 1 november 1842 sloten Hanne Lefferts Nieuwendijk (zonder vast beroep) en Steven Berends Boersma (scheepstimmerman en knecht), beide wonend in Meppel, een koopcontract af bij notaris Warmold Lundingh Tonckens. Hanne Nieuwendijk verkocht aan Steven Boersma een stuk land (een "hof") met een zomerhuisje. Dit perceel lag aan het zuidelijk einde van Meppel, in de buurt Loogenaam de Gastunisgoven. De grenzen waren: Bij de koop hoorde ook het recht om met een ermwagen (soort kar) over het land van Jan Gerrits Kraak te rijden, langs diens huis tot aan het water. Het perceel stond geregistreerd in de kadasterlegger van Meppel als sectie R, nummer 973, met een grootte van 7 weder (oude oppervlaktemaat). Het land werd verkocht met alle rechten, plichten, lasten en waterafvoerregels die erbij hoorden. Hanne Nieuwendijk had het perceel eerder gekocht van Nicolaas van Veen en Arend de Vrieze op 16 april 1830, wat was vastgelegd in een privé-akte. Deze akte was geregistreerd in Meppel op 8 juli 1830 (kosten: 31 gulden en 32 cent). Er was niets achtergehouden of extra toegevoegd aan de verkoop. Steven Boersma nam het gekochte land direct na het tekenen van de akte in bezit, inclusief alle lokale en landelijke belastingen.
Bekijk transcriptie NL-AsnDA / 0114.54 / 20 / 0014  


Op 21 januari 1623 deden Isaack Tristeijn en Jacob Tristeijn, als voogden van de minderjarige Jan Danielsz (zoon van de overleden Daniel Henricksz en Anneken Jans, die ook erfgenaam was van Maritgen Jansz en Pieter Jansz Hoogenboom), een verzoek aan de magistraten van Gouda.

  • De andere erfgenamen wilden een stuk land met huis, schuur en ongeveer 22 morgen (14 + 8) in Steyn en Sluipick openbaar verkopen.
  • Jan Danielsz had recht op een veertiende deel, maar dit kleine aandeel was onpraktisch om te houden of apart te verkopen. Ook was er geen huurder te vinden.
  • Volgens de regels moest de minderheid (hier: Jan Danielsz) meegaan met de meerderheid, maar voor een verkoop van zijn deel was toestemming nodig.

De weesmeesters (onder wie Maerten Pietersz Verwerff, Pieter Fransz, Aert Gysbrechtsz Hoogenberch) adviseerden op 19 januari 1623 dat de magistraten de verkoop mochten goedkeuren, mits:

  • De verkoop openbaar gebeurde.
  • De magistraten het definitief goedkeurden.

De magistraten (met Willem Jacobsz Starck, deurwaarder, en zijn kinderen Jan Willemsz en Tryntgen Willemsdr) stemden in op 25 januari 1623, onder dezelfde voorwaarden. Ook een tweede verzoek (van Cornelis Pebersz) werd goedgekeurd, maar een deel voor Witte Sliede werd gewijzigd en een verzoek voor Tryden mitte magen afgewezen.

Redenen voor verkoop:

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 197 / Requestboek / 1622-1627 / Gda / 0017  


De afgevaardigden kregen de opdracht om alleen de verkoop van deelbare goederen (voor zover die verdeeld konden worden) te regelen. Volgens de instructies mochten zij niet oordelen over andere kwesties, zoals geschillen over het leen Schaesberg. Hierdoor waren de rechters niet bevoegd om verdere beslissingen te nemen, zelfs als daarom werd gevraagd.

De kwestie of Schaesberg een leen was, moest apart worden behandeld door bevoegde rechters in een algemene rechtszaak. Een eerdere beslissing hierover kon de graaf van Schaesberg niet schaden, omdat zulke uitzonderingen niet definitief waren totdat een bevoegde rechter erover oordeelde.

De goederen van Schaesberg waren inderdaad een leen onder de leenhof van Gulik (Juliers). Volgens de wetten en gewoonten van dat gebied moesten zaken over successie en dergelijke daar worden behandeld. De eerdere beslissing over de verdeling van het kasteel Schaesberg was dus ongeldig, omdat:

  • de rechtbank van Limburg hier niet over mocht oordelen;
  • de rechtbank niet bevoegd was voor lenen zoals Schaesberg;
  • de partijen zich niet aan de beslissing hielden (en dat mochten ze, omdat deze onterecht was genomen).

Een zaak die al voor de hoogste rechtbank van Brabant liep, kon niet zomaar naar een andere rechtbank worden verplaatst. Bovendien kon een beslissing van gedelegeerde rechters nooit als definitief worden gezien, omdat hun bevoegdheid beperkt was. Voor een geldige uitspraak was instemming van beide partijen nodig – maar die was er niet, omdat de graaf van Schaesberg bezwaar had gemaakt (26 november 1747).

Uit een verklaring van de hertog van Gulik (2 mei 1799) bleek dat de vermeende verdeling nooit was goedgekeurd. Ook in een verzoek aan de regering in Brussel (23 mei 1799) werd de eerdere uitspraak niet genoemd. Hieruit bleek dat de verdeling alleen gold voor vrije goederen (allodiale goederen), niet voor de lenen van Gulik.

Bovendien hadden de partijen na de uitspraak zelf een minnelijke regeling getroffen buiten de rechtbank om. Hierdoor verviel niet alleen de eerdere beslissing, maar ook de zaak die bij de Raad van Brabant liep. De huidige heer van Schaesberg had nooit ingestemd met een verdeling van de lenen onder Gulik.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11643 / 0154  


Op 23 januari 1792 ontvingen de Staten-Generaal in Brussel het verzoek om namens de koning rechtvaardigheid en vriendschap te eisen van hogere machten in een zaak die belangrijk was voor zijn dienst. Ze besloten te wachten op een rapport van heer Hop en stuurden een kopie van zijn aantekeningen en bijlagen naar heer van Heerkens tot Zuns en andere afgevaardigden voor buitenlandse zaken, om de zaak te onderzoeken en verslag uit te brengen.

De zaak ging over Maria Edilia, barones van Wassenaar Warmond (geboren als barones de Steiners), weduwe van Jan Joseph Bazor van Wassenaar en inwoner van Maastricht. Zij verklaarde:

  • Zij en haar overleden man bezaten samen al drie twaalfde van het kasteel, heerlijkheid en landgoed van Schaesberg (in het land van Valkenburg).
  • Zij hadden later nog eens twee twaalfde gekocht van baron van Bourscheid de Merode, waardoor zij in totaal vijf twaalfde bezaten.
  • Om haar eigendom veilig te stellen, had zij een vrijwillige leenrechtelijke zuivering (een juridische bevestiging van eigendom) aangevraagd bij de leenhof van Valkenburg, onder gezag van de Staten-Generaal.
  • Na het overlijden van haar man zette zij deze procedure alleen voort.

De graaf van Schaesberg, wonend in de rijksstad Aken, protesteerde hiertegen. Hij:

  • Eiste dat de zaak niet bij de leenhof van Valkenburg hoorde, maar bij een andere leenhof waar Schaesberg volgens hem onder viel.
  • Claimde dat Schaesberg nooit onder Valkenburg had gevallen en dat de twee twaalfde die barones van Wassenaar van baron de Bourscheid had gekocht, eigenlijk van waren.
  • Legde later schriftelijk uit dat Schaesberg een onderguliks leen (een leen onder een hogere heer) was en altijd onder de manhof van Anseldorp had gevallen.

Hierdoor moest barones van Wassenaar bewijzen dat Schaesberg wél onder Valkenburg viel. Zij deed dit met:

  • Vonnissen van rechters van de keizer en koning (als graaf van Valkenburg), uitgesproken vóór 1785 (toen Schaesberg onder Nederlands gezag kwam via het Verdrag van Fontainebleau).
  • Een definitief vonnis van de leenhof van Valkenburg op 8 juli 1791, bevestigd op 9 juli 1791, dat Schaesberg indertijd onder Valkenburg viel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3659 / 0180  


  • Op 5 juni 1654 luisterden de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden naar een rapport van de heren van Raesfelt en andere afgevaardigden van Prinses Amalia van Solms (de "Hoog Mogende Prinses Moeder"). Het ging over de verlenging van een octrooi (vergunning) voor de bedijking van Woensdrecht, dat in 1650 was verleend maar in 1651 was uitgevoerd. De inwoners van Woensdrecht hadden hier op 5 juni 1654 om gevraagd namens Prinses van Hollern (een octrooivrouw) en de belangrijkste inwoners. De Staten-Generaal besloten het octrooi te verlengen vanaf de oorspronkelijke datum (13 december 1650).
  • Op dezelfde dag werd professor Moris bedankt voor zijn vertaling (van Latijn naar Frans) van het vredesverdrag met de Republiek Engeland. Daarna werd een verzoek van Resident de Groot behandeld: hij wilde dat de Staten-Generaal de Protector van Engeland (Oliver Cromwell) zouden vragen om de goederen van kolonel Craven vrij te geven van confiscatie (inbeslagname). Ook moesten de Nederlandse ambassadeurs in Engeland hierbij helpen. Dit verzoek werd goedgekeurd.
  • De afgevaardigden van Friesland en Stad en Lande (Groningen) herhaalden een eerder voorstel om 200 Carolusgulden (een geldbedrag) toe te kennen, waarvoor een betalingsopdracht zou worden verstuurd.
  • Op 10 juni 1654 lazen de Staten-Generaal een klacht van het bestuur van Aardenburg. Ze beschuldigden Jan Ellieul (penningmeester) en Anthonis de Munck (een ambtenaar van de Isabellespolder) van het verstoren van hun rechtmatige bezit van landerijen van de stad. De zaak werd doorgestuurd naar de afgevaardigden die naar Vlaanderen gingen, met de opdracht om ter plekke een definitieve oplossing te vinden.
  • Er was een rechtszaak tussen Sigismundus Limmer (een plaatsvervangend baljuw van Hulsterambacht) en Cornelis Betinck (een rijsschipper). Limmer had een reactie ingediend, die nu aan Betinck werd gegeven om daarop te reageren.
  • Vrijheer van Schaesborgh klaagde dat de pachter van zijn hof in Benssenrade (onder Heerle, Land van Valkenburg) door rentmeester Padborch was gedwongen om 40 vaten haver te betalen. Dit kwam door een oude stichting (een nisse, een soort religieuze verplichting) die oorspronkelijk bij een huis in Benssenrade hoorde, maar door verval was overgegaan naar Schaesborgh. Padborch claimde dat de kapel van Welten (bij Heerle) hier recht op had. De Staten-Generaal gaven Padborch 14 dagen om hierop te reageren.
  • Advocaten die werkten voor de Chambre Mi-partie (een rechtscollege) hadden stukken nodig over het klooster van Huijbergen voor een zaak. Ze vroegen om:
    • Een gedetailleerde kaart van Huijbergen (dorp en klooster).
    • Een officiële kopie van de akte waarbij het Land van Bergen op Zoom een markizaat (adellijk gebied) werd.
    De kaart lag bij de griffie (administratie) van de Staten-Generaal; rentmeester Turck moest de kopie van de akte regelen als die niet bij de griffie lag. De Raad van State en de Rekenkamer van de Generaliteit (financiële instanties) moesten ook toegang geven tot relevante stukken. Dit verzoek werd goedgekeurd.
  • Op 11 juni 1654 werden de besluiten van 10 juni bevestigd en werden de bijbehorende brieven en opdrachten verzonden.
  • Op 9 juni 1654 ontvingen de Staten-Generaal een verzoek van het College ter Admiraliteit van het Noorderkwartier (in Hoorn). Zij wilden dat het nieuwe schip van viceadmiraal Pieter Floriss zou worden ingezet om de scheepvaart en handel te beschermen in de Baai van Frankrijk (het Kanaal) of elders. De afgevaardigden van Holland vroegen een kopie van deze brief, wat werd toegestaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3260 / 0508  


De Staten-Generaal bespraken verschillende zaken en namen daarover beslissingen:

  • Professor Moris kreeg 200 Carolusguldens als beloning voor het vertalen van een vredesverdrag met de Republiek Engeland van het Latijn naar het Frans.
  • De klacht van het bestuur van Aardenburg over Jan Ellieul (een penningmeester) en Antonis de Munck (een ambtenaar van de Isabellepolder) werd doorgestuurd naar de Gedeputeerden die naar Vlaanderen gingen. Zij moesten ter plekke de zaak onderzoeken en definitief oplossen.
  • In een rechtszaak tussen Sigismundus Limmer (een vervanger van de baljuw van Hulsterambacht) en Cornelis Betijnck (een rijnschipper) werd besloten dat Betijnck een tegenreactie (dupliceren) mocht geven.
  • Een pachter van het landgoed Beussenrade (bij Heerle, Land van Valkenburg) was door rentmeester Padborch opgeroepen om 40 vaten haver te betalen. Dit kwam door een oude regel over wekelijkse missen in een kapel die niet meer bestond. De Staten vroegen Padborch om binnen 14 dagen een verklaring te geven.
  • Advocaten die werkten voor de Raad van State en de Chambre Mi-partie (een rechtscollege) hadden een gedetailleerde kaart en een officiële kopie nodig van de oprichtingsakte van het Land van Bergen op Zoom als markizaat. Ze vroegen de Staten om rentmeester Turck opdracht te geven deze documenten te leveren. De Staten stemden hiermee in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3216 / 0453  


  • Op 8 juli 1634 hielden de Staten-Generaal een vergadering onder leiding van Ripperda. Aanwezig waren onder anderen Rantwyck, Bemmel, Noortwyck, Oetgens, Nobel, Pauw, Beaumont Weede, Swartsenburg, Staackmans, Ter Culen en Schaffer.
  • Er werd besproken of er een algemene vasten- en biddag moest worden uitgeschreven. Holland wilde hier eerst over nadenken.
  • De Ridders van Malta vroegen vrijstelling van belastingen over hun bezittingen in Vlaanderen. De Staten beslisten hierover advies te vragen aan de Raad van State.
  • De Gedeputeerden te Velde (afgevaardigden bij het leger) stuurden vanuit Nijmegen een brief met een melding, maar hier werd geen besluit over genomen.
  • De Ontvanger-Generaal Doublet kreeg toestemming om 18.000 of 19.000 gulden in munten of via wisselbrieven naar Roermond te sturen, zoals eerder op 30 juni 1634 was besloten.
  • De weduwe van Philips Gercy moest zich wenden tot de rechtbank voor haar verzoek.
  • De ondergedoken pastoor Wilhelmus Georgy Sekel uit Drieën kreeg toestemming om een verzoek in te dienen bij de regering van Keurvorst Brandenburg, om zijn functie terug te krijgen.
  • Er werd besloten dat op 2 augustus 1634 een vasten- en biddag zou worden gehouden in alle gewesten en gebieden die daar onder vielen.
  • De agent Isacq Antonie Lus uit Luik kreeg een subsidie van 250 gulden.
  • Inwoners uit het Kempenland (onder 's-Hertogenbosch) vroegen toestemming om 20 paarden uit te voeren. De Staten wilden eerst weten wie deze inwoners precies waren.
  • De Staten van Utrecht reageerden op een brief over 5 soorten munten (specie), maar hier werd geen besluit over genomen.
  • Albert Sonck werd benoemd om in de Rekenkamer van de Generaliteit de plaats in te nemen van Brunincx. Hij legde de eed af.
  • De weduwe Belderbusch vroeg om dezelfde vrijstelling als een zekere Schaesberch (een ambtenaar uit Brugge in Gulik), die vrijgesteld was van strafmaatregelen. De Staten wilden eerst oude stukken hierover bekijken.
  • Het verzoek van Jaques Gysbrechts (over een wisselbrief) werd goedgekeurd, mits er rekening werd gehouden met wat hem niet toekwam.
  • Augustijn Philips en zijn compagnon kregen toestemming voor een civiele procedure in Zeeland, waarbij ze onder ede getuigen mochten oproepen.
  • Lous Saulmon kreeg toestemming om de naam Jan Muller toe te voegen aan een eerder verleende vergunning.
  • Het oude regiment van Baron van Gent klaagde over achterstallige betalingen door de regering van Brandenburg. De Staten zouden hierover praten met de afgevaardigden van Brandenburg.
  • De declaratie van agent Bilderbeeck (van 1 januari 1633 tot 31 december 1633) werd goedgekeurd voor een bedrag van 1348 gulden en 15 stuivers. Hierop zou een betalingsopdracht worden afgegeven.
  • Hendrick Sebrechts van Osch (uit 's-Hertogenbosch) kreeg toestemming om 4 paarden uit te voeren, mits hij belasting betaalde en borg stond.
  • Een zekere uitvinder wilde zijn nieuwe uitvinding (van 10 juli 1634) niet bekendmaken, tenzij hij de algemene leiding kreeg als zijn uitvinding zou worden aangenomen. De Staten stemden hiermee in.
  • Van Swarsenburch kreeg de opdracht om naar Friesland te gaan en de Staten van Friesland te vragen om:
    • het resterende deel van de eerste 500.000 gulden van het miljoen voor legerkosten voor dat jaar te betalen;
    • voorschieten van één maand soldij voor de troepen die nu in dienst waren.
  • De griffier Musch kreeg een vrijgeleide om een kamertapijt uit Vlaanderen te halen.
  • Er kwam een brief uit Bayonne (van Lodow. Versen, 29 juni 1634) over een Spaanse vloot die koopvaarders in Biskaje aanviel. De Staten besloten de Admiraliteitscolleges hierover te waarschuwen, zodat ze maatregelen konden nemen.
  • De heren Eck en Jaersvelt (raden bij de Admiraliteit van de Maze in Amsterdam) vroegen betaling van ongeveer 75.000 gulden voor loonkosten en soldij van officieren en matrozen op oorlogsschepen. Doublet kreeg opdracht dit uit de inkomsten van de Generaliteit te betalen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3193 / 0365  


  • Op 8 februari 1744 schrijft M. de Swart uit Sint-Petersburg dat een veldmaarschalk naar een ongenoemde locatie zal komen om daar het bestuur over te nemen. Tot die tijd wordt het bestuur waargenomen door generaal-luitenant Vorst Repnin.
  • Op 25 februari 1744 schrijft M. van Lansberge uit Keulen:
    • De ijsgang op de Moezel begon op zaterdagavond 23 februari rond 1 uur 's nachts en duurde de hele zondag, maar nam tegen de avond af. De Bovenrijn en de Nederrijn bij Rijnberg zitten nog vast, met veel ijsophoping.
    • De komeet die sinds 14 december 1743 zichtbaar was, wordt nu zwakker. Eerst verscheen deze in het zuiden met een staart richting zuid; nu komt deze op in het westen met de staart naar het noorden.
    • In Bonn is de Keulse Landdag geopend. Er was sprake van een gemaskerd bal door de keurvorst, maar het is onbekend of dit doorging. Ook Graaf van Schaesberg zou in Düsseldorf een bal geven, waar Prinses van Nassau-Siegen en Gravin van Ingenheim voor verwacht werden.
    • Men vraagt zich in Düsseldorf af waarom het hof van Wenen geen verzoeken heeft gestuurd aan de hoven van Berlijn en Mannheim om de doortocht van Aartshertogin Maria Theresia van Oostenrijk en Prins Karel van Lotharingen te vergemakkelijken. Hun route loopt via Driesburg, Dortmund, en Düsseldorf, mogelijk om het keizerlijke garnizoen in Duitsburg te vermijden.
    • De keurvorst van de Palts ontdekte dat er in zijn gebieden Gulik en Berg meer landerijen waren dan in de belastingregisters stonden. Hij liet een onderzoek doen en eist nu achterstallige belastingen. Sommige gemeenten in Lülsdorf (in Berg) weigeren te betalen, waarna de keurvorst dreigt met militaire dwang.
    • Op 13 februari 1744 werd gemeld dat er een militaire eenheid uit Düsseldorf zou vertrekken om de weigerachtige gemeenten te dwingen, maar het is onbekend of dit is gebeurd.
    • De troepen van de Palts die uit Beieren kwamen, staan nog in veldtenue, wat in Düsseldorf doet vermoeden dat het hof van Mannheim niet neutraal zal blijven. Deze troepen zullen zich bij het "neutraliteitsleger" voegen.
    • Officieren van infanterie en cavalerie kregen opdracht hun compagnieën aan te vullen en nieuwe paarden te kopen om oude, onbruikbare paarden te vervangen.
    • In Neuss (met een garnizoen uit Hannover) neemt de commandant strenge maatregelen: verdubbeling van wachten op de wallen en nachtelijke patrouilles van 8 tot 10 man buiten de stad, mogelijk om desertie tegen te gaan.
  • Op 22 februari 1744 schrijft L. van Marteville uit Berlijn:
    • De koning keerde op 19 februari terug uit Potsdam naar Berlijn, ontving buitenlandse gezanten en dineerde met de koningin-moeder. Hij bezocht een Franse komedie en vertrok de volgende ochtend naar Rheinsberg, om daarna terug te keren naar Potsdam.
    • Baron van Cender vertrok als Pruisisch gezant naar Stettin (nu Szczecin). Keller, de gezant van Württemberg, zal binnenkort naar zijn landgoederen in Saksen reizen. Er gaan geruchten dat Markgraaf Karel van Brandenburg incognito zal reizen, maar dit is niet bevestigd.
    • Lord Tyrconnel reisde via Dresden naar Sint-Petersburg, zonder Berlijn aan te doen. Zijn secretaris was al eerder vertrokken om hem in Petersburg op te wachten.
    • Het huwelijk van de dochter van Prinses van Anhalt-Zerbst met de Russische troonopvolger is bevestigd. Zij vertrekt met een gevolg van dames en een kamerheer naar Moskou. Er wordt gespeculeerd dat Wenen hierbij betrokken is.
    • Er is niets meer gehoord over een huwelijk tussen de Zweedse kroonprins en een prinses uit het Pruisische huis.
    • Veldmaarschalk Graaf von Seckendorff heeft een persoonlijke brief van de keizer aan de Pruisische koning overhandigd. Hij probeerde ook steun te krijgen voor het "neutraliteitsleger", maar zonder succes in Berlijn en Dresden. De Beierse partij ontkent dat hij een officiële opdracht van de keizer had.
    • Baron von Morbach, kamerheer van de koning van Polen, is in Berlijn aangekomen en zal binnenkort naar Koerland (nu deel van Letland) reizen.
  • Op 15 februari 1744 schrijft Marteville opnieuw uit Berlijn:
    • Er werd gevraagd of de Republiek ooit bereid zou zijn de soevereiniteit over Montfort te verkopen. Het antwoord was dat dit onwaarschijnlijk is.
    • Het huwelijk van de Zweedse kroonprins met een prinses uit het Pruisische huis lijkt van de baan. Volgens geruchten is de keuze nu gevallen op een prinses uit Kassel. Als dit huwelijk niet doorgaat, zal de koning van Zweden mogelijk voor de rest van zijn leven in Kassel verblijven.
    • De Oostenrijkse generaal Schmersing heeft besloten niet in Pruisische dienst te treden. De werving van soldaten gaat door.
    • Saksen eist volgens het kartel (afspraak over gevangenenruil) 60 tot 70 man terug, en Hannover 22 man, die gevangen zijn genomen in Meklenburg. Geld dat huzarenofficieren daar bij executies hadden afgepakt, moest worden teruggegeven aan de regimentskas.
    • De Pruisische gezant in Wenen, Graaf von Dohna, meldde dat de Venetiaanse gezant Capello een paspoort had gekregen voor zichzelf en zijn bagage, die de Rijn af zou reizen. De Pruisische koning beval echter dit paspoort niet te respecteren en tol te heffen, als vergelding voor het gebrek aan respect van Venetië voor Pruisen. Er zouden ook problemen zijn geweest met werving op Venetiaans gebied.
    • Eenzelfde bevel gold voor de paarden die Prins Karel van Lotharingen zou gebruiken voor zijn reis naar Brussel, hoewel zijn vertrek uitgesteld lijkt. Hij zal waarschijnlijk het leger aan de Rijn blijven leidinggeven, samen met de generaals Wallis en Königsegg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12089 / 0136  


Resident Lansberge schreef op 25 februari 1744 een brief aan de Hoog Mogende Heren (de leiders van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) met nieuws uit Keulen en omgeving. Hier volgt een samenvatting van zijn verslag:
  • Lansberge verontschuldigde zich dat hij minder vaak schreef, omdat er weinig nieuws was.
  • De hertog van Arenberg was op vrijdag 22 februari 1744 door Keulen gereisd op weg naar Brussel, na een reis van 7 dagen vanuit Wenen.
  • In de nacht van zaterdag 23 februari op zondag 24 februari 1744 werd in Keulen het gebruikelijke teken gegeven (een kanonschot) dat het ijs op de Moezel begon te breken. Dit duurde de hele zondag, maar stopte tegen de avond. De Boven-Rijn en de Neder-Rijn bij Rijnberg waren nog bevroren, met veel ijsophoping.
  • De komeet die sinds 14 december 1743 zichtbaar was en steeds helderder werd, leek nu te verdwijnen. Lansberge zag hem de avond ervoor nog maar een half uur. Eerst verscheen de komeet in het zuidwesten met zijn staart naar het zuiden, maar nu kwam hij op in het westen met zijn staart naar het noorden.
  • Op 24 februari 1744 opende de Keulse Landdag in Bonn. Er werd gesproken over een gemaskerd bal dat de keurvorst (de vorst die de keizer mocht kiezen) daar twee dagen eerder zou geven, maar Lansberge wist niet of het doorging. Ook de graaf van Schaesberg gaf een bal in Düsseldorf, waar de prinses van Nassau-Siegen en de gravin van Ingenheim uit Keulen voor uitgenodigd waren.
  • In Düsseldorf was men verbaasd dat het hof van Wenen nog geen officiële verzoeken (requisities) had gestuurd naar de hoven van Berlijn en Mannheim om de doortocht van de aartsherogin van Oostenrijk en prins Karel van Lotharingen te vergemakkelijken. Hun route was veranderd van Duisburg naar Dorsten en vervolgens direct naar Düsseldorf, mogelijk omdat er keizerlijke troepen in Duisburg lagen.
  • De keurvorst van Beieren (ook wel keurvorst van de Palts genoemd) had ontdekt dat er in zijn gebieden Gulik en Berg meer landerijen waren dan in de belastingregisters stonden. Hij eiste nu de achterstallige belastingen op. Sommige gemeenten in het amt Culsdorf (in Berg) wilden hier niet aan meewerken. De keurvorst wilde hen met militaire dwang laten gehoorzamen. Op 13 februari 1744 hoorde Lansberge dat er een commando uit Düsseldorf zou vertrekken om dit af te dwingen, maar hij wist niet of dit al gebeurd was.
  • Omdat de troepen van de keurvorst van Beieren, die uit Beieren waren gekomen, nog op oorlogssterkte waren, dacht men in Düsseldorf dat het hof van Mannheim niet neutraal zou blijven. Ze zouden hun troepen bij het Neutraliteitsleger voegen, een leger dat officieel neutraal was maar toch als bedreiging werd gezien.
  • Officieren van de infanterie hadden opdracht gekregen hun compagnieën aan te vullen, en cavaleristen moesten nieuwe paarden kopen om verlies te vervangen.
  • In Neuss, waar Hannoveraanse troepen lagen, nam de commandant extra maatregelen: hij verdubbelde de wachten op de stadswallen en liet 's nachts patrouilles van 8 tot 10 man lopen. Men dacht dat dit was om desertie (weglopen van soldaten) te voorkomen.
Lansberge schreef ook op 2 maart 1744 een korte update:
  • De Boven-Rijn was nog bevroren, en volgens sommigen ook de Rijn bij Rijnberg, maar anderen ontkenden dat. Lansberge kon het niet bevestigen.
  • In Keulen werd sterk propaganda gemaakt voor de keizer, met redelijk succes.
  • Het gerucht dat de nuntius Crivelli (pauselijk gezant) naar Polen zou gaan en opgevolgd zou worden door iemand genaamd Tatta, klopte niet. Crivelli ging naar Brussel, en zijn opvolger heette Spinola. Vanuit Brussel kon Crivelli makkelijker kardinaal worden dan vanuit Keulen of Venetië.
  • Enkele dagen eerder was in Bonn een tragedie (waarschijnlijk Zaire) opgevoerd, waarin de keurvorst zelf meespeelde. Omdat de graaf van Sade afwezig was, nam de graaf van Cobenzel zijn rol over.
  • Nu de festiviteiten in Bonn voorbij waren, zou Lansberge daar de volgende dag naartoe gaan.
  • Op 26 februari 1744 (dinsdag) kwam er in Düsseldorf een koerier met kopieën van de verzoeken die Wenen alsnog aan Mannheim had gestuurd voor de doortocht van de aartsherogin en prins Karel. Zij zouden rond 15 maart 1744 in Düsseldorf aankomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11368 / 0091  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/