Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 4 mei 1741 bevestigde Joan Nilant, waarnemend rechter in Oldenzaal, dat J.C. Nagel en zijn vrouw Maria Sibilla van Eijbergen (als zijn echtgenote en voogd voor Dr. G.H. Heir en diens vrouw Jonnedonia Hunevelt) een stuk land genaamd Telgenkamp hadden verkocht. Dit land lag bij het erve Stoepel in het boerschap Dulder onder het gericht van Oldenzaal. De koper was de weduwe van Henrick Jurriaan Bussemaker en haar erfgenamen. De koopsom was 160 Carolusguldens, die direct betaald werd. De verkopers beloofden dat de koper het land zonder problemen kon gebruiken en dat ze geen rechten meer op het land hadden.

Op 28 mei 1741 bevestigde Joan Nilant opnieuw dat Willem Moesel uit Geesteren (namens zijn vrouw) een stuk land genaamd Stege Berentskamp in Haaksbergen had verkocht aan Harm Wessels. De koopsom was al betaald, en Moesel droeg het land officieel over zonder enige rechten te behouden.

Op 22 mei 1741 verklaarde Berent Jan ter Schiphorst uit Denekamp (namens zichzelf en zijn afwezige vrouw Aaltjen Herick) dat hij een stuk land genaamd Dodencamp in Boninge (met bijbehorende weide Averskamp en kamp Hogenrade) had verkocht aan Jan Braakman en Engele Maldereren. Het land was vrij van belastingen, en de koopsom was al betaald. Het land werd officieel overgedragen zonder verdere rechten.

Op 23 mei 1741 bevestigde Jan Braakman en zijn vrouw Engele Maldereren dat zij een deel van Dodencamp in Boninge hadden verkocht aan Gerrit Wegters en Lambert Ballers. Het land was vrij van belastingen, en de koopsom was al ontvangen. Ook hier werd het land officieel overgedragen zonder verdere rechten.

Op 23 mei 1771 (30 jaar later) bevestigde Joan Nilant opnieuw een verkoop: Jan Braakman en zijn vrouw Engele Maldereren hadden een deel van Dodencamp verkocht aan Gerrit Wegters en Lambert Ballers. De koopsom was betaald, en het land werd definitief overgedragen.

Bekijk transcriptie 


Op 22 december 1920 gingen de volgende personen naar het rechtsgebouw in Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer: Hendrik de Ron was benoemd en beëdigd als voogd door kantonrechter Ten Bokkel Kuinink op 1 november 1917. Hij vertegenwoordigde de belangen van de kinderen, omdat die botsen met die van hun vader. Deze akte was een kopie van een eerdere akte, aangevraagd door mevrouw Benit (een schuldeiser) op 5 maart 1921. De kosten waren:
Bekijk transcriptie 


Henricus Cranendoncq, een predikant in Spanbroek en Opmeer, en zijn vrouw Alida Catharina O'Brenan regelden een transport (een officiële overeenkomst) met nummer 103. Zij deden dit voor Jacobus Dico, waarschijnlijk om hem een voordeel of recht te geven.
Bekijk transcriptie 


Op 21 maart 1720 gingen Harmen Janse Luttickhuijs en zijn vrouw Trijntje Egberts ten Hove naar notaris Jan van Dijk in Haarlem. Ze woonden zelf in Appeldoorn. Harmen sprak namens drie partijen: Harmen en Trijntje gaven aan de notaris de volgende volmacht: Ze benoemden Hendrik Jacobsz Orgel, Reijnier Albertsz (een zoon van Harmen) en Harmensz Luttickhuijs (een andere zoon) als hun officieel gemachtigde vertegenwoordigers. Deze drie mochten samen met Cornelis de van der Holen, Mozes van Hulkenroij en Albert van Harmensz Luttickhuijs de boedelinventaris opmaken van de nalatenschappen van Hendrik ten Hove en Gerritje Alberts Luttickhuijs.
Bekijk transcriptie 


Op 8 maart 1624 legde een getuige een verklaring af in Amsterdam voor de makelaars Jan Claes en Willem Martens. De notaris Jok Willem Cluyt noteerde later die dag een conflict over een wisselbrief.

De broers Gaspar en Jan Vinckevoort, kooplieden in Amsterdam, eisten samen met Coenraet Momboirs (ook koopman) betaling van een vervallen wisselbrief. Deze was op 12 maart 1624 getekend en had een waarde van 171 pond, 12 schellingen en 6 penningen (£37-12). Coenraet Momboirs beloofde de schuld over twee dagen te voldoen.

De notaris protesteerde namens de Vinckevoorts tegen deze vertraging. Hij eiste:

De notaris zou deze eisen later verhalen op Coenraet Momboirs en andere betrokkenen.

Coenraet Momboirs verdedigde zich met de volgende argumenten:

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Conraed Jansz, ook bekend als Jacob de Winter, een 16-jarige jongeman uit Amsterdam, maakt op 9 december 1679 zijn testament voor notaris. Hij is van plan om als bootsgezel met het schip Groot Es Siatte naar Oost-Indië te vertrekken in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), kamer Amsterdam. Hij benoemt in zijn testament: Zijn erfgenamen mogen vrij over de goederen beschikken, zonder dat ze daarvoor toestemming van een rechter nodig hebben. Ze kunnen ermee doen wat ze willen, alsof het hun eigen bezit is. Het testament is opgesteld in het huis van Maijcke Mombersdr in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Johannes Boots en Gerrit Blijdenbergh. Conraed benadrukt dat dit zijn laatste wil is en dat latere aanpassingen alleen geldig zijn als ze expliciet als zodanig worden genoemd. Ook zonder juridische formaliteiten moet dit testament gerespecteerd worden.
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


A. de Jong, een voormalig soldaat uit het leger in Oost-Indië, had 12 jaar onafgebroken gediend. Volgens de regels had hij vanaf 1 september 1885 recht op pensioen. Hij verliet echter al op 20 juni 1885 het Hollandsch Werfdepot en dacht vanaf dat moment recht op pensioen te hebben. Daarom stuurde hij op 28 augustus 1885 een verzoek aan de minister van Koloniën. Hij vroeg of zijn pensioen alsnog in kon gaan vanaf de datum van zijn ontslag, omdat hij sinds die tijd werkloos was. De minister van Koloniën besloot op basis van een reglement uit 24 augustus 1675 dat het verzoek van de Jong niet kon worden goedgekeurd. Zijn pensioen bleef dus ingaan op 1 september 1885.
Bekijk transcriptie 


Op 31 mei 1691 kwamen Catharina Buyck (de vrouw van Cornelis Rademaker) en Frederick Seghman (beide wonend in Amsterdam) bij notaris Dirck van der Groe. Zij verklaarden het volgende:

De verklaring werd opgemaakt en ondertekend in Amsterdam.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Cornelis Melijn kreeg de opdracht om de vlakte landen achter Kol Tappaan (bij het huidige Tappan in New York) en andere gebieden te verkennen. Hij moest onderzoeken of daar geschikte plekken waren om nederzettingen te stichten. Bij zijn onderzoek keek hij naar:

Als de plekken geschikt bleken, zouden er nederzettingen worden gebouwd en zouden veel mensen zich daar vestigen.

De uitrusting en reparatie van het schip voor deze reis kostte ongeveer 5000 gulden. Melijn zou hiervan 2000 gulden betalen. Van dit bedrag werden de kosten voor twee paarden en vier kleine schepen (pincken) afgetrokken, die de heer van Naderhorst zou leveren. Andere noodzakelijke uitgaven zouden later worden verrekend via een schuldbrief. Afgesproken was dat de helft van de winst die uit de expeditie voortkwam (met Gods zegen) naar de heer van Nederhorst zou gaan.

Melijn zou na zijn terugkeer in Nederland weer vertrekken vanuit Amsterdam met een schip vol hout, vachten en bont. Voor de duur van 6 jaar zou hij vervolgens dienstdoen als bestuurder (baillieu) en schout (een soort politierechter) van de nieuwe kolonie, volgens specifieke instructies die hij nog zou ontvangen. De kolonie zou zelfstandig rechtspreken volgens de regels die de West-Indische Compagnie (WIC) had gegeven.

Vrije kolonisten konden een contract krijgen waarbij ze twee paarden, twee koeien en een huis kregen, plus 100 of meer morgens (een oude oppervlaktemaat) land. Hiervoor moesten ze een vijfde deel van hun oogst afstaan en de helft van de opbrengst van hun tuin (bastiael). Na een aantal jaren, als ze hun schuld hadden afbetaald, hoefden ze alleen nog de helft van de tuinopbrengst af te dragen. Voor de teelt van tabak en wijnstokken konden aparte afspraken worden gemaakt, afhankelijk van wat het meest voordelig was.

Beide partijen beloofden zich aan deze afspraken te houden en vroegen om een officiële akte, opgesteld door een notaris in de sterkste en bindendste vorm. Dit werd bevestigd op onbekende datum.

Bekijk transcriptie 


Op 5 november 1614 verschenen voor Jeurian de Ves, een beëdigd notaris van het Hof van Holland in Amsterdam, twee getuigen: Simon Torm en Mauritius Waterkamp, beide juweliers in de stad. Zij werden gevraagd om een verklaring af te leggen in opdracht van Cornelis van Mek en Isaak Melijn, kooplieden en voogden van de kinderen en erfgenamen van de overleden Agatha Bellaart, weduwe van Simon Sloot (die in zijn leven majoor was in Batavia, Oost-Indië). De getuigen bevestigden onder ede dat in het najaar van 1670 (de exacte datum konden ze niet meer herinneren) zij waren uitgenodigd: Zij moesten naar het huis van Isaak Melijn komen om daar, samen met andere aanwezigen, ruwe diamanten te bekijken en te beoordelen. Deze diamanten waren eigendom van de weeskinderen waarvan Cornelis van Mek en Isaak Melijn de voogden waren. Bij de lange tafel in het huis van Melijn waren ook aanwezig: Er werden verschillende bundels met ruwe diamanten op tafel gelegd, zowel door de Regten als door Egmont en Helt. De bundels waren goed verzegeld en voorzien van een stempel. De diamanten uit elke bundel werden geteld en gewogen om te controleren of alles klopte.
Bekijk transcriptie 


Cornelis Melijn doet namens Pieter Verlet een officiële aankondiging. Hij handelt hierbij als gemachtigde van jonkheer Frederik van der Capelle, heer van Boelhoff en executeur (uitvoerder) van het testament van de overleden Hendrik van der Capelle, die in zijn leven heer was van Esselt en Hasselt en lid was van de Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Eerder, op 8 en 10 augustus, vonden er onderhandelingen plaats tussen Cornelis Melijn en Frederik van der Capelle. Melijn had de hoop dat zijn eisen ingewilligd zouden worden of dat het conflict opgelost zou worden. Bij deze gesprekken waren ook aanwezig: In plaats van een oplossing kreeg Melijn echter alleen algemene besprekingen over de zaak. Bovendien werd hij onverwacht op 18 september gedwongen om binnen 6 weken een rechtszaak te beginnen tegen Van der Capelle. Als hij dat niet doet, mag hij nooit meer over deze kwestie beginnen (een "eeuwig zwijgen"). Melijn ziet dit als een tactiek van Van der Capelle om hem moeite, kosten en tijdverspilling te bezorgen, in plaats van hem te geven wat hem rechtmatig toekomt.
Bekijk transcriptie 


Op 30 april 1740 lieten Gerard van der Paart en Anna Maria Laarhoven, een getrouwd stel uit Amstel (bij Nieuwer-Amstel, nu Amsterdam), een testament opmaken bij notaris Jan Willaars. Gerard was gezond, maar Anna Maria lag ziek in bed. Ze waren allebei helder van geest en wilden vastleggen wat er met hun bezittingen (de "nalatenschap") moest gebeuren na hun dood.

Ze maakten alle eerdere testamenten ongeldig en stelden nieuwe regels op:

Het testament werd opgesteld en voorgelezen door de notaris. Gerard en Anna Maria bevestigden dat dit hun laatste wilsbeschikking was.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Marritgen Jans, dochter van Styntge Pieters, gaf op 8 november 1653 een volmacht aan de burgemeesters, schepenen en raad van de stad Zwolle. Dit was een kopie van het origineel, dat dateerde van 1 december 1652. Op dezelfde dag (8 november 1653) verschenen voor notaris Adriaen Lock en getuigen de volgende personen: Deze groep verklaarde dat zij gezamenlijk 6 grafplaatsen in de oude kerk bij het hoog altaar van Isbrants bezaten. Ze spraken af hoe ze de kosten voor onderhoud en gebruik zouden verdelen.
Bekijk transcriptie 


Op 5 augustus 1639 werd in Amsterdam een overeenkomst getekend waarbij Gabriel Ferdinandus Portugees volmacht kreeg om namens een andere persoon (de "constituant") alle minnelijke schikkingen te regelen. Hij mocht:

Hij beloofde dit alles eerlijk te doen, alsof de constituent zelf aanwezig was. Getuigen waren Jacob van Ewiten en Jan van Hogen.

Op dezelfde dag erkende Gabriel Ferdinandus Portugees dat hij van Jacob van Nieulant (wonende in het Hof van Holland in Amsterdam) 150 gulden had ontvangen. Dit bedrag was onderdeel van een schuld van 186 gulden die Jacob van Nieulant verschuldigd was aan Phillippe George. Gabriel Ferdinandus verklaarde dat deze vordering aan hem was overgedragen en bedankte Jacob van Nieulant voor de betaling. Hij beloofde Jacob van Nieulant te beschermen tegen eventuele claims van Phillippe George of anderen, onder dreiging van beslag op zijn bezittingen. Getuigen waren Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.

Op 12 augustus 1639 bevestigde Jacob van Nieulant (namens zichzelf en zijn schoonmoeder, Maria van Hoij) dat hij van Gabriel Ferdinandus Portugees 10 stuivers had ontvangen. Dit was voor kosten en maaltijden die bij hem thuis waren gemaakt. Hij bedankte voor de betaling en beloofde Gabriel Ferdinandus vrij te houden van verdere claims. Getuigen waren opnieuw Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.

Op 2 augustus 1629 verklaarde notaris Willem Thijt dat hij, op verzoek van koopman Willem de Vries, naar het kantoor van koopman Wouter Lenaertsz was gegaan. Daar hoorde hij van een dienstmeid dat Wouter Lenaertsz niet aanwezig was, maar dat zijn moeder wel bereikbaar was. Bij Wouter Lenaertsz’ moeder toonde de notaris een wisselbrief die aan Wouter Lenaertsz was gericht en door hem geaccepteerd. De notaris vroeg om snelle betaling.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Isaac Pool, een notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam, ontving op 7 december 1779 een verklaring van Pieter Mulier, die ook in Amsterdam woonde. Pieter Mulier verklaarde het volgende: De overleden Juffrouw Helena Nieulandt had op 11 augustus 1767 een testament laten opmaken bij notaris Johannes Benkelaar. In dit testament had zij haar broer, Hendrik Nieulandt, aangesteld als haar enige erfgenaam. Daarnaast had Helena Nieulandt bepaald dat, als haar broer Hendrik Nieulandt zonder kinderen zou komen te overlijden, een bedrag van 15.000 gulden zou worden nagelaten aan haar neven en nichten: Dirk Mulier, Pieter Mulier, Maria Mulier, Magtilda Mulier en Fredrik Mulier. Deze vijf waren de kinderen van Pieter Mulier en Magtilda Steenhoff (of hun nakomelingen, als zij nog in leven waren op het moment dat Hendrik Nieulandt overleed). Er golden wel een paar voorwaarden bij deze erfenis: Dit was duidelijk en uitdrukkelijk vastgelegd in het testament.
Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/