Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Henricus Versteegh en zijn zus Geertruid Versteegh woonden in Steenweg in november 1653 met een verklaring uit Hoorn van 16 september 1653. Getuigen: Gerardus Puppius en Georgius Goethals. Henricus Rouse, student theologie, woonde in Lijnmarkt met een verklaring uit Deventer van 25 juli 1653. Getuige: Henric Malecootius. Antonius de Rijck woonde in de Mariaestraat met een verklaring uit Tiel van 23 augustus 1653. Getuige: Ottho Glimmerus. Lambertus van Bommel woonde in Snippevlucht met een verklaring uit Deventer van 15 augustus 1653. Getuige: Wilh. Alstorpius. Abrahamus Nethenus, student theologie, woonde in Snippevlucht met een verklaring uit Batenburg. Getuige: Joh. Valentinus Ruppius. Anna Gelton, weduwe, woonde op het Hof met een verklaring uit Vianen van november 1684. Johannes Luilophs woonde op Domskerckhof met een verklaring uit Franeker van 15 mei 1653. Getuige: Jos. Walckens. Geertje Gerrits van Nes, weduwe, woonde op Domskerckhof met een verklaring uit Vianen van 11 september 1653. Getuige: Abbema. Christianus ten Ham, student, woonde in de Donckerstraat met een verklaring uit Harderwijk van 26 juni 1653. Getuige: Otto van Hetteren. Walterus van Halewyn en zijn zus Maria van Halewyn woonden op Munsterkerckhof met een verklaring uit Alphen van 3 augustus 1653. Getuigen: Joach. Horstius, Petrus Neckius. Petrus Neckius, student, woonde op Steenweg met een verklaring uit Cortehoef van 18 september 1653. Arn. Neckius en Cornelius Cornelis, studenten, woonden bij Nicolis van de Weteringen op de Nieuwe Gracht bij Muntstraat met een verklaring uit Hees in het land van Nieuwegen van 24 september 1653. Getuige: Johannes Cornelis. AEgidius de Raedt, student, woonde op de Nieuwe Gracht bij Zuijlestraat in het huis van Joffr. van Wyngaerden met een verklaring uit Amsterdam van 28 augustus 1653. Getuige: Abrahamus Roesel. Franciscus Blanckius woonde bij Willem Thomassen Pey, een Engelsman, op Buurkerckhof met een verklaring uit Meurs van 7 mei 1653. Getuige: Het G. Grevenbroeck. Henricus Frederici woonde bij de Reguliersbrug oostzijde met een verklaring uit Zutphen van 24 maart 1653. Getuige: Gellius de Bouma. Johannes Hasius, student, woonde aan de Oude Gracht bij de Smeekwestraat met een verklaring uit Amsterdam van 18 juli 1653. Getuige: Samuel Althusius. Jannetje Josias woonde in de Haverstraat met een verklaring uit Wendenberg van 17 augustus 1653. Getuige: Petrus Pollion. Anthonis Jansen en zijn vrouw Trijntjen Hendrix woonden in Brandsteeg met een verklaring uit Amersfoort van 19 juli 1653. Getuige: Jacobus Bergman. Op 27 september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door Joh. Brejez: Op september 1653 werden de volgende personen geregistreerd door Jos. Flaman:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11298522 / 47  


Op 6 juli 1753 verscheen Ernst Godlieff van Benckendorp, secretaris van de weeskamer in Haarlem, voor notaris Nicolaas Galle. Hij verklaarde namens de weesmeesters van Haarlem een obligatie te hebben verkocht aan Mr. Remees Floris van Zanen, raad en oud-schepen van Haarlem. De obligatie was afkomstig van het Gemeene Land van Holland en West-Vriesland en stond op naam van de kinderen van Claes Heijn tot Durgerdam. Deze was gedateerd op 31 mei 1646 en geregistreerd op 1 augustus 1646. De obligatie was eerder overgedragen door Daniel de Vos en Pieter de Hollander, executeurs van het testament van Geertruyd van Grevenbroeck, op 30 juni 1725 voor notaris Aalst de Bruijnen. Later, op 5 december 1737, werd deze door de schepenen van Haarlem bevestigd. Op 13 februari 1727 was de obligatie door de bezorgers van de armen van de Mennonieten Gemeente in Haarlem overgedragen aan Daniel de Vos voor de kinderen van Jacoba Ampen. Ernst Godlieff van Benckendorp bevestigde dat de koopsom, inclusief rente, volledig was betaald. Hij droeg alle rechten op de obligatie over aan Mr. Remees Floris van Zanen en beloofde deze vrij te houden van eventuele claims. De akte werd opgesteld in Haarlem met David van Haffen en Engbert Huigens als getuigen. De akte werd gepubliceerd op 8 juli 1753.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974519 / 27  


Op 15 november werd door de gerechtsbode Pieter de Hollander een bedrag van 100 gulden ontvangen als schuld van Sijtje Criks, weduwe en erfgenaam van Abraham Grosett. Deze schuld betrof een lening van 250 gulden, verzekerd door een huis en erf in de Gierstraat in Amsterdam, met een rente van 4% over de periode van 14 juni tot 30 november 1726 (5,5 maanden), wat neerkwam op 1 gulden en 15 stuivers. Een rente van 20 jaar op een kapitaal van 90 gulden per jaar, waar nog 5 jaar rente op ontvangen kon worden, werd verkocht voor 405 gulden. Na aftrek van makelaarskosten en transportkosten bleef 402 gulden en 3 stuivers over. De contante gelden uit de boedel bedroegen 94 gulden en 5 stuivers. De volgende goederen werden overgedragen: Alida van Grevenbroeck ontving ook kleding, meubels, huishoudelijke spullen, porselein en wijn. Jacob van Grevenbroeck ontving als enige erfgenaam de overige goederen, waaronder meubels en huishoudelijke spullen die oorspronkelijk aan Jacob Peck waren beloofd. De totale opbrengst van de boedel bedroeg 1575 gulden en 3 stuivers. De uitgaven bestonden uit:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 576  


In 1723 werd de gemeente Den Dungen zwaar getroffen door een hagelbui. Hierdoor gingen gewassen zoals boekweit, haver en gerst grotendeels verloren. Dit overkwam niet alleen de getuigen, maar bijna de hele gemeente. In mei 1724 verwoestte strenge vorst de rogge in de velden. De bewoners moesten deze afmaaiien, omdat er bijna niets van over was. Vervolgens zaaiden ze opnieuw boekweit, maar ook deze oogst ging verloren door vorst in de herfst. Daarnaast was er in 1724 nog een hagelbui. Door de combinatie van vorst, hagel, droogte en harde winden gingen ook andere gewassen zoals lathoorn, gerst, havermout, raapsaad, vlas, bonen en etenswaren volledig verloren. Het gras op de weides was verdord, waardoor er geen voer voor het vee was. Bovendien was er grote schade aan bomen: de toppen en nieuwe scheuten waren zwart en afgestorven. Deze verklaring werd op 3 juni 1725 opgesteld in Den Dungen in aanwezigheid van Arien Hendrick Kamers en Aen Marte als geloofwaardige getuigen. Onder de ondertekenaars waren onder anderen Franck Claes Peters, Jansz Wagemakers, Adriaen Anthonis van Jersel, Adriaen Wijnant van der Seldit, Niclaes Han Wijnants, Hessel Wijnants van Abeele, Pieter Cornelis Vermeer, Jan Barth. Rademakers, Adriaen Pingen, Cornelis Roesses, Lant Bert van Jersel, Jan Antoni Peter Krancken, Jans de Groot Heyleger van Grevenbroeck, Adriaen Jansen Sloth, Adriaen Jan Kruijssen, Willem Peter Bertens, Gerel Peteren van Boorhouden, Jan vande Sterre, Huijbert van Eerssel, Jan Coolen, Jan Peeter Verhoeven, Joost Hendrick de Kels, Peter Adriaen Vermeer, Jan Daniels van Sou, Pieter Aerts Verhoeve, Goet Wijnant van Jensel, Maria Jansz van Cleeff, Ijanse van der Sel, Adriaen Hendrick Hamers en Adriaen Marten Prienen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 131  


Op 26 juli 1694 werd een akkoord gesloten tussen twee partijen. De tweede partij moest direct na ondertekening 16 gulden, een zilveren kruisje en een schort (dat toebehoorde aan Geertruijdt Egmonts) betalen aan de eerste partij. Hiermee gaf de tweede partij afstand van alle rechten op de goederen van Geertruijdt Egmonts en hoefde geen inventaris meer op te stellen. Beide partijen verklaarden tevreden te zijn en beloofden het akkoord na te leven, onder verantwoordelijkheid van hun bezittingen.

Op 22 augustus 1644 getuigden verschillende inwoners van Eenhout, waaronder Dirck Janssen vanden Broeck, Wouter Jansen van Laarhoven, Lauris vrien Witlocx, Hendrick Huijberts van Laarhoven, Hendrick Janssen Vermeer, Anthonij Janssen van den Boer, Embert Dirck Appels, Aert Janssen van Grevenbroeck, Cornelis Hendrick vande Cas en Guilliam Bles, op verzoek van Cornelis Jacob Witlocx (gevangen in Rotterdam). Zij bevestigden onder ede dat Cornelis Jacob Witlocx en de dochter van Bastiaan Witlocx samen waren, zonder dat Cornelis Jacob Witlocx hiervoor was gestraft. Verder verklaren ze dat Cornelis Jacob Witlocx een eerlijk persoon was. Cornelis Hendricx van Plas voegde toe dat de vrouw van Willem Bastiaan Witlocx recentelijk had gezegd: "Kom vrij, ons lijk moet ons lijk hebben" of iets dergelijks.

Op 22 augustus 1644 sloten Hendrick van Osch (weduwnaar van Jenneken Pieters vanden Heuvel) en Jan Goossen Peinenburch (man en voogd van Adriaantje Cornelis van Beneden, weduwe van Janssen van Heuvel) een akkoord over de roerende goederen van Jenneken Pieters vanden Heuvel. Hendrick van Osch kreeg alle goederen in bezit en hoefde geen inventaris op te stellen. Jan Goossen Peinenburch deed afstand van alle rechten op deze goederen. Wel moest Hendrick van Osch in plaats van de beloofde 50 gulden uit de huwelijkse voorwaarden, 25 gulden betalen voor het nieuwe jaar. Beide partijen waren tevreden en beloofden het akkoord na te leven.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1659509 / 120  


Op 26 november 1685 legden de schepenen van Tilburg en Goirle een kostenvergoeding op aan Willem van Vorster, kosterschoolmeester in Goirle, ten nadele van een onbekende persoon. Deze persoon tekende op 8 december 1685 beroep aan bij de schepenen van 's-Hertogenbosch, omdat de kosten zonder voorafgaande afspraak of vermindering waren opgelegd. De sommatie werd op 29 november uitgevoerd door Rut van Delft bij de vrouw van de appellerende partij.

Op 24 december 1685 verklaren 25 inwoners van Tilburg, waaronder Adriaen Maes, Henricus Hubertus de Roij en Willem van Hees, dat Victor van Beughem, advocaat in 's-Hertogenbosch, probeert een nieuw recht op gruit (een soort belasting) in te voeren in Tilburg. Dit recht is volgens hen nog nooit eerder opgeëist. Om dit tegen te gaan, benoemen ze Adriaen Bemage, drossaard, en Adriaen Maes, oud-schepen, als hun vertegenwoordigers. Deze mogen alle juridische stappen ondernemen, inclusief raadplegen van juristen, proces voeren en vonnissen aanvechten, om de introductie van dit recht te stoppen. Ze beloven elkaars kosten en schade te vergoeden als iemand door dit gruitrecht wordt aangesproken.

Beide akten zijn opgesteld in Tilburg in aanwezigheid van getuigen en ondertekend door de betrokkenen en notaris Arnold van Loon.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069107 / 53  


Op 29 juni 1689 verklaren Adriaen Meeus Mombours (ongeveer 54 jaar) en Adriaen Wouter Breuders (ongeveer 58 jaar), wonend in de heerlijkheid van Teworgh, op verzoek van Cornelis van Grevenbroeck (man en voogd van Cornelia Peet Jan Steven Giesen) en Jan Peeter Hieven (kleinzoon van Peeter Seven Wouters), dat Peeter Steven Wouters een stuk grond bezat naast de grond van Adriaen Meeus Mombours. Adriaen Meeus Mombours getuigt dat Peeter Steven Wouters deze grond ongeveer 38 jaar rustig heeft gebruikt en de helft van de pacht (omdat het een gelijk stuk grond was) aan de heer van Loon of zijn voorgangers heeft betaald. Adriaen Wouter Breuders getuigt dat hij ongeveer 30 jaar geleden zag dat Joost Wouters (vader van Peeter Joost Wouters) de grond gebruikte en er graan op liet zaaien. Hij zag nooit iemand anders dan de kinderen van Peeter Joost Wouters op die grond werken, behalve recentelijk een persoon die daar zat en aan wie hij vroeg wat hij daar deed. Op 22 juni 1689 verklaren Sr. Jacobus Wiemers en Pieter van Raeck (beide voormalige schepenen in Leende), op verzoek van Jacobus van Esch (azijnmaker), dat zij op 21 juni 1689 hoorden en zagen dat Joris Peeter Geltiens (brouwer) verklarde dat hij zijn brouwerij had verhuurd aan Jacobus van Esch om daar azijnbier te brouwen, van Bamisse 1688 tot Bamisse 1689.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 392  


Op 14 april 1658 bevestigde Abrakam aan de Hoogmogende Heren dat in Bilbao de verkoop van goederen goed georganiseerd was en dat de regels van de resolutie van 9 januari van dat jaar strikt werden nageleefd. Op 6 juni 1673 schreven de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Rotterdam aan de Hoogmogende Heren over de levering van graan en levensmiddelen voor de inwoners van Waelwijck. Op 5 mei 1673 was besloten dat Adriaen Wouters Couwenburgh, de weduwe van Jacob Molegraeff, en Adriaen van Grevenbroeck Backer graan mochten importeren voor de inwoners. Op 30 mei 1673 kregen ook Bastiaen Sijmonssen de Gester, een schipper uit Waelwijck, toestemming om elke drie weken een halve last tarwe, een last bagge, een halve last gerst, een kwart last haver, een zak hout en andere levensmiddelen te halen. Ze vroegen of de hoeveelheid en soort levensmiddelen die nodig waren voor Waelwijck duidelijker moesten worden gespecificeerd en of er bewijs moest worden geleverd dat eerdere leveringen waren verdeeld en geconsumeerd, om misbruik te voorkomen. Op 13 juni 1673 schreef Michiel de Ruyter vanaf het schip De Zeven Provinciën bij Schooneveld aan de Hoogmogende Heren over een zeeslag. Op 12 juni 1673 rond 10 uur waren ze de vijand tegengekomen. De vijand leek eerst te willen wachten, maar trok zich terug toen De Ruyter naderde. Rond 17 uur kwam het tot een gevecht dat duurde tot na zonsondergang. De volgende ochtend zagen ze dat de vijandelijke vloot beschadigd was. De Ruyter wilde de Grijchsraad bijeenroepen voor meer informatie. Hij vroeg om extra buskruit, scherp, touw, kardoespapier, naalden en garen, omdat veel schepen beschadigd waren. Ook vroeg hij om kippenlood, omdat hij dacht dat de vijand zich naar de Theems in Londen had teruggetrokken. Hij stelde voor om bij Schooneveld voor anker te gaan tot er nieuwe orders kwamen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11145 / 1021  


Op verzoek van Vrouwe van Asherihan, gesteund door Heer Ripperda, stemden Hun Hoog Mogenden ermee in dat zij zonder belasting vier paarden naar Brussel mocht vervoeren. Deze paarden zou ze ontvangen volgens de regels van het land op de kantoorposten van Gorcum of Bommel. Er werd een verzoek gelezen van Heer van Batenburch namens Dirck Lessel. Deze had een conflict met de heren Arnhem en Schonenborch, de gecommitteerden van Hun Hoog Mogenden in Maastricht. Lessel vroeg om soldaten om zijn onderdanen in Steijn te dwingen gehoor te geven. Hij wilde eerst een reactie van Hun Hoog Mogenden aan Arnhem en Schonenborch voordat zij actie ondernamen. Na overleg kregen Lessel en zijn raad de kans om zich te verdedigen, en werd zijn verzoek ingewilligd. Op verzoek van Dideric van Grevenbroeck mocht deze na overleg een peer inkoop en uitvoeren naar Mierlo in de meierij van ’s-Hertogenbosch, mits betaling van de belasting. Het verzoek van Arien en Cornelis Lampsius voor betaling van 4825 gulden of een schuldbekentenis werd aangehouden tot de provincies zouden hebben gereageerd. Jacob de Maeckere, dijkgraaf en penningmeester van de Baemstpolder bij Cadsant in Vlaanderen (onder Nieuwvliet), en mede-eigenaar van de Versche Polder, diende een verzoek in. Hij klaagde over Johan van der Lingen, ontvanger, die een octrooi had verkregen voor de Baemstpolder en Vier Gemeten in de Versche Polder. Van der Lingen had deze gronden als zijn eigen bezit behandeld, hoewel De Maeckere en zijn voorgangers al lang eigenaar waren. Er was een rechtszaak gaande, en Van der Lingen was al veroordeeld door de schepenen van Vrije en de Raad van Vlaanderen in Middelburg. Omdat Van der Lingen in beroep was gegaan, was de zaak nog niet afgerond. De Maeckere vreesde een langdurig proces en dat Van der Lingen intussen de oogst zou stelen. Hij vroeg om een bevel om Van der Lingen te dwingen zijn beroep binnen 40 dagen in te dienen en de oogst in beslag te nemen tot een beslissing. Na overleg werd besloten dat Van der Lingen 40 dagen de tijd kreeg om te reageren. Volgens een eerdere beslissing van Hun Hoog Mogenden van 6 november 1638 werd het verzoek van Louis de Geer, koopman in Amsterdam, voor betaling van 9180 gulden voor ijzeren kanonnen op twee nieuwe roeifregatten goedgekeurd. Het bedrag zou worden betaald uit de tekorten van de provincie Utrecht en Stad en Lande in de rekening van 1637 en 1638 voor zeezaken. Wel moesten Utrecht en Stad en Lande eerst afrekenen met de Admiraliteit in Zeeland over de kosten van uitrusting in 1637 en 1638. Binnen twee maanden moesten zij dit regelen. Het verzoek van Steenbergen werd aangehouden. Er werd een brief ontvangen van Heer van Oosterwijck uit Parijs van 4 december, maar hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 72 / 0237  


De overheid regelde dat de bagage, paarden en voertuigen van Zijne Majesteit en zijn gevolg, samen met voorraden en andere benodigdheden, vrij van belasting door de Nederlandse landen mochten reizen naar Engeland. Ook het Collegie ter Admiraliteit op de Maas kreeg de opdracht om ervoor te zorgen dat deze goederen zonder kosten ingescheept konden worden. Er werden twee brieven ontvangen van Consul Hudson, gedateerd 38 augustus en 10 september 1735, uit Tunis. Hierin stond dat Franse fregatten en galeien schepen van andere naties aanhielden en eisten dat alle personen en goederen die bij Tunis hoorden, werden vrijgelaten. De Deij (heerser) van Tunis had de consuls van andere landen hierover geïnformeerd en was verbaasd over deze acties. Hij beval om hierover bericht te sturen naar hun leiders. Ook werd melding gemaakt van de activiteiten van Kapitein van Reede, die in Tunis was geweest en weer vertrokken. De Gedeputeerden van Holland en West-Friesland namen kopieën van deze brieven om ze verder te verspreiden. Antonij van Grevenbroeck, drost van de helft van de heerlijkheid Oirschot, diende een verzoek in. Hij vertelde dat Antonij Andries Schepens op 10 februari 1735 Jan de Marck, de vorige drost van Oirschot, had vermoord. Schepens was hiervoor bij verstek veroordeeld, maar later gearresteerd. Hij was ’s nachts gewelddadig uit zijn cel bevrijd. Van Grevenbroeck vroeg om de zaak over te dragen aan de rechtbank van de Raad en Leenhof van Brabant en alle stukken aan de fiscaal en procureur-generaal van Brabant te geven. De zaak werd doorgestuurd naar de Gemeenteraad van Brabant voor verdere afhandeling. Louis Joseph Le Sage, een 22-jarige koopmanszoon uit Rijsel, vroeg toestemming om te trouwen met Marie Françoise Le Brun, een 26-jarige vrouw uit Rijsel. Zijn ouders weigerden toestemming, dus wilde hij met haar naar Holland gaan om daar te trouwen. Hij had zich aangesloten bij het regiment van Kolonel Soute, onder bevel van Majoor van Puthamer, om bescherming te krijgen. Zijn verzoek werd afgewezen. Andries Gesteling, voormalig schepen van Philippine, diende een verzoek in in verband met het overlijden van Abraham de Kraeker, die tijdens zijn leven schepen was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2442 / 0076  


Op 9 maart 1700 in s'Hertogenbosch werd Hageman getekend als ondertekening dat een attest voor Dijckschi despolders, gelegen onder den Groenendijck, was goedgekeurd. Daarnaast waren er resoluties van de Gecommitteerden van den Groenendijck van 3 mei 1663, 26 augustus 1694, 28 december 1697 en 25 juni 1699 toegevoegd, alle betrekking hebbend op den Groenendijck.

Op 21 april 1700 ontving Ontfanger Lintworm een brief van Weduwe Werckhoven uit s' Gravenhage, gedateerd 12 april 1700. Hierin maakte zij bekend dat haar zoon Willem Werckhoven zijn studies had stopgezet. Hij had een beurs van 100 gulden per jaar ontvangen volgens een resolutie van 22 december 1687. Ontfanger Lintworm meldde dat deze beurs nu vacant was en ter beschikking stond van de autoriteiten.

Op 28 april 1700 meldde Ontfanger Lintworm dat de beurs van Gerardie Loenius, ook van 100 gulden per jaar, vacant was gekomen. Hij bracht dit onder de aandacht van de autoriteiten.

Op 23 april 1700 berichtte Ontfanger Lintworm over een verzoek van Weduwe Henrick van Winteroij. Volgens een resolutie van 29 april 1700 betrof dit een beneficie dat op 25 november 1681 door vrouwe Barbera van Scherpenseel, weduwe van Erasmus van Grevenbroeck, heer van Mierlo, was toegekend aan haar oudste zoon Henrick van Winteroij. Deze toekenning was bevestigd op 8 mei 1682. Henrick van Winteroij had het beneficie genoten tot en met 1696.

De betalingen voor de jaren 1686, 1687 en 1688 waren echter geweigerd door de heeren van de Generale Rekenkamer. Zij beriepen zich op een resolutie van 13 december 1685 en een andere van 13 november 1694, die stelden dat de inkomsten van beneficies geaffecteerd bleven voor de Gereformeerde godsdienst zolang niet bewezen was dat de stichting leek (niet-geestelijk) was. Henrick van Winteroij had zich hiertegen verzet bij de Raad van State.

De Raad van State had op 29 augustus 1696 geoordeeld dat de collatie (toekenning) geldig was, omdat alle titels en rechten in 1649 waren overgedragen aan de autoriteiten. De betalingen waren goedgekeurd volgens een resolutie van 19 september 1693, die stelde dat een studebeurs behouden bleef tot de leeftijd van 25 jaar, tenzij de begunstigde eerder een baan kreeg.

Op 6 september 1697 had de Raad van State besloten dat Henrick van Winteroij een verklaring moest overleggen, onder ede, dat de originele stichtingsbrieven verloren waren gegaan en dat hij geen authentieke kopie had. Deze verklaring was ondertekend en verzegeld door de collatrice (toekennende instantie) en ingediend op 4 december 1697. Ontfanger Lintworm had hierover bericht op 23 december 1697.

De collatrice had later bevestigd dat de stichtingsbrieven verloren waren gegaan tijdens de vlucht naar Brussel in een eerdere oorlog. Zij had ook verklaard dat het recht op het beneficie was overgedragen van haar overleden man op haar en haar kinderen. De stichtingsbrieven zouden in het begin van de Reformatie zijn overhandigd aan de autoriteiten, en de opeenvolgende toekenningen waren bevestigd.

Op 28 april 1699 had de Raad van State besloten dat Henrick van Winteroij het beneficie mocht behouden tot en met 1696. Omdat Willem van Anteroij in militaire dienst was getreden, had de collatrice het beneficie opnieuw toegekend aan haar kleinzoon Johan van Winteroij voor een periode van 8 jaar, volgens een acte van 12 januari 1700. Zij zocht hiervoor goedkeuring van de autoriteiten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11221 / 0412  


In het testament van de overledene, bevestigd bij haar dood, werden de volgende erfgenamen benoemd: In het testament stond een voorbehoud: de overledene voegde later handgeschreven extra legaten toe, die onder de schulden van de boedel vielen. In de boedel werden de volgende bezittingen gevonden:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 445  


De partijen komen een afspraak over: De partijen beloven deze afspraken na te komen zonder ertegen in te gaan. De akte is opgesteld op 13 mei 1712 in Verloon in aanwezigheid van getuigen en de notaris Botermans. Huijbert, Bernart en Paulus (zoons van Johan vanden Sande) maken een testament. De akte is opgesteld op 1712 door notaris Cloostermans.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 196  


Anna Maria Jan Veramelsvoort en Jan Christiaen passers, een echtpaar uit Westheijlant, lieten op 20 december 1726 een testament opstellen bij notaris Adries ander Burgh in Berckel. Hierin benoemden zij hun kinderen en kleinkinderen als enige erfgenamen. Anna Maria Jan Veramelsvoort wees voor het aandeel van de kinderen van haar overleden man Anthonij Lamberts en Robben de volgende voogden aan: De voogden kregen de bevoegdheid om de goederen te beheren, te verkopen (openbaar of privé) en de opbrengst ten beste te gebruiken. Zij moesten wel verantwoording afleggen aan Jan (haar zoon) en de andere erfgenamen. De voogdij gold zonder tussenkomst van de schepenen van Oosterwijck. Anna Maria Jan Veramelsvoort verklaarde dat dit haar laatste wil was en dat deze na haar dood direct uitgevoerd moest worden, ongeacht de vorm (testament, codicil, schenking of anders). Alle juridische formaliteiten en lokale wetten die hiermee in strijd waren, werden door haar buiten werking gesteld. Het testament werd ondertekend in aanwezigheid van de getuigen Anthonij Franck brocken en Jan Cornelis Kamers. Anna Maria Jan Veramelsvoort kon niet schrijven en liet een merkteken zetten door Jan Cornelis Hamers. De notaris was H: Vander Burgh.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 124  


10 juni 1577
12 juni 1577
11 juni 1577
De Staten-Generaal worden ontboden om Zijne Alteze te horen, die naar Mechelen vertrekt om te onderhandelen met de kolonels van de Hoogduitse troepen. Hij stelt vier punten voor: De Staten-Generaal antwoorden via de griffier:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3097 / 0051  


Op 14 juni 1690 stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Dirck Grevenbroeck, weduwe van Jan Dircksz Driessen uit Nijmegen, naar het Collegie ter Admiraliteit op de Maas. Ze vroegen om hierop te beslissen. Op dezelfde dag stuurden de Staten ook een kopie van een brief van de drost en Gedeputeerde Staten van het Landschap Drenthe over Lt. Kimmel naar de resident Hulst. Daarnaast ontvingen de Staten een kopie van een brief van Simon Gausen, koopman en burger van Rotterdam, met de opdracht om ervoor te zorgen dat de eiser in de zaak uit het eerder genoemde verzoek, voor zover deze gegrund was, zonder klacht zou worden gesteld. Op 15 juni 1690 stuurden de Staten een kopie van een verzoek betreffende het schip Het Schaep naar het Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam. De Staten lieten weten dat ze een jacht klaar maakten voor heere Schoonenberg. Ook stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Fisca Dias da Fonseca, weduwe van Neijlen Hamuel Dias da Fonseca, en Davis Franco Vraho, moeder en zwager van Abraham Dias da Fonseca, geboren in Amsterdam. Ze wilden dat Abraham Dias da Fonseca vrijgelaten zou worden. De Staten lieten weten wat ze hadden besloten over de publicaties van de keizerlijke en rijksadvocaten in Hamburg en de reactie van Abt Ridal, resident namens de koning van Frankrijk. Daarnaast stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Nicolaes Arnolt de Malte en vroegen om advies. De Staten lieten ook weten wat ze hadden besloten over het intrekken van het mandaat van Johan de Lange en Johan de Raken. De admodiateur Nieupoort liet de Staten weten dat op 29 mei 1690 (oude stijl) bedienden van de admodiatie een schuit met Franse wijnen, in strijd met de plakkaten, in beslag hadden genomen. De bedienden wilden deze zaak voor de Admiraliteit in Friesland brengen, maar werden tegengehouden door de Gedeputeerde Staten van Groningen. Deze hadden aan de huurster van het stads wijnhuis in Groningen toestemming gegeven om 18 vaten wijn onder voorwaarden mee te nemen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11978 / 0188  


De oorspronkelijke opstellers van de fondsen zijn bekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11147 / 0986  


Op 10 mei 1687 schrijft men vanuit Malacca over de situatie op het kruisende vaarwater. Men vraagt om een Chiampan (een klein schip) van 150 tot 200 lasten, omdat de kosten voor de huidige missie al ƒ 3216, 2 en 5 bedragen. Men overweegt een nieuwe missie als de Deense kleding in Riouw aankomt. Chinese zijde en kleding worden daar goed verkocht tegen 13 tot 14 per picul. Anthonij Matthijsz. Mars, de commandant, moet het kruisende vaarwater goed in de gaten houden. Hij krijgt een adjunct om alles bij te houden. Twee onbekwame stuurlieden, Jan Vermeij en Willem Iansz. van Rotterdam, zijn al geschorst of opgestuurd. Men vraagt opnieuw om een Chiampan van 20 tot 24 lasten voor de rivier en om de wacht te versterken. Voor de werkzaamheden van de VOC zijn ongeveer 90 tot 55 slaven ingehuurd tegen een dagloon van 8 stuivers. Voor de verdediging zijn 50 blanke soldaten, Nicolaes Christiaensz. en Frederick van Grevenbroeck nuttig gebleken. Het garnizoen is nu 228 man sterk, maar men vraagt om meer soldaten en matrozen. Een chaloep moet onbemand blijven. De handel in Siac (Siak) is nog niet winstgevend. Ondanks waarschuwingen aan VOC-medewerkers, blijkt uit de boeken van de fiscale Naerssen dat anderen ook meedoen aan de handel. De winst op de laatste Siac-boeken bedraagt ƒ 4735, 4, maar door slijtage van schepen en onbetaalde lonen valt dit tegen. Men probeert goede relaties te onderhouden met de onderdanen van Johor, met name Dato Paduka Radja, door wat rechten van de VOC op te geven om klachten te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1438 / 0361  


De testateur (de persoon die het testament opstelt) bepaalt wat er met zijn bezittingen moet gebeuren als hij zonder kinderen komt te overlijden of als zijn minderjarige zoontje (van zijn moeders kant) ongetrouwd sterft. In dat geval wil hij dat zijn bezittingen als volgt worden verdeeld: Als de testateur kinderen nalaat of als zijn zoontje ongetrouwd en minderjarig sterft, benoemt hij de volgende personen als zijn erfgenamen. Zij erven in gelijke delen alle bezittingen (zowel roerend als onroerend, nu en in de toekomst), behalve de bezittingen die hij al aan anderen heeft nagelaten: De testateur behoudt het recht om zijn testament op elk moment te wijzigen, helemaal of gedeeltelijk, en om legaten (geldbedragen) toe te voegen, te vermeerderen of te verminderen. Dit kan hij doen met zijn handtekening of in aanwezigheid van twee getuigen (man of vrouw). Hij benoemt Johan Vermeulen, secretaris van de weeskamer van Amsterdam, en Johannes le Maire als executeurs (uitvoerders) van zijn testament en als voogden over zijn minderjarige zoontje of andere minderjarige erfgenamen en legatarissen. Als een of beide executeurs of voogden overlijden of niet in staat zijn hun taak uit te voeren, worden Abraham Hasius en Johan Dingemans als vervangers benoemd. Zij krijgen dezelfde bevoegdheden. De testateur sluit de weeskamer van Amsterdam (of de weeskamer waar zijn sterfhuis valt) uit van de afhandeling van zijn nalatenschap. Hij vraagt om gebruik te mogen maken van de voordelen die daarbij horen. Het testament is opgesteld in Haarlem, in het huis van de notaris, in aanwezigheid van Wouter Bijnens. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is en dat alles volgens zijn wensen moet worden uitgevoerd, ook als niet alle formele vereisten zijn nageleefd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842847 / 239  


Op 15 maart 1691 verklaren Susanna Camman, de vrouw van Sires de Vries, en Cornelia van Grevenbroeck, beide woonachtig in Haarlem, voor notaris Cornelis Rens het volgende: De verklaring is opgesteld in Haarlem in aanwezigheid van Cornelis Hoefnagel en Francois Snellincx als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975029 / 191  


Op 10 april 1702 in Tilburg gaf Arnold van Loon, notaris, een akte op. Hierin stond dat Aert Janssen van Grevenbroeck, voormalig burgemeester van Inden Hout, een bedrag van 150 gulden per jaar afstond aan Wilhelmus Sijnen, een theologiestudent uit Loveren. Dit bedrag moest betaald worden uit de goederen van Aert Janssen van Grevenbroeck in Oisterwijk, op een plek genaamd Den Hout. Als Wilhelmus Sijnen priester werd en niet in staat was om het bedrag zelf te ontvangen, mochten anderen het voor hem innemen. Aert Janssen van Grevenbroeck verbond zich en al zijn goederen hiervoor. Adriaen Huijbert Wigger en Adriaen Aert Hamers, voormalige burgemeesters van Inden Hout en buren van Aert Janssen van Grevenbroeck, bevestigden dat ze hem en zijn goederen kenden en dat zijn jaarlijkse inkomen ongeveer 150 gulden bedroeg. Getuigen waren Peeten van Spaendonck en Cornelis Peters van Eeten, beide inwoners van Tilburg.

Op 5 april 1702 in Tilburg stelde Cornelia Jungeert, weduwe van Cornelis Adriaen Olincx, met hulp van Laurens Denijs Pieters als voogd, Jacob Lips, schoolmeester in Gilze, aan als volmacht. Jacob Lips mocht namens Cornelia Jungeert een stuk land van 5 lopense (ongeveer) in Gilze, in de Baronie van Breda, op een plek genaamd Het Reck, verkopen voor 23 gulden. Het land lag tussen de erven van Oost den Doorenbos, Uit den Claessen, De Wede Peeteren en de kinderen van Jacob Cornelis Baster. Jacob Lips mocht alle benodigde documenten laten opmaken volgens de gewoonten van de secretarie en vestkamer van Breda.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 120  


Rijnier Hendrick houwen krijgt verschillende stukken land in bezit: De deelnemers aan de verdeling beloven:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 200  


Op 18 oktober 1553 verschenen voor notaris Johannes de Roij in ’s-Hertogenbosch verschillende personen, waaronder: Zij bevestigden een jaarlijkse erfelijke rente van 75 gulden ten laste van de Staten van Brabant in het kwartier van Antwerpen, geregistreerd in de boeken van de Rekenkamer. De rente was al 40 jaar bekend en bevestigd door eed in Goirle en Tilburg. Op 10 november en 10 mei werden verdere bevestigingen gegeven, verzegeld met het zegel van de Staten van Brabant. Op 5 mei 1571 werd de rente wettelijk overgedragen aan Guilliam van Tampen. De betrokkenen verklaren af te zien van alle rechten op de rente en leveren een authentieke kopie van het protocol over. Op 5 april 1654 in Tilburg bevestigden Ambrosius Verbraken en anderen onder getuigenis van Adriaan de Weer (notaris) en Peter Colen de overdracht. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris Johannes de Roij.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069100 / 35  


Op 1 december 1741 werd een akte opgesteld voor Peter Zeijlmans (schout), Jacobus Zeijlmans en Michiel Janssen (schepenen). Hierin stond dat Adriaen Schippers een stuk land, bestaande uit een geer (een stuk land) en een derde deel van een geer, gemeenschappelijk met anderen, moest afstaan aan Jan Cornschippers. Dit land lag in Henderick Luijten Ambacht en was belend (grensde) aan de oostkant aan Cornelis Peter Melsen en de heer Advocaat Sprangers, en aan de westkant aan de weduwe Pieter Cuijl en erfgenamen van de Bavelaeren. Het land strekte zich uit van het noorden tot de helft van de Heere Straat en liep door tot aan de oude vaart. Adriaen Schippers moest hiervoor Jan Cornschippers een bedrag van 95 gulden en 10 stuivers betalen.

Daarnaast werd een inventaris opgemaakt van alle goederen, zowel roerend als onroerend, die in gemeenschap werden bezat door Jan Arens Hoevenaer en Janneke Dolck, en later door Jan Arders Hoevenaer (na zijn dood). Dit omvatte:

De schulden van de boedel waren:

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1783024 / 131  


De Raad van State besloot om een kopie van een eerdere resolutie te sturen naar Nagel en andere gedeputeerden voor Vlaanderen. Zij moesten samen met enkele door de Raad van State aangewezen leden de situatie onderzoeken en hierover rapport uitbrengen.

Op 3 mei 1753 werd een verzoek ingediend door een grote groep inwoners van Tilburg en Goirle, waaronder Frans van Heijst, Jacobus Willem Ingraavinge van den Heer van Tilborg, Francois Peeters Mutsaars en vele anderen. Zij vroegen om hulp om verdere schade en ongeluk te voorkomen. Ze wilden dat de Drossaard en schepenen van Tilburg en Goirle toestemming kregen om 250 tot 300 lopens (een oude maat) gemeenteland in te graven. Ook vroegen ze om een heer van Tilburg aan te stellen die toezicht zou houden op verdere ingravingen en leningen. Bestaande ingravingen moesten worden gesloopt en voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar gesteld. De Drossaard en schepenen mochten voortaan geen toestemming meer geven voor enige ingravingen, ongeacht het doel.

Op 3 mei 1754 werd een verzoek gelezen van Nicolaas Lousberg, een inwoner en burger van Maastricht. Hij had onlangs via een openbare aanbesteding de opdracht gekregen om een nieuw kruitmagazijn te bouwen, inclusief het aanleggen van een nieuw werk buiten de Sint-Pietersberg aldaar. Op 23 november 1758 had de Admiraliteit toestemming gegeven voor het onderhoud van werken in Maastricht, Venlo en andere landsdelen. Lousberg vroeg om orders en voorzieningen zodat materialen voor landswerken konden worden aangevoerd en gemeentégronden voor particulier gebruik konden worden ingegraven en toegeëigend. Hierop besloot men een kopie van het verzoek te sturen naar de rentmeester de Schmeeling, zodat deze hierover verslag kon uitbrengen aan de hogere overheid.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3562 / 0622  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/