Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
De afgevaardigden kregen de opdracht om alleen de verkoop van deelbare goederen (voor zover die verdeeld konden worden) te regelen. Volgens de instructies mochten zij niet oordelen over andere kwesties, zoals geschillen over het leen Schaesberg. Hierdoor waren de rechters niet bevoegd om verdere beslissingen te nemen, zelfs als daarom werd gevraagd.
De kwestie of Schaesberg een leen was, moest apart worden behandeld door bevoegde rechters in een algemene rechtszaak. Een eerdere beslissing hierover kon de graaf van Schaesberg niet schaden, omdat zulke uitzonderingen niet definitief waren totdat een bevoegde rechter erover oordeelde.
De goederen van Schaesberg waren inderdaad een leen onder de leenhof van Gulik (Juliers). Volgens de wetten en gewoonten van dat gebied moesten zaken over successie en dergelijke daar worden behandeld. De eerdere beslissing over de verdeling van het kasteel Schaesberg was dus ongeldig, omdat:
- de rechtbank van Limburg hier niet over mocht oordelen;
- de rechtbank niet bevoegd was voor lenen zoals Schaesberg;
- de partijen zich niet aan de beslissing hielden (en dat mochten ze, omdat deze onterecht was genomen).
Een zaak die al voor de hoogste rechtbank van Brabant liep, kon niet zomaar naar een andere rechtbank worden verplaatst. Bovendien kon een beslissing van gedelegeerde rechters nooit als definitief worden gezien, omdat hun bevoegdheid beperkt was. Voor een geldige uitspraak was instemming van beide partijen nodig – maar die was er niet, omdat de graaf van Schaesberg bezwaar had gemaakt (26 november 1747).
Uit een verklaring van de hertog van Gulik (2 mei 1799) bleek dat de vermeende verdeling nooit was goedgekeurd. Ook in een verzoek aan de regering in Brussel (23 mei 1799) werd de eerdere uitspraak niet genoemd. Hieruit bleek dat de verdeling alleen gold voor vrije goederen (allodiale goederen), niet voor de lenen van Gulik.
Bovendien hadden de partijen na de uitspraak zelf een minnelijke regeling getroffen buiten de rechtbank om. Hierdoor verviel niet alleen de eerdere beslissing, maar ook de zaak die bij de Raad van Brabant liep. De huidige heer van Schaesberg had nooit ingestemd met een verdeling van de lenen onder Gulik.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11643 / 0154
Op 23 januari 1792 ontvingen de Staten-Generaal in Brussel het verzoek om namens de koning rechtvaardigheid en vriendschap te eisen van hogere machten in een zaak die belangrijk was voor zijn dienst. Ze besloten te wachten op een rapport van heer Hop en stuurden een kopie van zijn aantekeningen en bijlagen naar heer van Heerkens tot Zuns en andere afgevaardigden voor buitenlandse zaken, om de zaak te onderzoeken en verslag uit te brengen.
De zaak ging over Maria Edilia, barones van Wassenaar Warmond (geboren als barones de Steiners), weduwe van Jan Joseph Bazor van Wassenaar en inwoner van Maastricht. Zij verklaarde:
- Zij en haar overleden man bezaten samen al drie twaalfde van het kasteel, heerlijkheid en landgoed van Schaesberg (in het land van Valkenburg).
- Zij hadden later nog eens twee twaalfde gekocht van baron van Bourscheid de Merode, waardoor zij in totaal vijf twaalfde bezaten.
- Om haar eigendom veilig te stellen, had zij een vrijwillige leenrechtelijke zuivering (een juridische bevestiging van eigendom) aangevraagd bij de leenhof van Valkenburg, onder gezag van de Staten-Generaal.
- Na het overlijden van haar man zette zij deze procedure alleen voort.
De graaf van Schaesberg, wonend in de rijksstad Aken, protesteerde hiertegen. Hij:
- Eiste dat de zaak niet bij de leenhof van Valkenburg hoorde, maar bij een andere leenhof waar Schaesberg volgens hem onder viel.
- Claimde dat Schaesberg nooit onder Valkenburg had gevallen en dat de twee twaalfde die barones van Wassenaar van baron de Bourscheid had gekocht, eigenlijk van waren.
- Legde later schriftelijk uit dat Schaesberg een onderguliks leen (een leen onder een hogere heer) was en altijd onder de manhof van Anseldorp had gevallen.
Hierdoor moest barones van Wassenaar bewijzen dat Schaesberg wél onder Valkenburg viel. Zij deed dit met:
- Vonnissen van rechters van de keizer en koning (als graaf van Valkenburg), uitgesproken vóór 1785 (toen Schaesberg onder Nederlands gezag kwam via het Verdrag van Fontainebleau).
- Een definitief vonnis van de leenhof van Valkenburg op 8 juli 1791, bevestigd op 9 juli 1791, dat Schaesberg indertijd onder Valkenburg viel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3659 / 0180
-
Op 5 juni 1654 luisterden de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden naar een rapport van de heren van Raesfelt en andere afgevaardigden van Prinses Amalia van Solms (de "Hoog Mogende Prinses Moeder"). Het ging over de verlenging van een octrooi (vergunning) voor de bedijking van Woensdrecht, dat in 1650 was verleend maar in 1651 was uitgevoerd. De inwoners van Woensdrecht hadden hier op 5 juni 1654 om gevraagd namens Prinses van Hollern (een octrooivrouw) en de belangrijkste inwoners. De Staten-Generaal besloten het octrooi te verlengen vanaf de oorspronkelijke datum (13 december 1650).
-
Op dezelfde dag werd professor Moris bedankt voor zijn vertaling (van Latijn naar Frans) van het vredesverdrag met de Republiek Engeland. Daarna werd een verzoek van Resident de Groot behandeld: hij wilde dat de Staten-Generaal de Protector van Engeland (Oliver Cromwell) zouden vragen om de goederen van kolonel Craven vrij te geven van confiscatie (inbeslagname). Ook moesten de Nederlandse ambassadeurs in Engeland hierbij helpen. Dit verzoek werd goedgekeurd.
-
De afgevaardigden van Friesland en Stad en Lande (Groningen) herhaalden een eerder voorstel om 200 Carolusgulden (een geldbedrag) toe te kennen, waarvoor een betalingsopdracht zou worden verstuurd.
-
Op 10 juni 1654 lazen de Staten-Generaal een klacht van het bestuur van Aardenburg. Ze beschuldigden Jan Ellieul (penningmeester) en Anthonis de Munck (een ambtenaar van de Isabellespolder) van het verstoren van hun rechtmatige bezit van landerijen van de stad. De zaak werd doorgestuurd naar de afgevaardigden die naar Vlaanderen gingen, met de opdracht om ter plekke een definitieve oplossing te vinden.
-
Er was een rechtszaak tussen Sigismundus Limmer (een plaatsvervangend baljuw van Hulsterambacht) en Cornelis Betinck (een rijsschipper). Limmer had een reactie ingediend, die nu aan Betinck werd gegeven om daarop te reageren.
-
Vrijheer van Schaesborgh klaagde dat de pachter van zijn hof in Benssenrade (onder Heerle, Land van Valkenburg) door rentmeester Padborch was gedwongen om 40 vaten haver te betalen. Dit kwam door een oude stichting (een nisse, een soort religieuze verplichting) die oorspronkelijk bij een huis in Benssenrade hoorde, maar door verval was overgegaan naar Schaesborgh. Padborch claimde dat de kapel van Welten (bij Heerle) hier recht op had. De Staten-Generaal gaven Padborch 14 dagen om hierop te reageren.
-
Advocaten die werkten voor de Chambre Mi-partie (een rechtscollege) hadden stukken nodig over het klooster van Huijbergen voor een zaak. Ze vroegen om:
- Een gedetailleerde kaart van Huijbergen (dorp en klooster).
- Een officiële kopie van de akte waarbij het Land van Bergen op Zoom een markizaat (adellijk gebied) werd.
De kaart lag bij de griffie (administratie) van de Staten-Generaal; rentmeester Turck moest de kopie van de akte regelen als die niet bij de griffie lag. De Raad van State en de Rekenkamer van de Generaliteit (financiële instanties) moesten ook toegang geven tot relevante stukken. Dit verzoek werd goedgekeurd.
-
Op 11 juni 1654 werden de besluiten van 10 juni bevestigd en werden de bijbehorende brieven en opdrachten verzonden.
-
Op 9 juni 1654 ontvingen de Staten-Generaal een verzoek van het College ter Admiraliteit van het Noorderkwartier (in Hoorn). Zij wilden dat het nieuwe schip van viceadmiraal Pieter Floriss zou worden ingezet om de scheepvaart en handel te beschermen in de Baai van Frankrijk (het Kanaal) of elders. De afgevaardigden van Holland vroegen een kopie van deze brief, wat werd toegestaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3260 / 0508
De Staten-Generaal bespraken verschillende zaken en namen daarover beslissingen:
- Professor Moris kreeg 200 Carolusguldens als beloning voor het vertalen van een vredesverdrag met de Republiek Engeland van het Latijn naar het Frans.
- De klacht van het bestuur van Aardenburg over Jan Ellieul (een penningmeester) en Antonis de Munck (een ambtenaar van de Isabellepolder) werd doorgestuurd naar de Gedeputeerden die naar Vlaanderen gingen. Zij moesten ter plekke de zaak onderzoeken en definitief oplossen.
- In een rechtszaak tussen Sigismundus Limmer (een vervanger van de baljuw van Hulsterambacht) en Cornelis Betijnck (een rijnschipper) werd besloten dat Betijnck een tegenreactie (dupliceren) mocht geven.
- Een pachter van het landgoed Beussenrade (bij Heerle, Land van Valkenburg) was door rentmeester Padborch opgeroepen om 40 vaten haver te betalen. Dit kwam door een oude regel over wekelijkse missen in een kapel die niet meer bestond. De Staten vroegen Padborch om binnen 14 dagen een verklaring te geven.
- Advocaten die werkten voor de Raad van State en de Chambre Mi-partie (een rechtscollege) hadden een gedetailleerde kaart en een officiële kopie nodig van de oprichtingsakte van het Land van Bergen op Zoom als markizaat. Ze vroegen de Staten om rentmeester Turck opdracht te geven deze documenten te leveren. De Staten stemden hiermee in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3216 / 0453
- Op 8 juli 1634 hielden de Staten-Generaal een vergadering onder leiding van Ripperda. Aanwezig waren onder anderen Rantwyck, Bemmel, Noortwyck, Oetgens, Nobel, Pauw, Beaumont Weede, Swartsenburg, Staackmans, Ter Culen en Schaffer.
- Er werd besproken of er een algemene vasten- en biddag moest worden uitgeschreven. Holland wilde hier eerst over nadenken.
- De Ridders van Malta vroegen vrijstelling van belastingen over hun bezittingen in Vlaanderen. De Staten beslisten hierover advies te vragen aan de Raad van State.
- De Gedeputeerden te Velde (afgevaardigden bij het leger) stuurden vanuit Nijmegen een brief met een melding, maar hier werd geen besluit over genomen.
- De Ontvanger-Generaal Doublet kreeg toestemming om 18.000 of 19.000 gulden in munten of via wisselbrieven naar Roermond te sturen, zoals eerder op 30 juni 1634 was besloten.
- De weduwe van Philips Gercy moest zich wenden tot de rechtbank voor haar verzoek.
- De ondergedoken pastoor Wilhelmus Georgy Sekel uit Drieën kreeg toestemming om een verzoek in te dienen bij de regering van Keurvorst Brandenburg, om zijn functie terug te krijgen.
- Er werd besloten dat op 2 augustus 1634 een vasten- en biddag zou worden gehouden in alle gewesten en gebieden die daar onder vielen.
- De agent Isacq Antonie Lus uit Luik kreeg een subsidie van 250 gulden.
- Inwoners uit het Kempenland (onder 's-Hertogenbosch) vroegen toestemming om 20 paarden uit te voeren. De Staten wilden eerst weten wie deze inwoners precies waren.
- De Staten van Utrecht reageerden op een brief over 5 soorten munten (specie), maar hier werd geen besluit over genomen.
- Albert Sonck werd benoemd om in de Rekenkamer van de Generaliteit de plaats in te nemen van Brunincx. Hij legde de eed af.
- De weduwe Belderbusch vroeg om dezelfde vrijstelling als een zekere Schaesberch (een ambtenaar uit Brugge in Gulik), die vrijgesteld was van strafmaatregelen. De Staten wilden eerst oude stukken hierover bekijken.
- Het verzoek van Jaques Gysbrechts (over een wisselbrief) werd goedgekeurd, mits er rekening werd gehouden met wat hem niet toekwam.
- Augustijn Philips en zijn compagnon kregen toestemming voor een civiele procedure in Zeeland, waarbij ze onder ede getuigen mochten oproepen.
- Lous Saulmon kreeg toestemming om de naam Jan Muller toe te voegen aan een eerder verleende vergunning.
- Het oude regiment van Baron van Gent klaagde over achterstallige betalingen door de regering van Brandenburg. De Staten zouden hierover praten met de afgevaardigden van Brandenburg.
- De declaratie van agent Bilderbeeck (van 1 januari 1633 tot 31 december 1633) werd goedgekeurd voor een bedrag van 1348 gulden en 15 stuivers. Hierop zou een betalingsopdracht worden afgegeven.
- Hendrick Sebrechts van Osch (uit 's-Hertogenbosch) kreeg toestemming om 4 paarden uit te voeren, mits hij belasting betaalde en borg stond.
- Een zekere uitvinder wilde zijn nieuwe uitvinding (van 10 juli 1634) niet bekendmaken, tenzij hij de algemene leiding kreeg als zijn uitvinding zou worden aangenomen. De Staten stemden hiermee in.
- Van Swarsenburch kreeg de opdracht om naar Friesland te gaan en de Staten van Friesland te vragen om:
- het resterende deel van de eerste 500.000 gulden van het miljoen voor legerkosten voor dat jaar te betalen;
- voorschieten van één maand soldij voor de troepen die nu in dienst waren.
- De griffier Musch kreeg een vrijgeleide om een kamertapijt uit Vlaanderen te halen.
- Er kwam een brief uit Bayonne (van Lodow. Versen, 29 juni 1634) over een Spaanse vloot die koopvaarders in Biskaje aanviel. De Staten besloten de Admiraliteitscolleges hierover te waarschuwen, zodat ze maatregelen konden nemen.
- De heren Eck en Jaersvelt (raden bij de Admiraliteit van de Maze in Amsterdam) vroegen betaling van ongeveer 75.000 gulden voor loonkosten en soldij van officieren en matrozen op oorlogsschepen. Doublet kreeg opdracht dit uit de inkomsten van de Generaliteit te betalen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3193 / 0365
- Op 8 februari 1744 schrijft M. de Swart uit Sint-Petersburg dat een veldmaarschalk naar een ongenoemde locatie zal komen om daar het bestuur over te nemen. Tot die tijd wordt het bestuur waargenomen door generaal-luitenant Vorst Repnin.
- Op 25 februari 1744 schrijft M. van Lansberge uit Keulen:
- De ijsgang op de Moezel begon op zaterdagavond 23 februari rond 1 uur 's nachts en duurde de hele zondag, maar nam tegen de avond af. De Bovenrijn en de Nederrijn bij Rijnberg zitten nog vast, met veel ijsophoping.
- De komeet die sinds 14 december 1743 zichtbaar was, wordt nu zwakker. Eerst verscheen deze in het zuiden met een staart richting zuid; nu komt deze op in het westen met de staart naar het noorden.
- In Bonn is de Keulse Landdag geopend. Er was sprake van een gemaskerd bal door de keurvorst, maar het is onbekend of dit doorging. Ook Graaf van Schaesberg zou in Düsseldorf een bal geven, waar Prinses van Nassau-Siegen en Gravin van Ingenheim voor verwacht werden.
- Men vraagt zich in Düsseldorf af waarom het hof van Wenen geen verzoeken heeft gestuurd aan de hoven van Berlijn en Mannheim om de doortocht van Aartshertogin Maria Theresia van Oostenrijk en Prins Karel van Lotharingen te vergemakkelijken. Hun route loopt via Driesburg, Dortmund, en Düsseldorf, mogelijk om het keizerlijke garnizoen in Duitsburg te vermijden.
- De keurvorst van de Palts ontdekte dat er in zijn gebieden Gulik en Berg meer landerijen waren dan in de belastingregisters stonden. Hij liet een onderzoek doen en eist nu achterstallige belastingen. Sommige gemeenten in Lülsdorf (in Berg) weigeren te betalen, waarna de keurvorst dreigt met militaire dwang.
- Op 13 februari 1744 werd gemeld dat er een militaire eenheid uit Düsseldorf zou vertrekken om de weigerachtige gemeenten te dwingen, maar het is onbekend of dit is gebeurd.
- De troepen van de Palts die uit Beieren kwamen, staan nog in veldtenue, wat in Düsseldorf doet vermoeden dat het hof van Mannheim niet neutraal zal blijven. Deze troepen zullen zich bij het "neutraliteitsleger" voegen.
- Officieren van infanterie en cavalerie kregen opdracht hun compagnieën aan te vullen en nieuwe paarden te kopen om oude, onbruikbare paarden te vervangen.
- In Neuss (met een garnizoen uit Hannover) neemt de commandant strenge maatregelen: verdubbeling van wachten op de wallen en nachtelijke patrouilles van 8 tot 10 man buiten de stad, mogelijk om desertie tegen te gaan.
- Op 22 februari 1744 schrijft L. van Marteville uit Berlijn:
- De koning keerde op 19 februari terug uit Potsdam naar Berlijn, ontving buitenlandse gezanten en dineerde met de koningin-moeder. Hij bezocht een Franse komedie en vertrok de volgende ochtend naar Rheinsberg, om daarna terug te keren naar Potsdam.
- Baron van Cender vertrok als Pruisisch gezant naar Stettin (nu Szczecin). Keller, de gezant van Württemberg, zal binnenkort naar zijn landgoederen in Saksen reizen. Er gaan geruchten dat Markgraaf Karel van Brandenburg incognito zal reizen, maar dit is niet bevestigd.
- Lord Tyrconnel reisde via Dresden naar Sint-Petersburg, zonder Berlijn aan te doen. Zijn secretaris was al eerder vertrokken om hem in Petersburg op te wachten.
- Het huwelijk van de dochter van Prinses van Anhalt-Zerbst met de Russische troonopvolger is bevestigd. Zij vertrekt met een gevolg van dames en een kamerheer naar Moskou. Er wordt gespeculeerd dat Wenen hierbij betrokken is.
- Er is niets meer gehoord over een huwelijk tussen de Zweedse kroonprins en een prinses uit het Pruisische huis.
- Veldmaarschalk Graaf von Seckendorff heeft een persoonlijke brief van de keizer aan de Pruisische koning overhandigd. Hij probeerde ook steun te krijgen voor het "neutraliteitsleger", maar zonder succes in Berlijn en Dresden. De Beierse partij ontkent dat hij een officiële opdracht van de keizer had.
- Baron von Morbach, kamerheer van de koning van Polen, is in Berlijn aangekomen en zal binnenkort naar Koerland (nu deel van Letland) reizen.
- Op 15 februari 1744 schrijft Marteville opnieuw uit Berlijn:
- Er werd gevraagd of de Republiek ooit bereid zou zijn de soevereiniteit over Montfort te verkopen. Het antwoord was dat dit onwaarschijnlijk is.
- Het huwelijk van de Zweedse kroonprins met een prinses uit het Pruisische huis lijkt van de baan. Volgens geruchten is de keuze nu gevallen op een prinses uit Kassel. Als dit huwelijk niet doorgaat, zal de koning van Zweden mogelijk voor de rest van zijn leven in Kassel verblijven.
- De Oostenrijkse generaal Schmersing heeft besloten niet in Pruisische dienst te treden. De werving van soldaten gaat door.
- Saksen eist volgens het kartel (afspraak over gevangenenruil) 60 tot 70 man terug, en Hannover 22 man, die gevangen zijn genomen in Meklenburg. Geld dat huzarenofficieren daar bij executies hadden afgepakt, moest worden teruggegeven aan de regimentskas.
- De Pruisische gezant in Wenen, Graaf von Dohna, meldde dat de Venetiaanse gezant Capello een paspoort had gekregen voor zichzelf en zijn bagage, die de Rijn af zou reizen. De Pruisische koning beval echter dit paspoort niet te respecteren en tol te heffen, als vergelding voor het gebrek aan respect van Venetië voor Pruisen. Er zouden ook problemen zijn geweest met werving op Venetiaans gebied.
- Eenzelfde bevel gold voor de paarden die Prins Karel van Lotharingen zou gebruiken voor zijn reis naar Brussel, hoewel zijn vertrek uitgesteld lijkt. Hij zal waarschijnlijk het leger aan de Rijn blijven leidinggeven, samen met de generaals Wallis en Königsegg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12089 / 0136
Resident Lansberge schreef op
25 februari 1744 een brief aan de
Hoog Mogende Heren (de leiders van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden) met nieuws uit
Keulen en omgeving. Hier volgt een samenvatting van zijn verslag:
- Lansberge verontschuldigde zich dat hij minder vaak schreef, omdat er weinig nieuws was.
- De hertog van Arenberg was op vrijdag 22 februari 1744 door Keulen gereisd op weg naar Brussel, na een reis van 7 dagen vanuit Wenen.
- In de nacht van zaterdag 23 februari op zondag 24 februari 1744 werd in Keulen het gebruikelijke teken gegeven (een kanonschot) dat het ijs op de Moezel begon te breken. Dit duurde de hele zondag, maar stopte tegen de avond. De Boven-Rijn en de Neder-Rijn bij Rijnberg waren nog bevroren, met veel ijsophoping.
- De komeet die sinds 14 december 1743 zichtbaar was en steeds helderder werd, leek nu te verdwijnen. Lansberge zag hem de avond ervoor nog maar een half uur. Eerst verscheen de komeet in het zuidwesten met zijn staart naar het zuiden, maar nu kwam hij op in het westen met zijn staart naar het noorden.
- Op 24 februari 1744 opende de Keulse Landdag in Bonn. Er werd gesproken over een gemaskerd bal dat de keurvorst (de vorst die de keizer mocht kiezen) daar twee dagen eerder zou geven, maar Lansberge wist niet of het doorging. Ook de graaf van Schaesberg gaf een bal in Düsseldorf, waar de prinses van Nassau-Siegen en de gravin van Ingenheim uit Keulen voor uitgenodigd waren.
- In Düsseldorf was men verbaasd dat het hof van Wenen nog geen officiële verzoeken (requisities) had gestuurd naar de hoven van Berlijn en Mannheim om de doortocht van de aartsherogin van Oostenrijk en prins Karel van Lotharingen te vergemakkelijken. Hun route was veranderd van Duisburg naar Dorsten en vervolgens direct naar Düsseldorf, mogelijk omdat er keizerlijke troepen in Duisburg lagen.
- De keurvorst van Beieren (ook wel keurvorst van de Palts genoemd) had ontdekt dat er in zijn gebieden Gulik en Berg meer landerijen waren dan in de belastingregisters stonden. Hij eiste nu de achterstallige belastingen op. Sommige gemeenten in het amt Culsdorf (in Berg) wilden hier niet aan meewerken. De keurvorst wilde hen met militaire dwang laten gehoorzamen. Op 13 februari 1744 hoorde Lansberge dat er een commando uit Düsseldorf zou vertrekken om dit af te dwingen, maar hij wist niet of dit al gebeurd was.
- Omdat de troepen van de keurvorst van Beieren, die uit Beieren waren gekomen, nog op oorlogssterkte waren, dacht men in Düsseldorf dat het hof van Mannheim niet neutraal zou blijven. Ze zouden hun troepen bij het Neutraliteitsleger voegen, een leger dat officieel neutraal was maar toch als bedreiging werd gezien.
- Officieren van de infanterie hadden opdracht gekregen hun compagnieën aan te vullen, en cavaleristen moesten nieuwe paarden kopen om verlies te vervangen.
- In Neuss, waar Hannoveraanse troepen lagen, nam de commandant extra maatregelen: hij verdubbelde de wachten op de stadswallen en liet 's nachts patrouilles van 8 tot 10 man lopen. Men dacht dat dit was om desertie (weglopen van soldaten) te voorkomen.
Lansberge schreef ook op
2 maart 1744 een korte update:
- De Boven-Rijn was nog bevroren, en volgens sommigen ook de Rijn bij Rijnberg, maar anderen ontkenden dat. Lansberge kon het niet bevestigen.
- In Keulen werd sterk propaganda gemaakt voor de keizer, met redelijk succes.
- Het gerucht dat de nuntius Crivelli (pauselijk gezant) naar Polen zou gaan en opgevolgd zou worden door iemand genaamd Tatta, klopte niet. Crivelli ging naar Brussel, en zijn opvolger heette Spinola. Vanuit Brussel kon Crivelli makkelijker kardinaal worden dan vanuit Keulen of Venetië.
- Enkele dagen eerder was in Bonn een tragedie (waarschijnlijk Zaire) opgevoerd, waarin de keurvorst zelf meespeelde. Omdat de graaf van Sade afwezig was, nam de graaf van Cobenzel zijn rol over.
- Nu de festiviteiten in Bonn voorbij waren, zou Lansberge daar de volgende dag naartoe gaan.
- Op 26 februari 1744 (dinsdag) kwam er in Düsseldorf een koerier met kopieën van de verzoeken die Wenen alsnog aan Mannheim had gestuurd voor de doortocht van de aartsherogin en prins Karel. Zij zouden rond 15 maart 1744 in Düsseldorf aankomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11368 / 0091
- Op 28 februari 1744 meldt M. V. Lansberge vanuit Keulen dat er in Neuss voorbereidingen worden getroffen vanwege Prussische wervers in de omgeving. Deze wervers zijn actief in de gebieden Angermund en Metman (in het Hertogdom Berg). Ook is er een opdracht gegeven om een fort bij Düsseldorf (gebouwd sinds 1728 en gekostend meer dan 50.000 rijksdaalders) te slopen, omdat het Domkapittel van Keulen hierop aandringt.
- Op 3 maart 1744 schrijft Lansberge vanuit Bonn dat de keurvorst (keizerlijke vorst) een dag eerder naar Brühl is gereisd, waardoor hij niets kon bereiken. Hij hoopt snel resultaat op de Landdag (vergadering van staatsgezanten), maar weet niet of het "Artikel van de Simpelen" (een specifiek onderhandelingspunt) al is besproken. Twee afgevaardigden uit Münster, Baron van Galen en Baron van Blettenberg, proberen tevergeefs de omvang van hun leger te verminderen.
- De sloping van het fort bij Düsseldorf zal beginnen als de dagen langer worden. Als de keurvorstelijke paar (waarschijnlijk een vorstelijk echtpaar) langs Düsseldorf reist, zal Graaf van Schaesberg hen verwelkomen. Het garnizoen zal opgesteld staan, en er zullen saluutschoten worden afgevuurd. Er is onzekerheid over de route: mogelijk gaan ze via Goch, Kleef en Breda, zoals Graaf van Königsegg-Erps heeft voorgesteld.
- Op 14 maart 1744 meldt Lansberge dat het ijs op de Bovenrijn en Main is gesmolten, wat hoogwater veroorzaakt in Keulen en Bonn. Hij verwacht dat dit nieuws al in de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden bekend is.
- De zaak van Graaf van Wassenaer (aangespannen op 26 november) is eindelijk in behandeling bij het hof. Lansberge hoopt op een snelle afronding. Ook de klachten van Bentheim (ingediend op 7 februari) worden besproken, en hij verwacht hier spoedig goed nieuws over.
- De ratificatie (goedkeuring) van het verdrag over Bourtange (een vesting) wordt afgewacht. Lansberge denkt dat enkele provincies het al hebben goedgekeurd, maar dat hun advies nog niet bij de Staten-Generaal is ingediend.
- De afgevaardigden uit Münster zijn vertrokken, nu duidelijk is dat hun troepen niet zullen worden ontslagen. Op 20 maart zullen Hannoveraanse troepen vertrekken naar Brabant. De precieze datum en bestemming van de keizerlijke troepen in Kleef en Berg zijn nog onbekend.
- Het is nog onzeker of de vorstelijke reizigers via Düsseldorf of door de Republiek zullen reizen. Ondanks deze onzekerheid gaat de voorbereiding in Düsseldorf door.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11368 / 0093
- De consul had een brief ontvangen waarin stond dat sommige mensen (die eerder hadden afgeraden om actie te ondernemen) zeiden dat ze:
- geen geld hadden voor de kosten,
- de Spaanse taal niet spraken.
- In een naschrift van de brief stond dat 's nachts laat een pakket uit San Sebastián was bezorgd met:
Deze brieven meldden dat er een advocaat en een procureur (juridisch vertegenwoordiger) waren geweest om een zaak te verdedigen. Een kapitein (een "caper") had gevraagd om een schip te mogen lossen, maar het antwoord was dat:
- het schip niet bezocht (geïnspecteerd) of gelost mocht worden,
- de zaak als bewijs was opgenomen met een termijn van 30 dagen om te reageren.
- De Gedeputeerden van de Staten van Holland en West-Friesland namen een kopie van de brief en bijlagen om deze later met anderen te bespreken.
- Op 17 juli 1744 werd een verzoek gelezen van drie adellijke heren uit het Land van Valkenburg:
Zij vertelden dat tijdens een vergadering op 14 juli 1744 mr. Gevert van Slippe (griffier van het land) had voorgesteld om:
- zijn minderjarige zoon als assistent (adjunct) toe te voegen en hem het recht op opvolging (survivance) te geven,
- hetzelfde te doen voor de minderjarige zoon van Alexander van Kervel (als agent).
De drie heren hadden hiertegen geprotesteerd, omdat:
- dit in strijd was met de regels van hun hoogmogenden (de hoogste bestuurders),
- beslissingen over ambten alleen unaniem (met ieders instemming) genomen mochten worden, niet bij meerderheid.
Toch waren de andere leden akkoord gegaan, dus de drie heren wilden hierover klagen bij hun hoogmogenden. Zij vroegen om:
- niet akkoord te gaan met de survivance,
- hen eerst te horen als er toch een beslissing genomen zou worden,
- hun verzoek als officieel protest (antidotaal) te beschouwen.
Na beraad werd besloten het verzoek als protest op te slaan bij de griffie van hun hoogmogenden.
- Op een memorie van de heren van Bleiswijck en van Weeswijck (namens de Raad van State) over het verhuren van landmiddelen en het controleren van magazijnen langs de Maas, werd besloten:
- twee paspoorten uit te geven (één voor elke heer),
- zodat zij met een koets met paarden en bagage vrij konden reizen zonder tol te betalen.
- De heer Buteua (voorzitter van de vergadering) meldde dat Graaf van Hempesch (ex-commandant van Fort de Knocque) hem een verslag had gegeven over het beleg van dat fort. Er werd besloten:
- De Gedeputeerden van Zeeland herhaalden hun verzoek (van 10 juli 1744) om schepen die bestemd waren voor de koning van Groot-Brittannië, in te zetten voor de bescherming van de kust van de Republiek, omdat deze anders gevaar liep. Er werd hierover beraadslaagd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2475 / 0102
De tekst beschrijft een lijst van leenrechten (een soort belasting of verplichting aan een heer) in de regio Gelderland en Limburg, die opnieuw moeten worden toegekend omdat de vorige eigenaren zijn overleden. Hier een overzicht:
- Een stuk land genaamd Witthem bij Nieuwstad, inclusief belastingrechten (tienden), werd voor het laatst verhuurd in 1771 door Johannes Geraards. De vorige eigenaar, Godfried Welheemus de Bretone, handelde namens Franco Amolz Marquis van Hoensbroek, maar deze is overleden. Het land is nu vrij en moet opnieuw verhuurd worden.
- Een stuk land genaamd Pentwint bij Nieuwstad, ook met belastingrechten, werd eerder verhuurd maar is nu vrij. Een deel hiervan heet in de volksmond Zuchswinkel en is nu bezet door de erfgenamen van Johannes Fegen.
- 20 morgen (oude maat voor land, ongeveer 17 hectare) bouwland en 38 morgen bos bij de Grote Hoeve onder Beesel werden voor het laatst verhuurd in 15 april 1771 door Johannes Geraards. Ook dit land is nu vrij en moet opnieuw verhuurd worden.
- Een molen genaamd Offenbeek en visrechten bij een hof in Kessel (onder Beesel) werden voor het laatst verhuurd in 20 maart 1728 door Advocaat T. Junckers namens de minderjarige Willem van Meerwijk. In 6 november 1744 zwoer Petrus Kenseler, een geestelijke, trouw namens Willem van Meerwijk. Beide vertegenwoordigers zijn inmiddels overleden, dus de originele documenten moeten worden gecontroleerd en het land moet opnieuw verhuurd worden.
- De Ouderhof in Ingenhijdel (onder Beesel) werd voor het laatst verhuurd in 1703 door Theodoor Wijders. In 16 september 1717 zwoer Michiel Dispasden trouw aan de landheer, maar beide zijn nu overleden. Het land is vrij en moet opnieuw verhuurd worden.
- De tienden (belasting) van Ingenloo (onder Belfelt) werden voor het laatst verhuurd in 2 december 1728 door Henricus Fransen namens Anna Elisabeth Louisa van Hundt. Omdat Willem Warner Baron van Hundt is overleden, is dit recht nu vrij en moet opnieuw verhuurd worden.
- Visrechten in de Omaze (bij Venlo) werden voor het laatst verhuurd in 31 januari 1720 aan Theodoorus Heijne. Na diens overlijden is dit recht vrij en moet opnieuw verhuurd worden.
Tot slot wordt vermeld dat volgens oude documenten uit 1494 en 1588 er nog een onduidelijk leenrecht bestaat voor de stadstol in Gorinchem. Het is niet duidelijk of dit recht nog geldt of is vervallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11568 / 0205
Er werden twee bijlagen ontvangen:
- Een brief van Commissaris Pels uit Danzig, gedateerd 10 november, met een mededeling waarover geen beslissing is genomen.
- Een brief van Consul Henrick Deutecom uit Sevilla, gedateerd 23 september, ook met een mededeling waarover geen beslissing is genomen.
- Drie brieven van Ambroos in Reeden Renswoude uit Madrid, allemaal gedateerd 31 augustus, met een specifieke mededeling over een plakkaat (officiële bekendmaking) van de koning van Frankrijk. Hierover is besloten dat de inhoud van de Spaanse brief, die ging over goederen in gebieden die recent aan de Franse koning waren afgestaan, zou worden onderzocht door de Raad van Brabant, heer van Peul, heer van Gent (stadhouder en voogd van Valkenburg en Overmaze), Huyghens en andere hoge heren die waren aangesteld voor Franse en Spaanse zaken. Zij moesten de zaak onderzoeken, beoordelen en er verslag over uitbrengen.
Tijdens de vergadering werd ook een vonnis voorgelezen en besproken. Dit vonnis was op 19 november 1668 uitgesproken door de Raad en Leenhof van Brabant en het Hof van Overmaze. Het ging over een conflict tussen twee partijen:
De Raad had de zaak zorgvuldig bestudeerd en besloten:
- Het verzoek van de eiser werd ingewilligd: hij mocht zich de titel Baron van Geull blijven noemen.
- De eis van de verweerder werd afgewezen.
- De proceskosten werden gecompenseerd (verdeeld).
Het vonnis was ondertekend door N. van der Haer. De vergadering besloot dit vonnis als een officiële kennisgeving te accepteren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 193 / 0268
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1045 / 0129
- Joncke Hessels, een paardenhandelaar uit Groningen, kreeg toestemming om 46 paarden over zee naar Frankrijk te vervoeren. Hij moest wel:
- belasting betalen over de paarden,
- garanties geven dat de paarden nergens anders dan in Frankrijk (ten zuiden van de rivier de Somme) zouden worden afgeleverd.
- Het verzoek van burgers uit Dorsten (ondersteund door Ritmeester Isselstein) om 20 paarden uit Oldenburg te mogen vervoeren, werd afgewezen.
- De inwoners van Vroomshout vroegen om vrijstelling van belasting (contributie) over de laatste 3 jaar. Ze kregen gedeeltelijk hun zin:
- De Ridderschap en steden van Valkenburg vroegen vrijstelling van belasting voor de jaren 1633-1634. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de Raad van State voor advies.
- Dirk Keuerloo had een conflict met Bartel Cornelisz. (smit) over het maken van ijzeren voorwerpen. De zaak werd uitgesteld.
- Hans Sigismond van Bernsau, heer van Hardenberg (aanbevolen door de hertog van Bullion), kreeg toestemming om bij de keurvorst van Keulen te regelen dat zijn landgoed vrijgesteld zou worden van alle belastingen en heffingen.
- Arnout Lus, commissaris in Roermond, vroeg om betaling van 3.644 gulden, 8 stuivers en 8 penningen volgens een besluit van 17 februari 1635. Hij moest zich wenden tot de Raad van State voor verdere afhandeling.
- Er kwam een brief van de Nederlandse gezanten in Frankrijk (gedateerd 9 februari 1635 uit Parijs), maar hier werd geen beslissing over genomen.
De vergadering vond plaats op 18 februari 1635 onder leiding van heer Tienhoven. Aanwezig waren onder anderen: Graaf van Culemborg, Rantwyck, Verbolt, Beaumont, Ripperda en Swartsenburg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3194 / 0088
De bisschop van Würzburg wilde al een tijdje door
Straatsburg en
Elzas trekken en vervolgens door
Lorraine. Daarom had
de hertog (waarschijnlijk
Alexander Farnese, hertog van Parma) soldaten bij alle doorgangen geplaatst om weerstand te bieden tegen de troepen uit
Milaan.
Uit brieven uit
Spanje bleek dat
de hertog van Savoje met 30.000 man in
Barcelona was om terug te keren naar
Italië. In
Provence, bij
Aix, had
Monseigneur de la Valletta een belangrijke plaats ingenomen. Hij probeerde ook een vesting bij de grens met
Savoje te veroveren, maar dat lukte niet.
In eigen land gold een verbod: niemand mocht graan op het veld vooraf kopen tot
11 juli 1591. Wie dat al had gedaan, moest het geld terugkrijgen.
Uit
Constantinopel kwam nieuws dat de oorlog in
Perzië doorging. De scheepswerven daar werkten hard, dus er zouden dat jaar waarschijnlijk geen nieuwe schepen gebouwd worden.
De Raad van State schreef op
17 juni 1591 (ontvangen
19 juni) dat de vijand nog in de
Betuwe was.
Graaf Van den Bergh (vermoedelijk bedoeld met "Rontsom Guodsenborg") leidde een deel van zijn troepen, terwijl de rest aan de andere kant van de rivier bleef om
's-Hertogenbosch in bedwang te houden en makkelijker voedsel van bovenaf te krijgen. Het ruitervollek kon weinig uitrichten in de
Betuwe en wilde niet oversteken vanwege het regenachtige weer, dat de rivieren deed stijgen. Door dijken door te steken, konden ze de vijand in het nauw drijven.
Het exacte aantal vijandelijke troepen was onduidelijk: sommigen zeiden dat het er weinig waren, maar
de Raad van State vermoedde van niet. Ze vonden dat alle beschikbare soldaten klaar moesten staan. Ze wachtten op
de graaf van Leicester (vermoedelijk bedoeld met "syn Exc:") om het leger te versterken en de verwoeste gebieden te bevrijden.
De troepen in
Ewijk en
Zevenbergen waren gemotiveerd en deden dagelijks uitvallen, wat schade toebracht aan het vijandelijke leger. Ze hoopten dat
de graaf van Leicester snel en veilig met het leger zou komen, vooral nu het slechte weer de vijand kon hinderen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11836 / 0357
In de 16e eeuw werd een overeenkomst gesloten tussen de
keurvorst van de Palts (een Duitse vorst) en een andere partij, waarbij de volgende afspraken werden gemaakt:
- De partij beloofde om elke 3 maanden een bedrag van 11.228 dukaten (een oude muntsoort uit Napels) te betalen aan de keurvorst of diens vertegenwoordiger. Dit bedrag moest zonder enige korting worden betaald.
- Als extra zekerheid werd afgesproken dat, als de douane (genaamd Dogana) niet genoeg geld kon opbrengen, er een ander middel zou worden gevonden om het bedrag te betalen.
- De overeenkomst gold ook voor de gebieden Herpen, Limmer en Kempen, maar het recht op eigendom of inkomsten uit deze gebieden was al overgedragen aan de keurvorst.
- Er was een geschil over een lening van 75.000 daalders (een andere oude muntsoort, Philippusdaalders) die Cames van Schaesberg had gekregen voor deze gebieden. Omdat niet duidelijk was of deze lening rechtmatig was, werd afgesproken dat:
- Cames van Schaesberg het geld bij de overheid van de rijksstad Keulen (imperialis Colleniensis) moest storten.
- Dit geld zou daar blijven totdat er een beslissing was genomen over het geschil.
- Niemand mocht het geld opeisen of eruit halen, behalve als Cames van Schaesberg de originele leningsovereenkomst kon laten zien.
Deze afspraken golden voor de
Oostenrijkse Nederlanden (ongeveer het huidige
België en delen van
Nederland) en werden vastgelegd in artikel
59.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11742 / 0064
De afgevaardigden melden aan
Hare Hoog Mogenden dat de zaken niet zo vlot verlopen als gehoopt, ondanks hun wens.
Hier de belangrijkste punten:
- Op 13 maart lieten ze weten dat de onderhandelingen met de Spaanse afgevaardigden vorderingen maakten. De koning van Spanje had de voorlopige afspraken (preliminairen) al bekendgemaakt, waardoor de grenzen en doorgangsroutes bepaald konden worden. Ze wilden binnen 2-3 dagen naar Schaesberg reizen om dit af te handelen. Ook herhaalden ze hun verzoek over de besproken geldsom bij schout Groulaert.
- Op 19 maart (79 dagen na 26 december 1661) bevestigden de Spaanse afgevaardigden dat de voorlopige afspraken en het verdrag van 26 december 1661 in alle Spaanse gebieden waren afgekondigd. Nu konden de grenzen en routes definitief worden vastgelegd. Ze hoopten hier binnen 2-3 dagen mee te beginnen en naar Schaesberg te gaan.
- Toch loopt het niet soepel: de Spaanse afgevaardigden hebben nog geen instructies gekregen over de punten uit de resolutie van Hare Hoog Mogenden van 5 maart. Ze wachten op verdere opdrachten van markies de Caracena. Bovendien geeft hun nieuwe opdracht uit Brussel (waarvan een kopie is meegestuurd) hen niet genoeg bevoegdheid om alles volgens de voorlopige afspraken en het verdrag van 26 december 1661 af te ronden, zoals Hare Hoog Mogenden duidelijk hadden gevraagd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8977 / 0042
De tekst gaat over een juridisch geschil rondom de erkenning van leenrechten door de heren van Schaesberg aan de keizer. Hier een samenvatting:
- Op 28 juni 1639 erkende Frederik van Schaesberg voor het eerst twee lenen: den Etten en de Haeckt. Deze erkenning gebeurde bij de leenhof van het hertogdom Brabant, dat onder gezag stond van de keizer.
- Uit documenten blijkt dat Frederik van Schaesberg deze goederen al eerder, in 1535 en 1602, als leen had ontvangen van de hertog van Gulik (Juliers).
- Op 23 juni 1619 werd een soortgelijke erkenning gedaan, maar het is onduidelijk of dit een nieuwe leenverlening was of slechts een bevestiging van bestaande rechten.
- De leenrechtelijke situatie is complex: de erkenning van 1619 kan niet gezien worden als een nieuwe leenverlening, omdat het geen nieuwe rechten schept. Het is eerder een bevestiging van bestaande leenrechten.
- De goederen werden daarna opnieuw erkend door de leenhof van Düsseldorf in 1622 en 1654, wat aantoont dat de erkenning van 1619 geen nieuwe leenverlening was.
- Uit de stukken blijkt dat de heren van Schaesberg sinds 1733 geen erkenning meer hadden gedaan bij de leenhof van Brabant, tot 1749.
- De documenten van de tegenpartij ondersteunen juist het standpunt van Schaesberg: ze tonen aan dat er geen sprake was van een nieuwe leenverlening, maar van een bevestiging van bestaande rechten.
- De heerlijkheid Schaesberg was een leen dat al sinds 1466 bestond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11643 / 0151
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3045 / 0201
In
26 januari 1772 was er een geschil over het leenrecht van het kasteel en de heerlijkheid
Schaesberg, gelegen bij
Valkenburg.
De stadhouder en leenmannen van het Manhuys van Valken (een leenhof) hadden een rechtszaak lopen over de verdeling van een erfenis. Een vrouw, wier man was overleden, had een zogenaamde
purgatie civiel (een juridische procedure om leenrechten te bewijzen) aangespannen bij het
Leenhof van Valkenburg. Hierbij claimde ze rechten op een deel van de heerlijkheid
Schaesberg.
Graaf van Schaesberg, die in
Ripstad Aken woonde, was het hier niet mee eens. Hij stelde dat:
De graaf eiste dat de zaak verplaatst zou worden naar het
juiste leenhof, waar
Schaesberg volgens hem wel leenplichtig was. Eerst noemde hij niet
welk leenhof dat dan wel was, maar later claimde hij in een schriftelijke verklaring met bijlagen dat:
Door deze tegenwerping (
exceptie declinatoir) werd de vrouw gedwongen de procedure voort te zetten. Ze moest met een
openbare eed (een plechtige bevestiging onder ede) aantonen dat het kasteel, de heerlijkheid en de goederen van
Schaesberg al sinds onheuglijke tijden afhankelijk waren van het kasteel van
Den... (de plaatsnaam ontbreekt in de tekst).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1683 / 0184
De graaf van Schaesberg claimde dat bepaalde landerijen en het kasteel
Schaesberg al eeuwenlang een leengoed (een soort erfpacht) waren van de leenhof (een rechtbank voor leenzaken) van
Valkenburg. Hij eiste dat de huidige eigenaar,
de graaf van Schaasbeng, zich hiervoor zou melden bij het leenhof om de leenplicht te bevestigen.
De graaf van Schaasbeng had hiertegen bezwaar gemaakt en stelde dat het goed een
oud Guliks leen was (een leen onder het voormalige hertogdom
Gulik). Volgens hem hoorde het bij de
Mankamer (een leenhof) in
Düsseldorf en was het nooit verbonden aan
Valkenburg.
De zaak was eerder behandeld door rechters die namens de keizer en koning (de hoogste gezagsdragers in het Heilige Roomse Rijk) een vonnis hadden geveld. Hierin werd bepaald dat:
- Het kasteel, de heerlijkheid (een soort bestuurlijk gebied) en de goederen van Schaesberg al sinds onheuglijke tijden onder Valkenburg vielen.
- Bij het Verdrag van Fontainebleau (1785) was de heerlijkheid Schaesberg onder het gezag van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden gekomen.
- Het leenhof van Valkenburg had op 8 juli 1791 een vonnis uitgesproken (en op 9 juli 1791 bekendgemaakt) dat de claims van de graaf van Schaesberg juist waren.
De graaf van Schaasbeng werd dus in het ongelijk gesteld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3659 / 0350
Op
23 augustus 1630 werd in
Amsterdam een huwelijksovereenkomst opgesteld door
Gerrit Hoijer Ras en
Grietgen van der Gous. Zij waren al getrouwd, maar legden nu de financiële afspraken vast. Hier de belangrijkste punten:
- Beide partijen waren tevreden met de financiële bijdragen die hun ouders hadden beloofd voor het huwelijk. Deze afspraken stonden in een apart document, ondertekend op 28 augustus (het jaar werd niet genoemd).
- Er zou geen gemeenschap van goederen zijn. Als een van beiden zou overlijden zonder kinderen, dan zou het ingebrchte geld en bezittingen teruggaan naar de familie van degene die het had meegebracht. Dit gold ook voor kleding, sieraden en persoonlijke spullen.
- Als er wel kinderen waren en een ouder overleed, dan erfden de kinderen het geld en de spullen van die ouder. Als een kind zonder nakomelingen overleed, ging de erfenis naar de andere kinderen. Als alle kinderen kinderloos overleden, ging de erfenis terug naar de familie van de overleden ouder.
- Winst en verlies tijdens het huwelijk zouden gelijk verdeeld worden (50/50), behalve erfenissen – die bleven van de oorspronkelijke eigenaar.
Gerrit Hoijer Ras en
Grietgen van der Gous beloofden deze afspraken strikt na te leven. Ze lieten dit officieel vastleggen door een notaris.
---
Op dezelfde dag,
23 augustus 1630, rond 16:00 uur, kwam het echtpaar voor notaris
Jacobo Westfrisio (een openbare notaris in
Amsterdam, erkend door het Hof van Holland).
Gerrit was ziek en lag in bed,
Grietgen was zwanger, maar beide waren helder van geest. Ze beseften dat het leven breekbaar is en de dood onvoorspelbaar. Daarom maakten ze, na een christelijke aanbeveling voor hun zielen en lichamen, hun
testament op.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 689207 / 144
- Het schip Batavia verging door slecht gedrag van de bemanning. De schepen Galias en Davidt waren door president Pelsaert vanaf de Cheribon (nabij Java) met soldaten en voorraden naar de Kust van Coromandel (Zuidoost-India) gestuurd.
- Op 12 juli werden deze schepen bij Negapatnam (ook India) veilig bereikt door de schepen Wapen van Hoorn en De Kamel, hoewel ze niet direct met elkaar spraken.
- De schepen die in 1628 en 1629 onder leiding van heer Specx waren vertrokken, kwamen bijna allemaal veilig aan, behalve de Batavia en het jacht Zoutelande, met weinig verlies van mensenlevens.
- De Batavia liep op 4 juni ’s nachts op een onzichtbaar rif, op 28,3 graden zuiderbreedte, ongeveer 16 kilometer van het Zuidland (waarschijnlijk Australië). Het schip liep vol water en kon niet gered worden.
- Op 3 juli arriveerde het schip Fredrik Hendrick vanuit de Straat Soenda (tussen Java en Sumatra), en kwam op 7 juli aan op de bestemming. Bij vertrek lieten ze de Batavia achter met nog levende opvarenden: 180 mensen, waaronder 30 vrouwen en kinderen.
- Deze mensen zaten vast op een zandbank, ongeveer 16 kilometer van het vasteland, zonder voldoende voorraden: slechts 12 ton brood, geen drinkwater, brandhout of middelen om het land of schepen te bereiken. Ze zouden waarschijnlijk sterven door honger en dorst.
- Voor het ongeluk vonden er op de Batavia ernstige wreedheden en misdaden plaats. Een van de daders, de hoofdbootsman, werd ter dood gebracht. Hij was onder andere betrokken bij het martelen van een vrouw genaamd Lucretia Jans, die met geweld over het schip werd gesleept en mishandeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1097 / 0010
- De beslissing over wie er voorrang krijgt om schepen (een soort rechter) te worden, wordt uitgesteld. De burgemeester en de raad moeten dit eerst nader bekijken. Tot die tijd blijven de weesmeesters (mensen die wezen helpen) hun huidige bevoegdheden houden.
- Omdat de functie van president (voorzitter) van de weeskamer in Batavia vrij is gekomen, besluit men Joan Cops, een belangrijke koopman en raadslid in de rechtbank, te benoemen voor deze functie.
- De bemanning van het jacht (een snel schip) Sardan heeft in een verzoek laten weten dat Francisco Pelsaert, de president, hen ernstig had opgeroepen om hun plicht te doen bij het bergen en vissen van de munten van het vergane schip Battavia. Hij beloofde hen een extra beloning als ze dit goed deden. Omdat ze hard hebben gewerkt, krijgen ze een beloning van 100 esseldoren (een soort munten) van 8 stuivers per stuk, die onder hen verdeeld moet worden naar rang en persoon.
- Op woensdag 13 maart 1630 laat kapitein Hans Jacobsz Bincker in een verzoek zien dat hij in 1623, toen hij gevangen zat in Macau, twee loonbriefjes kwijtraakte. Deze briefjes, met een totale waarde van 679 gulden en 19 stuivers, had hij verdiend tijdens zijn dienst op Fort Batavia en Fort Malayo in Ternate. De briefjes waren in handen gevallen van Hendrick Brustens. Door een vals transport (een vervalste overdracht) van de secretaris van der Dussen waren ze aan Brustens gegeven en in Europa in ontvangst genomen. Ondertussen was Hans Jacobsz uit zijn gevangenschap gekomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1099 / 0152
Deze tekst gaat over de straf en de inbeslagname van bezittingen van de opstandige en moordenaars uit Het Zuiderland. De zaak werd behandeld door commandeur Francisco Pelsaert en de scheepsraad van het schip Sardam, samen met de advocaat-fiscaal (openbaar aanklager) voor de Raad van Justitie.
De volgende bedragen werden maandelijks in beslag genomen en toegewezen:
De bedragen werden maandelijks geïnd en verdeeld zoals hierboven vermeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1104 / 0925
William Wylich was in
1645 en
1646 schepen in een bepaalde stad. Tijdens zijn tweede jaar als schepen gaf hij zijn functie als stadhouder op, met toestemming van de toenmalige hoogschout
Bergaigne. Zijn plaats als stadhouder werd ingenomen door
Laurens van Berkel, die zelf in
1648 en
1649 schepen was. Tijdens die jaren liet
Laurens van Berkel zijn taken als stadhouder waarnemen door
William Wylich, die toen weer schepen was.
Johan van Blosenburg was in
1651 stadhouder en in
1667 schepen. Uit documenten bleek dat hij alleen als schepen had gewerkt, niet als stadhouder terwijl hij schepen was.
Cornelis Hoofd was in
1677 stadhouder en werd in oktober van dat jaar ook schepen. Hij bleef schepen in
1678 en
1679, maar gaf bij zijn aanstelling als schepen zijn stadhouderschap op.
Turriaan van Luenen was van
1679 tot
1693 stadhouder en werd in
1699 schepen. Er was geen bewijs dat hij als stadhouder optrad terwijl hij schepen was.
Uit deze voorbeelden bleek niet dat een stadhouder die schepen werd, verplicht was zijn stadhouderschap op te geven vanwege een officiële verklaring of vonnis. Wel bleek dat stadhouders die schepen werden, hun stadhouderschap soms vrijwillig opgaven, soms na onderhandelingen of toestemming van de hoogschout. Dit voorkwam conflicten met de schepenen of de overige bestuurders, die anders tot ernstige problemen konden leiden, zoals in de voorgaande eeuw was gebeurd. De bewijzen hiervoor stonden in de bijlagen van het adres onder nummer
112.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11570 / 0412
Volgende pagina