Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 263
Op 2 januari 1696 in Tilburg gaf Cornelis Jansz van Grevenbroeck, koopman, aan Sint Pieter de opdracht om namens hem zaken te doen met Arnold Bolengier en Joan van Mettenhorsten, factoren in laken in Amsterdam. Sint Pieter mocht laken kopen en verkopen die nog bij Bolengier en Van Mettenhorsten lagen. Ook mocht hij geld ontvangen of betalen volgens de gebruikelijke koopmanspraktijken aldaar. Cornelis Jansz van Grevenbroeck beloofde alles wat Sint Pieter in zijn naam deed te eerbiedigen. Getuigen waren Johan van Heyst en Oors Nelis Nouwens. De notaris was Wittebol.
Op 8 januari 1696 in Tilburg huurde Cornelis van Dorden van Jorden Adriaens van Doren een brouwerij met ketel, koelbak, kuipen, vaten en andere benodigdheden achter het huis van de huurder. Ook huurde hij een plek om brandhout te leggen, een plek voor hoenderen of varkens, een kelder in het achterhuis en een zolder. De huur duurde 2 jaar, beginnend op 1 december 1695 en eindigend op 1 december 1696, met een jaarlijkse huur van 36 gulden. Cornelis van Dorden verbond zich met zijn bezittingen om te betalen. Getuigen waren Jan van Doren en Cornelis Nouwens. De notaris was opnieuw Wittebol.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069124 / 328
In
1756 werd
Anthoni Glarman benoemd als notaris voor de vrijheid en dingbank van
Oosterwijk door de Leenhof van
Brabant en
Overmaas. Hij hield een register bij van notariële akten van
1756 tot
1758, genummerd van 1 tot 7.
Enkele akten uit
1756:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730653 / 192
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1500597 / 197
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 291
Op
23 april 1703 getuigt een man dat hij al lang
jong plantsoen of
pootsel (zoals els en beuk) als jonge heesters koopt en verkoopt om te verplanten. Hij heeft hiervoor nooit
houtschot (een soort belasting) betaald of hoeven aan te geven. Ook de pachters van de
houtschap hebben dit nooit geëist. Hij weet ook niet dat iemand hiervoor ooit is aangesproken.
Hij vertelt dat hij en anderen dit altijd zo hebben gedaan. Bijvoorbeeld
Aert Pieter Bogaart en
Cornelis Janssen van Grevenbroeck hebben aan
Antoni Lombaarts (toenmalig pachter of innemers van de houtschap) gevraagd of dit plantsoen ook onder houtschot viel.
Antoni Lombaarts antwoordde dat dit niet hoefde, omdat het niet als houtschot gold. De getuige heeft zelf ook vaak plantsoen verkocht zonder dat er om houtschot werd gevraagd.
De verklaring wordt ondertekend door verschillende getuigen, waaronder
Peeter Janssen van Broeckhoven,
Ariaen Clasen,
Adriaen Peterboven,
Jan een van rijff,
Aert Jansen van Grevenbroeck en anderen. Sommigen kunnen niet schrijven.
Op dezelfde dag,
23 april 1703, verschijnen
Wouter Janssen van Laarhoven en
Jenneke Janssen van Broeckhoven (een echtpaar) voor
Abraham van Rotterdam, notaris in
Oisterwijk (bij
's-Hertogenbosch). Ze zijn gezond en bij zinnen, maar bedenken dat het leven broos is en de dood onvermijdelijk. Ze willen hun testament opmaken.
Eerst bevelen ze hun zielen aan bij
God Almachtig, hun Schepper en Verlosser. Ook willen ze dat hun lichamen na hun dood eerlijk en christelijk begraven worden.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1659520 / 40
Op 25 april 1740 kwam Anthoni Glaviman, een openbaar notaris die was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en de landen van Overmaas in 's-Hage en woonachtig in de vrijheid Oosterwijk, samen met de getuigen Willem Grevenbroeck en Jan Hendrick Tabbers, die woonden onder de dingbank van Den Hout. Zij gaven aan dat hen via koop en opdracht, voor de schepenen van de vrijheid Oosterwijk op 1 juni 1739, een derde deel van een stuk akkerland was toegekomen. Dit land was in totaal 2,5 kopense groot en lag onder de genoemde dingbank van Oudenhout, bij de Huijsstraat aan de oostkant.
Zij sloten een overeenkomst waarbij Willem Grevenbroeck de voorste helft van dit derde deel zou hebben en behouden, en Jan Hendrick Tabbers de achterste helft, zoals zij dit zelf zouden afbakenen. Samen behielden zij het recht op de weg die daarbij hoorde. Willem Grevenbroeck moest aan Jan Hendrick Tabbers een voetpad over de genoemde erve leveren en laten.
De partijen beloofden deze afspraak naar behoren na te komen en deze altijd als geldig, vast en onveranderlijk te beschouwen. Zij verbonden zich hiertoe met hun persoon en goederen, nu en in de toekomst, zonder ooit bezwaar te maken of rechtszaken te voeren.
De akte werd opgesteld in de vrijheid Oosterwijk, op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Franciscus Baeijens, koopman uit 's-Bosch, en Willem de Gier, inwoner aldaar, als getuigen. De akte werd ondertekend door Willem van Grevenbroek, Jans Hendrick Tabbert, H. Burger en De Gul Mij, met Harman als present.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 283
Op
20 juli 1750 verscheen
Johan Adriaan van Meurs, openbaar notaris in
Den Haag, voor de heerlijkheid
Bilborgh. Hij noteerde dat
Leonard Goris, wijnkoopman uit
Amsterdam, zijn zwager
Jacob Maardingerwout, controleur van konvooien en licenten in
Tilburg, machtigde om in zijn naam geld op te eisen van
Anthonij van Grevenbroeck uit
Oirschot. Dit betrof een openstaande schuld voor geleverde wijn, volgens een eigenhandige afrekening.
Jacob Maardingerwout mocht:
- alle juridische stappen ondernemen, zoals een advocaat aanstellen;
- vonnissen afdwingen of in beroep gaan;
- schikkingen treffen.
Hij mocht ook iemand anders aanstellen om deze taken uit te voeren. Alles wat in zijn naam werd gedaan, gold als geldig.
Getuigen waren
Jan Huijsmans en
Hermanus Beckers, beide uit
Tilburg.
Leonard Goris en
Jan Huijsmans tekenden niet zelf;
Hermanus Beckers deed dit wel. De notaris,
Jan Meus, bevestigde de akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803089 / 417
Op 19 september 1728 verscheen Janneke Elias Bock, weduwe van Aertjen Robben en woonachtig in Berckel, voor Andries van der Burgh, openbaar notaris in ’s-Gravenhage. Zij bevestigde een testament dat zij eerder, op 29 december 1726, had laten opmaken bij dezelfde notaris.
Zij benoemde als voogden over de onmondige kinderen van Aert Jacob Juggen en Aeltje (dochter van Jan Robben):
Deze voogden moesten samen of afzonderlijk de kinderen en hun bezittingen beheren voor hun welzijn. Ook benoemde zij dezelfde voogden voor de kinderen van Maria (dochter van Aert Jan Robben), wier vader Heijlige Aert Grevenbroeck was. Daarnaast werden Heijlige Aert Grevenbroeck, Anthonis Hove en Sack Brocken als voogden aangesteld.
Janneke Elias Bock sluit andere voogden en de schepenen van Oosterwijck uit, behalve hun wettelijke rechten. Zij vroeg om een officiële akte, maar kon door ziekte en zwakte niet zelf ondertekenen. De getuigen Bart Smulders en Adriaen Frans Arnelissen tekenden in haar plaats, samen met de notaris.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 279
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730658 / 73
Op
20 september 1738 trouwden
Henne en
Peter van Jessel in
Deijlinge, met
Arien Martens Prieme als getuige.
Voor
Johan Ja Job Altesser, notaris in
Oosterwijk (Meierij van
's-Hertogenbosch), verschenen
Dirck Albertus en
Te Lighe, broers en zussen en meerderjarige kinderen van de overleden
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelia Verschueren. Zij woonden in de heerlijkheid
Tilburg en maakten een erfenisverdeling van de goederen van hun ouders.
Uit deze verdeling kreeg:
- Dirck:
- De deeler van het tweede lot moest Albertus 800 gulden betalen om het derde lot gelijk te maken.
- Hij moest een kleine belasting (cijns) van 4 stuivers en 4 penningen betalen aan de weduwe van heer en meester Fictor van Beucken op meidag. Dit gold voor een perceel genaamd den Biese Moste in den Hout.
- Voor een ander perceel moest hij drie cijnzen betalen aan de rentmeester van de bisschoppelijke goederen in 's-Hertogenbosch:
- 5 stuivers en 8 penningen,
- 4 stuivers en 8 penningen,
- 4 stuivers en 8 penningen.
- Albertus:
- Een huis, schuur, schop, boerderij en land met een stuk houtbos genaamd Pige Weg (8 Loopers), gelegen in Oosterwijk:
- Een stuk houtbos genaamd de Coste Veldekens (3 Loopers):
- Een stuk houtbos genaamd de Kortevelde Klas (4 Loopers):
- Een stuk houtbos (8 Loopers) bij de Brante Steegh:
- De helft van een huis en koff (tuin) aan de oostkant van de heerlijkheid Tilburg, aan de Oosterheijt:
- Oost en uit: de deeler van het tweede lot.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 10
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 18
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975140 / 275
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1769092 / 405
Op
8 november 1683 bevestigde
Cornelis Janssen van Grevenbroeck, huwelijkse man in
Tilburg, voor notaris
Joannes Wittebol schuldig te zijn aan
Pieter Jacob Rombouts uit
Sprang een bedrag van 250 gulden. Dit betrof de aankoop van een brouwketel, een kuip en ander brouwgerei. Hij beloofde dit bedrag in termijnen te betalen:
- 100 gulden direct, wat Pieter Jacob Rombouts bevestigde ontvangen te hebben;
- 75 gulden op Bamisse 1684 (een datum in 1684);
- 75 gulden op Bamisse 1685 (een datum in 1685).
Bij niet-nakoming verbond
Cornelis Janssen van Grevenbroeck zijn persoon en bezittingen. Getuigen waren
Sint Cornelis de Wijs en
heijliger Colen. De akte werd ondertekend door
Cornelis de Wijs,
heijliger Jan Kolen en
Pieterken Peeters.
Op
15 oktober 1685 bevestigde
Claes Accembre van Tilburg voor notaris
Wittebol 60 gulden ontvangen te hebben van
Cornelis Janssen van Grevenbroeck uit de schuld van 250 gulden. Hiermee werd deze deel van de schuld kwijtgescholden.
Op
15 november 1685 werd bevestigd dat
Jan Adriaen Wijnen uit
Sprang 20 gulden had ontvangen, waardoor de volledige schuld van 250 gulden was afgelost.
Op
8 november 1683 verklaren
Pieter Jacob Rombouts en
Pieterken Peeters voor notaris
Wittebol dat
Pieter Jacob Rombouts 70 gulden afstond aan
Jan Adriaen Wijnen uit
Sprang en 60 gulden aan
Claes Ariens van Tilburg uit
Cappel. Beide bedragen kwamen uit de schuld van
Cornelis Janssen van Grevenbroeck.
Pieter Jacob Rombouts deed afstand van verdere rechten op deze bedragen.
Op
10 november 1683 in
Tilburg gaf
Adriaen Arnt Maes, burgemeester en schepen, voor notaris
Joannes Wittebol volmacht aan
Johan van Breeij en
Abraham van Deventer, kooplieden uit
Amsterdam. Zij mochten namens hem vorderingen indienen bij de boedel van
Daniel Reeckenen de Pas voor openstaande schulden, inclusief het innemen van geld en het afsluiten van akkoorden. Getuigen waren
Sinte Jachgijsberts,
Ingenjes de Eers en
Peeter aan Willemssen. De akte werd ondertekend door
Maes Jan Verschueren en
Pieter aan Willemssen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 58
Op
23 maart 1723 sloten
Elias Robben, een rooms-katholieke priester in
Oosterwijk, en
Cornelis Jacobs van Wessel een huurovereenkomst af voor een boerderij in
Indenhout, nabij de
Schoorstraat. De boerderij bestond uit een woonhuis, schuur, stal, hoven, akkers, weiden, heiland, hooilanden en straatse welden, bekend als
de Grote Strijthoef.
Cornelis Jacobs van Wessel huurde de boerderij voor 8 jaar, beginnend op
1 mei 1723 en eindigend op
1 mei 1731. De huurprijs bedroeg jaarlijks 155 gulden, betaalbaar op
1 mei of de gebruikelijke verhuurdag. Daarnaast moest
Cornelis Jacobs van Wessel de gewone boerenlasten betalen en de eigenaarslasten dragen, voor zover deze gebruikelijk waren.
Beide partijen konden de huur opzeggen voor
Kerstmis 1726, waarna de huur zou eindigen op
1 mei 1727.
Cornelis Jacobs van Wessel moest jaarlijks 200 dakpannen leveren, met een waarde van 10 gulden, en de kosten hiervoor dragen. Hij mocht wel de afval van de dakpannen houden. De daglonen voor dit werk werden ook door hem betaald.
De overeenkomst werd opgesteld door notaris
Anthonij Glaviman in aanwezigheid van getuigen
H. Schaef,
d’ Heer Elias Robben,
heijliger van Grevenbroeck en
Jacobus van den Hove.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 42
De erven van
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelis Verschueren beloofden op
25 oktober 1720 in
Oosterwijk om eventuele extra lasten samen te dragen en te vergoeden. Zij bevestigden dit openlijk en beloofden snel te betalen. Om dit kracht bij te zetten, lieten zij de akte van erfscheiding en verdeling op
25 oktober 1720 vernieuwen en bevestigen, hetzij voor de schepenen van
's-Hertogenbosch, hetzij op de plaats waar de goederen lagen.
Dit gebeurde in aanwezigheid van
Johan Althoffer, secretaris van de vrijheid en bank van
Oosterwijk, en
IJbert Swaens, oud-burgemeester, als getuigen.
Dirk Cornelis van Grevenbroeck,
Aelbertus van Grevenbroeck,
heilige Cornelis van Grevenbroeck en
Huijbert Aans tekenden met een kruisje omdat zij niet konden schrijven.
Op
25 oktober 1785 werd een erfscheiding gedaan door de drie meerderjarige kinderen van
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelis Verschueren. Voor notaris
Johan Jacob Althoffer in
Oosterwijk verschenen
Wouter Francis,
Adriaen en
Johan van der Sterre (getrouwd met
Maria), allemaal wonend in
Den Hout, en
Jan Broeke (getrouwd met
Annemaria), wonend in
Giersbergen. Zij waren allemaal meerderjarige broers, zussen en kinderen van
Jan Beekelmans en
Jenneke Bouwens. Zij bevestigden dat zij een erfscheiding en verdeling van de goederen hadden gedaan die door hun moeders waren nagelaten.
Hierbij viel
Wouter, zoon van
Jan Boekelmans, een deel van de erfenis toe.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 15
Op
23 oktober 1700 maakten partijen afspraken over de afval die niet gebruikt kon worden voor reparaties aan de molen of het huis. Ze beloofden om hiervoor te zorgen en stelden hun bezittingen als zekerheid.
Adriaen Adriaensz van Eersel trad op als borg en hoofdsculdige. Dit gebeurde in
Heusden voor notaris
Gravia en getuigen
Cornelis van Heusden en
Jacob Gerrit Haes. De kosten bedroegen 4 gulden.
Op
11 november 1700 kwamen in
Oosterwijk verschillende erfgenamen van
Adriana van Hemert bijeen, waaronder
Adriaen Adriaensz van Eersel,
Willem Grevenbroeck,
Albert Cornelis Grevenbroeck,
Jan Baptist,
Amamaria weduwe Adriaen de Cort,
Adriaen de Bont,
Johanna Grevenbroeck weduwe Jan Piggen,
Maria Stijligers Grevenbroeck,
Petronella Cornelia Colen,
Jan Roijmans,
Huijbert van Berkel,
Annamaria Geraerts van der Put,
Johannes de Cock,
Francois de Coninck,
Guilhelmus de Coninck en
Arnoldus Pinenborg. Zij gaven
Adriaen Adriaensz van Eersel en
Willem Grevenbroeck de opdracht om de nalatenschap van
Adriana van Hemert te beheren. Dit omvatte het taxeren van goederen, het betalen van belastingen, het innen van schulden en het verkopen van bezittingen. Dit gebeurde voor notaris
Anthonij Glaiman en getuigen
Stephanus van der Henst en
Rer van Hemert.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 321
Francis Jan Piggen had een overleden halfbroer. Als deze zonder wettige nakomelingen zou overlijden (wat gebeurd is), dan moesten diens erfgenamen de overgebleven goederen na zijn dood afstaan aan de naaste familie van zijn grootvader
Adriaen Gommerts de Cort aan vaderskant. Deze familie, zonder verdere sterfgevallen, bestaat nu uit de ondertekenaars. Zij ontvangen een bedrag van 400 gulden.
De moeder van de overleden halfbroer,
Johanna Grevenbroeck, leeft nog. Daardoor is de erfenis nog niet definitief toegekend, want het is onzeker wie na haar dood het dichtst in leven is en recht heeft op het geld.
Johanna Grevenbroeck wil graag de laatste wil van haar zoon uitvoeren en zich ontdoen van de 400 gulden (ondanks dat ze niet verplicht is). De ondertekenaars, als rechtmatige ontvangers, bevestigen dat zij de 400 gulden van
Johanna Grevenbroeck (eerst weduwe van
Jan de Cort en later van
Jan Liggen) in zijn geheel hebben ontvangen en betaald gekregen. Zij ontheffen
Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen hiervan en beloven geen verdere claims te maken, nu of in de toekomst.
De akte is opgesteld in
Oosterwijck op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van
Arnout van Huis en
Jan de Gier (inwoners aldaar) als getuigen. Datum:
12 oktober 1700.
Ondertekend door:
De ondertekenaars bevestigen namens de betrokkenen dat zij, indien zij later (in zijn geheel of gedeeltelijk) recht zouden hebben op de 400 gulden, deze als voldaan en betaald beschouwen en
Johanna Grevenbroeck hiervan ontheffen.
Ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 125
Op 2 januari 1700 verscheen Anthonij Glavina, een openbaar notaris die in Den Haag was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en het Land van Overmaas, voor notaris in de vrijheid Oosterwijk. Hij bevestigde in aanwezigheid van getuigen dat Elias van Grevenbroeck tevreden was met het beheer en de administratie die zijn broer Willem van Grevenbroeck (wonend in Den Hout) voor hem had uitgevoerd. Dit was gebaseerd op een volmachtbrief die op 15 januari 1748 was opgesteld door de heren burgemeesters, schepenen en raad van Groningen.
Elias van Grevenbroeck ontheffende Willem van Grevenbroeck van verdere verantwoording, rekening of bewijs. Hij bedankte zijn broer voor het zorgvuldige beheer van zijn goederen en verklaarde hem vrij van alle verplichtingen hieromtrent. Deze vrijwaring zou voor altijd gelden, onder verantwoordelijkheid van Elias van Grevenbroeck en zijn bezittingen.
De akte werd opgesteld in Oosterwijk op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Arnout van Nuijs, Jan Wouters van de Wijs en Jan van Mij als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 76
Op
1712-01-13 verscheen
Jan van Grevenbroeck voor
Michiel van Tilburgh, een openbaar notaris van het Hof van
Holland in
Den Haag. Hij bevestigde een huurovereenkomst te hebben gesloten met de notaris en
Dirk van Sasburgh, heer van
Mangen, voor 17 landerijen in
Klein Asperen.
De huur gold voor 4 jaar, van
1712 tot
1715, tegen een jaarlijkse huur van 23 gulden per landerij. In totaal betaalde
Jan van Grevenbroeck dus 391 gulden en 10 stuivers per jaar.
Voorwaarden:
- De huur moest elk jaar op 1 januari betaald worden in Den Haag of waar Dirk van Sasburgh dat verlangde.
- Bij te late betaling moest Jan van Grevenbroeck de schade en rente vergoeden.
- Hij mocht het land bewerken met paarden en vee, maar alleen met toestemming.
- Na 15 oktober mochten er geen paarden of vee meer op het land lopen.
- Bij overtreding van deze regels zou de huur verdubbelen en een boete van 25 gulden per overtreding volgen.
Michiel van Tilburgh bevestigde ook dat hij op dezelfde dag een nieuwe huurovereenkomst had gesloten met
Jan van Grevenbroeck voor de helft van de 17 landerijen in
Klein Asperen. Deze huur gold eveneens voor 4 jaar, vanaf
1712, tegen 23 gulden per landerij per jaar. In totaal betaalde
Jan van Grevenbroeck dus 195 gulden en 10 stuivers per jaar.
Deze nieuwe overeenkomst had dezelfde voorwaarden als een eerdere huurovereenkomst uit
1708-03-26, behalve dat de kosten voor de huurovereenkomst nu voor rekening van
Michiel van Tilburgh kwamen.
Jan van Grevenbroeck moest de nieuwe huurovereenkomst ondertekenen en voldoende borg stellen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739600 / 161
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1529286 / 94
Op
18 en
20 mei 1695 werden in
Haarlem twee notariële akten opgesteld door notaris
Adriaen van Gellinchuijsen.
In de eerste akte, opgesteld in het huis van de testatrice, verklaren
Lambert te Meulenbroeck,
Jannetje Everts van Grevenbroeck (met haar man
Marinus Joosten),
Zara Everts van Grevenbroeck (met haar man
Roeloff Roeloffsz) en
Bartelt Hendricxsz (getrouwd met
Susanna Jans van Grevenbroeck) namens zichzelf en hun overleden grootvader
Jan Evertsz van Grevenbroeck een vijfde deel van een huis aan de
Ritterstraat in
Haarlem over te dragen aan
Hans Jansen Rasch en
Geertruij Dircxsz. Ze beloven het deel vrij van schulden te leveren en alles te doen wat nodig is om de overdracht geldig te maken. Getuigen zijn
Adriaen Mens (secretaris van
Voorhout) en
Cornelis Claesz.
In de tweede akte, opgesteld bij de
Schalkwijckerpoort in
Haarlem, geeft
Gerrit Jansz als voogd van zijn minderjarige kinderen volmacht aan
Pieter om namens hen alle zaken, zowel eisende als verwerende, te behartigen. Dit omvat het innnen van schulden, het voeren van rechtszaken, het ontvangen van geld, het geven van kwijtingen en het sluiten van schikkingen. Ook mag
Pieter alles doen wat nodig is om de belangen van de kinderen te behartigen. Getuige is opnieuw
Adriaen Mens.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975182 / 117
Op
15 februari 1650 maakte
Evert Evertsz van Grevenbroek, inwoner van
Haarlem, een testament op. Hij was gezond en bij zinnen. Hij schrapte alle eerdere testamenten en besloot zijn bezittingen opnieuw te verdelen.
Hij liet na aan:
De rest van zijn bezittingen (roerend en onroerend) verdeelde hij gelijkelijk onder
Jan Evertsz van Grevenbroek,
Susanneken Everts van Grevenbroek,
Dirck Ebertsz van Grevenbroek,
Abraham Evertsz van Grevenbroek en
Saertgen Eberts (de dochter van zijn overleden zoon
Evert Evertsz van Grevenbroek). Ieder kreeg een vijfde deel, met het recht om hun aandeel vrij te gebruiken of door te geven.
Het testament werd opgesteld in
Haarlem, in de
Kleine Houtstraat, in aanwezigheid van de getuigen
Heijndrick Jansz (schoenlapper) en
Barent Heyndricxsz Linneweck. De notaris was
Casewindius.
Op
16 februari 1650 kwamen
Servaes Pietersz Blaeureeder,
Gerrit Pietersz Lintwercker en
Int Gerritsz (ook lintwercker) voor notaris
Casewindius in
Haarlem. Zij hadden een geschil over de waarde van goederen die
Servaes Pietersz had gekocht van
Jan Gerritsz (vader van
Gerrit Pietersz en
Int Gerritsz).
Ze kwamen overeen dat
Gerrit Pietersz alle goederen die
Servaes Pietersz van
Jan Gerritsz had gekocht, zou overnemen. De prijs zou worden vastgesteld door drie scheidsmannen:
Dam Visscher,
Abraham Martsz en
Daniel Goderis.
Servaes Pietersz moest alle documenten en bewijzen over de aankoop aan
Gerrit Pietersz overhandigen.
Beide partijen beloofden zich aan deze afspraak te houden en geen verdere claims te maken. Het akkoord werd getekend in het huis van
Johannes Aker (klerk van de notaris), in aanwezigheid van de getuigen
Zouduwijn Jansz,
Jan Jansen en
Gerrit Pietersz.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975005 / 84
Op
19 december 1613 werd
Magdalena Dueuen, weduwe van
Frederich van Rostorff en
Gerritz, en op
19 december 1613 ook
Cornelis van Huchtenbrouck, zoon van
Johan van Huchtenbrouck, doorverwezen naar de
Raad van State voor hun verzoeken.
Elysabeth Gerrits van Dalen, weduwe van
Pieter Naggers, vroeg om extra geld bovenop de 100 pond Vlaams die haar al was toegekend. Dit verzoek werd afgewezen.
Hugo Griffin kreeg zijn extra salaris van 10 gulden per maand verlengd met nog eens 6 maanden.
Jan Baeck, een Schot die onder
Johan Hamelton had gediend en zijn rechterarm bij
Sluys was kwijtgeraakt, mocht zich wenden tot de
Raden van State om behandeld te worden als andere gewonde soldaten.
Elsgen Jansdr., een arme weduwe van
Lambrecht Lambrechtsz, kreeg uit medelijden 18 gulden, in plaats van de eerder toegekende 12 gulden die ze niet had ontvangen.
Op
20 december 1613 was er niets beslist onder voorzitterschap van
Clant.
Op
21 december 1613 waren
Pieck,
Biesman,
Luchterenvoocht,
Lennep,
Magnus,
Joachimi,
Goyer,
Moesbergen en
Tengnagel aanwezig.
Schoonburch, afvaardiger van
Churvorst Paltzgraaf, vroeg om een snelle beslissing op zijn punten, omdat hij zijn reis naar de koning van
Groot-Brittannië wilde voortzetten. Na overleg werd besloten dat een snelle beslissing niet mogelijk was, omdat afvaardigingen van sommige provincies afwezig waren. Als
Schoonburch zijn reis wilde voortzetten, zou de zaak later worden behandeld. Ook werd besloten zijn verblijf in de herberg af te spreken.
Daniel de Blyer van Noortwyts en
Fredenck Mathyss van Lubbrecht, burgers van
Utrecht, kregen een octrooi voor 10 jaar om in de
Verenigde Nederlanden een instrument of molen te maken en te gebruiken om ondiepe binnenwateren en havens te verdiepen tot 10, 12, 20 of meer voet diepte, zonder de scheepvaart te hinderen. Ook kregen ze toestemming voor een watermolen om sluizen aan te leggen, zelfs als de fundamenten 20 of 25 voet diep moesten zijn. Niemand anders mocht deze instrumenten in die periode maken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3170 / 0775
Volgende pagina