Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Deze tekst gaat over de straf en de inbeslagname van bezittingen van de opstandige en moordenaars uit Het Zuiderland. De zaak werd behandeld door commandeur Francisco Pelsaert en de scheepsraad van het schip Sardam, samen met de advocaat-fiscaal (openbaar aanklager) voor de Raad van Justitie.

De volgende bedragen werden maandelijks in beslag genomen en toegewezen:

De bedragen werden maandelijks geïnd en verdeeld zoals hierboven vermeld.

Bekijk transcriptie 


William Wylich was in 1645 en 1646 schepen in een bepaalde stad. Tijdens zijn tweede jaar als schepen gaf hij zijn functie als stadhouder op, met toestemming van de toenmalige hoogschout Bergaigne. Zijn plaats als stadhouder werd ingenomen door Laurens van Berkel, die zelf in 1648 en 1649 schepen was. Tijdens die jaren liet Laurens van Berkel zijn taken als stadhouder waarnemen door William Wylich, die toen weer schepen was. Johan van Blosenburg was in 1651 stadhouder en in 1667 schepen. Uit documenten bleek dat hij alleen als schepen had gewerkt, niet als stadhouder terwijl hij schepen was. Cornelis Hoofd was in 1677 stadhouder en werd in oktober van dat jaar ook schepen. Hij bleef schepen in 1678 en 1679, maar gaf bij zijn aanstelling als schepen zijn stadhouderschap op. Turriaan van Luenen was van 1679 tot 1693 stadhouder en werd in 1699 schepen. Er was geen bewijs dat hij als stadhouder optrad terwijl hij schepen was. Uit deze voorbeelden bleek niet dat een stadhouder die schepen werd, verplicht was zijn stadhouderschap op te geven vanwege een officiële verklaring of vonnis. Wel bleek dat stadhouders die schepen werden, hun stadhouderschap soms vrijwillig opgaven, soms na onderhandelingen of toestemming van de hoogschout. Dit voorkwam conflicten met de schepenen of de overige bestuurders, die anders tot ernstige problemen konden leiden, zoals in de voorgaande eeuw was gebeurd. De bewijzen hiervoor stonden in de bijlagen van het adres onder nummer 112.
Bekijk transcriptie 


Dirk Bierens, Pieter Cornelis de Patot (hoofdadministrateur), Thomas Termathe (secretaris van politie), Rudolph Seijzelaer, Daniel Evertsen (onderkoopman), Hendrik Koorenaer, Pieter Sneek (luitenant), Leendert Overschie (onderkoopman), Theunis Holst (baas der smeden) en Cornelis van Aerden (eerste pakhuismeester) waren allemaal werkzaam in deze functies op Colombo. Zij waren samen leden van de zogenaamde Ceylonsen krijgsraad (een soort militaire en bestuurlijke raad op Ceylon, nu Sri Lanka). Daarnaast was Abraham Velge, die secretaris was, ook bij deze zaak betrokken. Deze kwestie was op dat moment nog niet afgerond en lag nog bij de rechter (litispendent).
Bekijk transcriptie 


Op 15 oktober besliste de rechtbank dat een zaak tegen Abraham Velge verder onderzocht moest worden. De officier van justitie (toen advocaat fiscaal genoemd) had eerder schriftelijke bewijsstukken en aanklachtpunten ingediend. Vervolgens, op 12 november, kreeg Abraham Velge toestemming om: De verdere stappen in de zaak, zoals de standpunten van beide partijen en de planning van de zittingen, werden bepaald aan de hand van de eerder genoemde feiten en aanklachten.
Bekijk transcriptie 


Op 8 oktober stemde de hogere krijgsraad (een soort militaire rechtbank) in met het verzoek van de leden om een normaal rechtsproces te voeren. Zij mochten zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. Ook kregen ze kopieën van de aanklacht en andere stukken die ze nodig hadden voor hun verdediging. Ze kregen drie maanden de tijd na ontvangst van deze kopieën om zich voor te bereiden. Voor de secretaris Abraham Velge gold een uitzondering. Voordat er een beslissing werd genomen over zijn verzoek, moest de officier van justitie (de advocaat-fiscaal) eerst uit de aanklacht halen: Pas daarna zou de krijgsraad beslissen hoe verder te gaan met de zaak van Velge.
Bekijk transcriptie 


Op onbekende datum werden de volgende vonnissen uitgesproken tegen een groep gevangenen: Daarnaast werd besloten dat:
Bekijk transcriptie 


De krijgsraad behandelde een zaak over verschillende zware misdaden, zoals majesteitsschennis (een aanval op de gezaghebbende vorst) en moord. Op 2 oktober van dat jaar eiste de advocaat-fiscaal Isaac van Schinne namens de openbare aanklager (fiscaal) een definitief vonnis tegen de gevangenen en overleden leden van de groep Weitnauw. Volgens de aanklacht hadden zij schuldig zijn aan: De gevangenen zouden volgens de eis veroordeeld moeten worden en ter plekke gebracht worden waar strafvonnissen normaal gesproken werden uitgevoerd. Daar zouden zij aan de beul worden overgedragen.
Bekijk transcriptie 


Op 7 augustus 1739 werd een verzoek ingediend om betalingen uit te stellen voor het aandeel van Falk, omdat diens weduwe, de douairière (weduwe met recht op inkomen) van de overleden Arend van Broijel (een raadslid in Nederlands-Indië, woonachtig in Batavia), nog niet had betaald. Het bedrag dat zij verschuldigd was, bedroeg 147 gulden en 16 stuivers. Daarnaast werd gevraagd hoe om te gaan met het aandeel van Casparus De Jong, de mallabaarse commandeur (een militaire leider in Malabar), dat 6066 gulden en 13 stuivers bedroeg. De vraag was of dit bedrag rechtstreeks aan het Commando Malabar mocht worden toegerekend of aan de hoofdpost. Verder moesten de aandelen van Wijer, Patot en Van Hagen (in totaal 17.596 gulden, 6 stuivers en 8 penningen) worden afgeschreven, omdat zij geen vertegenwoordigers in Indië hadden. Het aandeel van Van Dam (184 gulden, 13 stuivers en 8 penningen) moest echter door zijn weduwe contant worden uitgekeerd. Op 30 juli 1759 diende Donna Anna De Zaa, weduwe van de overleden modliaar (een lokale functionaris) Don Simon in Matara (Illangacoom), een verzoek in.
Bekijk transcriptie 


Tijdens een vergadering van de Raden in Rheede werd een brief besproken die al eerder was ingediend. Deze brief ging over het schip Anna Maria, dat was gezonken. Tijdens de discussie kwam ter sprake dat het zegel (een soort officiële afsluiting) van de brief was afgebroken en in het vuur was gegooid.

De Raden vroegen Patot (een van de aanwezigen) wie dit had gedaan. Patot gaf toe dat hij, zonder na te denken, het afgebroken zegel in het vuur had gegooid. Een van de Edele Heren (hoge functionarissen) zei dat Patot zijn vertrek op dat moment voor verwarring kon zorgen. De Edele Heer voegde eraan toe dat hij Patot altijd goed had behandeld en vertrouwd had, maar dat deze nu zoiets deed.

Patot begon te smeken en leek spijt te hebben, waarna de Edele Heer medelijden kreeg. Toen Patot zich weer kalmeerde, ging de vergadering verder. Er werd gevraagd of Patot nog andere belangrijke informatie had die schade of opheldering kon geven. Hij antwoordde nee. Daarna werden de volgende getuigen ondervraagd, zoals beschreven in document raed 270.

Bekijk transcriptie 


In haar testament bepaalt Caterina Hustaert hoe haar bezittingen en inkomsten (jaarlijkse opbrengsten) na haar dood moeten worden gebruikt voor haar kinderen. Hier de belangrijkste punten:

Als uitvoerders en voogden wijst zij aan:

Zij geeft hen volle macht om alles uit te voeren zoals hierboven staat. Het testament moet worden gerespecteerd, ook als lokale wetten of gewoontes hiermee in strijd zijn. Caterina Hustaert vraagt om een officiële akte hiervan op te stellen en te registreren in Amsterdam, bij de notaris op de Faijesgracht (bij de Pesbane van Malt).

Getuigen bij het opstellen: Gillis Gaduijts en anderen.

Bekijk transcriptie 


Op 7 juli 1651 kwamen in Amsterdam verschillende personen een overeenkomst sluiten over een erfeniskwestie. De betrokkenen waren:

Zij maakten definitief afspraken over de verdeling van de erfenis van Neeltge Claes, die op haar beurt erfgenaam was van Grietghe Claes (de weduwe van Jacob Sijbrantsz). Deze erfenis was vastgelegd in een testament uit 12 oktober 1603, opgemaakt in Hoorn voor Jacob Claesz Cort. Uit deze erfenis was echter niets ontvangen, ondanks een fideicommissum (een soort erfelijke last).

De afspraak was dat Corle Twarthenburch (namens de familie van Neeltge Claes) zijn aandeel in de erfenis behield, zonder verdere claims. Hiervoor betaalde hij een bedrag van 211 carolus gulden (een oude munteenheid). Daarna zouden alle partijen geen verdere aanspraak meer maken op elkaars erfenis.

De overeenkomst moest nog goedgekeurd worden door de Weeskamer (de instantie die toezicht hield op wezen en hun bezit), omdat het ook de belangen van de vier wezen betrof. De partijen beloofden zich aan de afspraak te houden.

Als extra zekerheid werd vastgelegd dat als er later nog meer erfenis boven water zou komen, dit ten goede zou komen aan de erfgenamen van Neeltge Claes. Ook werd bepaald dat de partijen zich, indien nodig, zouden laten veroordelen door het Hof van Utrecht om de overeenkomst na te leven. Hiervoor werd een procureur (een juridisch vertegenwoordiger) aangesteld.

De akte werd opgesteld in Amsterdam op 7 juli 1651, in aanwezigheid van de geloofwaardige getuigen Jacob Pondt en Can van Gelder. De notaris was Laurens Jansz, met als merk Bouwe Jansz Kick.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 26 mei 1814 trouwden in Amsterdam twee stellen:

Bij beide huwelijken werden de wettelijke documenten voorgelezen, waaronder:

Na bevestiging van beide partijen verklaarde de ambtenaar (G. ten Sande, lid van de burgerlijke stand) hen officieel getrouwd volgens de wet van 20 ventôse jaar 11 (Franse republikeinse kalender).

Bekijk transcriptie 


Wolgang Günther Kamel en Johanna Elisabeth Kameli gaven een volmacht aan Albertus Allen, die op dat moment op terugreis was naar Suriname. Ze trokken hiermee een eerdere volmacht in, die ze op 24 maart 1808 aan Christiaan Godlieb Pleiser hadden gegeven. Albertus Allen kreeg de volgende taken: Albertus Allen mocht deze taken ook aan een ander overdragen (substitutie). De akte werd opgesteld in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jan Hendrik Obertop Junior en Isaac Coronel Pereira. De notaris was J.B. van der Meersch, die bevestigd werd door andere koninklijke notarissen in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Op 10 juni 1808 gingen de heren Rudolph Mees, Pieter van der Wallen van Vollenhoven, Jan Bartholomeus Snellen en Michiel Baelde Roehussen (allen uit Rotterdam) naar notaris Jan van Oosterhout. Ze vertegenwoordigden een groep geldschieters die samen 650.000 gulden hadden geïnvesteerd in twee plantages: L'Embarras en Venlo, gelegen in Suriname aan de Commewijne-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart). Deze vier heren gaven H.I. Matile (wonend in Suriname) een officiële opdracht: Herman Forsten was ook betrokken, maar kon door slecht ziend vermogen niet zelf tekenen. De vier heren spraken namens hem. De akte werd later bevestigd en geregistreerd in Paramaribo op 15 december 1841 door H. Heeve (provinciale gezworen klerk) en vertaald door J.A. Gerding (beëdigd vertaler). Er zat een zegel van 50 stuivers (1 gulden) op.
Bekijk transcriptie 


Op 28 december 1816 werd in Amsterdam een officiële akte opgesteld bij notaris I. Commelin in het huis van Pieter Jacobus Kerkhoven. De akte ging over de vernietiging van eerdere volmachten (procuratie en substitutie) voor een handelshuis en plantage in Suriname. De volgende personen waren betrokken en ondertekenden: De akte werd later, op 5 maart 1817, geregistreerd door P. Schuster, een beëdigd klerk voor de kolonie Suriname, nadat U. H. Wilkens het origineel had ingediend. Op dezelfde dag (28 december 1816) bevestigden de notarissen J. Commelin, W. van Homrigh, F. Berkman, H. Happe en A. Houthoper dat de akte geldig was en door hen was ondertekend. Later, in Suriname, liet Josephus Donatus Iustus Thym (die op het punt stond naar Europa te vertrekken) een persoonlijk document, een onderhandse akte van substitutie (een soort volmacht), verzegelen door Jorchem Frederik Stoffens, een beëdigd klerk. Het document werd voorzien van Thym's persoonlijke stempel en het officiële stempel van de secretarie van de kolonie. Het verzegelde document bleef bij de secretarie berusten.
Bekijk transcriptie 


Het Huis van Negotie (een handelsorganisatie) stelde strenge regels op voor het beheer van een plantage in Suriname:

Alles wat de beheerders deden, moest volgens de wet gebeuren en werd bindend verklaard.

Bekijk transcriptie 


P. Quast, scheepsbouwer uit Amsterdam, solliciteerde op 29 november 1897 naar de functie van scheepsbouwmeester bij de Rijkswerf in Amsterdam. Hij woonde toen aan de Commelinstraat 37. Zijn sollicitatie werd beoordeeld door de Ressortchef van de Afdeling Personeel. Deze functionaris stuurde een brief over Quast naar het ministerie (waarschijnlijk het ministerie van Marine) in 's-Gravenhage op 12 december 1897. De brief had als onderwerp: "Kandidaat rijkscommies voor het vak van scheepsbouw" en was gerelateerd aan een eerdere brief van 10 oktober 1851 over het indienen van notities. Quast was op dat moment 40 jaar oud en had al 22 jaar ervaring als scheepsbouwer. Hij had eerder een aanstelling gehad als gedetacheerde scheepsbouwmeester bij de Rijkswerf in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Op 10 maart 1712 werd vanuit Aspel 's-Gravenhage een bericht gestuurd naar de minister.
Bekijk transcriptie 


In zijn testament bepaalt de man het volgende: Het testament is opgesteld in Amsterdam, in het huis van de man in de Sint Jansstraat, op onvermelde datum. Aanwezig als getuigen waren Jan Lucasz van Nieulant (een bakker) en Dirck Touw. De notaris A. Lock heeft het document opgemaakt en bevestigd.
Bekijk transcriptie 


Op 1 november 1677 werd de nalatenschap van de gereformeerde gemeente verdeeld. Hier volgt een overzicht van de erfenis en wie wat kreeg:

Daarnaast werden de volgende zaken en bedragen toegekend:

Bekijk transcriptie 


Op 9 januari 1696 verklaarde Juffrouw Magdalena Bontemps, weduwe van Thomas Snep, ziek te bed maar met heldere geest, voor notaris Pieter Herlings in Haarlem dat zij haar testament van 11 mei 1693 en codicil van 17 februari 1695 (beide opgemaakt bij notaris Pieter Baes) bevestigde.

Zij bepaalde dat na haar overlijden:

Zij droeg de leiding hierover over aan haar dochter Margareta Snep en schoonzoon Matthijs van Elten, die moesten beslissen wat het beste was. Ook vroeg ze de door haar man aangestelde voogden om niet de vaderlijke erfenis van haar minderjarige dochter Anna Snep op te eisen zolang het bedrijf en huishouden nog liepen.

Op 11 januari 1692 was door haar man een testament opgesteld voor hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen.

Op een eerdere datum (13 december 1695) was een overeenkomst gesloten tussen Benjamin Withoijn (uit Amsterdam, toen in Haarlem) en een zekere Cooper. Withoijn stond zichzelf borg voor een schuld van Cooper van 13.000 gulden. De overeenkomst werd getekend in Haarlem door Diederick Ramp, Martin Montenack, Pieter van Adrichem (uit Dordt), Jacob Graafland en Benjamin Withoijn zelf. Notaris Gorlings bevestigde dit.

Een andere overeenkomst ging over een huis en boerderij die door twee partijen (waaronder Cooper) voor 23 gulden zouden blijven wonen, met alle planken en materialen die bij het huis hoorden. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en stelden zich onder toezicht van alle rechters en gerechten.

Een rekening van S.M. Lefeburg vermeldde een schuld van minder dan 4000 gulden.

Bekijk transcriptie 


Op 14 mei 1751 kwamen bij Aalst de Bruijn, een openbaar notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Haarlem, de volgende personen: Alle betrokkenen woonden in Haarlem en waren bekend bij de notaris. Zij verklaarden dat ze direct na het overlijden van Johanna Plovier de boedel (de bezittingen en schulden) van haar en Pieter Bogaard hadden verdeeld, zoals die in hun gemeenschappelijke huwelijk was ontstaan.
Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/