Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 26 mei 1814 trouwden in Amsterdam twee stellen:

Bij beide huwelijken werden de wettelijke documenten voorgelezen, waaronder:

Na bevestiging van beide partijen verklaarde de ambtenaar (G. ten Sande, lid van de burgerlijke stand) hen officieel getrouwd volgens de wet van 20 ventôse jaar 11 (Franse republikeinse kalender).

Bekijk transcriptie 


Wolgang Günther Kamel en Johanna Elisabeth Kameli gaven een volmacht aan Albertus Allen, die op dat moment op terugreis was naar Suriname. Ze trokken hiermee een eerdere volmacht in, die ze op 24 maart 1808 aan Christiaan Godlieb Pleiser hadden gegeven. Albertus Allen kreeg de volgende taken: Albertus Allen mocht deze taken ook aan een ander overdragen (substitutie). De akte werd opgesteld in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jan Hendrik Obertop Junior en Isaac Coronel Pereira. De notaris was J.B. van der Meersch, die bevestigd werd door andere koninklijke notarissen in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Op 10 juni 1808 gingen de heren Rudolph Mees, Pieter van der Wallen van Vollenhoven, Jan Bartholomeus Snellen en Michiel Baelde Roehussen (allen uit Rotterdam) naar notaris Jan van Oosterhout. Ze vertegenwoordigden een groep geldschieters die samen 650.000 gulden hadden geïnvesteerd in twee plantages: L'Embarras en Venlo, gelegen in Suriname aan de Commewijne-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart). Deze vier heren gaven H.I. Matile (wonend in Suriname) een officiële opdracht: Herman Forsten was ook betrokken, maar kon door slecht ziend vermogen niet zelf tekenen. De vier heren spraken namens hem. De akte werd later bevestigd en geregistreerd in Paramaribo op 15 december 1841 door H. Heeve (provinciale gezworen klerk) en vertaald door J.A. Gerding (beëdigd vertaler). Er zat een zegel van 50 stuivers (1 gulden) op.
Bekijk transcriptie 


Op 28 december 1816 werd in Amsterdam een officiële akte opgesteld bij notaris I. Commelin in het huis van Pieter Jacobus Kerkhoven. De akte ging over de vernietiging van eerdere volmachten (procuratie en substitutie) voor een handelshuis en plantage in Suriname. De volgende personen waren betrokken en ondertekenden: De akte werd later, op 5 maart 1817, geregistreerd door P. Schuster, een beëdigd klerk voor de kolonie Suriname, nadat U. H. Wilkens het origineel had ingediend. Op dezelfde dag (28 december 1816) bevestigden de notarissen J. Commelin, W. van Homrigh, F. Berkman, H. Happe en A. Houthoper dat de akte geldig was en door hen was ondertekend. Later, in Suriname, liet Josephus Donatus Iustus Thym (die op het punt stond naar Europa te vertrekken) een persoonlijk document, een onderhandse akte van substitutie (een soort volmacht), verzegelen door Jorchem Frederik Stoffens, een beëdigd klerk. Het document werd voorzien van Thym's persoonlijke stempel en het officiële stempel van de secretarie van de kolonie. Het verzegelde document bleef bij de secretarie berusten.
Bekijk transcriptie 


Het Huis van Negotie (een handelsorganisatie) stelde strenge regels op voor het beheer van een plantage in Suriname:

Alles wat de beheerders deden, moest volgens de wet gebeuren en werd bindend verklaard.

Bekijk transcriptie 


P. Quast, scheepsbouwer uit Amsterdam, solliciteerde op 29 november 1897 naar de functie van scheepsbouwmeester bij de Rijkswerf in Amsterdam. Hij woonde toen aan de Commelinstraat 37. Zijn sollicitatie werd beoordeeld door de Ressortchef van de Afdeling Personeel. Deze functionaris stuurde een brief over Quast naar het ministerie (waarschijnlijk het ministerie van Marine) in 's-Gravenhage op 12 december 1897. De brief had als onderwerp: "Kandidaat rijkscommies voor het vak van scheepsbouw" en was gerelateerd aan een eerdere brief van 10 oktober 1851 over het indienen van notities. Quast was op dat moment 40 jaar oud en had al 22 jaar ervaring als scheepsbouwer. Hij had eerder een aanstelling gehad als gedetacheerde scheepsbouwmeester bij de Rijkswerf in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Op 10 maart 1712 werd vanuit Aspel 's-Gravenhage een bericht gestuurd naar de minister.
Bekijk transcriptie 


In zijn testament bepaalt de man het volgende: Het testament is opgesteld in Amsterdam, in het huis van de man in de Sint Jansstraat, op onvermelde datum. Aanwezig als getuigen waren Jan Lucasz van Nieulant (een bakker) en Dirck Touw. De notaris A. Lock heeft het document opgemaakt en bevestigd.
Bekijk transcriptie 


Op 1 november 1677 werd de nalatenschap van de gereformeerde gemeente verdeeld. Hier volgt een overzicht van de erfenis en wie wat kreeg:

Daarnaast werden de volgende zaken en bedragen toegekend:

Bekijk transcriptie 


Op 9 januari 1696 verklaarde Juffrouw Magdalena Bontemps, weduwe van Thomas Snep, ziek te bed maar met heldere geest, voor notaris Pieter Herlings in Haarlem dat zij haar testament van 11 mei 1693 en codicil van 17 februari 1695 (beide opgemaakt bij notaris Pieter Baes) bevestigde.

Zij bepaalde dat na haar overlijden:

Zij droeg de leiding hierover over aan haar dochter Margareta Snep en schoonzoon Matthijs van Elten, die moesten beslissen wat het beste was. Ook vroeg ze de door haar man aangestelde voogden om niet de vaderlijke erfenis van haar minderjarige dochter Anna Snep op te eisen zolang het bedrijf en huishouden nog liepen.

Op 11 januari 1692 was door haar man een testament opgesteld voor hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen.

Op een eerdere datum (13 december 1695) was een overeenkomst gesloten tussen Benjamin Withoijn (uit Amsterdam, toen in Haarlem) en een zekere Cooper. Withoijn stond zichzelf borg voor een schuld van Cooper van 13.000 gulden. De overeenkomst werd getekend in Haarlem door Diederick Ramp, Martin Montenack, Pieter van Adrichem (uit Dordt), Jacob Graafland en Benjamin Withoijn zelf. Notaris Gorlings bevestigde dit.

Een andere overeenkomst ging over een huis en boerderij die door twee partijen (waaronder Cooper) voor 23 gulden zouden blijven wonen, met alle planken en materialen die bij het huis hoorden. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en stelden zich onder toezicht van alle rechters en gerechten.

Een rekening van S.M. Lefeburg vermeldde een schuld van minder dan 4000 gulden.

Bekijk transcriptie 


Op 14 mei 1751 kwamen bij Aalst de Bruijn, een openbaar notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Haarlem, de volgende personen: Alle betrokkenen woonden in Haarlem en waren bekend bij de notaris. Zij verklaarden dat ze direct na het overlijden van Johanna Plovier de boedel (de bezittingen en schulden) van haar en Pieter Bogaard hadden verdeeld, zoals die in hun gemeenschappelijke huwelijk was ontstaan.
Bekijk transcriptie 


Op 26 november 1666, rond 11:00 uur 's ochtends, maakte de zieke maar geestelijk heldere Hendrik Plovier uit Haarlem (wonende in de Besemsteeg) voor notaris Joan Geraers zijn testament bekend. Hij was zich bewust van de kortstondigheid van het leven en wilde zijn bezittingen regelen.

Plovier bepaalde het volgende:

Bekijk transcriptie 


In zijn testament bepaalt Hendrik Plovier uit Haarlem hoe zijn bezittingen verdeeld moeten worden onder zijn drie kinderen: Grietgen Plovier, Janneken Plovier en Gijsbrecht Plovier. Hendrik Plovier verklaart op onbekende datum in Haarlem dat dit zijn laatste wil is. Hij wil dat deze regeling geldt als een officieel testament, zelfs als er juridische fouten in zitten. Hij vraagt een notaris om hier een openbaar document van te maken. Aanwezig als getuigen zijn: Het document wordt ondertekend door Hendrik Plovier, Symon van —, Raphel Adamsz en een handtekening (mogelijk van Hendrik zelf).
Bekijk transcriptie 


Op 18 januari 1697 verscheen voor notaris Maerten Kouwenhove (werkzaam in Schiedam en erkend door het Hof van Holland) het echtpaar Cornelis Jansz van der Lee en Annetge Jorisdr.. Zij woonden in de heerlijkheid Oud-Matthijs, buiten de Overschiepoort. Cornelis was ziek en bedlegerig, maar Annetge was gezond. Beide waren echter helder van geest en konden goed praten. Ze beseften dat het leven onzeker is en de dood zeker, maar het tijdstip onvoorspelbaar. Daarom wilden ze hun bezittingen regelen. Ze maakten afspraken over hun gehele vermogen (spullen, onroerend goed, schulden en tegoeden), waarbij de langstlevende alles zou erven. Belangrijkste afspraken: Getuigen waren Sijmon Cornelisz Santvoerder en Jacob Pietersz Verbeecq. Het document werd ondertekend door het echtpaar, de getuigen en de notaris.
Bekijk transcriptie 


In zijn testament laat de overledene het volgende na:

Er is een voorwaarde: zolang de moeder van de drie erfgenamen (Helerandrina Metsen) leeft, krijgen zij jaarlijks de opbrengsten van de volgende plantages en slaven in Suriname:

De moeder (Helerandrina Metsen) mag deze inkomsten gebruiken zolang zij leeft. Daarna gaan de plantages en slaven definitief naar de drie erfgenamen. Het testament is opgemaakt in Amsterdam.

Bekijk transcriptie 


Op 25 maart 1747 werd in Suriname een wisselbrief (een soort betalingsbelofte) opgesteld voor 100 gulden in courant geld (geld dat toen direct bruikbaar was). Deze brief was de derde poging, omdat de eerste twee niet waren betaald. De brief was gericht aan Harmanus Smit of zijn vertegenwoordiger. Het geld moest komen van de waarde die Smit had ontvangen in Suriname, en het bedrag werd in rekening gebracht voor de plantage Schaanhoort en het vermogen van de afzender. De afzender noemde zichzelf "uw dienstwillige dienaar" (iemand die bereid is te helpen).

De brief was ondertekend door Mijnsteeren DCellier namens Dingeman Broen en zijn bedrijf. Op de achterkant stond dat het geld ook betaald kon worden aan mevrouw de weduwe Cooplieden Smit of een vertegenwoordiger van Harmanus Smit. In Amsterdam bevestigde Harmanus Swit op 19 september 1748 dat de kopie klopte met het origineel. Dit werd geregistreerd door Sloto, een beëdigd griffier.

Op 29 juli 1748 werd in Suriname een tweede wisselbrief gemaakt voor 200 gulden in courant geld. Ook dit was de derde poging, omdat de eerste twee niet waren betaald. De brief was gericht aan Abel Schaanenberg of zijn vertegenwoordiger. Het geld kwam uit de waarde die Schaanenberg in Suriname had ontvangen, en het bedrag werd in rekening gebracht voor de plantage d'Choop. De afzender noemde zichzelf weer "uw dienstwillige dienaar".

Deze brief was ondertekend door Samuel P. Pichot. Op de achterkant stond dat Charllus en Theodorus Hendrik Luystar het geld konden betalen aan de heer Dupel of zijn vertegenwoordiger, waar het ook was ontvangen. Op 10 oktober 1748 bevestigde Mm in Amsterdam dat de betaling was gedaan aan Isaak Fremirck namens Schoenenberg. Op 20 september 1748 werd bevestigd dat de kopie klopte met het origineel, geregistreerd door Cennaeme, een beëdigd griffier.

Op 25 november 1747 werd een derde document ondertekend door Hendrik Luijster en bevestigd door Floto Clercq, een beëdigd griffier.

Bekijk transcriptie 


In 1739 werd een lijst gemaakt van goederen die geladen waren in het schip Maria, onder leiding van schipper Jacob Stoel. Het schip was op weg van Curaçao naar Amsterdam. De volgende handelaren en hun lading stonden op de lijst:

* Lamoensop, pamoensop, seroenen cacao en Cathoen zijn oude benamingen voor producten die tegenwoordig niet meer gangbaar zijn. Lamoensop en pamoensop waren likeuren, seroenen cacao verwijst naar cacaobonen in een bepaalde verpakking, en Cathoen was waarschijnlijk een textielsoort.

Bekijk transcriptie 


Op 14 juli 1777 schrijven J. vander Mandere, Huijbregt de Haze en Bomme aan de Kamer van de West-Indische Compagnie in Amsterdam en Middelburg over twee onderwerpen:

Daarnaast gaat het over weggelopen slaven in Spaanse gebieden. Het voorstel is:

Op 21 juli 1777 melden ze dat het schip De Willem, onder leiding van schipper Egbert Zouw, rond half september 1777 klaar zal zijn om goederen voor de kust van Afrika te vervoeren. De exacte vertrekdatum volgt later. Ze verontschuldigen zich dat ze eerder geen details konden geven, omdat de overeenkomst met de reders pas op 19 juli 1777 was afgesloten.

Bekijk transcriptie 


Op 28 maart 1786 in Rio Demerary namen de heren F.C. Chanquion en J. van Baerle, als commissarissen, de ondertrouw (officiële aankondiging van een huwelijk) af van twee hoofdpersonen: Het stel verklaarde met elkaar te willen trouwen en vroeg om de gebruikelijke huwelijksprocedure. De secretaris kreeg opdracht om de officiële aankondiging op het juiste moment en de juiste plek te doen. Aanwezig waren ook:
Bekijk transcriptie 


In een testament uit 19 maart 1758 in Paramaribo legden George Curtius en Elisabeth Geertruysmit (ook wel Elisabeth Geertruys Smit) hun laatste wensen vast: Elisabeth en George bevestigen dat dit hun officiële, laatste wil is. Ze vragen dat hun wensen precies worden uitgevoerd, ook als niet alle juridische formaliteiten zijn gevolgd. Het testament is door hen eigenhandig ondertekend.
Bekijk transcriptie 


Johanna Henrietta du Bruijel, gescheiden van Jacobus Johannes Eberhard, verklaarde op 7 mei 1760 in Paramaribo (toen nog Surinaam Rivieren en Districten genoemd) voor notaris Pieter Berkhoff en getuigen dat zij Engelina Maria Geelvinck, weduwe van Hermanus Smit uit Leerdam, machtigde om voor haar te handelen. De opdracht was specifiek: Du Bruijel beloofde hiervoor jaarlijks 600 gulden te betalen, zonder enige voorbehoud of uitzondering. Ze zette haar hele vermogen in als waarborg en onderwierp zich aan alle Nederlandse rechtbanken. De reden voor deze regeling was haar "zuivere liefde en genegenheid" voor Jan Gerard, zodat hij zich in "eer en wetenschap" kon ontwikkelen. Dit gebeurde met instemming van zijn grootouders, Johannes van Bergen en Anna Maria de Loeff.
Bekijk transcriptie 


Op 4 februari 1738 maakte J. Pieter Teijler van der Hulst, koopman uit Haarlem, een officiële volkmachtiging op in Akersloot. Hierin benoemde hij John Worster, een koopman uit Londen, als zijn wettige vertegenwoordiger.

Teijler van der Hulst gaf Worster de opdracht om namens hem geld op te eisen en te innnen van:

Het ging om een bedrag van £ 62, 12 shilling en 9 pence sterling (omgerekend 34 shilling en 11 pence Vlaams per pond sterling), afkomstig van een wisselbrief die op 30 augustus 1737 in Londen was opgesteld. Deze wissel was eerst geaccepteerd door Hermanus Smit in Amsterdam, maar na niet-betaling was deze onder protest teruggekeerd naar de afzender. Daarna was de wissel opnieuw geprotesteerd wegens niet-terugbetaling.

Worster kreeg volmacht om:

Teijler van der Hulst bevestigde dat alles wat Worster of diens vervanger in deze zaak deed, geldig en bindend was. Het document werd ondertekend en verzegeld in Haarlem op 14 februari 1738 (nieuwe stijl), in aanwezigheid van de notaris en getuigen C. Cuijper, G. Braband en W. Baart.

Bekijk transcriptie 


In deze historische documenten worden verschillende juridische conflicten beschreven, vooral over wissels (een soort betaalopdrachten), borgtochten (financiële garanties) en procuraties (volmachten). Hier een overzicht van de zaken:

Bekijk transcriptie 


Op 19 maart 1748 kwamen Hendrik Kemper, Willem Boeken en Paulus Pelt bij notaris Daniel van den Brink in Amsterdam. Zij waren de executeurs en voogden over de erfenis van de overleden Boudewyn Smit en beheerden de zaken voor diens minderjarige kinderen, waaronder Hermanus Smit. Zij gaven Hermanus Smit de speciale opdracht om:
Bekijk transcriptie 


Op 20 juli 1747 legde de notaris Daniel van den Brink in Amsterdam een verklaring vast op verzoek van koopman Jacob Laswood, ook uit Amsterdam. Laswood vroeg aan koopman Jochem Matthys Smitt om een officiële aanvaarding (betalingsbelofte) van een wisselbrief (een soort betaalopdracht). Smitt reageerde schriftelijk op het verzoek: - Hij zag dat de wisselbrief gescheurd was, van boven tot onder. - Op de achterkant stonden meerdere namen ingevuld, maar niet volledig (in blanco). - Volgens hem was dit geen geldige wisselbrief, vooral omdat het in die tijd gevaarlijk was op zee door piraten (kapers). - Hij wist niet in wiens handen het gescheurde papier allemaal was geweest. - Toch beloofde hij de brief te accepteren (te betalen) als Laswood (de huidige houder) garandeerde dat de brief echt was en bij hem hoorde. Omdat Smitt de brief niet direct accepteerde, maakte de notaris een officiële protestverklaring (protest van non-acceptatie). Dit betekende dat Laswood later de kosten, schade en rente kon terugvorderen, volgens de wisselregels van toen. De verklaring werd opgesteld in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jacob Willmet en Jacob Hijleman.
Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/