Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
H. G. van den Bergh, een gepensioneerd luitenant-kolonel van de infanterie in
Nederlands-Indië, schreef een verzoek aan de
Tweede Kamer der Staten-Generaal in
's-Gravenhage. Hij vroeg om twee dingen:
- een verhoging van zijn pensioen;
- een vergoeding omdat hij vond dat hij sinds zijn pensionering te weinig pensioen had ontvangen.
De
minister van Koloniën reageerde hierop met een brief aan de
griffier van de Tweede Kamer op
21 februari 1893. Hierin legde hij uit waarom
Van den Bergh geen recht had op meer geld.
Van den Bergh had op
15 juli 1845 het leger verlaten, maar was later, op
23 januari 1848, weer in dienst gegaan. Volgens de regels van die tijd (een koninklijk besluit van
24 november 1859 en een pensioenreglement) telde zijn eerdere diensttijd niet mee voor zijn pensioen. Zijn pensioen werd daarom vastgesteld op
2550 gulden per jaar – het bedrag dat hoorde bij zijn rang als luitenant-kolonel
op het moment van zijn definitieve pensionering.
Omdat alle regels correct waren gevolgd, was er geen reden om
Van den Bergh alsnog meer geld te geven. Zijn herhaalde verzoeken werden daarom afgewezen. De minister voegde bij zijn brief ook kopieën toe van relevante documenten, zoals:
- een afschrift van een besluit uit 14 april 1851;
- een brief van het Militair Departement in Batavia (Batavia) uit 26 juli 1861;
- het voorstel van het legerbestuur voor zijn pensionering.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4673 / 0439
Marcus Leonardus Gerardus van den Berg, een gepensioneerd luitenant-kolonel uit het Nederlands-Indische leger en woonachtig in
Meester Cornelis bij
Batavia, richtte zich op
21 december 1692 tot de
Tweede Kamer der Staten-Generaal in
Den Haag.
Hij klaagde erover dat hij in
1864 oneerlijk en tegen de regels was gepensioneerd. Volgens zijn eigen berekeningen was hij hierdoor benadeeld met een bedrag van 12.010 gulden.
Van den Berg vond dat hij, op basis van zijn dienstverleden, recht had op een eerlijke en zelfs welwillende behandeling.
De
Zweedse Kamer der Staten-Generaal (een deel van de
Staten-Generaal) stuurde zijn verzoek door naar de
minister van Koloniën met de vraag om meer informatie. Bij het verzoek zaten twee adressen, een dienststaat en een uiteenzetting (memorie) van
Van den Berg.
Uit de bijlagen bleek dat
Van den Berg na 12 jaar buiten dienst te zijn geweest, weer was aangesteld als luitenant. Ook werd vermeld dat hij, ondanks eerdere klachten tegen hem, pas na 2 jaar als kolonel werd gepensioneerd. Zelfs na zijn pensionering kreeg hij nog opdrachten, zoals het controleren van geleverde artikelen, waarvoor hij daggeld ontving.
De
Zweedse Kamer vroeg de minister om de documenten na bestudering terug te sturen. De zaak werd behandeld door
Meijtman, de voorzitter van de
Zweedse Kamer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4673 / 0443
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 605559 / 30
Op 15 april 1755 verschenen voor notaris Jan Verleij in Amsterdam twee getuigen: Jochem Pikbrander, schipper, en Pieter Schreuder, stuurman. Beide mannen werkten op het schip De Jonge Daniel en woonden in Stettin (nu: Szczecin), maar waren op dat moment in Amsterdam. Op verzoek van Christoffel Duckerde (ook bekend als Christoffel Ducherow) verklaarden zij het volgende:
- Zij kenden Fredrik Ducherow (ook wel Fredrik Doggers genoemd), de broer van Christoffel, die in 1737 in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), afdeling Amsterdam, naar Oost-Indië (nu: Indië/Indonesië) vertrok.
- Volgens geruchten was Fredrik tijdens die reis overleden.
- Fredrik was ongetrouwd en kinderloos toen hij uit Stettin vertrok, net als bij zijn vertrek naar Oost-Indië.
- Zijn vader was al eerder overleden, zijn moeder stierf in 1745.
- Fredrik had geen andere (half)broers, -zussen of nakomelingen achtergelaten, behalve Christoffel, zijn enige volle broer.
De getuigen bevestigden dat Christoffel daarom de enige erfgenaam was van Fredrik Ducherow. Zij baseerden hun verklaring op persoonlijke kennis, omdat ze Fredrik, zijn familie en ouders kenden uit Stettin, waar ze samen woonden en omgingen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 700989 / 71
Op 12 september van het volgende jaar zou een gevangene, Doris Ruimveld, vrijgelaten worden. Zijn straf was met 9 maanden verkort, omdat hij zich volgens de commandant van Fort Amsterdam het afgelopen jaar goed had gedragen. De autoriteiten besloten dat Ruimveld hierdoor voldoende gestraft was en scholden de rest van zijn gevangenisstraf kwijt. Hiervan kregen de aanklager en de persoon die de zaak had aangespannen een afschrift.
Op 17 december werd een verzoek van Maria Decteer behandeld. Zij vroeg vrijstelling van belasting voor twee tot slaaf gemaakten onder haar voogdij, Oblida en een andere persoon, omdat zij ernstig ziek waren. De autoriteiten besloten dat Maria Becker (een andere voogd) wel vrijgesteld werd van deze belasting voor de tot slaaf gemaakte Alida, tot en met dat jaar. De financieel beheerder en Maria Decteer kregen hiervan een afschrift.
Ook werd een vonnis van het hof van Curaçao doorgestuurd naar de gouverneur. Dit vonnis ging over een zaak van Alida Dodet en Mania Godet en was uitgesproken op 1 december en bekrachtigd op 4 december.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3414 / 0234
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 54 / 0754
Op 14 april 1638 verklaarde Frans van Berckel, een koopman uit Amsterdam, voor notaris dat in november 1637 een jonge man bij hem thuis was gekomen. Deze man, die later gevangen zat in Haarlem, werkte voor Claes van Bergen uit Noorwegen en bood namens hem koper uit Neurenberg te koop aan. Frans van Berckel en zijn getuigen onderhandelden over de prijs en kregen een vat klokkoper (ongeveer 12 pond) aangeboden, dat uit een schip uit Bergen kwam.
Toen het vat gewogen werd, bleek het te licht volgens een brief die de jonge man bij zich had. Een dag later bracht hij extra koper, dat hij zei in het schip te hebben gevonden. Uiteindelijk betaalde Frans van Berckel een bedrag in termijnen aan Jan Claesz voor het koper.
De verklaring werd opgetekend in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Santen en Jacob Michielsz.
Daarnaast werden er goederen vermeld die gemeenschappelijk bezit waren, waaronder:
- drie strooien stoelen (getaxeerd op 15 gulden),
- tinnen platen en borden,
- een bontgevoerde jas,
- een tafelkleed,
- gouden ringen en boeken,
- een schuldvordering op Jan Michielsz uit Alkmaar.
Deze goederen waren afkomstig van een overleden familielid, volgens de boeken en aantekeningen die ze hadden gevonden. De verklaring werd ondertekend door meerdere getuigen, waaronder Claes Arentsz van Naerden, Jan van der Keil, en Arent van Marede.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510353 / 76
Johan Spiers, een koopman uit
Amsterdam, had op
30 juli 1637 een overeenkomst met
Jasper Jansz, een arbeider op de
Nieuwe Uilenmarkt.
SpiersJasper Jansz 12 lasten (een oude maateenheid voor graan) rogge verkocht voor
88 gulden per last. Volgens de afspraak moest
Jasper Jansz
op de eerste dag 2 of 4 lasten ontvangen,
de rest binnen 40 dagen in ontvangst nemen,
per dag 2 of 3 lasten afnemen, ongeacht of de marktprijs hoger of lager zou zijn.
Jasper Jansz had de eerste 4 lasten wel ontvangen, maar de overige 8 lasten nog niet. Omdat hij in gebreke bleef, liet Spiers op 4 september 1637 door een openbaar notaris een officiële waarschuwing (insinuatie) afgeven aan Jasper Jansz. Hierin stond dat Jasper Jansz alsnog de 8 resterende lasten moest ontvangen en betalen. Als hij dat niet deed, zou hij verantwoordelijk blijven voor de kosten, schade en rente. De notaris liet een kopie achter voor Jasper Jansz, maar die was afwezig. Wel werd de waarschuwing voorgelezen aan zijn dochter en grootmoeder.
Ook Jan Trompetter, die ziek in bed lag, werd bezocht. Hij wilde de akte horen voorlezen, maar kon door zijn ziekte niet goed meedoen.
---
Op 7 september 1637 werd een andere zaak vastgelegd in Amsterdam. Claes van Santen vertegenwoordigde Harbert Gillis, een koopman, en Frans van Berckel, die optrad namens zijn zwager Salomon Gerritsz uit Leiden. Zij hadden een conflict over een erf bij de Moccum-partners en bepaalde gebruiksrechten (servituten) daarbij. Beide partijen wilden een rechtszaak vermijden en een redelijke oplossing vinden. Ze spraken af dat Frans van Berckel een schuld van 8 pond aan Adriaen Huybert zou betalen, afkomstig van een houtkoop. Hiervoor zouden ze een officiële verklaring bij de notaris laten opmaken. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en eventueel een advocaat of vertegenwoordiger in te schakelen als dat nodig was. Getuigen hierbij waren Claes van Santen en Harmen Anthonisz, beide poorters (burgers) van Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510364 / 165
Jacoba Edam was de eigenaar van de volgende tot slaaf gemaakte mensen:
- Martha, ook wel Maarsteg genoemd
- Catharina Johanna Ledenberg
- Dido, ook wel Ollooij genoemd, en haar kinderen:
- Deeder Welenal
- Henrietta Francina Vroom, ook wel Vetta genoemd
- Abraham, ook wel Osdod genoemd
- Hendrik, Johanna, Anthony Odrag en Jacoba Wendrina, met de kinderen:
- Abraham en Johannes, met Abraham die ook Raphael Goedharto werd genoemd
- Santje Dapper (ook Santje)
- Doris Ruimveld (ook Doris)
- Charles Keciphout (ook Charles)
- Christiana Biervliet (ook Christiana)
- Wilhelmina, ook wel Nanly genoemd, met haar kind Jansje Margaretha
- Antoinetta Straatweg (ook Sansje Margaretha)
- Hendrike en Everhardus Hendrik Moestuir
- Leentje en Josephina Hupseh (ook Welena)
- Hetty, Agathia en Wetty Behoorlyk
- Johannes Bernhard, ook wel Onvermoeid genoemd
- Richard Arnold Wermelijns (ook Richard) en Jacques Johan Arnoldus (ook Jacques)
- Magdalena, ook wel Maydalena genoemd
De namen van de tot slaaf gemaakte mensen werden soms aangevuld met een bijnaam of een andere versie van hun naam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3367 / 0222
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320363 / 154
Op een bepaald moment werd een wisselbrief (een soort schuldbekentenis) getoond en overhandigd door Jacob Vincke namens Mathijs Vinckel. Hij vroeg om directe betaling van deze wisselbrief. Toen kwam Roelof Bos, een schipper, die namens JJ Winckel antwoordde. Hij zei dat zijn vader de wisselbrief niet zou betalen, omdat er geen voorraad (goederen) was.
Daarom liet de notaris een officiële verklaring opstellen tegen S. Winckel dat de betaling was geweigerd. Ook werden extra kosten, zoals rente, wisselkosten en andere schadevergoedingen, genoemd. Dit alles gebeurde in Amsterdam in het bijzijn van Jan el en Dirck van der Groe als getuigen.
De notaris, A. Lock, bevestigde dit op 28 januari in het notarieel register DV: Groe 281, met vermelding van Hans Jansen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965484 / 48
In
17 november 1712 werd in
Batavia (in het kasteel) een lijst opgesteld met namen van mensen die waarschijnlijk om hulp of ondersteuning vroegen. De volgende personen stonden op de lijst:
De lijst werd opgeschreven door
Jacob Jaas en
Petrus Vuijst.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1950 / 0984
De overheid nam in
980 het retourschip
Westerdijkshorn over, inclusief de lading en buitgemaakte goederen. Aan boord waren militaire ambtenaren en soldaten die hiermee naar huis zouden terugkeren. De volgende personen stonden geregistreerd:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1950 / 0983
Op
16 oktober 1784, op een zaterdagavond rond
11 uur, verscheen
Judith Rattink, een oudere, ongehuwde vrouw, voor
Johannes Petrus Ruenen, een officiële notaris in
Haarlem. Zij woonde op dat moment bij
Meyndert Luyter in het
Sint Pieterstraatje in
Haarlem. Hoewel ze ziek en bedlegerig was, was ze helder van geest en wilde ze haar laatste wil vastleggen.
Ze begon met het intrekken van
alle eerdere testamenten of andere documenten over haar nalatenschap. Daarna bepaalde ze wie wat zou erven:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974734 / 158
Op
28 juli 1753 ’s avonds om
9 uur kwamen
Willem van Maanen, wijnkoper, en
Lena Bos, een echtpaar wonend in
Haarlem op de
Kruisweg, voor notaris
Wernerus Köhne. Zij waren gezond en helder van geest en wilden een testament opstellen.
Zij verklaarden:
- Alle eerdere testamenten, codicillen (aanvullingen op testamenten) en andere uiterste willen werden ingetrokken en hadden vanaf nu geen waarde meer.
- Zij benoemden elkaar tot enige en volledige erfgenaam. Dat betekende dat als een van hen als eerste zou overlijden, de langstlevende alles zou erven: alle bezittingen (zoals meubels en onroerend goed), geld, schulden die anderen nog aan hen hadden, en alle rechten. De langstlevende mocht met deze erfenis doen wat hij of zij wilde, alsof het volledig eigen bezit was.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974575 / 999
Lena Bos, een huishoudelijke hulp en echtgenote van
Andries Herdst, belooft in
Amsterdam op
[datum onbekend] officieel dat zij:
- een waarborg (financiële zekerheid) zal geven,
- alles zal doen wat nodig is om een aanklacht wegens smaad (valse beschuldiging) af te handelen,
- zelf aanwezig is in deze zaak en niet de mogelijkheid of het geld heeft om verder juridische stappen te ondernemen.
Zij verklaart ook dat zij alle afspraken en uitspraken in deze kwestie zal accepteren en nakomen. Deze verklaring wordt opgesteld in het bijzijn van de getuigen
Meseroij en
Hanna Zweerts.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 605561 / 486
Op
31 augustus 1686 verscheen
Scharel Gresnich, een koopman uit
Haarlem, voor notaris
Dirk van der Groe. In aanwezigheid van getuigen verklaarde
Gresnich onder ede, op verzoek van
Anthonio Maire (ook koopman in
Haarlem), het volgende:
- Gresnich had eerder honderden pond Haarlemse pijpkoralen gekocht van Maire voor 18 stuivers per pond, met korting:
- 1% voor gewichtsverlies
- 1% voor snelle betaling ("contant")
Dit was de gebruikelijke prijs voor koralen die op "huisgewicht" (standaardgewicht) werden verkocht.
- Later kocht Gresnich dezelfde koralen voor 16 stuivers en zelfs 15 stuivers per pond van Maire.
- Gresnich ontdekte rond maart-april 1686 dat de koralen ook door Joris Colonius (wonende in de Warmoesstraat in Haarlem) werden verkocht. Hij klaagde hierover bij Maire, omdat de glasblazers Jda en Jacomo Pallada uit Haarlem de koralen voor lagere prijzen zouden verkopen of laten verkopen.
- Maire beloofde dit tegen te houden, omdat de glasblazers hem schade berokkenden door tegen hun afspraken met Maire in te gaan. Zij mochten de koralen namelijk niet zelf verkopen of laten verkopen.
- Gresnich hoorde dat Joris Colonius tijdens het contract van Maire partijen Haarlemse pijpkoralen verkocht aan anderen, zoals Samuel Terhiel en Daniel Waywel.
- Rond mei-juni 1686 werden Gresnich namens Terhiel en Waywel meerdere keren Haarlemse bijtkoralen aangeboden.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606772 / 464
- Op 22 juni 1616 in Amsterdam eist Insumant (de eiser) dat zijn "meesters" (opdrachtgevers) en hijzelf schadevergoeding krijgen als er langer gewacht wordt met betalen. Hij dreigt met een klacht als dat nodig is.
- Insumant zegt dat hij met de koper heeft afgesproken om 12 vaten goederen te leveren. Hij heeft al 56 gulden ontvangen, maar er is nog 100 gulden openstaand. Als dat betaald wordt, levert hij de goederen direct.
- Dit gebeurt officieel in het bijzijn van de getuigen Evert de Marre en Gerrit van der Groe.
- Later, op dezelfde dag, wordt in aanwezigheid van dezelfde getuigen en op verzoek van heer Gerrit Scherf (de koper) een nieuwe overeenkomst opgesteld. Insumant moet nu 639 gulden betalen voor 9 stukken "boratte" (een soort stof) die eerder genoemd waren.
- Insumant vraagt om directe levering zonder verdere vertraging. Als dat niet gebeurt, herhaalt hij zijn eerdere dreiging met een klacht.
- De koper (geïnsinmeerde) houdt vol dat hij bij zijn eerdere standpunt blijft.
- De notaris, D. van der Groe, bevestigt dat alles correct is opgeschreven en ondertekent de akte.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606839 / 474
Op
10 december 1751 verscheen een groep mensen voor de gerechtsleden
Jan Hendrik Dies en
Joannes de Leeuw in de stad
Galle. Zij bevestigden onder ede – met opgestoken vingers en de woorden
"Zo waarlijk helpe mij God Almachtig" – een eerder rapport over de inspectie van het retourschip
Bloemendaal en de benodigde reparaties. De volgende personen waren aanwezig en tekenden of maakten een kruisje:
De notaris
J. de Vos bevestigde de echtheid als griffier, en de gerechtsleden tekenden voor akkoord.
Voor het schip
Bloemendaal werden de volgende reparaties en voorraden goedgekeurd, op basis van een lijst van noodzakelijke zaken:
- Touwen en zeilen:
- 1 groot fokkewant (zeiltouw)
- 1 fokkestag (steunmasttouw)
- 1 voorbramsteng (mastonderdeel)
- 1 reserve-steng (mast)
- Hout en onderdelen:
- 30 vadems (oude maat, ongeveer 60 kubieke meter) brandhout voor het fornuis
- 90 hels (planken) en 7 deggens (latten) om vatwerken te repareren
- 12 halve reparten (houten planken) voor de scheepszijden
- Overige reparaties:
- Koperen goederen repareren
- Touwen (strengmast, dubbelhuid, delanthaarns) vervangen
- Sloten, vensters in de kajuit en kamers, en glasramen in de nachthuisjes (toiletten) herstellen
De lijst werd goedgekeurd door:
De bemanningsleden
Pieter Fruijt (onderluitenant),
Andries Herfst (onderstuurman),
Jan ten Gronde (bootsman) en een matroos bevestigden dat deze spullen
absoluut noodzakelijk waren voor de reis.
Tot slot werd een verzoek gestuurd aan
Gerrard Joan Vreelandt, een hoge ambtenaar (raad en gouverneur van Ceylon), om de goederen volgens de lijst van kapitein
Steven Baade te leveren. De totale kosten bedroegen
35 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2796 / 0016
In
Gale verklaarden enkele getuigen (attestanten) op
onbekende datum dat bepaalde goederen aan boord van een schip versleten, kapot of onbruikbaar waren geraakt. Ook ontbraken er spullen die nodig waren voor de verdere reis.
De getuigen zeiden dat:
- de benodigde reparaties niet aan boord konden worden uitgevoerd;
- de overgebleven goederen essentieel waren voor noodgevallen tijdens de reis;
- ze deze verklaring onder ede (een plechtige belofte om de waarheid te spreken) bevestigden.
De verklaring werd opgesteld in aanwezigheid van de getuigen
Hendrik Ditmers,
Frederik Christiaan Frobus en
Clercquen. De tekst werd ondertekend door de getuigen, de attestanten en
N=s B3:t Martheze, een beëdigd klerk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3047 / 0100
- Er moesten reparaties uitgevoerd worden aan een schip voor de terugreis. De volgende werkzaamheden waren nodig:
- Gaten in het dek hakken voor een nieuwe pomp.
- De pompbuis en de pomp zelf installeren.
- De boot en het schuit (klein vaartuig) naar de wal halen voor onderhoud:
- Calfaten (kieren dichtmaken met hennep en pek).
- Boeisel (reling) repareren.
- Het vlak (platte bodem) van de laatste boot spijkeren.
- Een nieuw roer maken.
- Het grootste deel van het lopend touwwerk (touwen voor zeilen en masten) was versleten en moest vervangen of bijgemaakt worden met nieuwe touwen.
- De overige zeilen moesten gerepareerd worden.
- Andere gebreken die tijdens het timmeren en calfaten gevonden zouden worden, moesten ook verholpen worden.
- De deskundigen (attestanten) verklaarden dat deze materialen niet in Batavia (het huidige Jakarta) waren aangeschaft.
- Sommige onderdelen waren wel goedgekeurd in Batavia en stonden in de kostenberekening en inventarislijst.
- Deze onderdelen hoorden bij het schip, maar waren tijdens de reis beschadigd geraakt.
- Voor de terugreis waren nieuwe materialen absoluut noodzakelijk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3047 / 0099
Joh. (waarschijnlijk de inspecteur) vond de volgende problemen bij de inspectie van het schip:
- De lijtuilen (touwen om zeilen mee te bedienen) en spieren (dikke touwen) waren versleten of kapot.
- De grote bramzeil (een type zeil) ontbrak.
- De grote draaireepen (touwen om het roer te bedienen) en het stuurreep (touw voor het sturen) waren op meerdere plekken beschadigd of gespleten, waardoor het roer (stuurmechanisme) niet goed werkte.
Daarnaast waren er nog meer noodzakelijke reparaties nodig:
- Het schip moest van binnen en buiten gekalfat (afgedicht met pek en hennep) worden.
- Er moesten schotten (scheidingswanden) in het ruim (laadruimte) komen om de lading te scheiden.
- Er moest een waterschot (waterdichte wand) en een nieuw luik (deksel) met hang- en sluitwerk voor het watergat (opening om water af te voeren) gemaakt worden.
- Er moest sapanhout (hout voor reparaties) in het ruim geschalmd (op maat gemaakt) worden.
- De dubbelhuid (extra laag hout aan de zijkant) aan bakboord (linkerkant) moest gerepareerd worden.
- De blaasbalken (ondersteunende balken) moesten vervangen worden.
- De stroken (houten planken) bij de steven (voor- en achterkant van het schip) moesten verwijderd en met lood afgedekt worden.
- Er was een lek bij de boeg (voorzijde), dat gemaakt moest worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3047 / 0098
Op
7 november 1762 verschenen er verschillende bemanningsleden voor
Nicolaas Bernardus Martheze, de boekhouder en eerste klerk van het
Galjot Commando. Aanwezig waren ook de getuigen:
Al deze mannen, die allemaal op het retourschip
Amerongen dienden, bevestigden onder ede – op verzoek van kapitein
Jan Spek – dat de volgende goederen tijdens de reis van
Batavia naar de huidige locatie beschadigd, versleten of onbruikbaar waren geraakt:
- 2 stukken (de exacte goederen worden niet genoemd).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 3047 / 0097
-
Op 20 september 1882 trouwden in Amsterdam twee stellen in het gemeentehuis.
Hendrik Joosten, 57 jaar en werkzaam als matroos (varensgezel), geboren in Les maar ingeschreven in Delfzijl, weduwnaar van Anna Cornelia Melkert, en Catharina Elizabet Mulder, 58 jaar, zonder beroep, geboren en wonend in Amsterdam, weduwe van Jan Willem Machiel Hommelsberg, gingen een huwelijk aan.
Heinrich Wilhelm Tamborowski, 38 jaar, koffiehuishouder, geboren in Elbing (Duitsland), en Clara Marie Erdmund Liedtke, 26 jaar, zonder beroep, geboren in Amsterdam maar woonachtig in Danzig, gingen ook een huwelijk aan.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1940055 / 10
Op 25 september 1716 liet mevrouw Maria Susanna Jannette, gescheiden vrouw van Hendrik Jan van Wijk, bij een notaris in Amsterdam vastleggen dat ze bij helder verstand was. Omdat het moment van sterven onzeker is, trok ze alle eerdere testamenten en andere laatste wensen in.
Ze maakte een nieuwe regeling:
- Haar zoon David van Wijk kreeg het familiewapen, maar met de voorwaarde dat dit na zijn dood naar zijn oudste broer ging (als die nog leefde) en daarna naar de volgende broer, tot aan de jongste.
- Haar zoon Hendrik Jan van Wijk kreeg haar geliefde tafeltje.
- Haar jongste zoon Hermanus van Wijk kreeg een gouden zakhorloge.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974495 / 169
Volgende pagina