Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 17 oktober 1628 verschenen voor notaris Willem van Galen in Utrecht: Zij besloten de goederen van Niclaes van Berck en Barbara van Warmelo te verdelen. De totale waarde van de goederen (na aftrek van schulden) was 69.543 gulden, 12 stuivers en 2 penningen. Ter betaling kregen de erfgenamen van Berck de volgende documenten:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 325  


Op 21 september 1528 kwamen Joost Hasse Bruin en Johanna van Warmelo, echtelieden, voor notaris Willem van Galen in Utrecht. Zij verklaarden na het voorlezen van het testament van Barbara van Warmelo (overleden op 5 augustus 1528) af te zien van de helft van hun levenslange gebruikrecht op de erfenis. Dit deden zij ten voordele van Gerard van Isselmuiden, de enige erfgenaam van Barbara van Warmelo (zijn moeder). Gerard van Isselmuiden accepteerde dit dankbaar. De akte werd opgesteld in het sterfhuis van Barbara van Warmelo in Utrecht, met als getuigen Johan van Straten en Otto Schrasser, beide raadsheren.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 297  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507177 / 192  


De gevolmachtigden kregen de opdracht om alle inkomsten, zoals rente of andere betalingen die Hermen van Warmelo tijdens zijn leven had ontvangen, te innen. Ze moesten kwijtingen afgeven, schuldenaren die niet wilden betalen via de rechter dwingen, hoofdsommen bij aflossing ontvangen, rente- en schuldbewijzen vernietigen en het geld opnieuw beleggen voor het grootste voordeel van de opdrachtgevers. Ook mochten ze juridische stappen ondernemen en iemand anders als vertegenwoordiger aanstellen in rechtszaken. Alles wat de opdrachtgevers zelf hadden kunnen doen, mochten de gevolmachtigden nu ook.

De opdrachtgevers beloofden dat alles wat de gevolmachtigden in deze opdracht deden, geldig en bindend zou zijn. Ze verbonden hiervoor al hun bezittingen en onderwierpen zich aan beslaglegging door de heerlijke en gewone rechtbanken.

De akte werd opgesteld op 5 oktober 1628 in aanwezigheid van de getuigen Willem van Bemmel en Willem van Schut. Ondertekend door de compagnie, Johan van Welvelde, Johan Joachim van Grovenstein, Willem van Bemmel en Willem van Schaijck Asschebers.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 365  


Op 90 16.. verschenen voor Jan van Vischouen, hoofdman van Utrecht, en de ouders: Op Huijgen, de weledele Johan van Weelvelde uit Ter Cluicke. Hij kwam voor zichzelf en als vader en voogd van zijn onmondige kinderen, afkomstig uit zijn huwelijk met de overleden weledele Barbara van Warmelo. Ook verschenen Joachim van Asscheberch uit Ter Heyde voor zichzelf, en Fabius van Grevenstein als man en voogd van de weledele Anna Hebricht van Asscheberch, zijn vrouw, die ook voor zichzelf kwam.

Zij verenigden zich en versterkten gezamenlijk hun positie als broers, zwagers en twee zussen. In die hoedanigheid eisten zij gezamenlijk recht op de goederen die Herman van Warmelo, natuurlijke zoon van de overleden Gerard van Warmelo (die in zijn leven drossaard van Valant was), had nagelaten. Deze goederen werden ook door Herman van Warmelo in lijftocht gebruikt.

Zij benoemden en machtigden Galen om in hun naam de goederen op te eisen en in ontvangst te nemen.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 363  


Op 11 juni 1634 gaf Catharina van Groen uit Rotterdam aan notaris Nicolaes Verduyn in Utrecht de opdracht om Dr. Josephus Vorstius te machtigen.

Hij mocht namens haar een erfenis opeisen uit het testament van Jan Serman van Wermelo van 31 maart 1623. Deze erfenis was al overgedragen aan de Kamer van de Aalmoezeniers in Utrecht. Catharina van Groen gaf Dr. Josephus Vorstius ook de vrijheid om iemand anders in te schakelen voor deze zaak.

Op 13 juni 1634 werden er nog meer documenten ondertekend, waaronder een volmacht voor Joost van Eewijck door Gillis Passeer en een andere voor Bathina van Groen door J.W. Lobessen.

Op 11 juni 1634 machtigde Catharina van Groen ook Johan van Noortdijck, burger van Utrecht, om namens haar een jaarlijkse uitkering van 90 karolusguldens te innen. Dit bedrag kwam van het klooster Sint Agnieten in Amersfoort. Johan van Noortdijck moest de ontvangstbevestigingen ondertekenen en het geld doorsturen naar Catharina van Groen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507310 / 236  


Op 11 september 1626 werd een overeenkomst gesloten in Utrecht in herberg De Drie Leeuwen. Cornelia en Aelt van Meurs kwamen tot een regeling: Cornelia werd vrijgesteld van een borgtocht van 150 gulden, mits Aelt van Meurs binnen 14 dagen de resterende 50 gulden van een lening van 400 gulden (inclusief rente en proceskosten) aan Cornelia zou betalen. Als dit niet gebeurde, zou Cornelia haar rechten behouden. Getuigen waren Cornelis van Jacob Ottensz van Roijen en Cornelis van Borckhorst, beide letterkundigen van Utrecht.

Op 25 september 1626 stelde Barbara van Warmele, weduwe van Nicolaas Berck en beheerder van de goederen van haar neef Herman van Warmelo (overleden in Oost-Indië), Aemont Gijsels aan als haar vertegenwoordiger. Aemont Gijsels mocht namens haar alle geld opeisen dat Herman van Warmelo had verdiend tijdens zijn reis naar Oost-Indië en alles doen wat Barbara van Warmele zelf had kunnen doen. Getuigen waren Nicolaes Merou en Johan Vosch, beide inwoners van Utrecht.

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506995 / 261  


Op 23 februari 1901, na 17:00 uur, hield Gerrit Cornelis Merens, notaris in Haarlem, in het verkooplokaal De Gouden Leeuw aan de Zijlstraat in Haarlem een openbare veiling. Dit gebeurde op bevel van de Arrondissements Rechtbank in Haarlem van 5 februari 1901.

De veiling vond plaats op verzoek van Johan Koorhoven, kandidaat-notaris in Haarlem. Hij was gemachtigd door Fredericus Josephus Eman, tekenaar in Haarlem, voor zichzelf en als wettelijke voogd van zijn minderjarige kinderen Nicolas Eugene Frederie Eman en Mauriel André Lucien Eman. Ook Nicolaas Eman, zonder beroep in Haarlem, was betrokken als toezichthoudend voogd, benoemd door de kantonrechter in Haarlem op 28 december 1900.

Er werd een huis met erf, gelegen aan de Pieler Kiesstraat 36 in Haarlem, veiling gebracht. Dit perceel was bij het kadaster bekend onder sectie A, nummer 1438, met een oppervlakte van 99 centiare. De belastbare opbrengst was vastgesteld op 300 gulden voor gebouwde eigendommen en 1,97 gulden voor ongebouwde eigendommen. Voor dat jaar bedroegen de belastingen 32,10 gulden voor gebouwde en 0,14 gulden voor ongebouwde eigendommen.

Fredericus Josephus Eman had het perceel gekocht, zoals blijkt uit een koopakte van 6 mei 1893, opgemaakt door de notaris. Een afschrift hiervan was ingeschreven bij het hypotheekkantoor in Haarlem op 10 mei 1893 in deel 597.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 713 / 0247  


Op 29 juni 1899 werden verschillende akten geregistreerd in Meersen. Hierin staan onder andere hypothecaire inschrijvingen, verkopen en delingen van onroerend goed. Op 1 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd: Op 21 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd: Op 5 juli 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd:
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9183 / 0045  


Op 3 juli 1903 ging Jan Willem Neus, bakker uit Vaals, naar Jan Adolphe Emile Wijnans, notaris in Gulpen. Hij verkocht aan zijn zuster Maria Catharina Neus, weduwe van Jozef Schmalen en Peter Mukolajewitz, ook uit Vaals, het levenslange gebruik van een huis aan de Akerstraat in Vaals (grootte: 2 are 30 centiare, kadastraal nummer 3778, 3779, 47635).

De koopsom bedroeg 2300 gulden, die Jan Willem Neus al had ontvangen. Het huis werd verkocht zoals het was, met alle rechten en plichten, waaronder een erfdienstbaarheid voor andere percelen in Vaals. Het was vrij van hypotheken.

De akte werd opgesteld in Vaals op 3 juli 1903 in aanwezigheid van Hendrik Joseph Piereij (kandidaat-notaris uit Gulpen) en Jan Mathijs von Houten (werkman uit Mechelen Wittem) als getuigen.

De akte werd geregistreerd in Gulpen op 17 juli 1900 voor een bedrag van 76 gulden.

Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9201 / 0261  


Op 30 juli 1900 werd een document vastgehecht aan een akte in Gulden. Hierin stond dat voor 3 gulden en 60 cent een zekerheid was gesteld voor de betaling van een koopsom. Dit betrof een hypotheek op verkochte goederen, met als voorwaarde dat de verkoper de inschrijving ten koste van de koper kon laten doorhalen. Op 1 mei 1903 gaven Maria Catharina Grooten (weduwe van Martin van Elsen), Aloys van de Weijer, Philomine van de Weijer (vrouw van Frans Wallrafen) en Henriette Freialdenhoven (weduwe van Anton van de Weijer) volmacht aan Frans Wallrafen. Hij mocht namens hen onroerende goederen in Vaals en Wittem verkopen, de koopvoorwaarden vaststellen, de koopsom ontvangen en hypotheken afsluiten. Ook mocht hij inschrijvingen laten doorhalen en alle nodige documenten ondertekenen. Op 27 februari 1903 en 5 maart 1905 werden er documenten opgesteld in Amerongse en Radermühle met betrekking tot Anton van de Weijer en zijn familie. Op 12 april 1905 werd in Dülken een akte ondertekend door Jos van de Weijer en anderen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9279 / 0368  


De verkoopvoorwaarden waren als volgt: Na voorlezing werd het onroerend goed geveild. Jan Schonbrodt, postbode uit Vaals, bood als hoogste 1750 gulden. De verkopers wezen dit bod af en lieten het goed opnieuw veilen. Jaan Jan Willem Neus, bakker uit Vaals, bood het hoogst en nam de koop aan. De verkopers keurden deze toewijzing goed. Dit gebeurde in aanwezigheid van Andries Joses Ramaekers (notarisklerk uit Gulpen) en Matheeu Schmalbach (koopman uit Vaals) als getuigen. Op 16 december 1897 herriep Bernhard Philipp August Eickenscheidt, een rooms-katholieke priester en Redemptorist uit Glanerbrug, zijn testament uit 30 december 1882, opgemaakt door notaris Joannes Malhuas Adolphus Wynaus uit Gulpen. Dit gebeurde in aanwezigheid van Andries Josef Ramaekers en Prans Enops (landbouwer uit Elenaken).
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9195 / 0309  


Op 23 juni 1899 ging Johan Neus, bakker en winkelier uit Vaals, getrouwd met Anna Mommer, naar notaris Jan Eugene Adolphe Emile Wijnans in Gulpen. Hij erkende schulden te hebben: Jan Willem Neus aanvaardde deze schulderkenning, ook namens Martina van Wintersdorff. Ze spraken af: Als zekerheid voor de totale schuld van 1150 gulden (inclusief rente en kosten) bood Maria Krill, weduwe van Arnold Neus en winkelierster in Vaals, hypotheek aan op haar onroerende goederen in Vaals: Daarbij spraken ze af: De akte werd opgesteld in het huis van Maria Krill in Vaals, in aanwezigheid van getuigen Andries Josef Ramaekers (notarisklerk uit Gulpen) en Mathieu Simons (verver uit Vaals). Op 10 december 1899 werd een eerste afschrift afgegeven aan de schuldeisers.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9197 / 0197  


Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9194 / 0023  


Op 30 juni 1898 tekende notaris Jan Eugene Idolphe Emile Wijnans in Gulpen een leningsovereenkomst op tussen: Jan Willem Neus leende 900 gulden van Sophia Elisabeth Nijssen tegen een rente van 5% per jaar, die na 6 weken na de vervaldatum daalt naar 4%. De lening moet na 5 jaar in één keer worden terugbetaald in Nederlandse guldens, zonder korting. De rente is jaarlijks verschuldigd en opeisbaar. De lening kan eerder worden opgeëist als: Als zekerheid voor de lening stelde Jan Willem Neus een eerste hypotheek op een huis met bijbehorende grond in Vaals, gelegen aan de Akerstraat (groot 2 aren en 95 centiaren, kadastraal bekend als nummers 3776, 3777, 3778, 3779, sectie A). Aan de hypotheek zijn de volgende voorwaarden verbonden: De partijen kozen Gulpen als woonplaats voor juridische kwesties. De akte werd ondertekend door Jan Willem Neus, Mathieri Vijssen, de getuigen Andries Josef Ramaekers en Sylvester Engels, en notaris Wijnans. De akte werd geregistreerd in Gulpen op 8 juli 1898. Op 26 augustus 1898 werd een eerste afschrift verstrekt aan Sophia Elisabeth Nijssen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9196 / 0240  


De tekst beschrijft afspraken en documenten rond de overname van Suriname door de West-Indische Compagnie en de betrokkenheid van Cornelis van Aarssen, heer van Somelsdijck en gouverneur van Suriname. Er zijn ook specifieke data genoemd, zoals:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 17 / 0003  


Op 25 september 1691 maakten Sander Pietersz van Grevenbroeck en zijn vrouw Maritje Pieters van Tipsma in Haarlem een testament. Op 29 september 1691 maakte Lammert Theunisse in Haarlem een testament.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 226  


Johanna van Leeuwen was als begunstigde schuldig om op 1 december 1711 een attestatie van leven (bewijs dat iemand nog leeft) te overleggen voor 12 stuivers, zoals op folio 109 verso staat. Dit bedrag van 5/5 part (ƒ 10:3) werd door de executeurs ontvangen en op folio 62 onder de opbrengsten geboekt. Op 5 januari 1711 werd voor 10/12 part een bedrag van ƒ 36 geboekt op folio 110. Een lijfrentebrief (een soort levenslange uitkering) van ƒ 2000 met maandelijkse rente vanaf 1711 was aan haar toegekend. Hiervan had ze ƒ 150 ontvangen. Op 1713 werd voor het ontvangen van de rente aan Gerrit Febrij een bedrag van ƒ 33 geboekt. Op 10 december 1712 en 9 december 1712 werden bedragen van respectievelijk 180 stuivers en ƒ 330 voor attestaties van leven en rente ontvangen, zoals op folio 119 verso en 122 verso staat. Op 1 april werd ƒ 330 aan Gerrit Jemaar betaald voor het ontvangen van de rente, en ƒ 16:10 voor het salaris van de executeurs. Gerard Weeksteen en Catharina van der Pullen, en Hendrick van Leeuwen en Yda van der Pullen als wettige erfgenamen en vruchtgebruikers waren op 11 april 1713 schuldig voor ontvangen opbrengsten van kapitaal die op het moment van overlijden bestonden. Deze opbrengsten waren geboekt en betaald volgens een lijst, met een totaal van ƒ 822:9:4 op folio 52 en eindigend op folio 78 verso met ƒ 330. Er waren geen verdere schulden voor salaris of opbrengsten uit overstaande kapitaal door de executeurs. De executeurs hadden ƒ 179:5:8 ontvangen en afgelost, en ƒ 2200 ontvangen volgens de zesde ontvangst, beginnend op folio 79. Uitgaven die ten laste van de vruchtgebruikers kwamen, waren getrokken uit de rekening van de executeurs uit de tweede uitgave, beginnend op folio 100 op 4 april 1711. Hierin stonden bedragen voor diverse personen en zaken, zoals: Op 2 januari 1712 werden diverse kortingen en betalingen gedaan, zoals aan Daniel de Renout, Marcus van der Wal, Frans van der Steen, Samuel Joly, Joost Schuurman, Frederick Smits, Jan Claes van der Horst en Philip de Graaf. Ook was er pompgeld van ƒ 264:6:2. Op 12 maart 1712 werd een transport (overdracht) van ƒ 267:6 aan Cornelis de Bruijne gedaan. Verponding (belasting) voor het grote huis was ƒ 27:9:4, voor het huis ernaast ƒ 13:16:12, en voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg ƒ 10:5:6, totaal ƒ 51:11:6. Op 20 mei werden zegels betaald voor het ontvangen van lijfrenten aan Carel Bouwens. Op 6 juni werd huur gekort aan Daniel Renaux en weduwe Jacob Zeewyck. Op 29 september werd het geheim op de hoek van de Nieuwsteeg geleegd voor ƒ 14. Op 14 december werd 100 penningen betaald voor obligaties op de Thesaurie van 1712. Op 19 december werd een losrentebrief van ƒ 2000 op het comptoir aldaar voor 40 betaald. Op 20 december werd een attestatie van leven van Johanna van Leeuwen en Hendrik Cuylenburg voor 13 ontvangen. Op 27 december werd 13 betaald voor een huurcel van De Groene Papegaai. In 1713 werden op 9 januari bedragen betaald aan Coenraat Coenraatse, Jan Broere, Albert Bosvelt, Philip de Graaf, Frederick Smits, Joost Schuurman, Jan Claes van der Horst, Frans van der Steen en Marcus van der Wal. Op 4 februari werd pompgeld voor het huis op de hoek van de Nieuwsteeg betaald. Op 16 februari werd de ordinari verponding (gewone belasting) van 1712 voor diverse huizen betaald, zoals voor De Groene Papegaai (ƒ 27:9:4), het huis ernaast (ƒ 13:16:12) en het huis op de hoek van de Nieuwsteeg (ƒ 10:5:6). Ook werd 100 penningen voor 1713 voor deze huizen betaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842981 / 369  


Op 7 mei 1650 werd besproken dat rederijen van twee schepen, de Cramer en de Graeff, een nieuwe tol wilden heffen in Nijmegen voor goederen die door het land werden vervoerd. De schepen, gevoerd door Peeter Maertens Moijman en Lenart Peters Graeff, waren geladen met tarwe en waren op 19 april 1650 door een Brits schip voor de kust aangevallen en buitgemaakt. De eigenaren kregen toestemming om de koning van Groot-Brittannië te vragen de schepen en lading vrij te geven. Lambertus Joannes Palmeto, een wiskundige uit Harlingen, vroeg om een beloning voor zijn uitvinding: een houten tafel die berekeningen kon uitvoeren zonder menselijk ingrijpen. Hij kreeg toestemming om zijn uitvinding aan de autoriteiten te tonen. Louis Saulmon kreeg een octrooi voor 15 jaar op een nieuw type lakenvolmolen, mits hij toestemming vroeg aan de provincies waar hij deze wilde bouwen. De heren Bronchorst en anderen onderzochten verschillende verzoeken, waaronder die van Remijs van Grevenbroeck, een priester uit Tilburg. Hij mocht twee derde van zijn inkomen uit twee kleine beneficies houden, terwijl een derde naar het land ging. Op 8 en 9 mei 1650 werd niets beslist. Op 10 mei 1650 werd Johan Eeck benoemd als raad van state in plaats van Counraet meyer voor de provincie Groningen. Hij legde de eed af tijdens de vergadering. De zaak van de molenaars van Cadsant werd overgedragen aan de Bije en Eijssinge, die Meinderswijck en Andrée vervingen. Een brief van Roermond over de zaak van Henrick Lambertsz de Bruijn, een marktschipper, werd doorgestuurd naar de heren die onderhandelden met Ambr. de Brun. Roch, voormalig resident van de koning van Denemarken, kreeg een paspoort om zijn boeken en bagage uit te voeren. De zaak van de schepenen van Oosterwijck tegen Lambert Sleccher werd onderzocht door Bronchorst en anderen. Sleccher moest wachten met verdere stappen. Het verzoek van de moeder en nonnen van het Arme Vrouwe Clooster in Oosterwijck werd ook doorgestuurd voor onderzoek. Jonr. Fredrick Schellaert van Owendorff kreeg toestemming om over zijn goederen in Brabant en Overmaas te beschikken, mits hij kon aantonen dat hij zijn leengoederen had verheven bij de Raad van Brabant. De afgezanten van Oost-Friesland kregen toestemming voor hun verzoek.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0271  


19 december 1650 hielden de Staten-Generaal een vergadering onder leiding van Bronckhorst. Aanwezig waren onder anderen Graeff van Flodroff, Linteloe, Raesfelt, Huijgens, Ommeren, Loo, Paets, Sonck en een buitengewone gedeputeerde van Holland, Veth. Bronckhorst deelde mee dat de ambassadeur Joachimij op bezoek was geweest. Ook werd een brief van Rhijngraeff, gouverneur van Maastricht, voorgelezen. Hierin waarschuwde hij dat een Spaans leger onder leiding van Don Anthonio de la Convie dorpen bij Maastricht wilde bezetten. Rhijngraeff zou dit, in opdracht van de Raad van State, tegenhouden. De verzoeken van Remijs van Grevenbroeck (een priester) om in Diessen te mogen wonen, en van Jan de Barie uit Amsterdam om veiligheid voor 6 maanden, werden goedgekeurd. Er werd gesproken over de slechte staat van de vergaderzaal en de grote vertrekzaal. Commis Spronssen kreeg de opdracht om dit op te lossen. Een brief van Schrasser uit Hamburg werd ontvangen, maar er werd geen besluit over genomen. De Staten bespraken de situatie in Engeland en bedankten Bronckhorst voor zijn inzet. De provincies beloofden hier later op terug te komen. Er werden brieven van aanbeveling besproken voor afvaardigingen uit Oost-Friesland en Emden. Deze zouden zonder verdere discussie worden verzonden. Een brief van Rhijngraeff over Spaanse troepen bij Maastricht werd besproken. De Staten besloten om Huijgens en andere gedeputeerden in te schakelen om met de ambassadeur de Brun te overleggen. Zij moesten proberen om via Leopold (aartsherog) de spanningen te verminderen. De Mauregnault, kapitein bij het Sas van Gent, vroeg toestemming om dijken aan te leggen bij Canisvliet. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de bevoegde rechters en de Raad van State. Het verzoek van Willem van Thil, drossaard van Valckenburg en Daelhem in Overmaas, om bepaalde personen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State. Ten slotte werd een commissie van de Staten van Utrecht voorgelezen, waarin verschillende heren werden benoemd voor het behartigen van de algemene zaken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0664  


De Staten-Generaal bespraken de situatie in Engeland en bedankten heer Bronchorst voor zijn inzet. De provincies zouden later passende maatregelen nemen.

Er kwam een brief van heer Schrasser uit Hamburg (17 december), maar er werd geen beslissing genomen.

De verzoeken van:

Er werd een brief van heer Rhijngraeff, gouverneur van Maastricht (13 december), voorgelezen. Hij waarschuwde dat een compagnie onder Don Anthonie de la Coive, luitenant-generaal in Spaanse dienst, dorpen onder Maastricht wilde bezetten. Rhijngraeff zou dit eerst met diplomatie proberen te voorkomen en anders met geweld. De Staten-Generaal namen deze brief ter kennisgeving aan en besloten hem voor te leggen aan heer Huijgens en andere gedeputeerden voor bespreking met ambassadeur de Brun. Zij moesten proberen via aartshertoog Leopold en anderen druk uit te oefenen om verdere escalatie te voorkomen.

Holland vroeg een kopie van de brief om deze intern te bespreken en wilde dat Rhijngraeff wist dat de inhoud met ambassadeur de Brun besproken zou worden.

Het verzoek van Gaspar de Mauregnault, kapitein en sergeant-majoor van het Zas van Gent, en zijn partners om schorren bij Canisvliet (tussen het Zas van Gent en Sint-Maartens) te bedijken, werd doorgestuurd naar de gedelegeerde rechters voor de dijkzaak. Ook werd een kopie gestuurd naar de Raad van State om te beoordelen of de dijk bij Sint-Maartens schadelijk zou zijn voor de landsverdediging.

Het verzoek van Willem van Thill, drost van Valkenburg en Daelhem (in Overmaas), om bepaalde personen die samenwerkten met Spaanse garnizoenen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State. Holland herhaalde eerdere standpunten over Overmaas.

De Staten van Utrecht stuurden een commissie (28 november) met gedeputeerden, waaronder Nicolaes van Berck, Arent van Culenburch, Jacob van Baaxen, Justus van Borre van Amerongen, Carel Parmentier, Joachim Philibert van Thuijl van Serooskerke, Gaspar van Lijnden, Gerrart van Reede, Godaert Adriaen van Reede, Hugo Diderick Ruijsch, Andries van Odijck, Fredrick Ruijsch, Cornelis van Deuverden, Cornelis van Werchoven, Peeter de Goijer en Dirck Vock van Linden. Zij mochten de vergaderingen van de Staten-Generaal bijwonen en meedenken over het algemeen belang, volgens een resolutie van 14 november. De Staten-Generaal verwelkomden hen en gaven hen toegang.

De ordinaire gedeputeerden van Utrecht meldden namens de Staten van Utrecht (28 november, oude stijl) dat er steeds meer valse gouden en zilveren munten in omloop waren. Ook werd er geprobeerd slechte munten in omloop te brengen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3210 / 0890  


De Staten Generaal van de Verenigde Nederlanden geven toestemming aan:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12316 / 0398  


De testateurs (de twee personen die een testament opstellen) bepalen dat de langstlevende van hen beiden alle bezittingen mag behouden en gebruiken zonder verzet van familie van de eerst overledene. Ook hoeft de langstlevende geen boedelbeschrijving af te geven. Alle onroerende goederen die door een van de testateurs in het huwelijk zijn ingebracht, blijven in het bezit van de langstlevende. Een uitzondering is het land in Baardwijk, dat na de dood van de man naar zijn bloedverwanten gaat. Na de dood van de langstlevende worden de overgebleven goederen als volgt verdeeld: Als een van deze personen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten. De onroerende goederen die van de vrouw afkomstig zijn, gaan na haar dood als volgt: De andere helft van de goederen van de vrouw gaat direct na de dood van de langstlevende in eigendom en vruchtgebruik naar de kinderen van Gerit Jan Teulingh. Als een van hen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten. De bloedverwanten van beide testateurs moeten gezamenlijk een legaat van 150 pond betalen aan de kinderen van Peter Cornelis de Lepper na de dood van de langstlevende. De testateurs benoemen elkaar tot enige en universele erfgenaam. Na de dood van beide gaan de goederen naar hun respectievelijke bloedverwanten, zoals hierboven beschreven. Het testament is opgesteld op 18 maart 1704 in het woonhuis van de testateurs in t Gravemoer, in aanwezigheid van Adriaen Smits (oud-burgemeester van t Gravemoer) en Adriaen dens Schapendonck (inwoner van t Gravemoer) als getuigen. Op 31 mei 1709 is een kopie van het testament verstrekt aan Aert van Horst (bloedoom van de kinderen van Gerit Jan Teulingh). Op 18 juni 1721 is het legaat van 150 pond aan de kinderen van Peter Cornelis de Lepper voldaan door de erfgenamen, zoals blijkt uit een notariële akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504757 / 163  


Op 12 juli 1689 gaven Heiliger Colen, Adriaen Jan Segers, Coopluyden in wol en lakens, en gezworen tarra-meesters in Tilburg een verklaring af. Zij bevestigden dat al ongeveer 20 jaar een regel gold: als een tarra-meester afwezig was, werd zijn werk overgenomen en gecontroleerd door anderen. Dit gold ook voor de minder waardevolle stoffen die open waren gevonden. Op 10 augustus 1689 droegen Heiliger Colen, Adriaen Cornelisz Francken, Jan Jansz Heycants (als voogd voor de onmondige kinderen van Joost Adriaen Geerts de Roy en Anna Cornelis van Beurden, en voor de onmondige dochter van Jan Jan Heijcants en Marie Adriaen Broeders), en Ruylen Comanceurs (als man en voogd van Jenneken Jan Heijcants) een schuldbrief en openstaande boekschulden over aan Joan Melis, erfgenaam van Catharina Jan Melis. Zij gaven alle rechten op deze schulden op. Op 30 juli 1689 verklaren Jacobus van Esche, schepen van Tilburg en bierbrouwer in Goirle, dat hij de brouwerij van Joost Peeter Eelckens in Goirle had gehuurd voor het jaar 1688-1689 voor 10 gulden. De zonen van Eelckens moesten als tegenprestatie zijn bier verkopen. Deze afspraak gold tot het einde van de huurperiode.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 402  


De gedeputeerden van de Meijerij van 's Hertogenbosch, waaronder Tempelaer, Buijs, Abberdaen en Wichmans van Raesfelt, behandelden op 5 april een verzoek van Reijnier Jansz Tempelaer uit Aelst. Hij wilde het ambt van boswachter in Bercheijck overnemen van de vorige houder. Het verzoek werd doorgestuurd naar de schout van het kwartier Kempelandt voor advies. Op 8 april werd het verzoek van Maurits Buijs besproken. Hij vroeg of zijn zoon Laurens Buijs een beurs van 50 gulden in Boxtel mocht krijgen, die eerder aan de zoon van de conrector de Vries was toegekend. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de ontvanger Florintius Schuijl voor informatie. Op 14 maart werd het verzoek van Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester in Legemierde, behandeld. Augustinus Wichmans, abt van Tongerloo, had hem drie kerkelijke beneficies in Mierlo (in het kwartier Peelant) toegekend. Abberdaen vroeg om bevestiging van deze aanstellingen. Het verzoek werd doorgestuurd naar rentmeester Pieterson om de aard en status van de beneficies te onderzoeken. Op 22 januari rapporteerden de gedeputeerden Swanenburch, Stavenisse, Wijckel en de thesaurier-generaal van Beverningk over hun werk in de provincie Stad Groningen en Ommelanden. Met steun van stadhouder Willem van Nassau hadden zij geschillen opgelost die voortkwamen uit het reglement van 8 juli 1655. Ze kregen de opdracht om een nieuw reglement op te stellen voor de besturing van de Ommelanden tussen de Eems en Lauwers. Op 28 februari hadden dezelfde gedeputeerden bij de Staten van Stad Groningen en Ommelanden aangedrongen op het heffen van een belasting van 200ste penning voor de verdediging van de staat, onder andere tegen piraterij en oorlogen. De Staten beloofden hierop te reageren op basis van noodzaak. Op 3 maart 1659 bevestigden de Staten van Stad Groningen en Ommelanden in een resolutie dat ze de petitie en het voorstel voor de 200ste penning zouden overwegen, afhankelijk van de noodzaak. Op 4 april rapporteerden van Raesfelt en andere gedeputeerden over een gesprek met gecommitteerden uit de Raad van State. Dit betrof een beloning voor iemand die informatie kon geven over goederen en activa onder het gezag van de Generaliteit, met uitzondering van de huidige bezitters en gebruikers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3265 / 0287  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/