Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 28 maart 1703 verklaren verschillende inwoners van Borgem, Eenhout en Tilburg voor notaris Abraham van Rotterdam dat al lange tijd jong plantsoen of pootgoed, zoals els en beuk, wordt verkocht en verplaatst zonder dat daar houtschat (een soort belasting) voor betaald hoeft te worden. Onder de verklarenden zijn: Zij bevestigen dat het plantsoen altijd als zaadgoed is beschouwd om de domeinen te verbeteren en dat er nooit houtschat voor is gevraagd. Antoni Lombaarts, een voormalige pachter of innemers van de houtschat, heeft bevestigd dat dit niet hoefde te worden aangegeven of betaald. De verklaring wordt op 23 april 1703 bevestigd in aanwezigheid van dezelfde getuigen. Sommigen kunnen niet schrijven en laten een kruisje zetten.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1659520 / 39  


2 juni 1685 In het kasteel De Goede Hoop in Indië vroegen Martin en Johannes Bagherus, opperkoopmannen, Andries de Man en Hieronymus Cruse, kapitein, of zij een bepaalde steen kenden. Zij antwoordden ja en zeiden dat deze steen door de verbannen paus Achmat Sale aan de heer commandeur was gegeven. De steen was eerst in een linnen doek, toen in een eigen kistje en uiteindelijk in een verzegelde doos voor extra veiligheid overhandigd aan de hoge regering van Indië in aanwezigheid van de genoemde heren. Andries de Man en Martin Omande, hooggeplaatste heren in Indië, droegen de secretaris J. G. de Grevenbroeck op hiervan een officiële akte op te stellen. Dit gebeurde op 9 juni 1685 in het kasteel De Goede Hoop. J. G. de Grevenbroeck ondertekende als secretaris. 10 juni 1685 Er was zware regen, noordwestenwind. Het was Pinksterfeest en het Avondmaal van de Heer werd gevierd. 11 juni 1685 ’s Nachts was er een harde westenwind met bliksem, hagel, donder en regen. De hele dag waaide het vooral westenwind, die ’s ochtends zo sterk was dat schepen niet konden uitvaren. De schipper Bouwe Hugs van der Leck kreeg een bevel: hij werd buiten commando gesteld en moest met de eerste goede wind naar Batavia varen. Daar moest hij aan de hoge regering van Indië, onder leiding van gouverneur-generaal Joan Camphuijs en de heren raden, verantwoording afleggen voor zijn onbehoorlijke commando tijdens de reis van Nederland naar De Goede Hoop. Dit bevel was ondertekend door Hendrick Adriaan van Reede op 11 juni 1685. 12 juni 1685 ’s Ochtends was het weer slecht met zware regen en westenwind, maar ’s middags bedaarde het en werd het ’s avonds aangenaam. 13 juni 1685 ’s Ochtends was het mooi weer met een zachte westenwind en zonneschijn. De schepen Bantam en Voorschooten gaven hun depêches af. Na afscheid te hebben genomen van de hoge edele, vertrok Martin Omande, extraordinaris raad van Indië, aan boord van Batam om zo snel mogelijk de reis naar Batavia voort te zetten. 14 juni 1685 Er was westenwind en koel weer. 15 juni 1685 ’s Nachts was er een harde westenwind met regen. ’s Ochtends scheen de zon en het weer was wisselvallig met weinig regen. Door de harde wind verloor het schip Voorschooten ’s avonds een anker bij Bantam. 16 juni 1685 ’s Ochtends was er westenwind en mooi weer, wat tot de avond duurde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10439 / 0583  


Op 28 september kwam in Leuven het nieuws dat de hertog van Aarschot door Brabant, Vlaanderen en Henegouwen was gekozen als hoofd en opperbevelhebber van het land. De graaf van Lalaing werd zijn plaatsvervanger en monsieur de Goigniez veldmaarschalk van het leger. Tot de oorlogsraad, gekozen door de 11 landen (Brabant, Vlaanderen, Artois, Henegouwen, Rijsel, Dowaai en Orchies, Holland, Zeeland, Namen, Doornik, Doornik, Tournesiz en Mechelen), behoorden onder anderen de markies van Havré, monsieur d'Oigniez, monsieur de Wilderval, monsieur de Sweveghem, monsieur d'Evre, monsieur de Steenbeke en monsieur Deutinghen. Op dezelfde dag kwam in Leuven het bericht dat in Gent 1600 soldaten van Monsdragon en Hierges waren aangekomen, samen met 12 grote kanonnen. Daarnaast volgden nog 40 vendels voetvolk en 1 vendel ruiters. Op dezelfde dag waren in Leuven ook 4 vendels voetvolk gearriveerd, namelijk die van Jacques Merville, Jan Raes van Grevenbroek, Vlierden en Berckele. Deze vertrokken op 3 oktober. Op 1 oktober stuurde Juliaen Romero, veldmaarschalk van de Spanjaarden, een vrijgeleide naar Leuven zodat de inwoners veilig naar Lier konden gaan om te handelen. Op 2 oktober benoemden de stad Leuven en de universiteit nieuwe commissarissen om geschillen op te lossen. Voor de stad waren dit onder anderen Griecken of Angelis, Malcote, Graven, Lijnden, de Seleere, van der Calstren, meester Jan Lievens (pensionaris) en meester Adolph Dupretz. Voor de universiteit waren dit onder anderen Dominus Doctor Du Baij, Gaudanus, Herebout, Roels, Boden, Wijtvliet en de notaris Sijlvius. Op 6 oktober kwam in Leuven het nieuws dat het kasteel van Doornik door de troepen van de Staten was ingenomen. Ook waren de bisschop van Namen, de graaf van Meghem en Beaurain met zijn broer Houtepenne gevangengenomen bij Givet. Op dezelfde dag kwam in Leuven het bericht dat de Spanjaarden de vorige nacht uit Leuven waren vertrokken. Hierop vroegen de inwoners van Leuven aan Leuven om 1 of 2 vendels voetvolk te sturen. Als reactie hierop vertrokken de kapiteins Grevenbroek en Berckele uit Leuven en kwamen op 6 oktober in Leuven aan. Op 9 oktober vertrokken uit Leuven 2 vendels voetvolk onder de kapiteins Vlierden en van der Delft, samen met het paardenvolk van de markies van Havré, om de hertog van Aarschot te ondersteunen. Op 12 oktober trokken de troepen van de Staten Tienen binnen, en vertrokken de Duitsers onder kolonel Frunsberger. Op dezelfde dag keerde het vendel van kapitein Grevenbroek terug in Leuven. Op 13 oktober kwam de heer van Heeze in Leuven aan en logeerde in De Hert. Op dezelfde dag kwam in Leuven het vendel voetvolk aan onder kapitein Herman Vaes. Op 14 oktober kwam in Leuven het nieuws dat een groot aantal Spanjaarden in Merbeke was aangekomen. Ook kwam het bericht dat de Duitsers onder kolonel Frunsberger een eed hadden afgelegd aan de Staten om de Spanjaarden uit het land te verdrijven. Op 16 oktober trokken de Spanjaarden van Zichem naar Beringen. Hierop vroegen de inwoners van Zichem aan Leuven om hulp, omdat de Spanjaarden, die in Tongerlo lagen, Zichem dreigden aan te vallen. Als reactie hierop vertrokken uit Leuven 60 soldaten van het volk van kapitein Grevenbroek om Zichem te ondersteunen. Hierdoor vroegen de inwoners van Leuven aan de Staten om kapitein Beernaerts onder het regiment van Egmont te sturen om de stad te verdedigen, nu 60 soldaten waren vertrokken. Kapitein Franchoijs Beernaerts kwam met zijn volk op 17 oktober in Leuven aan, maar vertrok dezelfde dag weer naar het kwartier in Tienen, omdat men zei dat de Spanjaarden in de buurt van Tienen waren. Op 16 oktober 's avonds kwamen alle studenten en geestelijken in Leuven op de markt voor een inspectie. Samen met de Grote Gilde en de Gilde van Sint-Joris bleven ze tot de volgende ochtend op wacht, vanwege de slechte berichten. Dominus doctor Joannes Wamesius bedankte hen voor hun plichtsbesef en moedigde hen aan dit vol te houden als het nodig was. Op 19 oktober kwam in Leuven het nieuws dat de burgers van Maastricht, samen met 3 vendels Duitsers onder de graaf van Eberstein (die daar in garnizoen lagen), de Spanjaarden hadden verdreven tot aan een kwartier van de stad genaamd De Wijk. Ook hadden ze gouverneur Montesdoca gevangengenomen en waren 4 of 5 Spanjaarden dood. Maar dit was niet waar: op 20 oktober kwam het tegenovergestelde nieuws dat de Spanjaarden, met hulp van de Duitsers, de hele stad Maastricht hadden ingenomen. Veel burgers waren gedood en de stad was geplunderd, met groot geweld. Op 19 oktober kwam in Leuven het vendel van de heer van Heeze aan, sterk ongeveer 230 man. Op dezelfde dag kwam in Leuven het nieuws dat op 18 oktober de slag had plaatsgevonden op de brug van Waelhem, boven Mechelen, tussen het vendel van Nicolaes de Ferrij, kapitein onder de heer van Beerssele, aan de ene kant, en Spaanse ruiters en voetvolk aan de andere kant. Aan beide kanten waren veel slachtoffers gevallen. Het vendel van Ferrij had steun gekregen van de inwoners van Mechelen, en de Spanjaarden van de ruiters uit Lier. Op 25 oktober trok de bende van de hertog van Aarschot van hier naar Brussel. Op 27 oktober trok kapitein Oijenbrugge met 3 vendels voetvolk door Leuven naar Mechelen. Op 28 oktober leenden de inwoners van Leuven aan de Staten 4 veldkanonnen voor de verdediging van Antwerpen.
Bekijk transcriptie kronieken / 891488 / 162  


Op 28 april 1700 sloten Hendrick Schellekens, weduwnaar van Adriana Catharina van Aerdt en stadhouder van Minderhout en meer land van Antwerpen, en Anneken Jans van Grevenbroeck, weduwe van Nicolaes Janssen van de Puth, een huwelijkscontract in Tilburg. Zij beloofden te trouwen, maar maakten eerst afspraken over hun bezittingen. Er waren extra afspraken: De partijen beloofden deze huwelijksvoorwaarden na te leven. Het contract werd opgesteld in Tilburg in aanwezigheid van Hendrick Peijs en Adriaen Smittens als getuigen. Het werd ondertekend door de partijen, de notaris Arnold van Loon en de getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 290  


Op 3 februari 1716 verscheen Jan van Grevenbroeck, wonend in Wassick, voor Mette van Tilburg, openbaar notaris in ’s-Gravenhage. Hij bevestigde een huurovereenkomst te hebben gesloten met Danis van Sasburgh en Mangen op 15 juli 1715. Jan van Grevenbroeck huurde voor 17 jaar de helft van een stuk land onder Zijn Consick (bij Grevenbroeck). De huur bedroeg: De eerste betaling was verschuldigd in 1716, de laatste in 1719. Voorwaarden: De overeenkomst gold onder het gezag van de Hove van Holland in ’s-Gravenhage. Bij geschillen zou de zaak voor de rechtbank komen. Jan van Grevenbroeck en Van Sasburgh verbonden zich hiertoe onder verpanding van hun bezittingen. Getuigen waren Michael van Tilburg, Jan Brock en Telbort Geerdt. De akte werd opgemaakt door Bartholomeus De Hoogh.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739623 / 180  


De overige provincies die nog niet voldeden, werden aangespoord om hun bijdrage te betalen.

Een brief werd gestuurd naar Heuckelom en andere afgevaardigden, samen met enkele vertegenwoordigers van de Raad van State. Zij moesten de zaak onderzoeken, beoordelen en hierover rapport uitbrengen.

Er werd een brief ontvangen van het Collegie ter Admiraliteit in Amsterdam, gedateerd 17 van deze maand. Hierin werden Volckert Swart en Barent Hals voorgedragen voor een vacante kapiteinspost, vrijgekomen door het overlijden van kapitein Roderij van Prerenbreck. Na overleg werd besloten om Volckert Swart te benoemen. Hij zou een opdrachtbrief ontvangen en de vereiste eed afleggen.

De verzoeken van Anna van Eyck, weduwe van Cornelis van Grevenbroeck, heer van Helvoirt en Swijnsbergen, werden behandeld. Zij vroeg toestemming voor haar zoon Godefroy van Grevenbroeck, die monnik was in de abdij van Cornelis Munster, om naar Oirschot en andere plaatsen onder gezag van de staat te reizen voor medische behandeling. Dit verzoek werd afgewezen.

Het verzoek van Floris Carel van Beijeren, ook bekend als Schagen, heer van Poudrag en cornett van de compagnie van Prins van Tarente in garnizoen te 's-Hertogenbosch, werd goedgekeurd. Hij kreeg toestemming om voor 3 maanden naar Frankrijk te reizen voor persoonlijke zaken. Hiervoor zou hij een officiële akte ontvangen.

De afgevaardigden van de provincies Holland en West-Friesland deelden een brief van de schepenen van Amsterdam mee, samen met een kopie van een uittreksel uit de geprivilegieerde rollen. Dit betrof een Zweeds paspoort, gedateerd 16 van deze maand, gericht aan de Raden van Holland. Besloten werd om deze brief en het uittreksel door te sturen naar Noorden, agent de Heijde, die deze zou doorgeven aan Appelbom, de Envoyé van de Koning van Zweden, voor verdere informatie.

De afgevaardigden van de provincie Utrecht presenteerden de ratificatie van hun meerderen over het voorlopige akkoord betreffende het territoriale geschil van La Rochette. Hiervoor bedankten zij.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 197 / 0091  


1752 in Althoffen verscheen voor notaris Anthonis Glavi de eerbiedwaardige Arien Dirxe Grevenbroeck, wonend op de Haarsteeg onder Vlijmen in het land van Heusden. Hij was gezond van lichaam en geest en maakte zijn testament bekend. Hij droeg zijn onsterfelijke ziel op aan God en wenste een christelijke begrafenis. Vervolgens bepaalde hij dat zijn bezittingen na zijn dood zouden toekomen aan Dirck Haessen Grevenbroeck en Maria Pieters van Beijnen, zijn echtgenoten, en bij hun overlijden aan hun wettige nakomelingen. Alle erfenissen, goederen, schulden en vorderingen, waar ook ter wereld, zouden in hun bezit komen. Zij mochten ermee doen wat ze wilden, zoals verkopen of weggeven. Hij reserveerde wel zijn bijen voor zichzelf. Mocht het echtpaar Dirck Raessen Grevenbroeck en Maria van Beijnen zonder kinderen komen te overlijden, dan zou de erfenis naar zijn naaste familie gaan die op dat moment in leven was. Hij sloot alle andere erfgenamen uit en wees voogden aan die door Dirck Grevenbroeck en Maria van Beijnen zouden worden benoemd. Hij verzocht dat zijn testament zou worden uitgevoerd, of het nu gold als testament, codicil of schenking. De akte werd opgesteld in Nijmegen in aanwezigheid van Arden van Meerwijck en Wouter van Baest, inwoners aldaar.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703731 / 274  


Aelbert Cornelis van Grevenbroeck en de kinderen van Dirck Cornelis van Grevenbroeck erven elk voor een vierde deel. Heijliger Cornelis van Grevenbroeck erft het resterende deel. De testateur verklaart dat dit zijn laatste wil en testament is, dat na zijn dood moet worden uitgevoerd. Het testament is opgesteld in Tilburg op 25 juni 1768 voor notaris Andries van der Burgh in aanwezigheid van getuigen Adriaan de Roije, Jan Verschueren, Peter Geraect van Poppel en Monte de Voon. Op 28 oktober 1737 verschijnt Marcelis Pieter Marcelisse uit Hoort voor notaris Andries van der Burgh in Tilburg. Hij machtigt Walterus Molenbergh, procureur voor het gerecht van Tilburg, om een schuld van 50 gulden met rente in te vorderen bij Gerrit van de En en zijn vrouw, de weduwe van Adriaen Adriaen Francken, volgens een obligatie van 15 november 1714.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 263  


Op 2 januari 1696 in Tilburg gaf Cornelis Jansz van Grevenbroeck, koopman, aan Sint Pieter de opdracht om namens hem zaken te doen met Arnold Bolengier en Joan van Mettenhorsten, factoren in laken in Amsterdam. Sint Pieter mocht laken kopen en verkopen die nog bij Bolengier en Van Mettenhorsten lagen. Ook mocht hij geld ontvangen of betalen volgens de gebruikelijke koopmanspraktijken aldaar. Cornelis Jansz van Grevenbroeck beloofde alles wat Sint Pieter in zijn naam deed te eerbiedigen. Getuigen waren Johan van Heyst en Oors Nelis Nouwens. De notaris was Wittebol.

Op 8 januari 1696 in Tilburg huurde Cornelis van Dorden van Jorden Adriaens van Doren een brouwerij met ketel, koelbak, kuipen, vaten en andere benodigdheden achter het huis van de huurder. Ook huurde hij een plek om brandhout te leggen, een plek voor hoenderen of varkens, een kelder in het achterhuis en een zolder. De huur duurde 2 jaar, beginnend op 1 december 1695 en eindigend op 1 december 1696, met een jaarlijkse huur van 36 gulden. Cornelis van Dorden verbond zich met zijn bezittingen om te betalen. Getuigen waren Jan van Doren en Cornelis Nouwens. De notaris was opnieuw Wittebol.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069124 / 328  


In 1756 werd Anthoni Glarman benoemd als notaris voor de vrijheid en dingbank van Oosterwijk door de Leenhof van Brabant en Overmaas. Hij hield een register bij van notariële akten van 1756 tot 1758, genummerd van 1 tot 7. Enkele akten uit 1756:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730653 / 192  


Op 1550-03-31 maakten Jan Jansz (een zieke man in bed) en Grietge Jacobs Clouck (gezond) in Schiedam een testament op bij notaris Maerten Kouwenhove. Ze schrapten alle eerdere testamenten en maakten nieuwe afspraken. Getuigen waren Cornelis Vander Dusse (president-weesmeester) en Franchoijs Grevenbroeck (schilder). Ook Jacob Joppen, Joris Cornelisz, Willem Michielse van dick vander Dussen en Francoijs Grevenbroeck ondertekenden.
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1500597 / 197  


Op 25 april 1740 kwam Anthoni Glaviman, een openbaar notaris die was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en de landen van Overmaas in 's-Hage en woonachtig in de vrijheid Oosterwijk, samen met de getuigen Willem Grevenbroeck en Jan Hendrick Tabbers, die woonden onder de dingbank van Den Hout. Zij gaven aan dat hen via koop en opdracht, voor de schepenen van de vrijheid Oosterwijk op 1 juni 1739, een derde deel van een stuk akkerland was toegekomen. Dit land was in totaal 2,5 kopense groot en lag onder de genoemde dingbank van Oudenhout, bij de Huijsstraat aan de oostkant.

Zij sloten een overeenkomst waarbij Willem Grevenbroeck de voorste helft van dit derde deel zou hebben en behouden, en Jan Hendrick Tabbers de achterste helft, zoals zij dit zelf zouden afbakenen. Samen behielden zij het recht op de weg die daarbij hoorde. Willem Grevenbroeck moest aan Jan Hendrick Tabbers een voetpad over de genoemde erve leveren en laten.

De partijen beloofden deze afspraak naar behoren na te komen en deze altijd als geldig, vast en onveranderlijk te beschouwen. Zij verbonden zich hiertoe met hun persoon en goederen, nu en in de toekomst, zonder ooit bezwaar te maken of rechtszaken te voeren.

De akte werd opgesteld in de vrijheid Oosterwijk, op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Franciscus Baeijens, koopman uit 's-Bosch, en Willem de Gier, inwoner aldaar, als getuigen. De akte werd ondertekend door Willem van Grevenbroek, Jans Hendrick Tabbert, H. Burger en De Gul Mij, met Harman als present.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 283  


Op 20 juli 1750 verscheen Johan Adriaan van Meurs, openbaar notaris in Den Haag, voor de heerlijkheid Bilborgh. Hij noteerde dat Leonard Goris, wijnkoopman uit Amsterdam, zijn zwager Jacob Maardingerwout, controleur van konvooien en licenten in Tilburg, machtigde om in zijn naam geld op te eisen van Anthonij van Grevenbroeck uit Oirschot. Dit betrof een openstaande schuld voor geleverde wijn, volgens een eigenhandige afrekening. Jacob Maardingerwout mocht: Hij mocht ook iemand anders aanstellen om deze taken uit te voeren. Alles wat in zijn naam werd gedaan, gold als geldig. Getuigen waren Jan Huijsmans en Hermanus Beckers, beide uit Tilburg. Leonard Goris en Jan Huijsmans tekenden niet zelf; Hermanus Beckers deed dit wel. De notaris, Jan Meus, bevestigde de akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803089 / 417  


Op 19 september 1728 verscheen Janneke Elias Bock, weduwe van Aertjen Robben en woonachtig in Berckel, voor Andries van der Burgh, openbaar notaris in ’s-Gravenhage. Zij bevestigde een testament dat zij eerder, op 29 december 1726, had laten opmaken bij dezelfde notaris.

Zij benoemde als voogden over de onmondige kinderen van Aert Jacob Juggen en Aeltje (dochter van Jan Robben):

Deze voogden moesten samen of afzonderlijk de kinderen en hun bezittingen beheren voor hun welzijn. Ook benoemde zij dezelfde voogden voor de kinderen van Maria (dochter van Aert Jan Robben), wier vader Heijlige Aert Grevenbroeck was. Daarnaast werden Heijlige Aert Grevenbroeck, Anthonis Hove en Sack Brocken als voogden aangesteld.

Janneke Elias Bock sluit andere voogden en de schepenen van Oosterwijck uit, behalve hun wettelijke rechten. Zij vroeg om een officiële akte, maar kon door ziekte en zwakte niet zelf ondertekenen. De getuigen Bart Smulders en Adriaen Frans Arnelissen tekenden in haar plaats, samen met de notaris.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 279  


Op 6 oktober 1763 verscheen Willemijn Peeters van de Meegdenburgh, weduwe van Anthonij van Bergeijk, voor notaris Anthonij Garman in Oosterwijk. Zij gaf haar neef Pieter van den Meegdenburgh uit Huijslum volmacht.

De volmacht gold voor het innen van 100 gulden plus achterstallige rente. Dit bedrag was een restant van een lening van 400 gulden die Willem Grevenbroeck (ook wel Heijliger Grevenbroeck genoemd) uit Indenhout ooit had geleend tegen 4% rente per jaar. De lening was vastgelegd in een akte bij de schepenen van Oisterwijk op 24 september 1753.

Pieter van den Meegdenburgh mocht:

Willemijn Peeters van de Meegdenburgh beloofde dat alles wat Pieter van den Meegdenburgh in haar naam deed, geldig en bindend zou zijn. De akte werd opgesteld in het huis van Willemijn Peeters van de Meegdenburgh in Huijslum, in aanwezigheid van de getuigen Vincent van Dun en Arie van Huychum, beide inwoners van Huijslum. Omdat Willemijn Peeters van de Meegdenburgh niet kon schrijven, zette zij haar handmerk.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730658 / 73  


Op 20 september 1738 trouwden Henne en Peter van Jessel in Deijlinge, met Arien Martens Prieme als getuige. Voor Johan Ja Job Altesser, notaris in Oosterwijk (Meierij van 's-Hertogenbosch), verschenen Dirck Albertus en Te Lighe, broers en zussen en meerderjarige kinderen van de overleden Cornelis Jansse Grevenbroeck en Cornelia Verschueren. Zij woonden in de heerlijkheid Tilburg en maakten een erfenisverdeling van de goederen van hun ouders. Uit deze verdeling kreeg:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 10  


Op 15 januari 1732 kwam Dirck Cornelis van Grevenbroeck voor notaris Andries van der Burgh in Tilburg. Hij benoemde Hendrick Jan Hendrick Kuijl, Cornelis van Grevenbroeck en Mutsert als voogden over zijn minderjarige kinderen Anna Maria, Jan Baptiste en Petronella. Deze voogden moesten de kinderen en hun bezittingen beheren. Ze mochten onroerende goederen verkopen om schulden af te lossen. Dirck Cornelis van Grevenbroeck wilde dat niemand anders zich met de nalatenschap of voogdij bemoeide. Hij sluit alle rechten uit die hem als overlevende echtgenoot toekwamen. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Adriaen Jan Moonen en Pieter Jan van Jarssel.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 18  


Op 3 mei 1695 kwamen Assuerus Beuns, notaris in Haarlem, en de meerderjarige dochters Geertruij, Cornelis en Nieske van Grevenbroeck bijeen. Zij waren de erfgenamen van hun overleden zus Margrieta van Grevenbroeck uit Waeringen. Zij gaven Anthonij van Grevenbroeck, die ook in Haarlem woonde, de opdracht om namens hen naar Waeringen te reizen. Daar moest hij de erfenis van Margrieta aannemen en verdelen met de andere erfgenamen. Daarnaast mocht hij schulden innemen, goederen verkopen en kwijtingen afgeven, net als zij zelf hadden kunnen doen. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Anthonij van Doorn en Thomas Aeltijen van Greven Harmense.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975140 / 275  


Op 24 januari 1687 verklaren Hendrick Adriaen Pieters, Maria (zijn vrouw) en Peter Jansz de Roij voor notaris Cornelis Cloostermans in Den Haag het volgende: De verklaringen zijn bevestigd door de handtekeningen van de betrokkenen en getuigen Laurens Janssen en Pieter Reijliger.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1769092 / 405  


Op 8 november 1683 bevestigde Cornelis Janssen van Grevenbroeck, huwelijkse man in Tilburg, voor notaris Joannes Wittebol schuldig te zijn aan Pieter Jacob Rombouts uit Sprang een bedrag van 250 gulden. Dit betrof de aankoop van een brouwketel, een kuip en ander brouwgerei. Hij beloofde dit bedrag in termijnen te betalen: Bij niet-nakoming verbond Cornelis Janssen van Grevenbroeck zijn persoon en bezittingen. Getuigen waren Sint Cornelis de Wijs en heijliger Colen. De akte werd ondertekend door Cornelis de Wijs, heijliger Jan Kolen en Pieterken Peeters. Op 15 oktober 1685 bevestigde Claes Accembre van Tilburg voor notaris Wittebol 60 gulden ontvangen te hebben van Cornelis Janssen van Grevenbroeck uit de schuld van 250 gulden. Hiermee werd deze deel van de schuld kwijtgescholden. Op 15 november 1685 werd bevestigd dat Jan Adriaen Wijnen uit Sprang 20 gulden had ontvangen, waardoor de volledige schuld van 250 gulden was afgelost. Op 8 november 1683 verklaren Pieter Jacob Rombouts en Pieterken Peeters voor notaris Wittebol dat Pieter Jacob Rombouts 70 gulden afstond aan Jan Adriaen Wijnen uit Sprang en 60 gulden aan Claes Ariens van Tilburg uit Cappel. Beide bedragen kwamen uit de schuld van Cornelis Janssen van Grevenbroeck. Pieter Jacob Rombouts deed afstand van verdere rechten op deze bedragen. Op 10 november 1683 in Tilburg gaf Adriaen Arnt Maes, burgemeester en schepen, voor notaris Joannes Wittebol volmacht aan Johan van Breeij en Abraham van Deventer, kooplieden uit Amsterdam. Zij mochten namens hem vorderingen indienen bij de boedel van Daniel Reeckenen de Pas voor openstaande schulden, inclusief het innemen van geld en het afsluiten van akkoorden. Getuigen waren Sinte Jachgijsberts, Ingenjes de Eers en Peeter aan Willemssen. De akte werd ondertekend door Maes Jan Verschueren en Pieter aan Willemssen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 58  


Op 23 maart 1723 sloten Elias Robben, een rooms-katholieke priester in Oosterwijk, en Cornelis Jacobs van Wessel een huurovereenkomst af voor een boerderij in Indenhout, nabij de Schoorstraat. De boerderij bestond uit een woonhuis, schuur, stal, hoven, akkers, weiden, heiland, hooilanden en straatse welden, bekend als de Grote Strijthoef. Cornelis Jacobs van Wessel huurde de boerderij voor 8 jaar, beginnend op 1 mei 1723 en eindigend op 1 mei 1731. De huurprijs bedroeg jaarlijks 155 gulden, betaalbaar op 1 mei of de gebruikelijke verhuurdag. Daarnaast moest Cornelis Jacobs van Wessel de gewone boerenlasten betalen en de eigenaarslasten dragen, voor zover deze gebruikelijk waren. Beide partijen konden de huur opzeggen voor Kerstmis 1726, waarna de huur zou eindigen op 1 mei 1727. Cornelis Jacobs van Wessel moest jaarlijks 200 dakpannen leveren, met een waarde van 10 gulden, en de kosten hiervoor dragen. Hij mocht wel de afval van de dakpannen houden. De daglonen voor dit werk werden ook door hem betaald. De overeenkomst werd opgesteld door notaris Anthonij Glaviman in aanwezigheid van getuigen H. Schaef, d’ Heer Elias Robben, heijliger van Grevenbroeck en Jacobus van den Hove.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 42  


De erven van Cornelis Jansse Grevenbroeck en Cornelis Verschueren beloofden op 25 oktober 1720 in Oosterwijk om eventuele extra lasten samen te dragen en te vergoeden. Zij bevestigden dit openlijk en beloofden snel te betalen. Om dit kracht bij te zetten, lieten zij de akte van erfscheiding en verdeling op 25 oktober 1720 vernieuwen en bevestigen, hetzij voor de schepenen van 's-Hertogenbosch, hetzij op de plaats waar de goederen lagen. Dit gebeurde in aanwezigheid van Johan Althoffer, secretaris van de vrijheid en bank van Oosterwijk, en IJbert Swaens, oud-burgemeester, als getuigen. Dirk Cornelis van Grevenbroeck, Aelbertus van Grevenbroeck, heilige Cornelis van Grevenbroeck en Huijbert Aans tekenden met een kruisje omdat zij niet konden schrijven. Op 25 oktober 1785 werd een erfscheiding gedaan door de drie meerderjarige kinderen van Cornelis Jansse Grevenbroeck en Cornelis Verschueren. Voor notaris Johan Jacob Althoffer in Oosterwijk verschenen Wouter Francis, Adriaen en Johan van der Sterre (getrouwd met Maria), allemaal wonend in Den Hout, en Jan Broeke (getrouwd met Annemaria), wonend in Giersbergen. Zij waren allemaal meerderjarige broers, zussen en kinderen van Jan Beekelmans en Jenneke Bouwens. Zij bevestigden dat zij een erfscheiding en verdeling van de goederen hadden gedaan die door hun moeders waren nagelaten. Hierbij viel Wouter, zoon van Jan Boekelmans, een deel van de erfenis toe.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 15  


Op 23 oktober 1700 maakten partijen afspraken over de afval die niet gebruikt kon worden voor reparaties aan de molen of het huis. Ze beloofden om hiervoor te zorgen en stelden hun bezittingen als zekerheid. Adriaen Adriaensz van Eersel trad op als borg en hoofdsculdige. Dit gebeurde in Heusden voor notaris Gravia en getuigen Cornelis van Heusden en Jacob Gerrit Haes. De kosten bedroegen 4 gulden. Op 11 november 1700 kwamen in Oosterwijk verschillende erfgenamen van Adriana van Hemert bijeen, waaronder Adriaen Adriaensz van Eersel, Willem Grevenbroeck, Albert Cornelis Grevenbroeck, Jan Baptist, Amamaria weduwe Adriaen de Cort, Adriaen de Bont, Johanna Grevenbroeck weduwe Jan Piggen, Maria Stijligers Grevenbroeck, Petronella Cornelia Colen, Jan Roijmans, Huijbert van Berkel, Annamaria Geraerts van der Put, Johannes de Cock, Francois de Coninck, Guilhelmus de Coninck en Arnoldus Pinenborg. Zij gaven Adriaen Adriaensz van Eersel en Willem Grevenbroeck de opdracht om de nalatenschap van Adriana van Hemert te beheren. Dit omvatte het taxeren van goederen, het betalen van belastingen, het innen van schulden en het verkopen van bezittingen. Dit gebeurde voor notaris Anthonij Glaiman en getuigen Stephanus van der Henst en Rer van Hemert.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 321  


Francis Jan Piggen had een overleden halfbroer. Als deze zonder wettige nakomelingen zou overlijden (wat gebeurd is), dan moesten diens erfgenamen de overgebleven goederen na zijn dood afstaan aan de naaste familie van zijn grootvader Adriaen Gommerts de Cort aan vaderskant. Deze familie, zonder verdere sterfgevallen, bestaat nu uit de ondertekenaars. Zij ontvangen een bedrag van 400 gulden. De moeder van de overleden halfbroer, Johanna Grevenbroeck, leeft nog. Daardoor is de erfenis nog niet definitief toegekend, want het is onzeker wie na haar dood het dichtst in leven is en recht heeft op het geld. Johanna Grevenbroeck wil graag de laatste wil van haar zoon uitvoeren en zich ontdoen van de 400 gulden (ondanks dat ze niet verplicht is). De ondertekenaars, als rechtmatige ontvangers, bevestigen dat zij de 400 gulden van Johanna Grevenbroeck (eerst weduwe van Jan de Cort en later van Jan Liggen) in zijn geheel hebben ontvangen en betaald gekregen. Zij ontheffen Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen hiervan en beloven geen verdere claims te maken, nu of in de toekomst. De akte is opgesteld in Oosterwijck op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Arnout van Huis en Jan de Gier (inwoners aldaar) als getuigen. Datum: 12 oktober 1700. Ondertekend door: De ondertekenaars bevestigen namens de betrokkenen dat zij, indien zij later (in zijn geheel of gedeeltelijk) recht zouden hebben op de 400 gulden, deze als voldaan en betaald beschouwen en Johanna Grevenbroeck hiervan ontheffen. Ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 125  


Op 2 januari 1700 verscheen Anthonij Glavina, een openbaar notaris die in Den Haag was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en het Land van Overmaas, voor notaris in de vrijheid Oosterwijk. Hij bevestigde in aanwezigheid van getuigen dat Elias van Grevenbroeck tevreden was met het beheer en de administratie die zijn broer Willem van Grevenbroeck (wonend in Den Hout) voor hem had uitgevoerd. Dit was gebaseerd op een volmachtbrief die op 15 januari 1748 was opgesteld door de heren burgemeesters, schepenen en raad van Groningen.

Elias van Grevenbroeck ontheffende Willem van Grevenbroeck van verdere verantwoording, rekening of bewijs. Hij bedankte zijn broer voor het zorgvuldige beheer van zijn goederen en verklaarde hem vrij van alle verplichtingen hieromtrent. Deze vrijwaring zou voor altijd gelden, onder verantwoordelijkheid van Elias van Grevenbroeck en zijn bezittingen.

De akte werd opgesteld in Oosterwijk op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Arnout van Nuijs, Jan Wouters van de Wijs en Jan van Mij als getuigen.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 76  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/