Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op
17 oktober 1628 verschenen voor notaris
Willem van Galen in
Utrecht:
Zij besloten de goederen van
Niclaes van Berck en
Barbara van Warmelo te verdelen. De totale waarde van de goederen (na aftrek van schulden) was 69.543 gulden, 12 stuivers en 2 penningen.
- De helft voor de erfgenamen van Berck was 34.771 gulden, 16 stuivers en 1 penning. Hiervan werden legaten en schulden betaald, inclusief de helft van de onroerende goederen (5.540 gulden, 6 stuivers en 4 penningen).
- De erfgenamen van Berck bleven nog 29.231 gulden, 19 stuivers en 13 penningen schuldig.
Ter betaling kregen de erfgenamen van
Berck de volgende documenten:
- Twee leningen van elk 2.000 gulden tegen 20% rente, verstrekt door Jacob van Cleeff op 20 maart 1619, gedekt door twee huizen aan de Runnestraat in Utrecht, met een rente van 221 gulden en 14 stuivers. Deze rente was verschuldigd vanaf 22 september 1628 (sterfdatum van Barbara van Warmelo).
- Een lening van 3.000 gulden tegen 20% rente, verstrekt op 20 februari 1628, met een rente van 190 gulden en 15 stuivers, ten laste van Henrick mirou.
- Een lening van 1.000 gulden tegen 20% rente.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 325
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507107 / 297
- Op 20 maart 1619 (oude stijl) of 21 maart 1619 (nieuwe stijl) in Utrecht lieten Nicolaes van Berck (burgemeester van Utrecht) en zijn vrouw Barbara van Warmelo hun testament opstellen. Dit testament, ondertekend en verzegeld, moest na hun overlijden worden uitgevoerd. Ze vroegen de notaris Claes Vereuijn om hiervan akte op te maken. Getuigen waren Peter Ploos (schepen van Utrecht) en Willem van Nellesteyn (dokter en burger van Utrecht).
- Op 21 maart 1619 gaven Geerard Zas en Johan Vianen (beide burgers van Utrecht en erfgenamen van Janneke van Zelck, weduwe van Johan van Vianen Jaersvelt) volmacht aan Matheus van Venendaele (procureur in Culemborg). Deze volmacht was om een leningbrief van 3 gulden jaarrente (met een kapitaal van 50 gulden) over te dragen. Deze lening was oorspronkelijk afkomstig van Beatrix Henrick van Cuyckheer en betrof een huis in Culemborg aan de Havendijk. De leningbrief was eerder overgedragen aan Gerrit Zas en Janneke van Zelck. Geerard Zas en Johan Vianen beloofden de volmacht onherroepelijk te houden en Matheus van Venendaele te vrijwaren.
- Op 29 maart 1619 kwam Cornelis Willems van Schoonhoven (wonend in Amsterdam) voor de notaris. Hij handelde namens zichzelf, zijn broers Gerrit en Aert Willems van Schoonhoven, zijn zussen Jannichgen en Weyntgen Willemsdr., en als wettig voogd voor zijn minderjarige broers en zussen: Elisabeth, Willempgen, Aert den Jongen, Abraham, Isaacq en Jacob. Zij waren erfgenamen van Marritgen Reijers (weduwe en boedelbemiddelaarster van Aert Gerrits van Meerden). Cornelis Willems van Schoonhoven trok de volmacht in die hij op 8 december 1618 had gegeven aan Rijchardt van den Ham (burger van Utrecht). Hiermee verbood hij Rijchardt van den Ham om nog iets te doen met de erfenis van Aert Gerrits van Meerden. Hij protesteerde tegen eventuele schade en kosten en vroeg om akte hiervan.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507177 / 192
De gevolmachtigden kregen de opdracht om alle inkomsten, zoals rente of andere betalingen die Hermen van Warmelo tijdens zijn leven had ontvangen, te innen. Ze moesten kwijtingen afgeven, schuldenaren die niet wilden betalen via de rechter dwingen, hoofdsommen bij aflossing ontvangen, rente- en schuldbewijzen vernietigen en het geld opnieuw beleggen voor het grootste voordeel van de opdrachtgevers. Ook mochten ze juridische stappen ondernemen en iemand anders als vertegenwoordiger aanstellen in rechtszaken. Alles wat de opdrachtgevers zelf hadden kunnen doen, mochten de gevolmachtigden nu ook.
De opdrachtgevers beloofden dat alles wat de gevolmachtigden in deze opdracht deden, geldig en bindend zou zijn. Ze verbonden hiervoor al hun bezittingen en onderwierpen zich aan beslaglegging door de heerlijke en gewone rechtbanken.
De akte werd opgesteld op 5 oktober 1628 in aanwezigheid van de getuigen Willem van Bemmel en Willem van Schut. Ondertekend door de compagnie, Johan van Welvelde, Johan Joachim van Grovenstein, Willem van Bemmel en Willem van Schaijck Asschebers.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 365
Op 90 16.. verschenen voor Jan van Vischouen, hoofdman van Utrecht, en de ouders: Op Huijgen, de weledele Johan van Weelvelde uit Ter Cluicke. Hij kwam voor zichzelf en als vader en voogd van zijn onmondige kinderen, afkomstig uit zijn huwelijk met de overleden weledele Barbara van Warmelo. Ook verschenen Joachim van Asscheberch uit Ter Heyde voor zichzelf, en Fabius van Grevenstein als man en voogd van de weledele Anna Hebricht van Asscheberch, zijn vrouw, die ook voor zichzelf kwam.
Zij verenigden zich en versterkten gezamenlijk hun positie als broers, zwagers en twee zussen. In die hoedanigheid eisten zij gezamenlijk recht op de goederen die Herman van Warmelo, natuurlijke zoon van de overleden Gerard van Warmelo (die in zijn leven drossaard van Valant was), had nagelaten. Deze goederen werden ook door Herman van Warmelo in lijftocht gebruikt.
Zij benoemden en machtigden Galen om in hun naam de goederen op te eisen en in ontvangst te nemen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507181 / 363
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507310 / 236
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506995 / 261
Op 23 februari 1901, na 17:00 uur, hield Gerrit Cornelis Merens, notaris in Haarlem, in het verkooplokaal De Gouden Leeuw aan de Zijlstraat in Haarlem een openbare veiling. Dit gebeurde op bevel van de Arrondissements Rechtbank in Haarlem van 5 februari 1901.
De veiling vond plaats op verzoek van Johan Koorhoven, kandidaat-notaris in Haarlem. Hij was gemachtigd door Fredericus Josephus Eman, tekenaar in Haarlem, voor zichzelf en als wettelijke voogd van zijn minderjarige kinderen Nicolas Eugene Frederie Eman en Mauriel André Lucien Eman. Ook Nicolaas Eman, zonder beroep in Haarlem, was betrokken als toezichthoudend voogd, benoemd door de kantonrechter in Haarlem op 28 december 1900.
Er werd een huis met erf, gelegen aan de Pieler Kiesstraat 36 in Haarlem, veiling gebracht. Dit perceel was bij het kadaster bekend onder sectie A, nummer 1438, met een oppervlakte van 99 centiare. De belastbare opbrengst was vastgesteld op 300 gulden voor gebouwde eigendommen en 1,97 gulden voor ongebouwde eigendommen. Voor dat jaar bedroegen de belastingen 32,10 gulden voor gebouwde en 0,14 gulden voor ongebouwde eigendommen.
Fredericus Josephus Eman had het perceel gekocht, zoals blijkt uit een koopakte van 6 mei 1893, opgemaakt door de notaris. Een afschrift hiervan was ingeschreven bij het hypotheekkantoor in Haarlem op 10 mei 1893 in deel 597.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 713 / 0247
Op
29 juni 1899 werden verschillende akten geregistreerd in
Meersen. Hierin staan onder andere hypothecaire inschrijvingen, verkopen en delingen van onroerend goed.
- Louis Diria van Wijk uit Maastricht deed een hypothecaire inschrijving.
- Egidius Paspars uit Gronsveld deed namens Jean Schouleur en Françoise Schouleur uit Herve een hypothecaire inschrijving.
- Joseph Melott uit Wijk (Maastricht) deed een hypothecaire inschrijving van ƒ 200.
- Nicolaas Weusten uit Herkonrade en Sina Geertruid als voogd van Hubertus Snoek, met Gerard PerContaine uit Banholt als toeziend voogd, schonken onroerend goed in Gronsveld ter waarde van ƒ 250 aan de Stichting voor het onderwijs der Deugd van het dorp Gronsveld, vertegenwoordigd door Jan Goessen en Laurens Bronakers.
- Jacobus Luaden uit Heugan-Gronsveld verkocht onroerend goed aan Louis Lucroea uit Gronsveld.
- Jan Lionari Meulleners en Hendrik Hubert Piters uit Heer, respectievelijk voorzitter en secretaris van de Rooms-Katholieke Kerkfabriek van Heer, kochten samen met Elisabeth Rompelberg (weduwe van Pieter Clislagers), Elisabeth Olislagers, Joseph Olislagers, Maria Olislagers, Theodorus Olislagers, Hubertus Olislagers, Heibertina Clislagers, Gertrudis Gerolugers en Mathys Huits onroerend goed in Heer voor ƒ 89.
- Johannes Hubertus Thoren (ook Johannes Petrus Paulus Thoren) uit Heer, als hoeder van Agnes Houben, schonk onroerend goed in Heer voor ƒ 217 aan de Rooms-Katholieke Kerkfabriek van Heer, vertegenwoordigd door Jan Leonard Muilleneers en Hendrik Heibert Piters.
- Mathieu Hubert Frijns en Maria Sophia Thelen uit 's Gravenvoeren verkochten onroerend goed in Eisden, Sint Geertruid, Mesch en Gronsveld voor ƒ 32.598,32 aan Anne Juan Frijns (weduwe van Walthere Makot), Jan Joseph Frijns, Marie Sophie Frijns, Helene Madelina Frijns en Marie Hubertine Frijns, allen uit 's Gravenvoeren.
- Maria Catherina Vliegen (weduwe van Johannes Jacobus Hendriks) uit Cadier en Keer deed als moeder en voogdes van Hubertus Hendriks, met Hubertus Hendriks van Wijk (Maastricht) als toeziend voogd en Baltus Schreurs uit Cadier en Keer als deskundige, een hypothecaire inschrijving.
- Arnoldus Goessen uit Gronsveld deed in eigen naam en als gemachtigde van verschillende familieleden een hypothecaire inschrijving.
Op
1 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd:
Op
21 juni 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd:
Op
5 juli 1899 werden onder andere de volgende akten geregistreerd:
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9183 / 0045
Op 3 juli 1903 ging Jan Willem Neus, bakker uit Vaals, naar Jan Adolphe Emile Wijnans, notaris in Gulpen. Hij verkocht aan zijn zuster Maria Catharina Neus, weduwe van Jozef Schmalen en Peter Mukolajewitz, ook uit Vaals, het levenslange gebruik van een huis aan de Akerstraat in Vaals (grootte: 2 are 30 centiare, kadastraal nummer 3778, 3779, 47635).
De koopsom bedroeg 2300 gulden, die Jan Willem Neus al had ontvangen. Het huis werd verkocht zoals het was, met alle rechten en plichten, waaronder een erfdienstbaarheid voor andere percelen in Vaals. Het was vrij van hypotheken.
De akte werd opgesteld in Vaals op 3 juli 1903 in aanwezigheid van Hendrik Joseph Piereij (kandidaat-notaris uit Gulpen) en Jan Mathijs von Houten (werkman uit Mechelen Wittem) als getuigen.
De akte werd geregistreerd in Gulpen op 17 juli 1900 voor een bedrag van 76 gulden.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9201 / 0261
Op
30 juli 1900 werd een document vastgehecht aan een akte in
Gulden. Hierin stond dat voor 3 gulden en 60 cent een zekerheid was gesteld voor de betaling van een koopsom. Dit betrof een hypotheek op verkochte goederen, met als voorwaarde dat de verkoper de inschrijving ten koste van de koper kon laten doorhalen.
Op
1 mei 1903 gaven
Maria Catharina Grooten (weduwe van
Martin van Elsen),
Aloys van de Weijer,
Philomine van de Weijer (vrouw van
Frans Wallrafen) en
Henriette Freialdenhoven (weduwe van
Anton van de Weijer) volmacht aan
Frans Wallrafen. Hij mocht namens hen onroerende goederen in
Vaals en
Wittem verkopen, de koopvoorwaarden vaststellen, de koopsom ontvangen en hypotheken afsluiten. Ook mocht hij inschrijvingen laten doorhalen en alle nodige documenten ondertekenen.
Op
27 februari 1903 en
5 maart 1905 werden er documenten opgesteld in
Amerongse en
Radermühle met betrekking tot
Anton van de Weijer en zijn familie. Op
12 april 1905 werd in
Dülken een akte ondertekend door
Jos van de Weijer en anderen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9279 / 0368
De verkoopvoorwaarden waren als volgt:
- De goederen werden geveild zoals de verkopers wilden. Een bod werd pas toegekend als het laatste bod zes keer was opgeroepen zonder verhoging. De verkopers hadden 2 uur bedenktijd om de toewijzing goed of af te keuren. Zonder uitdrukkelijke goedkeuring werd de toewijzing afgekeurd.
- Kopers konden bij de toewijzing of later in een akte een lastgever aanwijzen, waarvoor ze aansprakelijk bleven als dat werd gevraagd.
- Meerdere kopers van hetzelfde perceel waren samen verantwoordelijk voor de betaling van de koopsom, rente en kosten.
- Kopers kregen het bezit en gebruik van het gekochte goed op 1 mei van het volgende jaar, maar moesten de mondelinge huurovereenkomsten van de verkopers met de huidige huurders respecteren.
- De koopsom moest zonder vertraging of korting betaald worden op 1 mei van het volgende jaar, zonder rente, bij de notaris. Vroegtijdige betaling was niet mogelijk. Binnen 8 dagen moesten kopers ook alle kosten betalen die volgens de wet verschuldigd waren.
- Levering van het gekochte goed gebeurde pas na betaling van alle verkoopkosten, koopsommen en afgesproken rente.
- Als kopers hun verplichtingen niet nakwamen, mochten de verkopers het goed opnieuw veilen onder dezelfde voorwaarden. Het verschil in opbrengst (minder of meer) moest door de nalatige koper worden vergoed.
- De verkopers behielden het recht op een hypotheek op het verkochte goed, volgens de artikelen 1223 en 1254 van het Nederlandse Burgerlijk Wetboek.
Na voorlezing werd het onroerend goed geveild.
Jan Schonbrodt, postbode uit
Vaals, bood als hoogste
1750 gulden. De verkopers wezen dit bod af en lieten het goed opnieuw veilen.
Jaan Jan Willem Neus, bakker uit
Vaals, bood het hoogst en nam de koop aan. De verkopers keurden deze toewijzing goed. Dit gebeurde in aanwezigheid van
Andries Joses Ramaekers (notarisklerk uit
Gulpen) en
Matheeu Schmalbach (koopman uit
Vaals) als getuigen.
Op
16 december 1897 herriep
Bernhard Philipp August Eickenscheidt, een rooms-katholieke priester en Redemptorist uit
Glanerbrug, zijn testament uit
30 december 1882, opgemaakt door notaris
Joannes Malhuas Adolphus Wynaus uit
Gulpen. Dit gebeurde in aanwezigheid van
Andries Josef Ramaekers en
Prans Enops (landbouwer uit
Elenaken).
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9195 / 0309
Op
23 juni 1899 ging
Johan Neus, bakker en winkelier uit
Vaals, getrouwd met
Anna Mommer, naar notaris
Jan Eugene Adolphe Emile Wijnans in
Gulpen. Hij erkende schulden te hebben:
Jan Willem Neus aanvaardde deze schulderkenning, ook namens
Martina van Wintersdorff. Ze spraken af:
- De leningen moeten na 6 jaar terugbetaald worden, met jaarlijkse rente:
De rente is elk jaar verschuldigd en opeisbaar.
- Betalingen moeten contant en op de vervaldag gebeuren, zonder korting.
- De hoofdsom moet direct terugbetaald worden als:
- de rente niet binnen 2 maanden na de vervaldag betaald wordt;
- de onderpanden (hypotheek) verkocht, vervreemd of in beslag genomen worden;
- de afspraken niet nageleefd worden.
Als zekerheid voor de totale schuld van 1150 gulden (inclusief rente en kosten) bood
Maria Krill, weduwe van
Arnold Neus en winkelierster in
Vaals, hypotheek aan op haar onroerende goederen in
Vaals:
- een huis en erf van 1 are en 25 centiare (sectie A, nummer 4135);
- een huis, erf en tuin van 12 are en 15 centiare (sectie 4, nummer 4136);
- een tuin van 5 are en 50 centiare (sectie A, nummer 135).
Daarbij spraken ze af:
- De goederen mogen maximaal 1 jaar verhuurd worden, zonder vooruitbetaalde huur.
- Bij verkoop van de hypotheek mag het onderpand niet geruild worden.
- De gebouwen moeten verzekerd zijn tegen brand; bij schade vervangt de verzekeringsuitkering het onderpand.
- Bij niet-nakomen van de betalingen mogen de schuldeisers het onderpand openbaar verkopen om schuld, rente en kosten te voldoen.
De akte werd opgesteld in het huis van
Maria Krill in
Vaals, in aanwezigheid van getuigen
Andries Josef Ramaekers (notarisklerk uit
Gulpen) en
Mathieu Simons (verver uit
Vaals).
Op
10 december 1899 werd een eerste afschrift afgegeven aan de schuldeisers.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9197 / 0197
- Op 1800-01-08 in Gulpen werd een register opgemaakt met 156 inschrijvingen uit het vierde kwartaal van 1897.
- Hubert Smeets en anderen in Wijlre vroegen in december toestemming om bomen te verkopen namens Marie van Pul, weduwe van von Sastrouw uit Westfalen.
- Vastgoed onder Vaals werd verkocht door:
- In Wijlre werd een ruiling van vee gedaan tussen Alexander Janssen, Maria Sopluia Janssen en Josef Vleucch uit Etenaken.
- Vastgoed in Slenaken werd verkocht door Bernard de Woeff uit Antwerpen en Colem Spets, Alphons Prevoo (beiden uit Maastricht), en Pieter en Josef Gerekene uit Gulpen.
- Jan Renus en Albert Kieken uit Wijlre en Jan Lucken uit Leuven sloten een lening met hypotheek af ten behoeve van de Rooms-Katholieke Parochiale Kerk in Margraten.
- Testamenten werden opgemaakt door:
- Huwelijkstoestemming werd gegeven door Lambert Baumans en zijn echtgenote Helena Lunueij in Simpelveld voor het verkopen van hout namens Eugène Loenegracht.
- Vastgoed onder Wittem en Vaals werd verkocht door Jan Gilles Kottgens uit Camerig, Vaals aan Peter Heieres uit Kuttingen, Wittem.
- Leningen werden afgesloten door:
- Vastgoed onder Houthem werd verkocht door Henriette Rijsoff (geautoriseerde echtgenote van Christiaan Hering uit Meerssen) aan het Instituut van den Heiligen Carolus Borromeus in Ravensbosch, Houthem.
- Hypothecaire inschrijvingen werden geradieerd (verwijderd) door:
- De Diaconie der Hervormde Gemeente in Vaals leende geld aan Joseph Duijschaerts en Maria Catharina Leenders in Eys, Wittem.
- Vastgoed onder Vaals werd verkocht door:
- Leningen werden afgesloten door:
- Roerend goed werd verkocht op verzoek van:
- Willem Vliegen, Hubert Vliegen (Valkenburg), Henry Vliegen (Aken), Leonard Vliegen (Bocholt), Alphons Vleezen (Gulpen), Helena Vliegen (echtgenote van Pierre Gorissen in Ypenwitten), Jons Vlieger (Dison), Michael Vliegen (Luit) en Wilhelm Helles.
- Hubertina Austen (geboren Barten) en Nicolaas Eysels (beiden in Schulder, Wijlre).
- Karel Johres in Efen, Vaals.
- Arnold Haijen in Termaer, Margraten.
- Vastgoed onder Wijlre werd verkocht door de in punt 36 genoemde personen aan Carl Dlorren in Wittem.
- Helena Haeren (weduwe van Nicolaas Odekerke, later weduwe van Jores Vleege in Elenaken) verkocht vastgoed onder Wijlre aan Hubertine Vleegen in Elenaken.
- Jan Marn in Rijmerstok vroeg om mede te verkopen.
- Maria Josephina Cryns (weduwe Hulschemaekers in Meer) deed afstand van haar legitieme portie en bevestigde een testament.
- Een huwelijkscontract werd opgemaakt tussen Johannes Hubertus Egidius Brouwers (bijgestaan door zijn moeder Maria Anna Senden, weduwe van Jan Leonard Brouwers) en Maria Hubertina Francisca Ramaekers (allen in Gulpen).
- Een deling vond plaats tussen:
- Een lening werd afgesloten door Wilhelm Beekers in Aken ten behoeve van Leonard Ortmans in Vaals voor vastgoed onder Wijlre.
- Een deling vond plaats in Alkenburg tussen:
- Vastgoed onder Wijlre werd verkocht door de in punt 18 van 1897 genoemde personen aan Jaan Frans Koopes en Tossanus Huynen (landbouwer in Rijmerstok, Gulpen) ten behoeve van:
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9194 / 0023
Op
30 juni 1898 tekende notaris
Jan Eugene Idolphe Emile Wijnans in
Gulpen een leningsovereenkomst op tussen:
Jan Willem Neus leende 900 gulden van
Sophia Elisabeth Nijssen tegen een rente van 5% per jaar, die na 6 weken na de vervaldatum daalt naar 4%. De lening moet na 5 jaar in één keer worden terugbetaald in Nederlandse guldens, zonder korting. De rente is jaarlijks verschuldigd en opeisbaar.
De lening kan eerder worden opgeëist als:
- de rente niet binnen 2 maanden na de vervaldatum wordt betaald,
- de hypotheek (of een deel daarvan) wordt verdeeld, vervreemd of in beslag genomen,
- er schade ontstaat aan de verbonden goederen,
- er niet wordt voldaan aan een of meer afspraken uit de overeenkomst.
Als zekerheid voor de lening stelde
Jan Willem Neus een eerste hypotheek op een huis met bijbehorende grond in
Vaals, gelegen aan de
Akerstraat (groot 2 aren en 95 centiaren, kadastraal bekend als nummers 3776, 3777, 3778, 3779, sectie A).
Aan de hypotheek zijn de volgende voorwaarden verbonden:
- Het verbonden goed mag niet worden verkocht zonder toestemming van de hypotheekhouder.
- Het mag niet langer dan 1 jaar worden verhuurd en nooit met vooruitbetaling van huur.
- De gebouwen moeten verzekerd zijn tegen brandschade voor minimaal 2000 gulden bij een erkende verzekeringsmaatschappij. Jan Willem Neus moet jaarlijks bij de rentebetaling een bewijs van betaling van de verzekeringspremie overleggen. Bij brandschade vervangt de verzekeringsuitkering het verbrandde goed.
- Bij niet-nakoming van de afspraken mag Sophia Elisabeth Nijssen het verbonden goed openbaar verkopen om de schuld, rente en kosten te voldoen.
De partijen kozen
Gulpen als woonplaats voor juridische kwesties. De akte werd ondertekend door
Jan Willem Neus,
Mathieri Vijssen, de getuigen
Andries Josef Ramaekers en
Sylvester Engels, en notaris
Wijnans.
De akte werd geregistreerd in
Gulpen op
8 juli 1898. Op
26 augustus 1898 werd een eerste afschrift verstrekt aan
Sophia Elisabeth Nijssen.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9196 / 0240
De tekst beschrijft afspraken en documenten rond de overname van
Suriname door de
West-Indische Compagnie en de betrokkenheid van
Cornelis van Aarssen, heer van
Somelsdijck en gouverneur van
Suriname.
- Er zijn contracten en afspraken over de eigendom van Suriname tussen Amsterdam, de heer van Somelsdijck en de West-Indische Compagnie.
- Cornelis van Aarssen krijgt instructies en een commissie voor zijn werk in Suriname, inclusief de inkoop van schepen, soldaten en goederen.
- Er zijn verzoeken om betalingen voor gages, transportkosten en andere uitgaven, onder andere van Cornelis Zwaan, Jacobus van Bijnum (predikant), Floris van Grevenbroeck en Hugo Uijttersche.
- Er zijn afspraken over de slavenhandel, zoals het transport van slaven van Calabar en Angola naar Suriname met schepen als de Sint Jan, Goude Tijger en Vrede.
- Er zijn regels voor de rechtspraak in Suriname, zoals eeden voor gouverneurs, raden en andere ambtenaren.
- Er zijn verzoeken om schepen zoals de Hoop en Sint Pieter in te zetten voor transport naar Suriname.
- Er zijn afspraken over de financiering van militaire operaties en de betaling van soldaten in Suriname.
- Er zijn documenten over de organisatie van de Sociëteit van Suriname, inclusief bijeenkomsten in Amsterdam, Zeeland en Middelburg.
- Er zijn verzoeken om handwerkers, soldaten en andere personen naar Suriname te sturen.
- Er zijn afspraken over de verkoop van goederen en slaven in Suriname.
Er zijn ook specifieke data genoemd, zoals:
- 1684-04-07: een plakkaat over belastingen en rechten in Suriname.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 17 / 0003
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 226
Johanna van Leeuwen was als begunstigde schuldig om op
1 december 1711 een attestatie van leven (bewijs dat iemand nog leeft) te overleggen voor 12 stuivers, zoals op folio 109 verso staat. Dit bedrag van 5/5 part (ƒ 10:3) werd door de executeurs ontvangen en op folio 62 onder de opbrengsten geboekt. Op
5 januari 1711 werd voor 10/12 part een bedrag van ƒ 36 geboekt op folio 110.
Een lijfrentebrief (een soort levenslange uitkering) van ƒ 2000 met maandelijkse rente vanaf
1711 was aan haar toegekend. Hiervan had ze ƒ 150 ontvangen. Op
1713 werd voor het ontvangen van de rente aan
Gerrit Febrij een bedrag van ƒ 33 geboekt.
Op
10 december 1712 en
9 december 1712 werden bedragen van respectievelijk 180 stuivers en ƒ 330 voor attestaties van leven en rente ontvangen, zoals op folio 119 verso en 122 verso staat. Op
1 april werd ƒ 330 aan
Gerrit Jemaar betaald voor het ontvangen van de rente, en ƒ 16:10 voor het salaris van de executeurs.
Gerard Weeksteen en
Catharina van der Pullen, en
Hendrick van Leeuwen en
Yda van der Pullen als wettige erfgenamen en vruchtgebruikers waren op
11 april 1713 schuldig voor ontvangen opbrengsten van kapitaal die op het moment van overlijden bestonden. Deze opbrengsten waren geboekt en betaald volgens een lijst, met een totaal van ƒ 822:9:4 op folio 52 en eindigend op folio 78 verso met ƒ 330.
Er waren geen verdere schulden voor salaris of opbrengsten uit overstaande kapitaal door de executeurs. De executeurs hadden ƒ 179:5:8 ontvangen en afgelost, en ƒ 2200 ontvangen volgens de zesde ontvangst, beginnend op folio 79.
Uitgaven die ten laste van de vruchtgebruikers kwamen, waren getrokken uit de rekening van de executeurs uit de tweede uitgave, beginnend op folio 100 op
4 april 1711. Hierin stonden bedragen voor diverse personen en zaken, zoals:
- ƒ 14:22 aan Anthonie van Grevenbroeck en Francois Gallen op 22 mei;
- ƒ 13 aan Albert van Hooren op 27 mei voor zegels;
- 6 stuivers voor zegels voor lijfrenten op Yda van der Pullen en Pieter van Leeuwen;
- ƒ 10 voor 5/6 part ontvangen van Pieter van Leeuwen;
- ƒ 19:12 aan Remees Floris van Sanen voor rente op een obligatie van ƒ 1000;
- ƒ 8:10 voor een gelijksoortige obligatie;
- ƒ 24 aan Anthonie van Brent en Mr. Smith op 24 oktober voor het bezoeken van het geheim (toilet) op de hoek van de Nieuwsteeg;
- ƒ 57:16 aan Hendrick Brent (schilder) op 9 november voor het legen daarvan;
- 18 stuivers en 12 2/3 ruim voor vruchtgebruikers voor 11/12 part van ƒ 40 voor betaalde 100 penningen;
- ƒ 36:13:6 voor 11 maanden rente op 4 obligaties op het comptoir aldaar van 1711;
- ƒ 33 voor het ontvangen van lijfrente en rente voor 11 maanden op een losrentebrief van 100 penningen;
- ƒ 36:13:6 voor het overschrijven van twee huurbrieven op 1 december 1712.
Op
2 januari 1712 werden diverse kortingen en betalingen gedaan, zoals aan
Daniel de Renout,
Marcus van der Wal,
Frans van der Steen,
Samuel Joly,
Joost Schuurman,
Frederick Smits,
Jan Claes van der Horst en
Philip de Graaf. Ook was er pompgeld van ƒ 264:6:2.
Op
12 maart 1712 werd een transport (overdracht) van ƒ 267:6 aan
Cornelis de Bruijne gedaan. Verponding (belasting) voor het grote huis was ƒ 27:9:4, voor het huis ernaast ƒ 13:16:12, en voor het huis op de hoek van de
Nieuwsteeg ƒ 10:5:6, totaal ƒ 51:11:6.
Op
20 mei werden zegels betaald voor het ontvangen van lijfrenten aan
Carel Bouwens. Op
6 juni werd huur gekort aan
Daniel Renaux en weduwe
Jacob Zeewyck. Op
29 september werd het geheim op de hoek van de
Nieuwsteeg geleegd voor ƒ 14. Op
14 december werd 100 penningen betaald voor obligaties op de Thesaurie van
1712.
Op
19 december werd een losrentebrief van ƒ 2000 op het comptoir aldaar voor 40 betaald. Op
20 december werd een attestatie van leven van
Johanna van Leeuwen en
Hendrik Cuylenburg voor 13 ontvangen. Op
27 december werd 13 betaald voor een huurcel van De Groene Papegaai.
In
1713 werden op
9 januari bedragen betaald aan
Coenraat Coenraatse,
Jan Broere,
Albert Bosvelt,
Philip de Graaf,
Frederick Smits,
Joost Schuurman,
Jan Claes van der Horst,
Frans van der Steen en
Marcus van der Wal. Op
4 februari werd pompgeld voor het huis op de hoek van de
Nieuwsteeg betaald. Op
16 februari werd de ordinari verponding (gewone belasting) van
1712 voor diverse huizen betaald, zoals voor De Groene Papegaai (ƒ 27:9:4), het huis ernaast (ƒ 13:16:12) en het huis op de hoek van de
Nieuwsteeg (ƒ 10:5:6). Ook werd 100 penningen voor
1713 voor deze huizen betaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842981 / 369
Op
7 mei 1650 werd besproken dat rederijen van twee schepen,
de Cramer en
de Graeff, een nieuwe tol wilden heffen in
Nijmegen voor goederen die door het land werden vervoerd. De schepen, gevoerd door
Peeter Maertens Moijman en
Lenart Peters Graeff, waren geladen met tarwe en waren op
19 april 1650 door een Brits schip voor de kust aangevallen en buitgemaakt. De eigenaren kregen toestemming om de koning van
Groot-Brittannië te vragen de schepen en lading vrij te geven.
Lambertus Joannes Palmeto, een wiskundige uit
Harlingen, vroeg om een beloning voor zijn uitvinding: een houten tafel die berekeningen kon uitvoeren zonder menselijk ingrijpen. Hij kreeg toestemming om zijn uitvinding aan de autoriteiten te tonen.
Louis Saulmon kreeg een octrooi voor 15 jaar op een nieuw type lakenvolmolen, mits hij toestemming vroeg aan de provincies waar hij deze wilde bouwen.
De heren
Bronchorst en anderen onderzochten verschillende verzoeken, waaronder die van
Remijs van Grevenbroeck, een priester uit
Tilburg. Hij mocht twee derde van zijn inkomen uit twee kleine beneficies houden, terwijl een derde naar het land ging.
Op
8 en 9 mei 1650 werd niets beslist.
Op
10 mei 1650 werd
Johan Eeck benoemd als raad van state in plaats van
Counraet meyer voor de provincie
Groningen. Hij legde de eed af tijdens de vergadering.
De zaak van de molenaars van
Cadsant werd overgedragen aan
de Bije en
Eijssinge, die
Meinderswijck en
Andrée vervingen.
Een brief van
Roermond over de zaak van
Henrick Lambertsz de Bruijn, een marktschipper, werd doorgestuurd naar de heren die onderhandelden met
Ambr. de Brun.
Roch, voormalig resident van de koning van
Denemarken, kreeg een paspoort om zijn boeken en bagage uit te voeren.
De zaak van de schepenen van
Oosterwijck tegen
Lambert Sleccher werd onderzocht door
Bronchorst en anderen.
Sleccher moest wachten met verdere stappen.
Het verzoek van de moeder en nonnen van het
Arme Vrouwe Clooster in
Oosterwijck werd ook doorgestuurd voor onderzoek.
Jonr. Fredrick Schellaert van Owendorff kreeg toestemming om over zijn goederen in
Brabant en
Overmaas te beschikken, mits hij kon aantonen dat hij zijn leengoederen had verheven bij de Raad van
Brabant.
De afgezanten van
Oost-Friesland kregen toestemming voor hun verzoek.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0271
19 december 1650 hielden de Staten-Generaal een vergadering onder leiding van
Bronckhorst. Aanwezig waren onder anderen
Graeff van Flodroff,
Linteloe,
Raesfelt,
Huijgens,
Ommeren,
Loo,
Paets,
Sonck en een buitengewone gedeputeerde van
Holland,
Veth.
Bronckhorst deelde mee dat de ambassadeur
Joachimij op bezoek was geweest. Ook werd een brief van
Rhijngraeff, gouverneur van
Maastricht, voorgelezen. Hierin waarschuwde hij dat een Spaans leger onder leiding van
Don Anthonio de la Convie dorpen bij
Maastricht wilde bezetten.
Rhijngraeff zou dit, in opdracht van de Raad van State, tegenhouden.
De verzoeken van
Remijs van Grevenbroeck (een priester) om in
Diessen te mogen wonen, en van
Jan de Barie uit
Amsterdam om veiligheid voor 6 maanden, werden goedgekeurd.
Er werd gesproken over de slechte staat van de vergaderzaal en de grote vertrekzaal.
Commis Spronssen kreeg de opdracht om dit op te lossen.
Een brief van
Schrasser uit
Hamburg werd ontvangen, maar er werd geen besluit over genomen.
De Staten bespraken de situatie in
Engeland en bedankten
Bronckhorst voor zijn inzet. De provincies beloofden hier later op terug te komen.
Er werden brieven van aanbeveling besproken voor afvaardigingen uit
Oost-Friesland en
Emden. Deze zouden zonder verdere discussie worden verzonden.
Een brief van
Rhijngraeff over Spaanse troepen bij
Maastricht werd besproken. De Staten besloten om
Huijgens en andere gedeputeerden in te schakelen om met de ambassadeur
de Brun te overleggen. Zij moesten proberen om via
Leopold (aartsherog) de spanningen te verminderen.
De Mauregnault, kapitein bij het Sas van
Gent, vroeg toestemming om dijken aan te leggen bij
Canisvliet. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de bevoegde rechters en de Raad van State.
Het verzoek van
Willem van Thil, drossaard van
Valckenburg en
Daelhem in
Overmaas, om bepaalde personen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State.
Ten slotte werd een commissie van de Staten van
Utrecht voorgelezen, waarin verschillende heren werden benoemd voor het behartigen van de algemene zaken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3256 / 0664
De Staten-Generaal bespraken de situatie in Engeland en bedankten heer Bronchorst voor zijn inzet. De provincies zouden later passende maatregelen nemen.
Er kwam een brief van heer Schrasser uit Hamburg (17 december), maar er werd geen beslissing genomen.
De verzoeken van:
- Jan de Barie uit Amsterdam: hij kreeg toestemming voor veilige doorgang (lichamelijke onschendbaarheid) voor 6 maanden, startend na afloop van zijn eerdere vergunning. Dit gold in gebieden onder de Staten-Generaal.
- Over de bouwvallige toestand van de vergaderzaal en een andere zaal: Commissaris Spronsen kreeg de opdracht om dit zo snel mogelijk op te lossen.
- Remijs van Grevenbrouck, een priester uit Diessen in de Meierij: zijn verzoek om daar te mogen blijven of voor 1 jaar werd aangehouden.
Er werd een brief van heer Rhijngraeff, gouverneur van Maastricht (13 december), voorgelezen. Hij waarschuwde dat een compagnie onder Don Anthonie de la Coive, luitenant-generaal in Spaanse dienst, dorpen onder Maastricht wilde bezetten. Rhijngraeff zou dit eerst met diplomatie proberen te voorkomen en anders met geweld. De Staten-Generaal namen deze brief ter kennisgeving aan en besloten hem voor te leggen aan heer Huijgens en andere gedeputeerden voor bespreking met ambassadeur de Brun. Zij moesten proberen via aartshertoog Leopold en anderen druk uit te oefenen om verdere escalatie te voorkomen.
Holland vroeg een kopie van de brief om deze intern te bespreken en wilde dat Rhijngraeff wist dat de inhoud met ambassadeur de Brun besproken zou worden.
Het verzoek van Gaspar de Mauregnault, kapitein en sergeant-majoor van het Zas van Gent, en zijn partners om schorren bij Canisvliet (tussen het Zas van Gent en Sint-Maartens) te bedijken, werd doorgestuurd naar de gedelegeerde rechters voor de dijkzaak. Ook werd een kopie gestuurd naar de Raad van State om te beoordelen of de dijk bij Sint-Maartens schadelijk zou zijn voor de landsverdediging.
Het verzoek van Willem van Thill, drost van Valkenburg en Daelhem (in Overmaas), om bepaalde personen die samenwerkten met Spaanse garnizoenen te arresteren, werd doorgestuurd naar de Raad van State. Holland herhaalde eerdere standpunten over Overmaas.
De Staten van Utrecht stuurden een commissie (28 november) met gedeputeerden, waaronder Nicolaes van Berck, Arent van Culenburch, Jacob van Baaxen, Justus van Borre van Amerongen, Carel Parmentier, Joachim Philibert van Thuijl van Serooskerke, Gaspar van Lijnden, Gerrart van Reede, Godaert Adriaen van Reede, Hugo Diderick Ruijsch, Andries van Odijck, Fredrick Ruijsch, Cornelis van Deuverden, Cornelis van Werchoven, Peeter de Goijer en Dirck Vock van Linden. Zij mochten de vergaderingen van de Staten-Generaal bijwonen en meedenken over het algemeen belang, volgens een resolutie van 14 november. De Staten-Generaal verwelkomden hen en gaven hen toegang.
De ordinaire gedeputeerden van Utrecht meldden namens de Staten van Utrecht (28 november, oude stijl) dat er steeds meer valse gouden en zilveren munten in omloop waren. Ook werd er geprobeerd slechte munten in omloop te brengen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3210 / 0890
De
Staten Generaal van de
Verenigde Nederlanden geven toestemming aan:
- de Vrouwe Marquise de Vaubrune om met haar gezin, bedienden en bagage via neutrale en buurlanden van Frankrijk naar Oorschot in de Meierij van 's-Hertogenbosch te reizen en daar te verblijven. Iedereen in dienst van de Republiek moet haar ongehinderd laten passeren en beschermen tegen schade of hinder. Dit besluit is ondertekend in Den Haag op 27 mei 1673.
- de inwoners van Waalwijk om turf en brandhout uit Venlo te halen en rogge, tarwe, haver en boekweit uit Holland te importeren voor hun levensonderhoud. Dit mag alleen binnen Waalwijk worden geconsumeerd en moet voldoen aan de landelijke regels. Ondertekend in Den Haag op 2 mei 1673.
- Adriaen en Pieter Goijvaerts, wonend in de Langestraat, om 60 tot 70 magere beesten naar de Landen van Altena, Heusden en Altena te brengen om te vetten. Dit mag voor de duur van twee maanden. Ondertekend in Den Haag op 5 mei 1673.
- Pleuntie Jans Arijthoven, wonend in Besoijen (Zuid-Holland), om voedsel uit Holland naar Besoijen te halen. Ondertekend in Den Haag op 5 mei 1673.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 12316 / 0398
De testateurs (de twee personen die een testament opstellen) bepalen dat de langstlevende van hen beiden alle bezittingen mag behouden en gebruiken zonder verzet van familie van de eerst overledene. Ook hoeft de langstlevende geen boedelbeschrijving af te geven.
Alle onroerende goederen die door een van de testateurs in het huwelijk zijn ingebracht, blijven in het bezit van de langstlevende. Een uitzondering is het land in
Baardwijk, dat na de dood van de man naar zijn bloedverwanten gaat.
Na de dood van de langstlevende worden de overgebleven goederen als volgt verdeeld:
Als een van deze personen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten.
De onroerende goederen die van de vrouw afkomstig zijn, gaan na haar dood als volgt:
De andere helft van de goederen van de vrouw gaat direct na de dood van de langstlevende in eigendom en vruchtgebruik naar de kinderen van
Gerit Jan Teulingh. Als een van hen overleden is, gaat hun deel naar hun naaste bloedverwanten.
De bloedverwanten van beide testateurs moeten gezamenlijk een legaat van 150 pond betalen aan de kinderen van
Peter Cornelis de Lepper na de dood van de langstlevende.
De testateurs benoemen elkaar tot enige en universele erfgenaam. Na de dood van beide gaan de goederen naar hun respectievelijke bloedverwanten, zoals hierboven beschreven.
Het testament is opgesteld op
18 maart 1704 in het woonhuis van de testateurs in
t Gravemoer, in aanwezigheid van
Adriaen Smits (oud-burgemeester van
t Gravemoer) en
Adriaen dens Schapendonck (inwoner van
t Gravemoer) als getuigen.
Op
31 mei 1709 is een kopie van het testament verstrekt aan
Aert van Horst (bloedoom van de kinderen van
Gerit Jan Teulingh).
Op
18 juni 1721 is het legaat van 150 pond aan de kinderen van
Peter Cornelis de Lepper voldaan door de erfgenamen, zoals blijkt uit een notariële akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504757 / 163
Op
12 juli 1689 gaven
Heiliger Colen,
Adriaen Jan Segers,
Coopluyden in wol en lakens, en gezworen tarra-meesters in
Tilburg een verklaring af. Zij bevestigden dat al ongeveer
20 jaar een regel gold: als een tarra-meester afwezig was, werd zijn werk overgenomen en gecontroleerd door anderen. Dit gold ook voor de minder waardevolle stoffen die open waren gevonden.
Op
10 augustus 1689 droegen
Heiliger Colen,
Adriaen Cornelisz Francken,
Jan Jansz Heycants (als voogd voor de onmondige kinderen van
Joost Adriaen Geerts de Roy en
Anna Cornelis van Beurden, en voor de onmondige dochter van
Jan Jan Heijcants en
Marie Adriaen Broeders), en
Ruylen Comanceurs (als man en voogd van
Jenneken Jan Heijcants) een schuldbrief en openstaande boekschulden over aan
Joan Melis, erfgenaam van
Catharina Jan Melis. Zij gaven alle rechten op deze schulden op.
Op
30 juli 1689 verklaren
Jacobus van Esche, schepen van
Tilburg en bierbrouwer in
Goirle, dat hij de brouwerij van
Joost Peeter Eelckens in
Goirle had gehuurd voor het jaar
1688-1689 voor 10 gulden. De zonen van
Eelckens moesten als tegenprestatie zijn bier verkopen. Deze afspraak gold tot het einde van de huurperiode.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 402
De gedeputeerden van de Meijerij van
's Hertogenbosch, waaronder
Tempelaer,
Buijs,
Abberdaen en
Wichmans van Raesfelt, behandelden op
5 april een verzoek van
Reijnier Jansz Tempelaer uit
Aelst. Hij wilde het ambt van boswachter in
Bercheijck overnemen van de vorige houder. Het verzoek werd doorgestuurd naar de schout van het kwartier
Kempelandt voor advies.
Op
8 april werd het verzoek van
Maurits Buijs besproken. Hij vroeg of zijn zoon
Laurens Buijs een beurs van 50 gulden in
Boxtel mocht krijgen, die eerder aan de zoon van de conrector
de Vries was toegekend. Dit verzoek werd doorgestuurd naar de ontvanger
Florintius Schuijl voor informatie.
Op
14 maart werd het verzoek van
Willem Abberdaen, zoon van de schoolmeester in
Legemierde, behandeld.
Augustinus Wichmans, abt van
Tongerloo, had hem drie kerkelijke beneficies in
Mierlo (in het kwartier
Peelant) toegekend.
Abberdaen vroeg om bevestiging van deze aanstellingen. Het verzoek werd doorgestuurd naar rentmeester
Pieterson om de aard en status van de beneficies te onderzoeken.
Op
22 januari rapporteerden de gedeputeerden
Swanenburch,
Stavenisse,
Wijckel en de thesaurier-generaal
van Beverningk over hun werk in de provincie
Stad Groningen en Ommelanden. Met steun van stadhouder
Willem van Nassau hadden zij geschillen opgelost die voortkwamen uit het reglement van
8 juli 1655. Ze kregen de opdracht om een nieuw reglement op te stellen voor de besturing van de
Ommelanden tussen de
Eems en
Lauwers.
Op
28 februari hadden dezelfde gedeputeerden bij de Staten van
Stad Groningen en Ommelanden aangedrongen op het heffen van een belasting van 200ste penning voor de verdediging van de staat, onder andere tegen piraterij en oorlogen. De Staten beloofden hierop te reageren op basis van noodzaak.
Op
3 maart 1659 bevestigden de Staten van
Stad Groningen en Ommelanden in een resolutie dat ze de petitie en het voorstel voor de 200ste penning zouden overwegen, afhankelijk van de noodzaak.
Op
4 april rapporteerden
van Raesfelt en andere gedeputeerden over een gesprek met gecommitteerden uit de Raad van State. Dit betrof een beloning voor iemand die informatie kon geven over goederen en activa onder het gezag van de Generaliteit, met uitzondering van de huidige bezitters en gebruikers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3265 / 0287
Volgende pagina