Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


In de laatste dagen van haar leven was de dochter en nicht van Leux samen met enkele schildervrienden van de Chère Cousine. M. le Tiers had de brief voor de prior van Sainte Catherine niet gestuurd, maar beloofde later uit te leggen waarom. Thérèse was volledig hersteld en stuurde een briefje naar haar goede tante. Iedereen was tevreden over de goede prior die in Sainte Catherine de feestdag van de wijding had gevierd. Hij preekte met inzicht en intelligentie, en iedereen onder zijn leiding was gelukkig met zijn aanwezigheid. De schrijver vraagt om respect te tonen aan notre très chère Cousine en om haar gebeden en herinnering aan God te vragen, en zichzelf niet te vergeten. Op 10 maart 1504 bedankt de schrijver voor de goedheid die getoond is aan haar en haar verdrietige familie. Zonder vertrouwen in de gebeden van de ontvanger zou ze overweldigd zijn door haar eigen zwakte. Ze hebben M. le prieur ontvangen, die vol liefdadigheid is. Hij stuurde een vriend die vertrouwen wekt en die volgens de schrijver goed zal doen voor degenen die in hem willen geloven. Er wordt nog een brief van de nicht gestuurd, die diep geraakt is door alle verliezen. Ze lijkt meer verlangen te tonen om dichter bij God te zijn. De leraar van haar zoon voldoet niet; hij mist toewijding en inzet, en weet geen respect af te dwingen. De schrijver vreest dat de nicht hierdoor ontmoedigd raakt. Een persoon in wie ze veel vertrouwen heeft, denkt echter dat ze hem zijn gang moet laten gaan, hoewel de schrijver hier niet tevreden mee is. Ze bidt dat God een betere leraar zal vinden.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5587997 / 4  


Op 17 februari 1944 om 11:00 uur overleed in Amsterdam Roelof Snel, 71 jaar, kraanmachinist. Hij was geboren en woonde in Amsterdam en was de zoon van Anthonie Snel en Waria Rutveld, die beide al overleden waren. De aangifte werd gedaan door Cornelis Heere, 27 jaar, aannemer, die uit eigen kennis van het overlijden op de hoogte was.

Op 16 februari 1944 om 10:14 uur overleed in Amsterdam Talkert Bonten, 50 jaar, kantoorbediende. Hij was geboren in Rotterdam en woonde in Amsterdam. Hij was getrouwd met Alida Cattarina Cornelia Veltman en de zoon van Watthyp Pieter Bonten en Bindrika Meppelder, die beide overleden waren. De aangifte werd gedaan door Johanmis Jhiel, 37 jaar, aanspreker.

Op 16 februari 1944 om 20:30 uur overleed in Amsterdam Adriaan de Smit, 83 jaar, zonder beroep. Hij was geboren in Hellevoetsluis en woonde in Amsterdam. Hij was weduwnaar van Maria Hoppen en de zoon van Abram Johannes de Smit en Neeltje van Es, die beide overleden waren. De aangifte werd gedaan door Hermanus Antonius Hollak, 35 jaar, aanspreker.

Op 16 februari 1944 om 7:30 uur overleed in Amsterdam Barcadina Pelthuis, 49 jaar, zonder beroep. Zij was geboren en woonde in Amsterdam en was de dochter van Barend Pelthuis (overleden) en Wilhelmina Prospeul, zonder beroep, die in Amsterdam woonde. De aangifte werd gedaan door Johannes Thiel, 37 jaar, aanspreker.

Op 16 februari 1944 om 10:15 uur overleed in Amsterdam Johannes Kat, 73 jaar, zonder beroep. Hij was geboren in Schoorl en woonde in Amsterdam. Hij was de zoon van Cornelis Kat en Eeltje Koning, die beide overleden waren. De aangifte werd gedaan door Hermanus Antonius Hollak, 35 jaar, aannemer.

Op 17 februari 1944 om 20:50 uur overleed in Amsterdam Gerrit Schroot, 80 jaar, zonder beroep. Hij was geboren in Beesd en woonde in Amsterdam. Hij was weduwnaar van Geurtje Jacobd van Ravestein en eerder getrouwd met Jacoba Lantwaard. Hij was de zoon van Cornelis Schroot en Johanna Henriette van Mil, die beide overleden waren. De aangifte werd gedaan door Antoon Holmijk, 66 jaar, zonder beroep.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1931766 / 11  


Op 7 juli trouwden in Amsterdam:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2446854 / 41  


Op 15 oktober 1872 werd een lijst opgesteld met goederen en kosten voor de Artillerie en de Marine.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1924 / 0386  


In een register werden namen, beroepen en geboorteplaatsen van mensen genoteerd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 456 / 0181  


Op 6 juli 1780 verscheen Mejuffrouw Elizabeth Meuil, weduwe van Pieter van Eijsen en koopvrouw in Haarlem, voor notaris Wernerus Köhne. Zij handelde onder de firma Jacques Ménil en verklaarde:

Twee vaten blauwsel, gemerkt R N.o 73 & 74, waren op haar bevel geladen aan boord van het schip De Boertange, onder leiding van kapitein Jan Jacobz Meppelder. Het schip voer van Rotterdam naar Saint-Valery-sur-Somme. De vaten waren en bleven haar volledige eigendom tot aankomst op de bestemming of tot verkoop. Alle opbrengsten waren voor haar rekening.

Zij bevestigde dat noch de koning van Frankrijk, noch de koning van Spanje, noch enige andere persoon of organisatie uit hun gebieden of Britse of Amerikaanse koloniën enig recht op de vaten had of zou krijgen.

Daarnaast gaf zij volmacht aan de heren A & E & C: Dutilh, kooplieden in Rotterdam, om namens haar op te treden bij de schepenen.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974599 / 28  


Deze historische advertenties richten zich op verschillende bedrijven en winkels in Amsterdam en Rotterdam:

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3677037 / 308  


In 1837 werd Gouverneur-Generaal Merens geïnformeerd door Algemeen Secretaris Pors over problemen met een zending goederen die was aangevoerd met het schip Resolutie. Deze goederen waren bestemd voor het Departement van Marine, maar een deel moest teruggestuurd worden volgens een besluit van 21 januari 1837. De volgende problemen werden gemeld:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 2588 / 0261  


Op 8 juni 1820 werd een officiële akte opgesteld en ondertekend door verschillende leden van de familie Kerkhoven en twee notarissen: Willem van Homrigh en Johannes Commelin, beide werkzaam in Amsterdam. De akte ging over de afhandeling van wezen, curatele (voogdij) en onbeheerde erfenissen, zowel in Nederland als in Suriname. De ondertekenaars beloofden alles wat in deze akte stond te accepteren en na te leven, volgens de wet.

De akte werd opgesteld op de woonplaatsen van de betrokkenen. Het origineel bleef in bewaring bij notaris Van Homrigh. De ondertekenaars waren:

De akte kostte 2 revocatien (soort belasting) van ƒ2,- en werd geregistreerd in Amsterdam op 8 juni 1820 in deel 3, folium 2-3 en 5-7. Er werd ƒ4,75 betaald, inclusief 13½ cent belasting.

Op 9 juni 1820 bevestigden de notarissen Johannes Welhelmus Cramer, B. Baak en J.H. Silver dat Willem van Homrigh en Johannes Commelin indertijd indruk indrukwekkende, betrouwbare notarissen waren. Alle akten die door hen waren opgesteld, werden als geldig en waarheidsgetrouw beschouwd, zowel in als buiten de rechtbank.

Op 17 augustus 1820 werd een afschrift van de akte getoond aan S.M. Klein en geregistreerd. Een gezworen klerk, Spillenaar, bevestigde dit onder toezicht van notaris Johannes van Trigt uit Soetermeer (bij ’s-Gravenhage, Zuid-Holland).

Bij deze gelegenheid waren ook aanwezig:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 924 / 0089  


Deze tekst lijkt een onleesbare, waarschijnlijk verkeerd gescande of gecodeerde bron te zijn. Er valt geen bruikbare historische informatie uit te halen om samen te vatten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.36.22 / 889 / 0154  


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565730 / 43  


  • Op 22 augustus 1657, om 10 uur 's ochtends, verscheen Maritge Jans, weduwe van Jan Mathijsz Steen, voor een notaris in Amsterdam. Ze was ziek en lag op bed, maar was helder van geest.
  • Ze maakte een nieuwe laatste wil en schrapte alle eerdere testamenten. Ze verdeelde haar bezittingen als volgt:
  • Al haar andere kinderen (Jochum, Pieter, en Maritge Amst.) erven de rest van haar bezittingen.
  • De akte werd opgesteld in het huis van de notaris, met Jan Willemsz en Pieter Lambertsz als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936882 / 377  


Op 4 februari 1717:
  • Het kleermakersgild had klachten over het maken van militaire kleding en uitrusting voor de provinciale troepen in deze stad en andere steden van de provincie. Deze klachten waren al vaker ingebracht het jaar ervoor. De zaak werd overgedragen aan de heren gecommitteerden (vertegenwoordigers) van het gild om te onderzoeken en er verslag over uit te brengen.
  • De burgemeesters brachten een vreemde zaak naar voren: in Thiel was een juridische procedure gestart tegen Lambert Stapelkamp, die in deze stad was aangesteld als koopmansbode tussen de twee steden. De enige reden voor deze procedure was dat Stapelkamp dit ambt had aangevraagd en gekregen. De vroedschap (stadsbestuur) besloot een brief te schrijven aan het bestuur van Thiel met het verzoek om de procedure tegen Stapelkamp te stoppen. Als dat niet zou gebeuren, zou deze stad genoodzaakt zijn tot "retorsies" (tegenmaatregelen), wat onprettig zou zijn voor andere inwoners van Thiel.
Op 4 februari 1732:
  • De heren gecommitteerden voor stadsfinanciën rapporteerden dat ze de postrekening van de heer Meijer over december 1731 hadden gecontroleerd en afgesloten. De inkomsten bedroegen 1489 gulden en 12 stuivers, de uitgaven 509 gulden en 11 stuivers. Het overschot voor de stadskas was 980 gulden en 1 stuiver. De vroedschap ging akkoord met deze afhandeling en bedankte de heren.
  • Er werd een rapport gehoord over het verzoek van Abraham van der Schilden (zoon van Jan) om uitbreiding van zijn huis buiten de Tolsteeg, op grond van de stad. De vroedschap gaf toestemming om twee nieuwe kamers aan te bouwen, mits dit niet in strijd was met de voorwaarden van de erfpachtovereenkomst en alleen bedoeld was als woonruimte voor zijn gezin en bedienden.
  • Het rapport van de heren gecommitteerden voor de plantage (stadsplantsoen/landgoed) werd behandeld. De vroedschap droeg de heer Cameraer (penningmeester) op hier verder naar te kijken.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 4088715 / 64  


David Stapelkamp liep een steekwond op, ongeveer een handbreedte onder zijn lies. De wond bloedde hevig. Hij kwam alleen en zwaar bloedend bij de woning van de persoon die deze verklaring aflegt (de deponent). Stapelkamp vertelde tegen de deponent en anderen die daar aanwezig waren dat Toon Dingenman hem met een getrokken mes had gestoken. Daarna vluchtte Dingenman direct na de steekpartij. De volgende ochtend heel vroeg was Stapelkamp opnieuw bij het huis van de deponent.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11104569 / 103  


In 1668 had Jan Pou uit Thiel ruzie met zijn buurman Stapelkamp. Jan Pou noemde Stapelkamp voor de grap een "zen aluwe" (een soort scheldwoord). De ruzie liep zo hoog op dat Stapelkamp Jan Pou uit zijn huis zette. Later probeerde Jan van Helmond (een soort bemiddelaar) de ruzie te sussen. Hij zei tegen Stapelkamp dat het maar een grapje ("korstwijl") was en dat mensen elkaar wel vaker zo noemen. Maar Stapelkamp reageerde boos en vroeg of Jan van Helmond het voor Jan Pou op wilde nemen. Daarna zette hij Jan van Helmond ook uit zijn huis. Toen ze allebei buiten stonden, zei Jan Pou opnieuw dat het maar een grapje was. Daarop trok Stapelkamp een mes en stak Jan Pou twee keer: één keer in zijn been en één keer in zijn rechterarm.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11104667 / 131  


De tekst bevat een lange lijst met namen, vaak met verwijzingen naar kaarten, huwelijken ("haart" = trouwt) of geboortegegevens. Hier is een overzichtelijke samenvatting van de belangrijkste informatie: Plaatsnamen die genoemd worden: De tekst bevat veel verwijzingen naar kaarten, huwelijken en geboorten, maar zonder verdere context is het moeilijk om alle details precies te duiden. De data en cijfers lijken verwijzingen naar pagina’s, registratienummers of jaartallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.36.22 / 953 / 0125  


Op 24 maart 1910 gingen Jozef Baten (metselaar) en Gerrit Bras (vishandelaar), allebei wonend in Haarlemmermeer, naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in Haarlemmermeer. Ze maakten een officiële verkoopovereenkomst:
  • Jozef Baten verkocht twee aan elkaar gebouwde woningen met erf en grond aan Gerrit Bras.
  • De woningen lagen in Haarlemmermeer, in de polder Vyfhuizen (tegenwoordig Hoofddorp), aan een binnenweg.
  • Het kadaster kende de percelen als sectie C, nummers 2720 en 2721, samen 3 aren groot (ongeveer 300 m²).
  • De verkoopprijs was 1800 gulden.
Jozef Baten had de grond gekocht op 18 april 1895 en de huizen zelf gebouwd. Bij de verkoop golden deze voorwaarden:
  • De woningen gingen per direct over naar Gerrit Bras, inclusief alle risico’s (bijvoorbeeld schade).
  • Er zaten geen hypotheekschulden meer op het pand.
  • Alles wat aan de woningen vastzat (zoals bomen, vaste installaties) ging mee.
  • Ook rechten en plichten (zoals erfdienstbaarheden) gingen over naar de koper.
  • Als de grond groter of kleiner bleek dan 3 aren, veranderde de prijs niet.
  • Gerrit Bras nam de woningen direct in bezit.
De akte werd op 2 juni 1910 voor het eerst als officiële kopie afgegeven aan Cornelis Willem Smit, die blijkbaar een schuldeiser was. De originele akte was eerder, op 29 maart 1900, al geregistreerd in Haarlem voor 2,40 gulden aan rechten. Getuigen bij de ondertekening in 1910 waren Albert Boetje en Anne Tienstia (notarisklerk).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351778 / 138  


Deze tekst beschrijft de werkzaamheden en reiskosten van een ambtenaar in de 18e eeuw:

  • Op 16 april en 17 april wachtte de ambtenaar twee uur bij het Stadhuis voor een zaak over geconfisqueerde goederen (spullen die door de overheid in beslag waren genomen). Hij bezocht ook heer Wijnonbergen twee keer en deed verslag bij heer Fiscaal (een soort openbaar aanklager). De kosten hiervoor waren 3 gulden.
  • Op 19 december kreeg hij een brief van Brender à Brandis over een zaak in Brielle (een karrenman, iemand die paarden en wagens verzorgde). Hij schreef een antwoord en deed verslag bij de Provoost Generaal (hoofd van de militaire politie). De kosten waren 1 gulden en 10 cent.
  • Op 23 december ging hij opnieuw naar Brielle om de commandant en een predikant (dominee) te spreken. Hij rapporteerde hierover. De reiskosten en maaltijden bedroegen 134 gulden.
  • Op 27 december kreeg hij opdracht van heer Fiscaal om naar Gouda te gaan. Daar maakte hij afspraken over de opsluiting van gevangengenomen muiters (soldaten die in opstand kwamen). Hij bleef twee dagen en de kosten waren 169 gulden en 1 cent.
  • Hij huurde een wagen voor reizen naar Gouda, Wallere en Rooij (16 gulden en 10 cent), betaalde tol en veergeld (12 gulden en 27 cent) en had kosten voor maaltijden (9 gulden en 13 cent).
  • Hij organiseerde een vergadering met de Heeren Regenten (bestuurders) in Gouda, maakte een verslag en gaf dit door aan heer Fiscaal. De kosten waren 110 gulden.
  • Op 4 januari bezocht hij alle bestuurders in Gouda om goedkeuring te krijgen voor de opsluiting van de muiters. Hij rapporteerde hierover aan heer Fiscaal (110 gulden).
  • Op 5 januari kreeg hij volmacht van heer Fiscaal om een contract te sluiten met de bestuurders van Gouda over hoe de gevangen muiters behandeld moesten worden. Dit kostte 204 gulden, 16 cent en 48 cent.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11930 / 0333  


  • Op 13 september 1850 werd een officiële verkoopakte opgesteld door Johannes Leendert ter Hoffsteede, notaris in Bloemendaal (maar werkzaam voor Haarlem).
  • De verkoper, Levie Abraham Glaser (koopman uit Haarlem, Lange Veerstraat 1085), verkocht een huis met erf aan Hendricus Aalders (winkelier uit Haarlem, Valkesteeg).
  • Hendricus Aalders kocht het pand aan de oostkant van de Klerksteeg in Haarlem (kadaster: sectie D, nummer 1782, grootte: 81 ellen).
  • Het pand was eerder gekocht door Levie Abraham Glaser op 9 februari 1843 en was vrij van hypotheken of schulden.
  • De koopsom bedroeg 400 gulden, die Glaser direct ontving. Aalders mocht vanaf die dag het pand gebruiken en was verantwoordelijk voor alle belastingen (rijks- en plaatselijk).
  • De akte werd ondertekend in het huis van mevrouw de weduwe Ter Hoffstede aan het Klein Heiligland in Haarlem.
  • Getuigen waren Jan Hoomans (schilder) en Gerrit Jan Pels (schoenmaker), beiden woonachtig op Klein Heiligland 511.
  • De akte werd geregistreerd op 14 september 1850 in Haarlem (kosten: 22 gulden en 8 cent).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351566 / 147  


Op 1 september 1743 stuurden de bestuurders van Javas Oostkust (onder wie H. Verijsel, I.H. Theling, J.W. Cramer, H. Roorenaer, P. de Vos, J. Tonneman Jr. en P.J. Bangeman) een brief naar gouverneur-generaal Gustaaf Willem baron van Imhoff en de Raden van Nederlands-Indië in Batavia. Hierin meldden ze het volgende:
  • De soldaten en kanonniers die recent uit Batavia waren aangekomen, zouden vanaf 1 september 1743 kostgeld (levensonderhoud) en randsoen (extra uitkering) ontvangen, net als de troepen die buiten de stad gelegerd waren. Ze vroegen toestemming om deze uitgaven door te voeren en om versterking van extra manschappen.
  • Drie officieren werden voorgedragen voor bevordering vanwege hun verdienste tijdens onrustige tijden:
    • Carel Fleurken (luitenant) naar kapitein-luitenant.
    • Pieter Brouwer (vaandrig) naar adjudant-luitenant.
    • Christoffel Claasz. (vaandrig van de ambachtslieden) mocht in zijn huidige rang blijven, omdat hij al jaren in het vaderland bij het leger had gediend.
  • De vaandrig Jan Christiaan Mijnke en de soldaat Hendrik Niel Loon moesten vanuit Kartasoera naar Soerabaja worden gestuurd om het bataljon daar te versterken. Samen met de eerder vertrokken vaandrig Jürgen Otto Pondorp zouden zij het aantal officieren op drie brengen.
  • De kapitein van de artillerie, Frederik Cunes, moest een lijst maken met:
    • het aantal kanonniers, bombardiers, wachtmeesters, matrozen en hulpkrachten dat op elk kantoor nodig was;
    • hoeveel hij kon missen, zodat overtollig personeel naar Javas Oostkust of Calcutta gestuurd kon worden.
  • Korporaal Andries Fransz. van Greef vroeg om eervol ontslag uit dienst bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) vanwege zijn lange diensttijd. Hij wilde in Samarang blijven om zijn vak uit te oefenen.
Bij de brief zat een bijlage van 11 september 1743 uit Samarang, waarin P.S. Brenger meldde dat hij 2001 peperduiten (munten) had ontvangen, ter waarde van 450 rijksdaalders en 10 stuivers. Deze werden met het schip meegezonden naar Batavia, samen met drie Arabische gevangenen: Said Alowie, Absie Arabie van Jaman en Hadji Mohamat van Mataram, die in ketens waren geslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 7847 / 0166  


Op 8 mei 1692 verschenen voor notaris Jacob Jacobz het echtpaar Pieter Hustardt en Elisabeth de Moucheron in goede gezondheid en met heldere geest. Ze maakten een codicil (een soort testament) om duidelijk vast te leggen wie hun zaken zou regelen na hun overlijden. Ze sloten uitdrukkelijk uit dat:
  • de weesmeesters (toezichthouders op wezen) of de weeskamer (instantie voor wezen) van Amsterdam (of waar ze ook zouden wonen) zich zouden bemoeien met hun nalatenschap, kinderen of bezittingen;
  • andere rechters of instanties enige zeggenschap zouden krijgen over hun erfenis of voogdij over hun kinderen;
  • er een officiële boedelinventaris (lijst van bezittingen) zou worden opgemaakt of dat er toezicht zou komen op hun nalatenschap.
Ze wilden niet dat er kosten gemaakt zouden worden voor extra onderzoek of administratie. De langstlevende partner zou zelf de volledige voogdij en controle krijgen over de kinderen, hun nakomelingen en alle bezittingen. Als de langstlevende later zou hertrouwen of alleen zou blijven, zou deze regeling gewoon blijven gelden. Ook na het overlijden van de langstlevende zou degene die door hen was aangewezen (bijvoorbeeld een vertrouwd persoon) de voogdij en het beheer over de nalatenschap krijgen. Dit alles gold ondanks eventuele bestaande wetten of regels die hiermee in strijd waren – die verklaarden ze hiermee ongeldig voor hun situatie.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937301 / 274  


Op 26 april 1634 verscheen voor notaris Jacob Jacobs in Amsterdam: Beide waren helder van geest en bevestigden hun eerder gemaakte gezamenlijke testament van 29 maart 1626 als een soort aanvulling (codicil). Ze wilden dit testament versterken, verbeteren of waar nodig aanpassen. Daarnaast wijzigden ze hun keuze voor voogden: Mocht een van de gekozen voogden (Jacques of Moucheron) weigeren of overlijden, dan gaven ze elkaar toestemming om een geschikte vervanger te kiezen. Deze persoon kreeg dan dezelfde taak.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937279 / 488  


Op 1 november 1842 sloten Hanne Lefferts Nieuwendijk (zonder vast beroep) en Steven Berends Boersma (scheepstimmerman en knecht), beide wonend in Meppel, een koopcontract af bij notaris Warmold Lundingh Tonckens. Hanne Nieuwendijk verkocht aan Steven Boersma een stuk land (een "hof") met een zomerhuisje. Dit perceel lag aan het zuidelijk einde van Meppel, in de buurt Loogenaam de Gastunisgoven. De grenzen waren: Bij de koop hoorde ook het recht om met een ermwagen (soort kar) over het land van Jan Gerrits Kraak te rijden, langs diens huis tot aan het water. Het perceel stond geregistreerd in de kadasterlegger van Meppel als sectie R, nummer 973, met een grootte van 7 weder (oude oppervlaktemaat). Het land werd verkocht met alle rechten, plichten, lasten en waterafvoerregels die erbij hoorden. Hanne Nieuwendijk had het perceel eerder gekocht van Nicolaas van Veen en Arend de Vrieze op 16 april 1830, wat was vastgelegd in een privé-akte. Deze akte was geregistreerd in Meppel op 8 juli 1830 (kosten: 31 gulden en 32 cent). Er was niets achtergehouden of extra toegevoegd aan de verkoop. Steven Boersma nam het gekochte land direct na het tekenen van de akte in bezit, inclusief alle lokale en landelijke belastingen.
Bekijk transcriptie NL-AsnDA / 0114.54 / 20 / 0014  


Op 21 januari 1623 deden Isaack Tristeijn en Jacob Tristeijn, als voogden van de minderjarige Jan Danielsz (zoon van de overleden Daniel Henricksz en Anneken Jans, die ook erfgenaam was van Maritgen Jansz en Pieter Jansz Hoogenboom), een verzoek aan de magistraten van Gouda.

  • De andere erfgenamen wilden een stuk land met huis, schuur en ongeveer 22 morgen (14 + 8) in Steyn en Sluipick openbaar verkopen.
  • Jan Danielsz had recht op een veertiende deel, maar dit kleine aandeel was onpraktisch om te houden of apart te verkopen. Ook was er geen huurder te vinden.
  • Volgens de regels moest de minderheid (hier: Jan Danielsz) meegaan met de meerderheid, maar voor een verkoop van zijn deel was toestemming nodig.

De weesmeesters (onder wie Maerten Pietersz Verwerff, Pieter Fransz, Aert Gysbrechtsz Hoogenberch) adviseerden op 19 januari 1623 dat de magistraten de verkoop mochten goedkeuren, mits:

  • De verkoop openbaar gebeurde.
  • De magistraten het definitief goedkeurden.

De magistraten (met Willem Jacobsz Starck, deurwaarder, en zijn kinderen Jan Willemsz en Tryntgen Willemsdr) stemden in op 25 januari 1623, onder dezelfde voorwaarden. Ook een tweede verzoek (van Cornelis Pebersz) werd goedgekeurd, maar een deel voor Witte Sliede werd gewijzigd en een verzoek voor Tryden mitte magen afgewezen.

Redenen voor verkoop:

Bekijk transcriptie NL-GdSAMH / 0001 / 197 / Requestboek / 1622-1627 / Gda / 0017  


De afgevaardigden kregen de opdracht om alleen de verkoop van deelbare goederen (voor zover die verdeeld konden worden) te regelen. Volgens de instructies mochten zij niet oordelen over andere kwesties, zoals geschillen over het leen Schaesberg. Hierdoor waren de rechters niet bevoegd om verdere beslissingen te nemen, zelfs als daarom werd gevraagd.

De kwestie of Schaesberg een leen was, moest apart worden behandeld door bevoegde rechters in een algemene rechtszaak. Een eerdere beslissing hierover kon de graaf van Schaesberg niet schaden, omdat zulke uitzonderingen niet definitief waren totdat een bevoegde rechter erover oordeelde.

De goederen van Schaesberg waren inderdaad een leen onder de leenhof van Gulik (Juliers). Volgens de wetten en gewoonten van dat gebied moesten zaken over successie en dergelijke daar worden behandeld. De eerdere beslissing over de verdeling van het kasteel Schaesberg was dus ongeldig, omdat:

  • de rechtbank van Limburg hier niet over mocht oordelen;
  • de rechtbank niet bevoegd was voor lenen zoals Schaesberg;
  • de partijen zich niet aan de beslissing hielden (en dat mochten ze, omdat deze onterecht was genomen).

Een zaak die al voor de hoogste rechtbank van Brabant liep, kon niet zomaar naar een andere rechtbank worden verplaatst. Bovendien kon een beslissing van gedelegeerde rechters nooit als definitief worden gezien, omdat hun bevoegdheid beperkt was. Voor een geldige uitspraak was instemming van beide partijen nodig – maar die was er niet, omdat de graaf van Schaesberg bezwaar had gemaakt (26 november 1747).

Uit een verklaring van de hertog van Gulik (2 mei 1799) bleek dat de vermeende verdeling nooit was goedgekeurd. Ook in een verzoek aan de regering in Brussel (23 mei 1799) werd de eerdere uitspraak niet genoemd. Hieruit bleek dat de verdeling alleen gold voor vrije goederen (allodiale goederen), niet voor de lenen van Gulik.

Bovendien hadden de partijen na de uitspraak zelf een minnelijke regeling getroffen buiten de rechtbank om. Hierdoor verviel niet alleen de eerdere beslissing, maar ook de zaak die bij de Raad van Brabant liep. De huidige heer van Schaesberg had nooit ingestemd met een verdeling van de lenen onder Gulik.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11643 / 0154  



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/