Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
- Op 22 oktober 1676 verklaren Jacob Claesz Vlotschuijt (47 jaar, sjouwer) en Hendrick Martensz (50 jaar, sjouwer), beide uit Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat zij namens schipper Pieter Goudschaal (kapitein van het schip Livorno) hebben gelost en gecontroleerd:
- Op 14 augustus 1676: 3 balen "boven turx garen" (nummers 51 en 50) voor David Hage, uit de lichter (klein vrachtschip) van Andries Jansz.
- Op 13 augustus 1676: 1 baal (nummer 4).
- Op 17 augustus 1676: 1 baal (nummer onvermeld).
- Op 26 augustus 1676: 1 baal (nummer 58).
De balen met Turks garen bleken bij lossen beschadigd en nat te zijn. Hendrick Martens bevestigt dat hij en andere sjouwers (inclusief een schippersknecht) enkele natte balen hebben gedroogd en hersteld. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Knophoff en Jan Barden.
- Op 21 oktober 1676 verklaren vier bemanningsleden van het schip Livorno voor notaris Jacob van Loosdrecht:
Zij bevestigen dat het schip op 8 juni 1676 vanuit Texel aankwam. Op 10 of 11 juni 1676 kwam schipper Andries Jansz (van een mastlichter/smack) aan boord om goederen over te nemen, waaronder zijde, Turks garen en palhout. Deze goederen waren droog en in goede staat, zonder vocht- of beschadigingsschade. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Camphoff en Jan van Aris.
- Op 21 oktober 1676 verklaart Roemer Jacobsz, kuiper in Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat hij zich herinnert dat de vis die van Tongeren aan Lips verkocht, lag opgeslagen in het tweede pakhuis (linkerkant, binnenkomend) van het dertigste pakhuis. Hij kan zich dit niet precies herinneren door ziekte of "kortheid" (gebrekkig geheugen).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936897 / 237
- Op 21 juli voer het schip door het Kanaal van Negroponte (nu: Euboea). Door zware storm en tegenwind moest het op 24 juli ankeren in de haven van Folo (mogelijk: Volos, Griekenland).
- Op 26 juli vertrok het schip na het weer wat verbeterd was en kwam dezelfde middag aan op de rede (ankerplaats) van Smirna (nu: İzmir, Turkije). Daar verankerden ze het schip met twee dikke touwen.
- Op 28 juli lossen ze de lading die ze in Marseille hadden ingenomen. Op 2 en 3 maart verwijderden ze de ballast (zwaar materiaal voor stabiliteit) en begonnen met het laden van nieuwe goederen.
- Tot 19 mei laadden ze het schip met:
- katoen
- houtstammen
- zijden pluizen (ruwe zijde)
- aluin (mineraal voor textielverven)
- palmhout
- rozijnen
- andere stukgoederen (losse lading)
- De lading werd goed gestouwd (ingepakt) en het schip was waterdicht. De pompen werden gecontroleerd en het luik (opening in het dek) werd afgedekt met zeildoek. Op 20 mei vertrokken ze uit Smirna.
- In de Middellandse Zee hadden ze soms onweer, maar meestal rustig weer. Bij de Straat van Gibraltar was er veel tegenwind en storm. Op 16 juli kwamen ze in de Spaanse Zee (westelijk deel van de Middellandse Zee).
- Op 2 augustus kregen ze veel water over het schip door hoge golven. Daarna volgden zware wind en hoge zeeën, waardoor het schip moeizaam voer. Op 30 augustus kwamen ze in Het Kanaal (vermoedelijk: Het Kanaal/Engelse Kanaal).
- Op 3 september kwamen ze aan bij Texel. Het schip werd geïnspecteerd en moest in quarantaine (afzondering om ziekten te voorkomen). Ze wachtten op verdere instructies van de Admiraliteit (marinebestuur).
- Op 8 september kregen ze bezoek van een luitenant en een hellebaardier (bewaker met wapen) van de Admiraliteit van Amsterdam. Ze mochten een deel van de lading lossen in Texel om te luchten (ventileren).
- De bemanning laadde op 8 september een eerste lichter (klein vrachtschip) met katoen en zijden pluizen. De hellebaardier ging mee op de lichter, de luitenant bleef aan boord.
- Op 9 september volgde een tweede lichter met dezelfde goederen. Een derde lichter werd geweigerd omdat het schip anders te zwaar beladen zou zijn.
- Op 10 september kregen ze toestemming om met het schip en de twee geloste lichters naar Durgerdam (bij Amsterdam) te varen. Ze vertrokken en ankerden die avond bij De Kreupel (ondiepte bij Texel).
- Op 11 september voeren ze verder en ankerden ’s avonds in de Kwil van Marken (vaargeul bij Marken).
- Op 12 september passeerden ze Pampus (eiland in het IJsselmeer) en ankerden in de bocht van Durgerdam.
- Op 17 september kregen ze ’s avonds opdracht van de Admiraliteit om naar Amsterdam te varen en daar te lossen. Op 18 september lichtten ze het anker om de reis voort te zetten.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486081 / 141
Enno Lodewijk, graaf van
Oost-Friesland, schrijft op
2 mei 1654 dat hij en de
Landsstanden (vertegenwoordigers van het gebied)
niet van plan zijn om bestaande afspraken en landverdragen te verbreken. Hij beschuldigt zijn tegenstanders ervan onder het mom van "onderhandelingen" eigenbelang na te jagen. Hij vraagt de ontvanger (waarschijnlijk de
Staten-Generaal of een hoge functionaris) vriendelijk om hem te blijven steunen totdat de zaak duidelijk is.
Op
16 juni 1654 schrijven de
burgemeester en raad van Emden dat ze eerder al twee brieven stuurden (
5 mei 1654) over hun zorgen. Uit
Regensburg (waar het keizerlijk hof zit) komt nieuws dat hun vijanden via rechtszaken druk uitoefenen en beweren dat dit met
toestemming van de ontvanger gebeurt. Ze zijn bang dat de afspraken worden verbroken en vragen om
70.000 gulden om hun verdedigingswerken te versterken. Ze waarschuwen dat als er niets gebeurt, jarenlange inspanningen voor niets zijn geweest.
De
Stad Emden reageert ook op een verzoek van
23 maart 1654 over
kaasconvooien (belasting op kaastransport). Ze vinden het onnodig om
alle kaas als "kanterkaas" (een zoute, hardere kaassoort) te belasten, zoals het
Collegie van Rotterdam voorstelt. Volgens hen kunnen douaneambtenaren makkelijk het verschil zien tussen zoute en zoete kaas, en het gewicht controleren. Andere steden hanteren deze regel ook niet, dus ze snappen niet waarom
Rotterdam dit wel wil.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11122 / 0338
Op 10 augustus 1854 trouwden in Amsterdam twee stellen:
Jacobus Johannes Kreek, 23 jaar, kantoorbediende, geboren en wonend in Amsterdam, zoon van Bartholomeus Johannes Kreek (onderwijzer) en de overleden Christina Johanna van Heereveld, trouwde met Grietje de Lezenne Coulander, 30 jaar, zonder beroep, geboren in Rotterdam en wonend in Amsterdam, dochter van Willem de Lezenne Coulander (letterzetter) en Christina Petronella Ioscani. De vader van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen vonden plaats op 8 en 15 augustus 1854 in Amsterdam zonder bezwaren. De ambtenaar van de burgerlijke stand bevestigde het huwelijk na hun toezegging om trouw te blijven. Getuigen waren:
- Jan Jacob van Hartingsveld, 30 jaar, zinkograaf en zwager van de bruid, uit Amsterdam;
- Jan Westerveld, 21 jaar, kantoorbediende, uit Amsterdam;
- Franciscus Opdam, 32 jaar, koopman, uit Amsterdam;
- Jan Brouwer, 58 jaar, loodgieter, uit Hilversum.
Op dezelfde dag trouwde ook Johannes Marinus ten Broek, 29 jaar, wachtmeester, geboren in Amsterdam en wonend in Haarlem, zoon van de overleden Benjamin ten Broek en Catharina Elisabeth Crouwel, met Hendrikje Koopman, 26 jaar, zonder beroep, geboren in Steenwijk en wonend in Amsterdam, dochter van de overleden Hendrik Koopman en Aaltje van Agteren. De moeder van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen waren op 21 juli 1854 in Haarlem en Schoten en op 1 augustus 1854 zonder bezwaren. Na hun belofte van trouw verklaarde de ambtenaar hen wettig getrouwd. Getuigen waren:
- Joseph Crouwel, 52 jaar, oom van de bruidegom en timmerman, uit Amsterdam;
- Hendrik Stigter, 50 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Koch, 32 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Breek, 30 jaar, makelaar, uit Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335526 / 39
-
De volgende personen vertrokken met het schip Indrapura uit Nederland:
-
Johannes Vences Lans, geboren op 12-13-1800 in Doornbos, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: St. Jacobi Parochie.
-
Jacob Rabbedijk, geboren op 18-16-04 in Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Pannerden.
-
Anthonius Corne Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Zutphenland.
-
Johannes de Bruin, geboren op 17-24-15 in Schiedam, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Gabriel Bernardus Kroon, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Ambarawa.
-
Hendrik van Bldert, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Appingedam.
-
Hendrikus Rans, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Den Helder.
-
De volgende personen vertrokken ook met het schip Indrapura:
-
Antonie Johannes Brienesse, geboren op 18-16-16 in 's-Gravenhage, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Leendert Bastiaan Snaauw, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: 's-Gravenhage.
-
Hubertus Joseph Herbergs, geboren op 16-23-08 in Utrecht, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Jacob van der Wilk, geboren op 12-01, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Cornelis Adrianus Bosch, geboren op 12-5, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Broeksittard.
-
Alfred Pieter de Li, geboren op 11-15, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Dubbeldam.
-
Jacobus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Gerrit Jan Ossewaarde, geboren op 19-16-10, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1838.
-
Johannes Valk, geboren op 2-1-1815, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schravenhage.
-
Maria Lotten, geboren op 10-20-1, vertrok op 19-9-1852.
-
Isbertus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schiedam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 484 / 0041
Willem Rido en
Pr. Quick maken op
1 februari 1633 in
Amsterdam een afspraak om een geschil binnen een week op te lossen. Ze beloven zich aan de uitspraak te houden en eventueel geld terug te betalen. Als ze zich niet aan de afspraak houden, verliezen ze hun recht op verdere claims. Beide partijen zetten hun handtekening met getuigen
Albert Pietersen van der Veer en
Pieter Ride (als notaris).
Op
26 mei 1652 maken
Matheus Butler en
Jacob Claesz Ruts, beide kooplieden in
Amsterdam, een geheime overeenkomst over de handel in
soedthout (kurk) uit
Spanje. Ze spreken af dat:
- alleen zij of Jacobus Buber (de broer van Matheus Butler) deze handel mogen drijven;
- als Matheus Butler geld voorschiet en Jacob Claesz Ruts zijn helft niet betaalt, Ruts 5% rente per jaar moet betalen vanaf de datum van voorschot;
- ze het geheim moeten houden; wie het verraadt, moet 5000 pond Vlaams betalen als boete;
- de overeenkomst 10 jaar geldt en na overlijden van een van beiden, hun nabestaanden mogen meedoen als ze dat willen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 67
- Op 26 mei 1653 sluit Jan Adriaensz Groen, een vetkoper in Amsterdam, een overeenkomst met Barent Jansz Backer, een bakker op de hoek van de Prinsenstraat en de Keizersgracht.
- Barent Jansz Backer neemt Sybrandt Jansz van Woude voor 2 jaar in dienst als bakkersleerling, startend op 8 mei 1653.
- Tijdens deze periode moet Sybrandt Jansz van Woude zijn meester trouw en gehoorzaam helpen en hard werken als een goede leerling.
- In ruil hiervoor krijgt Sybrandt Jansz van Woude gratis onderdak, eten, drinken, wassen en stijven van kleding. Daarnaast ontvangt hij in het tweede jaar 50 Carolus gulden (een soort munt).
- Als Sybrandt Jansz van Woude ziek wordt en daardoor niet kan werken, moet hij de gemiste tijd later inhalen.
- Barent Jansz Backer belooft om Sybrandt Jansz van Woude alles te leren over het bakken van brood, zonder iets achter te houden.
- Beide partijen gaan akkoord met deze afspraken en beloven zich eraan te houden. Ze ondertekenen de overeenkomst in Amsterdam op 26 mei 1653.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 68
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936861 / 17
Op
5 juli 1652 werden
Jan Poolman (een begrafenisuitnodiger van ongeveer 30 jaar) en
Joannes Swaen (een witwerker van ongeveer 27 jaar), beide woonachtig in
Amsterdam, door notaris
Nicolaas Kruijs opgeroepen als getuigen. Zij moesten aanwezig zijn bij een overeenkomst tussen
Matheus Butler (een koopman) en
Joan Schouwenburgh in de herberg achter de oude kerk in
Amsterdam, waar het uithangbord
Emaus hing.
De getuigen bevestigden dat:
- Het contract door notaris Nicolaas Kruijs hardop, duidelijk en volledig werd voorgelezen.
- Zowel de betrokken partijen als de getuigen tekenden de akte.
- Beide partijen aangaven vrijwillig akkoord te gaan en tevreden te zijn met de afspraken.
- Er geen bezwaar of tegenwerpingen waren van een van de partijen.
Op
2 oktober 1652 ging notaris
Nicolaas Kruijs samen met twee getuigen naar
Casper van de Veen, een koopman in
Amsterdam. Namens
Mathijs Verhaegh maakte de notaris het volgende bekend:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936831 / 250
Maria Harmans, een 44-jarige weduwe van
Jan de Vos, woonachtig in
Amsterdam, verklaarde op
13 februari 1662 voor notaris
Pieter van Buijten en getuigen het volgende:
- In 1653 voer zij met haar man naar Engeland. Tijdens die reis werd hun schip, dat uit Cádiz kwam, onderschept door een Engels oorlogsschip. Nederland en Engeland waren toen in oorlog.
- Haar man gaf haar in Gravesend (een plaats in Engeland) een zak met 200 munten van 18 stuivers (dus 180 gulden in totaal). Hij had deze gespaard en wilde niet dat het geld in handen van de vijand viel.
- Zij verstopte het geld onder haar kleren, dicht bij haar lichaam, zodat het niet gevonden zou worden tijdens controles.
- Toen ze een stuk de rivier af waren en dachten dat er geen controles meer zouden komen, haalde zij het geld tevoorschijn. Ze legde het in de kajuit van de schipper om even te rusten.
- Kort daarna kwam er toch een inspectieteam aan boord. Ze vonden het geld en namen de 180 gulden in beslag. Zowel Maria als haar man kregen niets terug.
- Ze verklaarde dit onder ede en beloofde, als dat nodig was, haar verhaal nogmaals te bevestigen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937062 / 271
Op 28 juli 1676 verscheen Cornelia Butler, een vrouw van ongeveer 50 jaar en echtgenote van Fredrick Lodewijcx, voor notaris Adriaan Lock in bijzijn van getuigen. Op verzoek van koopman Matheus de Haes vertelde zij onder ede het volgende:
- In mei 1674 ging zij met De Haes en diens vrouw naar een kelder op de Oude Schans in de stad om daar mee (bier) te proeven.
- Daar was ook een Duitse Jood, Mathan Swael (zo noemde Butler hem toen), die hun wat van zijn mee liet proeven. Die bleek van slechte kwaliteit.
- De Haes wilde de mee niet kopen of als betaling voor een schuld aannemen.
- Swael vroeg toen aan De Haes om geduld: hij verwachtte binnenkort een partij goede witte mee, waar zelfs een ambtenaar ("Officier") in geïnteresseerd was. Hij beloofde De Haes daarvan ook mee te geven.
- Butler hoorde ook dat De Haes Swael dringend vroeg om te betalen voor harpuijs (een soort vis) die hij aan hem had verkocht en geleverd.
- Swael nam dat verzoek aan en beloofde te betalen. Hij zei tegen De Haes: "Je zult geen cent tekort komen, ik zal je eerlijk en volledig voldoen."
- Tot slot bevestigde Butler dat De Haes uiteindelijk wel ongeveer 24 mingelen (emmers) van de slechte mee van Swael kocht en ontving.
Zij verklaarde dit te weten omdat ze erbij was.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965491 / 201
Matheus Butler had goederen van zijn broer (de
insinuant, dus de eiser) verkocht op bevel van de rechtbank. Op
24 april 1552 liet de eiser echter zonder reden arresteren en gevangenzetten in een herberg in
Amsterdam, wat zijn eer en reputatie schaadde.
De eiser vraagt om:
- direct vrijgelaten te worden,
- vergoeding voor de kosten en schade,
- de rekening van de verkochte goederen (door Matheus Butler) overhandigd te krijgen,
- een officiële garantie (borgtocht) van de Hof van Holland dat alles correct is afgehandeld.
Als dit niet gebeurt, zal de eiser via de notaris officieel protest aantekenen tegen:
- de onterechte gevangenneming,
- de schade aan zijn naam en eer,
- alle gemaakte kosten, schade en rente.
De tegenpartij (de
geminueerde, dus de gedaagde) reageert:
- eerst een kopie van het verzoek en de borgtochtakte willen zien,
- de rekening alleen accepteren als deze ondertekend is.
Dit alles vond plaats in
Amsterdam op
26 april 1552, in aanwezigheid van de getuigen
Johannes van Hel en
Jacob Cloek. Bij de zaak hoort ook een lijst met facturen en rekeningen van goederen die zijn losgemaakt voor onder anderen
Jacob Ruts en
Pieter Temminck.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936831 / 102
Op 6 april 1660 verscheen Jan Butler, koopman in Amsterdam, voor een notaris. Hij gaf Hartman de Coster een officiële volmacht om namens hem op te treden. De Coster mocht:
- Als vertegenwoordiger optreden bij de rechtbank in Rotterdam.
- Eisen dat François en Wit (wonend in Belle, Vlaanderen) een schuld betaalden die voortkwam uit een eerdere overeenkomst over een schip.
- Actie ondernemen tegen eventuele andere schuldenaren, zoals Matheus Hardeman en Loduwijcq Pijlser, als die weigerden te betalen.
- Zelf een vervanger (substituut) aanwijzen als dat nodig was.
Jan Butler beloofde dat alles wat De Coster of diens vervanger in deze zaak deed, bindend was. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van getuigen: Roeloff Roelofsz, Johannes van den Hoven en Cornelis Hallius.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936836 / 374
Op 19 maart 1655 ging het om een bedrag van 2400 gulden.
Op 14 mei 1658 verscheen Pieter van Buijtend, notaris in Amsterdam, samen met getuige Albert Lemmerman, een koopman uit dezelfde stad. Lemmerman verklaarde officieel dat hij alle rechten en claims afstond aan Thielman Denckel, een koopman uit Hamburg.
Deze rechten kwamen uit een eerdere overeenkomst van 3000 gulden, waaronder een lening van 2900 gulden. Deze lening was door Jacob Claesz Ruts gegeven aan Matheus en Jacob Butler. Dit was vastgelegd door notaris Alart Eggericx en getuigen in Amsterdam. Het geld diende als zekerheid voor een wisselbrief van 1400 daalders die Ruts had gegeven aan Thielman Henckel. Deze wisselbrief was geaccepteerd maar niet betaald, ondanks protest.
In deze overeenkomst zat ook een eerdere overeenkomst van 11 november 1654, waarbij Ruts opnieuw geld had geleend aan Matheus en Jacob Butler. Lemmerman bevestigde dat hij niets van dit geld had ontvangen.
Hij verklaarde dat Thielman Henckel hem volledig had betaald. Daarom droeg Lemmerman alle rechten en claims over aan Henckel. Hierdoor kon Henckel zelf het geld opeisen en ontvangen, als dat nodig was.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937043 / 440
Claes Jansz Clopper werd door een notaris gevraagd of hij bij zijn woorden bleef die hij
zondag in de
Nieuwe Kerk in
Amsterdam had gezegd. Hij had toen, waar veel mensen bij waren, zijn eigen zoon beledigd. Hij noemde
Matheus Butler een
"schelm",
"dief",
"sodomieter" en
"de slechtste persoon uit de hele stad". Hij zei dat hij dit kon bewijzen en herhaalde zijn beschuldigingen zelfs voor de notaris en getuigen.
Zijn zoon liet weten dat hij hiertegen juridische stappen zou ondernemen en schadevergoeding zou eisen voor alle kosten en schade die hij hierdoor had geleden en nog zou lijden.
Toen
Claes Jansz Clopper dit hoorde, zei hij alleen:
"Ik zal het hem wel persoonlijk zeggen."
Dit gebeurde op
26 juli 1659 in
Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen
Jan van den Hoven en
Cornelis Hallius.
---
In een andere zaak, voor notaris
Nicolaes Kruijs (die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam), kwamen
Jacob Basson en
Johannes van Hell (beide kooplui uit
Amsterdam).
Zij gaven
Evert van Hell de officiële machtiging om hun belangen te behartigen in een rechtszaak op
Malakka (een plaats in Azië) of elders.
Evert van Hell mocht hen verdedigen, zowel binnen als buiten de rechtbank, tegen wie dan ook, en mocht zelf ook weer iemand anders aanwijzen om hem te vervangen. Zij beloofden alles te accepteren wat
Evert van Hell (of zijn vervanger) in deze zaak zou doen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936836 / 175
Deze tekst is een lijst van juridische handelingen uit een notarieel register. Het gaat om verschillende soorten documenten die in de 17de eeuw in Amsterdam zijn opgesteld. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste gegevens:
De documenten zijn op naam van verschillende personen en bevatten onder andere:
- Protesten
:
Jan Appelman doet een protest op folio 8, 50, 27 en 353.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936834 / 4
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936835 / 201
In een oude lijst uit 1879 staan namen, beroepen en woonplaatsen van mensen die grond of eigendommen kochten of als borg optraden. De bedragen staan in guldens en centen.
De volgende personen worden genoemd:
Ook staan er namen van kopers en borgstellers, met hun bijdragen aan het transport (een soort belasting of kosten voor de overdracht):
- Lambertus Wiltink (bouwman) en Gerrit Jan Bosveld (bouwman), beide uit Epse onder Gorsel, voor 23 gulden en 26 cent.
- Berend Willem Otterloo (schoenmaker) uit Wilp voor 18 gulden en 21 cent.
- Jan Harms (dagloner) uit Wilp op Den Bult voor 18 gulden en 26 cent.
- Gerrit Jan Lyrman Acht (kastelein) en Hendrikus Wolters (koopman), beide uit Deventer, voor 27 gulden en 24 cent.
- Lammert Dorks en Johannes Klokman, beide dagloners uit Wilp Acht, voor 26 gulden.
- Gradus Blom en Jannes Aalpoel, beide landbouwers uit Wilp op Den Apeldoom, voor 20 gulden.
- Derk Vorderman en Jan Jans, beide boeren uit Wilp, voor 25 gulden en 26 gulden.
Het totale transportbedrag was 1087 gulden.
In een tweede lijst staan opnieuw kopers en borgstellers met hun bijdragen, ditmaal voor een totaalbedrag van 1349 gulden:
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 1394 / 0399
Op 3 juli 1718 maakte Reinier La Cle Coopman uit Amsterdam twee arbeidsovereenkomsten op basis van schriftelijke opdrachten van anderen:
De eerste overeenkomst was namens Jean en Paulus Jamesz Coopluyden (kooplieden in Moskou) met Hendrik Deeker (linnenwever) en Jan Koster (servet- en beddengoedwever). Zij zouden:
- met het eerste schip naar Archangelsk en vervolgens Moskou reizen;
- daar hun vak uitoefenen onder leiding van de gebroeders Coopluyden, met inzet en gehoorzaamheid;
- gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (Moskovitisch geld) per maand.
- gratis vervoerd worden van Amsterdam naar Moskou (via Archangelsk);
- voorschot ontvangen: 90 gulden (voor 2 maanden, berekend als 41 gulden per maand), vanaf aankomst in Archangelsk;
- een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.
- Na 2 of 4 jaar konden de Coopluyden het contract verlengen of de werknemers (of één van hen) terugsturen naar Nederland, kosteloos.
Deeker en
Koster moesten hun vak goed kunnen uitoefenen en opdrachten van de
Coopluyden opvolgen.
De tweede overeenkomst was namens Jean Tamesz (koopman in Moskou) met Jan Mathijsz van Tocht (linnenpakker uit Haarlem). Van Tocht zou:
- met het eerste schip naar Sint-Petersburg of Archangelsk reizen;
- daar werken voor Tamesz als "valler" (sorteren, controleren, tellen en openmaken van linnen en servetten);
- gratis vervoer heen en terug krijgen (na afloop dienst);
- gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (45 gulden) per maand (12 maanden per jaar);
- een voorschot ontvangen van 90 gulden (na aankomst, als het "Tessel"-schip vertrokken was);
- een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843067 / 37
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975425 / 249
Op
14 augustus 1674 verscheen
Adriaen Lock, notaris, in aanwezigheid van de ondergetekende getuigen
Pieter Uijlenburch (schipper en eigenaar van het schip
Het Wapen van Spanje) en
meester Naest Godt.
Pieter Uijlenburch verklaarde dat hij van
Nino da Costa d’Andrada, koopman in
Amsterdam, een lening had ontvangen van
625 carolusguldens (elk ter waarde van 20 stuivers).
Deze lening was bedoeld als
bodemmerij (een soort risicovolle lening voor schepen) voor zijn schip, inclusief rompschade, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor de reis van
Amsterdam naar
Cádiz (in
Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen. De risico’s van de zeereis (zoals schade of verlies) waren voor rekening van de geldschieter, vanaf de datum van deze akte totdat het schip veilig in
Cádiz aankwam.
Pieter Uijlenburch beloofde dat hij, als het schip veilig aankwam, binnen
14 dagen na aankomst in
Cádiz het volgende zou betalen:
- Niet de oorspronkelijke 625 gulden, maar het equivalent in Spaans geld (omdat Nederlands geld in Spanje niet gangbaar was).
- Hij moest 350 stukken van acht (Spaanse zilveren munten) betalen aan Niclaes Schellingwou (die afwezig was) via Diego Butler.
- Als hij in goud kon betalen, moest hij het verschil tussen goud en zilver extra bijbetalen.
Als onderpand voor deze afspraak zette
Pieter Uijlenburch in:
- Zijn schip (inclusief romp, uitrusting en alles wat erbij hoorde).
- De opbrengst van de vracht die hij zou verdienen.
- Zijn persoonlijke bezittingen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965489 / 440
Op
23 mei 1551 stonden
Johannes van Hel en
Jacob Basson als getuigen bij
Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam. Samen met de getuigen ging de notaris naar
Jurian Boekaert, namens
Jan Butler.
Jan Butler liet via
Jurian Boekaert een officiële mededeling doen, die was opgesteld door de notaris.
De boodschap was namelijk:
Jan Butler handelde namens
Jeremias Hagens en zijn bedrijf, een handelsfirma in
Antwerpen. Dit bedrijf had een Spaanse wisselbrief (een soort betaalopdracht) van 800 dukaten, getekend door
Twillen Fredricx Volcomer en
Diego Butler in
Vilien. Deze wisselbrief was bestemd voor
Jurian Boekaert en had een waarde van 410 pond Vlaams geld (uit
Antwerpen), wat overeenkwam met 415 pond, 2 schellingen en 6 grooten in
Amsterdamse valuta, inclusief 1,25% kosten.
Het bedrijf had
Jurian Boekaert gevraagd de wisselbrief door te sturen, zodat zij het geld konden innnen. Ze hadden al 284 pond en 18 schellingen Vlaams betaald aan
Hendrick Bertels, zoals was afgesproken. Nu bleef er nog een openstaand bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten in
Amsterdamse valuta over. Volgens het bedrijf ontbraken er nog ongeveer 4 pond Vlaams geld.
Jurian Boekaert was al 10 of 12 dagen eerder door
Jan Butler gevraagd om het resterende bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten te betalen. Nu herhaalde
Jan Butler dit verzoek namens het bedrijf.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936830 / 382
Jacobus Alias Diego Butler had een aantal handelsrekeningen lopen, zoals:
- hoeden en gallonnen (een soort stof) ontvangen van Pr. Rootha, die werkte als vertegenwoordiger voor de rozijnenhandel van Corven Corff;
- een rekening van Otto Jeuriaensz voor ontvangen goederen;
- goederen die waren gelost (uitgeladen) in Malaga;
- goederen die voor de helft in "compagnie" (samenwerking) waren gelost in Matril;
- 10 vaten olie, ontvangen via een vertegenwoordiger van De Slopen;
- een rekening van messen die in Seville waren gelost en verkocht.
Deze goederen waren verkocht en hadden winst opgeleverd volgens de afspraken die
Matto Butler (de broer van
Jacobus) of zijn gemachtigde had gemaakt.
Jacobus zou deze goederen en winsten overdragen zoals zijn broer ze aan hem had gegeven.
Op
26 april 1652 verscheen
Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam, samen met twee getuigen:
Jan Butler en
Mattheus Butler (beide kooplieden in
Amsterdam die de notaris kende).
Jan en
Mattheus Butler beloofden gezamenlijk en ieder apart borg te staan voor
Jacobus Alias Diego Butler, in een zaak aangespannen door
Jacob Claesz Ruts. Dit was nodig omdat
Ruts een rechtszaak wilde beginnen tegen
Butler bij de
Heren Radens over Holland, Zeeland en West-Friesland. De borgstelling gold voor een vonnis dat mogelijk zou volgen uit een arrestbevel dat
Ruts al had verkregen op
16 april 1652.
Jan en
Mattheus beloofden het vonnis direct te betalen als dat nodig was, zonder verdere discussie. Ze stelden al hun huidige en toekomstige bezittingen als zekerheid en gaven hun rechten op bepaalde juridische voordelen (zoals het recht om eerst hun eigen schulden af te handelen) op. Ze gingen akkoord met de voorwaarden en vroegen de notaris om dit vast te leggen in een akte. Dit gebeurde in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936831 / 103
Adriaen Lock, notaris, noteerde op
5 oktober 1671 in aanwezigheid van de getuigen
Pieter Jansen Loos (schipper en mede-eigenaar) dat deze een bedrag van 500
carolusguldens (à 20 stuivers per stuk) had ontvangen van
Josep Seutteno, een koopman uit
Amsterdam.
Dit geld was een lening (
bodemarie, een soort risicovolle scheepslening) voor het schip
De Constantia, inclusief de rompkiel, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor een reis van
Amsterdam naar
Cádiz (in
Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen.
De risico’s en gevaren van de zeereis (zoals schade of verlies) waren vanaf de datum van deze akte voor rekening van de geldschieter. Deze risico’s golden totdat het schip veilig in
Cádiz was aangekomen en het anker had laten vallen.
Na een veilige aankomst moest
Pieter Jansen Loos binnen 14 dagen het geleende bedrag van 500 guldens
plus 12% rente (12 gulden per 100) terugbetalen aan
Diego Butler (afwezig) of diens vertegenwoordiger
Luis de Victoria. De terugbetaling moest plaatsvinden in goede, gangbare
stukken van acht (een soort munten) en
kosteloos (zonder extra kosten voor de geldschieter).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965399 / 244
Op 16 januari 1905 verscheen Johan Jozef Wiertz, mijnwerker uit Rhewement (gemeente Herkrade), bij notaris Setuw Toeehuns Cubortue Moors in Rerkrade. Hij verklaarde dat hij een huis met mestplaats, tuin en schuur in Cheivemont (ook Herkrade) had verkocht aan Johan Jozes Wetzelaer, eveneens mijnwerker en getrouwd met Maria Agnes Wechseler.
Het perceel was 3 are en 45 centiare groot (kadastraal bekend als sectie B, nummer 4400). De laatste eigendomsakte dateerde van 1 juli 1900 en was ingeschreven in Maastricht op 13 juli 1900 (register deel 875, nummer 92). Beide partijen bevestigden dat het perceel vrij was van schulden.
De verkoopprijs bedroeg 670 gulden, met de volgende afspraken:
- De grondbelasting was vanaf 1 januari 1905 voor rekening van de koper.
- De koper kreeg het bezit van het perceel op 1 januari 1905.
- De koper moest de koopsom binnen 14 dagen betalen bij de notaris.
De betrokkenen en getuigen – Frans August Hoekstenbach (notarisklerk) en Nicolaas Gibbels (zonder beroep, uit Kersrade) – waren bekend bij de notaris. Na voorlezing tekenden allen de akte in Herkrade op 16 januari 1905.
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9213 / 0025
Volgende pagina