Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
- De West-Indische Compagnie (WIC) had regels voor schepen die van Curaçao naar Nederland voeren. Deze regels stonden in een speciale overeenkomst, de akte van cautie, die door reders en schippers getekend moest worden voor vertrek.
- Volgens deze overeenkomst moesten particuliere schepen die van Curaçao vertrokken:
- de tiende last (een soort belasting op vracht) gratis vervoeren óf
- als dat niet lukte, 30 gulden per last betalen aan de WIC.
- De WIC ontving klachten dat deze regels niet goed werden nageleefd. Schepen betaalden soms te veel (bijvoorbeeld 60 gulden per last in plaats van 30) of helemaal niets, wat de WIC schade berokkende.
- De WIC had al eerder, op 3 augustus 1690, een voorbeeld van zo’n akte van cautie gestuurd (ondertekend door schipper Cornelis Pijl van het schip Christina). Toch bleven er problemen bestaan.
- De WIC herhaalde nu nogmaals de instructies:
- De regels moeten strikt gevolgd worden.
- Als schepen de tiende last niet gratis vervoeren, moeten ze 30 gulden per last betalen – niet meer, niet minder.
- Deze afspraken gelden voor alle particuliere schepen die van Curaçao naar Nederland varen.
- De WIC wees erop dat de benodigde documenten (zoals de akte van cautie) al in 1686 waren meegegeven aan een zekere Cornelis Iacobsz: Bervoets, schipper van het schip Elias Offerhanden.
- De WIC eiste dat de lokale bestuurder op Curaçao de regels beter handhaafde en foutieve betalingen (zoals die van schipper Pieter Dircksz) zou corrigeren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 469 / 0095
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1911479 / 18
Op 6 juli 1686 maakte Hermijn van Campen in haar huis in Oosterhout een officiële regeling over haar bezittingen. Ze bepaalde dat deze regeling de enige geldige was en alle eerdere afspraken vervielen. De volgende personen waren hierbij als getuigen aanwezig: Geerit van Rijck, Cornelis Janssen Bervoets, Cornelis Roeffens, Corstiaen Brouw en Cornelis Reet. Hermijn van Campen kon niet schrijven en zette daarom alleen een handtekening-achtig merkteken.
Op 28 juli 1686 stelden Bartholomeus Willem Meeussen en zijn dochter Willemijntje Bartholomens Willemssen (bijgestaan door Margriet Joost Cornelis) in hun huis in Oosterhout een testament op bij notaris Cornelis van Vorssel. Ze waren allebei gezond en helder van geest. Omdat het leven onzeker is, wilden ze vastleggen wat er met hun bezittingen moest gebeuren na hun dood.
- Als Bartholomeus als eerste overlijdt, erft Willemijntje al zijn bezittingen (huis, meubels, grond, geld, goud, zilver, etc.), waar die ook zijn. Zijn drie kinderen uit zijn eerste huwelijk met Jenneken Adriaenssen krijgen wel hun wettelijke erfdeel (het deel waar ze volgens de wet recht op hebben) en moeten meehelpen met het betalen van eventuele schulden.
- Als Willemijntje als eerste overlijdt, erft Bartholomeus al haar bezittingen.
- Als Willemijntje na Bartholomeus overlijdt zonder wettige erfgenamen, gaan de bezittingen die ze van haar vader had geërfd naar zijn drie kinderen uit zijn eerste huwelijk.
Ze benoemden elkaar als enige universele erfgenaam (de langstlevende erft alles). Binnen 6 weken na het eerste overlijden moest de langstlevende een zak rogge geven aan de armen van Oosterhout. De regeling gold als testament, schenking of andere officiële overeenkomst en ging boven eventuele lokale gewoontes of wetten. Getuigen waren Christoffel Willemsz Slegh, Joos de Grooters en Sebrecht Vincent Cocq. Willemijntje kon niet schrijven en zette een handmerkteken.
Op 6 augustus 1686 liet Petronella Jacobs Roevoets, vrouw van Henrick Huijbrechts Bossers en wonende in Slanterbuijten (bij Oosterhout), bij notaris Cornelis van Vossel vastleggen wat er met haar bezittingen moest gebeuren na haar dood. Ze was gezond en helder van geest. Ze bepaalde dat als zij eerder zou overlijden dan haar man, hij de helft van al haar bezittingen (huis, meubels, grond, etc.) zou erven, waar die ook waren. Deze regeling gold als testament of schenking en ging boven lokale gewoontes of wetten. Getuigen waren Sebastiaen van Vossel en Denis Gebrecht Westringhs. Petronella kon niet schrijven; Denis Westringhs zette een handmerkteken voor haar.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1911484 / 23
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739692 / 19
Cornelis Gerlings, een notaris uit
Haarlem, ontving op
2 mei 1830 een verklaring van
Adriaan de Waal Malefyt Junior, een makelaar uit
Haarlem. Deze handelde namens een groep familieleden, op basis van een volmacht die tussen
27 april en
26 mei 1830 was goedgekeurd door de burgemeesters van
Bloemendaal,
Haarlem,
Amsterdam,
Leeuwarden,
Vollenhove en
Nijkerk.
De volmacht was geregistreerd in
Amsterdam op
11 mei 1830, met een kostenverhoging van 1 gulden en 80 cent (inclusief 1 extra kopie). De ontvanger,
Weggelhorst, had dit genoteerd.
De volgende familieleden waren betrokken:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6700798 / 524
De tekst beschrijft een juridische overeenkomst uit Amsterdam met de volgende afspraken:
- De vertegenwoordigers (de geconstitueerden en gesubstitueerdens) krijgen geen recht om iemand anders in hun plaats te laten optreden in rechtszaken.
- Als er onverwacht één of meer vertegenwoordigers komen te ontbreken (door overlijden of andere redenen), moeten de opdrachtgevers (constituanten) zelf een oplossing regelen.
- De vertegenwoordigers beloven alles te accepteren wat volgens deze overeenkomst wordt gedaan.
- Ze moeten jaarlijks een gedetailleerde financiële verantwoording sturen, inclusief:
- een lijst van de tot slaaf gemaakte mensen (inventaris der negers) aan het handelshuis;
- elke 4 maanden een overzicht van de plantage, ondertekend door de directeur(en).
- Alle eerdere volgmachten (procuraties) voor deze zaak worden ongeldig verklaard.
De overeenkomst is opgesteld en ondertekend in Amsterdam door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0495
In
1490 werd vastgelegd dat voor het kopen van grond – bijvoorbeeld voor nieuwe gebouwen – of voor andere doelen
toestemming moest worden gevraagd aan het
huis van negotie (een handelsorganisatie) van
Kerkhoren en Coutenho. Dit huis was verantwoordelijk voor het behartigen van de belangen van een bepaalde
plantage (landbouwbedrijf in koloniën).
De organisatie kreeg de volgende taken en bevoegdheden:
- De rechten en financiële belangen van de eigenaren (de constituanten) van de plantage verdedigen en bevorderen.
- Alle goederen, geld en openstaande schulden (vorderingen) die aan de plantage toebehoren, innemen van schuldenaars.
- Afrekenen met schuldenaars, rekeningen vereffenen en kwijtingen (bewijzen van betaling) geven.
- Indien nodig, juridische stappen ondernemen tegen mensen die niet willen betalen of bezwaar maken:
- Rechtzaken starten en doorzetten tot een vonnis.
- Vonnissen aanvechten (in hoger beroep gaan).
- Mensen en goederen laten arresteren (in beslag nemen).
- Beslaggenomen geld vrijgeven of innemen.
- Borgstellingen regelen en garanties afgeven.
- Schikkingen treffen (onderhandelingen voeren om conflicten op te lossen) als dat nuttig is.
- Alle benodigde officiële documenten opstellen, ondertekenen en registreren.
- Over het algemeen alles doen wat de eigenaren zelf zouden kunnen of moeten doen als ze persoonlijk aanwezig waren – ook als daar normaal gesproken een speciale volmacht voor nodig zou zijn.
Alle verdere instructies of opdrachten die
Kerkhoren en Coutenho later aan de vertegenwoordigers van het
huis van negotie zou geven (per brief, notitie of anderszins), golden als onderdeel van deze afspraak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0493
In
Suriname woonden
484 eigenaren van de plantage
Adrichem (inclusief bijbehorende gronden) die niet aanwezig waren. De heer
N. Boo was de enige ter plaatse, gevolgd door
Jan Unies Wilkens,
J.n Planteau,
E. Reijns,
E. Thijm en als laatste
J. H. Schultz J.Z. Zij werkten steeds met z’n tweeën.
Deze mannen kregen de taak om namens de afwezige eigenaren:
- de plantage Adrichem te beheren, inclusief toezicht, bestuur en administratie;
- de plantage in goede staat te houden, met voldoende personeel en onderhoud;
- toezicht te houden op de landbouw, gebouwen en alles wat nodig was voor het welzijn van de plantage;
- de oogst (van 489 producten) op tijd te plukken, klaar te maken en te verzenden;
- de producten te leveren aan het handelshuis Van Kerkhoven en Coutinho (of op hun instructie), inclusief het regelen van verzekeringen en transport;
- alle benodigdheden (zoals voedsel, materialen en medicijnen) bij dit handelshuis te bestellen en niets lokaal in Suriname te kopen, tenzij in noodgevallen of met toestemming;
- alleen wisselbrieven (voor noodzakelijke kosten) uit te schrijven aan dit handelshuis.
Zij mochten
geen extra kosten maken zonder toestemming.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0491
In
1657 was
Anna Catharina Rerkhoven (ook bekend als
Snit), de weduwe van
George Curtius, samen met vier anderen elk voor een vijfde deel eigenaar van de plantage
Adrichem in
Suriname. Deze plantage lag aan de
Matapica-kreek in een nieuw gebied.
Door erfenissen is de eigendom nu veranderd:
De betrokkenen geven
J. M. Klein en
J. C. Fuchs volmacht om namens hen op te treden. Als een van deze twee overlijdt, weigert, afstand doet,
Suriname verlaat of om een andere reden stopt, mag de ander alleen verdergaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0490
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0488
- Op 11 april 1823 trouwden in Amsterdam:
- Jacob Sman Cornelis de Vriese (19 jaar), zonder beroep, uit Middelburg, woonachtig in Zutphen. Zijn vader, Gosewijn Willem Hendrik de Vriede, was overleden. Zijn moeder, Angenieta Louisa Verspijk, woonde in Utrecht.
- Anna Maria Hendrina Woldorff (24 jaar), zonder beroep, geboren en woonachtig in Amsterdam. Haar ouders, Frans Laurens Woldoef en Maria Hendrina Menkema, waren overleden.
De huwelijksaangifte was eerder gedaan in Amsterdam, Zutphen en Utrecht. Er waren doop- en overlijdensaktes van de families overhandigd. Getuigen waren onder anderen Arnoldus Daprind Weddik (makelaar, 73), Hermanus Fredrik Cyben (suikerraffinadeur, 40) en Pieter Jacobus Kerkhoven (koopman, 37).
- Op 16 april 1823 trouwden in Amsterdam:
- Jan Stam (26 jaar), schipper, geboren in Schierecht, woonachtig in Amsterdam. Zijn moeder, Johanna Koning, was overleden. Zijn vader, Johannes Stam, was aanwezig en stemde in met het huwelijk.
- Maria Frederica Catharina Spegt (46 jaar), zonder beroep, geboren en woonachtig in Amsterdam. Zij was weduwe van Wilhelmus Joannes Velman. Haar ouders, Christophorus Spegt en Joanna Voutman, waren overleden.
De huwelijksaangifte was eerder gedaan op 6 en 14 maart 1823. Er waren doop- en overlijdensaktes van de families overhandigd. Getuigen waren onder anderen Johannes Stam (vader, 57), Hendrik Heerdehorst (broer, 24) en Dirk Welman (70).
- Op 16 april 1823 trouwden in Amsterdam:
- Gerhard Hermann Euver (22 jaar), makelaar, geboren en woonachtig in Amsterdam. Zijn moeder, Dorothea Hilverink, was overleden. Zijn vader, Gerhard Hermann Euver, stemde in met het huwelijk.
- Anna Charlotta Gurde (33 jaar), zonder beroep, geboren en woonachtig in Amsterdam. Haar ouders, Johan Willem Gurde en Catharina Maria Koch, woonden ook in Amsterdam.
De huwelijksaangifte was eerder gedaan op 6 en 13 april 1823. Er waren doop- en overlijdensaktes van de families overhandigd. Getuigen waren onder anderen Johan Willem Gurde (vader, 63), Abraham Diederik Reuver (broer, 21) en Dirk Molman (54).
- Op 16 april 1823 trouwden in Amsterdam:
- Hamiliaan Lotz (22 jaar), makelaar, geboren en woonachtig in Amsterdam. Zijn moeder, Anna Catharina Lotze, was overleden. Zijn vader, Johannes Lotz, stemde in met het huwelijk.
- Helena Geertruy Klippink (20 jaar), zonder beroep, geboren in Scharwoude (district Hoorn), woonachtig in Amsterdam. Haar ouders, Pieter Klippink (boekhouder) en Ida Weiland, woonden ook in Amsterdam en stemden in met het huwelijk.
De huwelijksaangifte was eerder gedaan op 6 en 13 april 1823. Er waren doop- en overlijdensaktes van de families overhandigd. Getuigen waren onder anderen Johannes Lotz (vader, 54), Pieter Klippink (vader, 64) en Johan Philip Lotz (makelaar, 27).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1928242 / 95
Arnoldus Laurens Kerkhoven, een 18-jarige man uit
Amsterdam, laat op
1 november 1805 bij notaris
Engelbertus Marinus Basker een verklaring opstellen. Hij staat op het punt te vertrekken naar de kolonie
Suriname en wijst twee mannen aan als zijn executeurs (uitvoerders van zijn laatste wil) en verzorgers van zijn begrafenis voor het geval hij tijdens de reis of in
Suriname komt te overlijden:
Mocht een van hen overlijden, afwezig zijn of om een andere reden niet beschikbaar zijn, dan treedt
Pierre Gabriel Sabadie-Roulleau (ook in
Suriname) in hun plaats. Zij krijgen de opdracht om na zijn overlijden zijn erfenis (na aftrek van kosten) over te maken aan zijn moeder,
Anna Elisabeth Minkema, de weduwe van
Pieter Kerkhoven. Hij sluit uit dat de weeskamer, een curator (voogd) of anderen zich met zijn erfenis zullen bemoeien.
De akte wordt ondertekend in
Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen
Jan Hendriq van Munster en
Dork Anthonij van der Teen.
Op
1 juli 1809 bevestigt
Leonard Hendrik Raatgever in
Paramaribo (
Suriname) voor
Jan de Koff, Eerste Gezworen Clerk (ambtenaar), dat het document met
Kerkhovens laatste wil echt is en door hem is ondertekend.
Raatgiever verklaart dat
Kerkhoven minder dan 5000 gulden bezit. Het document wordt verzegeld met het officiële stempel van 4 gulden en voorzien van
Kerkhovens handtekening op de vier hoeken en drie tussenruimtes. Getuigen hierbij zijn
Jean Elie Genarden en
Evert Jan Weesenhagen.
Op
10 juli 1809 wordt de akte geregistreerd door
Jan de Koff, nu als Tweede Gezworen Clerk. Hij bevestigt dat het origineel overeenkomt met de door
Kerkhoven ingeleverde versie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 684 / 0061
Drie zussen, Clara Catharina Smit, Anna Wilhelmina Smit en Catharina Margaretha Smit, waren de eigenaressen van de plantage Adrichem in Suriname. Zij waren erfgenamen van hun overleden tante, Elisabeth Geertruid Snit, die op 3 november 1781 was overleden zonder testament.
De zussen woonden in Nederland en gaven een officiële volmacht aan:
Als een van de laatste twee zou wegvallen (door overlijden, weigering of afwezigheid), kreeg Arnoldus Laurens Kerkhoven hun aandeel erbij. Bij wegval van beide kreeg hij de volledige leiding. Als Kerkhoven zelf wegviel, namen De Sutter en Wildeboer elk de helft over. Bij wegval van De Sutter kwam Jan Nieuwenshuizen in zijn plaats, en bij wegval van Wildeboer nam Pierre Gabriel Labadie Rouleau zijn taak over.
Deze volmachtgevers mochten:
- de plantage Adrichem volledig beheren, inclusief aankoop van slaven en benodigdheden;
- de oogst en opbrengsten naar Nederland sturen;
- zaken doen met de handelsfirma Weduwe Pieter Kerkhoven en Zonen (voor verzekeringen, transport en verkoop);
- rekeningen bijhouden, betalingen innen en juridische stappen ondernemen in Suriname (zoals gedingen voeren of beslag leggen);
- alle instructies van de zussen opvolgen alsof die in de volmacht stonden.
Als beloning kregen de volmachtgevers een standaard percentage van de netto-opbrengst na verkoop in Nederland.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0254
In
1823 werden in
Ommen en
Avereest verschillende stukken land en goederen verhuurd en verkocht. Hier een overzicht:
Verhuur van land in Avereest:
- Hendrik Geertr Landbouneer huurde in Oottenhuizen 6 stukken land (nummers 2, 3, 4, 5, 6) voor 12 gulden per jaar (dat is 1 gulden en 33⅓ cent per stuk per jaar). Het land was ongeveer 2 bunder en 15 ellen groot.
- Geuchien Vogelzang, een boer in Avereest op de Vosseberg, huurde een stuk land voor 9,92 gulden per jaar. Het totale bedrag voor alle jaren was 89 gulden en 25 cent.
- Klaas te Linde huurde twee stukken land (nummers 0 en 8) van ongeveer 6 en 30 roeden voor 5 gulden en 25 cent per jaar (in totaal 24 cent per stuk).
- Berend Egberts Klipoor huurde een stuk land (nummer 10) van ongeveer 43 roeden voor 1 gulden en 5⅗ cent per jaar. Het totale bedrag voor alle jaren was 9 gulden en 50 cent.
- Klaas Slag huurde vier stukken land (nummers 1, 2, 3, 4) van ongeveer 1 bunder en 72 roeden aan de Vaart. De huurprijs was 2 gulden en 72⅗ cent per jaar.
- Willem Bloemendal huurde een stuk land (nummer 5) van 43 roeden voor 6 gulden en 50 cent per jaar (totaal 2 gulden en 72⅗ cent per stuk).
- Meines Middelado, een arbeider, huurde een stuk land (nummer 6) voor 15 gulden en 50 cent totaal, wat neerkomt op 1 gulden en 72⅗ cent per jaar.
- Rutger Hoekman, ook een arbeider, huurde twee stukken land (nummers 7 en 8) van 83 roeden voor 39 gulden en 75 cent totaal, wat 4 gulden en 42 cent per jaar is.
De huurders die niet konden schrijven, zoals
Jacobus Jansen Geert,
Kortink,
Andries Arend Krinse,
Jan Nrends Peter,
Berend Eybers Klapbor en
Meines Middelveld, bevestigden de overeenkomst met hun handtekening of merk. De akte werd op
30 oktober 1823 opgemaakt door notaris
Klaas te Linde Geerts in aanwezigheid van getuigen
Jan Hendriks Bucker en
Willem Ritman, een eigenaar uit
Ommen.
Openbare verkoop in Ommen:
- Op 28 oktober 1823 hield notaris Johannes Amama Chevalleau een openbare verkoop van vrouwenkleding. Deze verkoop was georganiseerd in opdracht van Jan Paar, huisadministrateur van de diakenie (armenzorg) van de gereformeerde gemeente van Ommen.
- De verkoop vond plaats om 10 uur 's ochtends in het huis van Jan Paar.
- De notaris betaalde 3 gulden, 95 en een halve cent aan rechten en vergoedingen. Het proces-verbaal bestond uit 3 bladzijden.
Deze gebeurtenissen werden vastgelegd in officiële documenten, waaronder een register van openbare verkopingen onder nummer
298.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 0122 / 3038 / 0109
- Op 3 juni 1817 verklaarde Hendrik Veerhoven, een schoolonderwijzer uit Ommen, namens WL Hoorn akkoord te gaan met het schrappen van een schuld (een zogenaamd roijement). Deze schuld was ingeschreven op 1 juni 1816 bij het kantor in Deventer (deel 9, nummer 266) en betrof een huis aan het Kerkhof 127 in Ommen en een stuk land in Bestemer Esch (de Wester Enk, ongeveer 3 schepels groot). De schuld was oorspronkelijk van Harmen Bosch, een koopman uit Ommen, en vastgelegd in een akte van 2 mei 1816.
- De akte werd opgesteld door notaris Johannes Amama Chevallerau in Ommen (kantoor: Brugge straat 145), in aanwezigheid van de getuigen Hendrik Jan Kerkhoven, Zenever Stoker en Hendrik Bosscher (allen uit Ommen). De kosten bedroegen 1 gulden en 25 cent (1:25), inclusief 54 cent aan registratiekosten. De akte werd geregistreerd in Ommen op 3 juni 1817.
- Op 5 juni 1817 stemde Willem van der Voort, een koopman uit Zwolle, in met het schrappen van een andere schuld. Deze schuld was vastgelegd in een hypotheekakte uit 6 mei 1805 en betrof het Erve Aaftink in Lemele (van Albert Aaftink en zijn vrouw Gerritdina Harms). Het land omvatte ongeveer:
- 18 dagwerken hooiland,
- 20 mudden laagland,
- 2,5 oogwerk hooiland (Oostinkmate in Archem),
- 0,5 mud zaailand (Veldender in Lemele).
- De akte werd opgemaakt door notaris Chevallerau in Ommen, met als getuigen Egbertus Mensink (tapper) en Johannes Coenraad Weenink (schilder), beiden uit Ommen. De bewoner der hijpotheken in Deventer werd gemachtigd om het roijement uit te voeren.
Bekijk transcriptie NL-ZlHCO / 0122 / 3025 / 0218
De tekst bevat een lijst met namen, data, woonplaatsen en transportgegevens van mannen, waarschijnlijk militairen of gevangenen, uit het begin van de 20e eeuw. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste informatie:
-
Willem Rinéeus, Den Haag, 27 september 1917
-
Willem Christiaan, Delft, 16 september 1893
-
Gerard Johan Antonius, Heiden, 13 juli 1913
-
Willem Jacobus Josephas, Amsterdam, 1 januari 1917
-
Leonardus Johannes George, Delft, 6 november 1919
-
Johannes Gerardus, Den Haag, 3 december 1922
-
Johannes Philipus Cornelis Marinus, Leiden, 20 september 1920
-
Jacob Willem Joseph, Vijfhuizen, 11 juli 1917
-
H. C. Jans Willem Pieter, Heijningen, 13 januari 1923 en 12 augustus 1923
-
Gerardus Jacobus en Wilhelmus Hendrikus A., Den Haag, 26 oktober 1910 en 5 november 1923
-
Stephanus Hendrikus, Dordrecht, 29 juni 1923
-
Gerrit Hendrik, Leiden, 18 maart 1922
-
Nicolaas Gerardus, Delft, 30 december 1922
-
Wilhelmus Hendrikus, Leidschendam, 15 september 1906
-
Johannes Intemus, Den Haag, 5 april 1909 en 14 januari 1927
Deze personen woonden in verschillende steden zoals Den Haag, Delft, Leiden, Rotterdam, Amersfoort en kleinere plaatsen zoals Heijningen, Boskoop en Piezen. De adressen variëren van straten zoals de Lange Vijverberg en Wierstraat in Den Haag tot plattelandsadressen zoals Posteinde 244 in Oudkoop.
Er worden ook transporten genoemd, waarbij groepen mannen werden verplaatst. Voorbeelden hiervan zijn:
-
Transport van Amersfoort naar Hoofddorp op 16 april 1911, waarbij 157 mannen werden vervoerd.
-
Transport van Wageningen en Haarlem op verschillende data, waarbij soms wordt vermeld dat mannen "teruggekomen" of "niet gezonden" zijn.
-
Transport van Amersfoort naar Hoofddorp op 18 november 1911, waarbij 75 mannen werden vervoerd.
-
Transporten op 23 november 1911 en andere data, waarbij aantallen variëren van 3 tot 167 mannen.
De tekst vermeldt ook enkele andere namen, zoals Bernard Hendrik Vreij, Petrus Fransiscus, Johannes van Dalen, Adam Vink, Sam den Heijer, Evert Marius, Pieter David, Jan Gerrit Marinus en Herman Scholman, met bijbehorende data en woonplaatsen zoals Nieuwenhoven, Stokhem, Meurs en Zijlmans Jonker.
Bekijk transcriptie NL-HaHGA / 0432-01 / 4275 / 0008
Op 24 oktober 1871 werd in Ardjasari een verslag opgesteld over een verzoek om een nieuwe hoofdelijke belasting in te voeren in Benkoelen (nu Bengkulu).
Hierin werd verwezen naar een brief van de assistent-resident van Benkoelen uit 16 maart 1870, die zijn mening gaf over een ontwerp voor deze belasting. Dit ontwerp was bedoeld om bestaande verplichte arbeid (zoals pepes en heosi) te vervangen door een geldelijke belasting.
De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië had op 6 april 1870 om advies gevraagd. Omdat er meer informatie nodig was, werden ook lokale leiders geraadpleegd. Op 1 december 1870 werden hun reacties doorgestuurd.
Uiteindelijk kreeg de regering op 28 juli 1870 toestemming van de Nederlandse koning om de belasting in Benkoelen in te voeren. De assistent-resident stelde voor om niet alleen gezinshoofden, maar ook ongehuwde mannen (zoals die op rijstvelden werkten) te belasten.
De discussie ging verder over de precieze regels voor de belastingheffing onder de Maleise bevolking.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2496 / 0357
Op
21 oktober 1897 ging
Rudolph Eduard Rerkhoven, een erfpachter en pandhouder uit
Gamboeng bij
Bandoeng in de
Preanger Regentschappen op
Java, naar
Jan Evenblij, een notaris in
Amsterdam. Daar gaf hij officieel toestemming aan twee mannen om namens hem op te treden:
Rerkhoven gaf deze twee mannen de macht om:
- zijn belangen en rechten te behartigen, zowel nu als in de toekomst;
- hem te vertegenwoordigen in alle zaken, zowel persoonlijk als in zijn huidige of toekomstige werkrelaties;
- geld dat aan hem toekomt (nu of later) op te eisen, te innemen en ervoor te tekenen dat hij het heeft ontvangen.
De twee mannen mochten dit zowel apart als samen doen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 507 / 0250
In een oude tekst worden gegevens gegeven over hoffijtuinen (een soort boomgaarden of plantages) in Gamboeng. Deze tuinen werden beheerd door verschillende personen en families, zoals:
De tekst vermeldt ook de namen van de eigenaren van de tuinen, zoals Windoe tjena Sambdenoeijseng, Windoe Gina Vambagzoeijveng, Windoe Aina Sambalgroeijdeng en Goenoeng patorha Gauldoeug. Daarnaast staan er lange lijsten met cijfers in de tekst. Deze cijfers gaan over:
- het aantal bomen per tuin (soms wel 20.000 of 70.000 bomen),
- de jaren waarin de bomen zijn geplant (bijvoorbeeld 1617, 1716 of 1756),
- de afstand van elke hoffijtuin tot het centrum van het dorp (variërend van 4 tot 60 kilometer).
De tekst bevat ook een opsomming van aantallen bomen per jaar en per tuin, zoals:
- in 1617: 5.562 bomen,
- in 1716: 14.260 bomen,
- in 1756: 70.000 bomen.
Daarnaast worden er afstanden genoemd, zoals 15, 22 of 56 kilometer, en totale aantallen bomen per gebied, zoals 4.400, 8.670 of 46.400. De tekst is vooral een overzicht van statistieken over deze tuinen, hun eigenaren, de hoeveelheid bomen en de ligging ten opzichte van dorpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2488 / 0195
Catherina van Panten en
dr. William Last Miller (een docent scheikunde aan de universiteit in
Sarnia,
Canada), een getrouwd stel uit
Sarnia, gaven op
22 februari 1898 een officiële volmacht aan
mr. Johannes Engenus Huuny (lid van de Raad van State in
's-Gravenhage).
Met deze volmacht mocht
Huuny namens
Catherina (als mede-erfgename) de volgende zaken regelen voor de nalatenschap van haar overleden tante,
Mathilde Kerkhoven:
- Afrekenen met de voormalige curator (beheerder) van Kerkhovens bezittingen. Dit betekende:
- De rekeningen controleren en goedkeuren.
- Eventueel aanvullingen of verbeteringen eisen.
- De curator officieel vrijstellen van verdere verantwoordelijkheid (zonder voorbehoud).
- De erfenis van Kerkhoven (overleden op 5 maart in Le Meerenberg, Bloemendaal, ongehuwd en zonder kinderen) accepteren. Dit kon:
- Zonder voorwaarden (zuiver), óf
- Met voorbehoud (alleen als de schulden kleiner waren dan de bezittingen).
- Alle benodigde aangiften doen en afhandelen.
- Erfbelasting (overgangs- en successierechten) betalen.
- Mezewerken aan de verdeling van de erfenis, bijvoorbeeld door openbare of private verkoop van (een deel van) de bezittingen.
Huuny mocht zelf iemand anders aanwijzen om deze taken over te nemen en hoefde achteraf geen toestemming te vragen voor zijn beslissingen.
William Miller handelde hierbij ook namens zijn vrouw.
Mathilde Kerkhoven had geen familie achtergelaten die recht had op haar erfenis.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701348 / 265
Op 10 juni 1798 om 11 uur 's ochtends stelde Martinus Nicolaas Beets, notaris in Haarlem, een officiële lijst op van de bezittingen van Mathilde Kerkhoven. Zij was ongetrouwd en kinderloos overleden op 5 maart 1798 in het psychiatrisch ziekenhuis Heerenberg in Bloemendaal. Omdat ze geen testament had gemaakt, werd haar erfenis verdeeld onder familieleden.
De beschrijving vond plaats in het huis van Johannes Bosscha, een voormalig hoogleraar die woonde aan het Spaarne 17 in Haarlem. Hij was getrouwd met Paulina Emilia Kerkhoven, een zus of naaste familielid van de overledene. Aanwezig waren ook twee getuigen: Carel Joseph Bakte (kantoorassistent) en Carel Lodewijk Froel (kachelmaker), allebei uit Haarlem.
Johannes Bosscha trad op namens zichzelf en zijn vrouw, en als vertegenwoordiger ("lasthebber") van 9 andere familieleden:
- Carolina Frederica Kerkhoven (zonder beroep, Haarlem)
- Charlotta Octavia Kerkhoven (weduwe van Jacob van Stolk, Arnhem)
- Sophia Catharina Kerkhoven (zonder beroep, Haarlem)
- Eduard Julius Kerkhoven (directeur van plantage Sinigo, Preanger Regentschappen, woonachtig in Linagar)
- Pieter Gerard van Schermbeek (directeur van de Koninklijke Tapijtfabriek, Deventer)
- Bertha Elisabeth van Delden (weduwe van Johannes Corstianus van Osselen, 's-Gravenhage)
- Augustus Johannes van Delden (directeur van de Academie van Beeldende Kunsten, 's-Gravenhage)
- Eduard Wilhelm van Delden (fotograaf, Breslau)
- Rudolf Eduard Kerkhoven (beheerder van plantage Cjambong, Preanger Regentschappen, woonachtig in Garoet)
Daarnaast was Johannes Eugenius Hennij (lid van de Raad van State, 's-Gravenhage) aanwezig als vertegenwoordiger van Rudolph Albert van Santen (handelsmedewerker in Soerabaja), op basis van een volmacht uit 22 februari 1798.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701348 / 241
29 mei 1908 trouwden in
Amsterdam twee stellen:
-
Johannes van Reggelen, 25 jaar, kapper uit Amsterdam, zoon van Johannes van Reggelen (winkelbediende) en Maria Neeltje van Pietersom, trouwde met Sophia Christina Schmidt, 21 jaar, zonder beroep, uit Amsterdam, dochter van Predrik Hendrik Schmidt (kantoorbediende) en Elisabeth Christina Stracke. Beide ouders gaven toestemming. Het huwelijk werd 17 mei en 24 mei 1908 aangekondigd zonder bezwaar.
Getuigen: Willem Frederik Weijntjes (42, winkelier), Bertus Diederich Stracke (44, slager, oom van de bruid), Poppe Wouter de Vries (34, diamantslijper, zwager van de bruidegom) en Jan Gerrit Otto van Rhoon (27, diamantbewerker).
-
Jan Jozeph Richmond, 30 jaar, onderwijzer uit Diever, zoon van Willem Richmond (zonder beroep) en Hendrika Klijn (overleden), trouwde met Martha Henriette Klosters, 30 jaar, zonder beroep, uit Diepenveen, dochter van Jan Klosters (overleden) en Alijda Locht (zonder beroep). Het huwelijk werd 17 mei en 24 mei 1908 aangekondigd zonder bezwaar.
Getuigen: Johan Herman Klosters (38, gymnastiekleraar, broer van de bruid), Teunis Aalpol (37, onderwijzer, zwager van de bruid), Jan Klosters (33, onderwijzer, broer van de bruid) en Johannes Herman Klosters (28, bouwkundige, neef van de bruidegom).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335478 / 17
Helena Henrietta Stijgers (ook wel
Henrietta Stijgers genoemd), weduwe van
Jan van Rossen, woonde in
Beverwijk maar was op
24 mei 1802 in
Haarlem aanwezig. Zij trok haar eerdere aanstellingen van executeurs (uitvoerders van een testament), voogden en beheerders in, zoals vastgelegd in haar testament van
22 februari 1797 bij notaris
Adam Houtkoper in
Amsterdam. Ook alle latere aanstellingen verklaarde ze ongeldig.
Ze benoemde opnieuw drie personen als executeurs van haar testament en toekomstige beschikkingen:
Deze drie kregen volmacht om:
- haar begrafenis te regelen,
- haar nalatenschap (boedel) af te handelen,
- als voogd op te treden voor minderjarige erfgenamen,
- eventuele erfporties (erfeniskwesties) met een voorbehoud (fideicommis) te beheren,
- onroerend goed en bezittingen te verkopen (openbaar of onderhands),
- koopsommen te innen en kwijting te verlenen,
- garanties af te geven en schikkingen te treffen,
- namens minderjarige kleinkinderen (van haar zoon Adam van Rossen) akten van keuze en goedkeuring op te stellen, zonder extra toestemming van een rechter.
Ze sluit hierbij de
Weeskamer (instantie voor wezen) en rechtbanken in
Beverwijk en andere plaatsen waar haar nalatenschap zou kunnen vallen, uit van bemoeienis. Om dit na haar overlijden te kunnen aantonen, vraagt ze om een officiële akte en afschrift.
De akte werd opgemaakt in
Haarlem, met als getuigen
Petrus Engesmet en
Jan Andries Bresser.
Henrietta Stijgers ondertekende met een kruisje (+), bevestigd door notaris
P.P. Kuenen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974878 / 370
Op 4 juli 1914 werden in Amsterdam verschillende geboortes geregistreerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht:
- Johannes Petrus Wilhelmus Rosier (25 jaar, bakker) meldde de geboorte van zijn dochter Catharina Margaretha, geboren om 17:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. De moeder was Maria Hendrika Elisabeth Roos. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Frans Johan George Herle (29 jaar, banketbakker) meldde de geboorte van zijn zoon Frans Johan George, geboren om 14:00 uur in de Jonkerbosstraat 15. De moeder was Adriana Eijkelestam. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Evert Leonardus van Duijkeren (32 jaar, beambte) meldde de geboorte van Johannes Adrianus Theodorus, zoon van Maria Johanna Hendrikus Goudt en Martinus Goedemondt (kellner), geboren om 09:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Catharina de Vlieger (51 jaar, vroedvrouw) meldde de geboorte van Hendrika, dochter van Anna Maria van Sam, geboren om 14:00 uur in de Wagenaarstraat 62. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Evert Leonardus van Duijkeren meldde ook de geboorte van Jan Hendrik, zoon van Antje de Pree en Jacobus Johannes Hendrik Cornelisse (broodbezorger), geboren om 10:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Wouterus van Nieuwland (23 jaar, meubelmaker) meldde de geboorte van zijn dochter Elisabeth Suzanna Johanna, geboren om 16:30 uur in de Bilderdijkstraat 185. De moeder was Catharina Wilhelmina Cordina van Raalte. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Jan Jansen (22 jaar, leerling-machinist) meldde de geboorte van zijn dochter Alberdina, geboren om 14:00 uur in de Kattenburgerstraat 511. De moeder was Goudje Jansen. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Godefried Cornelis Rosenboom (43 jaar, timmerman) meldde de geboorte van zijn dochter Theresia Wilhelmina, geboren om 15:00 uur in de Wittenkade 192. De moeder was Cornelia Theresia Post. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Dirk Willem Samp (37 jaar, smid) meldde de geboorte van zijn zoon Marinus Christiaan Johannes, geboren om 23:00 uur in het Frederik Hendrikplantsoen 5. De moeder was Magdalena Disetta Andersen. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
Op 6 juli 1914 werden nog twee geboortes geregistreerd:
Bij een eerdere akte (20 januari 1912) werd een kind erkend door Hendrikus Portegies Zwart (voorheen Portegies Zwart of Tortegies Zwart), na een beslissing van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam (3 september 1929).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2433633 / 56
- Een Nederlandse vloot was bij Vaelmouth om de schepen schoon te maken en proviand (voedsel en benodigdheden) over te nemen.
- Op de eerste wacht vertrokken schepen vanuit de Nes met koers westwaarts, om via Vrouwenbank te varen. Later kwam de Zingels (een schip) bij hen met een zeilprobleem.
- Op 14 [onbekende maand] waaide de wind uit het noorden. Er werden Engelse vissersschepen gezien. 's Avonds voegde kapitein Boer Jaep zich met ongeveer 20 koopvaardijschepen bij de vloot; zij wilden naar Nantes en Bordeaux. De Nederlandse schepen bleven met oostenwind op hun positie.
- Op 16 [onbekende maand] kwam bij oostenwind kapitein Ham, Jan Gijssen, Lieven de Zeeuw, Backer en Veen met het schip van kapitein Abraham Crijns en enkele schepen uit Smalø (Noorwegen). Omdat de Smalø-vaarders (Noorse schepen) maar één begeleidend schip hadden, kreeg Lieven de Zeeuw opdracht hen te helpen begeleiden. De vloot bleef in het vaarwater.
- Op 17 [onbekende maand] was het weer regenachtig. 's Morgens zagen ze 6 of 7 schepen westelijk van hen en achtervolgden die, maar door windverandering ontsnapten de schepen. Er werd een ton (vat) met een touw vanaf het admiraalschip overgezet. 's Middags hielden ze een oorlogsraad: kapiteins moesten hun proviandvoorraad rapporteren. Er werden ook verklaringen afgenomen over een recent gevecht met de Vlaamse Armada (Spaanse vloot).
- Op 18 [onbekende maand] veroverde kapitein Joris Brouck een vijandelijk fregat met 65 bemanningsleden en 8 kanonnen, onder leiding van kapitein Jan van Lillo. De vloot wilde koers zetten naar Dover, maar door westenwind moesten ze naar Duins (bij Dover) varen.
- De admiraal besloot dat overtollige proviand werd afgestaan aan schepen van de provincie Holland. Het schip van de verteller zou bij eerste gelegenheid de Franse ambassadeur Tullerien in Calais oppikken om hem naar Nederland te brengen. Onderweg zouden ze ankers, touwen en proviand inslaan en het schip onderhouden (kielhalen).
- Toen ze hoorden dat de vijand met 9 schepen in het Scheur (bij Goeree) klaarlag om de grote vissersvloot aan te vallen, kreeg kapitein Frans Jansz het commando over Kempen, Camp, t' Jaert en Bouchorst om de vissers te beschermen. Frans Jansz moest wel bij de verteller blijven tot de ambassadeur was opgehaald.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9308 / 0007
Volgende pagina