Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 1 februari 1814 verscheen Gerrit Albas, een 32-jarige arbeider uit Westveen, bij notaris Jacobus Arnijk van Bergen in Ouder-Amstel. Albas was eerder in Zevenhoven ingeschreven voor de landmilitie (een soort loting voor militaire dienst) en had in Alphen aan den Rijn lotnummer 268 getrokken.

Ook Teunis Verweij, een boerenknecht uit De Warre (bij Ouderkerk aan de Amstel), was aanwezig. Hij had bij de loting op 7 januari 1814 in Ouderkerk nummer 19 getrokken.

Beide mannen spraken af om hun lotnummers te ruilen. Hierdoor zou Albas in dienst hoeven als vervanger (romplaçant) voor Verweij. Albas beloofde vanaf die dag als soldaat te zullen dienen, zo lang de overheid dat nodig vond.

Als tegenprestatie zou Verweij aan Albas in totaal 100 gulden betalen:

Beide mannen beloofden zich aan de afspraak te houden en gaven hun woonadres op als officiële contactplek.

De akte werd opgesteld in Ouderkerk, in het huis van Pieter Kok (kasteelbewaarder) en zijn vrouw Tictie van Rooijen. Omdat Albas en Verweij niet konden schrijven, tekenden alleen de getuigen (Pieter Kok, Pater van Roogen) en de notaris.

De akte werd later, op 1 februari 1834, geregistreerd in Amsterdam. De notaris de Haan ontving hiervoor 1 gulden, 6 stuivers en 8 penningen (omgerekend ongeveer €0,52).

Bekijk transcriptie 


In haar testament benoemt de vrouw de volgende personen als haar enige erfgenamen, die alles gelijk verdelen:

Er is één voorwaarde: de erfgenamen moeten akkoord gaan met hoe Jacob van Vaerlem en Martina Montenac (weduwe van Francoijs Mons) de goederen van de overledene hebben beheerd en verdeeld. Ze moeten tevreden zijn met de staat en inventaris die deze twee aan hen presenteren. Als ze dat niet doen, verliezen ze hun erfdeel. Dat deel gaat dan naar degenen die wel akkoord gaan.

De vrouw bevestigt dat dit haar laatste wil is. Het document is opgesteld in Haarlem op onbekende datum (in document "binnen dese st. 355" genoemd), in aanwezigheid van de getuigen Pieter Soutman en Willem van Beveren. De notaris is Assuerus Beuns.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 18 maart 1735 verscheen Cornelis Ariense van der Meer (64 jaar) en Jan Willemse van der Hoeven (58 jaar), beide inwoners van Schiedam, voor notaris Jan van Lijken. Zij verklaarden op verzoek van:

dat zij Cornelis Ariensz van Duijn goed hadden gekend. Deze was in 1717 als jonge, ongehuwde soldaat in dienst getreden van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) bij de Kamer van Zeeland in Middelburg. Hij vertrok met het schip 't Vaderland naar Oost-Indië, waar hij later was overleden.

Volgens de getuigen had Cornelis Ariensz van Duijn de volgende familieleden achtergelaten:

Zij bevestigden dat Cornelis Ariensz van Duijn geen andere (half)broers, (half)zussen of nakomelingen had. Zijn ouders, Arij van Duijn en Trijntie Cornelis, waren al jaren eerder overleden en begraven in Schiedam.

De getuigen kenden de familie al jaren en waren bereid hun verklaring onder ede te bevestigen. Aanwezig als extra getuigen waren Jan Hooningh en Johannes Schuijnsteijn.

Bekijk transcriptie 


J. Geelvinck meldt in een brief vanaf 1 april 1711 uit Brussel dat er ongeveer 10.000 soldaten verdeeld worden over verschillende steden in de Zuidelijke Nederlanden (het huidige België). De verdeling ziet er als volgt uit: De veldbataljons, grenadiers, dragonders en artilleristen van de vijf genoemde regimenten hebben voorlopige orders gekregen om klaar te staan voor een mars. Of ze daadwerkelijk vertrekken, hangt af van hoeveel troepen keizer Karel VI (keizerlijk) en de koning (koninklijk) nodig achten voor hun plannen, die nog niet bekend zijn. Er gaan geruchten, zelfs onder het volk, dat Franse troepen deze gebieden zouden komen bezetten, omdat ze Oostende in de laatste oorlog verdedigd hadden. Geelvinck belooft nauwkeurig verslag te doen van alle troepenbewegingen in de regio en zal de Mint (de geadresseerde) hierover informeren. De brief is ondertekend in Brussel op 1 april 1711 en ontvangen op 14 april 1711.
Bekijk transcriptie 


Gouverneur John Murray gaf op 26 januari 1873 aan Brigadegeneraal Dene de opdracht om een vonnis uit te voeren in de kolonie Berbice. William Threlfall, plaatsvervangend vennootschapsbestuurder (tweede man) van de kolonie, diende een verzoek in. Hij eiste namens Peter Coner en een zekere kapitein betaling van een schuld van 567 gulden van J.A. Leisner en L.S. Gallen. Deze twee waren borg (garant) voor een lening. Threlfall wilde dat Leisner en Gallen als borgstelling betaalden, omdat zij volgens de wetten (officiële documenten) hiertoe verplicht waren. De schuldenaren hadden echter geen geld.
Bekijk transcriptie 


Op 5 november 1890 dienden Han Pielle Jannette en Willem Abraham Mulder, beiden werkzaam voor de firma Tiedeman en van Kerchem, een verzoek in bij de overheid in Batavia (nu Jakarta). Zij wilden graag een tijdelijke vergunning (voor 1 jaar en 6 maanden) voor het aanleggen en exploiteren van een hoofdspoorweg van:

De totale lengte van het traject zou 47,7 kilometer bedragen. De aanvragers boden 2000 gulden voor de vergunning.

De Resident van Buitenzorg (nu Bogor) bevestigde op 31 oktober 1890 dat Jannette en Mulder Nederlanders waren en in Nederlands-Indië woonden.

In de beoordeling van het verzoek werden een paar punten gemaakt:

De Resident vond dat er nog geen definitief besluit genomen kon worden, omdat de onderhandelingen met de aanvragers nog niet waren afgerond. Hij stelde voor om de uiteindelijke beslissing over te laten aan het Opperbestuur (de hoogste overheid in de kolonie). Wel adviseerde hij om de minister op de hoogte te brengen van het verzoek van de firma Tiedeman en van Kerchem, voor zover dat per telegram mogelijk was.

Bekijk transcriptie 


Op 18 maart 1595 verschenen voor een notaris in Haarlem twee mannen:

Zij verklaarden onder ede (maar zonder een echte eed af te leggen, alleen op hun eer en geweten) dat ze zich herinnerden dat Jan Jacobsz Volck op een dinsdag een huis had gehuurd. Dit huis was eigendom van fremyn Laurens ten Nys, die woonde in de Warmoesstraat. Het huis was eerder gekocht door Jacobsz Calck, een kalkverkoper. De huurperiode was 3 jaar, beginnend in mei 1595, en de huurprijs was 22 pond Vlaams per jaar. Deze verklaring werd opgetekend in het huis van Jan ter Letten op de Burchwal, in aanwezigheid van:

Op 29 maart 1595 verschenen voor dezelfde notaris:

Zij handelden namens Jonge Merre Maninxche, de erfgenamen van wylen Kenn. Symons (een overleden persoon) en diens moeder. Zij gaven Roen van Soutelande volmacht om namens hen op te treden bij de Hoge en Provinciale Raad in Holland. Deze volmacht was bedoeld om een rechtszaak te voeren tegen Baert Claesz Bierman en anderen, zowel in civiele zaken als bij de heren van de rechtbank. Roen van Soutelande mocht ook anderen aanstellen om hem te vervangen en alle nodige stappen ondernemen. Claes Jansz en Joost Cornelisz beloofden deze volmacht te bevestigen en te respecteren. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van:

Bekijk transcriptie 


Op 4 december 1662 werd een officiële akte opgemaakt door een notaris in Haarlem, in aanwezigheid van twee getuigen:

Op verzoek van Andries Palinck bevestigden de getuigen onder ede dat:

Ook Fremijn Laurens, een 52-jarige zijdelakenkoopman, bevestigde op verzoek van Andries Palinck dat:

De getuigen beloofden hun verhaal later nogmaals te bevestigen als dat nodig was. De notaris, N. W. van Triers, maakte hiervan een officiële akte in zijn huis aan de Batterijstraat in Haarlem, met als extra getuigen:

De akte werd ondertekend door de notaris en de getuigen.

Bekijk transcriptie 


In 1751 werd in Batavia (het huidige Jakarta) het toezicht op het waterfiscalaat (belastingen op water) tijdelijk toevertrouwd aan Willem Daniel Vignon, die toen werkzaam was als advocaat-fiscaal (openbaar aanklager en belastingcontroleur). Deze taak werd hem gegeven na het overlijden van de vorige waterfiscaal, Herlach Cornelis Johannes van Massau, op 30 maart. Naast Vignon werden ook de volgende personen genoemd in deze zaak: De brief vermeldt ook dat de redenen voor deze beslissing eerder waren toegelicht in een geheime brief aan een hoge functionaris, gedateerd 27 juli van datzelfde jaar.
Bekijk transcriptie 


Frederik Hendrik, de prins van Oranje, had met zijn leger vier kampementen opgeslagen rond Breda, maar deze waren niet goed met elkaar verbonden. Toen kreeg hij een brief van de hertog van Bouillon, gouverneur van Maastricht, met het nieuws dat de markies del Ytona met het Spaanse leger onderweg was naar Bredade Langstraat naar Drunen en Heusden, waar hij met het Staatse leger een nieuw kamp opsloeg om het Spaanse leger tegen te houden. Het Spaanse leger, dat voor Maastricht had gelegen, liet alleen de markies de Eytona achter om kasteel Argenteau en een schans bij Weset te bewaken. Een brug bij het klooster De Hucht werd verplaatst naar Stevensweert, wat de Spanjaarden goed uitkwam. Hierdoor kon Maastricht ontzet worden. Daarna werden de steden Aken en de gebieden Limburg en Gulik goed voorzien van allerlei benodigdheden. De Staten-Generaal dreigden Luik dat als ze de handel niet vrij zouden laten, ze die zelf zouden stoppen. Op 14 september 1634 voerden de Spanjaarden met 4 regimenten ruiterij en 200 voet soldaten een aanval uit op het ruiterkamp van graaf Willem van Nassau bij Venlo. Ze werden echter verslagen door baron Slabada en verloren een vaandrig en enkele ruiters. Aan Staatse kant sneuvelde kolonel Roosekrans, een ervaren soldaat die de Staten-Generaal goed had gediend. Adriaan Pauw en Joan Knuyt werden in 1634 als gezanten naar Frankrijk gestuurd om een overeenkomst met koning Lodewijk XIII te bevestigen en verdere afspraken te maken. Later hielp Joan Knuyt ook mee bij de onderhandelingen voor de Vrede van Münster in 1646 tussen de koning van Spanje en de Staten-Generaal. Na hun verblijf in Parijs keerde Joan Knuyt terug met nieuwe voorstellen die afweken van eerdere afspraken. Hierover werd in september 1634 een bijeenkomst gehouden in Heusden, waar ook de prins van Oranje aanwezig was. Ze bespraken de volgende punten:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Gregorius Hendrick Praagman, het opperhoofd in Siam, schrijft op 25 november 1724 een brief naar de leiding van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Batavia.
Bekijk transcriptie 


Op 12 mei 1858 werd in Heemstede een boedelbeschrijving opgemaakt bij notaris Jan Dolleman, in aanwezigheid van:

De boedel omvatte:

Bekijk transcriptie 


In een brief aan het opperhooft werd een verzoek ingediend om 4100 pond sappanhout te mogen verbranden, omdat het ongeschikt was voor transport. Bij de brief zaten ook documenten van de bedienden, waaronder een overdrachtsbewijs. Dit bewijs toonde aan dat alle geld, goederen en andere bezittingen van het kantoor in Judia (een oude naam voor een gebied in Azië) waren overgedragen door Rogier van der Welt, een koopman en opperhooft genaamd Gregorius Hendrik Praagman. Deze overdracht klopte met drie sap-negotiëboeken (boeken voor de handel in sappanhout). Bij het controleren van de overdracht bleek dat er nog 1.259.665 pond sappanhout in Judia lag, waarvan 400 pond onbruikbaar was voor vervoer. De bedienden vroegen toestemming om 2091 pond te verbranden, omdat dit hout bedoeld was voor drie grote schepen die het Limburghout (een soort sappanhout) moesten ophalen, maar een schip en zes bemanningsleden waren verdwenen. Het verzoek om het hout te verbranden zou later worden beoordeeld, samen met de vraag of er aan de eisen van de bedienden kon worden voldaan, zoals het leveren van drie grote schepen voor het vervoer van het sappanhout en andere goederen. In een naschrift van de brief werd ook vermeld dat de sloep van het schip Consteeren en de sloep van het schip Limburg, bemand door 100 man, waren verdwenen.
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1725 ontving de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op 12 april een officiële brief afkomstig uit Calouang (het huidige Ayutthaya, Thailand). De brief was een origineel schrijven van het opperhoofd Gregorius Hendrik Praagman en de raad in Siam (het huidige Thailand), gericht aan de gouverneur-generaal van de VOC. De brief bevatte ook een register van brieven en belangrijke bijlagen, die in 1725 waren verzonden en ontvangen. De documenten waren achtereenvolgens ingesloten.
Bekijk transcriptie 


In 25 december 1724 schreef een brief uit Siam (het huidige Thailand) over een verzoek om Nederlandse en Indiase stoffen (zoals kleding en zijde) naar Siam te sturen. Dit zou helpen om de handel vast en goed te houden. In het jaar van het Konijn (een bepaald Jaar in de Aziatische kalender) stuurden de gouverneur-generaal en de Raad van Indië (de VOC-leiding in Azië) Gregorius Hendrik Praagman als nieuwe leider naar Siam. Toch kwam er toen geen officiële brief voor het hof of een bevestiging van zijn aanstelling. Daarom schreef de afzender (waarschijnlijk een lokale bestuurder) terug naar de gouverneur-generaal dat Praagman nog niet als leider werd geaccepteerd. Nu had de gouverneur-generaal wel een officiële brief gestuurd, zowel voor het hof als voor de afzender zelf, om Praagman als leider te bevestigen. Als Praagman verstandig en volgens de afspraken werkt, zal de afzender hem ondersteunen, zoals afgesproken in eerdere overeenkomsten. Daarnaast werd bekend dat de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een geldlening had gegeven aan ambtenaren van de Chinese Keizer.
Bekijk transcriptie 


Johannes Abllas bezat een stuk land in de buurt van Haserswoude met de volgende grenzen: Het land bestond uit verschillende percelen hooiland en weiland, verspreid over verschillende polders rond Haserswoude: Er waren ook verschillende erven (kleine stukken land met vaak een huis) in het westeinde van Haserswoude: Er waren ook twee schuldbrieven (leningen) gekoppeld aan deze eigendommen:
Bekijk transcriptie 


In deze overeenkomst werden de rechten van een naamloze vennootschap in liquidatie (een bedrijf dat bezig was met afwikkeling) overgedragen aan verschillende kopers. De afspraken waren als volgt: Er werden enkele kleine fouten in de tekst verbeterd. De akte werd opgesteld in Haarlem op de datum die bovenaan vermeld stond, in aanwezigheid van twee getuigen: Een deel van het bedrag, namelijk 1500 gulden, werd betaald met een lening op naam van Arie Geylvoet, een gasfitter uit Haarlem, die was ingeschreven op 20 maart 1920. De verkoper, Jan Arnold Wilkens, bevestigde dat hij de volgende zaken had verkocht aan verschillende kopers (genummerd I t/m VII) voor de volgende bedragen: De verkoper verklaarde dat alle bedragen volledig waren voldaan en dat er niets meer openstond. De kopers werden officieel de nieuwe eigenaars van de vorderingen.
Bekijk transcriptie 


De heren Johan Antoni Philipse (wonend in Rossinières, Zwitserland) en Jan Arnold Wilkens (wonend in Heemstede) waren de beheerders van een geldbedrag. Dit geld kwam uit de erfenis van mejuffrouw Antonia Martha Emelia Bunge, die in Amsterdam woonde en daar overleed op 11 oktober 1917. Volgens haar testament (9 november 1916, opgemaakt bij notaris P. de Booy in Amsterdam) mochten twee mensen levenslang rente ontvangen van dit kapitaal: De beheerders moesten ook regelmatig geld uitkeren aan de volgende personen en organisaties (met de bedragen en inschrijfdata):
Bekijk transcriptie 


Deze tekst bevat een lijst van personen uit Haarlem, Rotterdam, Schoten, Nijmegen, Delft, Velp, Gravenhage, Aerdenhout en Teteringen die geldbedragen (leningen of schulden) hebben ingeschreven in een register. De bedragen zijn gekoppeld aan namen, data en registratienummers.

De volgende personen staan genoemd als schuldenaren (degene die geld lenen):

De volgende personen staan genoemd als schuldeisers (degene aan wie geld verschuldigd is):

Bekijk transcriptie 


In 1916 verkochten J.P. Baten en M. Baten-Vos (als wettige vertegenwoordigers van twee minderjarige kinderen) een stuk grond in Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), gelegen aan de Kruisweg (kadastraal bekend als sectie C, nummers 2856, 2857 en 2926), met een oppervlakte van 5 are en 36 centiare. Belangrijke punten van de verkoop: G. Kerste, als vader en voogd van de minderjarige kinderen, had op 15 juni 1916 toestemming gekregen van de kantonrechter in Haarlem om mee te werken aan deze verkoop. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris.
Bekijk transcriptie 


Op 29 juni 1916 gingen Johannes Petrus Baten en Matthys Baten (beide vrachtrijders uit Haarlem) naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in de gemeente Haarlemmermeer. Zij handelden:

Zij verkochten twee huizen met schuur, erf en tuin in de polder Haarlemmermeer, gebied Vijfhuizen (bij Hoofddorp), aan de Kruwen. Het perceel had kadastraal nummer C 2856, 2857 en 2926 en was 5 are en 36 centiare groot. De koper was Willem Elsinga, koopman uit Haarlemmermeer.

De eigendom was eerder in handen van Jozef Baten. De verkoop werd bevestigd door getuigen en de notaris. De koopsom bedroeg ƒ74,40, plus 10% belasting (ƒ7,44), totaal ƒ81,84. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 29 juni 1916 en later overgeschreven bij de kantoren voor hypotheken en de Haarlemmermeerpolder in juli en augustus 1916.

Bekijk transcriptie 


In 1223 werd een overeenkomst vastgelegd over een lening met zware voorwaarden. De schuldenaar, het Gesticht, moest bij verkoop van onroerend goed eerst toestemming vragen aan de geldschieter. Alle kosten (zoals administratie, aanmaningen en eventuele rechtszaken) waren voor rekening van het Gesticht. De betrokkenen beloofden zich aan de afspraken te houden en kozen het kantoor van de notaris als officiële woonplaats voor juridische zaken. De notaris kende de deelnemers persoonlijk. Er werden kleine tekstwijzigingen goedgekeurd, zoals het toevoegen van "faillissement van den schuldenaar" en het schrappen of aanpassen van enkele woorden en letters.

De akte werd op 28 december 1908 ondertekend in Amsterdam aan de Herengracht 270, in aanwezigheid van twee getuigen: Zesnardus Jacobus Wilhelmus Eskens (tekenleraar uit Amsterdam) en Joost Johannes van Balen Blanken (tekenleraar uit Haarlem). De akte werd geregistreerd op 4 januari 1908 in Amsterdam, met registratiekosten van 1 gulden en 20 cent.

Op 28 december 1908 werd een koopovereenkomst getekend voor notaris Agathen Carel Roeloffs Valk in Uithoorn. Aan de ene kant stond het bestuur van het Gesticht „Sint-Nicolaas Hoeve" in Nieuwveen, vertegenwoordigd door:

Aan de andere kant stond Johan Willem Theodoor van Oijen (directeur van de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij in Amsterdam), die handelde namens zijn bedrijf met mondelinge toestemming van mede-directeur Johan Jacobs Jacob (wonend in Amsterdam).

Het Gesticht verkocht en droeg over aan de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij de volgende percelen in Nieuwveen en Zevenhoven (polder Nieuwkoop), bekend bij het kadaster als gemeente Nieuwveen, sectie B:

Bekijk transcriptie 



Volgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/