Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op het schip de Jonge Hilligman stonden de volgende bemanningsleden die, bij aankomst in het Vaderland (Nederland), recht hadden op een beloning volgens de regels van 1742:
Daarnaast was er een weesjongen aan boord, Willem Nicolaas Vrugt (jonger dan 12 jaar), afkomstig van Kaap de Goede Hoop. Hij was de zoon van de overleden kapitein-ter-zee en uitrustingsmeester Willem Vrugt. Voor zijn verzorging en verblijf in de kajuit was het benodigde transportgeld al betaald aan de kassier van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Jacobus Johannes Le Sueur, op 6 mei 1714. Ook was er een kist met kleding voor hem meegenomen.
Het document was ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 6 mei 1714 door C: L: Neethling en G: H: Cruijwagen.
Een andere zeeman, Anthonij Helber (oud, uit Hamburg, van beroep kuiper), was eerder actief op het schip de Jonge Lieve. Hij was door ziekte achtergebleven in Duinkerke. Zijn loon werd geregeld via:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10633 / 0546
- Thomas Engels wint een rechtszaak tegen de vrouw van Jacob Abrahams van Loo, een soldaat in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). De zaak moet opnieuw behandeld worden om een uitvoerbaar vonnis te krijgen. Volgens een eerdere uitspraak van 24 juli 1654 moet de vrouw van Jacob Abrahams van Loo een bedrag van 138 rijksdaalders en 51 stuivers betalen, inclusief rente en proceskosten.
- Jan van Samoa, kapitein van een schip van de VOC, eist 52 rijksdaalders en 15 stuivers van Dirk Schoorl, de opperkoopman en hoofd van het VOC-kasteel. Dit bedrag is voor geleverde kosten, loonkosten en andere uitgaven, volgens een specificatie. De kosten voor de rechtszaak komen daar nog bij.
- Mevrouw L. Defant Paeuw vertegenwoordigt de eiser in een zaak tegen Simon Turver, een schipper in dienst van de VOC. De zaak gaat over een erfeniskwestie van Johannes Nonnemans, waarbij zijn moeder Annette van Maseren Hout en zijn broer Gillis Nonnemans betrokken zijn.
- Herman van Essen, een burger uit de stad, eist een bedrag van 9½ realen (volgens een rekening) en 7½ Spaanse realen van Dirk Schoorl. Dirk Schoorl is hier ook de curator (beheerder) van de nalatenschap van overleden VOC-dienaren. Het geld is geleend en moet worden terugbetaald. De beslissing wordt overgelaten aan de eerbare rechters.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9230 / 0279
-
Op 10 oktober 1653 maakt Aeltgen Michels, weduwe van Cornelis Veer, in Haarlem een testament. Ze is ziek maar helder van geest. Ze int trekt alle eerdere testamenten in.
-
Ze verdeelt haar spullen:
- Weijntie Schaters (haar dochter) krijgt: een bed met 2 kussens, een gouden hoepelring.
- Meijnsie Schutters (haar dochter) krijgt: het op één na beste bed met 2 kussens, een kleine rozenring, een gladde ring.
- Gerrit Schutter (haar zoon) krijgt:
- 2 bedden met kussens (die al bij hem in Amsterdam zijn).
- een gouden ring (de "Claeu"), een rozenring met hoep.
- een zilveren beker, 2 zilveren lepels, een grote zilveren bel met ketting.
- Aeltien Willems (dochter van Meijnsie) krijgt: al het zilver dat Aeltgen draagt + de kleinste rozenring.
-
Haar 3 kinderen (Weijntie, Meijnsie, Gerrit) erven de rest gelijk (1/3 elk). Ze moeten wel rekening houden met geld dat ze al kregen:
-
Als een kind eerder sterft, erft diens nakomeling zijn/haar deel ("plaatsvervulling").
-
Aeltgen houdt het recht om het testament later te veranderen (schriftelijk of mondeling voor 2 getuigen).
-
Het testament wordt opgesteld in haar huis aan de Giststraat in Haarlem, met getuigen Harman Barentsz en Johanus Valck. Notaris: Wittensteyn.
-
Op 10 oktober 1661 geeft François van de Cappelle (uit Amsterdam) in Haarlem volmacht aan Cornelis Thomas Holthman om namens hem op te treden bij de Commissarissen van de Kleine Zaken in Amsterdam. Het gaat om een zaak tegen Jan van Lier (en anderen). Holthman mag:
- de zaak verdedigen.
- in hoger beroep gaan.
- alles doen wat nodig is, alsof Van de Cappelle zelf aanwezig is.
Getuigen: Lubbert Commerse en Francois Snellinx. Notaris: Mittensteijn.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975088 / 189
De Staten-Generaal behandelden verschillende verzoeken en besluiten:
-
Een verzoek van arme buitenlanders die geen borg konden betalen of vinden. Ze werden vrijgelaten en kregen een kleine geldelijke ondersteuning van 2 of 3 Vlaamse ponden. Het verzoek werd doorgestuurd naar de Admiraliteit van Rotterdam voor nader onderzoek.
Bij een verzoek van de burgemeesters en het stadsbestuur van Appingedam werd besloten:
-
De stukken werden doorgestuurd naar de stad Groningen voor een reactie binnen 6 weken.
-
Tot die tijd moesten beide steden (Groningen en Appingedam) de zaken in de huidige staat houden, tenzij Groningen goede redenen had om dat niet te doen. Dit was gebaseerd op een eerdere beslissing van Maria van Hongarije, landvoogdes van de Nederlanden, op 2 augustus 1541.
Verzoeken om paspoorten werden als volgt behandeld:
-
Gijsbert van Versevelt, koopman uit Wesel, kreeg nog geen beslissing voor transport van goederen naar de Frankfurter Messe.
-
Roeloff Bytters kreeg toestemming om met wagen, paarden, een knecht en voerman voor 6 maanden tussen vijandelijk gebied, Kleef en Drenthe te reizen.
-
Vincent Nonneman uit Hulst (Vlaanderen) mocht met een schip geladen met hout en schors uit Brabant naar de Verenigde Provinciën reizen en terug, ook voor 6 maanden.
Op 15 augustus 1595 werd er niets besloten (nihil actum).
Op 17 augustus 1595 werd beslist:
Er werd een ontwerpbesluit over de verdeling van serviciegelden (logeergelden) in grenssteden doorgestuurd naar de Raad van State voor advies.
Twee brieven van de Raad van State (gedateerd 11 en 13 augustus 1595) meldden:
-
Vragen over de toezegging van graanleveranties aan Wesel, waar mogelijk voedsel naar de vijand werd gebracht.
-
Het leger zou verplaatst worden naar Bisselijk (bij de Rijn) om de plannen van de vijand te verkennen.
Brienen, terug uit Gelderland, zou verslag doen aan de Staten-Generaal over zijn bevindingen, ondanks de afwezigheid van de afgevaardigden van Zeeland. Dit verslag zou plaatsvinden tijdens de bijeenkomst met de gezanten in Delft op 16 augustus 1595.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 21 / 0354
Johanna Catharine Isabelle Wiggers van Kerchem, een vrouw zonder vaste woonplaats (tijdelijk in Brussel), vraagt aan de rechtbank in 's-Gravenhage om toestemming voor de openbare verkoop van een aantal onroerende goederen. Deze goederen maken deel uit van de erfenis van haar overleden moeder, Isabella Petronella Louisa Stelling (weduwe van Carel Frederik Wilhelm Wiggers van Kerchem), die op 31 december 1921 in Leiden overleed.
De erfenis bestaat uit:
- Weilanden in de Grote Polder in Zoeterwoude (kadaster: Sectie B, nummers 634, 636, 637, 638, 1531, 1621 en 1622), in totaal 5 hectare, 73 are en 5 centiare.
- Een huis, schuur, erf en tuin aan de Hooge Morschweg in Leiden (kadaster: Sectie P, nummers 334, 333, 335, 336 en 349), in totaal 3 hectare, 21 are en 11 centiare.
- Weilanden in de Noordeindsche Polder en aan de Rijndijk in Aarlanderveen (kadaster: Sectie C, nummers 658, 661, 663, 1580, 1620 en 1621), in totaal 5 hectare en 72 centiare.
- Weilanden en een schuur in Nieuwer-Amstel (kadaster: Sectie L, nummers 302, 309, 310 en 301), in totaal 5 hectare, 97 are en 60 centiare.
Johanna wil de grond verkopen omdat:
- Haar mede-erfgenaam (de vader van haar overleden zus, Fritz Roeber Sr. uit Duisburg) de grond niet wil, maar haar wel onder druk zet om het land over te nemen.
- Zij zelf woont niet in Nederland en heeft geen belang bij het behouden van de grond.
- Een groot deel van de grond is zeer geschikt voor bouwterreinen en kan dus voor een hoge prijs verkocht worden.
De rechtbank in 's-Gravenhage roept Fritz Roeber Sr. op om op 26 mei 1922 te verschijnen. Tijdens deze zitting geeft zijn advocaat aan dat Fritz Roeber Sr. geen bezwaar heeft tegen de verkoop. Daarna besluit de rechtbank op 5 mei 1922 dat de openbare verkoop van de grond mag doorgaan, volgens de geldende regels.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 282
De notaris Alvalui J. den Blanken heeft wijzigingen aangebracht in een eerder document. Deze veranderingen gaan over:
Het document is opgemaakt en ondertekend in Uithoorn door de betrokkenen, getuigen en de notaris. Twee heren, Wesseling en van den Ancker, hebben het document niet ondertekend omdat zij vertrokken voor de afronding.
Het proces-verbaal is geregistreerd in Amsterdam op 12 juni (jaar niet vermeld) onder nummer 1210. Er is 351 gulden betaald voor rechten en registratie. Op 21 juli 1922 is een uittreksel hiervan overgeschreven in deel 2408, nummer 23.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 290
-
Op 30 november 1628 kwamen in Haarlem voor notaris Jacob Schoudt de volgende personen samen:
- Otto Fransz van Flodrop en Augustijn Coloribus (beide kooplieden en inwoners van Haarlem) als getuigen.
- Zij waren benoemd door de gemeenschappelijke schuldeisers, Adriaen Henricxsz Lelij en de schepenen van Haarlem.
- Zij gaven Warnaer Aelbertsz en Pieter de Bitter (kooplieden uit Amsterdam) de opdracht om namens hen een schuld van 800 karolusgulden op te eisen.
- Deze schuld moest worden geïnd bij Davidt Bollaert (koopman uit Enkhuizen) en Henrick Willemsz Cop, volgens een schuldbekentenis uit 4 december 1567 (1567 is een fout; het moet 1627 zijn, gezien de context).
- Warnaer Aelbertsz en Pieter de Bitter mochten:
- Rechtelijke stappen ondernemen, inclusief dagvaardingen en vonnissen uitvoeren.
- Beslag leggen op goederen en persoon van Davidt Bollaert.
- Een schikking treffen of de zaak voor de rechter brengen.
- Geld ontvangen en kwijting verlenen.
- Een vervanger aanwijzen met dezelfde bevoegdheden.
- De opdrachtgevers beloofden alles wat hun vertegenwoordigers deden te accepteren en niet tegen te werken.
-
Op dezelfde dag (30 november 1628) kwamen ook:
-
Op dezelfde dag (30 november 1628) verklaarde Abraham Ampe (koopman in Haarlem) onder ede:
- Rond september 1628 kwam Maijcken Plouiers (lijwaardenverkoopster) bij hem thuis.
- Zij zocht een bon voor een stuk linnen van 28 stuivers, verkocht door Jan Willemsz ongeveer 8-10 dagen voor 11 september 1628.
- Abraham Ampe kon de bon niet vinden, maar Jan Willemsz bevestigde later dat Maijcken Plouiers het linnen had gekocht.
- Er was verwarring over een andere bon van 32 stuivers, maar Jan Willemsz zei uiteindelijk dat hij zich vergist had.
- Abraham Ampe vond wel een bon van 29 juli 1628 voor 51 ellen linnen voor 28 stuivers, maar mogelijk stond er per ongeluk Gillis Willemsz in plaats van Jan Willemsz (door haast).
- Dit soort fouten kwamen vaker voor bij uitdraagsters (zoals Maijcken Plouiers).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974685 / 59
Op
29 januari 1849 werd in
Amsterdam, in een huis aan de
Roepoortstraat (wijk A, nummer 13), een boedelinventaris opgemaakt van de overleden weduwe
Fruytier. Zij woonde en overleed hier. De inventarisatie gebeurde op verzoek van een andere weduwe, die met de overledene had samengewoond en nu als erfgename optrad. De overledene had geen testament achtergelaten voor deze erfgename, dus erft zij volgens de wet (als
wettelijk erfgename).
De erfenis werd als volgt verdeeld:
Er bleek echter
wel een testament te bestaan, opgemaakt op
14 september 1839 bij notaris
Gerhard Leefkens in
Amsterdam en geregistreerd op
29 januari 1849. Hierin werd de erfenis als volgt verdeeld:
De waarde van de inboedel werd geschat door
Jan Gerhardus van Neke uit
Duivendrecht, een deskundige die hiervoor een eed aflegde. De belangrijkste bezittingen waren:
- Meubels: een kabinet (45 gulden), paviljoen (12,25 gulden), boekenkast (11 gulden), tafel (14,57 gulden), 12 stoelen (52 gulden), leunstoel (5 gulden), 4 kachels (0,60 gulden), spiegels (4 en 10 gulden), albasten voorwerpen (20 en 5 gulden), theeservies (0,60 gulden), tabakskist (1,80 gulden), koffertje (10 gulden), theeblad met accessoires (9,25 gulden), wit theekistje (1,50 gulden).
- Glaswerk: 12 wijnglazen (1,70 gulden), zuurbakjes en zoutvaatje (2,25 gulden), compote (1,50 gulden), karaffen (0,70 gulden), liqueurglaasjes (0,50 en 1 gulden), suikerglas (0,50 gulden).
- Aardewerk en porselein: 12 borden (1 gulden), blauwporseleinen kopjes (2 gulden), geel en zwart servies (2 en 1,25 gulden), potjes (0,40 gulden), 6 koppen (4 gulden), flacon (0,80 gulden), kwispedoorn (0,60 gulden), inktkokertje (0,50 gulden).
- Koper en blik: puddingvorm (0,30 gulden), komfoortjes (1,50 gulden), kolenbak (2,50 gulden), bloemenmandjes (1,60 gulden), tinnen pot (1 gulden), doofpot (4 gulden), pannen (2,25 gulden).
- Overige huishoudelijke spullen: wateremmer (0,80 gulden), snijmes en vork (1,50 gulden), spaarlamp (3,50 gulden), doosjes (3 gulden), schilderijtjes (7 gulden), boeken (0,80 gulden), wasmand (1,25 gulden), tabakskist (2 gulden), koffers (3 en 1,50 gulden), kleed (5 gulden), vuurmand (0,70 gulden).
- Bedden en beddengoed: bed (25 gulden), matras en peluw (10 gulden), kussen (7 gulden), dekens (12,50 gulden), onderkleed (2 gulden), tweede bed met accessoires (37 gulden), gordijnen (11 gulden), 16 lakens (23,50 gulden), 21 sloopen (10,50 gulden), kleine sloopen (1,20 gulden), tafellakens (40,70 gulden), handdoeken (3,40 gulden), theedoeken (2,20 gulden).
- Zilver en goud: zilveren vork (3,50 gulden), soeplepel (20 gulden), punschlepel (1,40 gulden), suikerstrooier (2,80 gulden), napje (2,80 gulden), suikertang en lepeltjes (3,50 gulden), theelepeltjes (7,35 gulden), potloodje (0,60 gulden), Oost-Indisch biljettenhuisje (3 gulden), gouden horloge (30 gulden), 11 zilveren lepels (46,60 gulden), 12 zilveren vorken (48,75 gulden).
- Kleding: 27 hemden (16 gulden), 22 borstrokken (8,25 gulden), 18 broeken (9,40 gulden), 11 rokken (24 gulden), 18 jakken (14 gulden), 12 mutsen (2 gulden), 71 paar kousen (10 gulden), 51 halsdoeken (8,25 gulden), 55 zakdoeken (8 gulden), boezelaars (1,80 gulden), 16 zakken (1,50 gulden), metzen (2,50 gulden), 3 hoeden (5 gulden), 6 japonnen (32 gulden), 2 mantels (13 gulden), 4 doeken (12 gulden), 2 zijden boezelaars (2 gulden), bontboa (20 gulden), doek (10 gulden), paraplu en parasol (4,50 gulden).
De totale waarde van de roerende goederen bedroeg
915 gulden en 65 cent.
Daarnaast waren er financiële bezittingen:
- Een inschrijving in de Nationale Schuld van 20.000 gulden (2,5% rente per jaar) op naam van "weduwe van Kristiaan Joun, geboren Alieda Tiedeman".
- Vijf certificaten van Nationale Schuld:
Deze gegevens werden bevestigd door
weduwe Tentem, die ook een afschrift van het testament van
14 september 1839 overhandigde. Er waren geen andere papieren of schuldbewijzen bekend. De originele bewijzen berustten bij
heer Schuijmer in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 2475 / 0181
Aert Laurensz van Bylebelt, als echtgenoot en wettig vertegenwoordiger van
Anna Ghysbert Corneliszdochter, en de vier kinderen van
Jan Jan St en
Groetzen Ghusbert Corneliszdochter (zijn vrouw), allemaal erfgenamen van
Ghysbert Cornelisz (hun vader en grootvader), komen overeen over de verdeling van diens nalatenschap.
De schulden en bedragen zijn als volgt:
- Aert Laurensz is 4.700 gulden en 3 stuivers verschuldigd.
- De vier kinderen zijn 4.770 gulden en 3 stuivers verschuldigd.
- Samen is dat 9.270 gulden en 6 stuivers.
De goederen uit de nalatenschap zijn
6.099 gulden en 2 stuivers waard. Daarnaast is er nog een schuld van
175 gulden en 5 stuivers die de weduwe van
Jan (en haar kinderen) moeten betalen. Deze
175 gulden en 5 stuivers worden gelijk verdeeld tussen
Aert Laurensz (helft) en de vier kinderen (andere helft), zoals afgesproken op
25 januari 1623.
Wat nog gemeenschappelijk en onverdeeld is:
- Een hoofdsom van 6.092 gulden en 2 stuivers, waaronder 2.301 gulden en 2 stuivers die de vier kinderen aan de boedel van Ghysbert Cornelisz verschuldigd zijn.
- Een bedrag van 782 gulden en 2 stuivers aan rente over de hoofdsommen, opgebouwd sinds 25 januari 1623.
- Totaal onverdeeld: 6.874 gulden en 9 stuivers.
De partijen (
Aert Laurensz voor de helft en de vier kinderen van
Jan Jansz en
Geertje Jans voor de andere helft) hebben nu afgesproken dit bedrag van
6.874 gulden en 9 stuivers vriendschappelijk en eerlijk te verdelen.
Willem Adriaen van Montfoort treedt op als borg. Alle partijen gaan akkoord met deze verdeling.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506998 / 166
Op
11 oktober 1645 verscheen voor notaris
Cornelis Schoffs van Vliet in
Utrecht:
Zij waren allemaal kinderen en erfgenamen van
Aert Laurensz van Bijlevelt. Ze verklaarden dat ze
Annigje Aertsdr Bijlevelt (weduwe van
Antoni Laurensz van Bijlevelt) en
Gerrit van Schrijck (een koopman en burger van
Utrecht, ook momboir over
Gijsberta) machtigden om namens hen op te treden. Deze volmacht gold voor het overdragen van twee stukken land in het gerecht van
Jutphaas aan
Lambert de Snuyter en diens vrouw:
Ze bevestigden dat de koopsom volledig was betaald en beloofden de landen vrij te houden van jaarlijkse lasten zoals tienden en heerlijkheidsrechten. De akte werd ondertekend in het huis van de weduwe van
Staten Lancens bij het
Weeshuis, met
Cornelis Hendriksz en een andere burger als getuigen.
---
Op dezelfde dag,
11 oktober 1645, verscheen voor notaris
Gerard Vastert in
Utrecht:
- Jaarlijkse inkomsten (pachten, rentes) te innen,
- Kapitalen af te lossen en kwitanties af te geven,
- Rentebrieven en schuldbewijzen te vernielen,
- Schuldenaren aan te manen of voor de rechter te dagen,
- Onroerend goed te verpanden of verkopen indien nodig.
De akte werd opgesteld in het huis van
De Swezeringh bij het
Sint-Servaasklooster, met
Francois de Wijs en
Gerard van Waerije (ook notaris) als getuigen.
---
Op
13 oktober 1645 verscheen voor dezelfde notaris
Gerard Vastert:
Hij machtigde
Geerloff van Jaersvelt om namens hem:
- Voor de rechtbank te verschijnen,
- Een stuk land van 5 morgen bouwland op Rosweide over te dragen aan Cornelis Adriaensz, schout van Velthuysen.
Dit land grensde aan de
Hofsteden van Hendrick Tonissen, de
Koswijse Molen, de
Merendijk, en de
Costeijsel Molen. De akte werd ondertekend in hetzelfde huis als de vorige, met dezelfde getuigen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507197 / 166
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507224 / 202
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507009 / 407
Laurens van Bijlevelt, die buiten de
Tolsteegpoort in
Utrecht woonde, en
Henrick Jansz, kleermaker, traden op als voogden over
Elizabeth, het minderjarige kind van de overleden
Pons Avez (een rooimaker) en
Neeltje Lakens. Op
17 december 1633 verklaarden zij bij notaris
Gerrit Vastert dat ze net het lichaam van
Pons Jansz (de overleden vader) bij de
Wittevrouwenpoort in
Utrecht hadden laten begraven.
Ze benadrukten
nadrukkelijk dat ze
geen erfenis wilden aanvaarden, noch als officiële erfgenamen, noch als tijdelijke beheerders. Wel hadden ze
tijdelijk krediet verstrekt voor de begrafenis, met het recht dit later te verhalen op de nalatenschap.
Omdat er
spullen in het huis (waar
Pons was overleden) lagen, maar er
niemand was om die te bewaken (er woonden soldaten), vreesden ze dat de bezittingen
gestolen, vernield of verdwenen zouden raken. Ze wilden voorkomen dat de nalatenschap hierdoor
helemaal verloren zou gaan.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507045 / 16
Op 4 januari 1611 (oude stijl) verscheen Huijbert Harmanssoon van Voorn, een bakker uit Utrecht, voor Jacob Op huijden, een notaris verbonden aan het Hof van Utrecht. Huijbert was gezond en bij zijn volle verstand. Hij had eerder, op 19 januari 1605, een testament gemaakt, maar wilde dit nu wijzigen.
In zijn oude testament had Huijbert zijn dochter Geertgen (getrouwd met Adriaen van Bijlevelt) en haar kinderen als erfgenamen aangewezen. Nu trok hij die beslissing in en veranderde zijn testament als volgt:
-
Geertgen krijgt alleen haar wettelijke erfdeel (het deel waar een kind volgens de wet recht op heeft) uit de erfenis van haar vader. Dit is een eenmalige gift, en ze erft verder niets.
-
De echte erfgenamen van Huijbert worden nu de kinderen van Geertgen (zijn kleinkinderen). Zij erven alles wat hij achterlaat, samen met zijn zoons Harman en Willem (de ooms van de kleinkinderen).
-
Als de kinderen van Geertgen zonder nakomelingen sterven, gaat hun erfenis naar de naaste bloedverwanten van Huijbert, niet naar hun eigen ouders (dus niet naar Adriaen van Bijlevelt of eventuele halfbroers/zussen van moederskant).
-
De kinderen van Geertgen mogen pas vrij over hun erfenis beschikken als ze 25 jaar zijn en getrouwd zijn. Tot die tijd kunnen ze er alleen van leven, maar ze mogen niets verkopen of weggeven aan mensen die niet familie zijn van Huijbert.
-
Geertgen zelf mag wel de opbrengsten (bijvoorbeeld huur of pacht) van de erfenis van haar kinderen gebruiken zolang ze leeft, maar alleen voor haar levensonderhoud. Ze mag dit recht niet verkopen of verpanden. Als ze dat toch doet, vervalt dit recht en gaat de erfenis direct naar haar kinderen. Zij moet haar kinderen wel ondersteunen zolang ze leeft.
Huijbert wijst Harman en Willem (zijn zoons) aan als uitvoerders van zijn testament. Zij moeten erop toezien dat de erfenis goed wordt verdeeld en dat de regels voor de kleinkinderen worden nageleefd. Adriaen van Bijlevelt (de man van Geertgen) heeft geen zeggenschap over de erfenis van zijn kinderen, ook al zou hij daar volgens de wet of gewoonte recht op hebben.
Huijbert bevestigde dat dit zijn nieuwe, geldige testament is. De akte werd opgesteld in Utrecht, in aanwezigheid van twee getuigen: Cornelis Ghijsbertsz (een leerbewerker) en Willem Evertsz van Zutphen (een bakker).
Op 13 januari 1611 werd de akte nogmaals bevestigd door de notaris en de getuigen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506910 / 10
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506997 / 278
Adriana,
Gerrit en
Aert van der Meulen maken afspraken over hun erfenis, ook voor het geval een of meer van hen overlijdt en hun kinderen hen opvolgen. Ze stellen de volgende regels vast:
- De kinderen van hun overleden dochters Johanna en Maria van Bijlevelt erven pas als ze 24 jaar oud zijn. Als ze zonder wettige nakomelingen overlijden, gaat hun erfenis zonder aftrek naar de andere erfgenamen van Adriana, Gerrit en Aert.
- De erfgenamen mogen het geld van de kinderen beleggen in rente. Dit rente-inkomen wordt elke 2 of 3 jaar uitgekeerd, tot de kinderen 24 zijn. Als de kinderen eerder trouwen, krijgen ze hun geld direct.
- Als een kind overlijdt of om een andere reden geen recht meer heeft op de erfenis, mogen de uitvoerders (Adriana, Gerrit en Aert) zelf beslissen wat er met dat deel gebeurt.
- Bij het verdelen van de erfenis wordt rekening gehouden met wat de kinderen al van hun opa (de vader van Adriana, Gerrit en Aert) hebben gekregen. Dit wordt verrekend met hun deel van de erfenis, net als bij de regeling van hun oom Cornelis van Bijlevelt (de oudste zoon uit het eerste huwelijk).
- Als iemand (kind of voogd) het niet eens is met deze regels, maakt Adriana (de testatrice) deze afspraken onmiddellijk ongedaan.
Deze regels zijn bindend en mogen niet worden gewijzigd.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506997 / 276
Op
16 oktober 1652 verscheen
Annichgen Gijsberts, de weduwe van
Aert Laurensz van Bijlevelt, voor een notaris in
Utrecht. Zij werd bijgestaan door de notaris als haar vertegenwoordiger.
Annichgen stelde zich borg voor een schuld van
385 gulden aan de executeurs (de mensen die een erfenis afhandelen) van de nalatenschap van
Adriaen Beijer. Deze schuld betrof de pacht van een stuk land met een boerderij aan de oever, voor ongeveer
30 jaar.
Zij beloofde de schuld in termijnen te betalen:
- Direct 40 gulden als restschuld voor de pacht van 1649.
- 15 gulden als restschuld voor de huur van nieuwe huizen, ingaan op 1 januari 1651.
- Op Pasen 1653 150 gulden voor de pacht van 1650.
- Op Pasen 1654 150 gulden voor de pacht van 1651.
- Op 11 november 1652 nog eens 30 gulden voor twee jaar toepacht (extra pacht).
Annichgen gaf de executeurs toestemming om haar te vervolgen als ze niet betaalde. Ze gaf ook toestemming aan
Gijsbert van de Meij, een advocaat bij het Hof van
Utrecht, om namens haar juridische stappen te ondernemen.
Op dezelfde dag verscheen ook
Johan Ram, een van de executeurs van het testament van
Adriaen Beijer. Hij bevestigde namens zichzelf en de andere executeurs dat ze op
26 maart van dat jaar al
40 gulden hadden ontvangen van
Gijsbet van Bijlemelt (waarschijnlijk een familielid of vertegenwoordiger). Dit was de restschuld voor de pacht van
1649, plus
15 gulden voor de huur van de nieuwe huizen en
3 gulden en 10 stuivers voor gemaakte kosten.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507009 / 345
Op 9 oktober 1650 verkochten een aantal familieleden, waaronder Judith Jans van Meerlant (weduwe van Adam van Roijesteijn) en andere erfgenamen, een huis in Utrecht. Dit gebeurde namens zichzelf en als vertegenwoordigers van minderjarige kinderen uit de families Van Roijesteijn en Van Weskenen. De verkoop was officieel vastgelegd bij notaris Cornelis Vliet in Amsterdam op 27 september 1650.
Het huis stond aan de Donkere Gaarde 467 in Utrecht, met aan de zuidkant een ander huis van Judith van Meerlant en aan de noordkant het huis van Bisschopshof. De kopers waren de weduwe en erfgenamen van de overleden Jan Petersz van der Meer.
De verkopers beloofden:
- Het huis vrij en zonder schulden over te dragen, volgens de regels voor huizenkopen in Utrecht.
- Alle rechten, claims of documenten over het huis op te geven.
- De volledige koopsom (deels in contant geld, deels via een lening van 2000 gulden) als betaald te beschouwen.
Op 9 oktober 1650 werd de lening officieel geregistreerd volgens de regels van de Staten van Utrecht (vastgesteld op 26 maart 1668).
Later, op 9 juni 1668, werd de lening overgedragen aan Catharina van Roijesteijn, de vrouw van Dirk Richardus van der Nijpoort. Dit gebeurde door Insebius Brants van Huijssen, een timmerman uit Utrecht, als vertegenwoordiger van Anna Beernts van Geverdingen (weduwe en executeur van Jan Petersz van der Meer).
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11303501 / 61
- Op 20 februari 1643 verscheen Willem Reijniersz, schepen en penningmeester van Haarlem, voor een notaris. Hij gaf Jan Egbertsz Bisschop, koopman in Amsterdam, de opdracht om namens hem een bedrag van 900 gulden op te halen bij de bewindvoerders van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), kamer Amsterdam, voor de rekening van de kamer in Enkhuizen. Dit was de laatste uitbetaling voor het jaar 1642. Jan Egbertsz moest een kwitantie tekenen en de VOC vrijwaren van verdere claims. Willem Reijniersz beloofde dat alles correct zou verlopen, onder ede.
- Op 21 februari 1643 verschenen Louijs, Fermyn en Gabriel Loreyn (broers) en Hendrick Fredricxsz (getrouwd met Hester Loreyn), allemaal wonend in Haarlem. Zij waren de erfgenamen van Fremijn Bloemaert, zoon van Gabriel en Janneken Loreyn, zoals bleek uit diens testament van 1 juli 1629 en de bevestiging daarvan op 9 maart 1633.
- Zij verklaarden dat Fremijn Bloemaert in 1633 met het schip Nassau naar de Grote Oost (Azië) was vertrokken en daar was aangekomen. Daarom gaven zij Gijsbert Schouten, koopman in Amsterdam, volmacht om namens hen loon en geld op te halen bij de VOC in Amsterdam, gebaseerd op de rekeningen. Gijsbert Schouten moest een kwitantie tekenen en de VOC vrijwaren van verdere eisen. De erfgenamen beloofden dat alles correct zou verlopen, onder ede, en stemden in met het opmaken van officiële akten.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974993 / 281
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983513 / 371
-
Op 25 juni 1618 werd een testament opgesteld in Haarlem door Anna Jansdochter, een zieke vrouw uit Gelderland, maar met heldere geest. Ze was aan bed gekluisterd maar kon nog praten en nadenken. Adriaen Willemsz, een notaris verbonden aan het Hof van Holland, legde haar laatste wil vast in aanwezigheid van getuigen. Keizer Matthias I regeerde toen.
-
Anna liet de volgende spullen na:
- Aan Tryntgen, haar dienstmeid: een koe, een oorkussen en een fluwelen kussen.
- Aan Magdalena, de vrouw van Jan Thonis: een koperen ketel.
- Aan Magdaleentgen, de dochter van Magdalena: een klein tafeltje met landschap.
- Aan Grietgen, de vrouw van Aert Bouwens: twee oorkussens en twee fluwelen kussens.
- Aan de vrouw van Roel de wever (echtgenote van Henrick Lambertsz): een grijze rok van Pieter, die bij Anna woonde.
- Aan Annu, de dochter van Jacob Dircksz: een druifvormige sayen (soort stof) kaproen.
- Aan Jannetgen, ook een dochter van Jacob Dircksz: een zilveren vingerhoed.
- Aan Mayken Jans van Roy: twee zilveren naalden.
- Aan Lysken, de vrouw van Jan de Breyer: een linnen lijfje.
- Aan Tryntgen Jans van Roy (dochter van Jan Mathyssen van Roy): haar beste heren sayen rok.
- Aan Weesken, haar broers dochter: haar dagelijkse hemd met twee neusdoeken.
-
Anna hield het recht om later nog wijzigingen aan te brengen, mondeling of schriftelijk. Ze wilde dat haar wil na haar overlijden precies zou worden uitgevoerd, zonder discussie. Het testament werd opgesteld in haar huis aan de Heersteeg in Haarlem, met als getuigen Jan Mathysz van Roye (koopman uit Lankhaar) en Meester Hans Bouduwyns, beide poorters (burgers) van Haarlem.
-
Op 19 juni 1618 werd een tweede testament opgemaakt door Frederick Fredericxz van Leeuwarden en zijn vrouw Hester Fremyn, wonend in Haarlem. Ze waren allebei gezond en helder van geest. Keizer Matthias I regeerde nog steeds.
-
Frederick en Hester maakten hun laatste wil bekend en schrapten alle eerdere testamenten en huwelijkse voorwaarden. Ze benoemden elkaar tot universeel erfgenaam, en hun kinderen als die er waren. Als een van hen als eerste zou overlijden zonder nakomelingen, erfde de langstlevende alles.
-
De langstlevende zou ook voogd worden over eventuele minderjarige kinderen of kleinkinderen, met volle vrijheid om hun bezittingen te beheren zonder bemoeienis van familie, weeskamer of rechters – tenzij de langstlevende daar zelf om vroeg.
-
Extra voorwaarden:
- Als Frederick eerst sterft, moet Hester binnen 1 jaar 400 karolusguldens (elk 40 Vlaamse groten) aan de armen van Haarlem geven.
- Ook moet ze dan 100 karolusguldens aan Fredericx (zijn moeder) geven, en 13 karolusguldens aan het kind (of kinderen) van zijn broer, als die er zijn.
- Als Hester eerst sterft, moet Frederick binnen 1 jaar 600 karolusguldens aan de armen van Haarlem geven.
- Ook moet hij dan 600 karolusguldens aan elk van Hesters volle broers geven, 300 karolusguldens aan elke halfbroer, en 50 karolusguldens aan elk van Hesters twee tantes (als die nog leven).
-
Frederick en Hester behielden het recht om het testament later aan te passen, te vergroten of te verkleinen, of geheel nieuw op te stellen. Ze wilden dat hun wil na hun dood zonder uitzondering zou worden uitgevoerd, ongeacht eventuele juridische formaliteiten die ontbraken. Het testament werd opgesteld in Haarlem, met Mathys Jansz van Aken als getuige.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975132 / 20
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 145 / 0461
De tekst beschrijft een overeenkomst tussen een persoon (de
comparant) en de
Naamloze Vennootschap Haarlemsche Bankvereeniging. Hierin staan de volgende afspraken:
- Als de persoon of zijn bedrijf geld schuldig blijkt te zijn aan de bank, mag de bank zonder toestemming het onderpand (bijvoorbeeld een huis of grond) openbaar verkopen. De bank mag dan:
- de voorwaarden van de verkoop bepalen,
- het geld uit de verkoop innemen,
- de koper vrijwaren van eventuele claims (zoals het recht van zuivering – het opschonen van schulden – en rangschikking – de volgorde van schuldeisers).
Let op: deze laatste twee rechten gelden alleen als eerdere hypotheken zijn afbetaald en de Haarlemsche Bankvereeniging daardoor de eerste schuldeiser wordt.
- De afspraken die ook voor anderen (bijvoorbeeld nieuwe eigenaren) gelden, moeten officieel worden geregistreerd bij de hypotheekkantoor in Haarlem.
- Bij brandschade komt het verzekeringsgeld in de plaats van het onderpand. Eerdere schuldeisers houden wel hun rechten.
- De eigenaar moet:
- alle belastingen (landelijk en lokaal) op tijd betalen en de bewijzen hiervan direct laten zien,
- ook de verzekeringsbewijzen tonen,
- toestaan dat de bank deze kosten betaalt als de eigenaar dat niet doet – deze kosten komen dan bovenop zijn schuld.
- Zolang de lening (inclusief rente en kosten) niet volledig is afbetaald, mag de eigenaar niet:
- extra schulden maken op het onderpand,
- de bestemming van het onderpand veranderen,
- erfdienstbaarheden (bijvoorbeeld recht van overpad) of andere rechten aan het onderpand koppelen,
- het voor meer dan 2 jaar achter elkaar verhuren of onder de markthuurprijs,
- huur vooraf aannemen of het huurgeld aan derden geven.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209619 / 164
Deze tekst beschrijft een overeenkomst tussen een schuldenaar en een schuldeiser over een pand in
Haarlem. Hier volgt een samenvatting in modern Nederlands:
- Het pand is vrij van hypotheek en volledig eigendom van de schuldenaar. Dit is vastgelegd in een akte bij het hypotheekkantoor in Haarlem op onbekende datum, in deel 1081, nummer 2.3.
- De schuldenaar moet het pand in goede staat houden en mag:
- de waarde ervan niet verminderen,
- de aard of bestemming ervan niet veranderen,
- het niet verhuren of in gebruik geven zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser,
- het niet voor langer dan 1 jaar verhuren,
- het niet onder de marktconforme huurwaarde verhuren,
- geen voorschotten op de huur ontvangen.
- De schuldeiser heeft het recht om het pand op kosten van de schuldenaar te laten hertaxeren. Als de waarde daalt, moet de schuldenaar:
- een deel van de schuld direct aflossen, óf
- extra zekerheid bieden, naar keuze van de schuldeiser.
- De schuld (hoofdsom + rente) is opeisbaar of aflosbaar door beide partijen, mits er minstens 3 maanden van tevoren opzegging plaatsvindt.
- De schuldenaar moet de hoofdsom en rente betalen aan het adres van de schuldeiser, zonder korting of schuldvermindering.
- Alle kosten (zoals inschrijving, opzegging, en juridische stappen) komen voor rekening van de schuldenaar. De schuldeiser ontvangt het volledige bedrag zonder aftrek.
- Als extra zekerheid voor de aflossing van de schuld (inclusief rente en kosten) verbindt de schuldenaar een pand hypothecair aan de schuldeiser. Het gaat om:
- een winkel met pakhuis en bovenwoning,
- gelegen aan de Schoterweg in Haarlem,
- aangeduid als kadastraal perceel Sectie G, nummer 1068,
- met een oppervlakte van 88 centiare (ongeveer 880 m²).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209619 / 159
De schuldenaar en
de schuldeiser hebben afspraken gemaakt over een lening met het volgende als onderpand: gebouwen en grond. Hier gelden de volgende regels:
- Als het onderpand vrijwillig verkocht wordt, hoeft de schuld niet direct afgelost te worden.
- De hele schuld (hoofdbedrag + rente) moet direct betaald worden in deze gevallen:
- als het onderpand (deels) in beslag genomen, verkocht of met andere rechten belast wordt (behalve een hypotheek);
- als het onderpand (deels) afbrandt;
- als de schuldenaar failliet gaat of zijn bezittingen afstaat;
- als de schuldenaar de rente niet op tijd betaalt;
- als de schuldenaar een afspraak breekt;
- als de schuldenaar overlijdt tijdens de looptijd van de lening;
- als het onderpand onbewoonbaar wordt verklaard.
- Als één van bovenstaande situaties zich voordoet, is de schuldenaar direct in gebreke, zonder dat de schuldeiser hem daarvoor nog apart hoeft te waarschuwen.
- Als de schuldenaar niet voldoet aan de afspraak om gedeeltelijk af te lossen of extra zekerheid te geven, moet hij het hele bedrag direct betalen, zonder verdere juridische stappen.
- De schuldenaar moet het onderpand verzekeren tegen brandschade bij een erkende verzekeringsmaatschappij, zolang de schuld nog loopt.
- Hij moet altijd kunnen bewijzen dat dit gedaan is.
- Bij elke rentebetaling moet hij het bewijs van verzekeringsbetaling laten zien, of wanneer de schuldeiser daarom vraagt.
- Als er brandschade is, gaat het verzekeringsgeld eerst naar de schuldeiser, tot de schuld is afbetaald. Wat overblijft, blijft onderpand.
- De schuldenaar moet alle belastingen en lasten op het onderpand betalen en dit driemaal per jaar aantonen bij de rentebetaling.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209619 / 160
Volgende pagina