Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op
1731 maakten
Arnoldus Peter Mutserts,
Francie Pere Mutserts en
Jan Baptist van Grevenbroeck (getrouwd met
Cornelia P. Mutserts) een verdeling van de erfenis van hun ouders
Peter Acht Mutserts en
Geertruijd Boogers.
- Arnoldus Peter Mutserts kreeg:
- Francie Pere Mutserts kreeg:
- een huis, schuur, stal en vakluis met hof en aanleg van ongeveer 7 loopensaat in Silborg aan de oostkant. Buren: oost en noord Goijaart Mutserts, west Arnoldus Mutserts.
- vier stukken akkerland en weidegrond in Silborg en omgeving, met verschillende buren zoals Cornelis Schenkers, Wilhelmus Daamen, Adriaan van de Schoot, Willem Daams, Peter van Gool, Thomas van Eeten, Anthon Mekens, Cornelis de Cock, Cornelis Coijens, Cornelis Mommers en Cornelis Peter Ghijssens. Ook vrij eigendom.
- Hij betaalde aan Arnoldus Peter Mutserts 415 gulden als compensatie.
- Jan Baptist van Grevenbroeck (namens zijn vrouw) kreeg:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803088 / 61
De vergadering ontving een brief van
de hertog van Courland, gedateerd
5 november in
Mijlau, waarin hij vroeg of zijn pasgeboren zoon als peter mocht worden aangenomen. Na overleg werd besloten dit verzoek in te willigen en de hertog hiervan op de hoogte te stellen met een felicitatiebrief.
Er kwam een brief binnen van
graaf van Horne, commandeur in
Grave, geschreven op
5 januari. Hierin stond dat
prins van Condé met zijn troepen was aangekomen in
Ruurmonde en zijn kwartieren zou opzetten in
Roermond,
Venlo en het land van
Kessel, waaronder het dorp
Venray waar ongeveer 300 ruiters zouden komen. Hierop werd geen beslissing genomen.
Op verzoek van
Robbert Ittersom, kapitein in dienst van de landen en drost van
’s-Hertogenrade, die toestemming vroeg om tijdelijk buiten de landen te verblijven, werd na overleg besloten dat hij mocht terugkomen, mits hij een verklaring meebracht van de gouverneur of commandeur van
Maastricht, volgens de regels van het land.
De vergadering las een verzoek van
Dirck van Grevenbroeck, heer van
Mierlo in
Peelland, die om uitstel van 3 maanden vroeg om de bescheiden betreffende de verpanding van zijn heerlijkheid te herstellen en over te dragen, zoals eerder was gewaarschuwd. Na overleg werd besloten dat hij de bescheiden binnen de termijn van de laatste waarschuwing moest overhandigen.
Er werd een lijst getoond van Braziliaanse soldaten die in
Den Haag waren gelegerd en schulden hadden bij verschillende herbergen. De heren van
Holland hadden de kosten al afgeschreven en wilden dat deze op hun rekening werden gezet als dat nog niet was gebeurd. Na overleg werd besloten de lijst door te sturen naar de
Raad van State voor advies.
De vergadering las een verzoek van
Hubrecht Emonts en
Jan Bartholomeus, die door de staten waren benoemd tot het gilde van schippers in
Gent. Ook las men een verzoek van
Anthonij Henricx Jonghman, die nog steeds het passagiegeld in pacht wilde houden. Na overleg werd dit verzoek aangehouden.
Er kwam een brief binnen van
vice-admiraal de Ruijter, geschreven op het schip
Tijdverdrijf voor
Cádiz op
21 november, met verschillende bijlagen. Na overleg werd besloten de brief en bijlagen door te sturen naar de heren
Huijgens en andere gedeputeerden voor zeezaken om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
De vergadering las een verzoek van
Gerard Wijbrandts, schipper van het boeierschip
Sint Pieter uit
Rotterdam, die betaald wilde worden voor het vervoer van meubels van
heer ambassadeur Chanut naar
Frankrijk, inclusief 15 gulden voor kaplaken. Na overleg werd besloten het verzoek door te sturen naar de gecommitteerden van de
Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen, en vervolgens door te sturen naar de
Raad van State voor een beslissing.
Er werd een verzoek gelezen van
Hubrecht Emonts en
Jan Bartholomeus over het merkschippersambt van het
Sas van Gent naar
Stad Gent, tegenover de gilden van vrije en onvrije schippers van die stad. Na overleg werd besloten het verzoek door te sturen naar de heren
Huijgens en andere gedeputeerden voor onderhandelingen met de
ambassadeur van Spanje om te onderzoeken en rapport uit te brengen.
De verklaring van
Adriaen Adamsz van Spijck, meester-timmerman in
Den Haag, over werk dat hij had gedaan in verschillende kamers van de staten, werd na overleg doorverwezen naar de gecommitteerden van de
Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen volgens de regels van het land.
Op een nieuw verzoek van de hoofdofficieren, staten en ingesetenen van de drie landen van
Overmaas met klachten over de heffingen door
licentmeester Johan van Elck, werd na overleg besloten nogmaals te schrijven aan het
College ter Admiraliteit in
Rotterdam dat zij binnen 8 dagen na ontvangst advies moesten uitbrengen over de eerdere verzoeken van de verzoekers. Als dat niet gebeurde, zouden de staten zelf een beslissing nemen.
De verklaring van
Isaacq de Gruter, rector van de Latijnse School in
Maastricht, over kosten voor het vervoer van zijn meubels van
Middelburg naar
Maastricht, werd na overleg doorverwezen naar de gecommitteerden van de
Generale Rekenkamer om te onderzoeken, te controleren en af te handelen volgens de regels van het land.
De resoluties van de vorige dag werden gelezen en samengevat, evenals de depêches die daaruit voortvloeiden.
Er kwam een brief binnen van
heer van Isselmude, een van de buitengewone ambassadeurs van de staten naar
keurvorst van Brandenburg, geschreven in
Vollenhove op
21 december (oude stijl). Hierin werd gemeld dat hij, zodra het open water was of hard genoeg bevroren om wegen en veerponten te passeren, zijn reis zou vervolgen. Hierop werd geen beslissing genomen.
Er kwamen drie brieven binnen van
heer ambassadeur Boreel, geschreven in
Parijs op
29,
30 en
31 december, evenals een brief van
31 december aan griffier
Ruijsch, met bijlagen en mededelingen. Hierop werd geen beslissing genomen.
Er kwamen twee brieven binnen van
heer van Ommeren, buitengewoon gedeputeerde van de staten, geschreven in
Genève op
22 december, met mededelingen. Hierop werd geen beslissing genomen.
Er kwam een brief binnen van het
Sindicaat en Raad van Genève, geschreven aldaar op
30 december, met een verzoek om een subsidie voor reparatie en onderhoud. Hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3262 / 0054
Lijsbet Bos, weduwe van
Antonij van Grevenbroeck, maakte op
2 september 1631 in
Haarlem een testament op bij notaris
Cornelis Rens. Ze was gezond en helder van geest.
Ze schrapte alle eerdere testamenten en bepaalde:
- Haar zoon Jan de Swart (kind van haar overleden man Jan de Swart) kreeg 700 gulden en alle kleding van linnen en wol die van haar man waren.
- Haar zoon Jan de Swart en eventuele toekomstige kinderen werden haar erfgenamen. Zij erven al haar bezittingen (roerend en onroerend), maar mogen deze niet verkopen of wegdoen zolang ze minderjarig of ongehuwd zijn.
- Als haar kinderen zonder nakomelingen sterven, gaat de erfenis naar haar zus Janneken Bos of diens kinderen. De andere helft gaat naar haar zus Aeffje Netse (weduwe van Cornelis Stedum) of diens kinderen. Als Aeffje Netse en haar nakomelingen ook overleden zijn, gaat de hele erfenis naar Janneken Bos of diens kinderen.
- Haar huidige man en zijn bloedverwanten erven niets, of het nu via testament of wettelijke regels is.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842816 / 211
Arnold van Loon, een openbare notaris in dienst van de Edelen van
Brabant, woonachtig in de heerlijkheid van
Tilburg, ontving op
14 in de maand
Wande 1702 Dirck Cornelis van Grevenbroeck en
Anna Adriaen Hendrick Janssen, een getrouwd stel uit
Stock Hasselt. Zij waren gezond van lichaam en geest en maakten een testament op.
In hun testament:
- Lieten zij hun zielen aan God na en wilden zij een christelijke begrafenis.
- Maakte Anna Adriaen Hendrick Janssen haar eerdere testament van 16 mei 1702 ongeldig.
- Bepaalde het paar dat de langstlevende alle gezamenlijke bezittingen (roerend, onroerend, schulden, vorderingen) zou erven en vrij mocht beschikken over deze goederen.
- Moest de langstlevende de kinderen opvoeden en onderhouden: kleding, voeding, onderwijs (lezen, schrijven, een ambacht of landbouw) tot hun meerderjarigheid of huwelijk.
- Zou de langstlevende bij de meerderjarigheid of huwelijk van een kind de wettelijke erfportie moeten afstaan.
- Benemende het paar elkaar tot universele erfgenaam, evenals hun wettige kinderen, met name Chris.
Het testament werd opgesteld in
Tilburg, in het woonhuis van het paar.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1504581 / 280
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703735 / 21
Op
3 december 1703 verscheen
Jan van Grevenbroeck, wonend in
Waspik, voor
Michiel van Tilburgh, openbaar notaris in
’s-Gravenhage. Hij bevestigde een huurovereenkomst te hebben gesloten op
21 november 1703 met
Jennes van Sasburgh, heer van
Manier, voor de helft van een landerij genaamd
Klein Gespik (17 gemet). De huur duurde 4 jaar, van
1704 tot
1707, tegen een jaarlijkse huur van 204 gulden Hollands (24 gulden per gemet).
Jan van Grevenbroeck beloofde:
- de huur jaarlijks op tijd te betalen in handen van Jennes van Sasburgh of diens vertegenwoordiger;
- alle schade en kosten te vergoeden bij niet-tijdige betaling;
- het land te onderhouden: geen paarden na 15 oktober op het land te laten, geen overbegrazing, en de wegen en sloten in goede staat te houden (behalve het graven van nieuwe sloten, wat voor rekening van de eigenaar was);
- de helft van de kosten voor zegels en schrijfgeld te betalen.
Jan van Grevenbroeck stelde zich persoonlijk en met al zijn bezittingen aansprakelijk. Als borg stonden
Meus de Hoogh (burger en visser in
’s-Gravenhage) en
Griet Camp (wonend in
Sas van Gent).
De huur werd als volgt betaald:
- 6 april 1704: 200 gulden voor het eerste jaar (1704);
- 6 april 1706: 204 gulden voor het jaar 1705;
- 2 maart 1706: 204 gulden voor het jaar 1706;
- 2 maart 1707: 204 gulden voor het laatste jaar (1707).
Op
2 maart 1708 werd door
Jannes van Sasburgh een kwijting getekend voor de betalingen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739521 / 136
Op 27 oktober 1648 was Mulert voorzitter van een vergadering met onder anderen Gent, Bronchorst, Verbolt, de Bije, Eck, vander Cappelle, Raesfelt, Huijgens, Schrasser, Wimmenum, de Witter, Bicker, Vett, vander Nissen, Vosbergen, vander Hoolck, Donia, van Haren, Jeltinga, Andréé en Veneris.
De besluiten van de vorige dag werden voorgelezen en samengevat.
Er werd een verzoek voorgelezen van Remijs van Grevenbroeck, een priester uit Tilburg in de Meijerij van 's-Hertogenbosch. Hij had zich volgens een besluit van 16 juni 1648 naar het land van Antwerpen begeven, maar kon daar slecht leven. Hij vroeg toestemming om terug te keren naar Tilburg als particulier, zonder de regels te overtreden. Na overleg werd besloten zijn verzoek af te wijzen.
In november werd een verzoek voorgelezen namens de inwoners van de Meijerij van 's-Hertogenbosch. Zij vroegen om de belasting op het vervoer van ossen, koeien en veersvarkens onder de 75 gulden te verlagen naar het tarief van 1625 en voor goederen boven de 80 gulden tegen 2 gulden en 10 stuivers. Ook vroegen zij om boter uit de Meijerij zonder uitgaande belasting naar de markt te mogen brengen. Na overleg werd besloten hier niet op in te gaan.
Het verzoek van Pieter Quartier en Pieter Poelge met anderen, kooplieden uit Amsterdam, om 1200 graf zout naar Gent te mogen uitvoeren in 4 kleine schepen, werd na overleg afgewezen.
Er werd een memo voorgelezen van Boswel, de resident van de koning van Groot-Brittannië. Hierin stond dat prins van Wales zijn schepen uit de haven van Helvoetsluis had teruggetrokken in de hoop dat ze daar beter beschermd zouden zijn tegen overvallen of het meenemen van schepen door geweld, zoals al met 4 schepen was gebeurd. Hij vroeg om de schepen te beschermen tegen geweld en ze niet als belegerd te beschouwen in de vrije havens. Hij verwachtte dat de Staten, conform de verdragen en allianties, de neutraliteit zouden handhaven in de conflicten tussen de koning en het parlement. Als er iets met de schepen zou gebeuren, zou dat een grote minachting zijn voor de soevereiniteit van de Republiek. De prins zou dat zeer betreuren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 101 / 0519
Op
21 september 1710 in
Huijden verschenen voor
Isaac Augustin Rumpf, secretaris van het Ceylonse gouvernement onder gezag van
Henrick Becker, gouverneur en directeur van
Ceylon en de kust van
Madure, de getuigen
Theunis de Haan, schipper van het schip
Slooten dat in de rede lag, en
Jan van Grevenbroeck, opperstuurman en gezaghebber op de hoek
De Leeuwenburg.
Zij verklaren dat op
19 september 1710 ’s middags besloten was om van koers te veranderen om de lage wal van
Rotten Eiland te vermijden. Dit eiland ligt aan de
Madurese kust, ten noorden van
Haasen Eiland, en is gevaarlijk. Men was al binnen 5 vadem water genaderd. Toen het schip
Slooten draaide om de wal te ontwijken, lag het schip
Beverwijk aan lij van
Rotten Eiland en tegen
Slooten aan. Volgens zeemansgebruik hees
Beverwijk zijn blinde zeilen en tuig op, om te kunnen manoeuvreren. Dit was noodzakelijk, omdat
Slooten niet boven
Beverwijk heen kon varen en ook niet eronderdoor zonder gevaar voor grondraken en mogelijk verlies van schip en lading.
In plaats van te draaien, liet
Beverwijk zijn blinde zeilen opgehesen, toen men merkte dat
Slooten te dichtbij was. Er waren al twee waarschuwingschoten afgevuurd vanaf
Slooten: één met loskruit en één met een kogel, volgens de afspraken daarover.
Beverwijk voer voor de wind, achter
Slooten langs, zo dichtbij dat als
Beverwijk omviel door zijn opgehesen blinde zeilen, de schepen elkaar zeker aan boord zouden zijn gekomen.
Beverwijk passeerde
Slooten aan bakboord met slechts ongeveer een scheepslengte afstand.
Ondanks dat
Gerrit Domker, schipper van
Beverwijk, op bevel van
Henrick Becker in aanwezigheid van
Isaac Augustin Rumpf zowel schriftelijk als mondeling had bevolen om minstens twee kanonschoten van
Slooten af te blijven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1806 / 1103
Op
26 november 1669 werd beslist dat
de heeren van Wijnbergen en andere gedeputeerden voor de zaken van de
Oost- en West-Indische Compagnieën moesten onderzoeken of er onregelmatigheden waren bij de benoeming van bewindvoerders. Ook moesten zij advies geven over eventuele nieuwe regels of edes.
Daarnaast werd het rapport van
de heeren van den Steen en andere gedeputeerden voor de zaken van
Vlaanderen behandeld.
Pieter van Maele, griffier in
Vlaanderen, had namens
Johannes Pieters verzocht om
Jacob Pezijn, ontvanger van landsmiddelen in
Gent, tijdelijk aan te stellen voor het innemen van ontdekte tienden en landerijen in
Vlaanderen. Dit verzoek werd goedgekeurd en de lokale ontvangers in
Vlaanderen kregen de opdracht hiertoe.
Verder werd het verzoek van
Floris van Grevenbroeck, vendrich van de compagnie van
graaf van Wittgenstein in garnizoen te
Wesel, behandeld. Hij kreeg toestemming voor drie maanden verlof om naar
Henegouwen te reizen voor persoonlijke zaken.
Het verzoek van
Hubert Minnicx, burger van
Maastricht, om uitstel van executie van een vonnis ten gunste van de erfgenamen van
Dionijs Meijs werd doorgestuurd naar de tegenpartij. Zij kregen 14 dagen de tijd om te reageren.
Ook werd het bericht van de gecommitteerden in de
Generale Rekenkamer besproken.
Henrick Monier had gevraagd om betaling van 1077 gulden en 6 stuivers voor 13 livreirokken die hij in 1668 had geleverd aan gedeputeerden te velde. De rekening was goedgekeurd, maar de gedeputeerden hadden hun uitgaven nog niet onderling verrekend. De Staten beslooten de betrokken provincies te vragen hun gedeputeerden aan te sporen tot afhandeling, zodat
Monier zijn geld zou ontvangen.
Ten slotte werd het rapport van
de heeren Schimmelpenningh en andere gedeputeerden voor de
Lüneburgse zaken behandeld.
Resident Huneken had in een memorie uitleg gegeven over de
Berenbergse schuld. Volgens hem moesten de gearresteerde goederen van
Berenberg direct na ratificatie van een akkoord worden vrijgegeven, zodat
Berenberg deze kon verkopen om aan zijn verplichtingen te voldoen. De Staten hadden beloofd de arresten op de goederen op te heffen, zonder beperkingen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3238 / 0328
Op 17 augustus 1700 kwamen Jan Quirijn Peeters en Cornelis Janssen van Grevenbroeck, beide inwoners van Tilburg, voor notaris Arnold van Loon in Hilvarenbeek. Jan Quirijn Peeters verhuurde een stuk land van ongeveer 3 loopensaten (ca. 3 hectare) in de parochie van Tilburg, op de plek Moenstraat onder Hilvarenbeek, aan Cornelis Janssen van Grevenbroeck. De huur duurde 8 jaar, van 1700 tot 1708, met de mogelijkheid om de eerste 4 jaar op te zeggen voor Kerstmis.
Als huur betaalde Cornelis Janssen van Grevenbroeck jaarlijks 1 mud (ca. 100 liter) rogge, goed leverbaar graan. De eerste betaling was uiterlijk in 1701, maar moest voor Kerstmis dat jaar geleverd zijn. Daarnaast moest hij het land na de oogst braak laten liggen in witte stoppels en de belasting (tienden) betalen.
Cornelis Janssen van Grevenbroeck gaf toe dat hij het land al eerder had gebruikt en nog 11 vaten (ca. 1100 liter) rogge schuldig was: 1 vaat van de pacht van 1699 en 10 vaten van de oogst van 1700, die hij beloofde te betalen.
Beide partijen beloofden de afspraken na te komen, met inzet van al hun bezittingen. Als getuigen tekenden Hendrick Prijs en Jan van Bueste, beide inwoners van Tilburg.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 251
1744 Arnoldus Pijnenborgh en
Johanna van Grevenbroeck, een getrouwd stel uit
Swarbeek, lieten een testament opstellen bij notaris
Anthonij Gaerman in
’s-Hage.
Zij benadrukten dat ze gezond en helder van geest waren en maakten afspraken over hun bezittingen na hun dood.
- Zij lieten hun zielen aan God en hun lichamen aan de aarde.
- De langstlevende partner erfde alle roerende en onroerende goederen, inclusief landerijen, huizen, vee, kleding, goud, zilver, rentes en schulden. Dit gold voor bezittingen in Holland, Brabant en elders.
- Specifieke bezittingen waren:
- Een boerderij met land in Haren (bij ’t Holleneint).
- Een boerderij met land in Haven (naast de hoeve van Baron van Constrom).
- Een boerderij met land in Haren (geërfd van Hendrick Mighielsz Pijnenborgh).
- 5/7 deel van de helft van de goederen van Hooghuizen in Goirle, met een leenboekje verbonden aan de Sovereine Raad en Leenhof van Brabant (laatst verhoogd op 12 september 1741).
- Diverse percelen land in Haren, zoals de Geveren, den Marten Aertsz de Weij, ’t Land int Gij, het Broeckvelt, de Biesbeemt, de Achterste Helft van de Legram, de Nieuw Erve, het Goet Turfvelt, Cloostersdijk (bij Suijm), Baardwijk en de Negeman.
- De langstlevende mocht vrij over de goederen beschikken, maar moest de kinderen goed opvoeden, onderwijzen (lezen, schrijven, een ambacht) en bij hun huwelijk of volwassenheid 150 gulden plus een bed met toebehoren geven als vergoeding voor hun erfdeel.
- Als de langstlevende hertrouwde en nieuwe kinderen kreeg, moesten alle kinderen (uit beide huwelijken) de goederen gelijk delen, behalve de 150 gulden die al aan de eerste kinderen waren toegekend.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 341
Bij Gerrit Victor thuis werd Jan Baptista, de luitenant, gebracht door de pachter. Daarna werd hij door dezelfde pachter betaald. Pieter de Witt verklaarde dat hij het afgelopen paar keer op twee verschillende momenten had gezien: Jan Baptista had aan Gerrit Victor brandewijn uit de kelders gegeven op de laatste dagen van het vorige jaar, aan het einde van de pacht. De Witt had deze brandewijn namens Gerrit Victor verkocht.
De verklaring werd voorgelezen aan de getuigen, die beloofden deze onder ede te bevestigen. Zij waren hierbij aanwezig en gaven als reden dat ze erbij waren. Er werd een akte opgemaakt in algemene vorm.
Dit gebeurde in Kasteel de Goede Hoop op 12 juni 1685. Ondertekend door G. Solbergh en Pieter de Witt. In de kantlijn stond: "Ons present als gecommitteerden" en was ondertekend door Johannes Bacherus en R. Decker. Lager stond: "Mij present J. G. De Grevenbroeck, secretaris".
Bij een herhaling van de verklaring bleven G. Solbergh en Pieter de Witt bij hun verhaal. Zij bevestigden de waarheid met de woorden: "Zo waarlijk moet mij God Almachtig helpen".
Ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 12 juni 1685 door G. Solbergh en Pieter de Witt. In de kantlijn stond opnieuw: "Ons present als gecommitteerden" en was ondertekend door Johannes Bacherus. Lager stond: "Mij present J. G. De Grevenbroeck, secretaris".
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10439 / 0158
De tekst beschrijft een contract uit
15 december 1708 en een latere vermelding uit
1 december 1708.
- In het contract staat dat een zoon, samen met zijn vader, een eed moet afleggen als zijn moeder, Edogh, niet in staat is om dit zelf te doen. De zoon en zijn vader blijven beide verantwoordelijk, ook als de moeder de eed aflegt.
- De ondertekenaars vragen dat het originele contract en een kopie ervan bewaard en geleverd worden door de notaris Clooster mans.
- Ondertekenaars zijn onder andere: Jan moschraef, Peter Berts, Cornelis Jansen van Grevenbroeck, Willem Gijsbers van Oort, Norbertus Jan Symons van Peters van den hoond, Jorden van dooren, Cornelis Mels, Johanna Hulenborgh (weduwe van Peter), Anna Maer, J: Hillens, Johan Moolengraef, Peter Berg, Hen: b: de Roij, Cornelis Jansz van Grevenbroeck, Willem Gijsberts van oorle, Norbertus Jan Sijmons, Corn: Peters vanden houdt, Jordaen van dooren, Cornelis Johanna Stakenborgh (weduwe van Peter wijtens), Anna Maes, L: Pullens en Antonij de Rock.
- Zij zijn pachters en deelnemers in de belasting op dranken in Tilburg, ingegaand op 1 oktober 1708.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 378
Op
30 juli 1751 kwamen voor notaris
Anthoni Glaviman in
Oosterwijk de volgende personen:
Zij waren de naaste familie van de overleden
Jenneken van Laerhoven, die getrouwd was geweest met
Adriaen Gommerts de Cort.
In het testament van
Jan Adriaen Gommerts de Cort (zoon van
Jan Adriaen Gommerts de Cort), opgesteld op
4 maart 1730 in
Den Hout, was bepaald dat zijn moeder
Johanna Aert Grevenbroeck (eerst weduwe van
Jan de Cort, later van
Jan Liggen) zijn erfgenaam was. Als zij zou overlijden, zou het erfgoed naar zijn halfbroer
Francis Jan Piggen gaan. Als deze zonder wettige nakomelingen zou sterven (wat nu het geval was), dan zou het erfgoed naar de naaste familie van zijn grootmoeder aan vaderskant, de familie
van Laerhoven, gaan. Deze familie zou dan 400 gulden ontvangen.
Omdat
Johanna Grevenbroeck nog in leven was, was de 400 gulden nog niet vrijgegeven. De familie wilde echter zekerheid dat de wens van
Jan Adriaen Gommerts de Cort zou worden uitgevoerd en dat
Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen van deze verplichting zouden worden ontlast.
De aanwezigen bevestigden daarom dat zij de 400 gulden van
Johanna Grevenbroeck (eerst weduwe van
Lande Cort, later van
Jan Siggen) in volle omvang hadden ontvangen en betaald. Zij ontheffden
Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen van verdere verplichtingen hieromtrent. Zij beloofden ook dat zij of hun erfgenamen geen verdere claims zouden indienen na het overlijden van
Johanna Grevenbroeck.
De akte werd opgesteld in
Den Hout in aanwezigheid van
Adriaen van de Laer,
Geraert Verschueren en
Harman (een inwoner van
Tilburg) als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 106
Op 11 februari 1756 kwam Anthonij Gla, een openbaar notaris in Den Haag die was toegelaten in de vrijheid Oosterwijk, voor Althoffer D Vanden. Hij noteerde de verklaring van de volgende personen uit Den Hout:
Zij benoemden Willem van Grevenbroeck en Jan Raijmakers (beide wonend in Den Hout) als hun vertegenwoordigers. Deze mochten namens hen en in elkaars naam de belastingen innnen volgens de heffingsboeken die de regenten van Den Hout aan de verklarenden hadden gegeven. Ook mochten zij weigerachtige betalers dwingen via gerechtelijke maatregelen, zoals beslaglegging, en hiervoor de nodige juridische stappen ondernemen. Verder mochten zij anderen aanstellen om deze taken uit te voeren.
De vertegenwoordigers moesten ervoor zorgen dat alle landelijke belastingen en dorpsschulden op tijd werden betaald, zodat de verklarenden, de gemeente of de regenten van Den Hout geen schade zouden lijden. De verklarenden beloofden dat alles wat door de vertegenwoordigers of hun opvolgers werd gedaan, geldig en bindend zou zijn.
De vertegenwoordigers moesten wel op verzoek van de regenten van Den Hout of de verklarenden tijdig rekening en verantwoording afleggen.
De akte werd opgesteld in Oosterwijk op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Jan Stovimans en Anthonij Stovimans (beide inwoners van Oosterwijk) als getuigen. De volgende personen ondertekenden of merkten de akte:
De akte werd opgemaakt door H. Stormans, grootnotaris.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 418
Op 7 december 1747 stelde Cornelia Seger in Telbort een testament op. Hierin legde ze vast dat haar wensen na haar overlijden precies uitgevoerd moesten worden, of dat nu via een testament, codicil, schenking of op een andere manier was. Ze wilde dat dit geldig en waardevol zou zijn, ook als niet alle juridische formaliteiten waren nageleefd. Eventuele wetten of gewoonten die hiertegen ingingen, schrapte ze voor zover dat in haar macht lag.
Het testament werd opgesteld in het woonhuis van Cornelia Seger in aanwezigheid van Wouterus de Rooij en Cornelis van Heiligerlee, beide inwoners van Telbort, als getuigen. De notaris Jan in de Voor Mouten Heijligen uit Grevenbroek bevestigde dit op 7 december 1747.
Op 7 december 1747 maakte Johan Adriaan van Meurs, een openbaar notaris in Den Haag, een officiële verklaring. Hij bevestigde dat hij in de heerlijkheid Selborg was en in het huis van Wouter van Laarhoven en Cornelia Seger, een getrouwd stel in Selborg, was gekomen. Wouter van Laarhoven was gezond, terwijl Cornelia Seger ziek op bed lag, maar wel bij vol bewustzijn. Ze begrepen de kwetsbaarheid van het leven en de zekerheid van de dood en wilden hun bezittingen regelen voordat ze stierven.
Zij maakten een testament op uit vrije wil, zonder druk van anderen. Ze droegen hun onsterfelijke zielen op aan God.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803090 / 338
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 579
Elias Heijtge van Grevenbroeck, neef van de testatrice, krijgt:
- een stuk hooi- of weiland van 11 ten (ongeveer) onder Besoijen, over de oude straat;
- al het hooi- of weiland dat Jan van Kees nu huurt, bestaande uit 3 percelen onder Den Hout aan de Soonse Molenstraat;
- 2 percelen hooi- of weiland onder Den Hout aan de Loons Molenstraat, nu gehuurd door Albertus van Hooff;
- 3 percelen hooi- of weiland (samen ongeveer 5 loopensaten) onder Den Hout aan de Schoorstraat, nu gehuurd door Geraekt van Jarssel;
- een perceel weide van ongeveer 3 ten aan de Schoorstraat, nu gehuurd door Matthijs van Hessel;
- een stuk bos en bomen (ongeveer 4 loopensaten) onder Den Hout, genaamd de Legeheijt.
Hij krijgt hiervan alleen het vruchtgebruik voor zijn leven. Het eigendom gaat naar de erfgenaam van de testatrice.
Daarnaast krijgt hij:
- haar beste bed met kussens, dekens, linnen en 40 el linnen;
- 100 gulden voor de betaling van de collaterale successie.
Dit moet binnen 6 weken na haar overlijden worden uitgekeerd.
Elias van Grevenbroeck is uitgesloten van verdere erfenis, maar zijn broer
Willem Heijtge van Grevenbroeck beheert de goederen en het geld. Deze mag bij ziekte of beletsel iemand anders aanstellen. Hij moet de opbrengsten jaarlijks aan
Elias van Grevenbroeck uitkeren. Voor dit beheer krijgt hij 4 gulden per jaar en hoeft geen rekening of bewijs af te leggen.
Dina Heijtge van Grevenbroeck, getrouwd met
Peter van Heeswijck, krijgt een rente van 1200 gulden kapitaal, afkomstig van
Adriaan Cornelis van Jessel (woonachtig onder
Loon), tegen 10 stuivers interest per jaar. Als zij zonder kinderen overlijdt, gaat de rente terug naar het kapitaal en wordt de overleden kant met de levende kant gedeeld.
Maria Elisabeth van de Lipstad (woonachtig in
's Bosch) krijgt 2 percelen land (samen ongeveer 6
sten) onder
Den Hout, genaamd
Ses Hoeven, nu gehuurd door de weduwe
Frans van Broeckhoven. Deze percelen zijn belast met 2 vaten en 2 à 3 kannen hagel per jaar aan de rentmeester
Tengnagel, plus 100 gulden binnen een jaar na het overlijden van de testatrice.
Johanna Catharina van de Lipstad, getrouwd met
Reijster (woonachtig in
's Bosch), krijgt 100 gulden binnen een jaar na het overlijden van de testatrice.
Cornelis, zoon van de overleden
Maria Acht Broek (verwekt bij
Adriaan van Tessel, woonachtig onder
Soon), krijgt een stuk weiland of kooland van 6
hout onder
Besoijen, over de
oude straat, in het smalle stuk.
Aken Gommet de Cort krijgt een perceel land en bos (samen 3
sten) onder
Den Hout aan de
Houtse straat.
Goijaert Heeren (moeder was
Jaria Cornelis Namers, woonachtig in
Berkel), krijgt een perceel land van ongeveer 1
laat onder
Kerke aan de
Geen.
Acht Peter Kaamers (woonachtig in
Sprang) krijgt een perceel weiland of heide (samen ongeveer 3
sten) onder
Telboth aan de
Houtse straat 83.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803091 / 55
Op
14 januari 1693 in
Amsterdam verschenen voor notaris
Assuerus Benus:
Zij verklaren dat
Antonij van Grevenbroeck en
Elisabet Bosch van plan zijn te trouwen onder de volgende voorwaarden:
- Er is geen gemeenschap van goederen.
- De bruid mag na een scheiding kiezen voor de helft van de winst of verlies uit het huwelijk of haar eigen ingebrachte goederen terugnemen.
- Als de bruid overlijdt en er kinderen zijn van Antonij van Grevenbroeck, krijgt hij 700 gulden uit haar goederen.
- Als Antonij van Grevenbroeck overlijdt zonder kinderen na te laten, krijgt de bruid 700 gulden uit zijn goederen.
De partijen beloven deze afspraken na te komen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 253
Catharina Albert van Sittert maakte op
22 juli 1658 rond
10 uur 's avonds een testament op bij notaris
Zeger van der Hullen in
Den Haag.
Zij was getrouwd, had kinderen en was gezond en helder van geest.
In haar testament bedacht ze dat het leven broos is en de dood onvermijdelijk.
Daarom bepaalde ze dat haar ziel na de dood in Gods barmhartigheid zou komen en haar lichaam christelijk begraven zou worden.
Mocht ze zonder wettige erfgenamen komen te overlijden, dan benoemde ze haar man als enige en universele erfgenaam, uit pure genegenheid.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842749 / 140
Op
1240 vertrok een schip genaamd
de Gendt uit het vaderland.
Willem van Tessel was tweede schipper. De onderkoopman
Mindert Vos en de burger
Hendrick Ketelaar hadden transportkosten betaald om in de kajuit te mogen reizen.
Ook betaalden de burger
Willem Keijts en zijn vrouw voor hun transport en kosten. Verder werden de volgende personen genoemd:
Er was ook een notitie over huishoudens en slaven. De terugreis kostte ƒ 1240.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1589 / 0136
De tekst bevat een opsomming van zaken en personen die betrokken waren bij verschillende juridische, bestuurlijke en financiële kwesties in de 17e eeuw.
- Er zijn diverse regeringszaken en geschillen vermeld, zoals die van Regierders van Geroben en Nunen, Grevenbroeck en Wesel, en Cherchers in Gouda en Gorinchem.
- Er zijn verschillende personen en families genoemd, zoals Bartholomeus Graven, Gosbert, van Gysselen, Groenlantsvrs, ten Walvischvancxt, Geintresseerde in Groenlantsche Compe, Goutswbaert en zijn weduwe, en den fiscael van Admt. in Vrieslant.
- Er zijn ook verschillende locaties en instellingen genoemd, zoals Groenland, Vriesland, Gemert, St. Michiels Gestel, Gulick, t' Sas van Gent, Hassel, Geneve, Engelant, Brandenburch, Hilverenbeecq, Hamburch, Moscovien, Sweeden, Groeningen en Ommelanden.
- Er zijn verschillende data genoemd, zoals 151, 153, 157, 178, 294, 315, 319, 336, 338, 356, 415, 436, 457, 508, 525, 527, 538, 556, 557, 561, 562, 588, 603, 615, 620, 621, 622, 629, 632, 634, 676, 677, 678, 680, 682, 692, 698, 700.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3267 / 0018
Op
17 maart 1706 kwam de vergadering bijeen met onder anderen
Carpenter Praside d'Heer van Essen,
Heeren van Harrevelt,
Dicx,
Heemskerck,
Meerens,
Heinsius,
Becker,
van Hecke,
Coninck,
Wellandt,
Velthuijsen en
Gedepde uit
Utrecht,
Du Tour,
Ittersum en
Gockinga.
- De vergadering las en besprak de besluiten van de vorige dag en de daaruit voortvloeiende berichten.
- Frans Willem Carpenter van Westerbeeck, majoor in dienst van keurvorst van Saksen, vroeg toestemming om over te stappen naar de Nederlandse dienst. Hij wilde tijdelijk worden benoemd tot majoor van de brigade om in de aankomende campagne te kunnen dienen. De vergadering besloot een kopie van zijn verzoek te sturen naar Harrevelt en andere militaire afgevaardigden voor onderzoek.
- Er werden brieven ontvangen van:
- L. Hermitage uit Londen (12 maart 1706),
- Vrijbergen, Nederlandse gezant in Londen (12 maart 1706),
- Graaf van Noijelle uit Portsmouth (10 maart 1706),
- Luitenant-kolonel Bringes uit fort Den Doel (15 maart 1706). Deze meldde dat het patent voor het regiment van Saksen-Gotha was ontvangen, maar dat het niet kon worden doorgevoerd zolang er geen ander bataljon voor aflossing was. De vergadering besloot een kopie van deze brief naar de Raad van State te sturen met het verzoek om snel een oplossing te regelen.
Geen van deze brieven leidde tot een direct besluit, behalve die van Bringes.
- Cornelius Baron van Grevenbroeck en zijn vrouw Isabella Marie de Gulpen vroegen om geen bevel tot inbeslagname uit te vaardigen tegen de weduwe, de moeder van Isabella Marie. Ze wilden dat de zaak snel en buiten de rechtbank om werd opgelost. De vergadering besloot een kopie van het verzoek naar de landsadvocaten te sturen voor advies.
- Gijsbert van der Hoevelijck, heer van Hulhuijsen en Halsaff, klaagde aan dat de regering van Kleef hem onder curatele had gesteld, hoewel hij al 14 tot 15 maanden in Gelderland woonde. Hij vroeg om brieven aan koning van Pruisen en heer van Lintelo (gezant in Berlijn) om de curatele op te heffen. De vergadering besloot een kopie van zijn verzoek naar Lintelo te sturen met het verzoek om actie te ondernemen.
- Joris Bartelse Gastelaer, boekhouder van het schip De Maria (met kapitein Pieter Gastelaar), diende een verzoek in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3358 / 0400
Bilderbeeck krijgt een kopie van een brief en het origineel om deze aan
keurvorst van Keulen te overhandigen. Hij moet de inhoud steunen met alle beleefdheid.
Staten Generaal hopen dat
keurvorst van Keulen inziet dat als de belasting van 60 penning blijft, andere landen manieren zullen zoeken om hun inwoners hiervan te vrijwaren.
De brief wordt ook gestuurd naar de magistraat van
Stad Luik.
Staten Generaal vinden het prettig dat
Luik de onderlinge handel en scheepvaart, die nu bijna stilstaat, weer wil laten groeien. Ze vragen
Luik om mee te werken, zodat de belasting van 60 penning kan verdwijnen.
Uit het register van
Staten Generaal blijkt dat op
20 december 1656 een brief van
resident Bilderbeeck uit
Vorden is ontvangen, gedateerd
17 december 1656. Hierin staat dat
keurvorst van Keulen Blankert Gailliu van Grevenbroeck heeft gestuurd. Deze meldt dat op
13 november 1656 drie compagnieën paarden van de
Republiek op weg naar
Maastricht in
Neerpelt (tussen
’s-Hertogenbosch en
Maastricht, in het gebied van
Grevenbroeck) hebben overnacht. Ze leefden op kosten van de inwoners en dwongen hen om voer, eten en drinken gratis te leveren. Normaal gesproken hoefden doortrekkende troepen in vredestijd niet meer dan een maaltijd en voer voor één dag te krijgen.
De schade wordt geschat op ongeveer 200 rijksdaalders, maar het probleem is vooral de slechte naam die dit geeft.
Keurvorst van Keulen heeft
Bilderbeeck gevraagd dit aan
Staten Generaal door te geven.
Bilderbeeck verwacht dat
Staten Generaal keurvorst van Keulen tevreden zullen stellen.
Staten Generaal besluiten dat
Heeckeren en
Gijsbert van Heeren (gedeputeerden voor militaire zaken) de zaak moeten onderzoeken. Ze moeten
prins van Oranje om advies vragen en rapport uitbrengen.
Daarnaast wordt besloten om
Bilderbeeck te laten weten dat de landen van de
Republiek en
keurvorst van Keulen zo in elkaar grijpen dat troepen naar of van
Maastricht of andere garnizoenen van de
Republiek door het gebied van
keurvorst van Keulen moeten. Dit veroorzaakt overlast voor
keurvorst van Keulen. Hij heeft altijd orders gegeven dat troepen zich netjes moeten gedragen en overtreders streng gestraft zullen worden.
Het is gebruikelijk dat troepen op doorreis door de lokale overheid wat eten en voer krijgen. Dit is moeilijk te voorkomen, zelfs met strenge regels.
Staten Generaal hopen dat
keurvorst van Keulen inziet dat deze doortochten noodzakelijk zijn en dat het oude gebruik in stand blijft, zolang er geen excessen zijn.
Staten Generaal zullen excessen niet alleen afkeuren, maar ook bestraffen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 349 / 0027
Grevenbroek heeft beloofd de huur voor
Geertruijdenberg te betalen zodra
Monsieur Tilburgh hem daarvoor oproept. Dit moet snel gebeuren, want als
Grevenbroek dit uitstelt, kan de verhuurder de landerijen aan anderen verhuren.
Daarnaast moet
Monsieur Tilburgh zonder uitstel een overzicht geven van de administratie over het jaar
1710, omdat er al te lang op is gewacht.
Verder is
Grevenbroek verplicht om schade aan de landerijen te vergoeden als deze is veroorzaakt door paarden of vee. Tijdens de huurperiode moet hij op eigen kosten onderhoud plegen aan:
- de oude straat,
- alle steegjes,
- een brug,
- sloten en beken,
- alle andere reparaties die bij de landerijen horen.
Ook moet hij sloten graven en onderhouden wanneer dat nodig is. Als hij dit niet doet, kan de verhuurder maatregelen nemen.
Bartholomeus de Hoogh,
Gerrit Camp en anderen beloven
Monsieur Tilburgh te helpen en zich als borg te stellen. Zij verbinden zich ertoe hun bezittingen ter beschikking te stellen om eventuele schulden af te lossen.
De afspraken zijn vastgelegd op
23 december 1711 in
Dordrecht, in aanwezigheid van
Johannes Michiel van Tilburgh en anderen als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739600 / 163
Volgende pagina