Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op
28 maart 1703 verklaren verschillende inwoners van
Borgem,
Eenhout en
Tilburg voor notaris
Abraham van Rotterdam dat al lange tijd jong plantsoen of pootgoed, zoals els en beuk, wordt verkocht en verplaatst zonder dat daar houtschat (een soort belasting) voor betaald hoeft te worden.
Onder de verklarenden zijn:
- Aert Geritse Rijnenburgh (ongeveer 50 jaar, uit Borgem en regent)
- Jan Joosten (ongeveer 65 jaar, uit Borgem)
- Tonne Josten van Jesse (ongeveer 6 jaar ouder dan Jan Joosten, uit Borgem)
- Cornelis Janssen van Grevenbroeck (woonde in Tilburg, collecteur)
- Cornelis Jacob Garite
- Aert Dator Arijaart (ongeveer 55 jaar)
- Pater Janssen van Broeckhoven (ongeveer 67 jaar)
- Adriaan Pater Colen (ongeveer 50 jaar, botgemeester)
- Adriaan Claassen (uit Borgem)
- Jan Emberts van Rijswijck (76 jaar, regent)
- Aert Janssen Grevenbroeck (58 jaar, uit Borgem en regent)
- Hendrick Adriaan Hamels (62 jaar, regent)
- Jan Janssen de Jongh (59 jaar, regent)
- Willem Jacobs Verhoeven (36 jaar, regerend burgemeester en regent van Berck)
Zij bevestigen dat het plantsoen altijd als zaadgoed is beschouwd om de domeinen te verbeteren en dat er nooit houtschat voor is gevraagd.
Antoni Lombaarts, een voormalige pachter of innemers van de houtschat, heeft bevestigd dat dit niet hoefde te worden aangegeven of betaald.
De verklaring wordt op
23 april 1703 bevestigd in aanwezigheid van dezelfde getuigen. Sommigen kunnen niet schrijven en laten een kruisje zetten.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1659520 / 39
2 juni 1685 In het kasteel
De Goede Hoop in
Indië vroegen
Martin en
Johannes Bagherus, opperkoopmannen,
Andries de Man en
Hieronymus Cruse, kapitein, of zij een bepaalde steen kenden. Zij antwoordden ja en zeiden dat deze steen door de verbannen paus
Achmat Sale aan de heer commandeur was gegeven. De steen was eerst in een linnen doek, toen in een eigen kistje en uiteindelijk in een verzegelde doos voor extra veiligheid overhandigd aan de hoge regering van
Indië in aanwezigheid van de genoemde heren.
Andries de Man en
Martin Omande, hooggeplaatste heren in
Indië, droegen de secretaris
J. G. de Grevenbroeck op hiervan een officiële akte op te stellen. Dit gebeurde op
9 juni 1685 in het kasteel
De Goede Hoop.
J. G. de Grevenbroeck ondertekende als secretaris.
10 juni 1685 Er was zware regen, noordwestenwind. Het was Pinksterfeest en het Avondmaal van de Heer werd gevierd.
11 juni 1685 ’s Nachts was er een harde westenwind met bliksem, hagel, donder en regen. De hele dag waaide het vooral westenwind, die ’s ochtends zo sterk was dat schepen niet konden uitvaren. De schipper
Bouwe Hugs van der Leck kreeg een bevel: hij werd buiten commando gesteld en moest met de eerste goede wind naar
Batavia varen. Daar moest hij aan de hoge regering van
Indië, onder leiding van gouverneur-generaal
Joan Camphuijs en de heren raden, verantwoording afleggen voor zijn onbehoorlijke commando tijdens de reis van
Nederland naar
De Goede Hoop. Dit bevel was ondertekend door
Hendrick Adriaan van Reede op
11 juni 1685.
12 juni 1685 ’s Ochtends was het weer slecht met zware regen en westenwind, maar ’s middags bedaarde het en werd het ’s avonds aangenaam.
13 juni 1685 ’s Ochtends was het mooi weer met een zachte westenwind en zonneschijn. De schepen
Bantam en
Voorschooten gaven hun depêches af. Na afscheid te hebben genomen van de hoge edele, vertrok
Martin Omande, extraordinaris raad van
Indië, aan boord van
Batam om zo snel mogelijk de reis naar
Batavia voort te zetten.
14 juni 1685 Er was westenwind en koel weer.
15 juni 1685 ’s Nachts was er een harde westenwind met regen. ’s Ochtends scheen de zon en het weer was wisselvallig met weinig regen. Door de harde wind verloor het schip
Voorschooten ’s avonds een anker bij
Bantam.
16 juni 1685 ’s Ochtends was er westenwind en mooi weer, wat tot de avond duurde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10439 / 0583
Op
28 september kwam in
Leuven het nieuws dat
de hertog van Aarschot door
Brabant,
Vlaanderen en
Henegouwen was gekozen als hoofd en opperbevelhebber van het land.
De graaf van Lalaing werd zijn plaatsvervanger en
monsieur de Goigniez veldmaarschalk van het leger. Tot de oorlogsraad, gekozen door de 11 landen (
Brabant,
Vlaanderen,
Artois,
Henegouwen,
Rijsel,
Dowaai en
Orchies,
Holland,
Zeeland,
Namen,
Doornik,
Doornik,
Tournesiz en
Mechelen), behoorden onder anderen
de markies van Havré,
monsieur d'Oigniez,
monsieur de Wilderval,
monsieur de Sweveghem,
monsieur d'Evre,
monsieur de Steenbeke en
monsieur Deutinghen.
Op dezelfde dag kwam in
Leuven het bericht dat in
Gent 1600 soldaten van
Monsdragon en
Hierges waren aangekomen, samen met 12 grote kanonnen. Daarnaast volgden nog 40 vendels voetvolk en 1 vendel ruiters.
Op dezelfde dag waren in
Leuven ook 4 vendels voetvolk gearriveerd, namelijk die van
Jacques Merville,
Jan Raes van Grevenbroek,
Vlierden en
Berckele. Deze vertrokken op
3 oktober.
Op
1 oktober stuurde
Juliaen Romero, veldmaarschalk van de Spanjaarden, een vrijgeleide naar
Leuven zodat de inwoners veilig naar
Lier konden gaan om te handelen.
Op
2 oktober benoemden de stad
Leuven en de universiteit nieuwe commissarissen om geschillen op te lossen. Voor de stad waren dit onder anderen
Griecken of
Angelis,
Malcote,
Graven,
Lijnden,
de Seleere,
van der Calstren,
meester Jan Lievens (pensionaris) en
meester Adolph Dupretz. Voor de universiteit waren dit onder anderen
Dominus Doctor Du Baij,
Gaudanus,
Herebout,
Roels,
Boden,
Wijtvliet en de notaris
Sijlvius.
Op
6 oktober kwam in
Leuven het nieuws dat het kasteel van
Doornik door de troepen van de Staten was ingenomen. Ook waren de bisschop van
Namen,
de graaf van Meghem en
Beaurain met zijn broer
Houtepenne gevangengenomen bij
Givet.
Op dezelfde dag kwam in
Leuven het bericht dat de Spanjaarden de vorige nacht uit
Leuven waren vertrokken. Hierop vroegen de inwoners van
Leuven aan
Leuven om 1 of 2 vendels voetvolk te sturen. Als reactie hierop vertrokken de kapiteins
Grevenbroek en
Berckele uit
Leuven en kwamen op
6 oktober in
Leuven aan.
Op
9 oktober vertrokken uit
Leuven 2 vendels voetvolk onder de kapiteins
Vlierden en
van der Delft, samen met het paardenvolk van
de markies van Havré, om
de hertog van Aarschot te ondersteunen.
Op
12 oktober trokken de troepen van de Staten
Tienen binnen, en vertrokken de Duitsers onder
kolonel Frunsberger.
Op dezelfde dag keerde het vendel van kapitein
Grevenbroek terug in
Leuven.
Op
13 oktober kwam
de heer van Heeze in
Leuven aan en logeerde in De Hert. Op dezelfde dag kwam in
Leuven het vendel voetvolk aan onder kapitein
Herman Vaes.
Op
14 oktober kwam in
Leuven het nieuws dat een groot aantal Spanjaarden in
Merbeke was aangekomen. Ook kwam het bericht dat de Duitsers onder
kolonel Frunsberger een eed hadden afgelegd aan de Staten om de Spanjaarden uit het land te verdrijven.
Op
16 oktober trokken de Spanjaarden van
Zichem naar
Beringen. Hierop vroegen de inwoners van
Zichem aan
Leuven om hulp, omdat de Spanjaarden, die in
Tongerlo lagen,
Zichem dreigden aan te vallen. Als reactie hierop vertrokken uit
Leuven 60 soldaten van het volk van kapitein
Grevenbroek om
Zichem te ondersteunen. Hierdoor vroegen de inwoners van
Leuven aan de Staten om kapitein
Beernaerts onder het regiment van
Egmont te sturen om de stad te verdedigen, nu 60 soldaten waren vertrokken. Kapitein
Franchoijs Beernaerts kwam met zijn volk op
17 oktober in
Leuven aan, maar vertrok dezelfde dag weer naar het kwartier in
Tienen, omdat men zei dat de Spanjaarden in de buurt van
Tienen waren.
Op
16 oktober 's avonds kwamen alle studenten en geestelijken in
Leuven op de markt voor een inspectie. Samen met de Grote Gilde en de Gilde van Sint-Joris bleven ze tot de volgende ochtend op wacht, vanwege de slechte berichten.
Dominus doctor Joannes Wamesius bedankte hen voor hun plichtsbesef en moedigde hen aan dit vol te houden als het nodig was.
Op
19 oktober kwam in
Leuven het nieuws dat de burgers van
Maastricht, samen met 3 vendels Duitsers onder
de graaf van Eberstein (die daar in garnizoen lagen), de Spanjaarden hadden verdreven tot aan een kwartier van de stad genaamd De Wijk. Ook hadden ze gouverneur
Montesdoca gevangengenomen en waren 4 of 5 Spanjaarden dood. Maar dit was niet waar: op
20 oktober kwam het tegenovergestelde nieuws dat de Spanjaarden, met hulp van de Duitsers, de hele stad
Maastricht hadden ingenomen. Veel burgers waren gedood en de stad was geplunderd, met groot geweld.
Op
19 oktober kwam in
Leuven het vendel van
de heer van Heeze aan, sterk ongeveer 230 man.
Op dezelfde dag kwam in
Leuven het nieuws dat op
18 oktober de slag had plaatsgevonden op de brug van
Waelhem, boven
Mechelen, tussen het vendel van
Nicolaes de Ferrij, kapitein onder
de heer van Beerssele, aan de ene kant, en Spaanse ruiters en voetvolk aan de andere kant. Aan beide kanten waren veel slachtoffers gevallen. Het vendel van
Ferrij had steun gekregen van de inwoners van
Mechelen, en de Spanjaarden van de ruiters uit
Lier.
Op
25 oktober trok de bende van
de hertog van Aarschot van hier naar
Brussel.
Op
27 oktober trok kapitein
Oijenbrugge met 3 vendels voetvolk door
Leuven naar
Mechelen.
Op
28 oktober leenden de inwoners van
Leuven aan de Staten 4 veldkanonnen voor de verdediging van
Antwerpen.
Bekijk transcriptie kronieken / 891488 / 162
Op
28 april 1700 sloten
Hendrick Schellekens, weduwnaar van
Adriana Catharina van Aerdt en stadhouder van
Minderhout en meer land van
Antwerpen, en
Anneken Jans van Grevenbroeck, weduwe van
Nicolaes Janssen van de Puth, een huwelijkscontract in
Tilburg. Zij beloofden te trouwen, maar maakten eerst afspraken over hun bezittingen.
- De bruidegom bracht al zijn roerende en onroerende goederen, geld, zilver (gemunt en ongemunt) in.
- De bruid bracht haar roerende goederen in en ontving jaarlijks 5 gulden voor haar tocht (erfenis). De rest van haar tocht en erfgoed ging naar haar kinderen uit een eerder huwelijk.
- De erfgoederen en schulden van de bruidegom bleven na zijn dood bij zijn kinderen, maar de opbrengsten ervan kwamen tijdens zijn leven in de gemeenschappelijke boedel.
- Ieder betaalde zijn eigen schulden die voor het huwelijk waren gemaakt, zonder dat de ander daarvoor aansprakelijk was.
- Winsten gemaakt tijdens het huwelijk werden na de dood van de langstlevende verdeeld: de helft ging naar de kinderen van de bruidegom, de andere helft naar de kinderen van de bruid.
Er waren extra afspraken:
- Als de bruid eerst stierf, kregen haar kinderen eenmalig 50 gulden uit de gemeenschappelijke boedel.
- Als de bruidegom eerst stierf, mocht de bruid een huis en hof in Minderhout (bij de kerk aldaar, eerder bewoond door Adriaen van Mierop) gebruiken zolang ze leefde.
- Als Elisabeth Jans van Grevenbroeck, zus van de bruid, tijdens het huwelijk stierf, mocht de bruid alleen de opbrengsten van haar nalatenschap gebruiken. De erfgoederen zelf gingen naar de kinderen van Elisabeth.
De partijen beloofden deze huwelijksvoorwaarden na te leven. Het contract werd opgesteld in
Tilburg in aanwezigheid van
Hendrick Peijs en
Adriaen Smittens als getuigen. Het werd ondertekend door de partijen, de notaris
Arnold van Loon en de getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 290
Op
3 februari 1716 verscheen
Jan van Grevenbroeck, wonend in
Wassick, voor
Mette van Tilburg, openbaar notaris in
’s-Gravenhage. Hij bevestigde een huurovereenkomst te hebben gesloten met
Danis van Sasburgh en
Mangen op
15 juli 1715.
Jan van Grevenbroeck huurde voor 17 jaar de helft van een stuk land onder
Zijn Consick (bij
Grevenbroeck). De huur bedroeg:
- 21 gulden per graaf (maat) per jaar,
- 70 gulden per 7 graaf per jaar, in totaal 170 gulden Hollands.
De eerste betaling was verschuldigd in
1716, de laatste in
1719.
Voorwaarden:
- Hij moest jaarlijks 170 gulden betalen aan Jansen Saba in ’s-Gravenhage of waar Van Sasburgh dat opdroeg.
- Hij mocht het land slechts één keer per jaar bewerken en niet meer dan één paard of koe per 7 graaf laten grazen na 1 oktober. Bij overtreding verdubbelde de pacht.
- Hij moest schade vergoeden als hij te vaak ploegde of te veel vee liet grazen.
- Hij moest het land in goede staat houden, inclusief sloten, wegen en dammen.
- Hij moest de helft van de kosten voor onderhoud van sloten en andere werkzaamheden betalen.
De overeenkomst gold onder het gezag van de
Hove van Holland in
’s-Gravenhage. Bij geschillen zou de zaak voor de rechtbank komen.
Jan van Grevenbroeck en
Van Sasburgh verbonden zich hiertoe onder verpanding van hun bezittingen.
Getuigen waren
Michael van Tilburg,
Jan Brock en
Telbort Geerdt. De akte werd opgemaakt door
Bartholomeus De Hoogh.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1739623 / 180
De overige provincies die nog niet voldeden, werden aangespoord om hun bijdrage te betalen.
Een brief werd gestuurd naar Heuckelom en andere afgevaardigden, samen met enkele vertegenwoordigers van de Raad van State. Zij moesten de zaak onderzoeken, beoordelen en hierover rapport uitbrengen.
Er werd een brief ontvangen van het Collegie ter Admiraliteit in Amsterdam, gedateerd 17 van deze maand. Hierin werden Volckert Swart en Barent Hals voorgedragen voor een vacante kapiteinspost, vrijgekomen door het overlijden van kapitein Roderij van Prerenbreck. Na overleg werd besloten om Volckert Swart te benoemen. Hij zou een opdrachtbrief ontvangen en de vereiste eed afleggen.
De verzoeken van Anna van Eyck, weduwe van Cornelis van Grevenbroeck, heer van Helvoirt en Swijnsbergen, werden behandeld. Zij vroeg toestemming voor haar zoon Godefroy van Grevenbroeck, die monnik was in de abdij van Cornelis Munster, om naar Oirschot en andere plaatsen onder gezag van de staat te reizen voor medische behandeling. Dit verzoek werd afgewezen.
Het verzoek van Floris Carel van Beijeren, ook bekend als Schagen, heer van Poudrag en cornett van de compagnie van Prins van Tarente in garnizoen te 's-Hertogenbosch, werd goedgekeurd. Hij kreeg toestemming om voor 3 maanden naar Frankrijk te reizen voor persoonlijke zaken. Hiervoor zou hij een officiële akte ontvangen.
De afgevaardigden van de provincies Holland en West-Friesland deelden een brief van de schepenen van Amsterdam mee, samen met een kopie van een uittreksel uit de geprivilegieerde rollen. Dit betrof een Zweeds paspoort, gedateerd 16 van deze maand, gericht aan de Raden van Holland. Besloten werd om deze brief en het uittreksel door te sturen naar Noorden, agent de Heijde, die deze zou doorgeven aan Appelbom, de Envoyé van de Koning van Zweden, voor verdere informatie.
De afgevaardigden van de provincie Utrecht presenteerden de ratificatie van hun meerderen over het voorlopige akkoord betreffende het territoriale geschil van La Rochette. Hiervoor bedankten zij.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 197 / 0091
1752 in
Althoffen verscheen voor notaris
Anthonis Glavi de eerbiedwaardige
Arien Dirxe Grevenbroeck, wonend op de
Haarsteeg onder
Vlijmen in het land van
Heusden. Hij was gezond van lichaam en geest en maakte zijn testament bekend.
Hij droeg zijn onsterfelijke ziel op aan God en wenste een christelijke begrafenis. Vervolgens bepaalde hij dat zijn bezittingen na zijn dood zouden toekomen aan
Dirck Haessen Grevenbroeck en
Maria Pieters van Beijnen, zijn echtgenoten, en bij hun overlijden aan hun wettige nakomelingen. Alle erfenissen, goederen, schulden en vorderingen, waar ook ter wereld, zouden in hun bezit komen. Zij mochten ermee doen wat ze wilden, zoals verkopen of weggeven.
Hij reserveerde wel zijn bijen voor zichzelf. Mocht het echtpaar
Dirck Raessen Grevenbroeck en
Maria van Beijnen zonder kinderen komen te overlijden, dan zou de erfenis naar zijn naaste familie gaan die op dat moment in leven was.
Hij sloot alle andere erfgenamen uit en wees voogden aan die door
Dirck Grevenbroeck en
Maria van Beijnen zouden worden benoemd. Hij verzocht dat zijn testament zou worden uitgevoerd, of het nu gold als testament, codicil of schenking.
De akte werd opgesteld in
Nijmegen in aanwezigheid van
Arden van Meerwijck en
Wouter van Baest, inwoners aldaar.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703731 / 274
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 263
Op 2 januari 1696 in Tilburg gaf Cornelis Jansz van Grevenbroeck, koopman, aan Sint Pieter de opdracht om namens hem zaken te doen met Arnold Bolengier en Joan van Mettenhorsten, factoren in laken in Amsterdam. Sint Pieter mocht laken kopen en verkopen die nog bij Bolengier en Van Mettenhorsten lagen. Ook mocht hij geld ontvangen of betalen volgens de gebruikelijke koopmanspraktijken aldaar. Cornelis Jansz van Grevenbroeck beloofde alles wat Sint Pieter in zijn naam deed te eerbiedigen. Getuigen waren Johan van Heyst en Oors Nelis Nouwens. De notaris was Wittebol.
Op 8 januari 1696 in Tilburg huurde Cornelis van Dorden van Jorden Adriaens van Doren een brouwerij met ketel, koelbak, kuipen, vaten en andere benodigdheden achter het huis van de huurder. Ook huurde hij een plek om brandhout te leggen, een plek voor hoenderen of varkens, een kelder in het achterhuis en een zolder. De huur duurde 2 jaar, beginnend op 1 december 1695 en eindigend op 1 december 1696, met een jaarlijkse huur van 36 gulden. Cornelis van Dorden verbond zich met zijn bezittingen om te betalen. Getuigen waren Jan van Doren en Cornelis Nouwens. De notaris was opnieuw Wittebol.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069124 / 328
In
1756 werd
Anthoni Glarman benoemd als notaris voor de vrijheid en dingbank van
Oosterwijk door de Leenhof van
Brabant en
Overmaas. Hij hield een register bij van notariële akten van
1756 tot
1758, genummerd van 1 tot 7.
Enkele akten uit
1756:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730653 / 192
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 1500597 / 197
Op 25 april 1740 kwam Anthoni Glaviman, een openbaar notaris die was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en de landen van Overmaas in 's-Hage en woonachtig in de vrijheid Oosterwijk, samen met de getuigen Willem Grevenbroeck en Jan Hendrick Tabbers, die woonden onder de dingbank van Den Hout. Zij gaven aan dat hen via koop en opdracht, voor de schepenen van de vrijheid Oosterwijk op 1 juni 1739, een derde deel van een stuk akkerland was toegekomen. Dit land was in totaal 2,5 kopense groot en lag onder de genoemde dingbank van Oudenhout, bij de Huijsstraat aan de oostkant.
Zij sloten een overeenkomst waarbij Willem Grevenbroeck de voorste helft van dit derde deel zou hebben en behouden, en Jan Hendrick Tabbers de achterste helft, zoals zij dit zelf zouden afbakenen. Samen behielden zij het recht op de weg die daarbij hoorde. Willem Grevenbroeck moest aan Jan Hendrick Tabbers een voetpad over de genoemde erve leveren en laten.
De partijen beloofden deze afspraak naar behoren na te komen en deze altijd als geldig, vast en onveranderlijk te beschouwen. Zij verbonden zich hiertoe met hun persoon en goederen, nu en in de toekomst, zonder ooit bezwaar te maken of rechtszaken te voeren.
De akte werd opgesteld in de vrijheid Oosterwijk, op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Franciscus Baeijens, koopman uit 's-Bosch, en Willem de Gier, inwoner aldaar, als getuigen. De akte werd ondertekend door Willem van Grevenbroek, Jans Hendrick Tabbert, H. Burger en De Gul Mij, met Harman als present.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 283
Op
20 juli 1750 verscheen
Johan Adriaan van Meurs, openbaar notaris in
Den Haag, voor de heerlijkheid
Bilborgh. Hij noteerde dat
Leonard Goris, wijnkoopman uit
Amsterdam, zijn zwager
Jacob Maardingerwout, controleur van konvooien en licenten in
Tilburg, machtigde om in zijn naam geld op te eisen van
Anthonij van Grevenbroeck uit
Oirschot. Dit betrof een openstaande schuld voor geleverde wijn, volgens een eigenhandige afrekening.
Jacob Maardingerwout mocht:
- alle juridische stappen ondernemen, zoals een advocaat aanstellen;
- vonnissen afdwingen of in beroep gaan;
- schikkingen treffen.
Hij mocht ook iemand anders aanstellen om deze taken uit te voeren. Alles wat in zijn naam werd gedaan, gold als geldig.
Getuigen waren
Jan Huijsmans en
Hermanus Beckers, beide uit
Tilburg.
Leonard Goris en
Jan Huijsmans tekenden niet zelf;
Hermanus Beckers deed dit wel. De notaris,
Jan Meus, bevestigde de akte.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1803089 / 417
Op 19 september 1728 verscheen Janneke Elias Bock, weduwe van Aertjen Robben en woonachtig in Berckel, voor Andries van der Burgh, openbaar notaris in ’s-Gravenhage. Zij bevestigde een testament dat zij eerder, op 29 december 1726, had laten opmaken bij dezelfde notaris.
Zij benoemde als voogden over de onmondige kinderen van Aert Jacob Juggen en Aeltje (dochter van Jan Robben):
Deze voogden moesten samen of afzonderlijk de kinderen en hun bezittingen beheren voor hun welzijn. Ook benoemde zij dezelfde voogden voor de kinderen van Maria (dochter van Aert Jan Robben), wier vader Heijlige Aert Grevenbroeck was. Daarnaast werden Heijlige Aert Grevenbroeck, Anthonis Hove en Sack Brocken als voogden aangesteld.
Janneke Elias Bock sluit andere voogden en de schepenen van Oosterwijck uit, behalve hun wettelijke rechten. Zij vroeg om een officiële akte, maar kon door ziekte en zwakte niet zelf ondertekenen. De getuigen Bart Smulders en Adriaen Frans Arnelissen tekenden in haar plaats, samen met de notaris.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 279
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1730658 / 73
Op
20 september 1738 trouwden
Henne en
Peter van Jessel in
Deijlinge, met
Arien Martens Prieme als getuige.
Voor
Johan Ja Job Altesser, notaris in
Oosterwijk (Meierij van
's-Hertogenbosch), verschenen
Dirck Albertus en
Te Lighe, broers en zussen en meerderjarige kinderen van de overleden
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelia Verschueren. Zij woonden in de heerlijkheid
Tilburg en maakten een erfenisverdeling van de goederen van hun ouders.
Uit deze verdeling kreeg:
- Dirck:
- De deeler van het tweede lot moest Albertus 800 gulden betalen om het derde lot gelijk te maken.
- Hij moest een kleine belasting (cijns) van 4 stuivers en 4 penningen betalen aan de weduwe van heer en meester Fictor van Beucken op meidag. Dit gold voor een perceel genaamd den Biese Moste in den Hout.
- Voor een ander perceel moest hij drie cijnzen betalen aan de rentmeester van de bisschoppelijke goederen in 's-Hertogenbosch:
- 5 stuivers en 8 penningen,
- 4 stuivers en 8 penningen,
- 4 stuivers en 8 penningen.
- Albertus:
- Een huis, schuur, schop, boerderij en land met een stuk houtbos genaamd Pige Weg (8 Loopers), gelegen in Oosterwijk:
- Een stuk houtbos genaamd de Coste Veldekens (3 Loopers):
- Een stuk houtbos genaamd de Kortevelde Klas (4 Loopers):
- Een stuk houtbos (8 Loopers) bij de Brante Steegh:
- De helft van een huis en koff (tuin) aan de oostkant van de heerlijkheid Tilburg, aan de Oosterheijt:
- Oost en uit: de deeler van het tweede lot.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 10
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770685 / 18
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975140 / 275
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1769092 / 405
Op
8 november 1683 bevestigde
Cornelis Janssen van Grevenbroeck, huwelijkse man in
Tilburg, voor notaris
Joannes Wittebol schuldig te zijn aan
Pieter Jacob Rombouts uit
Sprang een bedrag van 250 gulden. Dit betrof de aankoop van een brouwketel, een kuip en ander brouwgerei. Hij beloofde dit bedrag in termijnen te betalen:
- 100 gulden direct, wat Pieter Jacob Rombouts bevestigde ontvangen te hebben;
- 75 gulden op Bamisse 1684 (een datum in 1684);
- 75 gulden op Bamisse 1685 (een datum in 1685).
Bij niet-nakoming verbond
Cornelis Janssen van Grevenbroeck zijn persoon en bezittingen. Getuigen waren
Sint Cornelis de Wijs en
heijliger Colen. De akte werd ondertekend door
Cornelis de Wijs,
heijliger Jan Kolen en
Pieterken Peeters.
Op
15 oktober 1685 bevestigde
Claes Accembre van Tilburg voor notaris
Wittebol 60 gulden ontvangen te hebben van
Cornelis Janssen van Grevenbroeck uit de schuld van 250 gulden. Hiermee werd deze deel van de schuld kwijtgescholden.
Op
15 november 1685 werd bevestigd dat
Jan Adriaen Wijnen uit
Sprang 20 gulden had ontvangen, waardoor de volledige schuld van 250 gulden was afgelost.
Op
8 november 1683 verklaren
Pieter Jacob Rombouts en
Pieterken Peeters voor notaris
Wittebol dat
Pieter Jacob Rombouts 70 gulden afstond aan
Jan Adriaen Wijnen uit
Sprang en 60 gulden aan
Claes Ariens van Tilburg uit
Cappel. Beide bedragen kwamen uit de schuld van
Cornelis Janssen van Grevenbroeck.
Pieter Jacob Rombouts deed afstand van verdere rechten op deze bedragen.
Op
10 november 1683 in
Tilburg gaf
Adriaen Arnt Maes, burgemeester en schepen, voor notaris
Joannes Wittebol volmacht aan
Johan van Breeij en
Abraham van Deventer, kooplieden uit
Amsterdam. Zij mochten namens hem vorderingen indienen bij de boedel van
Daniel Reeckenen de Pas voor openstaande schulden, inclusief het innemen van geld en het afsluiten van akkoorden. Getuigen waren
Sinte Jachgijsberts,
Ingenjes de Eers en
Peeter aan Willemssen. De akte werd ondertekend door
Maes Jan Verschueren en
Pieter aan Willemssen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069195 / 58
Op
23 maart 1723 sloten
Elias Robben, een rooms-katholieke priester in
Oosterwijk, en
Cornelis Jacobs van Wessel een huurovereenkomst af voor een boerderij in
Indenhout, nabij de
Schoorstraat. De boerderij bestond uit een woonhuis, schuur, stal, hoven, akkers, weiden, heiland, hooilanden en straatse welden, bekend als
de Grote Strijthoef.
Cornelis Jacobs van Wessel huurde de boerderij voor 8 jaar, beginnend op
1 mei 1723 en eindigend op
1 mei 1731. De huurprijs bedroeg jaarlijks 155 gulden, betaalbaar op
1 mei of de gebruikelijke verhuurdag. Daarnaast moest
Cornelis Jacobs van Wessel de gewone boerenlasten betalen en de eigenaarslasten dragen, voor zover deze gebruikelijk waren.
Beide partijen konden de huur opzeggen voor
Kerstmis 1726, waarna de huur zou eindigen op
1 mei 1727.
Cornelis Jacobs van Wessel moest jaarlijks 200 dakpannen leveren, met een waarde van 10 gulden, en de kosten hiervoor dragen. Hij mocht wel de afval van de dakpannen houden. De daglonen voor dit werk werden ook door hem betaald.
De overeenkomst werd opgesteld door notaris
Anthonij Glaviman in aanwezigheid van getuigen
H. Schaef,
d’ Heer Elias Robben,
heijliger van Grevenbroeck en
Jacobus van den Hove.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703627 / 42
De erven van
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelis Verschueren beloofden op
25 oktober 1720 in
Oosterwijk om eventuele extra lasten samen te dragen en te vergoeden. Zij bevestigden dit openlijk en beloofden snel te betalen. Om dit kracht bij te zetten, lieten zij de akte van erfscheiding en verdeling op
25 oktober 1720 vernieuwen en bevestigen, hetzij voor de schepenen van
's-Hertogenbosch, hetzij op de plaats waar de goederen lagen.
Dit gebeurde in aanwezigheid van
Johan Althoffer, secretaris van de vrijheid en bank van
Oosterwijk, en
IJbert Swaens, oud-burgemeester, als getuigen.
Dirk Cornelis van Grevenbroeck,
Aelbertus van Grevenbroeck,
heilige Cornelis van Grevenbroeck en
Huijbert Aans tekenden met een kruisje omdat zij niet konden schrijven.
Op
25 oktober 1785 werd een erfscheiding gedaan door de drie meerderjarige kinderen van
Cornelis Jansse Grevenbroeck en
Cornelis Verschueren. Voor notaris
Johan Jacob Althoffer in
Oosterwijk verschenen
Wouter Francis,
Adriaen en
Johan van der Sterre (getrouwd met
Maria), allemaal wonend in
Den Hout, en
Jan Broeke (getrouwd met
Annemaria), wonend in
Giersbergen. Zij waren allemaal meerderjarige broers, zussen en kinderen van
Jan Beekelmans en
Jenneke Bouwens. Zij bevestigden dat zij een erfscheiding en verdeling van de goederen hadden gedaan die door hun moeders waren nagelaten.
Hierbij viel
Wouter, zoon van
Jan Boekelmans, een deel van de erfenis toe.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1728094 / 15
Op
23 oktober 1700 maakten partijen afspraken over de afval die niet gebruikt kon worden voor reparaties aan de molen of het huis. Ze beloofden om hiervoor te zorgen en stelden hun bezittingen als zekerheid.
Adriaen Adriaensz van Eersel trad op als borg en hoofdsculdige. Dit gebeurde in
Heusden voor notaris
Gravia en getuigen
Cornelis van Heusden en
Jacob Gerrit Haes. De kosten bedroegen 4 gulden.
Op
11 november 1700 kwamen in
Oosterwijk verschillende erfgenamen van
Adriana van Hemert bijeen, waaronder
Adriaen Adriaensz van Eersel,
Willem Grevenbroeck,
Albert Cornelis Grevenbroeck,
Jan Baptist,
Amamaria weduwe Adriaen de Cort,
Adriaen de Bont,
Johanna Grevenbroeck weduwe Jan Piggen,
Maria Stijligers Grevenbroeck,
Petronella Cornelia Colen,
Jan Roijmans,
Huijbert van Berkel,
Annamaria Geraerts van der Put,
Johannes de Cock,
Francois de Coninck,
Guilhelmus de Coninck en
Arnoldus Pinenborg. Zij gaven
Adriaen Adriaensz van Eersel en
Willem Grevenbroeck de opdracht om de nalatenschap van
Adriana van Hemert te beheren. Dit omvatte het taxeren van goederen, het betalen van belastingen, het innen van schulden en het verkopen van bezittingen. Dit gebeurde voor notaris
Anthonij Glaiman en getuigen
Stephanus van der Henst en
Rer van Hemert.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 321
Francis Jan Piggen had een overleden halfbroer. Als deze zonder wettige nakomelingen zou overlijden (wat gebeurd is), dan moesten diens erfgenamen de overgebleven goederen na zijn dood afstaan aan de naaste familie van zijn grootvader
Adriaen Gommerts de Cort aan vaderskant. Deze familie, zonder verdere sterfgevallen, bestaat nu uit de ondertekenaars. Zij ontvangen een bedrag van 400 gulden.
De moeder van de overleden halfbroer,
Johanna Grevenbroeck, leeft nog. Daardoor is de erfenis nog niet definitief toegekend, want het is onzeker wie na haar dood het dichtst in leven is en recht heeft op het geld.
Johanna Grevenbroeck wil graag de laatste wil van haar zoon uitvoeren en zich ontdoen van de 400 gulden (ondanks dat ze niet verplicht is). De ondertekenaars, als rechtmatige ontvangers, bevestigen dat zij de 400 gulden van
Johanna Grevenbroeck (eerst weduwe van
Jan de Cort en later van
Jan Liggen) in zijn geheel hebben ontvangen en betaald gekregen. Zij ontheffen
Johanna Grevenbroeck en haar erfgenamen hiervan en beloven geen verdere claims te maken, nu of in de toekomst.
De akte is opgesteld in
Oosterwijck op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van
Arnout van Huis en
Jan de Gier (inwoners aldaar) als getuigen. Datum:
12 oktober 1700.
Ondertekend door:
De ondertekenaars bevestigen namens de betrokkenen dat zij, indien zij later (in zijn geheel of gedeeltelijk) recht zouden hebben op de 400 gulden, deze als voldaan en betaald beschouwen en
Johanna Grevenbroeck hiervan ontheffen.
Ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 125
Op 2 januari 1700 verscheen Anthonij Glavina, een openbaar notaris die in Den Haag was toegelaten door de Edele Mogende Raad van Brabant en het Land van Overmaas, voor notaris in de vrijheid Oosterwijk. Hij bevestigde in aanwezigheid van getuigen dat Elias van Grevenbroeck tevreden was met het beheer en de administratie die zijn broer Willem van Grevenbroeck (wonend in Den Hout) voor hem had uitgevoerd. Dit was gebaseerd op een volmachtbrief die op 15 januari 1748 was opgesteld door de heren burgemeesters, schepenen en raad van Groningen.
Elias van Grevenbroeck ontheffende Willem van Grevenbroeck van verdere verantwoording, rekening of bewijs. Hij bedankte zijn broer voor het zorgvuldige beheer van zijn goederen en verklaarde hem vrij van alle verplichtingen hieromtrent. Deze vrijwaring zou voor altijd gelden, onder verantwoordelijkheid van Elias van Grevenbroeck en zijn bezittingen.
De akte werd opgesteld in Oosterwijk op het kantoor van de notaris, in aanwezigheid van Arnout van Nuijs, Jan Wouters van de Wijs en Jan van Mij als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703736 / 76
Volgende pagina