Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
- De hoofdofficier (hoogste militair) had loon (soldij) ontvangen tot en met een bepaalde periode.
- Met het hele leger (gement) werd hij in 1864 voor 1286 dagen (ongeveer 3,5 jaar) ingezet.
- Hij kreeg loon voor 41 maanden en 4 dagen: bedragen van 30, 55, 15 en 27 (waarschijnlijk gulden).
- Hij ontving een extra uitkering (amortisatie) op basis van een besluit van de koning (Koninklijk besluit) van 5 maart 1881, artikel 17.
- Er was sprake van bespaarde bedragen (geld dat niet uitgegeven hoefde te worden): 30,89; 15,81; en 20.244,44.
- De documenten komen uit archieven in:
- Amsterdam (ADR A.S. Monster 42, 16)
- Rotterdam (archiefstuk Korthuis, hip. Maat.)
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 5196 / 0719
A. de Jong, een voormalig soldaat uit het leger in
Oost-Indië, had 12 jaar onafgebroken gediend. Volgens de regels had hij vanaf
1 september 1885 recht op pensioen.
Hij verliet echter al op
20 juni 1885 het
Hollandsch Werfdepot en dacht vanaf dat moment recht op pensioen te hebben. Daarom stuurde hij op
28 augustus 1885 een verzoek aan de
minister van Koloniën. Hij vroeg of zijn pensioen alsnog in kon gaan vanaf de datum van zijn ontslag, omdat hij sinds die tijd werkloos was.
De
minister van Koloniën besloot op basis van een reglement uit
24 augustus 1675 dat het verzoek van
de Jong niet kon worden goedgekeurd. Zijn pensioen bleef dus ingaan op
1 september 1885.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3885 / 0659
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606866 / 489
- Jacobus van der Groe en Eert de Marre waren aanwezig in Amsterdam als getuigen.
- Een persoon (niet bij naam genoemd) belooft:
- alleen te handelen of anderen te machtigen in rechtszaken, zowel als eiser als verdediger;
- alles te doen wat nodig is, binnen en buiten de rechtbank;
- zelf aanwezig te zijn of iemand te sturen die hem kan vertegenwoordigen.
- De akte is opgesteld door A. Cornelis Cuijs (als officier van Groenwoud).
- L. Parno bevestigt als notaris (datum onbekend) dat dit correct is vastgelegd.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606755 / 80
Cornelis Melijn kreeg de opdracht om de vlakte landen achter Kol Tappaan (bij het huidige Tappan in New York) en andere gebieden te verkennen. Hij moest onderzoeken of daar geschikte plekken waren om nederzettingen te stichten. Bij zijn onderzoek keek hij naar:
- rivieren en watervallen;
- hoe het land geschikt was voor akkerbouw en weiden;
- de aanwezigheid van bronnen, bossen, goud, visgronden;
- mogelijkheden voor jacht op wild en vogels.
Als de plekken geschikt bleken, zouden er nederzettingen worden gebouwd en zouden veel mensen zich daar vestigen.
De uitrusting en reparatie van het schip voor deze reis kostte ongeveer 5000 gulden. Melijn zou hiervan 2000 gulden betalen. Van dit bedrag werden de kosten voor twee paarden en vier kleine schepen (pincken) afgetrokken, die de heer van Naderhorst zou leveren. Andere noodzakelijke uitgaven zouden later worden verrekend via een schuldbrief. Afgesproken was dat de helft van de winst die uit de expeditie voortkwam (met Gods zegen) naar de heer van Nederhorst zou gaan.
Melijn zou na zijn terugkeer in Nederland weer vertrekken vanuit Amsterdam met een schip vol hout, vachten en bont. Voor de duur van 6 jaar zou hij vervolgens dienstdoen als bestuurder (baillieu) en schout (een soort politierechter) van de nieuwe kolonie, volgens specifieke instructies die hij nog zou ontvangen. De kolonie zou zelfstandig rechtspreken volgens de regels die de West-Indische Compagnie (WIC) had gegeven.
Vrije kolonisten konden een contract krijgen waarbij ze twee paarden, twee koeien en een huis kregen, plus 100 of meer morgens (een oude oppervlaktemaat) land. Hiervoor moesten ze een vijfde deel van hun oogst afstaan en de helft van de opbrengst van hun tuin (bastiael). Na een aantal jaren, als ze hun schuld hadden afbetaald, hoefden ze alleen nog de helft van de tuinopbrengst af te dragen. Voor de teelt van tabak en wijnstokken konden aparte afspraken worden gemaakt, afhankelijk van wat het meest voordelig was.
Beide partijen beloofden zich aan deze afspraken te houden en vroegen om een officiële akte, opgesteld door een notaris in de sterkste en bindendste vorm. Dit werd bevestigd op onbekende datum.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507155 / 116
Op
5 november 1614 verschenen voor
Jeurian de Ves, een beëdigd notaris van het
Hof van Holland in
Amsterdam, twee getuigen:
Simon Torm en
Mauritius Waterkamp, beide juweliers in de stad. Zij werden gevraagd om een verklaring af te leggen in opdracht van
Cornelis van Mek en
Isaak Melijn, kooplieden en voogden van de kinderen en erfgenamen van de overleden
Agatha Bellaart, weduwe van
Simon Sloot (die in zijn leven majoor was in
Batavia, Oost-Indië).
De getuigen bevestigden onder ede dat in het najaar van
1670 (de exacte datum konden ze niet meer herinneren) zij waren uitgenodigd:
Zij moesten naar het huis van
Isaak Melijn komen om daar, samen met andere aanwezigen, ruwe diamanten te bekijken en te beoordelen. Deze diamanten waren eigendom van de weeskinderen waarvan
Cornelis van Mek en
Isaak Melijn de voogden waren.
Bij de lange tafel in het huis van
Melijn waren ook aanwezig:
Er werden verschillende bundels met ruwe diamanten op tafel gelegd, zowel door
de Regten als door
Egmont en
Helt. De bundels waren goed verzegeld en voorzien van een stempel. De diamanten uit elke bundel werden geteld en gewogen om te controleren of alles klopte.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937144 / 446
Cornelis Melijn doet namens
Pieter Verlet een officiële aankondiging. Hij handelt hierbij als gemachtigde van
jonkheer Frederik van der Capelle, heer van
Boelhoff en executeur (uitvoerder) van het testament van de overleden
Hendrik van der Capelle, die in zijn leven heer was van
Esselt en
Hasselt en lid was van de
Staten-Generaal van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.
Eerder, op
8 en 10 augustus, vonden er onderhandelingen plaats tussen
Cornelis Melijn en
Frederik van der Capelle.
Melijn had de hoop dat zijn eisen ingewilligd zouden worden of dat het conflict opgelost zou worden. Bij deze gesprekken waren ook aanwezig:
In plaats van een oplossing kreeg
Melijn echter alleen algemene besprekingen over de zaak. Bovendien werd hij onverwacht op
18 september gedwongen om binnen 6 weken een rechtszaak te beginnen tegen
Van der Capelle. Als hij dat niet doet, mag hij nooit meer over deze kwestie beginnen (een "eeuwig zwijgen").
Melijn ziet dit als een tactiek van
Van der Capelle om hem moeite, kosten en tijdverspilling te bezorgen, in plaats van hem te geven wat hem rechtmatig toekomt.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936876 / 116
Op 30 april 1740 lieten Gerard van der Paart en Anna Maria Laarhoven, een getrouwd stel uit Amstel (bij Nieuwer-Amstel, nu Amsterdam), een testament opmaken bij notaris Jan Willaars. Gerard was gezond, maar Anna Maria lag ziek in bed. Ze waren allebei helder van geest en wilden vastleggen wat er met hun bezittingen (de "nalatenschap") moest gebeuren na hun dood.
Ze maakten alle eerdere testamenten ongeldig en stelden nieuwe regels op:
- De langstlevende van de twee erft alles van de eerststervende, ongeacht of ze kinderen hebben of niet. Als er wel kinderen zijn, erven die later ook alles, maar pas na het overlijden van de langstlevende.
- Als de langstlevende hertrouwt, moet die persoon twee mannen kiezen als getuigen. Deze getuigen moeten een verklaring opstellen over het geld of de spullen die de kinderen (uit het eerste huwelijk) krijgen. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan hun wettelijke erfdeel (het minimale bedrag waar kinderen volgens de wet recht op hebben).
- De langstlevende mag het geld of de spullen van de kinderen gebruiken (bijvoorbeeld de opbrengsten ervan houden) tot de kinderen meerderjarig zijn (18 jaar) of eerder trouwen.
- Als het echtpaar geen kinderen heeft op het moment dat de eerste ouder sterft, erft de langstlevende alles. De familie van de overledene (zoals ouders) krijgt alleen hun wettelijke erfdeel.
- De langstlevende moet de kinderen (als ze meerderjarig zijn of trouwen) een redelijke uitkering geven, bijvoorbeeld voor een huwelijk. Als de kinderen het niet eens zijn met dit bedrag, krijgen ze alleen het minimale bedrag dat de wet voorschrijft.
- De langstlevende wordt ook voogd over de minderjarige kinderen en mag hun geld en spullen beheren. Hij of zij mag zelfs iemand anders aanwijzen om later (na zijn/haar dood) deze taak over te nemen.
- Er komt geen toezicht van een weesmeester (iemand die toeziet op de belangen van wezen) of andere instanties, waar de familie ook woont of sterft.
Het testament werd opgesteld en voorgelezen door de notaris. Gerard en Anna Maria bevestigden dat dit hun laatste wilsbeschikking was.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5307756 / 13
- Op 1 februari 1720 kwamen Drans Meester Eeul (overburenraad van Stitswerd, provincie Groningen) en enkele getuigen bijeen om een verkoopovereenkomst vast te leggen. De getuigen waren:
- Zij handelden namens hun kinderen, die de enige erfgenamen waren van Kir ueldte barie uit haar eerste huwelijk.
- De erfgenamen wilden een huis met tuin en appelhof in Leermens verkopen. Het huis:
- Lag aan de Kerklaan en had een jaarlijkse huurwaarde van 6 gulden (plus een kleine extra vergoeding).
- Grenzen: noord = heemweg, oost = Spistiaf en Lummer, zuid = Zummer en een paal, west = een pad.
- Voorwaarden van de verkoop:
- Het huis werd verkocht "zoals het was", zonder garantie. Kopers konden niet klagen over gebreken of schade claimen.
- Alle rechten, lasten (bekend/onbekend) en lokale belastingen gingen over naar de koper.
- De koopsom gold alleen voor wat duidelijk binnen de grenzen (paal en nagelvast) lag.
- De betaling voor het land moest gebeuren bij de aankoop; voor het huis uiterlijk 1 mei van dat jaar.
- Alle lasten op het huis vanaf 1 februari waren voor rekening van de koper.
Bekijk transcriptie NL-GnGRA / 85 / 44 / 0148
-
Op 17 februari 1661 maakte Jan Thamessz, een koopman uit Amsterdam (wonende achter de Oude Kerk in de Out Konijnssteeg), zijn testament bekend bij notaris Willem Goude. Hij was ziek maar bij zijn volle verstand.
-
Jan herriep alle eerdere testamenten en stelde zijn vrouw Judith Bulies aan als enige beheerder van alle bezittingen (huizen, meubels, zaken, schulden, rechten) tot haar dood of hertrouw. Zij mocht alles gebruiken, maar niet verkopen of beschadigen.
-
Na Judith’s overlijden (of hertrouw) erven hun kinderen Jans, Jannesje, en Neeltje (uit een eerdere relatie) alles in gelijke delen. Als een kind eerder sterft, gaat diens deel naar de nakomelingen.
-
Jan sluit specifiek uit dat andere kinderen of familie (zoals Abraham Huijlman of Efgenamen van Santen) aanspraak kunnen maken op de erfenis. Wie dat probeert, krijgt alleen het wettelijk minimum (legitieme portie).
-
Het testament is opgesteld in Amsterdam bij notaris Goude, met getuigen Abraham Kuijleman en Bernardum van Santen. Jan bevestigde alles mondeling en ondertekende met "JanS" (met een handtekening-kruisje).
-
De notariële akte kostte 15 gulden en 5 stuivers, inclusief belasting ("Adeu namedes Bedren").
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 607573 / 32
- De overheid besluit dat een eerdere brief gekopieerd en gestuurd moet worden naar het Admiraliteitscollege in Amsterdam. Zij moeten snel reageren en zich strikt houden aan het reglement van 5 april 1669 over bepaalde belastingen (voeringen). Afwijken mag alleen met uitdrukkelijke toestemming van de Hoge Mogenden (de Staten-Generaal).
- Ook het Admiraliteitscollege in Zeeland krijgt een strenge brief: zij moeten hun eerder gegeven vrijstellingen voor belastingen (voeringen) en de invoer van lakens, kerszijden en baaien uit Engeland direct intrekken. Zij moeten zich houden aan de landelijke regels, zonder uitzonderingen te maken zonder toestemming van de Hoge Mogenden.
- Als het Admiraliteitscollege in Amsterdam de vrijstellingen voor schippers en bootsgezellen opnieuw heeft ingevoerd, moet Zeeland hiervan direct bewijs opsturen. Daarna wordt besloten wat er verder moet gebeuren.
- De akten van bekrachtiging (ratificatie) van de Triple Alliantie (bondgenootschap tussen Nederland, Engeland en Zweden) zijn klaar en aangekomen in Den Haag op 3 mei 1670.
- De Heren van Ommeren en andere afgevaardigden voor de Triple Alliantie krijgen opdracht om:
- de akten van ratificatie uit te wisselen met de andere landen;
- verslag uit te brengen over hoe dit is gegaan;
- aan Herald Appelboom (een Zweedse gezant) een briefje te overhandigen, waarmee Zweden vrijgesteld wordt van een eerder genoemde borgsom.
- De Commissarissen van de Wisselbank in Amsterdam moeten aan Herald Appelboom 500.000 gulden betalen. Dit bedrag is al afgeschreven van de rekening van de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden en goedgekeurd door Nicolaes Rochus van de Capelle, schepen van Amsterdam, via twee bankbrieven:
- één van 480.000 gulden, gedateerd 4 maart 1670;
- één van 20.000 gulden, gedateerd 14 maart 1670.
- Henricus van Hegelsom, een wereldlijke priester uit Venray (in Gelderland), vraagt toestemming om voor 6 tot 8 weken naar de Meijerij van 's-Hertogenbosch te mogen reizen om daar zijn werk te doen. De beslissing hierover wordt niet in deze tekst vermeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3281 / 0408
Marritgen Jans, dochter van
Styntge Pieters, gaf op
8 november 1653 een volmacht aan de burgemeesters, schepenen en raad van de stad
Zwolle. Dit was een kopie van het origineel, dat dateerde van
1 december 1652.
Op dezelfde dag (
8 november 1653) verschenen voor notaris
Adriaen Lock en getuigen de volgende personen:
Deze groep verklaarde dat zij gezamenlijk 6 grafplaatsen in de oude kerk bij het
hoog altaar van Isbrants bezaten. Ze spraken af hoe ze de kosten voor onderhoud en gebruik zouden verdelen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965426 / 477
Op 5 augustus 1639 werd in Amsterdam een overeenkomst getekend waarbij Gabriel Ferdinandus Portugees volmacht kreeg om namens een andere persoon (de "constituant") alle minnelijke schikkingen te regelen. Hij mocht:
- afspraken maken en ondertekenen,
- bemiddelaars aanwijzen,
- een woonplaats kiezen voor juridische zaken,
- vonnissen accepteren of weigeren, zoals zijn "goede raad" hem ingaf.
Hij beloofde dit alles eerlijk te doen, alsof de constituent zelf aanwezig was. Getuigen waren Jacob van Ewiten en Jan van Hogen.
Op dezelfde dag erkende Gabriel Ferdinandus Portugees dat hij van Jacob van Nieulant (wonende in het Hof van Holland in Amsterdam) 150 gulden had ontvangen. Dit bedrag was onderdeel van een schuld van 186 gulden die Jacob van Nieulant verschuldigd was aan Phillippe George. Gabriel Ferdinandus verklaarde dat deze vordering aan hem was overgedragen en bedankte Jacob van Nieulant voor de betaling. Hij beloofde Jacob van Nieulant te beschermen tegen eventuele claims van Phillippe George of anderen, onder dreiging van beslag op zijn bezittingen. Getuigen waren Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.
Op 12 augustus 1639 bevestigde Jacob van Nieulant (namens zichzelf en zijn schoonmoeder, Maria van Hoij) dat hij van Gabriel Ferdinandus Portugees 10 stuivers had ontvangen. Dit was voor kosten en maaltijden die bij hem thuis waren gemaakt. Hij bedankte voor de betaling en beloofde Gabriel Ferdinandus vrij te houden van verdere claims. Getuigen waren opnieuw Samuel de Maijer en Anthonij Haringh.
Op 2 augustus 1629 verklaarde notaris Willem Thijt dat hij, op verzoek van koopman Willem de Vries, naar het kantoor van koopman Wouter Lenaertsz was gegaan. Daar hoorde hij van een dienstmeid dat Wouter Lenaertsz niet aanwezig was, maar dat zijn moeder wel bereikbaar was. Bij Wouter Lenaertsz’ moeder toonde de notaris een wisselbrief die aan Wouter Lenaertsz was gericht en door hem geaccepteerd. De notaris vroeg om snelle betaling.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510996 / 104
- In 1696 verklaarde een getuige dat de overleden Pietertje Jans in augustus van dat jaar, tijdens haar laatste ziekte, had gezegd dat ze hulp nodig had met linnen of slaaplakens.
- Pietertje zei dat ze slaaplakens had in een bepaalde kist en vroeg aan Hendrickje Pieters (een andere getuige) om hulp.
- Daarom haalde Pieters (waarschijnlijk een familielid) samen met Hendrickje Pieters drie bekende lakens uit een schip en gaf die aan de vrouw van de aanvrager (de persoon die deze verklaring liet opstellen) als excuus.
- Pietertje Jans wilde niet dat iemand in de genoemde kist zou kijken.
- De getuigen bevestigden dat ze dit zelf hadden gehoord, gezien en meegemaakt.
- Deze verklaring werd opgesteld in Amsterdam in aanwezigheid van Nicolaes Nieulant en Melchior de Reeder als getuigen.
- De notaris Jannes Wolmer stelde dit document op, en Geertruij Hendricks Nieulandt (weduwe) betaalde de notaris Loots voor zijn werk.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320329 / 157
Isaac Pool, een notaris die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam, ontving op
7 december 1779 een verklaring van
Pieter Mulier, die ook in
Amsterdam woonde.
Pieter Mulier verklaarde het volgende:
De overleden
Juffrouw Helena Nieulandt had op
11 augustus 1767 een testament laten opmaken bij notaris
Johannes Benkelaar. In dit testament had zij haar broer,
Hendrik Nieulandt, aangesteld als haar enige erfgenaam.
Daarnaast had
Helena Nieulandt bepaald dat, als haar broer
Hendrik Nieulandt zonder kinderen zou komen te overlijden, een bedrag van 15.000 gulden zou worden nagelaten aan haar neven en nichten:
Dirk Mulier,
Pieter Mulier,
Maria Mulier,
Magtilda Mulier en
Fredrik Mulier. Deze vijf waren de kinderen van
Pieter Mulier en
Magtilda Steenhoff (of hun nakomelingen, als zij nog in leven waren op het moment dat
Hendrik Nieulandt overleed).
Er golden wel een paar voorwaarden bij deze erfenis:
- Als een of meer van deze erfgenamen voor hun 25ste overleed en ongehuwd was, ging diens deel van de erfenis automatisch naar de andere erfgenamen, zonder dat er belasting of kosten van af gingen.
- De erfgenamen mochten niet zelf beslissen om het geld anders te verdelen of te besteden.
Dit was duidelijk en uitdrukkelijk vastgelegd in het testament.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486035 / 199
Nicolaes van Oot en
Abigael van Nieulandt (namens
Isacq Sangeniet, boekverkoper) spreken af dat ze voor de rechtbank zullen verschijnen, persoonlijk of via een vertegenwoordiger met volledige volmacht. Als een partij drie keer niet komt opdagen, verliest deze het recht om bezwaar te maken. De zaak wordt dan beslist op basis van de argumenten van de partij die wel aanwezig is, alsof beide partijen erbij waren.
Zij kiezen hun officiële woonplaats voor deze zaak:
-
Nicolaes van Oot: zijn adres in
Amsterdam.
-
Abigael van Nieulandt: het adres van
Isacq Sangeniet in de
Vedelaarsteeg in
Amsterdam.
Alle officiële mededelingen en oproepen zullen op deze adressen worden bezorgd.
De partijen af dat ze geen verdere bezwaarmiddelen zullen gebruiken en zich vrijwillig onderwerpen aan de uitspraak van de
Hoge Raad van Holland. Ze benoemen hiervoor onherroepelijk hun vertegenwoordigers:
- Voor
Nicolaes van Oot:
Martijn Deijmz en
Abraham van Hoogburgh (beide advocaten bij de
Hoge Raad), samen of afzonderlijk.
- Voor
Abigael van Nieulandt:
Adriaen Copmoijen en
Willem Schuijffhil (ook advocaten bij de
Hoge Raad), samen of afzonderlijk.
Deze vertegenwoordigers mogen de veroordeling aanvragen en namens hen optreden zonder dat er nog extra oproepen of toestemming nodig is. Beide partijen beloven dat ze alles zullen nakomen wat hun advocaten in deze zaak doen en dat ze hen schadeloos zullen stellen.
Deze overeenkomst is opgesteld in
Amsterdam op
24 november 1667, in aanwezigheid van de getuigen
Wijbrant Wijlrantsz en
Jacobus van Heussen (beide inwoners van
Amsterdam). De notaris is
Dirk Doornick.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965081 / 257
Marijtje Montenacq, de weduwe van
Pieter Verschuijl, heeft op
21 februari 1732 een officiële volmacht (procuratie) afgegeven.
- Deze volmacht is opgesteld door notaris Jacobus Hagerbeer.
- Het document is geregistreerd onder nummer 19.
- De volmacht is ook voorzien van een officiële stempel (gegrosseerd).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975498 / 85
Op 14 augustus 1672 verscheen Marten Deynen, een volwassen man die normaal in Londen (in Engeland) woont, voor notaris Pieter Baes in Haarlem. Hij bevestigde officieel dat hij het volledig eens is met alles wat Jan Montenacq, een koopman uit Goes, heeft gedaan tijdens Marten Deynen zijn minderjarigheid.
Jan Montenacq handelde namelijk als zijn vervangend testamentair bewindvoerder (iemand die het geld en bezit beheert voor een minderjarige). Dit gold voor:
- alle financiële afhandelingen,
- rechtelijke stappen,
- afspraken en overeenkomsten,
- en alles wat Jan Montenacq in die hoedanigheid had gedaan, ongeacht met wie of waarover.
Marten Deynen verklaarde dat hij dit alles net zo geldig vond alsof hij het zelf als volwassene had gedaan. Hij beloofde ook dat hij zich aan alle afspraken zou houden. Daarnaast gaf hij expliciet aan dat hij geen verdere rekeningen, bewijzen, bezwaar of voorbehouden zou maken tegen Jan Montenacq.
Hij stemde er ook mee in dat Jan Montenacq een officiële kwijting (een bewijs dat alles is afgerond en goed is gegaan) zou krijgen voor zijn werk als bewindvoerder. Hiervoor zou later een aparte akte worden opgesteld.
Deze verklaring werd opgesteld in Haarlem, in het bijzijn van de getuigen Dirck van Rossum en Jan du Laat.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975031 / 152
Pieternella Carlot, een weduwe van
Abraham Goderns die in
Haarlem woonde, ging op
21 september 1693 ’s middags naar notaris
Assuerus Benus. Deze notaris was officieel erkend door het
Hof van Holland en de
magistraat van Haarlem.
Pieternella was ziek, maar leek helder van geest en kon goed praten. Ze zei dat ze, omdat iedereen ooit sterft en niemand weet wanneer, haar zaken wilde regelen. Ze vertrouwde haar ziel na haar dood toe aan Gods barmhartigheid en liet haar lichaam achter voor haar erfgenamen, zodat ze een fatsoenlijke begrafenis kon krijgen.
Ze maakte alle eerdere testamenten, codicillen (aanvullingen op een testament) of andere soortgelijke documenten die ze eerder had gemaakt, ongeldig. Dit nieuwe testament maakte ze vrijwillig, zonder druk van anderen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842950 / 354
Op
12 juli 1642 verschenen twee getuigen,
Jan Staes (ongeveer 30 jaar) en
Dirck Mont (ongeveer 41 jaar), beide inwoners van
Amsterdam, voor notaris
Barent Coop van Groen. Zij verklaarden op verzoek van koopman
Jacob Pruijs (ook uit
Amsterdam) het volgende:
- De schipper Willem Schipper Willem Thebbes van der Schell kwam recent uit Danzig met een lading rogge van 20 lasten, die hij daar van Reijnier van Heemskerck had gekregen.
- Toen het schip in Amsterdam lag, vroeg Pruijs meerdere keren om een lichter (klein vaartuig) om de rogge over te laden, omdat het schip niet in een bepaalde mast kon liggen.
- Op 7 juli gebeurde dit uiteindelijk. De getuigen bevestigden dat Schipper herhaaldelijk had gezegd dat de rogge die uit zijn schip kwam, eigendom was van Pruijs en niet van Pieter Hendricksz.
De getuigen beloofden dit altijd te kunnen bevestigen. De akte werd opgemaakt in aanwezigheid van
Jan Fransz Maeckel,
Jan Fransz Sael,
Jan Hans, en
Jan Fransen Sael.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936807 / 100
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 606882 / 110
In een overeenkomst uit 1716 werden de volgende afspraken gemaakt over een huis:
- Jacob Cornelisse Santvoort (de koper) mocht de betaling uitstellen, maar moest wel:
- de verponding (een soort belasting) en het honderdste penning (1% belasting) voor 1717 betalen;
- alle extra kosten dragen, zoals de veertigste penning (2,5% belasting), tachtigste penning (1,25% belasting), een extra heffing (tiende verhooging), en de kosten voor het opstellen en verzegelen van de documenten.
- De huurder, Pieter Pieter, mocht 38 biersten (oude inhoudsmaat) hout uit het huis gebruiken voor zijn werk, op voorwaarde dat hij het dak weer in dezelfde staat terugbracht als hij het aantrof. Hij mocht ook zijn eigen spullen meenemen als hij vertrok.
- De getuigen Jochem ter Braack en Jan Barentst waren aanwezig bij het opstellen van de akte.
- Drie mannen – Gijsbert van Leeuwen, Abraham de Bevoij en Claas van Heukelum – stonden borg voor Jacob Cornelisse Santvoort. Zij beloofden dat als Santvoort de koopsom niet op tijd betaalde, zij zelf de schuld zouden overnemen en betalen. Hiervoor zetten zij hun bezittingen en persoon als zekerheid in.
De akte werd ondertekend in het bijzijn van de getuigen Willem Baart en Pieter Albertus Vernatie, met Nots. Pub. Baas (de notaris) als officiële getuige.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843018 / 834
Op
10 december 1716 kwamen voor
Cornelis Baart, een openbare notaris in
Haarlem, de volgende personen:
De eerste groep verkocht en
Jacob Cornelisse Santvoort kocht een huis met erf en een tuin erachter in de
Vlamingstraat in
Haarlem. Het huis grensde:
Het huis werd verkocht met alle rechten en plichten, zoals:
- eigen of gedeelde muren
- heiningen, tuinen, waterlopen, dakgoten, licht, lucht en andere vrijheden of verplichtingen
- oude documenten over het huis
De koper hoefde geen reparaties uit te voeren of diensten te vergoeden. Hij kreeg dezelfde rechten als de weduwe
Montenacq had. De koopsom was
360 gulden, te betalen in drie termijnen:
- de eerste termijn van 120 gulden op 1 mei 1717 (bij de overdracht)
- de tweede termijn van 120 gulden op 1 mei 1718
- de derde termijn van 120 gulden op 1 mei 1719
Bij te late betaling moest de koper een rente van
20% betalen vanaf de vervaldatum tot de volledige betaling.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843018 / 833
Pieter Heuschen maakte een rekening op als
procuratie (volmacht) en gaf advies. De rekening was ondertekend door
Juan Christoffo Kelm op
7 november 1661 en mede-ondertekend door
Montenacq.
Het adres op de brief was:
"Monsieur Pieter Montenacq te Amsterdam",
en er stond ook
"in opdracht van Anthonie van Winder".
De notaris
Anthonie Lock bevestigde dit als officiële notariële akte. Hij zette erbij:
"Quod attestor rogatus" (wat betekent:
"Ik bevestig dit op verzoek").
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965443 / 754
Op 15 oktober 1666 verklaarde Johannes Oli, een openbare notaris uit Amsterdam, het volgende voor de ondergetekende getuigen:
Op verzoek van François Montenac (getrouwd met Martijntgen Moutenac en erfgenaam van de overleden Servaes Montenac) en namens zijn schoonzus Elisabeth Montenac (ook een dochter en erfgenaam van Servaes), werd een verklaring voorgelezen aan Joris Becqs (getrouwd met Mouwijntgen Montenac, eveneens een dochter en erfgenaam van Servaes).
De verklaring luidde:
- Joris Becqs en zijn zwager Abraham Beuijse hadden eerder bij François Montenac een intrekking (terugtrekking) en annulatie (ongeldigverklaring) aangevraagd van een volmacht (toestemming om namens anderen te handelen). Deze volmacht was op 9 februari 1665 opgesteld door de andere erfgenamen bij notaris Willem Kittensteijn in Haarlem. Het doel was om de zaken van de nalatenschap van Servaes Montenac af te handelen en schulden te innemen.
- Daarnaast hadden zij schuldenaren verboden om openstaande bedragen aan François Montenac te betalen.
- Hierdoor konden de openstaande rekeningen van de nalatenschap niet worden afgerond, wat kon leiden tot onnodige schulden voor alle erfgenamen, waaronder François Montenac.
- Joris Becqs en Abraham Beuijse beweerden dat François Montenac nooit een duidelijk overzicht van zijn beheer had gegeven. Dit was onjuist: Montenac had op 22 september 1666 de boeken en rekeningen aan Becqs en de andere erfgenamen getoond, zowel individueel als in groepsverband. Hij was altijd bereid geweest dit te doen en bood aan dit opnieuw te laten zien.
- Becqs en Beuijse waren een rechtszaak begonnen over deze kwestie, terwijl François Montenac en Elisabeth Montenac juist een vriendelijke en eerlijke verdeling van de nalatenschap wilden.
De verklarenden (François en Elisabeth Montenac) protesteerden via de notaris tegen de onterechte intrekking van de volmacht en het betalingsverbod. Zij eisten dat alle kosten, schade en rente die hierdoor waren ontstaan (en nog zouden ontstaan) op Joris Becqs en zijn bezittingen zouden worden verhaald, mocht dat nodig zijn.
Joris Becqs vroeg om een kopie van deze verklaring en bevestigde dat hij deze in de juiste vorm wilde ontvangen, zonder bedrog.
De akte werd opgemaakt in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Charles Vignom en Dirck Rendorp.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937203 / 305
Volgende pagina