Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Steven van Schuppen verklaarde dat hij op basis van de hem gegeven volmacht over zijn minderjarige kind Johanna van Schuppen tot voogden benoemde zijn broer Jochem van Schuppen en Jan de Waal, beiden wonend in Stichts Veenendaal. De voogden kregen de macht om zelf weer anderen te benoemen en alle andere voogden en meesters werden uitgesloten. Jochem van Schuppen en Jan de Waal verschenen en verklaarden de voogdij te accepteren en aan te nemen. Hiervan werd een akte opgemaakt in Veenendaal in aanwezigheid van getuigen Jacob van Wijk en Cornelis van Asperen.

15 oktober 1796 's avonds om 9 uur verscheen voor notaris Jan Smith in Veenendaal en in aanwezigheid van getuigen Gra Klomp, weduwe van Jan de Bijee, wonend in Stichts Veenendaal. Zij was bij vol verstand en bekwaam om een testament te maken. Zij gaf te kennen dat zij over haar nagelaten goederen wilde beschikken op basis van het octrooi dat zij 30 mei 1776 van het Hof van Utrecht had verkregen.

Bekijk transcriptie 


3 maart 1794 kwam Everdje de Bijll, weduwe van Dirk van Schuppen en wonend in Veenendaal, voor notaris Jan Smith. Zij verklaarde dat zij samen met haar zoon Steven van Schuppen van Wernard Jacob van Bergheyk (luitenant-kolonel en groot-majoor van Utrecht) 3 hofsteden had gekocht:

  1. Een hofstede genaamd den Heuvel, bestaande uit een huis, 3 bergen, een schuur en 2 schaapstallen met bijbehorende bouw-, wei- en baggerlanden
  2. Een hofstede genaamd Taaijenhorst, bestaande uit een huis, een schuur en 3 bergen met bouw-, wei- en baggerlanden
  3. Een hofstede genaamd Vlieten Oort, bestaande uit een huis, een schuur en 3 bergen met bouw-, wei- en baggerlanden

Deze hofsteden lagen onder de heerlijkheid Amerongen en waren belast met een jaarlijkse erfpacht van 59 gulden ten behoeve van de domeinen van Utrecht. Everdje de Bijll gaf haar zoon Steven van Schuppen de volmacht om namens haar met de verkoper Wernard Jacob van Bergheyk de koopovereenkomst op te stellen en te ondertekenen, onder verbintenis van haar persoon en goederen. Ook mocht hij zich melden bij de rentmeester en tinsmeester van de domeinen.

Bekijk transcriptie 


Pieter van Schuppen verklaarde dat nadat zij had gehoord wat er al was voorgevallen tussen haar schoonvader Steeven van Schuppen en de eerder genoemde констабелs, zij zich op donderdag 12 augustus 1790 naar het huis van genoemde Poel had begeven en aan diens vrouw had verteld wat zij van haar zusje, de vrouw van Jan Godrou, had gehoord.

Bekijk transcriptie 


29 juli werden de geachte David Rutgers en Jan van Hoeck, beide kooplieden in zijden lakens en aanverwante handelswaren in Amsterdam, door de heer Bartholotti verzocht om 5 stukken grof grijs laken te bekijken en de schade te beoordelen. Ze moesten de stukken openen en voor de beschadiging de aftrek bepalen. In aanwezigheid van de notaris zagen zij dat 1 van de 5 stukken (in zilverkleur) onbeschadigd was, maar de 4 andere beschadigd waren. De schade en aftrek taxeerden zij als volgt:

Dit maakte in totaal 16 el aftrek over de 4 beschadigde stukken. Getuigen waren Pieter Nieuwerck en Pieter Stoffelsz.

25 juli 1643 verscheen voor notaris Joost van de Ven in Amsterdam Pieter Boortens, die verklaarde dat hij Dirck Wouters Boortens volmacht gaf om hem te vertegenwoordigen voor de heren commissarissen van het watergerecht. Dit betrof een zaak waarbij Broer Huijgen, stuurman van Enkhuizen, eiser was en hij verweerder. Specifiek moest Dirck ontkennen dat hij had toegezegd Broer Huijgen tot schipper te maken of hem een geschikt schip te bezorgen. Wel had hij gezegd dat als er een gelegenheid zou zijn, hij een goed woord voor hem zou willen doen, maar niet meer dan dat. Getuigen waren Joannes Kieft en Reijmer Demmers.

25 juli 1643 ging notaris Joost van de Ven op verzoek van de heer Gaspar Loschart, koopman te Amsterdam, met diens knecht naar het huis van de weduwe van Claes Jacobsz Smit bij de Nieuwe Oliemolen. De weduwe en haar 2 zonen toonden 2 zakken met nummers 19 en 67. Zij verklaarde dat eergisteren 3 of 4 personen, scheepsvolk, met een schuiten voor haar deur waren gekomen met deze 2 zakken vol lijnzaad vermengd met rijstkorrels. Ze boden dit te koop aan en zeiden dat ze bootsgenoten waren en het geld met 14 personen moesten delen, en dat ze het van hun schipper hadden gekregen. De weduwe kocht het lijnzaad tegen de volle waarde. De matrozen toonden ook een monster van ander lijnzaad aan en wilden dat verkopen, zeggende dat ze een goede partij daarvan in het schip hadden. De weduwe weigerde dit te kopen omdat het te vochtig was. Hiervan maakte de notaris een verklaring.

25 juli 1643 verscheen voor notaris Joost van de Ven in Amsterdam de h

Bekijk transcriptie 


24 mei 1642 verschenen voor notaris Joost van de Ven in Amsterdam de heren Celio Marcelis (ongeveer 41 jaar oud) en Jacques Schuijt (ongeveer 32 jaar oud), beiden kooplieden in de stad. Zij verklaarden op verzoek van Caspar Rutsz het volgende:

Getuigen waren Hareck van de Velde en P. Stoffelsz.

Op dezelfde dag, 24 mei 1642, verschenen voor notaris Joost van de Ven in Amsterdam:

Zij verklaarden het volgende:

Getuigen waren Samuel Moijaert en Hareck van de Velde.

Op 24 mei

Bekijk transcriptie 


Nicolaas Ruts heeft een schip bevracht van Cassen en anderen uit Scheelingen, groot ongeveer 160 lasten. Het schip moet met de eerste gelegenheid hiervandaan vertrekken en in 3 of 4 plaatsen volgens alle schepen die de stad daartoe commandeert, deellading laden. De vrachtprijs per last deel is 12½ stuiver, wat in totaal neerkomt op 13 gulden 7 stuiver 8 penningen.

De schipper Thijs Ariansz heeft aan Lijsbet Sijverts, dochter van weduwe Anaptijss zijn moeder, 500 gulden geleend voor de helft van een smal schip genaamd St. Joris van 12 last. De betaling is als volgt: eerst 200 gulden, 200 gulden over een jaar daarna en de resterende 100 gulden weer een jaar later.

Pouwels van Cabis heeft het schip De 3 Broeders, groot ongeveer 60 last, bevracht. Het schip vaart hiervandaan naar de beije en weer naar Kockengen en weer terug hier, voor hem en zijn vader.

Eentmach Pouwele Pietersz van Vlissingen vaart op het schip St. Pieter, groot 55 last, vanuit Vlissingen naar Verwcasteel of Schotland, van daar naar Calais voor 3 maanden langer naar overeenkomst op het halve scheepsrecht tot Vlissingen.

Leuyts heeft Gerck Jnss van Kophde bevracht om te varen naar Goetaten, 100 lasten. Met de eerste gelegenheid vaart het schip naar Croosvlij en vervolgens naar andere plaatsen om lading te laden. De vrachtprijs is 15 gulden 5 stuiver.

Gerrit Jasz Lindewerr en Dick Wycents hebben buiten Uyntseke een legaat aan hun huis van 300 pond ontvangen, zijnde een vierde part van 1000. Het betreft een deel halve en halve tussen hen.

Hans Welder van Caeml heeft aan Jan Peterssz du Bren 6000 Zweedse ellen steen verkocht, te leveren dit jaar, iedere el tot een bepaalde prijs te betalen.

14 juni 1672: Namens Jans Welems is er een procedure tegen Fredricx van Houtvleggen te Sluys. Philliys van Haathvelt protesteert tegen de arrestatie of gijzeling van de genoemde persoon, die in dienst van het land is en hier ter stede staat. Hij is niet arresteerbaar en is competent voor zijn eigen rechters. Bovendien is hij reisklaar om te vertrekken naar Erme Cmpe waar hij noodzakelijk moet zijn. De gijzeling veroorzaakt hem merkelijke schade en nadeel. Hij verzoekt uitdrukkelijk om tegen de kosten, schade en interessen door de gijzeling gedaan en geleden, vrij te worden gesteld van de gijzeling.

Pielte Barents

Bekijk transcriptie 


24 november 1637 verschenen voor notaris Cornelis Touw de volgende getuigen: Willem Willemsz Jansson (ongeveer 30 jaar oud), Jacob Grand (adelborst, ongeveer 30 jaar oud) en Gerrit Hendrix (ook adelborst, ongeveer 29 jaar oud). Zij verklaarden onder eed op verzoek van Melchier Abbens (sergeant) dat zij enkele jaren in verschillende functies gediend hadden op Recife de Pernambuco in Brazilië, onder andere in de jaren 1634, 1635 en 1636. Zij verklaarden dat zij Lubbert Cock goed gekend hadden, die daar sergeant was geweest. Lubbert Cock was 2 oktober 1635 op Recife overleden en had zijn vrouw Grietge Pieters achtergelaten met 1 kind en zwanger van een tweede kind. Grietge Pieters beviel 13 december 1635 en dit kind stierf 3 weken later. De getuigen verklaarden ook dat zij aanwezig waren geweest toen de aanvrager in maart 1636 op Recife de Pernambuco met deze weduwe getrouwd was. Dit gebeurde in Amsterdam in aanwezigheid van getuigen Gerrit Schouten en Jan Jansz.

24 oktober 1637 verscheen voor notaris Cornelis Touw heer Nichees Ruts de Jonge, wonend in Marseille en op dat moment in de stad aanwezig. Hij verklaarde dat hij ongeveer 12 jaar geleden met Anneken Juriaens van Quackenburg een natuurlijke zoon had verwekt genaamd Jacob Claesz, die nu woonde bij Dirck Roeloffsz (leermaker). Omdat Anneken Juriaens onlangs in 's-Gravenhage overleden was, verklaarde hij dat hij Maijken Pieters (de vrouw van Dirck Roeloffsz) gemachtigd had om namens het kind van de juiste personen de goederen, erfenis en nalatenschap op te eisen die het kind door het overlijden van zijn moeder Anneken Juriaens zou toekomen. Zij mocht hiervoor kwijting geven, zonodig borgstelling leveren, en bij weigering juridische stappen ondernemen. Zij mocht voor alle hoven, gerechten en rechters verschijnen en namens het kind procederen, zowel als eiser als als verweerder, en zij mocht 1 of meer anderen machtigen om haar te vervangen. De volmachtgever beloofde alles wat de gemachtigde zou doen te zullen erkennen en nakomen, en de gemachtigde was verplicht op verzoek verantwoording af te leggen over haar handelingen.

Bekijk transcriptie 


25 mei 1639 verscheen Lijsbetge Alberts, weduwe van Elsz Visch, bijgestaan door een notaris. Zij verklaarde dat Cornelis Dircksz Cool op haar verzoek de voogdij over de goederen van haar overleden zoon Harmen Jansze Vis, die hij had bij Hadewijn Pieters, op zich had genomen. In plaats van een eerdere voogdij was al een bepaald bedrag aan haar kant gegeven. Zij was bang dat er iets fout was gegaan met de afhandeling, omdat volgens de wet de zaak onder borgen en voogden kennis had moeten worden uitgezet. Zij hoorde dat Hadewijn Cornelis Dircksz Cool en haar schoonzoon wilde ontslaan van hun taken.

Daarom vroeg zij vriendelijk of Cornelis en haar schoonzoon Pieter Parijs, die samen met haar in de voogdij waren benoemd, de voogdij wilden voortzetten. Zij gaf hen hierbij volledige macht om het geld van de kinderen op deposito of tegen rente uit te zetten, met of zonder borgen, ten behoeve van de kinderen van haar zoon. Dit gold ondanks een eerder gedane sommatie of protest van Hadewijn via een notaris en getuigen enkele jaren eerder.

De verschenen persoon beloofde, bijgestaan als hierboven, haar schoonzoon Parijs en Cool en hun nabestaanden te beschermen tegen alle schade en moeilijkheden die al gevallen waren en nog zouden vallen door hun beheer, of het geld nu uitgezet was met of zonder geschrift, alleen op het woord en vertrouwen van de schuldenaar. Zij zou hen vrijwaren, bevrijden en schadeloos stellen, nu en voor altijd, als borg en hoofdelijk aansprakelijke voor de kinderen of op andere wijze zoals dat volgens de wet mogelijk was. Hiervoor verbond zij haar persoon en goederen, aanwezig en toekomstig. Zij deed afstand van haar rechten, waaronder de uitzondering dat eerst de hoofdschuldenaar moet worden aangepakt, het vrouwenvoorrecht, het Senatus Consultum Velleianum en de stadsrechten die vrouwen beschermen tegen het zich verbinden voor anderen. Zij wilde dat, indien dit niet als contract zou gelden, het dan zou gelden als testament, schenking uit vrije wil of anderszins.

Op dezelfde datum verscheen Anna van Apperloo, weduwe van wijlen Niclaes Ruts, poorter van Amsterdam, bijgestaan door de notaris als haar gekozen voogd. Zij benoemde en machtigde hierbij haar zoon Davidt Ruts om namens haar te procederen en zich te verdedigen in alle geschillen, eisen en aanspraken die Steffen Roelants te Hamburg, of andere personen te Hamburg, Gotenburg, Kopenhagen of andere plaatsen in koninkrijken, steden of op het platteland zouden willen instellen tegen de nalatenschap en goederen van haar wijlen man. Hiervoor mocht hij voor alle rechtbanken optreden, alle rechtsdagen waarnemen, een of meer procureurs aanstellen, rekenen, schikken, compromissen sluiten, uitspraken goedkeuren of daarvan in beroep gaan, geld ontvangen en kwijting geven, en verder alles doen wat zijzelf in persoon zou kunnen doen. Zij beloofde alles wat haar zoon en diens plaatsvervangers zouden doen goed te ke

Bekijk transcriptie 


De schuldenaar moest als hij de lening eerder wilde aflossen (na toestemming van de schuldeiser) het verschil in rente bijbetalen tussen de afgesproken 5,5% en de rente die de schuldeiser bij een nieuwe belegging zou krijgen. De betaling van het geleende bedrag en de rente moest gebeuren aan en bij de schuldeiser of diens gemachtigde, zonder kortingen of verrekeningen, indien nodig in goed Nederlands goudgeld of grof zilvergeld van de huidige kwaliteit en gewicht. Alle kosten van deze akte, inschrijving, opzegging, doorhaling en andere kosten die voortvloeiden uit deze overeenkomst kwamen voor rekening van de schuldenaar, ook de kosten die de schuldeiser nodig vond om zijn rechten te beschermen, zodat de schuldeiser het geleende bedrag en de rente volledig ontving.

Voor extra zekerheid dat de schuldenaar het geleende bedrag met rente, extra rente en kosten zou terugbetalen, verleende de schuldenaar een eerste hypotheekrecht aan de schuldeiser op:

Een huis en erf te Haarlem aan de Nagtzaamstraat nummer 63, kadastraal bekend gemeente Haarlem in Sectie E nummer 3464, groot 88 centiaren. Dit onroerend goed was eigendom van de schuldenaar en volgens zijn verklaring vrij van hypotheekrecht. De schuldenaar had dit in eigendom gekregen door overschrijving ten hypotheekkantore te Haarlem op die dag in deel 1260 nummer 5 van het afschrift van een akte van overdracht van 29 september laatstleden voor de notaris.

Verder was tussen partijen afgesproken:

  • De schuldenaar moest het onderpand in goede staat onderhouden, mocht de waarde niet verminderen of de aard of bestemming niet veranderen. Hij mocht het zonder schriftelijke toestemming van de schuldeiser niet langer dan 1 jaar per keer verhuren volgens plaatselijke gebruiken en niet onder de werkelijke huurwaarde, alleen tegen contante huur. Hij mocht in geen geval vooruitbetaling van huur afspreken of ontvangen.
  • De schuldenaar moest het gebouw en later te bouwen gebouwen naar tevredenheid van de schuldeiser bij een Nederlandse brandverzekeringsmaatschappij tegen brandschade verzekeren en verzekerd houden tot de schuld was afgelost. Hij moest de polis aan de schuldeiser geven en op verzoek altijd de kwitanties van betaalde verzekeringspremies tonen. Bij brandschade zouden de verzekeringspenningen tot het bedrag van de hoofdsom en verschuldigde rente in de plaats komen van het onderpand, maar het recht van de schuldeiser op het onderpand zelf bleef bestaan. Alle rechten en vorderingen uit het verzekeringscontract werden overgedragen aan de schuldeiser.
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Amelong interpreteerde een bevel verkeerd en raakte ervan overtuigd dat het commando over de Sipaijers (inheemse soldaten) volledig van hem was afgenomen. Hij had de order anders moeten begrijpen, want de vaandrig Diedenhoven leverde maandelijks een sterktelijst in, gaf overledenen op en vroeg om wapens en uitrusting. Amelong bleef verantwoordelijk voor het oefenen en had als commandant nog kort geleden persoonlijk de algemene inspectie geleid.

Door dit verkeerde begrip probeerde Amelong sindsdien steeds ruzies met vaandrig Diedenhoven uit te lokken. Diedenhoven was echter een vredelievend man en probeerde dit te vermijden. Toen Amelong zijn doel niet bereikte, ging hij over tot een grove belediging: op 20 januari nam hij Diedenhoven voor het hele garnizoen de militaire eer af en maakte hem verdacht als een onbetrouwbaar persoon.

Diedenhoven diende hierover een schriftelijke klacht in. De schrijver van de tekst nam informatie in bij de Europese sergeanten in het garnizoen en vroeg Amelong om verantwoording, zoals blijkt uit de bijgevoegde vragen. Amelong gaf geen begrijpelijk antwoord. De schrijver vroeg Diedenhoven om nadere uitleg en bood alle papieren over de zaak aan aan de hoger geplaatste autoriteiten.

De schrijver stelde Amelong onder huisarrest om erger te voorkomen en verzocht om orders hoe met de commandant gehandeld moest worden. Amelong was onverdraaglijk en werd door iedereen gehaat, zowel bij de militie als de marine. Alle officieren van beide soorten hadden conflicten met hem gehad. Ook de schrijver zelf moest vaak beledigingen van Amelong slikken om te voorkomen dat hij in een verkeerd moment door hem aangevallen zou worden.

Een jaar eerder had Amelongs losbandig gedrag bij een conflict met vuurwerker Jan de Gruiter bijna geleid tot een opstand van de militairen tegen de artilleristen, wat moord en doodslag had kunnen veroorzaken als de schrijver deze ruzie niet geblust had.

Volgens de schrijver was het nauwelijks mogelijk om Amelong te verbeteren, omdat zijn aangeboren hoogmoed hem van zijn zinnen leek te beroven.

Bekijk transcriptie 


23 juli 1645 werden vanuit Paleacatta verschillende goederen verscheept aan boord van het schip De Vrede. De lading was op last van Wollebrant Geleijnsz de Jongh en Caerel Constant. Het schip voer onder schipper Douwen Aukus en onderkoopman naar Paleacatta, waar de goederen bestemd waren voor gouverneur en directeur Arnoldt Heusens of bij zijn afwezigheid zijn gemachtigde.

De lading bestond uit:

  • 5 paarden (1 wit paard met zwarte vlekken en andere kleuren) met voer voor 5 maanden:
    • 8.103 pond gerst à 7 gas per 6 pond
    • 7.735 pond gehakt stro à 4 gas per 6 pond
    • 55 zakken waarin de gerst zat à 1¼ massa per stuk
    • 33 stromatten voor het opvullen van stro à 3 massa per stuk
    • Kosten voor vervoer, bewerken en inladen van de gerst
    • Totale kosten voor de 5 paarden met voer: 1.870 gulden en 12 stuivers
  • 1 kist van binnen met lood bekleed, gemerkt "fruiten voor Paleacatte", met daarin:
    • 300 pond rozijnen à 8 massa per 30 pond
    • 60 pond blauwe rozijnen à 10 massa per 30 pond
    • 30 pond vijgen
    • 120 pond hazelnoten à 50 massa per 30 pond
    • 60 pond pistaches à 47½ massa per 30 pond
    • 105 pond pruimen à 20 massa per 30 pond
    • 600 pond amandelen in 4 zakken gemerkt "Amandelen voor Paleacatta" à 8¾ massa per 30 pond
    • Kosten voor verpakking, draagkosten en inladen
  • 2 rollen rood fluweel voor gouverneur Arnoldt Heusens à 95 massa per stuk
  • 1 zak gemerkt "alcatijven en vellen" voor gouverneur Heusens en heer De Gruiter met daarin:
    • 6 leren huiden à 15 massa per stuk
    • 60 bokkenvelletjes (30 witte en 30 zwarte) à 3½ massa per paar

De totale waarde van de lading bedroeg 2.342 gulden en 12 stuivers. Het document was ondertekend door Wollebrant Geleijnsz de Jong en Caerel Constant.

Bekijk transcriptie 


24 april 1789 werd er een vergadering gehouden waarin verschillende zaken werden behandeld.

  • Er was een brief ontvangen van resident Gerrit Pungol uit Riouw, gedateerd 13 april, samen met een duplicaat van 16 februari.
  • Luitenant Wolterus Amelong, die dienst deed als commandant van de militie in Riouw, had de bezetting van de Compagnie overgedragen aan de resident.
  • De resident kreeg toestemming om een vertrek te laten bouwen in het fort op Tanjong Pinang om buskruit in op te slaan. Dit moest met pannen worden gedekt zodat het buskruit veilig was bij brand.
  • De gewone vuurwerker Johan Frederik Schutz mocht van Riouw terugkomen.
  • In zijn plaats werd bombardier Jan de Gruiter, die op deze dag tot buitengewoon vuurwerker was benoemd, naar Riouw gestuurd. Hij kreeg een nieuw contract van 5 jaar met een salaris van 30 gulden per maand.
  • De soldaat Rama Nagapatnam uit Nagapatnam, die bij het verlaten van Riouw gevangen was genomen maar weer was teruggekeerd, mocht weer in dienst van de Compagnie treden met een gebruikelijke betaling van 5 rijksdaalders per maand vanaf de dag van zijn terugkeer in Riouw.
  • Op de loonrekening van Jan Pieterse, de bevelhebber van het schip de Standvastigheid, moest 1573 pond rijst in mindering worden gebracht omdat deze te weinig was uitgeleverd in Riouw.
  • Een verklaring van hoofdadministrateur Hierens werd besproken over overleden en weggelopen lijfeigenen en onbruikbaar geworden en verspilde goederen gedurende de laatste 6 maanden van het boekjaar 1788/1789.
Bekijk transcriptie 


Abraham van Offenburch kreeg bij overlijden 400 Carolus guldens. De nagelaten kinderen van Joost Ruts, genaamd Catlijnt, Anneken en Saerken, of bij vooroverlijden van iemand van hen aan hun wettige nakomelingen, kregen samen 600 Carolus guldens. Cornelis Dircksz, getrouwd met Magdaleentge Ruts, of Magdaleentge zelf of haar kinderen, moesten op hun deel van de 600 guldens in mindering brengen wat zij aan de testateurs (de mensen die het testament maakten) schuldig waren.

Hans van Coninghsloo kreeg 400 Carolus guldens. Gillis van de Put, hun neef, of bij zijn overlijden zijn kinderen, kregen 600 Carolus guldens. De langstlevende testateur zou in een bepaald geval aan Abraham de Sadelaer, hun neef, of bij zijn overlijden aan zijn kinderen, 600 Carolus guldens geven. Ook Gillis de Sadelaer, hun neef, of bij zijn overlijden zijn kinderen, kregen 600 guldens. Sara, dochter van Pieter de Sadelaer, en Sara, dochter van Janneken de Sadelaers, beiden vernoemd naar de testatrice (de vrouw die het testament maakte), kregen elk 60 guldens.

Als hun kind of kinderen zouden sterven zonder wettige nakomelingen, dan zouden alle goederen die door het laatst overleden kind nagelaten werden als volgt verdeeld worden:

De testateurs verklaarden dat dit hun testament en laatste wil was. Het testament werd opgesteld in Amsterdam in het huis van de testateurs.

Als de langstlevende opnieuw zou trouwen, moest deze aan hun kind of kinderen en erfgenamen bewijzen wat volgt: een bedrag van 4000 Carolus guldens zuiver, waarbij de langstlevende alle goederen in eigendom zou behouden en alleen alle lasten en schulden van de boedel zou moeten dragen. Of anders de helft van alle goederen die op dat moment bij de boedel waren, uitgezonderd de huisraad, inboedel, schilderijen, zilverwerk, kleding, kleinodiën en juwelen van beide testateurs. Dit was naar keuze van de langstlevende testateur.

De testateurs stelden Effenburch, Coenraets en de Sadelaers aan tot voogden, samen met de langstlevende test

Bekijk transcriptie 


Abraham de Haas en Pieternella van der Stricht, een echtpaar wonend in Gouda, dienden 16 februari 1807 een verzoek in bij de stadsraad. Ze hadden regelmatig ruzie en huiselijke twisten, waardoor ze gedwongen waren om met toestemming van de raad een contract op te stellen voor een scheiding.

Er was een officieel contract opgesteld door notaris Johan David Schiffer met getuigen erbij. De echtelieden vroegen de raad om dit contract goed te keuren.

Ze wilden gescheiden worden van:

  • tafel
  • bed
  • samenwoning
  • goederen

Ook vroegen ze om een openbare bekendmaking dat geen van beiden vanaf dat moment nog schulden mocht maken op naam van de ander.

De stadsraad van Gouda bekeek het verzoek en het contract. 5 mei 1807 keurde de raad het verzoek goed en ging akkoord met de scheiding tussen Abraham de Haas en Pieternella van der Stricht van tafel, bed, samenwoning en goederen. Er werd aangekondigd dat geen van beiden meer schulden op naam van de ander mocht maken. Hiervan werd op die dag de gebruikelijke openbare bekendmaking gedaan.

Bekijk transcriptie 


Jan van Baalen, Lambartus Ruigers, Hendrik Spit, N. Weijman en Jan Koster richtten zich tot de Raad van Gouda. Ze vroegen de Raad dringend om onmiddellijk maatregelen te nemen. De stadsbelasting die 31 december was ingevoerd moest ook voor de gemalen goed worden nageleefd. Door een verkeerd begrip werd er nu brood en meel van buiten de stad naar binnen gebracht zonder dat daar belasting over werd betaald. Dit moest worden gestopt. De verzoekers wilden dat hun rechten als inwoners die stadslasten betaalden werden gehandhaafd. Ze vroegen ook om bekendmaking en om een besluit zonder uitstel. De beslissing op dit verzoek stond in de vergadering van de Raad van 17 april 1807.

De ondergetekende commissarissen van de openbare vleeshal in Gouda schreven aan de Raad van de stad. Kort na de verordening over vee van 6 december 1805 begonnen vreemde slagers die op het platteland woonden vlees van buiten de stad binnen te brengen. Ze verkochten dit aan de huizen van inwoners. Dit was zeer nadelig voor de vleeshouwers en spekslagers en voor de stadsfinanciën. De Raad had hier 7 januari 1806 tegen ingegrepen met een bekendmaking en boetes voor overtreders.

Deze maatregel leek nu zijn effect te hebben verloren, vooral sinds de invoering van de nieuwe stadsbelasting van 8 extra stuivers per pond bovenop de oude stadsbelastingen. Veel inwoners brachten nu openlijk vlees en spek van buiten, van het platteland of kleinere steden waar geen openbare hal was, naar binnen Gouda. Dit berokkende grote schade aan het bestaan van de slagers en aan de stadsfinanciën. Het zou zelfs mogelijk worden dat slagers binnen Gouda niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien.

De verzoekers voelden zich genoodzaakt om snel voorziening te vragen tegen de invoer van vlees en spek. Ze hoefden geen nieuwe wet maar alleen handhaving van de bekendmaking van 7 januari 1806. Deze moest ook voor spek gelden, want dat stond er niet uitdrukkelijk bij. Een verbiedende bekendmaking naar aanleiding van het verzoek van de bakkers en molenaars zou daarvoor een goede gelegenheid zijn.

De verzoekers vonden het onnodig om alle lasten, regels en boetes waar vleeshouwers van de openbare hal aan onderworpen waren uitgebreid op te sommen. Ook de 8 extra stuivers per pond die nu werden geheven droegen daaraan bij. Het nadeel voor de stadsfinanciën door de invoer van vlees en spek van buiten hoefden ze niet breed uit te leggen. Dit was de Raad te goed bekend en ook al krachtig uitgedrukt in de bekendmaking van 7 januari 1806.

Bekijk transcriptie 


In de maanden waarin er geen garnizoen in de stad aanwezig was, zijn bij de ontvanger Hendrik Smaasen 2.500 Amsterdamse zakken aangegeven en gemalen. In de maanden januari en februari van dit jaar waren dat, ondanks het aanwezige sterke garnizoen, slechts 1.574 zakken. Dit verschil van ruim 920 zakken leverde een schade op van 1.110 gulden in 2 maanden voor de stadsfinanciën. Omdat deze invoer steeds bekender wordt, neemt dit dagelijks toe en zal de schade van dag tot dag groeien.

De verzoekschrijvers waren van plan zich hierover te richten tot Zijne Majesteit de koning van Holland, zoals zij aan de raad hadden gemeld, en vroegen daarbij om medewerking. Na verdere overweging hebben zij dit plan echter moeten laten varen. Zij zijn er namelijk van overtuigd dat geen ander college of persoon dan deze raad de bevoegdheid en autoriteit heeft om tegen dit verkeerde begrip en de schadelijke gevolgen op te treden. Tegelijkertijd kan de raad het bestaan en levensonderhoud van ruim 30 inwoners van deze stad en hun huisgenoten voor een totaal verlies behoeden. Een verzoek aan de koning of een ander college, zonder tussenkomst van de raad, zou als een belediging worden beschouwd.

De verzoekschrijvers zijn echter weinig aangemoedigd, omdat de raad tot nu toe huiverig lijkt om krachtdadig op te treden, ondanks dat hij volledig zeker is van de werkelijke invoer van brood en meel van buitenaf en van de nadelen hiervan voor de stadsbelastingen en de bakkers en molenaars. Toch menen de verzoekschrijvers geen vrijheid te hebben zich elders te vervoegen voordat zij al hun pogingen bij deze raad hebben beproefd en van de uitslag zeker zijn.

De verzoekschrijvers brengen hun verzoek om krachtdadige voorziening bij de raad, met vertrouwen op een goede beslissing. Zij stellen dat:

  1. De raad het heffen van bovengenoemde stedelijke belasting heeft ingesteld overeenkomstig het voorschrift van Hun Hoogmogenden van 15 december 1805, en op volledige goedkeuring van Zijne Majesteit de koning van Holland.
  2. Het vanzelfsprekend is dat een college dat bevoegd is tot het heffen van stedelijke belasting, ook bevoegd moet zijn om alle nodige maatregelen te nemen ter handhaving van die belasting en ter verwijdering van alle overtredingen en slechte praktijken waardoor men die belasting probeert te ontwijken.
  3. De ingevoerde 8 stuivers per pond zijn weliswaar ingesteld volgens algemene voorschriften voor plaatselijke belastingen, maar komen overeen met en vervangen de eerder onder andere namen geheven, maar nu opgeheven stadsbelastingen. Omdat die oude stadsbelastingen door de tijdelijke regering van deze stad krachtdadig werden gehandhaafd, is deze raad ook bevoegd en verplicht te zorgen voor de juiste inning van genoemde belasting binnen deze stad en te zorgen dat alles wat deze belasting krachteloos maakt wordt weggenomen.
  4. De door deze raad op 31 december 1806 vastgestelde en gepubliceerde verordening betreffende de invoering van genoemde belasting bewijst dat alle stedelijke verordeningen als betrekking hebbend op de handhaving van goede orde en politie door dit college zullen worden gehandhaafd. Alle tegenstand zal volgens de vastgestelde straffen zonder enige aarzeling worden gestraft. Het is onbetw
Bekijk transcriptie 


D.S. Adams, burger en inwoner van Gouda, vroeg aan de stadsraad om toestemming om een schuitenhuis te mogen bouwen. Hij had de huur overgenomen van de baan buiten de Doelenpoort die aan de stad toebehoorde. Hij wilde daar een bergplaats voor zijn visschuitje hebben. Adams verzocht of hij op eigen kosten een schuitenhuis in de stadsgracht mocht laten bouwen, met de vrijheid om het weer weg te halen als de huurjaren afliepen.

31 maart 1807 keurde de raad van Gouda het verzoek goed. Thomas Philip Adams kreeg toestemming om bij de gehuurde baan buiten de Doelenpoort in de stadsgracht een schuitenhuis te bouwen voor zijn visschuitje. Hij mocht het ook weer weghalen als de huurjaren voorbij waren. Het besluit werd ondertekend door J.s L. Hess.

Een aantal ondertekenaars, allemaal burgers van Gouda of wonend buiten de stad maar wel onder de rechtsmacht van de stad, wendden zich tot de stadsraad. Zij droegen dezelfde lasten als de inwoners van de stad. Ze waren blij dat de stadspoorten in de maanden mei, juni, juli en augustus tot kwart voor 11 uur 's avonds open bleven. Ze vroegen of de poorten het hele jaar door tot kwart voor 11 uur 's avonds open konden blijven tegen betaling van het normale poortgeld. Zo konden zij 's avonds een uur langer bij vrienden in de stad blijven, net zoals stedelingen in de zomer langer buiten de stad konden verblijven.

De ondertekenaars waren:

Bekijk transcriptie 


Op 21 februari 1731 werd vanuit Ceylon gerapporteerd over de levering van kaneel. In het voorgaande jaar moest eind september naar het vaderland worden verzonden met het schip. Het hoge bestuur schreef op 8 augustus dat de hoeveelheid van 1488 balen niet voldoende zou zijn voor een volledige levering van het aandeel voor de kleine kamers. Volgens de gouverneur moest dit, naast de 1000 balen kaneel, ook voldaan worden. Daarnaast was in het voorgaande en lopende jaar aan de aangekomen handelaren uit Manilla een groot deel verkocht van wat in voorraad lag op Batavia voor de aandelen van de respectieve kleine kamers. Dit gebeurde volgens de bekende orders om de Indische handel boven de vaderlandse te laten gaan, wat het meeste voordeel opleverde voor de Compagnie. Het was wenselijk dat dit jaarlijks kon gebeuren door een grote aanvoer van Spaanse realen uit Manilla. Dit was echter ook de enige reden waarom de gewoonlijke aandelen voor de respectieve kamers van de Maas en het noorderkwartier niet volledig geleverd konden worden tot een complete hoeveelheid van 2000 vaten.

Als men in overweging nam dat per schip de Linschoten in het voorgaande jaar op Batavia 1337 balen waren aangevoerd en per de Baukenrode 1370 balen, en daarnaast in september nog per de Meijnden 1488 balen waren verzonden, bleek daaruit duidelijk het volgende: na de volledige levering van de aandelen voor de grote kamers direct van dit eiland had men daarnaast van januari 1729 tot 12 september achtereenvolgens naar Batavia overgestuurd 4195 balen. Daarvan resteerden na aftrek van 2000 voor een tweejarige Indische handel nog 2195 balen, dus 195 meer dan men voor voldoening van een jaarlijks aandeel voor de kleine kamers dit jaar van Batavia naar het vaderland zou moeten verzenden. Voor rekening van het voorgaande jaar had Ceylon niet gehapert en had men deze direct van hier voldaan met de vorige retourzendingen, vanwege dringende redenen en motieven zoals uitgebreid aangehaald in de eerbiedige brieven aan uwe edele hoogachtbare van 10 december van het voorgaande jaar.

Uit dit alles bleek duidelijk dat het aan Ceylon niet gehapert had dat genoemde kleine kamers hun kaneelaandelen dit jaar van Batavia niet compleet konden ontvangen. Als vervolg hierop zou men de eer hebben om verder te communiceren hoe men op de ontvangen toestemming sinds 1 september van de Kandiase koning niet had nagelaten met alle mogelijke ijver en naarstigheid zowel in zijn majesteits als in het Compagniesterritorium voort te zetten met het schillen van de verplichte kaneel. Daarvan had men dit jaar door een bijzonder geluk een aanzienlijk aantal van 8137 vaten binnengekregen, geleverd op de navolgende plaatsen zoals duidelijk te zien in Colombo.

Bekijk transcriptie 


21 februari 1731 ontving men van Ceylon bericht van de gewezen gouverneur Petrus Vuijst. Aan hem moesten de gebruikelijke eerbewijzen worden geboden toen hij per schip de Boukenrode naar Batavia vertrok. Deze ceremoniën waren verplicht volgens de instructies van de hoge Indiase regering aan gouverneur Versluijs bij diens vertrek van Batavia naar dit eiland. Hoewel Vuijst werd omschreven als een man van slechte manieren, geschikt voor allerlei snode bedrijven en iemand die Ceylon had gedompeld in een bloedbad en poel van ellende, werd nadrukkelijk verklaard dat hij toch de rang en het fatsoen van een gewoon raad van Indië behield. De gouverneur interpreteerde dit zo dat hij in uiterlijke tekenen van respect en achting passend bij de rang van een gewoon raad moest tonen. Er werd wel gezorgd voor de belangen van de Compagnie door middel van een geheime instructie van 9 januari van dat jaar, ondertekend door de gouverneur en overhandigd aan schipper Meijnder Schut op de Boukenrode, waarin stond beschreven hoe men zich gedurende de reis tegenover Vuijst moest gedragen.

Wat betreft de kaneel: van de kleine oogst waren 1488 balen klaargemaakt en allemaal opgeslagen. Deze werden op 12 september naar Batavia verzonden per schip de Meijnden. De verzending kon niet eerder gebeuren vanwege ongunstige omstandigheden door het seizoen. De kaneel werd pas in mei binnen gekregen. Volgens de laatste berichten aan de hoge autoriteiten van eind augustus kon het schip niet eerder vertrekken, maar zou het waarschijnlijk nog op tijd in Batavia aankomen om de lading over te geven aan de tweede vloot van retourschepen.

Bekijk transcriptie 


21 februari 1731 werd er geschreven aan Ceylon. Op 20 februari 1731 werd er vanuit Ceylon bericht dat de gouverneur snel een aanzienlijk gezantschap met geschenken had ontvangen van de koning. Dit was bedoeld om de goede wil van de koning te behouden door hem respect te tonen. Op 24 juni van het voorgaande jaar arriveerden 4 voorname hovelingen in het kasteel, namelijk Ekenaike Madamwolle, Ralehamij (dessave van Matule), Heendenie Coerwe Mohandiaar, Collegoloewe en Imboel Maldenie Mohandirams. Zij brachten een brief van de hofedelen mee, samen met een getande olifant en een alva olifant als geschenk voor de gouverneur.

Dit geschenk aan de gouverneur was buitengewoon bijzonder. Er werd uitgebreid over bericht in de laatste berichten naar Batavia van 31 augustus. In het dagregister van Colombo stonden alle bijzonderheden van dit voorname gezantschap beschreven. Mogelijk was er geen vergelijkbaar voorbeeld te vinden. Er was geen bekend geval dat een gouverneur zo snel zo'n gezantschap had ontvangen met 2 olifanten.

De getande olifant was bijzonder waardevol voor de Compagnie en de gouverneur persoonlijk. Dit dier had alle kenmerken van een volmaakte lichaamsbouw en was 7 3/8 cob hoog. Dit was 7/8 cob hoger dan de hoogste maat die ooit door wijlen de heer van Mijdregt in de prijscourant was vastgesteld. Boven die maat werden bijna nooit getande olifanten gevonden. Dit prachtige dier overtrof in grootte en schoonheid alle olifanten die men ooit op dit eiland had gezien.

De gouverneur was van plan om dit dier in het volgende voorjaar naar Jaffna en Patnam te sturen om het daar te verkopen aan liefhebbers. Hij hoopte dat dit koninklijke geschenk samen met de 2 alva olifanten bij verkoop aan de Compagnie de kosten van de laatste ambassade en de verzonden geschenken ter waarde van 14.221 gulden, 17 stuivers en 8 penningen zouden vergoeden. Hierover werd nog uitgebreider bericht in de brief naar Batavia van 31 augustus. In de brief van 23 januari kon verder gezien worden dat er toen 1.370 robalen fijne kaneel was afgesonden.

Bekijk transcriptie 


21 februari 1731 ontving men bericht uit Ceylon. De gezanten werden na hun afscheidsaudiëntie op een buitengewone manier, die sinds het jaar 1688 niet meer was voorgekomen, begeleid. De dessave van Oedoepalate, 3 mohatiaars en evenveel mohandirams brachten hen tot aan Hangwelle, binnen het gebied van de Compagnie. De koning stuurde zijn carnax met 4 oude olifanten naar het kasteel, met de opdracht daar te blijven zolang men ze nodig had, maar men stuurde hem met een klein geschenk weer terug.

Er werden verdere blijken ontvangen van het oprechte vertrouwen van de koning. De dessave van Oedoepalate had namens de koning aan de gezanten bij hun verblijf in Sitavaque gevraagd om diverse soorten medicamenten die op een lijst waren vermeld. Deze werden, vanwege de afwezigheid van de gouverneur naar Jaffanapatnam, direct door hoofdadministrateur Maten in een mooi beslag kistje verzonden en door de gezanten aan de hofgroten overhandigd.

De hofgroten toonden hun tevredenheid en vroegen of de nog ontbrekende olieën cumini en anthos zo spoedig mogelijk konden worden nagestuurd. Dit werd toegezegd en later ook gedaan toen men met de laatst aangekomen schepen van die oliën wat had ontvangen.

De eerste rijksadigaar naar het hof heeft door 2 appohamijs een schriftelijk verslag laten overleggen, waaruit blijkt hoe aangenaam die oliën aan het hof waren ontvangen. Bij die gelegenheid deed de dessave van Saffragam namens het hof een verzoek om 2 zwarte gekrulde waterhonden te mogen hebben in plaats van een gelijk aantal andere die eerder waren opgestuurd maar inmiddels gestorven waren.

De gouverneur heeft gekozen om kapitein Johan Wilhelm Schnee, de tweede kapitein van het kasteel, te sturen met een gewoon geschenk, maar wel in verhouding tot de bijzondere hoogachting en hoffelijkheid die de koning tegenover de Compagnie heeft betoond. Hij zou binnenkort vertrekken.

Bekijk transcriptie 


21 februari 1731 ontving men van Ceylon met plezier brieven en documenten die in december van het voorgaande jaar naar het Kandiase hof waren gestuurd. Men werd zeer vereerd met het geschenk van 2 olifanten.

Wat betreft het schillen van kaneel: het vervoer daarvan werd hier nog bij de tekst gevoegd. Men had nauwkeurig gekeken naar de scheepskisten van de varende schippers en had die aangevuld met de papieren die ontbraken en die volgens gebruik aan hen moesten worden toegedeeld voor hun reizen.

In vervolg op de eerbiedige adviezen aan u van 10 december 1729 wordt verwezen naar de hier ingesloten brieven van 23 januari, 31 mei en eind augustus van dit jaar. Deze werden naar Batavia gestuurd aan de hoge Indische regering met de schepen Boukenrode, Meijnden en Constantia.

Kort wordt herhaald: volgens het besluit van 27 september van het voorgaande jaar werden op 22 december daarop de predikant Pieter Cornelis Le Patot en de dispencier Guaeterus het Lam als gezanten naar het Kandiase hof gestuurd. Ze brachten een brief mee en een geschenk van ƒ14.221:17:8. De koning ontving dit met bijzondere genegenheid en bewees de gezanten zulke eer als men niet weet dat ooit eerder aan iemand is bewezen. Ze mochten namelijk niet aan het einde zitten zoals altijd gebruikelijk was, maar tot op de helft van de ontvangstruimte voor de troon. Bovendien hadden ze het genoegen dat zijn majesteit uitlegde waarom zij tijdens hun reis naar het hof zo lang in Attapatij en Ganaroewe hadden moeten wachten.

Het rapport van genoemde gezanten en het verslag van Louis De Sarran (die de ambassade volgens oud gebruik weer als tolk had bijgewoond) worden beide in kopie hierbij overgelegd, zodat u dit nader kunt zien. Daaruit blijkt ook dat de koning toestemming heeft verleend om kaneel te schillen in de bossen van zijn majesteit en om olifanten door zijn gebied te laten passeren. Dit alles werd zonder enig bezwaar toegestaan, wat een overtuigend bewijs is van de bijzondere welwillendheid en genegenheid die de vorst voor de maatschappij heeft.

Deze genegenheid blijkt nog duidelijker uit het buitengewone geschenk dat, naast de gewone geschenken aan de gezanten, bij de laatste audiëntie werd gegeven. Het bestond uit 2 mooie olifanten van 6 5/8 voor de eerste gezant en 6 1/8 voor de tweede gezant. Deze zullen voor de Compagnie worden aangehouden en bij verkoop daarvan zal aan elk 50 rijksdaalders als beloning worden toegekend, zoals bepaald door de hoge Indische regering bij de Bataviase brief van 12 september 1698. Hierover wordt de nadere beslissing van hun hoge edelen afgewacht bij hun algemene antwoord op de complete adviezen van 31 mei over Malabaar.

Bekijk transcriptie 


21 februari 1731 ontving men een bericht van Ceylon. Na het lossen van de schepen bij de Goede Hoop werden verklaringen opgesteld dat de schepen in staat waren om naar het vaderland te varen. De equipagemeester en aangestelde schippers van de schepen die voor anker lagen deden hiervan een inspectie. De volgende schepen werden geïnspecteerd:

  • Karssenhoff
  • Het Slot ter Hoge
  • Knapenburg
  • Weyenberg
  • Lands Croon

Samen met de baas en meesterknechts van de scheepstimmerlieden werd alles nauwkeurig onderzocht in aanwezigheid van Livinus de Heere. Zij leverden hiervan een notariële verklaring aan de gouverneur, gedateerd 14 oktober. Hieruit bleek dat de achtersteven 1/4 duim van de hekbalk was afgeweken. Dit probleem kon volgens de verklaring gerepareerd worden door een stevige knie tegen de hekbalk en steven te plaatsen, zodat het schip veilig de reis naar het vaderland kon maken.

De baastimmerman kreeg opdracht om geschikt hout te kappen en voor te bereiden voor het schip Commerust bij aankomst aldaar. De retourschepen werden na het lossen van hun lading van rijst, houtwerk en andere goederen voor het gouvernement opnieuw beladen met kaneel, linnen en andere retourzendingen voor het vaderland. Op 22 en 30 oktober en 3 en 10 van deze maand vertrokken zij naar Gale, waar ze achtereenvolgens in de baai aankwamen.

Daar werden hun ladingen gelost, werden de schepen geïnspecteerd en gekalfaat, werden hun gebreken hersteld en werden ze voorzien van goed buskruit, bemanningsgoederen, provisie en alle andere benodigdheden volgens voorschrift en gebruikelijke praktijk. Uiteindelijk waren ze volgens verklaringen klaar om met Gods hulp de reis naar het vaderland te ondernemen onder leiding van de onafhankelijke fiscaal van dat gouvernement, Daniel van den Henghel, op het schip Gaastrederdam. Deze fiscaal verzocht om aan de Kaap zijn dank aan de autoriteiten over te brengen voor deze aanzienlijke bevordering, waarmee hij bij besluit van 11 oktober vereerd was met het commando over de vloot naar de Kaap, volgens het eerdere voorbeeld van wijlen de onafhankelijke fiscaal Cornelis van Beaumond in het jaar 1712.

Bekijk transcriptie 


De schepen uit Ceylon hadden op 21 februari 1731 nog geldkisten die naar Amsterdam gestuurd moesten worden. Vanwege een tekort aan transportmiddelen moesten ze wachten op een geschikte gelegenheid om deze naar Batavia te sturen. De redenen voor de geringe handel in koffie en het terugsturen van de geldkisten waren uitgebreid beschreven in brieven van de residenten en de hoge Indische regering, gedateerd 16 augustus.

Men besloot het schip extra te beladen met:

  • suiker
  • papanhout
  • Ceylonse koffie
  • 225 balen Javaanse koffie die niet verkocht kon worden in Coromandel, Perzië en Surat
  • alle lijwaatpakketten die volgens order van de Kamer Amsterdam voor 2/3 deel moesten worden toegewezen

Het doel was het schip volledig te laden en ruimte te maken in de schepen voor meer peper. Als de lijwaatpakketten verdeeld zouden worden over meerdere schepen, zou de Compagnie 200.000 pond peper mislopen.

Schipper Livinus de Heere van het schip Commerust meldde dat de achtersteven en hekbalk wat waren afgeweken. Dit kon volgens deskundigen problemen geven. Dit was extra vervelend omdat peper in Nederland een hoge prijs had en Batavia dringend voorzien moest worden vanwege een groot tekort daar.

De lijwaatpakketten voor de Kamer Zeeland wilde men liever direct versturen via de schepen Meijenberg en 't Slot den Hooge. Dit om:

  • kostbaar heen en weer slepen van goederen tussen kamers te voorkomen
  • te vermijden dat de Kamer Middelburg meer peper zou krijgen dan hun aandeel van 1/3 deel
  • hoge kosten en verspilling te voorkomen als het overige naar Amsterdam gestuurd zou moeten worden

Men hoopte dat deze handelwijze goedgekeurd zou worden, aangezien men naar beste inzicht had gehandeld om de belangen van de Compagnie zo goed mogelijk te behartigen.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/