archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 92
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
24 juli 1957 (avondzitting) 924 IJ-tunnel (Den Uyl) De VOORZITTER, wethouder DE ROOS, deelt mede, dat is ingekomen: 4° Motie van het raadslid Seegers, van 24 juli 1957, in zake afkeuring van het optreden van de Regering en het ontplooien van een brede campagne onder de bevolking voor het tunnelplan en andere plannen (Gemeenteblad afd. 1, no. 768, bladz. 1149). De motie wordt voldoende ondersteund. De heer DEN UYL zegt, dat hij op dit tijdstip in deze discussie over de IJ-tunnel toch nog behoefte heeft aan het maken van een enkele opmerking. Dit geldt in de eerste plaats de extra-kopij voor De Waarheid, waarvoor de heer Seegers zoëven heeft gezorgd. Spreker heeft in eerste instantie bij interruptie opgemerkt, dat hij de wijze, waarop de heer Seegers deze ernstige zaak behan- deld heeft, niet kon beschouwen als een ernstige manier van behandelen. Wanneer de heer Seegers meent, dat het in de onderhandelingspositie, waarin Amsterdam met de Regering verkeert en waarbij men iets van de Regering ge- daan wil krijgen, aanbeveling verdient, Den Haag vooral flink tegen de schenen te trappen, dan vindt spreker dat meer een kwajongensachtig gedoe dan een ernstige manier van behandelen van deze zaak. IJ-tunnel 925 Gemeenteblad afd. 2 vooruit wenst te lopen op het overleg, of dat Amsterdam geen rekening zou willen houden met de nationale belangen, die op het ogenblik in het geding zijn. Daarom heeft spreker, hoewel hij het op zich zelf volkomen eens is met de heer Le Cavelier, dat de Hemtunnel in de strijd voor de IJ-tunnel en de Coentunnel niet uit het oog mag worden verloren, toch niet zoveel waardering voor het nadrukkelijk stellen daarvan op dit ogenblik, omdat hij meent, dat het alleen maar realistisch is, als Amsterdam, dat twee jaar geleden gekozen heeft voor het zo snel mogelijk tot stand brengen van de IJ-tunnel, er oog voor heeft, dat, hoewel de Coen- en de Hemtunnel voor Amsterdam ook van belang zijn, deze drie tunnels niet gelijktijdig tot stand gebracht kunnen worden. Amsterdam moet reëel blijven en daarom zal eerst het werk, waarin reeds vele miljoenen zijn gestoken, moeten worden voortgezet; daarna zal pas met de Coen- en de Hemtunnel begonnen kunnen worden. Deze noodzakelijke planning dient Amsterdam in het oog te houden. [De heer SEEGERS: Ik protesteer tegen deze uitdrukking!] De Wethouder voor de Publieke Werken heeft opgemerkt, dat de aan- leiding, die de Raad tot deze discussie heeft gebracht, is gelegen in de op- schorting van de lening. Deze opschorting is een ernstige zaak, die echter geen onoverkomelijke teleurstelling behoeft te betekenen. Spreker meent, dat deze discussie dit duidelijk heeft gemaakt. Wat hij daarbij van belang vindt, is, dat de Wethouder voor de Financiën heeft uitgesproken, dat het zijn over- tuiging is, dat de bereidheid van de geldgevers, die in de afgelopen maanden gebleken is, zal blijven bestaan. Spreker tekent hierbij aan, dat hij met ge- genoegen heeft gehoord van de heer Van Sandick, dat hij meende te moeten onderstrepen, dat de IJ-tunnel van nationale betekenis is. Spreker hoorde in dit betoog niet uitsluitend het raadslid Van Sandick aan het woord, doch ook de leider van een van onze grootste bankinstellingen, die gewend is, in nationaal verband de belangen van grote werken af te meten. Spreker meent, dat het van grote betekenis is, dat door de heer Van Sandick met zoveel woor- den duidelijk is uitgesproken, dat de IJ-tunnel van nationale betekenis is. Hij vertrouwt, dat de heer Van Sandick deze uitspraak niet zal vergeten in de periode van strijd, die nog voor ons ligt. Spreker merkt op, dat, ook al windt de heer Seegers zich op, hij hem toch niet datgene zal besparen, wat hij meent te moeten opmerken naar aanleiding van de methode, waarop de heer Seegers deze zaak op het ogenblik behandelt en waarbij de Raad voor de zoveelste keer een toelichting krijgt te horen op de militaire uitgaven, waaruit de IJ-tunnel bekostigd zou kunnen worden, wanneer de bestedingsbeperking, waarvoor de gehele Nederlandse bevolking op het ogenblik offers heeft te brengen en waarbij alle gemeenten betrokken zijn, even op zij geschoven wordt. Wanneer voorts opgemerkt wordt, dat er 145 miljoen is uitgetrokken voor sluizen, bruggen en tunnels met de suggestie, dat er dus best geld is voor de IJ-tunnel, dan acht spreker dit geen serieuze manier van behandelen. Spreker wil er slechts op wijzen, dat in die 145 miljoen een bedrag van naar hij meent precies 1 miljoen zit voor de voorbereiding van de Coen- tunnel, dat tot heden nog geen cent op de Rijksbegroting voor een bijdrage in de bouw van de IJ-tunnel is uitgetrokken en dat dus elk bedrag, dat het Rijk gaat bijdragen in de kosten van de IJ-tunnel, zal komen boven het bestaande plafond van de begroting van Verkeer en Waterstaat. Spreker heeft in eerste instantie gezegd, dat het kernpunt, waaraan Amster- dam thans in het bijzonder aandacht dient te besteden, het tijdstip is, waarop het hoofdwerk voor de IJ-tunnel kan worden aangevat. Spreker vindt het jammer, dat in het Kamerdebat een poging om de Kamer te doen uitspreken, dat ook in de periode van de bestedingsbeperking Amsterdam geen verhinde- ring in de weg mag worden gelegd, wanneer het zou proberen, de werkzaam- heden aan de IJ-tunnel voort te zetten, niet is geslaagd. Hij gelooft niet, dat dit rampzalig behoeft te zijn en dat diegenen in de Kamer, die de aanvaarding van deze uitspraak hebben verhinderd, daarmede bedoeld hebben, een snelle voort- zetting van de werkzaamheden te voorkomen. Hij meent, dat daarbij andere argumenten een rol hebben gespeeld; hij heeft er echter geen behoefte aan, deze op het ogenblik te analyseren. Hij wil er echter wel op wijzen, dat degenen, die de aanvaarding van deze uitspraak hebben verhinderd, daarmede een grote verantwoordelijkheid hebben aanvaard, nl. om er voor te waken, dat de aanvang van het hoofdwerk van de IJ-tunnel geen dag langer wordt uitgesteld dan de actuele financiële en economische moeilijkheden onvermijdelijk maken. Spreker hoopt intussen, dat dit een aanzienlijk bedrag zal zijn. Het beroep, dat Amsterdam op de Regering doet, is geen kleinigheid in deze tijd. Spreker is dan ook bepaald niet van plan, dit voor te stellen als iets, dat de Regering met gemak kan doen en waarvoor de middelen overvloedig aanwezig zijn. Hij heeft kritiek op de Regering, met name kritiek op de Regering als geheel, die naar het hem voorkomt onvoldoende inzicht heeft in de nationale be- tekenis, die de totstandkoming van de IJ-tunnel heeft, maar dat belet hem niet, nadrukkelijk te constateren, dat Amsterdam die tunnel tot stand wenst te brengen in overleg met de Regering. Amsterdam kan zich daarbij met recht en reden beroepen op uitspraken, die door de Regering zijn gedaan vóór en tijdens het Kamerdebat, dat midden juni heeft plaats gevonden en op moties, die door de Kamer aanvaard zijn. Spreker zegt dit met zoveel nadruk, omdat hij van oordeel is, dat er voor de Regering, wanneer Amsterdam dit zo duidelijk vooropstelt, bepaald geen aanleiding kan zijn, te menen, dat Amsterdam Spreker hoopt dan ook, dat allen, die in goede trouw hebben uitgesproken — èn in de Kamer èn daarbuiten — dat zij de strijd van Amsterdam voor een IJ-tunnel gerechtvaardigd achten en erkennen, dat de totstandkoming
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/