archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 89
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
24 juli 1957 (avondzitting) 918 IJ-tunnel (De Roos e.a.) IJ-tunnel 919 Gemeenteblad afd. 2 den, dat, als men te vroeg spreekt over de bedragen, welke gemoeid zijn met het uitvoeren van werken, men daarvan nadeel kan hebben. Die bedragen zijn overigens bij de meeste raadsleden wel bekend. Burgemeester en Wet- houders hebben steeds de overtuiging gehad, dat het feit, dat zij konden aan- tonen, in staat te zijn, de tunnel gedurende een vrij lange periode met lang geld te financieren, een sterk argument was voor Amsterdam. Gezien deze situatie, hebben Burgemeester en Wethouders er dan ook met klem bij de Minister op aangedrongen, het besluit te nemen, dat Amsterdam de tunnel mag bouwen. Na het verkrijgen van deze toestemming zou dan vanzelfsprekend nog overleg gepleegd kunnen worden over de vraagstukken, die moeilijkheden opleveren. niqué, dat door de Rijkswaterstaat en Amsterdam gisteren is uitgegeven. De wijze, waarop dit overleg is aangevangen, geeft zeker aanleiding tot optimisme. De heer Burger heeft, naar spreker meent, de vraag gesteld, of het juist is, dat eerst over de technische kant van de zaak volledig overeenstemming moet zijn bereikt, voordat over de financiële kant van de zaak gesproken kan worden. Punt 11 van de verklaring van Burgemeester en Wethouders, waarin staat, dat Burgemeester en Wethouders tot hun leedwezen moeten mededelen, dat de Regering heeft vastgehouden aan haar standpunt, dat het technische overleg tot overeenstemming moet hebben geleid, voordat nadere beslissingen kunnen worden genomen, geeft wellicht aanleiding tot de veronderstelling, die in de vraag van de heer Burger ligt opgesloten. Spreker wil er echter op wijzen, dat met ‚nadere beslissingen” bedoeld is de definitieve beslissing, of inderdaad met de tunnelbouw kan worden doorgegaan. Het overleg, dat thans gevoerd wordt over de technische vraagstukken, kan dus parallel lopen met het overleg over de financiële problemen. De opmerking van de heer Van Sandick over de aanbesteding zal door sprekers ambtgenoot voor de Publieke Werken worden beantwoord. Door de heer Den Uyl is gevraagd, of verwacht kan worden, dat de geld- schieters, die nu belangrijke bedragen hebben toegezegd, te zijner tijd, wanneer over de verschillende vraagstukken met de Regering overeenstemming zal zijn bereikt, nog bereid zullen zijn, deze toezeggingen na te komen. Spreker is er persoonlijk van overtuigd — men zal natuurlijk rekening moeten houden met een eventuele wijziging van de omstandigheden; de Regering zou bijv. het rentegamma kunnen loslaten of wijzigen, waardoor de Gemeente tegen een hoger percentage dan 4+ zou mogen lenen — dat deze personen, die zo ter dege het grote belang van de tunnel voor Amsterdam inzien, te zijner tijd onge- twijfeld dezelfde bereidheid zullen tonen als die, waarvan zij nu in een moeilijke situatie blijk hebben gegeven. Ten slotte zeggen Burgemeester en Wethouders de Raad dank voor de steun, welke hij heeft gegeven aan de gedachte, dat er thans aanleiding is voor enig optimisme en dat hij bereid is, tegelijk de kracht op te brengen om gezamenlijk de moeilijkheden te overwinnen. Burgemeester en Wethouders vertrouwen, dat dit ook in de toekomst steeds het geval zal zijn en dat zij daarbij geruggesteund zullen zijn door de belangstelling van de Amsterdamse burgerij. [De heer DEN UYL: Ik hoop, dat deze overtuiging niet beschaamd wordt !] Wethouder VAN WIJCK merkt allereerst op, dat ten aanzien van het uitgeven van leningen, waardoor een gemeentebestuur de mogelijkheid krijgt, over lang geld te beschikken, bij de Regering geen bezwaar bestaat. Spreker wijst er op, dat Amsterdam in 1957 — niettegenstaande de moeilijkheden met het rentegamma — in staat is geweest, ongeveer 20 miljoen lang geld te lenen. Bij raadsbesluit van 26 juni 1957, no. 609, werd o.a. f 12.825.000 geleend en bij raadsbesluit, eveneens van 26 juni 1957, no. 610, ruim f 5.000.000. Spreker merkt op, dat hij niet zo gemakkelijk overtuigingen uitspreekt en dat hij ook niet behoort tot die mensen, die de gedachten van anderen gemakkelijk als een zekerheid weergeven. Hij heeft in ieder geval het ver- trouwen, dat men te zijner tijd zal zeggen, dat deze kwestie juist door Burge- meester en Wethouders is aangevoeld. In het prospectus voor de IJ-tunnellening werd gesproken over een bedrag tussen de 15 en 20 miljoen, dat Amsterdam hoopte te krijgen. Met betrekking tot het probleem van de bestedingsbeperking merkt spreker op, dat Burgemeester en Wethouders op grond van een bepaalde verdeling van de totale uitgaven over het aantal jaren, dat nodig is voor de bouw van de tunnel, de Regering ten volle hebben kunnen aantonen — daarvan waren zij althans overtuigd — dat ‘de bedragen, die de eerste"twee jaar voor de tunnel nodig zijn, gezien in het licht van het totale bedrag, dat in Amsterdam in ieder geval uitgegeven moet worden voor een reeks?van werken — spreker denkt hierbij o.a. aan de woningbouw en het Energiebedrijf — niet van een dusdani- Het is dus niet zo, dat de Regering op een bepaald ogenblik een commu- niqué heeft verstrekt, om te voorkomen, dat Amsterdam lang geld zou lenen. De Regering wilde slechts mededelen, dat zij zich nog niet wilde uitspreken, of Amsterdam met de bouw van de tunnel thans mocht doorgaan en het dus niet zeker was, dat het geld, door de lening te verkrijgen, inderdaad voor de tunnelbouw zou worden gebruikt. Daardoor zijn de moeilijkheden ontstaan. De Regering wil momenteel, gezien de financieel-economische moeilijkheden, waarin Nederland verkeert en mede gezien de projecten, die een bijzondere prioriteit hebben — zoals 0.4. de woningbouw — een enkel woord meespreken over de wijze, waarop de gemeenten, die over lang geld beschikken of dit kunnen krijgen, deze gelden besteden. Er was dus geen bezwaar tegen de lening als zodanig. Spreker beweert niet, dat het Amsterdamse Gemeentebestuur blij was met bedoeld communiqué. Men heeft er echter alleen mee willen aangeven, dat het niet zeker was, dat de gelden, die door die lening in de gemeentekas zouden vloeien, per se gebruikt zouden mogen worden voor de verdere afwer- king van de IJ-tunnel. De Regering heeft gezegd, dat het slagen van de lening geen beslissend moment zou zijn. In een gecombineerde vergadering van twee commissies van bijstand werd uitgegaan van de gedachte, dat, wilde men een kans hebben om de tunnel te mogen bouwen, het in ieder geval van belang zou zijn om aan te tonen, dat men deze met lang geld en niet met kort geld zou kunnen financieren. Zo is de situatie. Burgemeester en Wethouders hebben zich er over verheugd, dat, toen zij met een aantal groepen over deze aan- gelegenheid een gesprek hebben gevoerd, van de zijde van de Amsterdamse bevolking een dusdanige medewerking is toegezegd, dat spreker in het laatste gesprek, dat met de ministers Hofstra en Struycken is gevoerd, kon aantonen, dat voor de financiering gedurende de eerstkomende"tijd — hierbij is gedacht aan de periode tot ongeveer 1959, misschien”iets"korter,"doch dit hangt enigs- zins af van het tempo, waarin de werken zullen worden uitgevoerd — beschikt kon worden over lang geld. Het”lijkt’spreker beter, in’het"openbaar niet mede te delen, om welke bedragen het precies ging, want hij heeft weleens ondervon-
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/