archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 73
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
24 juli 1957 886 Subsidie A.R.K. (mevr. Van der Sluis-Fintelman e.a.) Inenting tegen kinderverlamming 887 Gemeenteblad afd. 2 houders moet worden gegeven door het zenden van een adres aan de Raad, is dit voor de verantwoording van het bestuur. Burgemeester en Wethouders zullen daarvoor geen kwalificatie geven. De voordracht wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad neemt mitsdien het besluit, vermeld op bladz. 950 van afd. 1 van het Gemeente- blad. Hierdoor is tevens op het bij de voordracht aan de orde gestelde adres beschikt. 55° Voordracht van Burgemeester en Wethouders van 16 juli 1957, in zake de inenting tegen kinderverlamming van de kinderen, die in 1955 en 1954 zijn geboren (Gemeenteblad afd. 1, no. 736, bladz. 1103). De heer SAJET zegt, dat men er zich in mag verheugen, dat men in de vaccinatie tegen kinderverlamming een middel bezit om deze ziekte in belang- rijke mate te voorkomen. Dit betekent, dat, als men de inenting in ruime mate doorvoert, een groot aantal kinderen, die anders door de ziekte zouden worden aangetast, er vrij van zullen blijven. Dat betekent dus, dat er heel wat levens worden gespaard en heel wat invaliditeit wordt voorkomen. Het doet spreker genoegen, dat door Burgemeester en Wethouders wordt voorgesteld, met de inenting een aanvang te maken. Hij wil er op wijzen, dat in verschillende plaatsen reeds met de inenting begonnen is. Als in: Amsterdam dus in het najaar met de inenting wordt begonnen, dan betekent dit, dat Amsterdam bij deze plaatsen een jaar ten achter is. Dit valt te betreuren, doch men kan de klok nu eenmaal niet terugdraaien. Mevr. VAN DER SLUIS-FINTELMAN zegt allereerst Burgemeester en Wethouders dank voor hun toezegging, dat voor het aantal verpleegdagen, dat eventueel boven het thans geschatte aantal uit zal gaan, een aanvullend subsidie worden gegeven. Wat de B-verpleging betreft, waarover mevr. Van der Sluis gesproken heeft, deze heeft normaal plaats, zoals tot nu toe het geval was. Burgemeester en Wethouders zien geen aanleiding te veronderstellen, dat deze verpleging niet in overeenstemming met de richtlijnen geschiedt. Door Burgemeester en Wethouders wordt voorgesteld, twee jaarklassen bij deze inenting te betrekken. Spreker wil er op wijzen, dat, nadat de Commissie van bijstand zich met deze voordracht had verenigd, bekend is geworden, dat in Den Haag dit jaar vier jaarklassen geïmmuniseerd zullen worden. Dit betekent — met vrij grote mate van zekerheid kan men dat zeggen — dat een groter aantal kinderen niet door deze ziekte zal worden aangetast. Spreker acht dit zeer belangrijk. Hij meent, dat het ook in Amsterdam mogelijk is, nog dit Voorts is zij dankbaar voor de toezegging van het College betreffende „Trein 8.28”. Gelijk zij reeds in eerste instantie opmerkte, zijn er gegronde redenen om het betreffende bedrag alsnog aan de vereniging te betalen, maar ook naar haar mening is dit niet te vergelijken met het verlenen van aanvullende subsidies aan instellingen op het gebied van de volksgezondheid. Dit geval ligt toch wel even anders! Het algemeen pleidooi van de heer Wiggermann tot waakzaamheid op het gebied van de volksgezondheid, dat door mevr. Van der Sluis werd onderstreept, onderschrijven ook Burgemeester en Wethouders. Bij de vaststelling van de Begroting voor 1958 zal de Raad de gelegenheid hebben, om af te wegen, wat bij een belangrijk begrotingstekort naar de mate van urgentie zal moeten wor- den gehandhaafd. Burgemeester en Wethouders zullen, wat dit gedeelte betreft, in overleg met de Raad, de bedragen vaststellen, die noodzakelijk zijn. Inder- daad is de zorg voor de volksgezondheid geen geringe zaak. De neiging bestaat, deze schuil te doen gaan in het kader van de gehele verzorging. Naar eigen ver- antwoordelijkheid zullen Burgemeester en Wethouders aan de Raad voorstellen doen ten aanzien van de openbare gezondheidszorg, in overleg met de Com- missie van bijstand, om te zorgen, dat de volksgezondheid bij een eventueel begrotingstekort niet benadeeld wordt door handhaving van minder urgente objecten. Een enkele opmerking nog over de B-verpleging. Dit betreft kinderen, die een langdurige verpleging nodig hebben. Spreekster uit de wens, dat vooral de B-verpleging op de oude voet zal worden voortgezet. De Raad behandelt nu eerst het subsidie voor 1957, in verband waarmede spreekster opmerkt, dat het toch wel wenselijk is, dat men dit soort subsidies voor 1958 tijdig beziet. Al deze gesubsidieerde organen verrichten werkzaam- heden, die, als de instellingen niet door de overheid daartoe in staat werden gesteld, volledig voor rekening van de overheid zelf zouden komen. Dit is geen overbodig werk, maar werk, dat nodig gedaan moet worden. Men moet er dankbaar voor zijn, dat deze verenigingen zich met dit werk bezig houden. Als spreekster uit de statistieken bemerkt, dat bijv. in Amerika van iedere twee ziekenhuisbedden er één wordt ingenomen door een geestelijk gestoorde, als zij ziet, met hoeveel de bedragen voor krankzinnigenverpleging jaarlijks toe- nemen, dan juicht zij het toe, dat door deze verpleging van psychisch-labiele kinderen in ieder geval preventief werk wordt verricht. Wat het resultaat daar- van is, kan men niet vooruit zeggen. Dit wordt door zeer vele factoren bepaald, welke men niet in handen heeft. Het is echter niet toevallig, dat er na de Tweede Wereldoorlog meer psychisch-labiele kinderen zijn dan daarvoor. Spreekster heeft zich in deze zaak verdiept en heeft er een uitgesproken mening over. Als deze verenigingen dit werk niet deden, zou de overheid het zelf moeten doen, hetgeen nog duurder zou uitkomen. Met het oog op de subsidies voor 1958 wilde spreekster dit geluid even laten horen. Dit geldt uiteraard niet alleen voor het subsidie aan de Amsterdamse Raad voor Kinderuitzending, maar voor vele verenigingen in de sector van de volksgezondheid. Wethouder IN ’T VELD zegt, in antwoord op de opmerkingen van mevr. Teeboom-van West in tweede instantie, dat er geen sprake van is, dat het Gemeentebestuur geen voldoende oog zou hebben gehad voor deze nood- zakelijke verpleging. Alleen doordat men niet direct voldoende personeel voor deze speciale verpleging had, is er een zekere onderbezetting opgetreden. Burgemeester en Wethouders gevoelen zich ten aanzien van de Vereniging „Trein 8.28” in geen enkel opzicht schuldig. Persoonlijk is spreker geneigd te zeggen, dat hij het uitkeren van het tekort over 1956 niet noodzakelijk acht. De overheid heeft tot taak, toe te zien, dat zij subsidieert in de mate, waarin het noodzakelijk is. Als een vereniging over bepaalde middelen beschikt om dit werk te doen, dan heeft zij de plicht om die middelen daarvoor beschikbaar te stellen. De wijze, waarop dit geschiedt, dient dan in overleg met de overheid te worden vastgesteld. Burgemeester en Wethouders houden vol, dat hun verzoek aan de vereniging om het tekort zelf te betalen uit eigen middelen, die zij voor dit werk ontvangen heeft, volkomen op zijn plaats was. Als het bestuur meent, dat een antwoord op dit verzoek van Burgemeester en Wet-
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/