archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 56
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
10 juli 1957 (avondzitting) 852 Schiphol (Van den Bergh e.a.) Schiphol 853 Gemeenteblad afd. 2 de Gemeente een schuld heeft aangegaan, voor welke schuld rente moet worden betaald. Naarmate de investeringen groter worden, zullen de kosten daarvan gaan drukken op het bedrijf. Voor het geld, dat is geleend, zal rente moeten worden betaald. Op het ogenblik betaalt het Rijk deze investeringen nog uit de gewone dienst; hiermee zal het echter niet kunnen doorgaan, zodat voor deze uitgaven in de toekomst moet worden geleend. Hiervoor zal dan rente moeten worden betaald. Ook de Gemeente zal moeten gaan lenen. Dit alles acht spreker voor Amsterdam onjuist. College dus nog wel enige invloed heeft. Het komt spreker voor, dat de twee leden van het College van Burgemeester en Wethouders, die in hun functie ook commissaris van de luchthaven Schiphol zijn, aansprakelijk zijn voor het feit, dat zij naleving van het reglement kunnen vragen en dat zij er voor moeten zorgen — dit voor zover hun invloed reikt — dat dit ook geschiedt. Deze leden zullen hiervoor ook in de Raad verantwoording moeten afleggen. Spreker wijst er op, dat er is gepleit voor het verkrijgen van gelden van het Rijk voor de bouw van een universiteit en hij meent, dat men, wat dit betreft, een iets gunstiger tijd tegemoet gaat, doch de Regering weigert nog steeds een deel van de exploitatiekosten voor haar rekening te nemen. Het betreft hier lasten, die door de Gemeente haast niet meer zijn te dragen, dit gezien de finan- ciële verhouding tussen het Rijk en de Gemeente. Spreker zegt, niet te geloven, dat er binnen afzienbare tijd in dezen een andere koers zal worden gevolgd en hij vreest dan ook, dat de Gemeente, gezien de waardevermindering van het geld, grote moeilijkheden tegemoetgaat. Daarom zal men ervoor moeten zorgen — wil men de sociale voorzieningen onaangetast laten, althans zoveel mogelijk — de lasten, die men op zich neemt, niet te groot te maken. Daarom heeft spreker zich op het standpunt gesteld, dat Schiphol aan het Rijk moet worden over- gedragen. Met betrekking tot de garantieverklaring wijst spreker er op, dat onmid- dellijk, nadat de nieuwe n.v. tot stand zal zijn gekomen, de leden van het per- soneel in dienst van de n.v. een brief zullen krijgen, waarin de directie zich verplicht, dit reglement in stand te houden, behoudens noodzakelijke aanpas- singen aan een gewijzigde conjunctuur. Spreker zegt niet te kunnen antwoorden op de vraag, wat deze laatste woorden kunnen gaan betekenen. Wanneer de gang van zaken slechter wordt, zal er aan de rechtspositie kunnen worden getornd. De commissarissen, die lid zijn van het College van Burgemeester en Wethouders, zijn hiervoor dan verantwoording aan de Raad schuldig. Spreker meent, dat men in dezen met sentimentaliteiten niet ver komt. De heer Meewezen heeft gezegd, aldus spreker, dat men over deze zaken nuchter moest spreken. Spreker kreeg echter de indruk, dat de heer Meewezen beschon- ken was, echter niet van de alcohol, maar van ontroering. Spreker acht het voor Amsterdam en de Amsterdamse arbeidersbeweging van het grootste belang, ervoor te zorgen, dat men gelden beschikbaar krijgt voor sociale en culturele doeleinden. Spreker ziet aankomen, dat men thans voor Schiphol nog 3 mil- joen per jaar nodig heeft, al was het alleen maar om de renten van de opgeno- men gelden te betalen. Hij acht dergelijke uitgaven, gezien de financiële ver- houding tussen het Rijk en de Gemeente, waarin hij voorlopig geen verandering ziet komen, onverantwoord. Spreker wijst er op, dat er tevens een commissie van beroep is, waarop de leden van het personeel een beroep kunnen doen; deze commissie kan nagaan, of de directie zich heeft gedragen overeenkomstig de regelen van het reglement. Spreker is het met het College eens, dat het verschil tussen deze n.v. en de samenwerking in een overheidsorgaan niet zo groot is. Toch had hij, wanneer er een overheidsorgaan was gekomen, de garantie groter gevonden, mede ge- zien het feit, dat hij verwacht, dat Amsterdam zich in de toekomst uit deze n.v. zal moeten terugtrekken. Daarom handhaaft spreker zijn standpunt, dat in dezen een overheidsorgaan had moeten worden gecreëerd. Volgens spreker is het wel meer gebeurd, dat gemeenten in bepaalde n.v.’s hebben deelgenomen; dit hield echter dan niet in, dat zij in die n.v.’s ook iets te vertellen hadden. Op de vraag van de heer Groot Roessink, hoe deze commissie zal worden samengesteld, antwoordt spreker, dat art. 56 van het reglement voorschrijft, dat zij zal bestaan uit een voorzitter en vier leden. Ook de werkwijze van deze commissie is geheel geregeld. Naar aanleiding van de opmerking van de Wethouder, dat twee commissa- rissen in deze Raad verantwoording voor de gang van zaken zullen moeten afleggen, betoogt spreker, dat dit verantwoording afleggen niet veel inhoud heeft, aangezien beide commissarissen in de Raad van Commissarissen in de minder- heid zijn, een omstandigheid, die zij altijd als excuus kunnen aanvoeren. Ten slotte zegt spreker, niet te geloven, dat er twee reglementen zullen komen nl. een voor de personeelsleden, die later in dienst treden bij de n.v., en een voor hen, die thans door de n.v. van de Gemeente worden overgenomen, aangezien het een onbehaaglijke positie is, personeel in dienst te hebben, dat onder verschillende reglementen moet werken. Spreker meent echter, dat ook dit een punt is, dat het beleid van de nieuwe vennootschap raakt. Spreker vond de verdediging van de Wethouder niet krachtig. Het bevreemdt hem niet, dat dit het geval is, aangezien hij meent, dat ook bij het College over- wegingen, die hij naar voren heeft gebracht, een rol hebben gespeeld. Spreker betoogt, dat de thans gekozen rechtsvorm hem niet bevredigt, gezien de finan- ciële consequenties. Spreker blijft van oordeel, dat deze zaak geheel door het De heer SEEGERS zegt, dat verschillende uitlatingen, die hij, sprekende in eerste instantie, heeft gedaan, een beetje scheef zijn getrokken. Hij wijst er op, dat, toen de Wethouder sprak over het verschil in uitgangspunt tussen de heer Le Cavelier en spreker met betrekking tot het feit, dat de aandelen niet verhandeld zullen worden, hij daarbij vergat, dat spreker heeft betoogd, dat hij ziet aankomen, dat de omstandigheden zodanig zullen worden, dat de Ge- meente deze n.v. zal willen verlaten, omdat zij niet meer aan haar verplich- tingen, voortvloeiend uit haar deelneming in deze n.v., kan voldoen. Spreker heeft daarbij een vergelijking met de K.L.M. gemaakt. Houdt men met dit laatste rekening bij het trekken van zijn conclusie, dan ontstaat een geheel ander beeld dan dat door de Wethouder getekend. Spreker acht de uiteenzetting van de Wethouder met betrekking tot deinves- teringen zeer duidelijk. Er is, wat dat betreft, niets vastgesteld. Alleen heeft spreker niet gehoord uit welke bron de rentebetalingen moeten plaatsvinden. [Wethouder VAN DEN BERGH: Men begint zonder leenkapitaal, dus be- hoeft er geen rente te worden betaald. ] Spreker zegt, dat men hem wijs kan maken wat men wil, maar dat het niet mogelijk is, dat men geld ter beschikking stelt, zonder dat daarvoor rente moet worden betaald. [Wethouder VAN DEN BERGH: Voor aandelenkapitaal is de n.v. geen rente verschuldigd. ] Spreker wijst er op, dat het hier aandelenkapitaal betreft, waarvoor
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/