archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 25
Gebruik tekstcoördinaten
Transcriptie
26 juni 1957 790 Adres (Herfst e.a.) Adres 791 Gemeenteblad afd. 2 woning leegkwam, deze bij het C.B.H. moest worden aangemeld, welk bureau de woning dan op de normale wijze aan de hand van de bestaande voorschriften zou toewijzen. Het voorstel van Burgemeester en Wethouders wordt zonder hoofdelijke stemming goedgekeurd; de Raad besluit mitsdien, het adres in hun handen te stellen ter afdoening. 33° Adres, ingekomen 15 mei 1957, van A. van de Beekvierel e.a, allen bewoners van Tuindorp-Nieuwendam, houdende bezwaar tegen de plaatsing van rijwielboxen in de gazons bij het complex gemeentewoningen aan de Scharwouderstraat e.0.; — met het Voorstel van Burgemeester en Wethouders, om dit adres te stellen in hun handen ter afdoening. De heer SEEGERS merkt op, dat dit adres is aangehouden op verzoek van de heer Jansz. Daar de heer Jansz op het ogenblik met vakantie is en dus over deze zaak niet kan spreken, verzoekt spreker, dit adres aan te houden tot de volgende vergadering. als men de redenen en de voorgeschiedenis niet kent. Vandaar, dat de inhoud van het adres ruimte voor een aantal vragen openlaat. Spreker acht de teleur- stelling van adressant, die na veel moeite eindelijk de woning heeft kunnen betrekken en in verband hiermede vrij belangrijke kosten heeft gemaakt, zeer begrijpelijk. Hij hoopt, dat Burgemeester en Wethouders de Raad duidelijk kunnen maken, wat hier nu in wezen heeft gespeeld en kunnen aangeven, wat ten aanzien van de heer Anderiesen moet gebeuren. De mededeling in het adres, dat de eigenares van de woning zich herhaal- delijk tot het C.B.H. zou hebben gewend met het verzoek, de woning te vor- deren, is beslist onjuist. Dit blijkt ook wel uit de omstandigheid, dat de eigena- res gewoon de huur inde van het gezin, dat als huisbewaarders optrad. Er was voor de eigenares dus geen enkele aanleiding om vordering van de woning te verzoeken. De heer SEEGERS zegt, dat hij zich kan voorstellen, dat men zich bij het Centraal Bureau voor Huisvesting ten aanzien van deze kwestie op het stand- punt stelt, dat de betreffende woning zonder toestemming van genoemd bureau door de heer Anderiesen is betrokken, waardoor in strijd met de bestaande voorschriften is gehandeld. Hij vraagt zich hierbij echter af, waarom een der- gelijk standpunt niet is ingenomen ten aanzien van het gezin, dat voordien de betreffende woning bewoond heeft. Spreker meent, dat hier sprake is van een onjuiste handelwijze van het C.B.H. Een beslissend punt in deze kwestie is, dat de woning inderdaad op 11 sep- tember 1956 bij het C.B.H. als lege woning is gemeld. De eigenares wist dus toen, dat de woning niet meer zonder inmenging van het C.B.H. mocht worden verhuurd, doch dat gewacht diende te worden, tot dit bureau een andere huurder zou aanwijzen. Door het C.B.H. is toen na ingesteld onderzoek verzocht, de nog op de woning aanwezige meubelen te doen weghalen. Vervolgens wijst spreker er op, dat tussen het C.B.H. en de heer Anderiesen besprekingen hebben plaats gevonden en dat men betrokkene daarbij niet heeft gewezen op het feit, dat, zelfs indien het C.B.H. tot vordering van de woning zou overgaan, deze toch niet aan de heer Anderiesen zou kunnen worden toe- gewezen. Ook dit acht spreker onjuist. Het is hem bekend, dat door het C.B.H. wel vaker een woning wordt gevorderd, indien iemand formeel over woonruimte beschikt, doch hiervan geen gebruik maakt, doch in dergelijke gevallen wordt dan in het algemeen op zeer korte termijn opgetreden. Door adressant wordt thans medegedeeld, dat hem bij besprekingen met ambtenaren van het C.B.H. niet de waarschuwing is gegeven, dat, zelfs indien de woning door het C.B.H. zou worden gevorderd, deze toch niet aan betrok- kene, die pas kort gehuwd was, zou kunnen worden toegewezen. Spreker wil er echter op wijzen, dat hiervan aan de adressant wel degelijk mededeling is gedaan. Wanneer de heer Seegers vraagt, waarom eenzelfde standpunt niet is ingenomen tegenover het gezin, dat voordien als huisbewaarders optrad, merkt spreker op, dat dit verband houdt met de soepelheid, die van de zijde van het C.B.H. ten aanzien van door zeelieden bewoonde woningen wordt betracht, indien deze zeelieden ten minste hoofdbewoner blijven. Anderzijds acht spreker het begrijpelijk, dat, indien een huiseigenaar bij het C.B.H. een verzoek indient om een woning te vorderen, op een dergelijk ver- zoek niet wordt ingegaan en de eigenaar er op gewezen wordt, dat voor hem wegen openstaan om zelf de woning ontruimd te krijgen, zodat de Gemeente de kosten daarvan niet voor haar rekening kan nemen. In oktober 1956 nu heeft de eigenares laten weten, dat zij de aanmelding van de leeggekomen woning introk en zij heeft daarop alsnog de adressant in de gelegenheid gesteld, de bedoelde woning te betrekken. Het is begrijpelijk, dat Burgemeester en Wethouders zich op het standpunt hebben moeten stellen, dat een dergelijke gang van zaken ontoelaatbaar was, daar zowel de eigenares als de adressant wisten, dat de woning op de normale wijze door het C.B.H. zou worden toegewezen. Op grond van deze overweging is dan ook tot vor- dering van de woning overgegaan. Burgemeester en Wethouders menen, dat er geen aanleiding is om op de genomen maatregel terug te komen. Alvorens zijn standpunt in deze kwestie definitief te bepalen, zal spreker gaarne inlichtingen van Burgemeester en Wethouders ontvangen ten aanzien van de door hem genoemde punten. Wethouder VAN DEN BERGH wil beginnen met nog even voorop te stellen, dat het naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders in het alge- meen niet gewenst is om individuele gevallen van deze aard in een openbare vergadering van de Raad te bespreken. Nu echter door adressant aan de Raad bepaalde mededelingerú zijn gedaan, is het gewenst, daar de lezing van Burge- meester en Wethouders tegenover te stellen. In het onderhavige geval was het bij het Centraal Bureau voor Huisvesting bekend, dat de betreffende woning door een zeeman was gehuurd. In dergelijke gevallen wordt door het bureau steeds zeer soepel opgetreden, zodat ook toen men wist, dat de woning door huisbewaarders werd bewoond, geen aanleiding werd gevonden voor het treffen van maatregelen. Toen in augustus 1956 bekend werd, dat de huisbewaarders de woning zouden verlaten, heeft men een onder- zoek naar de situatie ingesteld, waarbij bleek, dat de zeeman, die huurder van de woning was, ook tijdens de perioden, dat hij in Amsterdam verbleef, geen gebruik meer maakte van de woonruimte, terwijl de huur door de eigenares rechtstreeks van de huisbewaarders werd geïnd. Van de zijde van het C.B.H. is toen aan de eigenares medegedeeld, dat niet kon worden toegestaan, dat, na het vertrek van de toenmalige huisbewaarders, de woning opnieuw zonder medeweten van het C.B.H. aan anderen zou worden verhuurd en dat, indien de
Bronvermelding
Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957
Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien
Kunstmatige intelligentie
De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning. De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel. Beide bewerkingen zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.
Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/