Blader door transcripties » Stadsarchief Amsterdam
archieftoegang 31375, inventarisnummer 501, pagina 10



Gebruik tekstcoördinaten

Transcriptie

12 juni 1957 760
(Van Rij e.a.)
Beroepen tegen aanschrijvingen
Beroepen tegen aanschrijvingen 761 Gemeenteblad afd. 2
oordeel van de rechter zou onderwerpen, een vonnis te haren gunste te verkrijgen.
Spreker acht dit zeer wel mogelijk, omdat die eigenares op het ogenblik door
de houding van de huurder gedwongen wordt, krachtens de aanschrijvingen van
Burgemeester en Wethouders — wanneer de Raad die aanschrijvingen zou goed-
keuren — tot het doen van uitgaven, die in strijd zijn met de bedoeling van het
door haar gesloten huurcontract. In de jurisprudentie heeft spreker echter geen
uitspraken gevonden, die gaan in de door mevr. Friedmann veronderstelde
richting, daar door de kantonrechter — en zeker in Amsterdam — in zeer sterke
mate rekening wordt gehouden met de moeilijkheden, die de woningnood op
het ogenblik schept. Daarom neemt spreker voorshands aan, dat het standpunt,
dat mr. Warners, de gemachtigde van de klaagster, inneemt, nl. dat een ontrui-
mingsprocedure slechts zeer weinig kans van slagen zou hebben, inderdaad
juist is.
Waarschijnlijk op klacht van de onderhuurder is thans van gemeentewege
een onderzoek ingesteld naar de toestand van de woning op de eerste verdieping
en door Burgemeester en Wethouders is vastgesteld, dat die woning niet aan de
gestelde eisen voldoet. Zij hebben derhalve de eigenares van het perceel aan-
geschreven om de nodige voorzieningen aan te brengen. Thans komt de eigena-
res bij de Gemeenteraad in beroep en voert tegen de aanschrijvingen aan, dat het
nimmer de bedoeling is geweest, dat de eerste verdieping van het door haar ver-
huurde perceel als woning zou worden gebruikt. Toen dit toch gebeurde, is door
klaagster de reeds genoemde strafvervolging ingesteld en de onderhuurder is
door de kantonrechter veroordeeld tot het betalen van een geldboete wegens het
zonder vergunning in gebruik nemen der ruimten. Klaagster zou wel een actie
tot ontbinding der huurovereenkomst willen instellen om zowel de huurder als
de onderhuurder uit het perceel te doen verwijderen, doch zij meent, dat een
dergelijke actie slechts zeer weinig kans van slagen heeft, omdat de grondslagen
daarvoor alleen gevonden kunnen worden in de vier bepalingen, die in art. 18
van de Huurwet staan vermeld. De jurisprudentie is van die aard, dat de rechter,
rekening houdende met de bijzonder moeilijke omstandigheden op het gebied
van bewoning in Amsterdam en elders, niet gemakkelijk te bewegen is tot het
geven van een uitspraak, die hij in normale tijden zeker wel zou geven.
Bovendien rijst de vraag, nu de eigenares zich waar dit mogelijk was te
bevoegder plaatse constant heeft beklaagd over de houding van de huurder en
over een gebruik van een gedeelte van het verhuurde perceel in strijd met de
doelstelling van het huurcontract, of de Gemeenteraad zich aan een eigen
beoordeling van de feiten en omstandigheden kan onttrekken door zich te ver-
schuilen achter de opvatting, dat de klaagster maar een civiele procedure bij de
kantonrechter moet aanhangig maken. Spreker meent, dat dit onjuist is. Hij is
van oordeel, dat de Raad wel degelijk tot taak heeft om, zoals de situatie thans
ligt, zelf op grond van alle gebleken omstandigheden tot een eigen uitspraak te
komen.
Door klaagster is thans aangevoerd, dat zij de eerste verdieping van het
betreffende perceel niet als woning aangemerkt wenst te zien. Deze ruimte staat
ook bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als bedrijfsruimte. Het is be-
kend, dat tussen het C.B.H. en de Kamer van Koophandel te Amsterdam een
zeer zorgvuldige afbakening is getroffen over de vraag, wat een woonruimte en
wat een bedrijfsruimte is. Op deze regeling worden geen individuele inbreuken
toegelaten. De klaagster zit nu met de moeilijkheid, dat zij geld zou moeten
gaan uitgeven om iets te doen, dat zij volgens het huurcontract niet behoeft te
doen en dat zij in verband met de toekomstige bestemming van de ruimte ook
niet wenst te doen. Zij vraagt daarom de Raad, een besluit te nemen, dat haar
bezwaren inderdaad juist zijn geformuleerd, waardoor de aanschrijvingen van
Burgemeester en Wethouders teniet zullen worden gedaan.
Wethouder VAN DEN BERGH merkt op, dat het standpunt van Burge-
meester en Wethouders in deze kwestie eigenlijk reeds bekend is, gezien de door
hen gezonden aanschrijvingen. Bovendien geven Burgemeester en Wethouders
er de voorkeur aan, in de Raad niet over individuele gevallen te spreken. Nu
de onderhavige zaak echter in de Raad ter sprake komt, wil spreker deze wel in
haar algemeenheid behandelen.
Door de heer Seegers is thans aangevoerd, dat naar zijn mening de Commis-
sie zich niet in een dergelijke juridische verhouding heeft te mengen, doch slechts
dient uit te gaan van de feiten. Die feiten zijn, dat de eerste verdieping van het
perceel reeds geruime tijd als woning wordt gebruikt, dat de verhuurster niet een
bepaalde civiele stap — behalve indertijd die strafvervolging — tegen de huur-
der heeft ondernomen om de huurovereenkomst ontbonden te krijgen en daar-
door aan de onderverhuring een einde te maken. Daarvan uitgaande dient men
volgens de heer Seegers alleen maar vast te stellen, dat het als woning gebruikte
gedeelte van het perceel dan ook moet voldoen aan de eisen, die door Burge-
meester en Wethouders in verband met de bewoonbaarheid worden gesteld.
Het mag naar het oordeel van Burgemeester en Wethouders niet zo zijn,
dat men in Amsterdam in een bedrijfsruimte gaat wonen en dat die bedrijfs-
ruimte dan niet zou voldoen aan de eisen, die Burgemeester en Wethouders
aan een woning moeten stellen. Er ontbreekt hier nl. nogal wat. Het gaat hier
om twee verschillende aanschrijvingen, maar in hoofdzaak wordt over de eerste
gesproken. Er is geen stookgelegenheid en geen kookgelegenheid. Het is dus
een zeer slecht bruikbare woning. Eris dus ook gevaar voor brand, omdat, wan-
neer iemand deze ruimte betrekt, er toch gestookt en gekookt zal moeten
worden en dit dan vermoedelijk op een gevaarlijke manier zal gebeuren. Dan
mag het toch niet zo zijn, dat in een stad, die vol is met bedrijfsruimten — een
groot deel van de oorspronkelijke woningen aan de grachten zijn bedrijfs-
ruimten geworden — het voor bewoning bruikbaar maken van die ruimten,
wanneer men daarin gaat wonen, wordt afgewimpeld onder het motto, dat het
bedrijfsruimten zijn.
Hier komt men echter aan de vraag, die krachtens de wet aan het oordeel
van de Raad wordt onderworpen. Naar sprekers mening heeft de Raad thans
tot taak, de zaak van twee kanten te bezien en daarbij ook het standpunt van
de eigenares van het perceel volkomen recht te doen wedervaren. Dat doet men
echter niet, indien men, zoals de heer Seegers wenst, eenvoudig uitgaat van de
praktische situatie, zoals die zich op het ogenblik voordoet.
Spreker zal proberen, het over de feiten eens te zijn. Hij zal de feiten dus zo
stellen, als de heer Van Rij ze hier naar voren heeft gebracht. Hij wil dan ook
alleen nagaan, of hij uit die feiten de conclusie moet trekken, die de heer Van
Rij er uit trekt. Spreker doet dit bepaald niet. Het normale geval is, dat de
eigenaar toelaat, dat in een bedrijfsruimte wordt gewoond. Naar sprekers
mening staat het vast, dat de eigenaar die woning dan ook in orde moet laten
maken. Nu krijgt men dit bijzondere geval: de eigenares ziet tegen haar wil
Door mevr. Friedmann is opgemerkt, dat zij er niet van overtuigd is, dat het
niet zou gelukken, indien de eigenares het geschilpunt, dat zij met de huurder
heeft — nl. het verkeerde gebruik van een gedeelte van het perceel — aan het

Bronvermelding

Stadsarchief Amsterdam, archieftoegang 31375, Archief van de Gemeente Amsterdam: Gemeenteblad, inventarisnummer 501, Gemeentebladen, Gemeenteblad over de jaren 1950 t/m 1999, 1957, afdeling 2, deel 2 van 2, 1957



Ga naar de volgende pagina (11)  Ga naar de vorige pagina (9) Nieuwe zoekopdracht

U bent nog niet ingelogd

Inloggen
Geen abonnee? Bekijk de abonnementen

Scan + Transcriptie


Klik op de afbeelding om het te vergroten en de transcriptie ernaast te zien

Kunstmatige intelligentie (AI)

De transcriptie is door de computer gemaakt via automatische handschriftherkenning.
De samenvatting wordt door de computer gemaakt op basis van een taalmodel.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt.

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/