Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 15 oktober 1807 schreef een 62-jarige man een brief aan de directeur-generaal van het Departement van Koophandel en Koloniën in 's-Gravenhage. Hij vertelde dat hij het hoofd was van een groot gezin en dat hij zijn kinderen een goede opvoeding in Nederland had gegeven. Hij had 16 jaar gewerkt voor de Nederlandse Indische Compagnie, zowel in militaire als civiele dienst, en ook bij de land- en zeemacht. In mei 1785 was hij als vrijhandelaar in Indië begonnen, met een officiële vergunning.
Alles veranderde toen Herman Willem Daendels, de nieuwe gouverneur-generaal, aankwam. In het begin behandelde Daendels hem vriendelijk en beloofde hij zelfs dat hij positief over hem zou schrijven naar de koning. Maar na twee maanden begon Daendels hem plotseling te beschuldigen. Op een ochtend zei Daendels zelfs dat de Engelse overheid had gevraagd om hem als gevaarlijk persoon naar Nederland te deporteren. De man ontkende dit en was geschokt door deze beschuldiging, vooral omdat hij juist goede contacten met Engelse ambtenaren had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0356
Veel mensen waren erbij betrokken en
Louden hoorde bij de groep die bij de
Venden Zafel stond. Deze groep was bang dat de
Engelse heren er alles aan deden om snel geld van
Louden te krijgen. Ze vreesden dat
HoogEdelGestrenge (een hoge Nederlandse functionaris)
Louden zonder rechtszaak failliet zou laten gaan. Daarna zou
Louden, als een varken aan een paal gebonden, op het eerste
Hollandse oorlogsschip naar
Nederland worden gestuurd om daar gestraft te worden.
Louden was door
Koning Willem I aangemerkt als een gevaarlijk persoon, die met voorzichtigheid behandeld moest worden.
De Gouverneur-Generaal (
Gr. El.) beschuldigde
Louden dagelijks bij de koning en andere hoge functionarissen in
Elmina (een Nederlandse vestiging in het huidige
Ghana).
Op
11 oktober van het voorgaande jaar, rond 10 uur ’s ochtends, kwam
Van der Bauw, een assistent in dienst van de koning, bij
Louden thuis. Hij vertelde dat
De Gouverneur-Generaal Louden wilde ontbieden in het fort.
Louden vroeg even tijd om zich fatsoenlijk aan te kleden en zijn zaken te regelen.
Van der Bauw zei dat hij geen opdracht had om dit te weigeren, maar toen die tijd om was, werd
Louden alsnog meegenomen.
De Gouverneur-Generaal ontving
Louden woedend en partijdig, zonder hem de kans te geven zich te verdedigen.
Louden vroeg waarom hij beschuldigd werd en wat de straf zou zijn.
De Gouverneur-Generaal antwoordde luid dat
Louden in
1809 het
Fante-volk (een lokale bevolkingsgroep) bij
Elmina had gesteund met 1000 gulden in goud en munitie, terwijl
Louden ontkende ooit geld ontvangen te hebben. Ook zou
Louden 250 gewapende mannen hebben gesteund.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0360
In
1842 dienden de erfgenamen van
Herman Willem Daendels een verzoek in bij het hof en de rechtbank in
Arnhem. De eisers waren:
De gedaagde partij was de Nederlandse staat, vertegenwoordigd door
Mr. Schout Schmolck.
De zaak ging over geld dat
Herman Willem Daendels in
1811 had gestort in de kas van de overheid op
Java (toen onderdeel van Nederlands-Indië). Hiervoor had hij bonnen ontvangen, ondertekend door gouverneur-generaal
Janssen, met een totale waarde van
396.666,32 rijksdaalders. Deze bonnen waren bedoeld voor de levering van:
- koffie (10 bonnen)
- peper (10 bonnen)
- suiker (10 bonnen)
Iedere bon was
500 pikols waard (à
125 gulden per pikol). De producten moesten altijd uit de pakhuizen van de overheid worden geleverd.
De erfgenamen stelden dat:
- de schuld nooit was ontkend;
- de overheid geen maatregelen had genomen om het recht op terugbetaling te beperken;
- ze bereid waren om zich te houden aan het koninklijk besluit van 4 november 1820 over de afhandeling van de schuld.
Volgens dit besluit moest de schuld worden omgerekend:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0356
Op
21 augustus 1844 werd door de overheid besloten:
-
Aleida Elisabeth Reiniera van Vlierden, de weduwe van de overleden Herman Willem Daendels (voormalig gouverneur-generaal van Nederlands-Indië), krijgt een jaarlijks pensioen van 3500 gulden. Dit bedrag wordt vanaf 1 januari 1844 uitgekeerd door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam, Rotterdam of 's-Gravenhage, naar keuze. Ze moet zich houden aan de regels van de maatschappij, die bij deze brief zijn meegestuurd. Het pensioen wordt elke drie maanden uitbetaald.
-
De Nederlandsche Handel-Maatschappij krijgt een afschrift van dit besluit en de opdracht om het pensioen uit te betalen. De kosten hiervan komen ten laste van de koloniale kas (het geldpotje voor de koloniën).
-
Aan L.E. Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië (de huidige baas in Indië) wordt meegedeeld hoe de kwestie rond de erfgenamen van Daendels is afgerond. Dit ging over 30 obligaties (schuldbrieven) met een waarde van 396.666,32 gulden, die Daendels in 1811 had gekregen van de Franse keizer.
-
Na goedkeuring door de koning (3 december 1838) bleven de erfgenamen tot begin 1842 wachten. Toen dreigden ze de Nederlandse staat voor de rechter te slepen, tenzij er een schikking zou komen. De overheid stemde hiermee in om een rechtszaak te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0305
In
1825 wees de koning een verzoek af van de familie van de overleden
Herman Willem Daendels. Zijn vrouw,
Sosina Maria Christina Daendels, en hun kinderen (waaronder
Augustus Dick Daendels, die toen in
Nederlands-Indië verbleef) wilden dat het Rijk een schuld van 30 obligaties zou betalen. Deze obligaties waren in
1811 uitgegeven door het toenmalige bestuur in
Indië.
De familie snapte niet waarom hun verzoek was afgewezen en dacht dat er misschien andere redenen speelden. Ze wilden eerst meer informatie voordat ze opnieuw een officieel verzoek indienden. Ze vroegen de koning om:
- de kans om hun verdediging toe te lichten, of
- in onderhandelingen te mogen gaan over de schuld.
De situatie van
Sosina Maria Christina Daendels (de weduwe) was slecht: ze leefde in armoede en was afhankelijk van haar kinderen. Haar man was gouverneur-generaal geweest, en normaal gesproken kregen families van hooggeplaatste ambtenaren steun na hun overlijden. Dat dit nu niet gebeurde, vond de familie onterecht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4235 / 0385
In
1777 werd een overeenkomst gesloten in
Paramaribo tussen de heren
Willem Bliek en
Cornelis Bliek. Volgens deze afspraak zou
Willem Bliek een bedrag van
6000 gulden (Hollands geld) ontvangen voor de erfenis van de overleden
Bartholomius Eleimput, zoals vastgelegd in diens testament van
27 juli 1777. Dit bedrag moest in één keer worden betaald uit de eerste beschikbare gelden van hypotheken of schuldbewijzen die nog binnen moesten komen.
Daarnaast werd afgesproken dat
Willem Bliek een stuk land, genaamd
Plantage Dijkvelt, met
46 percelen buiten deze regeling zou houden.
Beide heren,
Willem Bliek en
Cornelis Bliek, verklaarden akkoord te gaan met deze afspraken en beloofden deze na te leven alsof ze zelf de overeenkomst hadden ondertekend. Ze spraken af dat alle lopende juridische procedures als beëindigd zouden worden beschouwd. Ook deden ze afstand van eventuele verdere claims die ze sinds
31 december 1757 op elkaar hadden kunnen hebben.
Om zeker te stellen dat de afspraken zouden worden nageleefd, wezen ze
meester Boudewijn Smit (advocaat) en
Janspaan (procureur) aan om de overeenkomst juridisch te laten vastleggen.
De akte werd opgesteld in
Paramaribo in aanwezigheid van de getuigen
Jean Toureau en
Pieter Guirenus Pinkernell. De ondertekenaars waren onder anderen
Willem Bliek,
Jan Poureau,
F. Pinkernell,
Adriaan van Son,
Berkhoff en
Clercq.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 343 / 0537
In
Paramaribo werd op
7 juli 1761 een verklaring opgesteld door
Jacob des Loges, een tijdelijk beëdigd ambtenaar van de secretarie van
Suriname en de omliggende gebieden. Aanwezig waren ook twee getuigen:
Jan Christoffel Wilfort en
Jan Sieffart.
Gerrit Sijkkens verklaarde zich, onder het voorbehoud van mogelijke uitzonderingen en met inachtneming van alle rechten, hoofdelijk aansprakelijk (dat betekent: zowel als borg als hoofdverantwoordelijke) voor
mevrouw Anna Maria Vork. Zij was de echtgenote van
Boudewijn Smith, die haar bijstond. Dit gebeurde in verband met een vonnis van het
Hof van Civiele Justitie op
7 april 1761.
De zaak ging over een claim van
Anna Maria Vork op een lading wijn. Deze wijn was oorspronkelijk eigendom van haar moeder,
Martha Vork, en was bestemd voor de heren
Tourton en
J.H. Toutton. De executeurs van de nalatenschap van
J.A. Tourton Jr., namelijk
Louis de Lon Cour en
D.F. Bandina, waren hierbij betrokken.
Anna Maria Vork had de rechtszaak gewonnen, maar moest wel een voldoende waarborg stellen.
Gerrit Sijkkens beloofde dat hij, of
Anna Maria Vork en haar man, zou voldoen aan alle eisen die hieruit voort zouden kunnen komen. Zij stelden hun persoon en bezittingen als onderpand.
Op dezelfde dag verklaarde
Anna Maria Vork, bijgestaan door haar man
Boudewijn Smith, dat haar borg,
Gerrit Sijkkens, hen zou vrijwaren van alle mogelijke claims die uit deze zaak konden voortvloeien. Ook zij stelden hun persoon en bezittingen als zekerheid.
De verklaring werd ondertekend door
Anna Maria Smit,
Vorn Lyken,
Boudewijn Smit, en
Jansen (als getuige).
Jacob des Loges bevestigde als ambtenaar de echtheid van het document.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 348 / 0013
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 722 / 0262
Andries Laurens von Jeckel, die op dat moment in
Paramaribo woonde, kreeg een officiële opdracht namens een echtpaar (hier "Heer en vrouwe Comparanten" genoemd) om de volgende zaken te regelen:
- Hij mocht de plantages De Hendragt (aan de Commetawane Creek in Suriname), de helft van Sardam (aan de Cottica Rivier, ook in Suriname), en de helft van Heymsluys (aan de Mot Creek, eveneens in Suriname) beheren. Dit omvatte alles wat bij de plantages hoorde, zoals:
- Slavernijgedwongen arbeiders (mannen, vrouwen en dieren zoals paarden en vee).
- Gebouwen, landbouwgewassen en andere bezittingen.
- Hij mocht personeelsleden ontslaan als ze hun werk niet goed deden en nieuwe aannemen.
- Hij mocht goederen kopen die nodig waren voor de plantages en de opbrengsten (producten) naar het echtpaar sturen.
- Hij moest financiële zaken regelen:
- Rekeningen bijhouden, controleren en afrekenen.
- Geld ontvangen of betalen als dat nodig was.
- Bij geschillen of juridische kwesties mocht hij naar de rechtbank in Suriname gaan om:
- Eisen in te dienen of verdedigen.
- Vonnissen aanvragen, uitvoeren of in hoger beroep gaan.
- Geld opeisen dat aan de plantages toebehoorde, ook als anderen daar aanspraak op maakten.
- Hij mocht namens het echtpaar afspraken maken, onderhandelen of schikkingen treffen.
- Hij moest ervoor zorgen dat alles wat hij deed juridisch correct was en kon, indien nodig, borg staan of garanties geven.
- Hij kreeg de vrijheid om alles te doen wat nodig was voor het beheren van de plantages, alsof het echtpaar zelf aanwezig was.
Deze opdracht gold zonder beperkingen van de
Wees- en Onbeheerde Boedelkamers (instanties die wezen en erfenissen beheerden) in
Paramaribo en
Suriname. Het document werd opgesteld in
Haarlem en ondertekend door de getuigen
Dirk van den Hilst en
Adriaan van Wyck, en de notaris
J.S. Br: Dessb Pr. Des Borgne.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974779 / 228
Op 2 december 1783 deden drie mensen een verzoek aan de West-Indische Compagnie (WIC):
Zij vertelden dat Jan Willem Kerkhoven in 1777 als ongetrouwde jongeman naar Guinea was vertrokken om voor de WIC te werken. Hij overleed daar in 1778 zonder testament. Zijn erfenis was nu afgewikkeld en kon worden uitgekeerd. Omdat hij geen andere familie had, vroegen zij om het geld te ontvangen:
Catharina (als moeder) de helft, en Pieter en Boudewijn George (als broers) de andere helft. De WIC ging hiermee akkoord en wees Commies van Beaumont aan om de betaling te regelen.
Ook deden Bentink & Waardenburg, handelaren en rederij-eigenaren uit Amsterdam, twee verzoeken:
- Zij vroegen geld terug voor te veel betaalde belasting in Curaçao. Hun schip, de Maria Wilhelmina (kapitein Pieter Mahler), had ƒ60 per last (ladingseenheid) betaald, maar volgens hun contract hoefden ze slechts ƒ30 te betalen. De WIC stemde toe en zou ƒ297 terugbetalen.
- Zij hadden gehoord dat er soldaten op hun schip Maria Wilhelmina (nu met kapitein Witzel) naar Curaçao zouden worden geplaatst. Het schip was echter al vol. De WIC besloot slechts 4 soldaten toe te staan. Ook werd Commies Lubbe opgedragen om in het vervolg tijdig te vragen hoeveel militairen of ander personeel op schepen naar de overzeese gebieden moesten, zodat er genoeg ruimte gereserveerd kon worden.
D.C. Wesselman, koopman in Amsterdam, vroeg om het brigantijnschip Neptunus (kapitein Cornelis Vervenne, gebouwd in Zierikzee door Anthonij de Kater) te meten voor een reis naar de kust van Afrika. De WIC stemde toe, op voorwaarde dat Wesselman binnen 8 dagen de benodigde papieren zou overleggen. Hoofd en Lampsins zouden bij de meting aanwezig zijn.
Er werd een wisselbrief getoond van ƒ10.960, uitgeschreven in Elmina op 24 augustus 1783 door Lieve Nicolaes van Bergen van der Grijp en Johannes Cornelis Heijcoop (directeur-generaal Pieter Volkman aan de kust). Deze wissel was geëndosseerd (doorgegeven) aan Clara Margaretha Volkmar-Sobbe, de weduwe van Volkman. Het geld was bedoeld om een schuld van 34 mark, 10 schellingen en 2⅛ liard aan liquidatiegoud af te lossen, die Volkman nog verschuldigd was aan de WIC. De WIC keurde de betaling goed.
Clara Margaretha Volkmar-Sobbe deed twee verzoeken namens anderen:
- Als gevolmachtigde van Jacob Christiaan Marquin (assistent van de WIC in Guinea) vroeg zij ƒ350 uit diens salaris. De WIC stemde toe.
- Als gevolmachtigde van Johan Geonge (sergeant van de WIC in Guinea) vroeg zij een bedrag uit diens loon. (De tekst is hier onvolledig.)
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 438 / 0250
Op 3 mei 1769 bespraken de heren Priefs, Muuter, Hooft Rendorp, Dedel en de Wilhem Petersen (die soms als adviseurs optraden) een voorstel. Ze bedankten heer Schepen Munter voor zijn idee en besloten om heer Schepen Mogge van Haamsteede en andere commissarissen van de sociëteit te vragen om hierover na te denken. Deze commissarissen moesten later met een plan komen en advies geven aan de heren van de vergadering.
Op 7 juni 1769 werden de notulen van de vorige vergadering (3 mei 1769) voorgelezen, goedgekeurd en vastgelegd.
Op dezelfde dag, 7 juni 1769, werd Hendrik Kemper voorgedragen als predikant voor de Lutherse gemeente in Suriname. Dominee Boon, predikant in de lokale gemeente, overhandigde samen met de ouderlingen Andreas Bon en Coenraad Smitt de Augsburgse Belijdenis (een belangrijk Luthers document). Daarna stelde dominee Boon Hendrik Kemper voor als nieuwe predikant voor Suriname, als vervanger van de overleden Abraham Zegerquist. De vergadering acceptieerde Kemper op basis van goede aanbevelingen van het kerkbestuur.
Ook op 7 juni 1769 werd besloten dat de Lutherse gemeente in Suriname niet langer jaarlijks ƒ600 hoefde te betalen aan het ziekenhuis daar. In plaats daarvan betaalden ze eenmalig ƒ8000. Hiervoor toonden Jochem Matthijs en Coenraad Smitt twee wisselbrieven (soort betaalopdrachten) uit Suriname:
Deze wisselbrieven werden aan
Jochem Matthijs gegeven om af te handelen. Daarnaast werd een betaling van ƒ713,15 voorgelegd door een medewerker van
Jan Wreesman, maar deze mocht alleen worden uitgekeerd onder voorwaarden (borgstelling door
Jan Wreesman en
Coenraad Smitt). Het geld moest uiteindelijk bij de kasbeheerder
Clifford terechtkomen. Na ontvangst van de volle ƒ8000 zou een kwitantie (bewijs van betaling) aan
Jochem Matthijs en
Coenraad Smitt worden gegeven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 59 / 0077
Op
5 maart 1764 om
20:00 uur kwamen
Saac van Goudoever en
Agneta Ermina de Lange, een getrouwd stel uit
Amsterdam, bij notaris
Hermanus van Heel. Ze woonden aan de
Heeregracht bij de
Waanwesgracht. Beide waren gezond en in staat om een nieuwe regeling te maken.
Ze bevestigden eerst dat hun eerdere testament van
2 juli 1749, opgesteld bij notaris
Hermannus de Wolff, nog steeds gold voor de eerststervende. Maar ze schrapten alle eerdere afspraken over de nalatenschap van de langstlevende.
De langstlevende van de twee bepaalde nu het volgende:
Deze afspraken gelden alleen als de langstlevende
geen kinderen achterlaat.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 604583 / 435
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 604634 / 445
Op
18 februari 1739 en
12 januari 1739 werden twee verklaringen opgesteld aan boord van de schepen
Velsen en
HilverbEEK door bemanningsleden en officieren.
De eerste verklaring, ondertekend door:
bevestigde op
10 maart 1739 in
Bengale dat de inhoud "de zuivere waarheid" was. Zij beloofden dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.
De tweede verklaring, opgesteld op verzoek van schipper
Adriaan van Reijnsen, werd ondertekend door:
Zij verklaarden samen dat op drie momenten:
- 7 september 1738,
- 8 oktober 1738,
- 10 januari 1739,
telkens een derde deel van een zwaar touw was doorgesneden. Ook zij bevestigden dat dit de "zuivere waarheid" was en waren bereid dit onder ede te zweren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2469 / 0158
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0252
In een verzoek aan de koning vertelt een weduwe over haar financiële problemen en de geschiedenis van de plantages in Suriname die haar familie bezat.
Ze benadrukt dat geld vluchtig is en dat ze na jaren van strijd voor de plantages nu rust zoekt. Door slecht beheer en juridische problemen is ze echter bijna alles kwijt:
- Ze moest personeel ontslaan,
- heeft geen sociaal netwerk meer,
- haar bezit is in beslag genomen en
- ze kan haar schulden niet meer betalen.
Ze vraagt de koning om hulp, omdat ze als weduwe geen bescherming vindt en te uitgeput is om via de rechtbank haar gelijk te halen. Haar tegenstanders proberen haar claims te ontwijken door:
- de schuld bij derden te leggen (wat ze ontkracht, omdat dit juist bewijst dat ze bedrogen is),
- te beweren dat ze geestelijk niet in orde is (terwijl ze zelf dit verzoekschrift heeft opgesteld).
Haar verhaal begint met de samenwerking tussen haar vader, De Bruine, en heer Lever in 1710. Zij richtten een handelshuis op en kochten later vier plantages in Suriname:
- Waterland,
- Adrichem,
- Palmeneribo,
- Turnimombo.
De aankoop kostte in totaal 650.000 gulden (waarvan 3.400 gulden voor makelaarskosten en 650 gulden voor de notaris). Door slecht beheer van Lever, die te veel uitgaf, gingen de plantages achteruit.
Er was ook een juridisch conflict over 500 akkers grond tussen Waterland en de naburige plantage La Rencontie. Daarnaast werd de directeur van Waterland beschuldigd van diefstal; hij vluchtte naar Engeland. Door geldgebrek vroeg De Bruine in 1783 uitstel van betaling aan het Hof van Holland en West-Friesland. Zijn compagno Lever trok zich terug uit de zaak.
Het hof verleende uitstel en beval dat de rechtszaken in Suriname werden opgeschort, omdat De Bruine's moeder (weduwe van S.R. de Bruine) en zijn schoonmoeder (weduwe van J. Bolten, voormalig burgemeester van Amsterdam) borg stonden.
In 1784 werd een nieuwe overeenkomst getekend door 400 aandeelhouders (waarvan haar familie er 277 bezat, vaak op andere namen om de plantages te behouden). Het Hof van Holland gaf in 1795 toestemming om een voorkeursschuld van 20.000 gulden (van De Bruine's overleden vader) en later nog eens 50.000 gulden op de plantages te verhalen, om ze te redden.
De Bruine moest verantwoording afleggen over zijn beheer en stelde in 1798 een nieuwe directeur voor, die goedgekeurd werd. Toen later twee andere directeuren overleden, vroeg hij in 1807 om Stiffig en zijn oudste zoon als opvolgers aan te stellen. Voordat hierop besloten werd, overleed De Bruine zelf op 11 augustus 1807.
Bij het openen van zijn testament bleek dat iemand zonder zijn weten had geprobeerd zijn wil te veranderen. Eerder had hij Surmonds van Rotterdam en zijn zwager Bolten als executeurs aangewezen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 895 / 0076
Op
25 april 1820 overleed in
Amsterdam een vrouw zonder kinderen, volgens haar testament uit
11 augustus 1815, opgemaakt door notaris
Jan Hendrik Tans. Haar enige erfgenamen waren
Catharina Margaretha Smit en
Engelina Maria Smit.
Zij waren ook de enige erfgenamen van
Anna Wilhelmina Smit, die op
7 mei 1803 ongehuwd overleed. Haar testament dateerde uit
16 december 1791 en was opgemaakt door notaris
Cornelis van Homrigh.
Anna Wilhelmina Smit was op haar beurt de enige erfgenaam van
Clara Catharina Smit, die op
17 september 1794 overleed. Haar testament was opgemaakt op
25 februari 1782 door dezelfde notaris.
Frans Lourens Wolldors en de vrouwen
Catharina Margaretha Smit,
Engelina Maria Smit,
Anna Wilhelmina Smit, en
Clara Catharina Smit waren samen de enige erfgenamen van
Elisabeth Feertruy Smit, weduwe van
Autus. Zij bezaten voor een vijfde deel de plantage
Adrichem in
Suriname, gelegen aan de
Matapica Creek.
De erfgenamen benoemden
Jan Nieuwenhuysen en
I. Thyn (en bij afwezigheid
A.I. Wettig of
U.H. Wilkens) als hun vertegenwoordigers in
Suriname. Deze mannen kregen de opdracht om:
- de plantage Adrichem te beheren en in goede staat te houden,
- personeel aan te nemen en te ontslaan,
- toezicht te houden op de oogst, verwerking en verzending van de producten,
- de producten te verkopen via het handelshuis van weduwe Kerkhoven en Zonen of volgens hun instructies.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 901 / 0263
- De Staten-Generaal (de hoogste bestuurders van de Republiek) ontvingen brieven van verschillende diplomaten, maar er werd geen beslissing genomen over de inhoud:
- Van Hop, gezant in Pruisen, gedateerd 27 mei (plaats: Berlijn).
- Van Hop, gezant in Groot-Brittannië, gedateerd 27 mei (plaats: Londen).
- Van Gallieris, vertegenwoordiger bij de Rijksdag, gedateerd 26 mei (plaats: Regensburg).
- Van Burmania, gezant bij de keizer in Oostenrijk, gedateerd 21 mei (plaats: Wenen).
- Er werd wel besloten over twee andere zaken:
- De Deense gezant de Cheusses vroeg een vrijgeleide voor goederen (meubels en oud zilverwerk) van een zekere Fabricius, die met het schip De Vrouwe Giliana (schipper: Hendrick Brandligt) uit Bremen kwamen. Deze goederen mochten belastingvrij het land binnenkomen.
- Frens van Beeftingh, een voormalig schepen (bestuurder) van Rotterdam, kreeg toestemming om met een koets met vier paarden en bedienden zonder controles naar het buitenland te reizen.
- De zaak van Johan Jacob Frederik Fabricius (een koopman uit Amsterdam met schulden):
- De secretaris Bosch schreef vanuit Frankfurt (29 mei) dat Fabricius bijna vrijgelaten zou worden door de lokale overheid, ondanks zijn schulden. Hij zat onder huisarrest met slechts twee soldaten als bewaking en kon gemakkelijk vluchten.
- Na een klacht van Bosch werd de bewaking verdubbeld (vier soldaten) en zou een nieuwe commissie (twee schepenen en een andere functionaris) de zaak opnieuw onderzoeken.
- De Staten-Generaal keurde het optreden van Bosch goed en liet hem weten dat ze tevreden waren.
- Verzoek voor een tweede kapelaan (hulp-priester) in Oirschot:
- De schout (bestuurder) van Kempeland (bij 's-Hertogenbosch) meldde dat de katholieke gemeente in Oirschot (met omringende dorpen zoals Spoordonk, Best, en Hedel) uit ruim 2400 gelovigen bestond.
- Normaal gesproken werden zij bediend door één pastoor en twee kapelaans, maar sinds de dood van kapelaan Jan Baptist van Oudenhoven (begin mei) was er een tekort.
- De Staten-Generaal gaf toestemming voor een derde priester (als vervanger), mits aan alle regels werd voldaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3527 / 0539
Op
25 oktober 1807 schreef
Simon Post uit
Haarlem een betalingsopdracht (een soort cheque) voor
Simon Groot uit
Lutjebroek.
Simon Post moest hiermee
Simon Groot 413 gulden betalen als afrekening van een openstaande rekening.
De betalingsopdracht ging via verschillende personen:
Op
14 november 1807 ging de notaris
Jan Schouten uit
Haarlem, samen met twee getuigen (
Abraham van den Bergh en
Abraham van Kanegem), naar het huis van
Simon Post. Omdat
Simon Post niet thuis was, spraken ze met zijn zoon
Cornelis Post. Die wist van niets en kon niet betalen.
De notaris maakte toen officieel bezwaar (een
protest) omdat de betaling niet plaatsvond. Hierdoor kon
David Hoeufft later de kosten, schade en rente terugvorderen volgens de geldende regels.
Op
15 november 1807 werd dit vastgelegd door notaris
Schouten en de getuigen. De totale waarde van de transactie was minder dan
4000 gulden, dus er hoefde geen extra belasting of officiële kwitantie te worden betaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974817 / 467
Elisabeth A. Mol van Otterloo (zonder beroep, wonend in Leist) geeft toestemming aan Willem Lambortus Hengeveld (kandidaat-notaris in Haarlem) om namens haar een huis met erf en tuin te verkopen aan Jan Zip (timmerman in Haarlem).
Het huis staat in de Frans Halsstraat 18 in Haarlem (kadasternummer B 2085, gemeente Haarlem) en is 1 are en 74 centiare groot. De verkoopprijs is 3000 gulden, waarvan Mol van Otterloo al 500 gulden heeft ontvangen. Ze krijgt ook 80,88 gulden aan rente van de koper.
De koper (Zip) moet het huis accepteren zoals het is, met alle (onzichtbare) gebreken, rechten of verplichtingen die eraan vastzitten. De verkoopster (Mol van Otterloo) garandeert alleen dat ze het recht heeft om te verkopen en dat er geen hypotheekschulden openstaan. Als het perceel in werkelijkheid groter of kleiner blijkt dan volgens het kadaster, maakt dat niets uit voor de prijs of de verkoop.
De koper betaalt alle kosten voor de overdracht. De akte wordt op 26 juli 1898 in Leist ondertekend en op 29 juli 1898 in Haarlem geregistreerd (akte nummer 144, blad 1, ontvangen voor 60 gulden registratierechten). Getuigen zijn Carel Joseph Bakle (kantoorbediende) en Carel Lodewijk Troel (smit), beide uit Haarlem. De notaris is W. P. Hengeveld.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701347 / 93
Op
3 maart 1837 werd in
Batavia (het huidige
Jakarta) een verzoek behandeld van
Dr. J. Bosscha, de beheerder van de landbouwonderneming
Seekong op
West-Borneo (nu
Kalimantan Barat, Indonesië).
Bosscha vroeg om herstel van zijn rechten, die waren ingetrokken door de
resident van West-Borneo in een besluit van
23 mei 1836 (nummer 1324). Dit besluit was genomen na een conflict over een tijdelijke overeenkomst tussen
Bosscha en een zekere
Jan, een inheemse boer.
Bij het verzoek zaten twee brieven:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 6518 / 0393
Op
7 januari 1739 werd er een brief geschreven over het overbrengen van paarden van
Ceilon (het huidige
Sri Lanka).
- De paarden moesten naar een andere locatie gebracht worden om daar een jaar te blijven. Doel was om ze sterker en krachtiger te maken, omdat er geen merries (vrouwtjespaarden) waren.
- Er werd ook gehoopt dat er uit Perzië (het huidige Iran) springhengsten (mannetjespaarden voor de fok) zouden komen. Deze waren al besteld en hard nodig, in totaal 10 stuks.
- Er werd verwezen naar een eerder verzoek en een plan van aanpak. De schrijver vond dat er kritiek op dit plan mogelijk was, maar dat het respectvol behandeld moest worden.
- Het ging om de verdeling van landerijen die onder direct bestuur van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) vielen. Deze landen waren eerder in slechte staat, maar nu hersteld en weer in gebruik.
- De schrijver benadrukte dat het belangrijk was om de oude gewoontes en verplichtingen in stand te houden, zoals dat bij de inleiding van het koninkrijk gebruikelijk was.
- Het regelen van deze zaken kostte veel moeite, vooral sinds het succes van dit koninkrijk en de verbetering van de situatie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2445 / 1463
Op 7 januari 1739 ging het over twee eilanden bij Ceylon (nu Sri Lanka).
Het eerste eiland werd gebruikt voor het kappen van hout (voor schepen) en het maken van kalk. Twee afgezanten van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) hadden het eiland bezocht. Er moest een kaart gemaakt worden om te laten zien welke grond geschikt was voor landbouw en welke grond bebost moest blijven voor hout. De landmeter moest dit duidelijk in kaart brengen. De VOC wilde advies over hoe ze dit het beste konden regelen vanuit Colombo.
Het tweede eiland, Delft, werd gebruikt voor paardenfokkerij door twee broers. De paarden waren in 1727 naar het eiland gebracht, maar het gras was opgeraakt. Er was extra voer nodig, en er werkten een korporaal, een soldaat en enkele Lascorijnen (lokale werkkrachten) om het eiland te onderhouden. De broers wilden 3 of 4 Lascorijnen en een paar roeiers extra sturen, plus een goede hengst voor de fokkerij.
De VOC wilde wachten tot er genoeg hengsten uit Perzië (nu Iran) waren om de fokkerij te verbeteren. De eerste twee jaar mochten er geen paarden verkocht worden, en alle jonge hengsten van Veuens (een ander eiland) moesten naar Delft gebracht worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2445 / 1461
De tekst beschrijft een financiële afspraak tussen
John Werninck,
Philip Combauld en
John van den Broek over de verkoop van een plantage. Hier volgt een samenvatting in modern Nederlands:
- Met het geld uit de verkoop mogen Werninck en Combauld eerst alle kosten betalen die gemaakt zijn voor de verkoop, zoals voorbereidingen, afronding en eventuele voorschotten of afspraken die zij hebben gedaan voor de plantage.
- Daarna mogen ze ook alle bedragen betalen die nog openstaan voor commissies, kosten en leveringen voor de plantage.
- Wat er overblijft van het verkoopgeld moet gebruikt worden om een lening van 9.960 pond, 9 shilling en 6 penny (plus rente) af te lossen, die John van den Broek verschuldigd is aan Werninck en Combauld (of aan de langstlevende van hen twee, hun erfgenamen of opvolgers).
- Als er nog geld over is na het aflossen van de lening, moet dat naar Van den Broek (of zijn executeurs, erfgenamen of opvolgers) gaan.
- Van den Broek belooft officieel dat hij, zijn erfgenamen of opvolgers deze afspraken zullen nakomen in alle gevallen die hierboven genoemd zijn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AZ.7.56 / 0240
Deze brief is een formele, beleefde boodschap van Ant Merrij aan een hooggeplaatst persoon (aangesproken als Monsieur en Excellence). De schrijver bevestigt dat hij de brief eerbiedig en met respect heeft ontvangen.
Onder aan de brief staan drie verklaringen dat het om een echte kopie gaat (een afschrift dat klopt met het origineel), ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.21 / AZ.1.39 / 0250
Vorige paginaVolgende pagina