Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 15 oktober 1807 schreef een 62-jarige man een brief aan de directeur-generaal van het Departement van Koophandel en Koloniën in 's-Gravenhage. Hij vertelde dat hij het hoofd was van een groot gezin en dat hij zijn kinderen een goede opvoeding in Nederland had gegeven. Hij had 16 jaar gewerkt voor de Nederlandse Indische Compagnie, zowel in militaire als civiele dienst, en ook bij de land- en zeemacht. In mei 1785 was hij als vrijhandelaar in Indië begonnen, met een officiële vergunning.

Alles veranderde toen Herman Willem Daendels, de nieuwe gouverneur-generaal, aankwam. In het begin behandelde Daendels hem vriendelijk en beloofde hij zelfs dat hij positief over hem zou schrijven naar de koning. Maar na twee maanden begon Daendels hem plotseling te beschuldigen. Op een ochtend zei Daendels zelfs dat de Engelse overheid had gevraagd om hem als gevaarlijk persoon naar Nederland te deporteren. De man ontkende dit en was geschokt door deze beschuldiging, vooral omdat hij juist goede contacten met Engelse ambtenaren had.

Bekijk transcriptie 


Veel mensen waren erbij betrokken en Louden hoorde bij de groep die bij de Venden Zafel stond. Deze groep was bang dat de Engelse heren er alles aan deden om snel geld van Louden te krijgen. Ze vreesden dat HoogEdelGestrenge (een hoge Nederlandse functionaris) Louden zonder rechtszaak failliet zou laten gaan. Daarna zou Louden, als een varken aan een paal gebonden, op het eerste Hollandse oorlogsschip naar Nederland worden gestuurd om daar gestraft te worden. Louden was door Koning Willem I aangemerkt als een gevaarlijk persoon, die met voorzichtigheid behandeld moest worden. De Gouverneur-Generaal (Gr. El.) beschuldigde Louden dagelijks bij de koning en andere hoge functionarissen in Elmina (een Nederlandse vestiging in het huidige Ghana). Op 11 oktober van het voorgaande jaar, rond 10 uur ’s ochtends, kwam Van der Bauw, een assistent in dienst van de koning, bij Louden thuis. Hij vertelde dat De Gouverneur-Generaal Louden wilde ontbieden in het fort. Louden vroeg even tijd om zich fatsoenlijk aan te kleden en zijn zaken te regelen. Van der Bauw zei dat hij geen opdracht had om dit te weigeren, maar toen die tijd om was, werd Louden alsnog meegenomen. De Gouverneur-Generaal ontving Louden woedend en partijdig, zonder hem de kans te geven zich te verdedigen. Louden vroeg waarom hij beschuldigd werd en wat de straf zou zijn. De Gouverneur-Generaal antwoordde luid dat Louden in 1809 het Fante-volk (een lokale bevolkingsgroep) bij Elmina had gesteund met 1000 gulden in goud en munitie, terwijl Louden ontkende ooit geld ontvangen te hebben. Ook zou Louden 250 gewapende mannen hebben gesteund.
Bekijk transcriptie 


In 1842 dienden de erfgenamen van Herman Willem Daendels een verzoek in bij het hof en de rechtbank in Arnhem. De eisers waren: De gedaagde partij was de Nederlandse staat, vertegenwoordigd door Mr. Schout Schmolck. De zaak ging over geld dat Herman Willem Daendels in 1811 had gestort in de kas van de overheid op Java (toen onderdeel van Nederlands-Indië). Hiervoor had hij bonnen ontvangen, ondertekend door gouverneur-generaal Janssen, met een totale waarde van 396.666,32 rijksdaalders. Deze bonnen waren bedoeld voor de levering van: Iedere bon was 500 pikols waard (à 125 gulden per pikol). De producten moesten altijd uit de pakhuizen van de overheid worden geleverd. De erfgenamen stelden dat: Volgens dit besluit moest de schuld worden omgerekend:
Bekijk transcriptie 


Op 21 augustus 1844 werd door de overheid besloten:
Bekijk transcriptie 


In 1825 wees de koning een verzoek af van de familie van de overleden Herman Willem Daendels. Zijn vrouw, Sosina Maria Christina Daendels, en hun kinderen (waaronder Augustus Dick Daendels, die toen in Nederlands-Indië verbleef) wilden dat het Rijk een schuld van 30 obligaties zou betalen. Deze obligaties waren in 1811 uitgegeven door het toenmalige bestuur in Indië. De familie snapte niet waarom hun verzoek was afgewezen en dacht dat er misschien andere redenen speelden. Ze wilden eerst meer informatie voordat ze opnieuw een officieel verzoek indienden. Ze vroegen de koning om: De situatie van Sosina Maria Christina Daendels (de weduwe) was slecht: ze leefde in armoede en was afhankelijk van haar kinderen. Haar man was gouverneur-generaal geweest, en normaal gesproken kregen families van hooggeplaatste ambtenaren steun na hun overlijden. Dat dit nu niet gebeurde, vond de familie onterecht.
Bekijk transcriptie 


In 1777 werd een overeenkomst gesloten in Paramaribo tussen de heren Willem Bliek en Cornelis Bliek. Volgens deze afspraak zou Willem Bliek een bedrag van 6000 gulden (Hollands geld) ontvangen voor de erfenis van de overleden Bartholomius Eleimput, zoals vastgelegd in diens testament van 27 juli 1777. Dit bedrag moest in één keer worden betaald uit de eerste beschikbare gelden van hypotheken of schuldbewijzen die nog binnen moesten komen. Daarnaast werd afgesproken dat Willem Bliek een stuk land, genaamd Plantage Dijkvelt, met 46 percelen buiten deze regeling zou houden. Beide heren, Willem Bliek en Cornelis Bliek, verklaarden akkoord te gaan met deze afspraken en beloofden deze na te leven alsof ze zelf de overeenkomst hadden ondertekend. Ze spraken af dat alle lopende juridische procedures als beëindigd zouden worden beschouwd. Ook deden ze afstand van eventuele verdere claims die ze sinds 31 december 1757 op elkaar hadden kunnen hebben. Om zeker te stellen dat de afspraken zouden worden nageleefd, wezen ze meester Boudewijn Smit (advocaat) en Janspaan (procureur) aan om de overeenkomst juridisch te laten vastleggen. De akte werd opgesteld in Paramaribo in aanwezigheid van de getuigen Jean Toureau en Pieter Guirenus Pinkernell. De ondertekenaars waren onder anderen Willem Bliek, Jan Poureau, F. Pinkernell, Adriaan van Son, Berkhoff en Clercq.
Bekijk transcriptie 


In Paramaribo werd op 7 juli 1761 een verklaring opgesteld door Jacob des Loges, een tijdelijk beëdigd ambtenaar van de secretarie van Suriname en de omliggende gebieden. Aanwezig waren ook twee getuigen: Jan Christoffel Wilfort en Jan Sieffart. Gerrit Sijkkens verklaarde zich, onder het voorbehoud van mogelijke uitzonderingen en met inachtneming van alle rechten, hoofdelijk aansprakelijk (dat betekent: zowel als borg als hoofdverantwoordelijke) voor mevrouw Anna Maria Vork. Zij was de echtgenote van Boudewijn Smith, die haar bijstond. Dit gebeurde in verband met een vonnis van het Hof van Civiele Justitie op 7 april 1761. De zaak ging over een claim van Anna Maria Vork op een lading wijn. Deze wijn was oorspronkelijk eigendom van haar moeder, Martha Vork, en was bestemd voor de heren Tourton en J.H. Toutton. De executeurs van de nalatenschap van J.A. Tourton Jr., namelijk Louis de Lon Cour en D.F. Bandina, waren hierbij betrokken. Anna Maria Vork had de rechtszaak gewonnen, maar moest wel een voldoende waarborg stellen. Gerrit Sijkkens beloofde dat hij, of Anna Maria Vork en haar man, zou voldoen aan alle eisen die hieruit voort zouden kunnen komen. Zij stelden hun persoon en bezittingen als onderpand. Op dezelfde dag verklaarde Anna Maria Vork, bijgestaan door haar man Boudewijn Smith, dat haar borg, Gerrit Sijkkens, hen zou vrijwaren van alle mogelijke claims die uit deze zaak konden voortvloeien. Ook zij stelden hun persoon en bezittingen als zekerheid. De verklaring werd ondertekend door Anna Maria Smit, Vorn Lyken, Boudewijn Smit, en Jansen (als getuige). Jacob des Loges bevestigde als ambtenaar de echtheid van het document.
Bekijk transcriptie 


Hermanus van Heel, een notaris in Amsterdam, ontving op 14 juli 1769 Jan van de Voll. Deze handelde namens Herman van de Poll en had een hypotheekakte van Anna Maria Vork, de weduwe van Boudewijn Smit. Deze akte was op 2 oktober 1767 opgesteld en bevestigd door het Hof van Civiele Justitie in Suriname. Hierin stond dat Anna Maria Vork haar plantage Wistrust in Suriname (in het gebied Klein Marapica, tussen plantages Philipsburg – later Moeite en Sorg – en die van mevrouw Kulenkamp) als onderpand had gegeven. Anna Maria Vork was vanuit Suriname naar Nederland gekomen en had op 28 juni 1769 een volmacht gegeven aan Laurens Brandligt en zoon (directeuren van een investeringsfonds voor plantage-eigenaren in Suriname). Zij mochten namens haar afrekenen met Jan van de Voll over de financiële zaken van de plantage. Jan van de Voll leverde de rekening in bij Laurens Brandligt en zoon, die deze goedkeurden. De rekening eindigde met een bedrag van 122.341 gulden en 11 stuivers dat Jan van de Voll kreeg uitgekeerd. Hij bevestigde op 14 juli 1769 dit bedrag te hebben ontvangen en verklaarde dat de zaak hiermee was afgerond, zonder verdere claims.
Bekijk transcriptie 


Andries Laurens von Jeckel, die op dat moment in Paramaribo woonde, kreeg een officiële opdracht namens een echtpaar (hier "Heer en vrouwe Comparanten" genoemd) om de volgende zaken te regelen: Deze opdracht gold zonder beperkingen van de Wees- en Onbeheerde Boedelkamers (instanties die wezen en erfenissen beheerden) in Paramaribo en Suriname. Het document werd opgesteld in Haarlem en ondertekend door de getuigen Dirk van den Hilst en Adriaan van Wyck, en de notaris J.S. Br: Dessb Pr. Des Borgne.
Bekijk transcriptie 


Op 2 december 1783 deden drie mensen een verzoek aan de West-Indische Compagnie (WIC):

Zij vertelden dat Jan Willem Kerkhoven in 1777 als ongetrouwde jongeman naar Guinea was vertrokken om voor de WIC te werken. Hij overleed daar in 1778 zonder testament. Zijn erfenis was nu afgewikkeld en kon worden uitgekeerd. Omdat hij geen andere familie had, vroegen zij om het geld te ontvangen: Catharina (als moeder) de helft, en Pieter en Boudewijn George (als broers) de andere helft. De WIC ging hiermee akkoord en wees Commies van Beaumont aan om de betaling te regelen.

Ook deden Bentink & Waardenburg, handelaren en rederij-eigenaren uit Amsterdam, twee verzoeken:

  1. Zij vroegen geld terug voor te veel betaalde belasting in Curaçao. Hun schip, de Maria Wilhelmina (kapitein Pieter Mahler), had ƒ60 per last (ladingseenheid) betaald, maar volgens hun contract hoefden ze slechts ƒ30 te betalen. De WIC stemde toe en zou ƒ297 terugbetalen.
  2. Zij hadden gehoord dat er soldaten op hun schip Maria Wilhelmina (nu met kapitein Witzel) naar Curaçao zouden worden geplaatst. Het schip was echter al vol. De WIC besloot slechts 4 soldaten toe te staan. Ook werd Commies Lubbe opgedragen om in het vervolg tijdig te vragen hoeveel militairen of ander personeel op schepen naar de overzeese gebieden moesten, zodat er genoeg ruimte gereserveerd kon worden.

D.C. Wesselman, koopman in Amsterdam, vroeg om het brigantijnschip Neptunus (kapitein Cornelis Vervenne, gebouwd in Zierikzee door Anthonij de Kater) te meten voor een reis naar de kust van Afrika. De WIC stemde toe, op voorwaarde dat Wesselman binnen 8 dagen de benodigde papieren zou overleggen. Hoofd en Lampsins zouden bij de meting aanwezig zijn.

Er werd een wisselbrief getoond van ƒ10.960, uitgeschreven in Elmina op 24 augustus 1783 door Lieve Nicolaes van Bergen van der Grijp en Johannes Cornelis Heijcoop (directeur-generaal Pieter Volkman aan de kust). Deze wissel was geëndosseerd (doorgegeven) aan Clara Margaretha Volkmar-Sobbe, de weduwe van Volkman. Het geld was bedoeld om een schuld van 34 mark, 10 schellingen en 2⅛ liard aan liquidatiegoud af te lossen, die Volkman nog verschuldigd was aan de WIC. De WIC keurde de betaling goed.

Clara Margaretha Volkmar-Sobbe deed twee verzoeken namens anderen:

  1. Als gevolmachtigde van Jacob Christiaan Marquin (assistent van de WIC in Guinea) vroeg zij ƒ350 uit diens salaris. De WIC stemde toe.
  2. Als gevolmachtigde van Johan Geonge (sergeant van de WIC in Guinea) vroeg zij een bedrag uit diens loon. (De tekst is hier onvolledig.)

Bekijk transcriptie 


Op 3 mei 1769 bespraken de heren Priefs, Muuter, Hooft Rendorp, Dedel en de Wilhem Petersen (die soms als adviseurs optraden) een voorstel. Ze bedankten heer Schepen Munter voor zijn idee en besloten om heer Schepen Mogge van Haamsteede en andere commissarissen van de sociëteit te vragen om hierover na te denken. Deze commissarissen moesten later met een plan komen en advies geven aan de heren van de vergadering.

Op 7 juni 1769 werden de notulen van de vorige vergadering (3 mei 1769) voorgelezen, goedgekeurd en vastgelegd.

Op dezelfde dag, 7 juni 1769, werd Hendrik Kemper voorgedragen als predikant voor de Lutherse gemeente in Suriname. Dominee Boon, predikant in de lokale gemeente, overhandigde samen met de ouderlingen Andreas Bon en Coenraad Smitt de Augsburgse Belijdenis (een belangrijk Luthers document). Daarna stelde dominee Boon Hendrik Kemper voor als nieuwe predikant voor Suriname, als vervanger van de overleden Abraham Zegerquist. De vergadering acceptieerde Kemper op basis van goede aanbevelingen van het kerkbestuur.

Ook op 7 juni 1769 werd besloten dat de Lutherse gemeente in Suriname niet langer jaarlijks ƒ600 hoefde te betalen aan het ziekenhuis daar. In plaats daarvan betaalden ze eenmalig ƒ8000. Hiervoor toonden Jochem Matthijs en Coenraad Smitt twee wisselbrieven (soort betaalopdrachten) uit Suriname:

Deze wisselbrieven werden aan Jochem Matthijs gegeven om af te handelen. Daarnaast werd een betaling van ƒ713,15 voorgelegd door een medewerker van Jan Wreesman, maar deze mocht alleen worden uitgekeerd onder voorwaarden (borgstelling door Jan Wreesman en Coenraad Smitt). Het geld moest uiteindelijk bij de kasbeheerder Clifford terechtkomen. Na ontvangst van de volle ƒ8000 zou een kwitantie (bewijs van betaling) aan Jochem Matthijs en Coenraad Smitt worden gegeven.

Bekijk transcriptie 


Op 5 maart 1764 om 20:00 uur kwamen Saac van Goudoever en Agneta Ermina de Lange, een getrouwd stel uit Amsterdam, bij notaris Hermanus van Heel. Ze woonden aan de Heeregracht bij de Waanwesgracht. Beide waren gezond en in staat om een nieuwe regeling te maken. Ze bevestigden eerst dat hun eerdere testament van 2 juli 1749, opgesteld bij notaris Hermannus de Wolff, nog steeds gold voor de eerststervende. Maar ze schrapten alle eerdere afspraken over de nalatenschap van de langstlevende. De langstlevende van de twee bepaalde nu het volgende: Deze afspraken gelden alleen als de langstlevende geen kinderen achterlaat.
Bekijk transcriptie 


Op 14 september 1739 gingen naar notaris Hermanus van Hdel, die werkte in Amsterdam en was goedgekeurd door het Hof van Holland, de volgende personen: Agneta Sara Kemper en Jacoba Anna Kemper waren beide met hun echtgenoot aanwezig en hadden toestemming om deze akte te ondertekenen. Jan Rudolph Remper, Ridolphus Kemper, Agneta Sara Kemper en Jacoba Anna Kemper waren de enige kinderen en nakomelingen van de overleden Johannes Kemper. Hun tante Christina Kemper (ongetrouwd) en oom Hendrik Kemper (getrouwd, maar zonder kinderen) waren eerder overleden, waardoor alleen deze vier recht hadden op de erfenis van Johannes Kemper. Volgens het testament van Johannes Kemper, opgesteld op 17 september 1734 bij notaris Hendrik van Aken in Amsterdam, had hij zijn inboedel al tijdens zijn leven verdeeld onder zijn kinderen. Ieder had toen al een gelijk deel (een vierde) gekregen. Na zijn overlijden...
Bekijk transcriptie 


Op 18 februari 1739 en 12 januari 1739 werden twee verklaringen opgesteld aan boord van de schepen Velsen en HilverbEEK door bemanningsleden en officieren. De eerste verklaring, ondertekend door: bevestigde op 10 maart 1739 in Bengale dat de inhoud "de zuivere waarheid" was. Zij beloofden dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn. De tweede verklaring, opgesteld op verzoek van schipper Adriaan van Reijnsen, werd ondertekend door: Zij verklaarden samen dat op drie momenten: telkens een derde deel van een zwaar touw was doorgesneden. Ook zij bevestigden dat dit de "zuivere waarheid" was en waren bereid dit onder ede te zweren.
Bekijk transcriptie 


Op 22 maart 1808 gingen Anna Elisabeth Menkema (weduwe van Pieter Kerkhoven) en Engelina Maria Smit (vrouw van Coenraad Vissering, eerder weduwe van Christian Sprengel) naar notaris Engelbertus Marius Dorper in Amsterdam. Anna Elisabeth Menkema had op 24 april 1806 in Suriname (bevestigd op 23 mei 1806) een vijfde deel gekregen van plantage Adrichem cum annexis, eerder van Frans Laurens Woldorff Joachimsz. Zij was ook executeur van het testament (2 februari 1802) van haar zus Catharina Margaretha Smit (weduwe van Hendrik Kemper), met wie zij buiten gemeenschap van goederen was getrouwd (8 oktober 1776). Engelina Maria Smit was samen met haar overleden zus Catharina Margaretha Smit de enige erfgenaam van hun tante Anna Wilhelmina Smit (testament 16 december 1791, bevestigd bij overlijden 7 mei 1803). Anna Wilhelmina Smit was op haar beurt de enige erfgenaam van Clara Catharina Smit (testament 25 februari 1782, bevestigd 17 september 1794). De akte was een vertaling uit het Duits (beëdigd door Carel Godfried Reichelt, 13 juni 1808), goedgekeurd door notaris A.L. Heystek en I. Baale Hz, en geregistreerd op 1 november 1808 door J. de Koff (zegelkosten: 24 stuivers, afhandeling door E.M. Dorper).
Bekijk transcriptie 


In een verzoek aan de koning vertelt een weduwe over haar financiële problemen en de geschiedenis van de plantages in Suriname die haar familie bezat.

Ze benadrukt dat geld vluchtig is en dat ze na jaren van strijd voor de plantages nu rust zoekt. Door slecht beheer en juridische problemen is ze echter bijna alles kwijt:

Ze vraagt de koning om hulp, omdat ze als weduwe geen bescherming vindt en te uitgeput is om via de rechtbank haar gelijk te halen. Haar tegenstanders proberen haar claims te ontwijken door:

Haar verhaal begint met de samenwerking tussen haar vader, De Bruine, en heer Lever in 1710. Zij richtten een handelshuis op en kochten later vier plantages in Suriname:

De aankoop kostte in totaal 650.000 gulden (waarvan 3.400 gulden voor makelaarskosten en 650 gulden voor de notaris). Door slecht beheer van Lever, die te veel uitgaf, gingen de plantages achteruit.

Er was ook een juridisch conflict over 500 akkers grond tussen Waterland en de naburige plantage La Rencontie. Daarnaast werd de directeur van Waterland beschuldigd van diefstal; hij vluchtte naar Engeland. Door geldgebrek vroeg De Bruine in 1783 uitstel van betaling aan het Hof van Holland en West-Friesland. Zijn compagno Lever trok zich terug uit de zaak.

Het hof verleende uitstel en beval dat de rechtszaken in Suriname werden opgeschort, omdat De Bruine's moeder (weduwe van S.R. de Bruine) en zijn schoonmoeder (weduwe van J. Bolten, voormalig burgemeester van Amsterdam) borg stonden.

In 1784 werd een nieuwe overeenkomst getekend door 400 aandeelhouders (waarvan haar familie er 277 bezat, vaak op andere namen om de plantages te behouden). Het Hof van Holland gaf in 1795 toestemming om een voorkeursschuld van 20.000 gulden (van De Bruine's overleden vader) en later nog eens 50.000 gulden op de plantages te verhalen, om ze te redden.

De Bruine moest verantwoording afleggen over zijn beheer en stelde in 1798 een nieuwe directeur voor, die goedgekeurd werd. Toen later twee andere directeuren overleden, vroeg hij in 1807 om Stiffig en zijn oudste zoon als opvolgers aan te stellen. Voordat hierop besloten werd, overleed De Bruine zelf op 11 augustus 1807.

Bij het openen van zijn testament bleek dat iemand zonder zijn weten had geprobeerd zijn wil te veranderen. Eerder had hij Surmonds van Rotterdam en zijn zwager Bolten als executeurs aangewezen.

Bekijk transcriptie 


Op 25 april 1820 overleed in Amsterdam een vrouw zonder kinderen, volgens haar testament uit 11 augustus 1815, opgemaakt door notaris Jan Hendrik Tans. Haar enige erfgenamen waren Catharina Margaretha Smit en Engelina Maria Smit. Zij waren ook de enige erfgenamen van Anna Wilhelmina Smit, die op 7 mei 1803 ongehuwd overleed. Haar testament dateerde uit 16 december 1791 en was opgemaakt door notaris Cornelis van Homrigh. Anna Wilhelmina Smit was op haar beurt de enige erfgenaam van Clara Catharina Smit, die op 17 september 1794 overleed. Haar testament was opgemaakt op 25 februari 1782 door dezelfde notaris. Frans Lourens Wolldors en de vrouwen Catharina Margaretha Smit, Engelina Maria Smit, Anna Wilhelmina Smit, en Clara Catharina Smit waren samen de enige erfgenamen van Elisabeth Feertruy Smit, weduwe van Autus. Zij bezaten voor een vijfde deel de plantage Adrichem in Suriname, gelegen aan de Matapica Creek. De erfgenamen benoemden Jan Nieuwenhuysen en I. Thyn (en bij afwezigheid A.I. Wettig of U.H. Wilkens) als hun vertegenwoordigers in Suriname. Deze mannen kregen de opdracht om:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 25 oktober 1807 schreef Simon Post uit Haarlem een betalingsopdracht (een soort cheque) voor Simon Groot uit Lutjebroek. Simon Post moest hiermee Simon Groot 413 gulden betalen als afrekening van een openstaande rekening. De betalingsopdracht ging via verschillende personen: Op 14 november 1807 ging de notaris Jan Schouten uit Haarlem, samen met twee getuigen (Abraham van den Bergh en Abraham van Kanegem), naar het huis van Simon Post. Omdat Simon Post niet thuis was, spraken ze met zijn zoon Cornelis Post. Die wist van niets en kon niet betalen. De notaris maakte toen officieel bezwaar (een protest) omdat de betaling niet plaatsvond. Hierdoor kon David Hoeufft later de kosten, schade en rente terugvorderen volgens de geldende regels. Op 15 november 1807 werd dit vastgelegd door notaris Schouten en de getuigen. De totale waarde van de transactie was minder dan 4000 gulden, dus er hoefde geen extra belasting of officiële kwitantie te worden betaald.
Bekijk transcriptie 


Elisabeth A. Mol van Otterloo (zonder beroep, wonend in Leist) geeft toestemming aan Willem Lambortus Hengeveld (kandidaat-notaris in Haarlem) om namens haar een huis met erf en tuin te verkopen aan Jan Zip (timmerman in Haarlem).

Het huis staat in de Frans Halsstraat 18 in Haarlem (kadasternummer B 2085, gemeente Haarlem) en is 1 are en 74 centiare groot. De verkoopprijs is 3000 gulden, waarvan Mol van Otterloo al 500 gulden heeft ontvangen. Ze krijgt ook 80,88 gulden aan rente van de koper.

De koper (Zip) moet het huis accepteren zoals het is, met alle (onzichtbare) gebreken, rechten of verplichtingen die eraan vastzitten. De verkoopster (Mol van Otterloo) garandeert alleen dat ze het recht heeft om te verkopen en dat er geen hypotheekschulden openstaan. Als het perceel in werkelijkheid groter of kleiner blijkt dan volgens het kadaster, maakt dat niets uit voor de prijs of de verkoop.

De koper betaalt alle kosten voor de overdracht. De akte wordt op 26 juli 1898 in Leist ondertekend en op 29 juli 1898 in Haarlem geregistreerd (akte nummer 144, blad 1, ontvangen voor 60 gulden registratierechten). Getuigen zijn Carel Joseph Bakle (kantoorbediende) en Carel Lodewijk Troel (smit), beide uit Haarlem. De notaris is W. P. Hengeveld.

Bekijk transcriptie 


Op 3 maart 1837 werd in Batavia (het huidige Jakarta) een verzoek behandeld van Dr. J. Bosscha, de beheerder van de landbouwonderneming Seekong op West-Borneo (nu Kalimantan Barat, Indonesië). Bosscha vroeg om herstel van zijn rechten, die waren ingetrokken door de resident van West-Borneo in een besluit van 23 mei 1836 (nummer 1324). Dit besluit was genomen na een conflict over een tijdelijke overeenkomst tussen Bosscha en een zekere Jan, een inheemse boer. Bij het verzoek zaten twee brieven:
Bekijk transcriptie 


Op 7 januari 1739 werd er een brief geschreven over het overbrengen van paarden van Ceilon (het huidige Sri Lanka).
Bekijk transcriptie 


Op 7 januari 1739 ging het over twee eilanden bij Ceylon (nu Sri Lanka).

Het eerste eiland werd gebruikt voor het kappen van hout (voor schepen) en het maken van kalk. Twee afgezanten van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) hadden het eiland bezocht. Er moest een kaart gemaakt worden om te laten zien welke grond geschikt was voor landbouw en welke grond bebost moest blijven voor hout. De landmeter moest dit duidelijk in kaart brengen. De VOC wilde advies over hoe ze dit het beste konden regelen vanuit Colombo.

Het tweede eiland, Delft, werd gebruikt voor paardenfokkerij door twee broers. De paarden waren in 1727 naar het eiland gebracht, maar het gras was opgeraakt. Er was extra voer nodig, en er werkten een korporaal, een soldaat en enkele Lascorijnen (lokale werkkrachten) om het eiland te onderhouden. De broers wilden 3 of 4 Lascorijnen en een paar roeiers extra sturen, plus een goede hengst voor de fokkerij.

De VOC wilde wachten tot er genoeg hengsten uit Perzië (nu Iran) waren om de fokkerij te verbeteren. De eerste twee jaar mochten er geen paarden verkocht worden, en alle jonge hengsten van Veuens (een ander eiland) moesten naar Delft gebracht worden.

Bekijk transcriptie 


De tekst beschrijft een financiële afspraak tussen John Werninck, Philip Combauld en John van den Broek over de verkoop van een plantage. Hier volgt een samenvatting in modern Nederlands:
Bekijk transcriptie 


Deze brief is een formele, beleefde boodschap van Ant Merrij aan een hooggeplaatst persoon (aangesproken als Monsieur en Excellence). De schrijver bevestigt dat hij de brief eerbiedig en met respect heeft ontvangen.

Onder aan de brief staan drie verklaringen dat het om een echte kopie gaat (een afschrift dat klopt met het origineel), ondertekend door:

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/