Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Andries de Randamie richtte zich met respect tot de gouverneur-generaal. P. L. Garoé had bij zijn testament op 13 juli 1827, opgemaakt door de gezworen klerk S. A. Prastek en getuigen in gesloten vorm, en op 21 augustus 1730 bevestigd na zijn dood, het volgende nagelaten aan de slavin Charmantje:
Hoewel de nalatenschap van P. L. Garoé door de executeur en erfgenamen volledig was aanvaard, werd deze beschikking niet uitgevoerd. In plaats daarvan werd de slavin Charmantje door de executeur van de nalatenschap Garoé verkocht aan S. Leach. Deze liet haar inschrijven als eigendom van de plantage Belwaarde in de slavenregisters en verpandde haar als onderpand aan de Particuliere West-Indische Bank.
Hierdoor kon het recht van Charmantje echter niet worden verminderd, en zij had nog steeds volledig recht op haar vrijheid en het overige dat P. L. Garoé haar had nagelaten. De verzoeker was door Charmantje gevraagd om haar te helpen haar recht te laten gelden.
Daarom wendde de verzoeker zich met veel respect tot de gouverneur-generaal met het verzoek hem te benoemen tot tijdelijk voogd over de slavin Charmantje, die in de slavenregisters van de kolonie bekend stond als eigendom van de plantage Belwaarde. Zo kon hij het nodige regelen om haar vrijlating te bevorderen en haar rechten op het legaat dat P. L. Garoé haar had nagelaten, af te dwingen.
Dit verzoek werd gedaan door A. de Randamie. De gouvernementssecretaris bevestigde dit afschrift op 22 augustus 1843.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0081 Charmantje, een vrije vrouw van H.C. Windhorst, verscheen voor Wilce Pieter Wilkens, beëdigd klerk van de secretarie van de kolonie Suriname, haar rivieren en districten, en voor de hieronder genoemde getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 881 / 0138 De testamentmaker wilde dat Isaacg, Prins en Cornelia, allemaal kinderen van de zwarte vrouw Charmantje en Princes (dochter van de zwarte vrouw Jannetje), elk een gelijk deel zouden krijgen. Dit gold voor alle bezittingen die zij naliet bij haar dood, zowel roerende als onroerende goederen, waar deze ook gelegen waren, en ook vorderingen, rechten en gerechtigdheden. Niets was hiervan uitgezonderd. Zij stelde hen aan als erfgenamen met alle rechten van dien.
Verder was het haar nadrukkelijke wens dat de zwarte vrouwen Charmantje en Jannetje niet mochten worden verkocht, maar moesten blijven om de hiervoor genoemde erfgenamen te dienen en voor hen te zorgen.
De testamentmaker vroeg en benoemde hierbij tot uitvoerder van dit testament, beheerder van haar nalatenschap en voogd over haar minderjarige erfgenamen en beheerder van hun goederen: de heer Willem Hendrik Casper. Zij gaf hem hiertoe alle ruime last, macht en gezag die aan een uitvoerder, beheerder, voogd en beheerder gegeven kon worden, evenals de bevoegdheid om anderen aan te stellen of te vervangen.
De testamentmaker sloot uitdrukkelijk uit dit testament en deze nalatenschap de Nieuwe Weeskamer en Onbeheerde Boedelskamer uit, zowel die van deze plaats als van alle andere plaatsen, en bedankte de heren commissarissen daarvoor bij voorbaat voor hun anders te nemen moeite.
Al het bovenstaande werd aan de testamentmaker duidelijk voorgelezen en omdat zij de Nederlandse taal niet machtig was, werd het door de beëdigde vertaler Abraham Sigusmundus Convalius in het Neger-Engels aan haar uitgelegd. Zij verklaarde dit alles te hebben verstaan en begrepen en dat dit haar testament en laatste wil was, met het verzoek dat dit zou worden opgevolgd en nageleefd en volledig van kracht zou zijn, hetzij als testament, codicil of in welke vorm dan ook.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 69 / 0232 September 1785 tot januari 1785: Voor bezoeken aan juffrouw, die 's nachts koorts had, ontving iemand 15 gulden en 15 stuivers. Er werden verschillende medicijnen verstrekt, waaronder een koortswerend mengsel. In totaal 11 dagbezoeken en 1 nachtbezoek. Betaald op 6 april 1786 door W. Scholten.
1786 in Rio Berbice: De boedel van wijlen Henrietta was geld verschuldigd aan I. A. Richter voor chirurgijnspraktijk. Jansoon werd geroepen voor de slavin Charmantje. Voor 1 bezoek 3 gulden, plus laxeermiddelen en poeders. Ook het kind van Charmantje Pierup kreeg medicijnen. Totaal 55 gulden. Betaald op 10 april 1786 door I. A. Richter.
1778 in Berbice: Henrietta Kaecks was geld verschuldigd aan H. I. Buse voor:
Verder werden er tussen 1778 en 1784 diverse goederen geleverd, waaronder:
Er werd ook stof uitgedeeld aan verschillende slaven:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.05 / 174 / 0178 In 1632 werd in Suriname een reglement over manumissie (het vrijlaten van slaven) afgekondigd. Dit reglement bevatte een uitzondering voor erfgenamen of executeurs die een boedel aanvaarden, waardoor het niet kon worden toegepast op de zaak van slavin Charmantje.
Na het overlijden van Sa Garelé in 1630 werd plantage Edelwaarde publiek geveild. L. Doecich kocht de plantage en hypothekeerde deze onder dezelfde voorwaarden als zijn voorganger Garelé aan de particuliere West-Indische Bank. Hierdoor bleef slavin Charmantje als een vast onderdeel van plantage Edelwaarde verbonden aan de Bank, tot op de huidige dag.
Persoonlijke vijandschap lijkt advocaat Heijligh te hebben bewogen om deze oude zaak op te pakken. Zeker is dat noch hij noch zijn cliënt A de Clandamie enige betrekking op slavin Charmantje heeft.
Advocaat Heijligh meldde zich bij de Gouvernements Secretaris, die belast was met het Commissariaat der Inlandsche bevolking. Hij gaf aan te willen proberen om S. S. G. Spilker, als executeur van de boedel van Garelé, te dwingen slavin Charmantje vrij te laten. Hij stelde de persoon van A de Clandamie voor om als curator ad hoc (tijdelijk voogd) deze actie te starten.
Hoewel de Gouvernements Secretaris twijfelde aan het goede resultaat van een dergelijke actie, wilde hij geen poging in het belang van slavin Charmantje tegenwerken. Op zijn voorstel werd bij resolutie van 24 augustus 1843 nummer 1066 de persoon van A de Clandamie benoemd tot curator ad hoc over slavin Charmantje.
Direct daarna diende De Clandamie een verzoek in om manumissie voor deze slavin, volgens de vormen van artikelen 11, 13 en 15 van het Reglement op de manumissie (Gouvernements Blad nummer 2 van 1832). Dit verzoek werd door de gouverneur bij resolutie van 13 september nummer 1133 afgewezen, omdat het hem voorkwam dat deze later ingevoerde wet niet kon worden toegepast op een zaak die in 1627 zijn oorsprong had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4312 / 0109 Juli 1667: Daniel Walraven, beëdigd makelaar in Amsterdam, verklaarde voor notaris Jeurian de Vos dat Joseph Fion en Elias Schaepje Biloper, beiden van de Joodse afkomst, op 23 maart laatstleden een wissel van 200 pond op Antwerpen hadden verhandeld tussen Isaacq Korcamt als gever en Lucas Van Coppenal als ontvanger, waarbij hij makelaar voor een bedrag van 601 gulden bemiddelde.
19 juli 1667: Abraham Marcusz Deuin, winkelier wonende in de Halve Maensteeg te Amsterdam, verscheen met zijn vrouw Elisabeth Jacobs voor notaris Jeurian de Vos. Zij verklaarden van Trijntje Feesdorps, weduwe van wijlen Jacob Burgertsz (in leven zilversmid en schuier van de Regulierspoort) en hun schoonmoeder, het bedrag van 400 gulden te hebben ontvangen. Dit bedrag had hun vader Jacob Burgertsz hen nagelaten in zijn testament, opgemaakt voor notaris Jan Quirijnen Tpithoff op 31 januari 1659, in plaats van hun wettelijk erfdeel. De verschenen personen verklaarden met deze 400 gulden volledig voldaan te zijn en deden afstand van alle verdere aanspraken op de erfenis van hun vader tegenover hun schoonmoeder of haar erfgenamen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937137 / 410 Jacob van Medenblick kreeg volmacht om geld en kosten in te vorderen en te ontvangen, en ook om alle andere schulden, geld en resterende bedragen uit welke zaak dan ook op te eisen en te ontvangen. Hij mocht daar kwitanties voor geven en als het nodig was rechtszaken voeren om betaling af te dwingen. Ook mocht hij met de schuldenaren en schuldeisers van zijn opdrachtgever onderhandelen, tot overeenstemming komen en schikkingen treffen, op welke manier hij dat ook goed achtte. Hij kon daarbij 1 of meer andere personen of procureurs aanstellen die hem vervingen bij rechtszaken. De opdrachtgever beloofde tegenover de notaris alles goed te vinden wat Jacob van Medenblick als zijn gemachtigde zou doen. Jacob moest wel altijd goede en volledige rekening en verantwoording afleggen van wat hij ontving en deed. De volmacht zou blijven gelden tot de opdrachtgever hem introk, zonder bedrog. De opdrachtgever vroeg hiervan een document te maken. Dit gebeurde te Haarlem op de Spaarne bij de woning van de notaris, met Aemt Willemsz andemaker en Lyck Cornelis, beiden poorters van Haarlem, als getuigen.
17 juli 1586 verschenen voor notaris Adriaan Willemsz Cornelis Claesz en Anna Claesdochter, samen kinderen en erfgenamen van wijlen Claes Thissen die tuinman en poorter van Haarlem was geweest. Anna Claesdochter werd bijgestaan door de beëdigde landmeter mr. Pieter Coerraetsz als haar gekozen voogd. Zij verklaarden dat ze vriendschappelijk tot een verdeling waren gekomen van 2 kamers die naast elkaar stonden onder 1 dak in de Dijkstraat tegenover het brandende kruis:
De 2 kamers strekten zich aan de achterkant uit tot aan het perceel van Gangolfs weduwe. Alles was vrij zonder pacht of renten. Anna Claesdochter moest voor de verbetering van haar woning en het voordeel aan Cornelis Claesz betalen: 50 Karolus guldens van 40 groot Vlaams per stuk. Dit zou in 4 termijnen betaald worden:
De muur die als scheiding tussen de 2 kamers stond tot aan de zolder toe was gemeenschappelijk tussen Cornelis Claesz en Anna
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975025 / 10
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.02 / 81 / 0027 7 juni 1746: De rechter verbood de gedaagde om nog verdere eisen te stellen en veroordeelde hem tot betaling van de proceskosten. De deurwaarder meldde dat Cornelis Everhard, de eerste opperchirurgijn van het hospitaal van de Oost-Indische Compagnie en ook bruidsmakker in dienst van de Compagnie, behoorlijk was opgeroepen maar niet was verschenen. Iacob Kem toonde namens de Compagnie een volmacht gedateerd 27 mei van dit jaar, verleden voor notaris Abraham van Dinter, die plaatsvervanger was van de fiscaal. Hij deed dit als executeur van het testament van de overleden Iacob Giese, die tijdens zijn leven baas van de zwavelraffinaderij hier was geweest, volgens een testament gedateerd 11 september 1744 verleden voor notaris Hendrik Jansz en getuigen. Hij eiste dat Barend Casper Becker, molenaar in dienst van de Oost-Indische Compagnie, gedagvaard zou worden om te horen dat hij veroordeeld werd tot betaling van 334 guldens van 48 stuivers elk. Dit betrof geleend geld volgens een handschrift gedateerd 10 juni 1744, ondertekend door de gedaagde. Hierbij moest ook de rente van 5,875 procent per maand betaald worden vanaf die datum tot de volledige betaling. De Raad besliste: laat het gebeuren.
De deurwaarder meldde dat Hendrik Risch Bieter, burger hier ter stede, behoorlijk gedagvaardigd was maar niet verschenen was. De eiser Jan Henrik Ruijs, boekhouder in dienst van de Oost-Indische Compagnie, toonde een volmacht gedateerd 26 mei van het afgelopen jaar, verleden voor notaris Abraham van Dinter en getuigen. Hij vroeg vanwege het niet verschijnen van de gedaagde om een eerste en vervolgens een tweede dagvaarding. Hij eiste betaling van 75 rijksdaalders en 36 stuivers voor timmerwerken volgens een rekening die door de eiser was ondertekend, inclusief de daarop verschuldigde rente.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9252 / 0836 De schrijvers vonden het nodig om hun bijgaande besluit toe te sturen aan de geadresseerden. Ze verwezen daarbij naar dat besluit en lieten het aan de wijsheid van de ontvangers over om de juiste maatregelen te nemen om de christelijke gehoorzaamheid te herstellen.
Ze hoopten hiermee hun oprechte eerbied te tonen aan de hooggeleerde heren, en stelden hen als geestelijke vaders een vraag uit Genesis 37:32.
Verder werd besloten dat heer Talbot opdracht kreeg om een verslag op te stellen over de zaken van Bussi, Lieastreum en schout Barend Casper, zoals vermeld in de gezamenlijke memorie. Dit verslag moest naar de Classis worden gestuurd om aan te tonen dat:
Hiervan zou zonder hervatting een uittreksel worden gegeven.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 8695450 / 118 Joan Bruggeman uit Sint Vits diende een verzoek in. Hij trad op namens de minderjarige kinderen van Evert Willem Santvits en Regina Elizabeth Mynderman. Zij waren de erfgenamen van hun oudoom Barend Casper Mynderman, die in Suriname was overleden. Er werd verzocht om brieven aan de weesmeesters in Suriname, zodat de nalatenschap volgens het testament van de overleden oudoom kon worden overgemaakt aan de verzoeker zelf in voornoemde hoedanigheid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 14 / 0312 Casper Backer en postbode Hendr. Nolden, een onlangs aangekomen plaatsvervangend deurwaarder, kwamen samen met de schout binnen. Ze hebben overal rondgekeken in de kamer van de gescheiden vrouw van Joseph Helot, zowel onder als op het bed. De gescheiden vrouw van Joseph Helot zat in bed met haar kousen nog aan en in haar nachtkleding. De verzoeker had een muts op of in de hand, een borstkuras op zijn blote huid, een hemd, een broek aan, en droeg muilen, in een situatie waarin hij zich 's avonds vaak bevond en soms zelfs overdag. Hij had zijn horloge in zijn zak.
Nadat de doorzoeking in de kamer was gebeurd, zei schout Barend Casper tegen de aanwezige personen dat zij zagen dat Stukenbroek er niet was, en dat hij hen als getuigen nam dat deze er niet was. Daarop vroeg de verzoeker of ze ook beneden in zijn kamer wilden zoeken, waarop de schout zei van nee, dat ze genoeg gezocht hadden. Ze gingen direct naar beneden en vertrokken.
Daarna liet raadsfiscaal Mr. Halewyn van Werve de verzoeker op de 8e, zijnde zondags 's morgens, roepen via mevrouw Stukenbroek, die volgens haar zeggen bij de fiscaal was geweest om te vragen wat Barend Casper bij haar huis kwam doen. De raadsfiscaal hield de verzoeker voor dat hij op de manier zoals eerder verteld was aangetroffen, of zoals zijn afgevaardigden hem hadden gerapporteerd. Hij zei dat dit voldoende bewijs was om hem te overtuigen van overspel.
De verzoeker vertelde de raadsfiscaal dat die mensen hadden gezegd te komen om Stukenbroek te zoeken en dat ze geweld op de deur hadden gebruikt, terwijl hij zelf de deur had opengedaan zoals zojuist verteld. De raadsfiscaal antwoordde dat hij opdracht had gegeven om de deur maar open te lopen of te breken, en dat ze niet gestuurd waren om Stukenbroek te zoeken maar om de verzoeker te verrassen met de gescheiden vrouw van Joseph Helot. Deze mensen stonden onder ede, en de raadsfiscaal had van hen nog een bijzondere eed afgenomen dat ze, als de verzoeker de zaak met hem afmaakte, hun werkzaamheden en bevindingen geheim zouden houden.
Verder zei de raadsfiscaal dat de verzoeker veel ophef had veroorzaakt door zijn gewone omgang met deze vrouw en door haar cadeaus te geven en dergelijke. De verzoeker zei daarop dat dit hem toegestaan was en dat er niets verkeerds in zat, en dat hij ook wel met haar had gewandeld. De raadsfiscaal zei verder dat de verzoeker er beter aan zou doen om het af te maken om het schandaal te vermijden, en dat hem was opgedragen om over dergelijke overtredingen te waken en deze te laten straffen. Hij zei dat hij het van zulke mensen als de verzoeker moest hebben en dat deze niet alleen naar deze landen was gekomen om ze te bekijken. Hij wist wel dat de verzoeker door deze reis grote winst had gemaakt.
De verzoeker zei daarop dat hij wat hij verdiend had goed nodig had voor zijn vrouw en kinderen, en dat hij niets verkeerd had gedaan. Als hij hem al iets zou geven, zou dat zijn om te voorkomen dat door de besch
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9501 / 0006 6 april 1740: een schuld van 200 gulden Hollands geld ten laste van Andre Joseph Walraeren.
29 april 1743: een schuld van 200 gulden Hollands geld ten laste van Barend Casper.
Er was een kist met daarin enige papieren die later door de executeur onderzocht moesten worden.
Verder werden aangetroffen:
In de galerij:
In een andere kist:
In de bottelarij:
In het magazijn:
Alles werd geïnventariseerd zoals het in het sterfhuis was aangetroffen. Heer Estienne verklaarde dit zonder hoedanigheid zoals in het begin vermeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 185 / 0070 5 september 1744: Er werd een inventaris gemaakt van de roerende goederen en effecten die zich bevonden in het huis van Arie Beek, die op dat moment gevangen zat op fort Zelandia. Dit gebeurde op verzoek van Jacob van Baarle, raad-fiscaal van de kolonie. De inventarisatie werd uitgevoerd door Carl Godlieb Janssen en David Brouwer. De gegevens werden op schrift gesteld door Ioan Conraed Floto, beëdigd klerk bij de secretarie van de kolonie. Dit alles gebeurde volgens de opgave van schout Barend Casper.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 189 / 0115 De weduwe Barend Casper deed een verzoek aan het Hof van Politie en Criminele Justitie van de kolonie. Zij legde uit dat ze bijna geen kleding meer had en ook geen voedsel. Daarom wilde ze voor korte tijd naar Paramaribo reizen om deze spullen te kopen. Ze respecteerde de autoriteit van het hof en vroeg daarom eerst om toestemming. Ze beloofde op de door het hof vastgestelde dag terug te keren.
Het verzoek werd ondertekend door W. H. Nawig namens zijn moeder. 4 december 1774 werd het verzoek goedgekeurd in Paramaribo. De goedkeuring was ondertekend door Jan Nepven en A. de Millij. I. E. Vieira bevestigde als klerk dat de kopie overeenkwam met het origineel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 371 / 0442 De plantage Guadeloupe had schulden en betalingen aan verschillende mensen:
Het totaal kwam op ƒ 1952. Dit bedrag werd overgedragen naar een totaal van ƒ 2221 tegen een groter bedrag van ƒ 46179.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 252 / 0079 17 april 1732 werd in Paramaribo een inventaris gemaakt van alle goederen, geld, kleding, huisraad, slaven en andere bezittingen die werden aangetroffen in het sterfhuis van Barend Casper Mindermans. Dit gebeurde op verzoek van Jan Huutelaar en Jan Chemins, die volgens het testament van Barend Casper Mindermans waren aangesteld als uitvoerders van zijn nalatenschap. Dit testament was opgemaakt op 7 mei 1729 voor klerk Abraham Pieterson en getuigen. De inventarisatie werd uitgevoerd op aangeven van Frans Engelbergh, soldaat, en opgeschreven door Johannes Kunst, beëdigd klerk bij de secretarie van Suriname, die de normale secretarissen verving. Er was een huis met erf, staande in de Gravenstraat in Paramaribo, gelegen tussen de huizen van Moses Baeza en dat van de heer Boguion. De overledene woonde in het huis van Boguion.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 164 / 0383 Dit is een lijst van 79 mannelijke en 17 vrouwelijke tot slaaf gemaakten. De mannen hadden verschillende taken: sommigen werkten als timmerman, smid, koffiewegers, schilder, of bij het magazijn voor materialen of voedsel. Anderen werkten bij de metselaars als handlangers, bij het Commandement, of in de tuin van het Gouvernement onder toezicht van een opzichter.
De mannelijke tot slaaf gemaakten heetten: Joost van Nieuw Amsterdam, Andries, Fredrik, Calvinees, Zevellieu, Harlequin, Carel, Hercules, Joost, Petro, Calliqula, August, Amoer, Baboen, Policoeur, La Fleur, Satiernees, Cocto, Coffij, D'Esperance, Meltez, Chocolaat, Geleek, Jacob, Maandag, Crispen, Iretons, Coredon, Jonas, Prens, Cupido, Vrydag, Satherdag, Zondag, Qualioe, Harlequin, Couragen, David, Casper, Hakart, Hannibal, Matthijs, Fortueijn, Nero, Hector, Quassie, Passer, Atantuuer, Muller en Dien.
De vrouwelijke tot slaaf gemaakten heetten: Fruij, Constantia, Albartina, Brandina, Catharina, Diana, Anna, Sara, Mariana, Amimba, Lucretia, Toetoeba, Jannetje, Marietje, Fortuna, Cornelia en Olijmphia. Zij werkten onder toezicht van een opzichter.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.03 / 349 / 0087 Lucia Susanna Nawig, weduwe van Barend Casper, verklaarde 10 februari 1764 voor klerk Jacob Des Loges en getuigen dat zij van Jacobus Woesthoven een volledige verantwoording had ontvangen over de huurpenningen die hij had ontvangen. Dit ging over de periode dat haar slavin genaamd Amimba bij hem als onderpand was geweest, volgens een ondertekende schuldbekentenis. De verschenen vrouw verklaarde dat zij de bewijsstukken had laten onderzoeken en dat deze correct waren bevonden, en dat zij hiermee akkoord ging. Verder verklaarde zij dat zij de slavin Amiemba weer had terugontvangen van Jacobus Woesthooven en dat de huurpenningen tussen hen waren verrekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 347 / 0189 Jongens uit Saramibo:
Meisjes:
De tot slaaf gemaakten waren voorzien van potten en hun dagelijks gereedschap, samen geschat op ƒ 200.
In het woonhuis werden gevonden: 6 geweren, 6 patroontassen in verschillende soorten, 6 houwerss, 25 pond buskruit en 10 pond kogels, geschat op ƒ 103.
Een smidsewinkel met zijn toebehoren werd samen geschat op ƒ 400.
Totaal bedrag: ƒ 59.265
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 692 / 0196 Louisa van Matthys van Lobbrecht had stukken van de vrije Mustava. Er waren kwitanties van de deurwaarder van kleine zaken uit 1619 met contracten van Packson en Zichem, van Cornelia van Amimba van Casper met S. de Leon.
Er waren verschillende papieren van weesmeesters van de Portugees-Israëlitische Gemeente over de nalatenschap van Ab. Gabay Fonseca.
Er was een uittreksel van het testament van de weduwe Mohler.
Er was een verzoekschrift en een dagvaarding van Gollenste betreffende de nalatenschap van V. Nillion ten laste van I. van Aarden.
Er waren vonnissen met bijbehorende bijlagen in de volgende zaken:
Er waren 5 volmachten voor procesvoering en 4 paketten met een contract.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 840 / 0034 Op 17 december 1799 ging Johannes Kok, de voorlopig beëdigde klerk van de kolonie Suriname en de rivieren en districten daarvan, vergezeld door getuigen naar het sterfhuis van wijlen de vrije slavin van Casper. Dit gebeurde op verzoek van de heer Johan Jacob Seydenspinner. Seydenspinner was aangesteld als uitvoerder van het testament, beheerder van de nalatenschap en voogd over de minderjarige erfgenamen en legatarissen, alsook beheerder van hun goederen. Deze aanstelling kwam voort uit het testament van de overleden slavin, dat op 14 augustus van hetzelfde jaar was opgemaakt ten overstaan van de beëdigde klerk Leoverd Jacobus van de Casteele Bellingwout en bepaalde getuigen.
Nadat aan de klerk en getuigen was gebleken dat de zegels heel en ongeschonden waren, werden de goederen die op 13 december door de voorlopig beëdigde klerk verzegeld waren weer ontzegeld. De verzoeker vroeg om hiervan een officieel document op te maken, wat werd gedaan. Dit gebeurde in Paramaribo in aanwezigheid van Harmanus Jongbloet en J. C. E. Kreps als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 446 / 0541 Cornelia van Amimba had de slavin Malattin met haar dochter opgenomen. De slavin Pracia met haar kinderen behoorde tot de derde persoon, juffrouw Pibca. Op een zakelijke overeenkomst, opgesteld door de beëdigde klerk H. G. Visscher op 14 november 1814, stond een bedrag van 4000 gulden. Hierop was al 1500 gulden betaald, samen met de verschenen rente, volgens een akte opgesteld door de ondertekenaar op 15 januari 1823 in aanwezigheid van getuigen.
De vergelijkende partijen merkten op dat door de belasting die op bovengenoemde slaven was gevestigd, de ene nu meer bevoordeeld was dan de andere. Deze belasting was alleen door hun moeder gedaan voor hun gezamenlijke voeding en onderhoud tijdens hun minderjarigheid. Daarom werd besloten dat alle slaven die nu aanwezig waren en die al door deze 3 families van slaven waren verwekt, en alle slaven die door hen nog verwekt of verkregen zouden worden, zonder uitzondering, gezamenlijk eigendom waren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 939 / 0064 13 december 1799 ging Johannes Kok, tijdelijk beëdigd klerk van de kolonie Suriname, naar het sterfhuis van de onlangs overleden vrije Amimba van Casper. Hij deed dit op verzoek van Johan Jacob Seijdenspinner, die in het testament van Amimba van Casper van 14 augustus 1799 was aangesteld als uitvoerder van het testament, beheerder van haar bezittingen en nalatenschap, verzorger van haar begrafenis, voogd over haar minderjarige erfgenamen en legatarissen, en beheerder van haar goederen. Het testament was opgemaakt ten overstaan van beëdigd klerk Leonard Jacobus van de Casteele Bellingwout en enkele getuigen, en verzegeld met het zegel van de secretarie van de kolonie. Kok verzegelde de volgende goederen:
Seijdenspinner vroeg om een officieel document hiervan. Dit gebeurde in Paramaribo in aanwezigheid van getuigen Zacharias Castorff en Johan Christiaan Coenraad Kreps.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 446 / 0531 Er werd voorgelezen dat de volgende personen brieven van vrijlating wilden ontvangen:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3587 / 0011 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/