Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Hendrik Verhopertsz Hogheboom gaf toestemming aan de bewindvoerders om geld te betalen en aan hem of zijn vrouw om dat geld in ontvangst te nemen. Hij beloofde alles te zullen nakomen wat hiermee te maken had. Dit gebeurde op 22 maart 1622 in Amsterdam, in het kantoor van een notaris, met Johannes Florianus en Abraham Goos de Jonge als getuigen.

Op 22 februari 1622 verschenen Cornelis de Srijp (notaris), Jan Fredriksz (een kleermaker van 36 jaar) en Ariaantje Ariaans (een 20-jarige dochter) op verzoek van Jacomijntje Jans. Zij verklaarden onder ede het volgende: De getuigen bevestigden dat zij zeker wisten dat dit waar was.
Bekijk transcriptie 


Op 18 november 1666 werd in Amsterdam een overeenkomst opgesteld bij de notaris. De volgende personen waren aanwezig: Maria de Reijger en Elias Bruijnen besloten om alle lopende rechtszaken tussen hen te beëindigen. Deze zaken speelden zowel bij de Hoge Raad van Holland als bij een andere rechtbank in Amsterdam. Ze wilden verdere proceskosten en ruzie voorkomen. In de overeenkomst werd afgesproken dat:
Bekijk transcriptie 


Op 20 april 1680 verscheen Aaltje Hoogeboom, weduwe en beheerder van de nalatenschap van Albert Gerritsz Vlieg, voor notaris David Stafmaker in Amsterdam. Zij bevestigde dat zij 458 gulden en 5 stuivers had ontvangen van Joan van der Pol, na aftrek van 118 gulden en 5 stuivers. Dit bedrag was toegekend door een vonnis van de heren Joan van Hartoghvelt en Eerdmandus Schilles van Kuffeler (beiden advocaten) op 9 maart 1680.

Bij de som hoorden ook:

Aaltje Hoogeboom verklaarde met deze betaling akkoord te gaan, maar behield voor Joan van der Pol het recht om eventueel nog in beroep te gaan of verdere stappen te ondernemen. De betaling was namelijk gedaan om een gedwongen incasso te voorkomen. Zij stemde in met het opmaken van deze akte.

Als getuigen waren aanwezig: Cornelis Hogeboom (arts) en Joan Isbrug. De akte werd ondertekend door Aaltje Hoogeboom, David Stafmaker en Jan Abrugh (klerk van de notaris).

Bekijk transcriptie 


Op 5 juni 1616 werd in Amsterdam een officiële verklaring afgelegd voor de schepenen (rechters) Cornelis Hogheboom en Jan Mits. Hierin beloofden Marten d'Mare, J.V. Nieuwerhuijsen en Marten Hagenaer (kooplieden) dat ze een afspraak zouden nakomen, zonder gebruik te maken van uitstel, vermindering van schuld of andere juridische trucs. Als ze dat niet deden, zouden ze gestraft worden volgens de wet. In deze verklaring ging het om een wisselbrief (een soort betaalopdracht) voor Jacobus du Bie of een door hem aangewezen persoon. Het bedrag was 190 gulden en 6 stuivers in courant geld (gangbaar betaalmiddel, niet via de bank). De brief was op 21 mei 1666 in Oostende ondertekend door Jacobus du Bie en moest binnen drie dagen betaald worden. Het adres op de brief was voor Monsieur Ariaga Hemorinck in Amsterdam. Op 5 juli 1616 (waarschijnlijk een schrijffout en bedoeld als 1666) droeg Cornelis de Gruijp, op verzoek van Claude du Hamel (een koopman in Amsterdam), de wisselbrief over aan Adriaan Immad Ingelbreght, ook een koopman. De originele brief werd aan hem getoond en was ondertekend door Jacobus du Bie. De tekst op de brief luidde dat het bedrag aan Claude du Hamel of een door hem aangewezen persoon betaald moest worden.
Bekijk transcriptie 


Op 6 juni 1615 verklaarde Pieter Jacobsz Hooijwagh voor een notaris en getuigen dat hij een originele schepenakte (een officiële akte van de schepenbank, een soort rechtbank) in bewaring had. Deze akte moest eigenlijk aan Rogier de Coene worden overhandigd, maar Hooijwagh kon hem niet tussen zijn papieren vinden. Hij vermoedde dat de akte ergens was achtergebleven.

Daarom liet Hooijwagh een officiële kopie van de schepenakte maken bij de secretaris (een ambtenaar) in Amsterdam. Deze kopie zou tijdelijk als vervanging dienen, totdat het origineel weer boven water kwam. Daarnaast voegde hij een notariële akte toe, opgesteld op 14 juni 1615, waarin hij beloofde:

De notaris bevestigde dat noch Hooijwagh noch iemand anders verplicht was om geld uit te keren aan een ander dan Rogier de Coene (of diens opvolgers). De schepenakte was immers eerlijk en zonder bedrog overgedragen. De notaris wees elke verantwoordelijkheid voor mogelijke schade, kosten of rente van de hand.

Tijdens deze verklaring was ook de vrouw van Marten Pietersz Broers aanwezig. Zij zei dat haar man niet thuis was, maar dat ze het aan hem zou vertellen als hij terugkwam. Ook beloofde ze het door te geven aan Adriaen Hogheboom, die antwoordde dat hij het voor zijn broer Laurens (wonende in Alkmaar) zou aannemen.

Deze handeling vond plaats in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Johannes de Roek en Abraham Perhoos de Jonghe. De notaris tekende met "Quod attestor" (Latijn voor "dit bevestig ik") en vermeldde een bedrag van 10 gulden en 60 (waarschijnlijk stuivers).

Bekijk transcriptie 


Cornelis de Verhrijp, een notaris, heeft op 2 oktober 1664 in Amsterdam een officiële verklaring afgelegd namens Nakken. Hij heeft bij de belastingkantoren (voor zowel landelijke als stadsbelastingen) een document ingediend, opgemaakt op 5 oktober 1664 door Cornelis Hogheboom. In dit document staat dat Hogheboom aan Nakken het recht overdraagt op 6 maanden huur die Hogheboom al dan niet nog zou verdienen bij de belastingdienst. Dit bedrag moet eerst aan Nakken worden uitbetaald voordat er andere betalingen plaatsvinden. De Verhrijp waarschuwt namens Nakken: Deze verklaring is opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Jacobus Lolom en Johannes Dankart. Een eerdere zaak uit 1632 (met D. Sinelaentz en een bedrag van 65 gulden) wordt kort genoemd, maar zonder verdere details.
Bekijk transcriptie 


Op 6 oktober 1660 werd in Amsterdam een officiële akte opgesteld door notaris Cornelis de Ghrijp. Hierbij waren Arelis de Duijse en Johannes de Roek als getuigen aanwezig. De akte ging over een bedrag van 641 gulden, betaald door Jan (aangeduid met een merk) en Johannes De Boek.

Op dezelfde dag verschenen Pieter Jacobsz Hooijwaghen en Jacob Meeusen van Sanen voor de notaris. Zij waren door het testament van Aaltjen Eghberts (de weduwe van Andries Dircksz van Sanen) aangesteld als executeurs (uitvoerders) en beheerders van haar nalatenschap. Deze nalatenschap was bestemd voor haar halfbroer Gherrit Helmertsz en vijf nichten, die in het testament waren genoemd. Als Andries Dircksz van Sanen zonder kinderen zou overlijden, zouden deze personen de erfenis krijgen.

De twee mannen verklaarden dat zij, namens de erfgenamen van Andries Dircksz van Sanen, op 22 november 1659 een officiële overdracht hadden gedaan. Deze akte was als bijlage toegevoegd. Zij hadden een lening (schepenkennis, een soort officiële schulderkenning) van 2600 gulden overgedragen aan Rogier de Coene, een chirurgijn uit Amstelveen.

Deze lening was oorspronkelijk bedoeld voor Aaltjen Eghberts, die weduwe en lijftochtster (iemand met recht op inkomsten uit een erfenis) was van Andries Dircksz van Sanen. De schuld rustte op Marten Pieterse Broers, een hoedenmaker. Bij deze overeenkomst waren Cornelis Hogheboom (als adviseur en notaris) en Laurens Hogheboom (als borg) betrokken. De akte was op 12 januari 1638 geregistreerd onder nummer 98.

Bekijk transcriptie 


In Amsterdam verklaarde Cornelis de Grijp op 19 maart 1659 voor notaris, in aanwezigheid van Theodorus Hillebergh, Adriaan en Johannes Florianus, dat hij een schuld had bij Hendrik Ghovertsz Hogheboom, zijn halfbroer. De schuld bedroeg 60 carolusguldens (elk ter waarde van 20 stuivers), geld dat De Grijp had geleend voor persoonlijk gebruik. Omdat De Grijp het bedrag niet direct kon terugbetalen, stond hij zijn toekomstige loon af aan Hogheboom (of diens rechtmatige erfgenamen). Dit betrof: De Grijp was op dat moment in Amsterdam en stond op het punt te vertrekken als bemanningslid van het schip De Jonge Prins, eigendom van de kamer Hoorn van de Geoctroojeerde Oostindische Compagnie (VOC). Het schip zou varen naar Batavia (het huidige Jakarta). De verklaring werd ook ondertekend door Crijn Aartsz van der Verhouw, een jongeman die als getuige optrad.
Bekijk transcriptie 


Op 15 oktober 1660 verklaarde Cornelis de Grijp, een gerechtsdeurwaarder, op verzoek van Jacob Meeusz van Zanen en Pieter Jacobsz Hooijwagh (de executeurs van de nalatenschap van Aaltjen Egberts, weduwe van Andries Dirksz van Zanen), het volgende: Aaltjen Egberts had in haar testament bepaald dat haar bezittingen na haar overlijden naar Gherrit Helmersz (haar halfbroer) zouden gaan. Als Gherrit zonder wettige kinderen zou sterven, zouden de goederen naar vijf door haar genoemde personen (haar "vijf neven") gaan. Nu was Aaltjen overleden en moest de verdeling van haar nalatenschap plaatsvinden. Jacob Meeusz van Zanen en Pieter Jacobsz Hooijwagh (als executeurs) lieten weten aan: Zij verklaarden dat Marten Pietersz Broers, Mr. Cornelis Hoijseboom en Laurens Hoijseboom nog steeds een schuld van 2600 gulden hadden, die oorspronkelijk op naam van Aaltjen Egberts stond. Deze schuld was vastgelegd in een akte van 12 januari 1650 en overgedragen aan Mr. Rogier de Coene (een chirurgijn) op 9 augustus 1650. De executeurs maakten dit officieel bekend aan de betrokkenen.
Bekijk transcriptie 


In een brief van 26 december 1740 schrijft de afzender over verschillende onderwerpen:

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1660 gaf de Universiteit van Parijs een oordeel over een conflict in Houdan, een stad in Bretagne (nu deel van Frankrijk). Monsieur de Montier, hoofd van de Grassins (een religieuze groep), ontdekte dat de Jezuïeten ondanks eerdere afspraken (een "bulle") toch actie ondernamen tegen mensen die ze beschuldigden van Jansenisme (een stroming binnen de kerk die ze als ketterij zagen). De bisschop van Rennes (hoofd van de kerk in die regio) eiste dat meneer de Senailles, een priester die zieke mensen verzorgde in een ziekenhuis, een verklaring ("formulaire") ondertekende. De Senailles wilde dat wel doen, maar met een belangrijke nuance: hij onderscheidde feiten (wat er echt gebeurd was) van regels (wat de kerk voorschreef). De bisschop weigerde die nuance en schorste de Senailles toen hij weigerde zonder meer te tekenen. Op 16 maart 1660 ging de bisschop naar het ziekenhuis, gesteund door vijf mannen die de Senailles lastigvielen – hoewel ze eigenlijk geen recht hadden om de priester tegen te houden. Vervolgens werd op 21 maart 1660 (Palmzondag) een klacht ingediend tegen de Senailles. Deze klacht werd aangeboden aan meneer de Laubrière, een rechter en vriend van de Jezuïeten. Hij las de aanklacht hardop voor in het "bureau des pauvres" (een soort armenraad), met veel drama. Zelfs de eerste president van het parlement (hoogste rechter), de gouverneur van Bretagne en weduwen van Jansenistische aanhangers steunden de actie tegen de Senailles. Het leek erop dat de priester geen kans maakte. Op 30 maart 1660 (Dinsdag na Pasen) werd de Senailles verhoord. Hem werd gevraagd of hij had gezegd dat de moraal van een bepaalde jezuïet (Pater Kober) was afgewezen door Franse bisschoppen. Of hij schuldig was, werd niet duidelijk. Toch werd hij twee dagen later door de kerkelijke rechtbank verboden om nog dienst te doen of zelfs maar een kerk binnen te gaan. Vier belangrijke rechters vonden dit onrechtvaardig en adviseerden de Senailles om in beroep te gaan. Hij kreeg een voorlopige uitspraak die hem beschermde tot zijn zaak behandeld zou worden. Maar de tegenstanders van de Senailles (en het Jansenisme) probeerden te voorkomen dat de zaak bij deze rechters terechtkwam. Ze wilden dat de Grote Kamer (een hogere rechtbank) de zaak in 1660 zou behandelen.
Bekijk transcriptie 


In 1650 verdedigde Gabriel Costart, een Jezuïet, in de provincie Vlaanderen de leer over voorbestemming en genade tegen nieuwe ideeën van du Montier. Dit gebeurde tijdens een discussie in het Collège de Clermont in Parijs op 29 april. Er was ook een conflict tussen de aartsbisschop van Sens en de Jezuïeten, waarbij verschillende geschriften werden uitgewisseld.

In 1741 schreef Alphonse Le Moine over het begin van de vrome wil, als reactie op een boek van Arnauld over gebed en genade. Ook werden er discussies gevoerd over 22 stellingen die door de inquisitie van Toulouse waren veroordeeld. De Jezuïet Antoine Richard des Champs verdedigde zijn opvattingen in Marseille, waarbij hij de ideeën van de bisschop van Sprens en Avitus van Vienne gebruikte.

Er verschenen verschillende uitgaven van reacties en vertalingen, zoals:

In Rome werden verschillende acties ondernomen:

Er verschenen ook:

Bekijk transcriptie 


Op 10 juli 1602 besloten de Staten-Generaal om Cornelis Pietersz een octrooi (een soort exclusief recht) te geven voor zijn uitvinding. Hiermee mocht alleen hij zijn uitvinding in de Verenigde Nederlanden maken, laten maken, gebruiken of verkopen. Dit recht gold voor 8 jaar en gold specifiek voor zijn instrument om met weinig moeite en veel precisie havens, rivieren of andere verzande waterlopen uit te diepen, volgens het bijgevoegde patroon.

De Staten-Generaal verboden iedereen – ongeacht wie het was – om zonder toestemming van Cornelis Pietersz zijn uitvinding na te maken of te gebruiken. Wie dit toch deed, verloor de nagemaakte uitvinding en moest een boete betalen van 600 pond (waarvan 40 groten per pond). Deze boete werd verdeeld:

Alle bestuurders, rechters, ambtenaren en inwoners van de Verenigde Provinciën moesten Cornelis Pietersz met rust laten en hem vrij laten genieten van zijn octrooi. Ze mochten hem niet tegenwerken, want de Staten-Generaal vonden dat dit rechtvaardig was. Dit octrooi gold alleen voor nieuwe uitvindingen die nog niet eerder in de Verenigde Nederlanden waren gebruikt en deed niets af aan eerdere vergunningen.

Op 11 juli 1602 besloten de Staten-Generaal ook om Johanna du Montier, de weduwe van de overleden Charles de Cambi (die 22 jaar voor de landen had gewerkt), een soortgelijke bescherming te geven. De details hiervan zijn niet verder uitgewerkt in deze tekst.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 19 juni 1655 (op een zaterdag) was er een vergadering onder leiding van heer Van Wijckel uit Gent. Ook aanwezig waren de heren Verbolt, Ansbergen, Ripperda tot Buurse, Capelle tho Rijssel, Raesfelt, Huijghens, Waveren, Veth, Stavenisse, Van der Hoolck, Vierffen, Knijff, Mulert, Ripperda en Wolffsen. Tijdens deze vergadering:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In januari 1686 dienden de heren Lagnij en Dodun (voormalige pachters van de tabakshandel) een verzoek in bij meneer Boreel, toenmalig hoofdbaljuw (hoogste rechterlijke ambtenaar) van Amsterdam. Ze wilden dat Pierre le Noir Du Montier, een burger uit Amsterdam, zou worden gearresteerd en zijn bezittingen in beslag genomen. Volgens Lagnij en Dodun had Du Montier geld verborgen dat van hen was gestolen door de heren Caze en Tronchin. Hiervoor was al een vonnis uitgesproken door het Châtelet (een rechtbank) in Parijs op 22 november 1685. Caze en Tronchin waren na dit vonnis uit Frankrijk gevlucht. Boreel gaf toestemming voor de arrestatie en beslaglegging, die op 6 januari 1686 werd uitgevoerd. De volgende dag, 7 januari, stond meneer Chabert, de Franse consul, borg voor Lagnij en Dodun. Op 8 januari liet Anthoine Constant (de zaakwaarnemer van Lagnij en Dodun) de volgende documenten zien:
Bekijk transcriptie 


Deze tekst bevat twee delen van een notariële akte uit 1874.

In het eerste deel staat een overzicht van schulden en kosten na een overlijden:

Deze zaken zijn allemaal betaald. De rest van de nalatenschap blijft in handen van de persoon die de inventaris heeft aangevraagd. Deze persoon belooft alles goed te bewaren en later verantwoording af te leggen als dat nodig is. De persoon zweert ook dat er niets is verborgen gehouden of verdonkeremaand van de nalatenschap. De akte wordt ondertekend door de aanvrager, twee getuigen (Joannes Willem Marie Huijgens en Petrus Giesken) en de notaris (Burkens).

In het tweede deel, gedateerd op 13 mei 1874, benoemt Johan George Hendrik Detemeyer (een soort beheerder van het Museum op het Stadhuis in Haarlem) een nieuwe bewindvoerder. Dit doet hij omdat Lena Maria Erdtsieck, die in Haarlem woonde, op 29 april 1874 is overleden. Zij was niet getrouwd en had geen familie. In haar testament (opgemaakt in 1869) had ze haar broer Theodorus Erdtsieck (een schilder) als enige erfgenaam benoemd. Maar er was een voorwaarde: haar nalatenschap moest beheerd worden door Detemeyer, die als bewindvoerder was aangesteld. Hij moest wel meteen een vervanger aanwijzen voor als hij zelf zou overlijden of niet meer in staat was om de taak uit te voeren.

Detemeyer kiest hiervoor Herman Nicolaas Erdtsieck (een ambtenaar van de burgerlijke stand in Rotterdam). De akte wordt ondertekend door Detemeyer, twee getuigen (Joannes Willem Marie Huijgens en Paulus Koppen) en de notaris (Petrus Coenraad Burkens).

Bekijk transcriptie 


Op 1 november 1647 werd in Haarlem een huwelijkscontract opgesteld tussen: De afspraken in het huwelijkscontract waren: Het contract werd ondertekend in het huis van Catharina Willems aan de Bakenessergracht in Haarlem, in aanwezigheid van: Op dezelfde dag bevestigde Jacob Gysbertsz onder ede, op verzoek van Catharina Willems, dat zij en haar familie recht hadden op de helft van drie huizen in de Lakenstraat in Haarlem. Deze huizen waren oorspronkelijk gebouwd door Jan Dircxsz Colff (haar overgrootvader) en Pieter Pietersz. Catharina Willems had bovendien recht op een vierde deel van de gemeenschap van goederen die zij met haar overleden man, Hendrick Pietersz Gans, had gehad.
Bekijk transcriptie 


Op 3 juli 1665 verscheen Abraham Jansz, wonend in Amsterdam, voor een notaris en getuigen. Hij was de zoon van Jan Jansz, die woonde in Friedrichstadt (in het land Holstein). Abraham Jansz verklaarde dat Jan Pietersz Vinckenrae hem vandaag het bedrag van 100 mark Lübsch had uitbetaald. Dit geld was hem toekomend van zijn vader, Jan Jansz, via de erfenis van zijn grootmoeder Barbara Abels. Hij bevestigde dat hij geen verdere claims had op de erfenis van zijn grootmoeder of op de voogden die over hem waakten. Ook deed hij afstand van alle verdere rechten hierop. Abraham Jansz bedankte Jan Pietersz Vinckenrae voor de betaling en beloofde dat hij noch zijn erfgenamen in de toekomst nog aanspraak zouden maken op dit bedrag. Dit alles gebeurde onder ede, met inzet van zijn persoon en bezittingen. De akte werd opgesteld in Haarlem, in aanwezigheid van de volgende getuigen:
Bekijk transcriptie 


Op 4 oktober 1792 om 8 uur 's ochtends verscheen Jacob Holsteyn, een volwassen man uit Haarlem, voor Gerrit Kok Junior, een officiële notaris van het Hof van Holland. Er waren ook getuigen aanwezig. Jacob Holsteyn maakte bekend dat hij, omdat hij weet dat iedereen ooit sterft maar niet wanneer, zijn laatste wil wilde vastleggen. Hij trok alle eerdere testamenten en andere soortgelijke documenten in. Hij bepaalde dat na zijn dood zijn bezittingen verdeeld zouden worden tussen: Hij wilde dat dit testament na zijn overlijden volledig geldig zou zijn, ook als niet alle officiële regels waren gevolgd.
Bekijk transcriptie 


Op 4 juni 1694 stuurden de Staten van Holland vanuit Den Haag verschillende brieven naar lokale en regionale overheden over zeezaken en scheepvaartkwesties.
Bekijk transcriptie 


De West-Indische Compagnie (WIC) kreeg toestemming om geld in te zamelen om schepen en handel te financieren. Dit gebeurde door de verkoop van obligaties (aandelen) met de volgende regels:

Bekijk transcriptie 


Op 17 juni 1901 ging Jan Eugene Adoephe Emile Wijnans, notaris in Gulpen (regio Maastricht), naar zijn kantoor om een verkoopakte op te stellen. Daar waren aanwezig:

Cornelis Lemlijn verkocht een stuk weiland genaamd Op Vroelen aan Jan Theodor Cryns. Het perceel was:

De verkoopprijs was 484 gulden. Cornelis Lemlijn bevestigde dat hij dit bedrag al van Jan Theodor Cryns had ontvangen voor het opstellen van de akte. De verkoop had twee belangrijke voorwaarden:

Na voorlezing tekenden alle aanwezigen (de verkoper, koper, getuigen en notaris) de akte. De notaris noteerde ook de betaling van 9,80 gulden voor zijn diensten, ontvangen van Nicolas Habets (een van de getuigen).

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/