Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Hendrik Kemper liet via Johan Andon Schmidt op 23 mei 1775 in Paramaribo een officiële verklaring opstellen bij een secretaris of beëdigd klerk. Hierin stond het volgende: De verklaring kostte 2 gulden en werd op 22 april 1745 (waarschijnlijk een typefout en bedoeld als 1775) opgesteld.
Bekijk transcriptie 


De tekst beschrijft een conflict tussen twee personen, waarbij de ene (de Insinuante) een verzoek indient bij de andere (de Geïnsinueerde, Frederik Bopp).

Bekijk transcriptie 


De tekst gaat over een geschil tussen twee personen, waarbij de ene persoon (de Geïnsinueerde, een leraar) de ander (de Insinuante, een voormalige dienstmeid) probeert te overtuigen niet te trouwen met een zekere Fredrik Bopp. De Geïnsinueerde vindt dat zijn waarschuwingen passen bij iemand die zich als een bezorgde vriend en als leraar van de gemeenschap opstelt.
Bekijk transcriptie 


Hendrik Kemper reageerde op 13 december op een beschuldiging die Margaretha Keyser, de weduwe van Arebrd Hendrik Meyer, tegen hem had ingediend. Kemper was geschokt en boos over de beschuldigingen, die volgens hem vol lagen met leugens en laster. Hij vond het ongelooflijk dat iemand zo ondankbaar kon zijn, vooral als die persoon zelf geen goede bedoelingen had. Hij zei dat dit vaak gebeurde bij mensen die geen goed hart hadden. Ondanks de beschuldigingen bleef Kemper standvastig. Hij vertrouwde op zijn goede geweten en beloofde zich te verdedigen tegen de laster. Hij zou niet al zijn tijd besteden aan het weerleggen van elke leugen, want hij had belangrijkere zaken te doen. Wel was hij ervan overtuigd dat de waarheid altijd boven zou komen, hoe verborgen die ook leek. Daarom zou hij zich alleen richten op de feiten en niet ingaan op alle verzinsels die tegen hem waren bedacht om hem in een kwaad daglicht te stellen.
Bekijk transcriptie 


Op 23 januari 1775 verscheen Johan Ernst Hafftenberger, een tijdelijk beëdigd ambtenaar en secretaris van de kolonie Suriname en de omliggende gebieden, voor een notaris. Bij hem was Petrus Theodorus Preeber, een arts van het ziekenhuis van de Edele Sociëteit in Paramaribo, die als getuige optrad. Hafftenberger gaf Hendrik Kemper, een gepensioneerd predikant van de lutherse gemeente in Paramaribo (die toen in Amsterdam woonde), een officiële volmacht. Deze volmacht hield het volgende in:
Bekijk transcriptie 


Op 12 mei 1738 in Paramaribo reageert Hendrik Kemper namens de Geïnsinueerde (de beschuldigde partij) op een eerdere aanklacht. Hij hoopt dat de Insinuante (de aanklager) spijt toont van haar daden en dit ook duidelijk laat zien.

De reactie wordt gegeven onder voorbehoud (met een protest, om juridische rechten te behouden) en sluit het antwoord af. G. Sytken heeft het document gecontroleerd en goedgekeurd.

Bekijk transcriptie 


Op 27 november 1777 in Paramaribo werd een officiële verklaring opgesteld namens Jan Bruijn. Deze verklaring was gebaseerd op een volmacht die Jan Bruijn op 3 juli had afgegeven bij notaris Mr. Klinkhamer in Amsterdam en die was geregistreerd.

Jan Bruijn gaf via zijn vertegenwoordigers opdracht aan Herm Franke Hermsz, die eerder namens dokter Hendrik Kemper optrad, om:

Jan Bruijn behield zich het recht voor om schadevergoeding te eisen voor eventuele vertragingen, nalatigheid of schade die al was ontstaan of nog zou ontstaan door toedoen van Herm Franke Hermsz.

De verklaring werd opgesteld door Elga Meijnhouksta en een kopie werd aan Herm Franke Hermsz overhandigd.

Bekijk transcriptie 


Op 29 december 1773 verscheen Isaac de La Croix voor George Christiaan Qualibrink, een beëdigd griffier in Paramaribo, Suriname. Hij werd bijgestaan door getuigen, waaronder Johan Eoms Hafftenbergen. De La Croix verklaarde zich hoofdelijk aansprakelijk (dat betekent: zowel als borg als als hoofdschuldenaar) voor een schuld van Thomas Quil (die optrad namens Thomas Verdil). Deze schuld betrof een bedrag van 437,5 gulden (in Hollandse valuta), dat eerder door G. Boedberg was vastgelegd in een zaak tegen Zuil en bij de griffie was gestort. De La Croix beloofde dat hij, als dat nodig zou zijn, dit geld opnieuw aan de griffie zou betalen. Hij aanvaardde deze verplichting onder inbeslagname van zijn bezittingen, mocht hij dat niet doen. Het document werd ondertekend door Qualibrink, De La Croix, J. Kaftenberger en Hesra (een andere griffiemedewerker). Er werd ook verwezen naar een eerdere akte uit 1713.
Bekijk transcriptie 


Hendrik Kemper beschuldigde een bedrijf (hier Compagnie genoemd) van ernstige laster en valse beschuldigingen, waardoor zijn reputatie zou zijn aangetast. Het bedrijf ontkende dit sterk en zei: Het bedrijf vroeg om een officiële akte van deze verklaring op te stellen. Dit gebeurde in Paramaribo op 5 maart 1734 (de tekst verwijst naar "533" en "534", wat duidt op het jaar 1733/1734 in oude jaartelling). Getuigen hierbij waren Jan Hellendaal en Johannes Hendrikus Wessels. De akte werd opgemaakt door Van Claveren, met hulp van Gesworen Clercq (een beëdigd ambtenaar).
Bekijk transcriptie 


Op 28 december 1735 verscheen Margaretha Keijser, weduwe van A. H. Meijer, voor Johannes Adolph Claveren, een tijdelijk beëdigd klerk in Paramaribo. Zij verklaarde onder ede het volgende:

Keijser verklaarde dat zij deze beschuldigingen onterecht vond en dat haar reputatie hierdoor zwaar was beschadigd.

Bekijk transcriptie 


In Suriname lagen drie plantages in de Mattapica-kreek, langs de Commewijne-rivier, die samen werden verkocht of verpand: Bij de plantages hoorden ook: Een vertegenwoordiger, Daalby, verklaarde namens de eigenaren (de gezamenlijke comparen) dat: Tot het totale bedrag van 113.000 gulden (inclusief rente) was afbetaald, mochten Insinger en Compagnie (of hun opvolgers):
Bekijk transcriptie 


De betrokkenen (de Comparanten) doen bewust afstand van verschillende juridische voordelen en uitzonderingen, zoals: De Comparanten beloven namens zichzelf dat ze een totaalbedrag van 113.000 gulden terugbetalen aan heren Insinger en Compagnie (of hun opvolgers) in Amsterdam. Deze terugbetaling is bedoeld voor alle geïnteresseerden in deze geldlening en dient als schadevergoeding. De betaling gebeurt in termijnen op de volgende data en bedragen: Er wordt vastgelegd dat de betalingen eerder of in hogere bedragen mogen gebeuren, maar in geen geval later dan de afgesproken data.
Bekijk transcriptie 


Op 6 februari 1773 ’s avonds om 21:00 uur, op de positie Noorderbreedte 1° 20’ en lengte 5° 51’, brak door een heftige, onverwachte windvlaag de top van de bezaansmast (het achterste mastdeel) van het schip Oud Haarlem af, net onder het rak (een dwarsbalk). Hierdoor vielen de kruissteng (een verlenging van de mast) en andere onderdelen overboord. De bemanning moest: Bij deze windvlaag brak ook de voorbramsteng (een hoger mastdeel aan de voorste mast) af en viel overboord. Op 17 mei 1773 ’s ochtends om 4:00 uur brak tijdens een sterke, koude wind (“stijve koelte”) de grote steng (vervangende mast) opnieuw af, samen met de bramsteng (bovenste mastverlenging) die daarop was gemonteerd. Deze verklaring werd opgesteld door: Zij werkten allemaal op het schip van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), onder leiding van schipper Jan Sierevelt.
Bekijk transcriptie 


Op 3 mei 1785 bij Kaap de Goede Hoop schreven de hoofdchirurgijnen en andere medische officieren een verklaring over de gezondheid van Jan Sierevelt. Zij vonden het gevaarlijk als Jan Sierevelt snel weer de zee op zou gaan. Volgens hen had hij dringend frisse lucht, groenten en landdieet nodig. Dit bleek ook uit een aderlating (een oude medische behandeling waarbij bloed werd afgenomen). Het bloed van Sierevelt zag er slecht uit en leek op rotting. De verklaring werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In zijn testament deelt B. Brodier uit Haarlem zijn erfenis als volgt in:

Er gelden extra voorwaarden voor het laatste kwart (van Bensamen, Geertruij en Brodier):

Als executeurs (uitvoerders van het testament) wijst Brodier aan: Jacob Hazevolt, Hendrik van der Maak en Jan ter Hoffsteede (allen wonend in Haarlem). Zij krijgen de volgende taken en bevoegdheden:

Het testament werd opgemaakt op 6 maart 1818 in Haarlem, in aanwezigheid van de notaris en getuigen: Jacobus van Loon (koetsmaker), Barend Jan van Det (bierdrager) en Daniel Jacob Stephan (schoenmaker).

Bekijk transcriptie 


In Haarlem werd op 25 april 1818 een verkoop vastgelegd waarbij drie personen, namelijk: als kinderen van de overleden Abraham Brodier, een huis in de Spaarnwouderstraat in Haarlem verkochten. Deze drie waren ook de erfgenamen van hun oom Bensamen Brodier, die op 24 april 1818 in Haarlem was overleden. Bensamen had in zijn testament, opgemaakt op 6 maart 1818 en geregistreerd op 6 mei 1818, Benjamin Brodier als erfgenaam aangwezen. De verkoop gebeurde via volmachten, die waren ondertekend op 23 februari 1818 (voor Benjamin en Ida Eva) en 28 februari 1818 (voor Geertruy). Beide volmachten waren geregistreerd in Haarlem op 25 april 1818. De verkoopprijs was 77,5 cent (inclusief extra kosten). Het huis werd verkocht aan Bernardus Gozeling, een timmerman die in dezelfde Spaarnwouderstraat woonde. Hij aanvaardde de koop en kreeg het huis in vol eigendom, met garantie dat er geen juridische problemen of claims op rustten. Het huis lag in de Spaarnwouderstraat en grensde aan andere percelen.
Bekijk transcriptie 


In Haarlem werd op 25 april 1818 een verkoopakte geregistreerd waarbij drie personen, vertegenwoordigd door een volmacht, een huis verkochten.
Bekijk transcriptie 


Op 4 januari 1693 schreef O. S. Droost tregstocken, de voormalig directeur van de Gouvernements Kina-onderneming (een overheidsbedrijf voor kinateelt), een verweerschrift aan de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië in Den Haag. Hij was met verlof gestuurd vanwege ziekte, maar voelde zich onterecht behandeld.

Droost tregstocken was boos omdat er een onderzoekskommissie was ingesteld om zijn werk te controleren. Deze commissie bestond uit:

Volgens Droost tregstocken was deze commissie onterecht benoemd, omdat:

Droost tregstocken vreesde dat het rapport van de commissie ongunstig zou uitvallen, gebaseerd op tweedehands informatie. Hij wilde daarom eerst zelf gehoord worden voordat er beslissingen over hem werden genomen. Zijn verzoek werd op 13 januari 1693 ontvangen door de Secretaris-Generaal.

Bekijk transcriptie 


Op 15 oktober 1617 stuurden Rasopper en van Banosheed een brief vanuit Rotterdam aan een hoge ambtenaar die verantwoordelijk was voor wezen en koloniën. Ze schreven dat ze nog steeds wachtten op een antwoord op hun eerdere brief van 27 september. In die brief ging het over het schip Agatha, onder leiding van kapitein Loulus Ressadende, dat klaar lag om te vertrekken. Omdat ze nog niets van de ambtenaar hadden gehoord, vroegen ze opnieuw om een paspoort (toestemming) voor het schip. Op dezelfde dag, 14 oktober 1617, werd de brief officieel geregistreerd. In een andere brief, gedateerd 15 oktober 1607, meldden kooplieden Jum Rvin Ossel en Kritss in Rodenbrock uit Amsterdam aan de directeur-generaal van handel en koloniën dat hun schip, de Aarlinge, klaarlag om naar Suriname te vertrekken. Het schip was 85 last (een oude maat voor gewicht) groot en geladen met 10.000 vaten zout, maar het zout was helemaal niet geschikt voor de reis.
Bekijk transcriptie 


De schrijver kreeg een boodschap en vroeg even tijd om zich aan te kleden en zijn persoonlijke zaken te regelen. Heer Voiss Baauw gaf toestemming, waarna de schrijver naar het kasteel in Elmina werd gebracht. Daar werd hij onvriendelijk ontvangen door een strenge en vooringenomen rechter.

De rechter beschuldigde hem ervan zich uit te roepen tot koning van Elmina en vroeg waarom hij dit had gedaan. De schrijver antwoordde kalm:

De rechter, Generaal (vermoedelijk Gouverneur de Veer), werd woedend, sprong op en schreeuwde dat de schrijver een schurk was en hem wilde wurgen. Heer Oldenburg probeerde de generaal te kalmeren en stelde voor de schrijver naar Europa te sturen in plaats van hem vast te houden. De generaal antwoordde dat de schrijver een vijand van de Koning van Holland was en beschuldigde hem van de moord op Hoogenboom.

De schrijver werd het kasteel uitgezet en voelde zich vernederd. Later vertelde de generaal het verhaal aan twee Engelse heren tijdens het eten en noemde de schrijver publiekelijk een moordenaar en vijand van de koning. De schrijver besloot niet toe te geven en zijn eer te verdedigen, maar kon op dat moment niets doen.

Hij probeerde de Gouvernementssecretaris om hulp te vragen, maar die weigerde zijn klachten schriftelijk vast te leggen. Uiteindelijk besloot de schrijver te wachten op een beter moment om zich in Holland te beklagen en zijn recht te halen. Toen hij later brieven ontving via het schip Ajap, zag hij een kans om alsnog zijn klachten in te dienen.

Bekijk transcriptie 


De schrijver klaagt over zijn slechte behandeling door Gouverneur-Generaal Daendels (de Gulsk). Hierdoor kon hij tenminste met rust gelaten worden in zijn huis en tuin, want voorheen kwam Daendels soms vijf of zes keer per dag langs om hem lastige vragen te stellen of naar het kasteel te roepen voor overleg.

Hij merkte dat Carel Ruhle, die bij aankomst van Daendels bijna al zijn bezit kwijt was geraakt door willekeurig optreden, nu juist in de gunst stond bij Daendels. Ruhle werd dagelijks uitgenodigd en bezocht. Daendels beschuldigde de schrijver er vervolgens van dat hij een van zijn slaven andere instructies had gegeven dan die van Ruhle. De schrijver hoopt dat deze beschuldiging ooit eerlijk onderzocht wordt, zodat het gedrag van Daendels en hemzelf beoordeeld kan worden.

Daendels wist dat de schrijver financieel slecht af was. Door het stoppen van de slavenhandel bij aankomst van de nieuwe gouverneur, waren veel mensen aan de kust hun fortuin kwijt. De schrijver had grote verliezen geleden door leveranties aan het lokale gouvernement en kon niet meer betalen. Omdat er jarenlang geen Nederlandse schepen waren geweest, was hij afhankelijk van Britse handelaren. Toen de slavenhandel stopte, kon hij zijn Britse schulden niet meer voldoen.

De schrijver ontdekte dat Daendels probeerde zijn schulden bij Britse handelaren in Cabo Cors (Kaapkust) op te kopen. De Brit Watts weigerde dit eerst, maar Daendels zette hem onder druk. Uiteindelijk bedankte Watts voor de "rechterlijke hulp" van Daendels en zei dat hun zaken onderling waren opgelost. Daendels ging echter verder en dreigde openlijk tegen Britse ambtenaren:

Daendels maakte ook dagelijks denigrerende opmerkingen over de schrijver tegen de koning, onderkoning, en lokale leiders in Elmina.

Op 11 oktober van het betreffende jaar (1808) kwam Van der Paauw, een assistent in dienst van Lodewijk Napoleon, om 's ochtends rond 10 uur bij de schrijver thuis. Hij bracht een boodschap van Daendels: de schrijver moest naar het fort komen voor een ontmoeting.

Bekijk transcriptie 


Mr. Dcessesse schrijft op 13 oktober 1807 een klachtbrief over zijn slechte behandeling in Batavia (het huidige Jakarta). Mr. Dcessesse vertelt verder over zijn achtergrond: Hij vraagt de ontvanger van de brief (een hoge ambtenaar in Den Haag) om zijn zaak onder de aandacht van de koning te brengen. Hij hoopt op bescherming, zodat hij in zijn oude dag niet langer hoeft te lijden onder het geweld van Daendels.
Bekijk transcriptie 


De schrijver verdedigt zich tegen beschuldigingen van Gouverneur De Wees en legt uit waarom hij de titel Groot Marschalk der Elminaanse Kwartieren aannam, die hem door de lokale Afrikaanse leiding werd gegeven na een succesvolle verdediging van het gebied. Deze titel was gebruikelijk voor Europese ambtenaren in Elmina en weigeren zou tot conflicten leiden. De kosten voor de bijbehorende ceremonie (tussen de 3.000 en 4.000 gulden) betaalde hij zelf.

Hij benadrukt dat hij geen verrader is, zoals De Wees hem noemt. Hij wijst erop dat hij:

Tijdens een woedende uitbarsting op 19 december noemde De Wees hem een moordenaar (verwijzend naar de dood van President Hoogenboom) en vijand van Koning Lodewijk Napoleon. De schrijver werd het kasteel uitgezet en publiekelijk vernederd. De Wees herhaalde deze beschuldigingen later tegenover twee Engelse gasten.

Omdat hij geen rechtvaardige behandeling kreeg, besloot de schrijver zijn zaak voor te leggen aan de Nederlandse regering. Hij probeerde brieven te versturen via:

  • de korvet Ascot (van Zijne Majesteit), maar deze werden door De Wees geopend en teruggestuurd,
  • een Engels schip, de Afrikaner (onder kapitein Scholtheijs), maar ook deze brieven werden onderschept en geopend.

Sinds de komst van Gouverneur-Generaal Daendels moest de schrijver zelfs in het geheim handeldrijven om in zijn levensonderhoud te voorzien, hoewel dit nauwelijks genoeg opleverde.

Bekijk transcriptie 


  • Een aantal Nederlandse handelaren hadden nog wel krediet bij de Engelsen, omdat ze op tijd betaalden. Dit hield de handel in Elmina (Ghana) nog 20 jaar gaande.
  • Toen kreeg de schrijver te maken met vorderingen (schulden) van Engelse heren, die hij in de loop der tijd moest afbetalen.
  • De gouverneur-generaal Ek werd door de schrijver op de hoogte gebracht van deze schulden aan Engelse vrienden.
  • De gouverneur-generaal Gl. (vermoedelijk een afkorting voor een titel) had enkele schuldeisers in Cabo Cors (Kaapkust) benaderd om hun vorderingen op te kopen, maar die weigerden.
  • De Engelse handelaar Watts (factoor in Cabo Cors) werd door de gouverneur overgehaald om niet direct juridische stappen te ondernemen. Watts was zelfs naar Elmina gekomen om een rechtszaak te beginnen, maar trok dit in na bemiddeling.
  • De gouverneur-generaal Gl. prees het eerlijke en moedige karakter van de Engelse natie, maar had eerder ook dreigende opmerkingen gemaakt over de schrijver, die hem in een slecht daglicht stelden.
  • De gouverneur-generaal Ek had tegen hoge Engelse ambtenaren gezegd dat de vorderingen van de schrijver op het gouvernement nooit betaald zouden worden.
  • De secretaris-generaal Kaltz had de gouverneur in een privébrief geschreven dat officiële berichten uit Engeland aantoonden dat de koning (L. M., Zijne Majesteit) wel gunstig stond tegenover deze vorderingen.
  • De gouverneur had Engelse heren aangeraden hun vorderingen op de schrijver bij hem kenbaar te maken, of ze anders kwijt te raken als ze ze niet wilden verkopen.
  • De gouverneur had zelfs enkele meubels van de schrijver laten kopen (in beslag laten nemen) als onderpand.
Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/