Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Hendrik Verhopertsz Hogheboom gaf toestemming aan de bewindvoerders om geld te betalen en aan hem of zijn vrouw om dat geld in ontvangst te nemen. Hij beloofde alles te zullen nakomen wat hiermee te maken had. Dit gebeurde op
22 maart 1622 in
Amsterdam, in het kantoor van een notaris, met
Johannes Florianus en
Abraham Goos de Jonge als getuigen.
Op
22 februari 1622 verschenen
Cornelis de Srijp (notaris),
Jan Fredriksz (een kleermaker van 36 jaar) en
Ariaantje Ariaans (een 20-jarige dochter) op verzoek van
Jacomijntje Jans. Zij verklaarden onder ede het volgende:
- Andries Claasz, die getrouwd was met Joosje Jans, woonde in Guinea terwijl zijn vrouw bij Jacomijntje Jans inhuis woonde.
- Joosje Jans stierf ongeveer een jaar geleden in Guinea.
- Andries Claasz kwam ongeveer een jaar later (rond carnavalsperiode) terug en hertrouwde.
- Hij nam de meeste spullen mee die zijn overleden vrouw Joosje Jans had nagelaten, behalve zijn eigen geld en brieven.
- De spullen bestonden uit: een kist van eikenhout met sakerdan-houten inleg, alle kleding van linnen en wol, en alles wat daarbij hoorde.
- De getuigen hielpen zelf mee met het dragen van deze spullen naar het huis van Andries Claasz en zijn nieuwe bruid.
De getuigen bevestigden dat zij zeker wisten dat dit waar was.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936992 / 53
Op
18 november 1666 werd in
Amsterdam een overeenkomst opgesteld bij de notaris. De volgende personen waren aanwezig:
Maria de Reijger en
Elias Bruijnen besloten om alle lopende rechtszaken tussen hen te beëindigen. Deze zaken speelden zowel bij de
Hoge Raad van Holland als bij een andere rechtbank in
Amsterdam. Ze wilden verdere proceskosten en ruzie voorkomen.
In de overeenkomst werd afgesproken dat:
- Maria de Reijger alle kleding en sieraden mocht houden die zij bij haar huwelijk had of tijdens het huwelijk had gekregen.
- Zij mocht ook alle meubels en huishoudelijke spullen meenemen die zij in het huwelijk had ingebracht, zoals op een lijst stond.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937001 / 230
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 859215 / 159
Op
5 juni 1616 werd in
Amsterdam een officiële verklaring afgelegd voor de schepenen (rechters)
Cornelis Hogheboom en
Jan Mits. Hierin beloofden
Marten d'Mare,
J.V. Nieuwerhuijsen en
Marten Hagenaer (kooplieden) dat ze een afspraak zouden nakomen, zonder gebruik te maken van uitstel, vermindering van schuld of andere juridische trucs. Als ze dat niet deden, zouden ze gestraft worden volgens de wet.
In deze verklaring ging het om een wisselbrief (een soort betaalopdracht) voor
Jacobus du Bie of een door hem aangewezen persoon. Het bedrag was
190 gulden en 6 stuivers in courant geld (gangbaar betaalmiddel, niet via de bank). De brief was op
21 mei 1666 in
Oostende ondertekend door
Jacobus du Bie en moest binnen drie dagen betaald worden. Het adres op de brief was voor
Monsieur Ariaga Hemorinck in
Amsterdam.
Op
5 juli 1616 (waarschijnlijk een schrijffout en bedoeld als
1666) droeg
Cornelis de Gruijp, op verzoek van
Claude du Hamel (een koopman in
Amsterdam), de wisselbrief over aan
Adriaan Immad Ingelbreght, ook een koopman. De originele brief werd aan hem getoond en was ondertekend door
Jacobus du Bie. De tekst op de brief luidde dat het bedrag aan
Claude du Hamel of een door hem aangewezen persoon betaald moest worden.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937000 / 163
Op 6 juni 1615 verklaarde Pieter Jacobsz Hooijwagh voor een notaris en getuigen dat hij een originele schepenakte (een officiële akte van de schepenbank, een soort rechtbank) in bewaring had. Deze akte moest eigenlijk aan Rogier de Coene worden overhandigd, maar Hooijwagh kon hem niet tussen zijn papieren vinden. Hij vermoedde dat de akte ergens was achtergebleven.
Daarom liet Hooijwagh een officiële kopie van de schepenakte maken bij de secretaris (een ambtenaar) in Amsterdam. Deze kopie zou tijdelijk als vervanging dienen, totdat het origineel weer boven water kwam. Daarnaast voegde hij een notariële akte toe, opgesteld op 14 juni 1615, waarin hij beloofde:
- Het origineel aan Rogier de Coene te geven zodra hij het terugvond.
- Zowel Rogier de Coene als diens schuldeisers te beschermen tegen eventuele claims, kosten (zoals 216.433 – waarschijnlijk een bedrag in pond of gulden) of rente die konden ontstaan door het zoekraken van de originele akte.
De notaris bevestigde dat noch Hooijwagh noch iemand anders verplicht was om geld uit te keren aan een ander dan Rogier de Coene (of diens opvolgers). De schepenakte was immers eerlijk en zonder bedrog overgedragen. De notaris wees elke verantwoordelijkheid voor mogelijke schade, kosten of rente van de hand.
Tijdens deze verklaring was ook de vrouw van Marten Pietersz Broers aanwezig. Zij zei dat haar man niet thuis was, maar dat ze het aan hem zou vertellen als hij terugkwam. Ook beloofde ze het door te geven aan Adriaen Hogheboom, die antwoordde dat hij het voor zijn broer Laurens (wonende in Alkmaar) zou aannemen.
Deze handeling vond plaats in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Johannes de Roek en Abraham Perhoos de Jonghe. De notaris tekende met "Quod attestor" (Latijn voor "dit bevestig ik") en vermeldde een bedrag van 10 gulden en 60 (waarschijnlijk stuivers).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936991 / 226
Cornelis de Verhrijp, een notaris, heeft op
2 oktober 1664 in
Amsterdam een officiële verklaring afgelegd namens
Nakken. Hij heeft bij de belastingkantoren (voor zowel landelijke als stadsbelastingen) een document ingediend, opgemaakt op
5 oktober 1664 door
Cornelis Hogheboom.
In dit document staat dat
Hogheboom aan
Nakken het recht overdraagt op
6 maanden huur die
Hogheboom al dan niet nog zou verdienen bij de belastingdienst. Dit bedrag moet eerst aan
Nakken worden uitbetaald voordat er andere betalingen plaatsvinden.
De Verhrijp waarschuwt namens
Nakken:
Deze verklaring is opgesteld in aanwezigheid van de getuigen
Jacobus Lolom en
Johannes Dankart. Een eerdere zaak uit
1632 (met
D. Sinelaentz en een bedrag van 65 gulden) wordt kort genoemd, maar zonder verdere details.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936999 / 120
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936991 / 217
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936992 / 51
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936991 / 225
In een brief van 26 december 1740 schrijft de afzender over verschillende onderwerpen:
- De afzender vraagt om hulp voor een arme klokkenmaker in Paris die in nood verkeert. Een brief aan een bisschop lijkt voor nu niet gepast, maar kan later nog overwogen worden.
- De afzender vertelt over mevrouw de Princesse d’Auvergne, een vrouw die bewonderd wordt om haar deugden. Voordat zij zich bekeerde, had zij een tweede huwelijk waaruit een zoon (M. de Maizy) en twee dochters voortkwamen. De dochters leven nu teruggetrokken in Frankrijk.
- M. de Maizy diende in het leger en onderscheidde zich in Italië tijdens de laatste oorlog. Op jonge leeftijd bekeerde hij zich en leeft nu een voorbeeldig leven. Een vriend van hem, die in hetzelfde regiment diende, wil echter kartuizer (een streng kloosterleven) worden, ondanks waarschuwingen over de risico’s. M. de Maizy en de afzender hopen dat de ontvanger van de brief deze vriend kan overtuigen van een beter pad.
- De vriend bevindt zich bij Grenoble, en een reis van enkele dagen is nodig om hem te bereiken. Als de ontvanger kan helpen, zou de vriend tijdelijk bij hem kunnen verblijven (in plaats van in een klooster).
- De afzender voelt zich schuldig over een eerdere mislukte poging om iemand (M. Ca.) op het rechte pad te houden, maar hoopt op een betere afloop deze keer.
- M. Dalbert en M. de Maisy hebben het al over deze situatie gehad. Er is geld (25 spaargelden) beschikbaar voor eventuele kosten, dat later terugbetaald zal worden.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5591270 / 66
- Op 21 maart 1636 kwam Harman Jansz Wolff, een voormalig stadsmetser uit Utrecht, voor de notaris. Hij verklaarde dat hij al zijn huisraad en de spullen van zijn overleden vrouw (die bij zijn zoon Lambert Harmansz Wolff stonden) als cadeau had gegeven aan zijn kinderen Lambert, Johan, Gerarda, Peter, Henrick en de kinderen van zijn overleden dochter Gijsbertgen Harmans.
- De kinderen moesten de spullen eerlijk verdelen.
- Als de kinderen van Gijsbertgen en Peter en Henrick later zouden trouwen, mochten ze ook een deel van het huisraad krijgen, maar ze konden niet eisen dat dit gelijkwaardig was aan wat de anderen kregen.
- De akte werd opgesteld in het huis van de notaris, bij de Mariaplaats in Utrecht, met Gerrit Aertsz Devosch en Jan van Nieuwenstadt als getuigen.
- Op 17 mei 1636 kwamen Wessel van den Boetselaer en zijn vrouw Margareta Lambertsdr. (als voogd van hun minderjarige broer Lambert Jan vanden Boetselaer) voor de notaris. Samen met hun zoon Burger en dochter Maria droegen ze hun rechten op de erfenis van hun overleden broer Gerrit Lambertsz over aan Jan Gerritsz en diens vrouw Agneta.
- De akte werd opgesteld in het huis van Jan Guertsz bij de Tollesteegpoort in Utrecht, met Cornelis Cornelisz Smit en Gerrit Claesz als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507189 / 312
In
1660 gaf de
Universiteit van Parijs een oordeel over een conflict in
Houdan, een stad in
Bretagne (nu deel van
Frankrijk).
Monsieur de Montier, hoofd van de
Grassins (een religieuze groep), ontdekte dat de
Jezuïeten ondanks eerdere afspraken (een "bulle") toch actie ondernamen tegen mensen die ze beschuldigden van
Jansenisme (een stroming binnen de kerk die ze als ketterij zagen).
De bisschop van Rennes (hoofd van de kerk in die regio) eiste dat
meneer de Senailles, een priester die zieke mensen verzorgde in een ziekenhuis, een verklaring ("formulaire") ondertekende.
De Senailles wilde dat wel doen, maar met een belangrijke nuance: hij onderscheidde
feiten (wat er echt gebeurd was) van
regels (wat de kerk voorschreef). De bisschop weigerde die nuance en schorste
de Senailles toen hij weigerde zonder meer te tekenen.
Op
16 maart 1660 ging de bisschop naar het ziekenhuis, gesteund door vijf mannen die
de Senailles lastigvielen – hoewel ze eigenlijk geen recht hadden om de priester tegen te houden. Vervolgens werd op
21 maart 1660 (Palmzondag) een klacht ingediend tegen
de Senailles. Deze klacht werd aangeboden aan
meneer de Laubrière, een rechter en vriend van de
Jezuïeten. Hij las de aanklacht hardop voor in het "bureau des pauvres" (een soort armenraad), met veel drama.
Zelfs de
eerste president van het parlement (hoogste rechter), de
gouverneur van Bretagne en weduwen van
Jansenistische aanhangers steunden de actie tegen
de Senailles. Het leek erop dat de priester geen kans maakte.
Op
30 maart 1660 (Dinsdag na Pasen) werd
de Senailles verhoord. Hem werd gevraagd of hij had gezegd dat de moraal van een bepaalde jezuïet (
Pater Kober) was afgewezen door Franse bisschoppen. Of hij schuldig was, werd niet duidelijk. Toch werd hij twee dagen later door de kerkelijke rechtbank verboden om nog dienst te doen of zelfs maar een kerk binnen te gaan.
Vier belangrijke rechters vonden dit onrechtvaardig en adviseerden
de Senailles om in beroep te gaan. Hij kreeg een voorlopige uitspraak die hem beschermde tot zijn zaak behandeld zou worden. Maar de tegenstanders van
de Senailles (en het
Jansenisme) probeerden te voorkomen dat de zaak bij deze rechters terechtkwam. Ze wilden dat de
Grote Kamer (een hogere rechtbank) de zaak in
1660 zou behandelen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5589267 / 134
In 1650 verdedigde Gabriel Costart, een Jezuïet, in de provincie Vlaanderen de leer over voorbestemming en genade tegen nieuwe ideeën van du Montier. Dit gebeurde tijdens een discussie in het Collège de Clermont in Parijs op 29 april. Er was ook een conflict tussen de aartsbisschop van Sens en de Jezuïeten, waarbij verschillende geschriften werden uitgewisseld.
In 1741 schreef Alphonse Le Moine over het begin van de vrome wil, als reactie op een boek van Arnauld over gebed en genade. Ook werden er discussies gevoerd over 22 stellingen die door de inquisitie van Toulouse waren veroordeeld. De Jezuïet Antoine Richard des Champs verdedigde zijn opvattingen in Marseille, waarbij hij de ideeën van de bisschop van Sprens en Avitus van Vienne gebruikte.
Er verschenen verschillende uitgaven van reacties en vertalingen, zoals:
- Een antwoord van een geestelijke uit Leuven op een waarschuwing, in een tweede, verbeterde editie.
- Een vertaling van een gedicht van Prosper van Aquitanië, aangevuld met een brief aan Rufinus en een samenvatting van diens leer over genade.
- Een preek van Le Noir over de zwakheid van de heiligen, gebaseerd op voorbestemming, gehouden op Allerheiligen in Alexandrië.
- Een verdediging door Arnauld van de kerkvaders tegen beschuldigingen van de La Mothe.
In Rome werden verschillende acties ondernomen:
Er verschenen ook:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5588359 / 23
Op 10 juli 1602 besloten de Staten-Generaal om Cornelis Pietersz een octrooi (een soort exclusief recht) te geven voor zijn uitvinding. Hiermee mocht alleen hij zijn uitvinding in de Verenigde Nederlanden maken, laten maken, gebruiken of verkopen. Dit recht gold voor 8 jaar en gold specifiek voor zijn instrument om met weinig moeite en veel precisie havens, rivieren of andere verzande waterlopen uit te diepen, volgens het bijgevoegde patroon.
De Staten-Generaal verboden iedereen – ongeacht wie het was – om zonder toestemming van Cornelis Pietersz zijn uitvinding na te maken of te gebruiken. Wie dit toch deed, verloor de nagemaakte uitvinding en moest een boete betalen van 600 pond (waarvan 40 groten per pond). Deze boete werd verdeeld:
- 1/3 voor de ambtenaar die de overtreding ontdekte,
- 1/3 voor de aanklager,
- 1/3 voor Cornelis Pietersz zelf.
Alle bestuurders, rechters, ambtenaren en inwoners van de Verenigde Provinciën moesten Cornelis Pietersz met rust laten en hem vrij laten genieten van zijn octrooi. Ze mochten hem niet tegenwerken, want de Staten-Generaal vonden dat dit rechtvaardig was. Dit octrooi gold alleen voor nieuwe uitvindingen die nog niet eerder in de Verenigde Nederlanden waren gebruikt en deed niets af aan eerdere vergunningen.
Op 11 juli 1602 besloten de Staten-Generaal ook om Johanna du Montier, de weduwe van de overleden Charles de Cambi (die 22 jaar voor de landen had gewerkt), een soortgelijke bescherming te geven. De details hiervan zijn niet verder uitgewerkt in deze tekst.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11849 / 0302
-
De heren Mestdach, Fockens (in plaats van Boshuijsen, die afwezig was) kregen de opdracht om samen met de heren Meerman, van der Nisse en van der Hoolck te werken aan de belastingheffing (verponding) in Wedde en Westerwoldingerland. Dit volgde uit een besluit van 3 juli.
-
Hans du Montier, trompettist van de koning, kreeg een vergoeding van 16 gulden en 16 stuivers. Dit was voor de kosten die hij had gemaakt toen de trompettist van Don Castel Rodrigo in Den Haag was.
-
Het verzoek van Joris Parmentier, schout van Aardenburg, om benoemd te worden als buitengewoon commissaris over de garnizoenen in Oost-Vlaanderen, werd afgewezen.
-
De vrouw van Dominicus van Coeverden (schout van Maasland, nu gevangen in 's-Hertogenbosch) moest zich wenden tot de Raad van Brabant voor zijn vrijlating.
-
Bij een verzoek namens Guilliam Mestdach (ontvanger van kerkelijke goederen in Oostburg) werden vervangers aangesteld:
-
De zaak van Weduwe Lipperheijden bleef zoals eerder besloten op 30 april: een brief aan de commandant van het garnizoen in Rijnberk steunde haar. De agent Verburgh moest een brief zoeken van de Radens van Gelre en Zutphen (gedateerd 18 januari 1644 in Arnhem), die hierover ging.
-
Er werd besloten om de afgevaardigden bij het leger (inclusief de koning) regelmatig te laten rapporteren over:
- het leger van de Republiek,
- het leger van de vijand,
- andere belangrijke zaken.
-
Roorda vertrok naar Maastricht om met Schrasser en andere afgevaardigden een verzoek en bijbehorende stukken te onderzoeken (volgens besluiten van 7 juli 1645 en 11 april).
-
Cornelia Wittinger (die extra kanonnieren bediende) kreeg voor elkaar dat kanonnieren die actief in het veld dienden, hun soldij uit de legerkosten van dat jaar kregen, zolang het leger in actie was.
-
Er zou de volgende dag gesproken worden met Jaspar van Huls, die een opdracht had van David van Hattum over kanonnieren in het veld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3205 / 0369
Op
19 juni 1655 (op een zaterdag) was er een vergadering onder leiding van
heer Van Wijckel uit
Gent. Ook aanwezig waren de heren
Verbolt,
Ansbergen,
Ripperda tot Buurse,
Capelle tho Rijssel,
Raesfelt,
Huijghens,
Waveren,
Veth,
Stavenisse,
Van der Hoolck,
Vierffen,
Knijff,
Mulert,
Ripperda en
Wolffsen.
Tijdens deze vergadering:
- Werden de besluiten en arresten (vonnissen) van de vorige dag voorgelezen en samengevat. Ook de brieven die hieruit volgden, werden besproken.
- Er werd een verzoek gelezen van Jean du Montier, een trompetter. Hij wilde, samen met Jacob Eus, Joris Vennecoren en Emelchior, hetzelfde salaris krijgen als een cesruijter (een soort soldaat). Na overleg besloten ze dit verzoek door te sturen naar de Raad van State voor advies.
- Er kwam een brief van resident Heins, gedateerd 29 mei 1655 uit Stockholm. Hierop werd geen besluit genomen.
- Er kwam ook een brief van commissaris Pels uit Danzig (Gdańsk), gedateerd 5 juni 1655. Ook hierop werd geen besluit genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 132 / 0266
- Op 21 mei 1617 komt Daniel Lougaet, een vaandrig (vlagdrager) van de compagnie van monsieur Veauval, voor de notaris in Utrecht.
- Hij draagt een schuldovereenkomst over aan Pierre du Montier, een edelman en heer van dezelfde compagnie, en Vitamboe.
- Deze schuld is een bedrag van 3 gulden, inclusief rente, die Guillaume Henry, heer van Razeren, verschuldigd is.
- De originele overeenkomst dateert van 15 juli 1510.
- Pierre du Montier doet afstand van eventuele bezwaren en bevestigt dat hij Daniel Lougaet heeft betaald.
- De akte wordt opgesteld in het huis van de notaris, naast het stadhuis van Utrecht.
- Aanwezig als getuigen zijn:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507123 / 130
In
januari 1686 dienden de heren
Lagnij en
Dodun (voormalige pachters van de tabakshandel) een verzoek in bij
meneer Boreel, toenmalig hoofdbaljuw (hoogste rechterlijke ambtenaar) van
Amsterdam. Ze wilden dat
Pierre le Noir Du Montier, een burger uit
Amsterdam, zou worden gearresteerd en zijn bezittingen in beslag genomen. Volgens
Lagnij en
Dodun had
Du Montier geld verborgen dat van hen was gestolen door de heren
Caze en
Tronchin.
Hiervoor was al een vonnis uitgesproken door het
Châtelet (een rechtbank) in
Parijs op
22 november 1685.
Caze en
Tronchin waren na dit vonnis uit
Frankrijk gevlucht.
Boreel gaf toestemming voor de arrestatie en beslaglegging, die op
6 januari 1686 werd uitgevoerd.
De volgende dag,
7 januari, stond
meneer Chabert, de Franse consul, borg voor
Lagnij en
Dodun. Op
8 januari liet
Anthoine Constant (de zaakwaarnemer van
Lagnij en
Dodun) de volgende documenten zien:
- het contract voor de tabakspacht;
- het vonnis van het Châtelet in Parijs;
- de volmacht van Lagnij en Dodun.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8640 / 0121
Deze tekst bevat twee delen van een notariële akte uit 1874.
In het eerste deel staat een overzicht van schulden en kosten na een overlijden:
- Huur van land over het afgelopen jaar: ƒ 281,21.
- Hoofdelijke belasting (een soort belasting per persoon): ƒ 2,31.
- Geld geleend van J.W.V.B.H.E. Jweelt en G.P.B., de weduwe van Bruggen: ƒ 800, met een rente van ƒ 7,80.
- Kosten voor begrafenis en afhandeling van schulden na overlijden: ƒ 141.
Deze zaken zijn allemaal betaald. De rest van de nalatenschap blijft in handen van de persoon die de inventaris heeft aangevraagd. Deze persoon belooft alles goed te bewaren en later verantwoording af te leggen als dat nodig is. De persoon zweert ook dat er niets is verborgen gehouden of verdonkeremaand van de nalatenschap. De akte wordt ondertekend door de aanvrager, twee getuigen (
Joannes Willem Marie Huijgens en
Petrus Giesken) en de notaris (
Burkens).
In het tweede deel, gedateerd op 13 mei 1874, benoemt Johan George Hendrik Detemeyer (een soort beheerder van het Museum op het Stadhuis in Haarlem) een nieuwe bewindvoerder. Dit doet hij omdat Lena Maria Erdtsieck, die in Haarlem woonde, op 29 april 1874 is overleden. Zij was niet getrouwd en had geen familie. In haar testament (opgemaakt in 1869) had ze haar broer Theodorus Erdtsieck (een schilder) als enige erfgenaam benoemd. Maar er was een voorwaarde: haar nalatenschap moest beheerd worden door Detemeyer, die als bewindvoerder was aangesteld. Hij moest wel meteen een vervanger aanwijzen voor als hij zelf zou overlijden of niet meer in staat was om de taak uit te voeren.
Detemeyer kiest hiervoor Herman Nicolaas Erdtsieck (een ambtenaar van de burgerlijke stand in Rotterdam). De akte wordt ondertekend door Detemeyer, twee getuigen (Joannes Willem Marie Huijgens en Paulus Koppen) en de notaris (Petrus Coenraad Burkens).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 295 / 0022
Op
1 november 1647 werd in
Haarlem een huwelijkscontract opgesteld tussen:
- Pieter Holsteyn, een glazenschrijver en weduwnaar uit Haarlem, als aanstaande bruidegom.
- Jacobije Thijmons, een bejaarde poortersdochter uit Haarlem, als aanstaande bruid. Zij werd bijgestaan door:
De afspraken in het huwelijkscontract waren:
- Beide partijen brachten hun eigen bezittingen in, die in twee apart opgestelde lijsten werden vastgelegd.
- Er zou geen gemeenschap van goederen zijn: hun bezit bleef gescheiden.
- Schulden die één van hen voor het huwelijk had gemaakt, konden niet op de ander verhaald worden.
- Als het huwelijk kinderloos zou eindigen, kreeg ieder zijn/haar eigen ingebrachte bezit terug.
- Als Pieter Holsteyn als eerste zou overlijden zonder kinderen, kreeg Jacobije Thijmons een "kindsdeel" (een deel van de erfenis dat normaal aan een kind zou toekomen).
- Winst of bezit dat tijdens het huwelijk verkregen werd, zou gelijk verdeeld worden.
Het contract werd ondertekend in het huis van
Catharina Willems aan de
Bakenessergracht in
Haarlem, in aanwezigheid van:
Op dezelfde dag bevestigde
Jacob Gysbertsz onder ede, op verzoek van
Catharina Willems, dat zij en haar familie recht hadden op de helft van drie huizen in de
Lakenstraat in
Haarlem. Deze huizen waren oorspronkelijk gebouwd door
Jan Dircxsz Colff (haar overgrootvader) en
Pieter Pietersz.
Catharina Willems had bovendien recht op een vierde deel van de gemeenschap van goederen die zij met haar overleden man,
Hendrick Pietersz Gans, had gehad.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975004 / 267
Op
3 juli 1665 verscheen
Abraham Jansz, wonend in
Amsterdam, voor een notaris en getuigen. Hij was de zoon van
Jan Jansz, die woonde in
Friedrichstadt (in het land
Holstein).
Abraham Jansz verklaarde dat
Jan Pietersz Vinckenrae hem vandaag het bedrag van
100 mark Lübsch had uitbetaald. Dit geld was hem toekomend van zijn vader,
Jan Jansz, via de erfenis van zijn grootmoeder
Barbara Abels. Hij bevestigde dat hij geen verdere claims had op de erfenis van zijn grootmoeder of op de voogden die over hem waakten. Ook deed hij afstand van alle verdere rechten hierop.
Abraham Jansz bedankte
Jan Pietersz Vinckenrae voor de betaling en beloofde dat hij noch zijn erfgenamen in de toekomst nog aanspraak zouden maken op dit bedrag. Dit alles gebeurde onder ede, met inzet van zijn persoon en bezittingen.
De akte werd opgesteld in
Haarlem, in aanwezigheid van de volgende getuigen:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975076 / 365
Op
4 oktober 1792 om 8 uur 's ochtends verscheen
Jacob Holsteyn, een volwassen man uit
Haarlem, voor
Gerrit Kok Junior, een officiële notaris van het
Hof van Holland. Er waren ook getuigen aanwezig.
Jacob Holsteyn maakte bekend dat hij, omdat hij weet dat iedereen ooit sterft maar niet wanneer, zijn laatste wil wilde vastleggen. Hij trok alle eerdere testamenten en andere soortgelijke documenten in. Hij bepaalde dat na zijn dood zijn bezittingen verdeeld zouden worden tussen:
Hij wilde dat dit testament na zijn overlijden volledig geldig zou zijn, ook als niet alle officiële regels waren gevolgd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974676 / 233
Op
4 juni 1694 stuurden de
Staten van Holland vanuit
Den Haag verschillende brieven naar lokale en regionale overheden over zeezaken en scheepvaartkwesties.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11982 / 0162
De West-Indische Compagnie (WIC) kreeg toestemming om geld in te zamelen om schepen en handel te financieren. Dit gebeurde door de verkoop van obligaties (aandelen) met de volgende regels:
- Elke obligatie kostte 500 gulden en leverde jaarlijks 6% rente op.
- Alleen Nederlanders of mensen met dezelfde rechten als Nederlanders mochten obligaties kopen.
- De obligaties konden worden gekocht in Amsterdam, bij kantoren van de WIC, binnen 6 maanden na de bekendmaking door de koning.
- De WIC mocht maximaal 1 miljoen gulden aan obligaties uitgeven, maar dit bedrag kon later worden verhoogd als de Heren XIX (het bestuur) dat nodig vond.
- De obligaties konden niet zomaar worden verkocht aan buitenlanders, vooral niet als dat schadelijk was voor Nederland of de WIC.
- Als een obligatiehouder overleed, gingen de obligaties naar zijn erfgenamen, mits ze Nederlander waren.
- De WIC mocht zelf schepen bouwen, kopen, verkopen en bemannen, en ambtenaren aanstellen zonder tussenkomst van anderen.
- De WIC mocht maximaal 10 schepen per jaar bewapenen, tenzij de Staten-Generaal (het hoogste bestuur) meer toestond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4324 / 0051
Op 17 juni 1901 ging Jan Eugene Adoephe Emile Wijnans, notaris in Gulpen (regio Maastricht), naar zijn kantoor om een verkoopakte op te stellen. Daar waren aanwezig:
Cornelis Lemlijn verkocht een stuk weiland genaamd Op Vroelen aan Jan Theodor Cryns. Het perceel was:
- Groot: 24 aren en 90 centiaren (ongeveer 2490 m²).
- Gelegen in Voorbeek, bekend in het kadaster als sectie A, nummer 1420.
- Volgens beide partijen: zonder schulden of hypotheken.
De verkoopprijs was 484 gulden. Cornelis Lemlijn bevestigde dat hij dit bedrag al van Jan Theodor Cryns had ontvangen voor het opstellen van de akte. De verkoop had twee belangrijke voorwaarden:
- Het land werd verkocht "zoals het is": inclusief alle rechten, plichten, zichtbare/onzichtbare gebreken en zonder garantie.
- De koper (Cryns) mocht het land meteen gebruiken en was vanaf die dag verantwoordelijk voor eventuele belastingen of kosten.
Na voorlezing tekenden alle aanwezigen (de verkoper, koper, getuigen en notaris) de akte. De notaris noteerde ook de betaling van 9,80 gulden voor zijn diensten, ontvangen van Nicolas Habets (een van de getuigen).
Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9199 / 0220
Vorige paginaVolgende pagina