Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op
14 april 1658 bevestigde
Abrakam aan de
Hoogmogende Heren dat in
Bilbao de verkoop van goederen goed georganiseerd was en dat de regels van de resolutie van
9 januari van dat jaar strikt werden nageleefd.
Op
6 juni 1673 schreven de
Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in
Rotterdam aan de
Hoogmogende Heren over de levering van graan en levensmiddelen voor de inwoners van
Waelwijck. Op
5 mei 1673 was besloten dat
Adriaen Wouters Couwenburgh, de weduwe van
Jacob Molegraeff, en
Adriaen van Grevenbroeck Backer graan mochten importeren voor de inwoners. Op
30 mei 1673 kregen ook
Bastiaen Sijmonssen de Gester, een schipper uit
Waelwijck, toestemming om elke drie weken een halve last tarwe, een last bagge, een halve last gerst, een kwart last haver, een zak hout en andere levensmiddelen te halen. Ze vroegen of de hoeveelheid en soort levensmiddelen die nodig waren voor
Waelwijck duidelijker moesten worden gespecificeerd en of er bewijs moest worden geleverd dat eerdere leveringen waren verdeeld en geconsumeerd, om misbruik te voorkomen.
Op
13 juni 1673 schreef
Michiel de Ruyter vanaf het schip
De Zeven Provinciën bij
Schooneveld aan de
Hoogmogende Heren over een zeeslag. Op
12 juni 1673 rond
10 uur waren ze de vijand tegengekomen. De vijand leek eerst te willen wachten, maar trok zich terug toen
De Ruyter naderde. Rond
17 uur kwam het tot een gevecht dat duurde tot na zonsondergang. De volgende ochtend zagen ze dat de vijandelijke vloot beschadigd was.
De Ruyter wilde de
Grijchsraad bijeenroepen voor meer informatie. Hij vroeg om extra buskruit, scherp, touw, kardoespapier, naalden en garen, omdat veel schepen beschadigd waren. Ook vroeg hij om kippenlood, omdat hij dacht dat de vijand zich naar de
Theems in
Londen had teruggetrokken. Hij stelde voor om bij
Schooneveld voor anker te gaan tot er nieuwe orders kwamen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11145 / 1021
Op verzoek van
Vrouwe van Asherihan, gesteund door
Heer Ripperda, stemden
Hun Hoog Mogenden ermee in dat zij zonder belasting vier paarden naar
Brussel mocht vervoeren. Deze paarden zou ze ontvangen volgens de regels van het land op de kantoorposten van
Gorcum of
Bommel.
Er werd een verzoek gelezen van
Heer van Batenburch namens
Dirck Lessel. Deze had een conflict met de heren
Arnhem en
Schonenborch, de gecommitteerden van
Hun Hoog Mogenden in
Maastricht.
Lessel vroeg om soldaten om zijn onderdanen in
Steijn te dwingen gehoor te geven. Hij wilde eerst een reactie van
Hun Hoog Mogenden aan
Arnhem en
Schonenborch voordat zij actie ondernamen. Na overleg kregen
Lessel en zijn raad de kans om zich te verdedigen, en werd zijn verzoek ingewilligd.
Op verzoek van
Dideric van Grevenbroeck mocht deze na overleg een peer inkoop en uitvoeren naar
Mierlo in de meierij van
’s-Hertogenbosch, mits betaling van de belasting.
Het verzoek van
Arien en
Cornelis Lampsius voor betaling van 4825 gulden of een schuldbekentenis werd aangehouden tot de provincies zouden hebben gereageerd.
Jacob de Maeckere, dijkgraaf en penningmeester van de
Baemstpolder bij
Cadsant in
Vlaanderen (onder
Nieuwvliet), en mede-eigenaar van de
Versche Polder, diende een verzoek in. Hij klaagde over
Johan van der Lingen, ontvanger, die een octrooi had verkregen voor de
Baemstpolder en
Vier Gemeten in de
Versche Polder.
Van der Lingen had deze gronden als zijn eigen bezit behandeld, hoewel
De Maeckere en zijn voorgangers al lang eigenaar waren. Er was een rechtszaak gaande, en
Van der Lingen was al veroordeeld door de schepenen van
Vrije en de Raad van
Vlaanderen in
Middelburg. Omdat
Van der Lingen in beroep was gegaan, was de zaak nog niet afgerond.
De Maeckere vreesde een langdurig proces en dat
Van der Lingen intussen de oogst zou stelen. Hij vroeg om een bevel om
Van der Lingen te dwingen zijn beroep binnen 40 dagen in te dienen en de oogst in beslag te nemen tot een beslissing. Na overleg werd besloten dat
Van der Lingen 40 dagen de tijd kreeg om te reageren.
Volgens een eerdere beslissing van
Hun Hoog Mogenden van
6 november 1638 werd het verzoek van
Louis de Geer, koopman in
Amsterdam, voor betaling van 9180 gulden voor ijzeren kanonnen op twee nieuwe roeifregatten goedgekeurd. Het bedrag zou worden betaald uit de tekorten van de provincie
Utrecht en
Stad en Lande in de rekening van
1637 en
1638 voor zeezaken. Wel moesten
Utrecht en
Stad en Lande eerst afrekenen met de
Admiraliteit in Zeeland over de kosten van uitrusting in
1637 en
1638. Binnen twee maanden moesten zij dit regelen.
Het verzoek van
Steenbergen werd aangehouden.
Er werd een brief ontvangen van
Heer van Oosterwijck uit
Parijs van
4 december, maar hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 72 / 0237
De overheid regelde dat de bagage, paarden en voertuigen van
Zijne Majesteit en zijn gevolg, samen met voorraden en andere benodigdheden, vrij van belasting door de Nederlandse landen mochten reizen naar
Engeland. Ook het
Collegie ter Admiraliteit op de Maas kreeg de opdracht om ervoor te zorgen dat deze goederen zonder kosten ingescheept konden worden.
Er werden twee brieven ontvangen van
Consul Hudson, gedateerd
38 augustus en
10 september 1735, uit
Tunis. Hierin stond dat Franse fregatten en galeien schepen van andere naties aanhielden en eisten dat alle personen en goederen die bij
Tunis hoorden, werden vrijgelaten. De
Deij (heerser) van
Tunis had de consuls van andere landen hierover geïnformeerd en was verbaasd over deze acties. Hij beval om hierover bericht te sturen naar hun leiders. Ook werd melding gemaakt van de activiteiten van
Kapitein van Reede, die in
Tunis was geweest en weer vertrokken. De
Gedeputeerden van Holland en West-Friesland namen kopieën van deze brieven om ze verder te verspreiden.
Antonij van Grevenbroeck, drost van de helft van de heerlijkheid
Oirschot, diende een verzoek in. Hij vertelde dat
Antonij Andries Schepens op
10 februari 1735 Jan de Marck, de vorige drost van
Oirschot, had vermoord.
Schepens was hiervoor bij verstek veroordeeld, maar later gearresteerd. Hij was ’s nachts gewelddadig uit zijn cel bevrijd.
Van Grevenbroeck vroeg om de zaak over te dragen aan de rechtbank van de
Raad en Leenhof van Brabant en alle stukken aan de
fiscaal en procureur-generaal van Brabant te geven. De zaak werd doorgestuurd naar de
Gemeenteraad van Brabant voor verdere afhandeling.
Louis Joseph Le Sage, een 22-jarige koopmanszoon uit
Rijsel, vroeg toestemming om te trouwen met
Marie Françoise Le Brun, een 26-jarige vrouw uit
Rijsel. Zijn ouders weigerden toestemming, dus wilde hij met haar naar
Holland gaan om daar te trouwen. Hij had zich aangesloten bij het regiment van
Kolonel Soute, onder bevel van
Majoor van Puthamer, om bescherming te krijgen. Zijn verzoek werd afgewezen.
Andries Gesteling, voormalig schepen van
Philippine, diende een verzoek in in verband met het overlijden van
Abraham de Kraeker, die tijdens zijn leven schepen was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2442 / 0076
Op
9 maart 1700 in
s'Hertogenbosch werd
Hageman getekend als ondertekening dat een attest voor
Dijckschi despolders, gelegen onder
den Groenendijck, was goedgekeurd. Daarnaast waren er resoluties van de Gecommitteerden van
den Groenendijck van
3 mei 1663,
26 augustus 1694,
28 december 1697 en
25 juni 1699 toegevoegd, alle betrekking hebbend op
den Groenendijck.
Op
21 april 1700 ontving
Ontfanger Lintworm een brief van
Weduwe Werckhoven uit
s' Gravenhage, gedateerd
12 april 1700. Hierin maakte zij bekend dat haar zoon
Willem Werckhoven zijn studies had stopgezet. Hij had een beurs van 100 gulden per jaar ontvangen volgens een resolutie van
22 december 1687.
Ontfanger Lintworm meldde dat deze beurs nu vacant was en ter beschikking stond van de autoriteiten.
Op
28 april 1700 meldde
Ontfanger Lintworm dat de beurs van
Gerardie Loenius, ook van 100 gulden per jaar, vacant was gekomen. Hij bracht dit onder de aandacht van de autoriteiten.
Op
23 april 1700 berichtte
Ontfanger Lintworm over een verzoek van
Weduwe Henrick van Winteroij. Volgens een resolutie van
29 april 1700 betrof dit een beneficie dat op
25 november 1681 door
vrouwe Barbera van Scherpenseel, weduwe van
Erasmus van Grevenbroeck, heer van
Mierlo, was toegekend aan haar oudste zoon
Henrick van Winteroij. Deze toekenning was bevestigd op
8 mei 1682.
Henrick van Winteroij had het beneficie genoten tot en met 1696.
De betalingen voor de jaren 1686, 1687 en 1688 waren echter geweigerd door de heeren van de Generale Rekenkamer. Zij beriepen zich op een resolutie van
13 december 1685 en een andere van
13 november 1694, die stelden dat de inkomsten van beneficies geaffecteerd bleven voor de Gereformeerde godsdienst zolang niet bewezen was dat de stichting leek (niet-geestelijk) was.
Henrick van Winteroij had zich hiertegen verzet bij de Raad van State.
De Raad van State had op
29 augustus 1696 geoordeeld dat de collatie (toekenning) geldig was, omdat alle titels en rechten in 1649 waren overgedragen aan de autoriteiten. De betalingen waren goedgekeurd volgens een resolutie van
19 september 1693, die stelde dat een studebeurs behouden bleef tot de leeftijd van 25 jaar, tenzij de begunstigde eerder een baan kreeg.
Op
6 september 1697 had de Raad van State besloten dat
Henrick van Winteroij een verklaring moest overleggen, onder ede, dat de originele stichtingsbrieven verloren waren gegaan en dat hij geen authentieke kopie had. Deze verklaring was ondertekend en verzegeld door de collatrice (toekennende instantie) en ingediend op
4 december 1697.
Ontfanger Lintworm had hierover bericht op
23 december 1697.
De collatrice had later bevestigd dat de stichtingsbrieven verloren waren gegaan tijdens de vlucht naar
Brussel in een eerdere oorlog. Zij had ook verklaard dat het recht op het beneficie was overgedragen van haar overleden man op haar en haar kinderen. De stichtingsbrieven zouden in het begin van de Reformatie zijn overhandigd aan de autoriteiten, en de opeenvolgende toekenningen waren bevestigd.
Op
28 april 1699 had de Raad van State besloten dat
Henrick van Winteroij het beneficie mocht behouden tot en met 1696. Omdat
Willem van Anteroij in militaire dienst was getreden, had de collatrice het beneficie opnieuw toegekend aan haar kleinzoon
Johan van Winteroij voor een periode van 8 jaar, volgens een acte van
12 januari 1700. Zij zocht hiervoor goedkeuring van de autoriteiten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11221 / 0412
In het testament van de overledene, bevestigd bij haar dood, werden de volgende erfgenamen benoemd:
In het testament stond een voorbehoud: de overledene voegde later handgeschreven extra legaten toe, die onder de schulden van de boedel vielen.
In de boedel werden de volgende bezittingen gevonden:
- Een handgeschreven obligatie van 21 december 1708 met een kapitaal van 5460 gulden, afkomstig van Daniel de Vos, tegen 3,5% rente per jaar. Het kapitaal werd later verhoogd:
- op 31 mei 1709 met 300 gulden,
- op 31 mei 1710 met 300 gulden,
- op 31 december 1711 met 600 gulden,
- op 31 december 1714 met 450 gulden,
- op 31 december 1717 met 1550 gulden,
- op 31 december 1718 met 1200 gulden,
- op 15 juni 1725 met 2200 gulden.
Het totale kapitaal bedroeg uiteindelijk 12000 gulden. De aflossing hoefde pas twee jaar van tevoren te gebeuren. Daarnaast was er een jaar rente van 420 gulden verschuldigd op 31 december 1725.
- Een handgeschreven obligatie van Daniel Nietringh van 12 december 172_ met een kapitaal van 4000 gulden tegen 3,5% rente. Op 23 december 1723 werd dit verhoogd met 900 gulden door Aaltje van Grevenbroek, weduwe en erfgenaam van Daniel Nietringh. Het totale kapitaal bedroeg 4900 gulden. Er was geen bewijs van betaalde rente.
- Een handgeschreven obligatie van 200 gulden van Matthijs Haamer, timmerman, tegen 4% rente per jaar, gedateerd 6 maart 1724. De rente was betaald tot maart 1726.
- Een aandeel ter waarde van 175 gulden in een kussenraam, bewerkt door Assuerus Benus Coster van de bakkerskerk. Hiervoor werd jaarlijks 75 gulden betaald.
- Een handgeschreven obligatie van 100 gulden van Dina de Roij en Catarina Bogaard, gedateerd 14 juni 1726, tegen 4% rente.
- Een schepenenschuldbrief van 1 december 1717 met een kapitaal van 250 gulden van Sijtje Ericks, weduwe en erfgenaam van Abraham Noset, tegen 4% rente. De schuld was gedekt door haar huis met erf in de Gierstraat. De rente was betaald tot mei 1725.
- Een 20-jarige rente van 90 gulden per jaar van het Gemeeneland van Holland en West-Friesland, op naam van Geertruijd van Grevenbroek, gedateerd 6 maart 1711 en geregistreerd op 20 mei 1711. Hiervan waren al 15 jaar betaald.
- Contant geld: 94 gulden en 5 stuivers in verschillende munten.
- Juwelen en zilverwerk: twee gouden ringen met diamanten en twee zilveren zoutvaten.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 445
De partijen komen een afspraak over:
- Als Magdaleen binnen 6 jaar overlijdt, stopt de huur of het gebruik van de vastgoederen in mei van het volgende jaar.
- De andere partijen betalen jaarlijks 100 gulden aan hun moeder voor het gebruik van de vastgoederen gedurende die 6 jaar.
- Zij betalen ook alle schulden van Magdaleen aan de burgemeesters van Verloon en andere particulieren.
- Zij betalen ook alle belastingen en lasten van de vastgoederen gedurende de huurperiode.
De partijen beloven deze afspraken na te komen zonder ertegen in te gaan.
De akte is opgesteld op
13 mei 1712 in
Verloon in aanwezigheid van getuigen en de notaris
Botermans.
Huijbert,
Bernart en
Paulus (zoons van
Johan vanden Sande) maken een testament.
- Zij willen hun zielen in Gods genade achterlaten en hun lichamen christelijk begraven.
- De eerststervende laat al zijn bezittingen na aan de langstlevende.
- De langstlevende wordt volledig eigenaar van deze bezittingen.
- Als de langstlevende ook overlijdt, gaan de bezittingen naar de laatste overlevende.
De akte is opgesteld op
1712 door notaris
Cloostermans.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 196
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 124
10 juni 1577
12 juni 1577
- Kapitein Elias de Lion krijgt ontslag als kapitein van de haakbusiers te paard onder de hertog van Arschot. De heren de Bruys en Bestren worden aangewezen om de afrekening met hem te doen en de voorwaarden te bespreken.
- Er wordt besloten dat één compagnie van de Beersels in Maastricht mag blijven, maar zonder de rang van kolonel.
- De markies van Havré, generaal van de cavalerie, neemt ontslag en draagt zijn taak over aan de Staten-Generaal. De Staten-Generaal bedanken hem voor zijn trouwe dienst aan de koning en het vaderland.
11 juni 1577
De Staten-Generaal worden ontboden om
Zijne Alteze te horen, die naar
Mechelen vertrekt om te onderhandelen met de kolonels van de Hoogduitse troepen. Hij stelt vier punten voor:
- Hij vertrekt op verzoek van de Staten-Generaal om in Mechelen te onderhandelen met de kolonels en hoopt snel resultaat te boeken.
- De Staten-Generaal moeten intussen geld zoeken om de Hoogduitse troepen af te kopen.
- Het is nodig om de rest van de ruiters (gendarmerie) te ontbinden, omdat er dagelijks klachten zijn over hun wanordelijk gedrag en de schade die ze aanrichten bij de burgerbevolking.
- Hij beveelt aan om Amsterdam te steunen, omdat de stad lijdt door haar standvastigheid in het katholieke geloof en gehoorzaamheid aan de koning.
De Staten-Generaal antwoorden via de griffier:
- Ze bedanken Zijne Alteze voor zijn inzet voor het vaderland.
- Ze zullen zich blijven gedragen als goede en trouwe onderdanen van de koning, vooral wat betreft gehoorzaamheid aan de koning en het katholieke geloof.
- Zodra er bericht is over Amsterdam, zullen ze doen wat goede en trouwe onderdanen betaamt.
- Ze hebben besloten om alle ruiters te ontbinden, behalve de twee regimenten van de hertog van Arschot en de heer de Champagnie, totdat de Duitsers de Nederlanden hebben verlaten.
- Ze zullen niets belangrijks doen zonder eerst Zijne Alteze te raadplegen, om goede afstemming te behouden.
- Ze vragen Zijne Alteze om na de onderhandelingen met de Hoogduitse kolonels terug te keren.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3097 / 0051
Op
14 juni 1690 stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Dirck Grevenbroeck, weduwe van
Jan Dircksz Driessen uit
Nijmegen, naar het
Collegie ter Admiraliteit op de Maas. Ze vroegen om hierop te beslissen.
Op dezelfde dag stuurden de
Staten ook een kopie van een brief van de
drost en
Gedeputeerde Staten van het Landschap Drenthe over
Lt. Kimmel naar de
resident Hulst.
Daarnaast ontvingen de
Staten een kopie van een brief van
Simon Gausen, koopman en burger van
Rotterdam, met de opdracht om ervoor te zorgen dat de eiser in de zaak uit het eerder genoemde verzoek, voor zover deze gegrund was, zonder klacht zou worden gesteld.
Op
15 juni 1690 stuurden de
Staten een kopie van een verzoek betreffende het schip
Het Schaep naar het
Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam.
De
Staten lieten weten dat ze een jacht klaar maakten voor
heere Schoonenberg.
Ook stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Fisca Dias da Fonseca, weduwe van
Neijlen Hamuel Dias da Fonseca, en
Davis Franco Vraho, moeder en zwager van
Abraham Dias da Fonseca, geboren in
Amsterdam. Ze wilden dat
Abraham Dias da Fonseca vrijgelaten zou worden.
De
Staten lieten weten wat ze hadden besloten over de publicaties van de keizerlijke en rijksadvocaten in
Hamburg en de reactie van
Abt Ridal, resident namens de koning van
Frankrijk.
Daarnaast stuurden de
Staten een kopie van een verzoek van
Nicolaes Arnolt de Malte en vroegen om advies.
De
Staten lieten ook weten wat ze hadden besloten over het intrekken van het mandaat van
Johan de Lange en
Johan de Raken.
De
admodiateur Nieupoort liet de
Staten weten dat op
29 mei 1690 (oude stijl) bedienden van de admodiatie een schuit met Franse wijnen, in strijd met de plakkaten, in beslag hadden genomen. De bedienden wilden deze zaak voor de
Admiraliteit in Friesland brengen, maar werden tegengehouden door de
Gedeputeerde Staten van Groningen. Deze hadden aan de huurster van het stads wijnhuis in
Groningen toestemming gegeven om 18 vaten wijn onder voorwaarden mee te nemen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11978 / 0188
De oorspronkelijke opstellers van de fondsen zijn bekend.
- Johan Abberste ontvangt het inkomen van Adriaen van Maenden in de vorm van 10 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- Arnoldus Moonen ontvangt het inkomen van Anna Potteij in de vorm van 27 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Bartholomeus Grauwels ontvangt het inkomen van Barbara van Grevenbroeck in de vorm van 20 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Bartholomeus Granneis ontvangt het inkomen van Jor. Becx uit Helmont in de vorm van 16 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Jan Sone Gerwijn Govers ontving het inkomen van Catharina Heeren in de vorm van 20 gulden, volgens een besluit van 22 mei en 8 augustus 1662.
- Het inkomen van Willem van Boucksolt in de vorm van 175 gulden is vergeven, maar het is onduidelijk aan wie.
- David Baij ontvangt 40 gulden, volgens een besluit van 8 juli 1682.
- Bartholomeus Granwals ontvangt 50 gulden, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Jacobus Cotterus ontvangt 120 gulden, volgens een besluit van 2 februari 1661.
- Cornelis vanden Dijck staat voor 980 gulden onder Adriaen en Cornelis vanden Dijck.
- Dirck de Ruijter ontvangt het inkomen van Cornelis van Poppels in de vorm van 42 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 22 mei.
- Het inkomen van Cornelis Aerts van Eersel bedroeg oorspronkelijk 174 gulden, maar is door slecht beheer van Pieter de Louw aanzienlijk verminderd.
- N. Ringelants ontvangt hieruit 30 gulden, volgens een besluit van de autoriteiten van onbekende datum.
- Gerrit Harweijer ontving eerder een bedrag, nu ontvangt N. Ringslants 65 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- De zoon van Jacob Beecke ontvangt het inkomen van Dirck Peelmans in de vorm van 13 gulden.
- Jan Franscsen van Boxtel ontvangt het inkomen van Erbert vanden Bichlaer in de vorm van 36 gulden, volgens een akte van 1 oktober.
- Robbert Gordon ontvangt 36 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- De zoon van Musiel Filliher ontvangt het inkomen van Ellebena Strick in de vorm van 50 gulden, volgens een besluit van onbekende datum.
- Gerardies Egborti ontvangt het inkomen van Frans vander Weijden in de vorm van 30 gulden, volgens een besluit van 25 januari.
- Hendrick Greve ontvangt het inkomen van Frans Beijsaurts in de vorm van 62 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 31 december 1669.
- Peter van Davervelt ontvangt het inkomen van Jansciscus Sominus in de vorm van 33 gulden, maar de huidige status is onbekend.
- De Gemertse Boursen bedragen 580 gulden, maar er mag geen verdere betaling worden geëist.
- De stichting van Gerardus Westechoven is tot nu toe niet bekend.
- Gerardus Janssemies ontving een bedrag.
- Het inkomen van Gerardus Naets bedroeg oorspronkelijk 28 gulden en 10 stuivers, maar nu wordt er nog maar 19 gulden en 1 stuiver ontvangen.
- Dirck de Ruijter ontvangt hieruit 1 gulden, volgens een besluit van 22 mei.
- Gerardus Egberti ontvangt 1 gulden, volgens een besluit van 25 januari.
- Nicolaes Lamberts ontvangt 17 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 19 augustus 1656.
- Het inkomen van Gerrit Creijt uit Sodrancht bedroeg 15 gulden, maar is bestemd als subsidie voor het seminarie om een groter bedrag te kunnen betalen.
- Goijaert van Engelandt is in het gasthuis van 's-Hertogenbosch.
- Het inkomen van Gijlbertus Coevarincx in de vorm van 70 gulden wordt door vrienden ontvangen.
- Arnoldus Moonen ontvangt 45 gulden uit het inkomen van Godefridus de Cobbeijck in de vorm van 50 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Het inkomen van Gerrit Thiel Alens in de vorm van 38 gulden en 10 stuivers wordt als leeg beschouwd.
- Robbert Gordon ontvangt 30 gulden uit het inkomen van Hendrick van Broeckhoven in de vorm van 60 gulden, volgens een besluit van 25 januari 1658.
- Jan Sone Gerwijn Govers is opnieuw vergeven, maar het is onduidelijk aan wie, in de vorm van 30 gulden.
- Bartholomeus Grauwels ontvangt het inkomen van Hendrick Verbeeck in de vorm van 22 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 13 juli 1666.
- Andreas Immens ontvangt het inkomen van Hendrick Verbeeck in de vorm van 43 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van 4 augustus 1664.
- Gerardies Egberti ontvangt 1 gulden, volgens een besluit van Amiel van Winteroij.
- Gerardies Egberti ontvangt 43 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van onbekende datum.
- Gerardies Egberti ontvangt 679 gulden en 15 stuivers uit het inkomen van Hendrick vander Waijden in de vorm van 61 gulden en 10 stuivers, volgens een besluit van onbekende datum.
- Het inkomen van Hendrick Buck in de vorm van 450 gulden is door Pieter de Louw, als rentmeester van deze stichting, aanzienlijk verminderd tot 9881 gulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11147 / 0986
Op
10 mei 1687 schrijft men vanuit
Malacca over de situatie op het kruisende vaarwater. Men vraagt om een
Chiampan (een klein schip) van 150 tot 200 lasten, omdat de kosten voor de huidige missie al ƒ 3216, 2 en 5 bedragen. Men overweegt een nieuwe missie als de Deense kleding in
Riouw aankomt. Chinese zijde en kleding worden daar goed verkocht tegen 13 tot 14 per picul.
Anthonij Matthijsz. Mars, de commandant, moet het kruisende vaarwater goed in de gaten houden. Hij krijgt een adjunct om alles bij te houden. Twee onbekwame stuurlieden,
Jan Vermeij en
Willem Iansz. van Rotterdam, zijn al geschorst of opgestuurd.
Men vraagt opnieuw om een
Chiampan van 20 tot 24 lasten voor de rivier en om de wacht te versterken. Voor de werkzaamheden van de
VOC zijn ongeveer 90 tot 55 slaven ingehuurd tegen een dagloon van 8 stuivers. Voor de verdediging zijn 50 blanke soldaten,
Nicolaes Christiaensz. en
Frederick van Grevenbroeck nuttig gebleken. Het garnizoen is nu 228 man sterk, maar men vraagt om meer soldaten en matrozen. Een chaloep moet onbemand blijven.
De handel in
Siac (Siak) is nog niet winstgevend. Ondanks waarschuwingen aan
VOC-medewerkers, blijkt uit de boeken van de fiscale
Naerssen dat anderen ook meedoen aan de handel. De winst op de laatste Siac-boeken bedraagt ƒ 4735, 4, maar door slijtage van schepen en onbetaalde lonen valt dit tegen.
Men probeert goede relaties te onderhouden met de onderdanen van
Johor, met name
Dato Paduka Radja, door wat rechten van de
VOC op te geven om klachten te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1438 / 0361
De testateur (de persoon die het testament opstelt) bepaalt wat er met zijn bezittingen moet gebeuren als hij zonder kinderen komt te overlijden of als zijn minderjarige zoontje (van zijn moeders kant) ongetrouwd sterft. In dat geval wil hij dat zijn bezittingen als volgt worden verdeeld:
Als de testateur kinderen nalaat of als zijn zoontje ongetrouwd en minderjarig sterft, benoemt hij de volgende personen als zijn erfgenamen. Zij erven in gelijke delen alle bezittingen (zowel roerend als onroerend, nu en in de toekomst), behalve de bezittingen die hij al aan anderen heeft nagelaten:
De testateur behoudt het recht om zijn testament op elk moment te wijzigen, helemaal of gedeeltelijk, en om legaten (geldbedragen) toe te voegen, te vermeerderen of te verminderen. Dit kan hij doen met zijn handtekening of in aanwezigheid van twee getuigen (man of vrouw).
Hij benoemt
Johan Vermeulen, secretaris van de weeskamer van
Amsterdam, en
Johannes le Maire als executeurs (uitvoerders) van zijn testament en als voogden over zijn minderjarige zoontje of andere minderjarige erfgenamen en legatarissen. Als een of beide executeurs of voogden overlijden of niet in staat zijn hun taak uit te voeren, worden
Abraham Hasius en
Johan Dingemans als vervangers benoemd. Zij krijgen dezelfde bevoegdheden.
De testateur sluit de weeskamer van
Amsterdam (of de weeskamer waar zijn sterfhuis valt) uit van de afhandeling van zijn nalatenschap. Hij vraagt om gebruik te mogen maken van de voordelen die daarbij horen.
Het testament is opgesteld in
Haarlem, in het huis van de notaris, in aanwezigheid van
Wouter Bijnens. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is en dat alles volgens zijn wensen moet worden uitgevoerd, ook als niet alle formele vereisten zijn nageleefd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842847 / 239
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975029 / 191
Op 10 april 1702 in Tilburg gaf Arnold van Loon, notaris, een akte op. Hierin stond dat Aert Janssen van Grevenbroeck, voormalig burgemeester van Inden Hout, een bedrag van 150 gulden per jaar afstond aan Wilhelmus Sijnen, een theologiestudent uit Loveren. Dit bedrag moest betaald worden uit de goederen van Aert Janssen van Grevenbroeck in Oisterwijk, op een plek genaamd Den Hout. Als Wilhelmus Sijnen priester werd en niet in staat was om het bedrag zelf te ontvangen, mochten anderen het voor hem innemen. Aert Janssen van Grevenbroeck verbond zich en al zijn goederen hiervoor. Adriaen Huijbert Wigger en Adriaen Aert Hamers, voormalige burgemeesters van Inden Hout en buren van Aert Janssen van Grevenbroeck, bevestigden dat ze hem en zijn goederen kenden en dat zijn jaarlijkse inkomen ongeveer 150 gulden bedroeg. Getuigen waren Peeten van Spaendonck en Cornelis Peters van Eeten, beide inwoners van Tilburg.
Op 5 april 1702 in Tilburg stelde Cornelia Jungeert, weduwe van Cornelis Adriaen Olincx, met hulp van Laurens Denijs Pieters als voogd, Jacob Lips, schoolmeester in Gilze, aan als volmacht. Jacob Lips mocht namens Cornelia Jungeert een stuk land van 5 lopense (ongeveer) in Gilze, in de Baronie van Breda, op een plek genaamd Het Reck, verkopen voor 23 gulden. Het land lag tussen de erven van Oost den Doorenbos, Uit den Claessen, De Wede Peeteren en de kinderen van Jacob Cornelis Baster. Jacob Lips mocht alle benodigde documenten laten opmaken volgens de gewoonten van de secretarie en vestkamer van Breda.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 120
Rijnier Hendrick houwen krijgt verschillende stukken land in bezit:
- Een deel van een akker (ongeveer 3 hond) bij Oosterwijk tot Aldenhout, genaamd "den bent", grenst aan:
Hiervoor moet jaarlijks 5 stuivers aan de heer van Loon betaald worden.
- Een vierde deel van een akker (ongeveer 5-6 hond) bij Tilburg in de oostelijke heikant bij de Houtse Straat, grenst aan:
- Een stuk heide (ongeveer 2 hond) bij Ven Zoon bij de Molenstraat, grenst aan:
- Een stuk heide (ongeveer 1 hond) grenst aan:
- Enkele weiden (ongeveer 3 hond) grenst aan Joost van Versel. Hiervoor moet jaarlijks 5 stuivers Rijns aan de heer van Loon betaald worden.
De deelnemers aan de verdeling beloven:
- Geen schade aan te richten aan elkaars land.
- Als er onverwachte kosten of schade zijn, deze gelijk (in 7 gelijke delen) te dragen of elkaars deel op te kopen.
- Elkaar toegang te verlenen tot elkaars land voor onderhoud, zoals het onderhouden van een paal bij de Houtse Straat op eigen kosten.
- Bij metingen de wallen op de sloephoofden mee te meten.
- De middellijn (dwarskant) gemeenschappelijk te gebruiken.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 200
Op
18 oktober 1553 verschenen voor notaris
Johannes de Roij in
’s-Hertogenbosch verschillende personen, waaronder:
Zij bevestigden een jaarlijkse erfelijke rente van 75 gulden ten laste van de
Staten van Brabant in het kwartier van
Antwerpen, geregistreerd in de boeken van de
Rekenkamer. De rente was al 40 jaar bekend en bevestigd door eed in
Goirle en
Tilburg.
Op
10 november en
10 mei werden verdere bevestigingen gegeven, verzegeld met het zegel van de
Staten van Brabant.
Op
5 mei 1571 werd de rente wettelijk overgedragen aan
Guilliam van Tampen. De betrokkenen verklaren af te zien van alle rechten op de rente en leveren een authentieke kopie van het protocol over.
Op
5 april 1654 in
Tilburg bevestigden
Ambrosius Verbraken en anderen onder getuigenis van
Adriaan de Weer (notaris) en
Peter Colen de overdracht. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris
Johannes de Roij.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069100 / 35
Op 1 december 1741 werd een akte opgesteld voor Peter Zeijlmans (schout), Jacobus Zeijlmans en Michiel Janssen (schepenen). Hierin stond dat Adriaen Schippers een stuk land, bestaande uit een geer (een stuk land) en een derde deel van een geer, gemeenschappelijk met anderen, moest afstaan aan Jan Cornschippers. Dit land lag in Henderick Luijten Ambacht en was belend (grensde) aan de oostkant aan Cornelis Peter Melsen en de heer Advocaat Sprangers, en aan de westkant aan de weduwe Pieter Cuijl en erfgenamen van de Bavelaeren. Het land strekte zich uit van het noorden tot de helft van de Heere Straat en liep door tot aan de oude vaart. Adriaen Schippers moest hiervoor Jan Cornschippers een bedrag van 95 gulden en 10 stuivers betalen.
Daarnaast werd een inventaris opgemaakt van alle goederen, zowel roerend als onroerend, die in gemeenschap werden bezat door Jan Arens Hoevenaer en Janneke Dolck, en later door Jan Arders Hoevenaer (na zijn dood). Dit omvatte:
- een gerecht en een derde deel in een stuk land met huis, erf en gerecht, gemeenschappelijk met Jan Peters, gelegen in Henderick Luijten Ambacht;
- ongeveer 3/4 acre akkerland, gemeenschappelijk met Cornelis Ariens Dolck, gelegen onder Groot Waspik;
- diverse roerende goederen zoals vee (3 koeien, 2 kalveren), koperen voorwerpen (2 ketels, 1 pan, 4 schotels, 2 tafelborden, 24 lepels), houtwerk, meubels (1 kast, 1 kist, 1 tafel, 2 bedden), keukengerei (2 potten, 2 postels, 1 spade, 1 schop), 10 kannen, 2 slopen, 12 tafelborden, 2 lampen, 2 tonnen, 6 stoelen, 2 botten, en andere huishoudelijke spullen;
- graan op zolder: ongeveer 7 vertelen (oude maat) boekweit en 26.000 hooi en toemaat (hooi en stro);
- geld: ongeveer 25 gulden.
De schulden van de boedel waren:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1783024 / 131
De Raad van State besloot om een kopie van een eerdere resolutie te sturen naar Nagel en andere gedeputeerden voor Vlaanderen. Zij moesten samen met enkele door de Raad van State aangewezen leden de situatie onderzoeken en hierover rapport uitbrengen.
Op 3 mei 1753 werd een verzoek ingediend door een grote groep inwoners van Tilburg en Goirle, waaronder Frans van Heijst, Jacobus Willem Ingraavinge van den Heer van Tilborg, Francois Peeters Mutsaars en vele anderen. Zij vroegen om hulp om verdere schade en ongeluk te voorkomen. Ze wilden dat de Drossaard en schepenen van Tilburg en Goirle toestemming kregen om 250 tot 300 lopens (een oude maat) gemeenteland in te graven. Ook vroegen ze om een heer van Tilburg aan te stellen die toezicht zou houden op verdere ingravingen en leningen. Bestaande ingravingen moesten worden gesloopt en voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar gesteld. De Drossaard en schepenen mochten voortaan geen toestemming meer geven voor enige ingravingen, ongeacht het doel.
Op 3 mei 1754 werd een verzoek gelezen van Nicolaas Lousberg, een inwoner en burger van Maastricht. Hij had onlangs via een openbare aanbesteding de opdracht gekregen om een nieuw kruitmagazijn te bouwen, inclusief het aanleggen van een nieuw werk buiten de Sint-Pietersberg aldaar. Op 23 november 1758 had de Admiraliteit toestemming gegeven voor het onderhoud van werken in Maastricht, Venlo en andere landsdelen. Lousberg vroeg om orders en voorzieningen zodat materialen voor landswerken konden worden aangevoerd en gemeentégronden voor particulier gebruik konden worden ingegraven en toegeëigend. Hierop besloot men een kopie van het verzoek te sturen naar de rentmeester de Schmeeling, zodat deze hierover verslag kon uitbrengen aan de hogere overheid.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3562 / 0622
De Raad besloot dat de zaak van
Rijck Ingeseten van de Bellerbusch over repressaliën (terugslagacties) doorgestuurd moest worden naar de eerder aangewezen rechters voor verdere behandeling.
Remis van Grevenbroeck, een priester uit
Tilburg die alleen beneficiaat (inkomsten uit een kerkelijke functie) had gehad in
Diessen, vroeg toestemming om daar en elders in de Meijerij van
's-Hertogenbosch minstens een jaar te mogen blijven. Zijn verzoek werd afgewezen.
Francois Coopall, commissaris van de monstering (inspectie van schepen) in
Vlissingen en voormalig equipagemester (verantwoordelijk voor de uitrusting) van de Vriese kustschepen, vroeg om vergoeding. Zijn verzoek werd doorgestuurd naar
Bronckhorst,
Wimmenum,
van der Nisse,
Rhenswoude,
Donia,
Mulert en
Eijssinge voor onderzoek en advies, met de opmerking dat
Coopall in de tussentijd kon blijven werken.
De Raad wees het verzoek af van
Aert van de Velde, een wereldlijk priester en inwoner van
's-Hertogenbosch, die de inkomsten wilde ontvangen van het beneficie van
Sint-Nicolaas en Dimpna in de kerk van
Geffen.
Goijart Pieters, inwoner van
Erp in de Meijerij van
's-Hertogenbosch, vroeg om gekwalificeerd te worden voor de functie van secretaris en daarbeneficieerd te worden. De Raad besloot dat
Tytken van Heesel, die aanspraak maakte op de secretarie, een geschikte protestantse opvolger mocht aanstellen en zijn rechten op de functie moest aantonen volgens eerdere besluiten.
Een brief van rentmeester
Pieterson, geschreven in
Helmond op
17 [maand onbekend], met informatie over het klooster van
Bynderen en de bijbehorende goederen, werd doorgestuurd naar
Bronckhorst en andere gedeputeerden voor de zaken van de Meijerij van
's-Hertogenbosch voor onderzoek en advies.
Nicolaes Hermansz Chainga, predikant in
Erp, vroeg of de kerkmeesters in zijn dorp de eed af mochten leggen en of hij bevoegd mocht worden om twee kerkmeesters aan te stellen. Zijn verzoek werd doorgestuurd naar
Bronckhorst en andere gedeputeerden voor de Meijerij van
's-Hertogenbosch voor onderzoek en advies.
In een tweede verzoek vroeg
Nicolaes Hermansz Chainga om een onder-schout en president voor de gereformeerde gemeente in
Erp aan te stellen om ongeregelde zaken te voorkomen. Ook dit verzoek werd doorgestuurd naar dezelfde gedeputeerden.
Bartholomeus Dircxs Ontvanger, beheerder van kerkelijke goederen in
Oostburg en omringende vacante geestelijke goederen, vroeg om akten voor het innemen van vacante landen in de dijkage (waterbeheersingsgebied) van
Schoondijke en voor verschillende partijen land in de dijkage van
de Groede. De Raad stemde hiermee in en droeg rentmeester
Gleent op de benodigde akten op te stellen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 107 / 0553
De tekst beschrijft verschillende besluiten en verzoeken die zijn besproken in een vergadering.
Er was een verzoek van rentmeester van Heurn uit ’s-Hertogenbosch, gedateerd 1 juli, waarin hij vroeg om goedkeuring voor de benoeming van Jan van Winterroij door Barbara van Scherpenseel, weduwe van Gerasnie van Grevenbroeck, voor een kerkelijk beneficie in Mierlo. De vergadering besloot om een kopie van dit verzoek naar de Generaliteits Rekenkamer te sturen voor advies.
De schepenen en regenten van het Kwartier van Kempenland in de Meierij van ’s-Hertogenbosch vroegen om toestemming om belastingen te heffen voor schulden uit de jaren 1696 en 1697. De vergadering besloot om een kopie van dit verzoek naar de Raad van State te sturen voor advies.
Samuel van Leeuwen, ordinair bode van de Generaliteit, vroeg om 36 gulden voor een nieuwe reisbode. De vergadering stemde hiermee in en wees het bedrag toe.
Er werd ook gesproken over de onderhandelingen voor de betaling van schulden uit de laatste oorlog, met name voor legerlasten, fouragering en buitengewone uitrustingen ter zee. De vergadering besloot om voorlopig een tweede miljoen gulden te onderhandelen voor de betaling van een deel van deze schulden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1946 / 0016
Op
5 februari 1688 in
Malacca werd een aantal verzoeken en mededelingen vastgelegd:
- Juffrouw Joanna van Dickelen, weduwe van de overleden predikant Gerardus Lem, kreeg toestemming om met haar familie naar Batavia te vertrekken.
- Jacob van Munster, garnizoensboekhouder, vroeg om bevordering tot onderkoopman. Zijn verzoek werd gesteund omdat hij zijn werk goed deed. Ook Floris van Hastrigt Grevenbroeck, vaandrig, vroeg om ontslag met behoud van salaris.
- Op 14 januari 1688 (de dag van de verovering van Malacca, 47 jaar eerder) werd de jaarlijkse betaling van de burgerij verwerkt. De opbrengst was Rijksdaalders 4785, wat Rijksdaalders 460 minder was dan het jaar ervoor.
- Adriaan Lucasen, vrijburger en oud-opperkoopman, meldde op 30 januari 1688 dat hij en Reijnier Broenke door E. Muller waren aangewezen om een zaak tegen de Chinezen Lautje en Punsuanko te behandelen. Hij kon dit echter niet doen door persoonlijke omstandigheden en het overlijden van Reijnier Broenke. Jan Sonman, onderkoopman, bevestigde dit namens de weduwe van Broenke.
- De ambassadeurs van Perzië hadden nog geen definitief antwoord van hun koning ontvangen en vertrokken terug naar Perzië om meer informatie te vragen. Besloten werd om de voorlopige onderhandelingen rustig te laten.
- Er kwam een instructie voor de opperhoofden van het schip Alexander, dat vertrok in gezelschap van de schepen De Snauw en De Knol. Dit bericht was gebracht door stuurman Jan van Spanjen, die de dag ervoor met De Snauw was aangekomen.
De brief was ondertekend door:
Tho. Slicher,
Dirck Comans,
Hendrick Temminck,
F. van der Beecq,
S. Pas,
Gilles van Anstenraat en
Honket.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1440 / 0437
Op
19 december 1707 om 20:00 uur kwam
Gertruijd van Geevenbroeck, een bejaarde vrouw uit
Haalen, bij notaris
Cornelis Baart. Zij was gezond en helder van geest en wilde een testament opstellen.
- Zij schrapt alle eerdere testamenten en beschikt over haar bezittingen.
- Zij laat na:
Als een van hen overlijdt, gaat het geld naar hun wettige kinderen.
- Al haar overige bezittingen (roerend en onroerend) gaan naar haar zus Niesje van Geevenbroeck. Als deze overlijdt, gaan ze naar haar kinderen.
- Zij benoemt als voogden voor Jacob Peck:
Voor haar minderjarige erfgenamen benoemt zij:
De voogden mogen zelf een opvolger kiezen zonder toestemming van de rechter.
- Zij behoudt het recht om haar testament aan te passen, te verminderen of nieuwe legaten toe te voegen, mondeling of schriftelijk.
Het testament is opgesteld in aanwezigheid van de getuigen
Jan Adolph en
Jan van den Bagh. Notaris
Cornelis Baart bevestigt de echtheid.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843014 / 774
Op
9 november 1699 sloten
Adriaen Ampe, weduwnaar van
Geertje Steijaert, en
Niesje van Grevenbroeck in
Haarlem een huwelijk voor notaris
Pieter Gerlings. Ze maakten afspraken over hun bezittingen:
- Adriaen Ampe bracht in:
- Een huis in de Grote Houtstraat in Haarlem (waarde: 6000 gulden).
- Een huis in de nieuwe uitbreiding van Haarlem (waarde: 1000 gulden).
- Een stuk grond buiten de Kleine Houtpoort op de Singel (waarde: 700 gulden).
- Een lijfrentebrief voor zijn drie kinderen (waarde: 900 gulden).
- Obligaties en schuldbekentenissen (totaal: 8600 gulden).
- Zijn zilversmidse met gereedschap, zilverwerk en onafgemaakt zilver (waarde: 5000 gulden).
- Meubels en huisraad (waarde: 1500 gulden).
Totaal: 23700 gulden. Hiervan moest 6500 gulden afgetrokken worden voor een eerdere schenking aan zijn kinderen, inclusief zilverwerk.
- Niesje van Grevenbroeck bracht in:
- 1500 gulden contant geld.
- Meubels en huisraad (waarde: 500 gulden).
- Tien paar fijne gouden oorbellen, een gouden ring met negen edelstenen, een gouden hoedje met acht vierkante steentjes, een gouden pinghoedje, een tas met een zilveren tuitje.
- Linnen en wollen kleding.
De bezittingen bleven gescheiden: er was geen gemeenschap. Winsten en verliezen tijdens het huwelijk werden als volgt verdeeld:
Erfgenamen van overleden familieleden bleven bij de oorspronkelijke familie.
Als
Adriaen Ampe eerst stierf, kreeg
Niesje van Grevenbroeck een kinderdeel van zijn bezittingen als levenslang gebruik. Als
Niesje van Grevenbroeck eerst stierf, erfde
Adriaen Ampe al haar bezittingen en kon hij daar vrij over beschikken. Hij moest wel een zilveren kom met deksel (waarde: 25 gulden) aan
Geertruijd van Grevenbroeck, de zus van
Niesje, geven als aandenken.
Getuigen waren
Philip van der Stengh en
Hendrick Haringh.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842946 / 428
Op
17 januari 1720 komt
Adrianus Ampe, meester-zilversmid in
Haarlem, voor notaris
Cornelis Baart. Hij bevestigt de huwelijkse voorwaarden met zijn overleden vrouw
Niesje van Grevenbroeck uit
9 november 1699 en een codicil (aanvullend testament) uit
27 oktober 1718.
Hij verklaart dat hij zijn dochter
Jacoba Ampe een bedrag van 1681 gulden geeft. Dit is ter voldoening van de erfenis van haar overleden moeder en om geschillen te voorkomen. Ook benadrukt hij dat hij de voogdij over
Jacoba na zijn overlijden regelt via een akte uit
5 juni 1700, opgesteld door notaris
Pieter Gerlings.
Als voogden en beheerders van
Jacoba’s goederen wijst hij
Daniel de Vos en
Jan Hadde, beide kooplieden in
Haarlem, aan. Zij krijgen volle bevoegdheid, inclusief het recht om een nieuwe voogd aan te wijzen als een van hen overlijdt. Dit geldt tot het einde van de voogdij, zonder tussenkomst van de weeskamer of andere rechtbanken.
Daarnaast behoudt
Adrianus Ampe zich het recht voor om zijn codicil aan te passen, te verminderen of legaten toe te voegen, mondeling of schriftelijk, voor twee getuigen. Hij wil dat deze wijzigingen net zo geldig zijn als de originele akte.
De akte wordt opgesteld in aanwezigheid van de getuigen
Jan Samenlen en
Abiasan Noseth, met handtekeningen van
Adrianus Rinxen,
Abraham Naset en
J. Vermeulen. De notaris
E. Baarten bevestigt de akte.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843017 / 21
Op
240 10 augustus 1660 verscheen
Pieter Ariensz van Grevenbroeck, burger en inwoner van
Haarlem, voor notaris
Sopenbaer. Hij gaf
Maerten Anthonijsen, die in
Baardwijk woonde en getrouwd was met zijn zus
Lijsken Ariensz van Grevenbroeck, de opdracht om namens hem op te treden.
Maerten Anthonijsen mocht voor de schepenen van de vrijheid
Waalwijk verschijnen. Hij moest daar een stuk hooiland, groot 6 bunders, overlaten aan
Waalwijk en
Beloijen. Dit land lag in de vrijheid
Waalwijk, over de derde brug, in de Voertslach, aan de oostkant naast de heerlijkheid
Baardwijk. Het land was eerder, op
4 augustus 1660, door
Maerten Anthonijsen verkocht met toestemming van zijn vader.
Pieter Ariensz van Grevenbroeck beloofde alle benodigde eigendomsbewijzen te leveren en de vereiste waarborg te geven.
De akte werd opgesteld in
Haarlem in aanwezigheid van de getuigen
Abraham Vrients en
Johannes Valk.
Op
9 augustus 1660 maakten
Gerardi Schouten, brouwer in
Haarlem, en
Pieter Pietersz Draeck, bierzeker uit
Edam, afspraken over drie huizen:
- Een herberg in Volendam, gekocht voor 837 gulden en 17 stuivers.
- Een half huis buiten de Middelierpoort in Edam, gekocht voor 650 gulden.
- Een half huis in Edam, gekocht voor 167 gulden en 10 stuivers.
Gerardi Schouten had alle drie de huizen gekocht, maar ze werden nu voor de helft aan
Pieter Pietersz Draeck overgedragen. Ze spraken af dat alle kosten en opbrengsten, inclusief eventuele winst of verlies bij verkoop, voor de helft door beide partijen zouden worden gedragen. Ook de reparatiekosten zouden ze voor de helft betalen.
Gerardi Schouten mocht de huizen in zijn naam verkopen, mits hij de afspraken nakwam.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975064 / 241
Vorige paginaVolgende pagina