Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 14 april 1658 bevestigde Abrakam aan de Hoogmogende Heren dat in Bilbao de verkoop van goederen goed georganiseerd was en dat de regels van de resolutie van 9 januari van dat jaar strikt werden nageleefd. Op 6 juni 1673 schreven de Gecommitteerde Raden ter Admiraliteit in Rotterdam aan de Hoogmogende Heren over de levering van graan en levensmiddelen voor de inwoners van Waelwijck. Op 5 mei 1673 was besloten dat Adriaen Wouters Couwenburgh, de weduwe van Jacob Molegraeff, en Adriaen van Grevenbroeck Backer graan mochten importeren voor de inwoners. Op 30 mei 1673 kregen ook Bastiaen Sijmonssen de Gester, een schipper uit Waelwijck, toestemming om elke drie weken een halve last tarwe, een last bagge, een halve last gerst, een kwart last haver, een zak hout en andere levensmiddelen te halen. Ze vroegen of de hoeveelheid en soort levensmiddelen die nodig waren voor Waelwijck duidelijker moesten worden gespecificeerd en of er bewijs moest worden geleverd dat eerdere leveringen waren verdeeld en geconsumeerd, om misbruik te voorkomen. Op 13 juni 1673 schreef Michiel de Ruyter vanaf het schip De Zeven Provinciën bij Schooneveld aan de Hoogmogende Heren over een zeeslag. Op 12 juni 1673 rond 10 uur waren ze de vijand tegengekomen. De vijand leek eerst te willen wachten, maar trok zich terug toen De Ruyter naderde. Rond 17 uur kwam het tot een gevecht dat duurde tot na zonsondergang. De volgende ochtend zagen ze dat de vijandelijke vloot beschadigd was. De Ruyter wilde de Grijchsraad bijeenroepen voor meer informatie. Hij vroeg om extra buskruit, scherp, touw, kardoespapier, naalden en garen, omdat veel schepen beschadigd waren. Ook vroeg hij om kippenlood, omdat hij dacht dat de vijand zich naar de Theems in Londen had teruggetrokken. Hij stelde voor om bij Schooneveld voor anker te gaan tot er nieuwe orders kwamen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11145 / 1021  


Op verzoek van Vrouwe van Asherihan, gesteund door Heer Ripperda, stemden Hun Hoog Mogenden ermee in dat zij zonder belasting vier paarden naar Brussel mocht vervoeren. Deze paarden zou ze ontvangen volgens de regels van het land op de kantoorposten van Gorcum of Bommel. Er werd een verzoek gelezen van Heer van Batenburch namens Dirck Lessel. Deze had een conflict met de heren Arnhem en Schonenborch, de gecommitteerden van Hun Hoog Mogenden in Maastricht. Lessel vroeg om soldaten om zijn onderdanen in Steijn te dwingen gehoor te geven. Hij wilde eerst een reactie van Hun Hoog Mogenden aan Arnhem en Schonenborch voordat zij actie ondernamen. Na overleg kregen Lessel en zijn raad de kans om zich te verdedigen, en werd zijn verzoek ingewilligd. Op verzoek van Dideric van Grevenbroeck mocht deze na overleg een peer inkoop en uitvoeren naar Mierlo in de meierij van ’s-Hertogenbosch, mits betaling van de belasting. Het verzoek van Arien en Cornelis Lampsius voor betaling van 4825 gulden of een schuldbekentenis werd aangehouden tot de provincies zouden hebben gereageerd. Jacob de Maeckere, dijkgraaf en penningmeester van de Baemstpolder bij Cadsant in Vlaanderen (onder Nieuwvliet), en mede-eigenaar van de Versche Polder, diende een verzoek in. Hij klaagde over Johan van der Lingen, ontvanger, die een octrooi had verkregen voor de Baemstpolder en Vier Gemeten in de Versche Polder. Van der Lingen had deze gronden als zijn eigen bezit behandeld, hoewel De Maeckere en zijn voorgangers al lang eigenaar waren. Er was een rechtszaak gaande, en Van der Lingen was al veroordeeld door de schepenen van Vrije en de Raad van Vlaanderen in Middelburg. Omdat Van der Lingen in beroep was gegaan, was de zaak nog niet afgerond. De Maeckere vreesde een langdurig proces en dat Van der Lingen intussen de oogst zou stelen. Hij vroeg om een bevel om Van der Lingen te dwingen zijn beroep binnen 40 dagen in te dienen en de oogst in beslag te nemen tot een beslissing. Na overleg werd besloten dat Van der Lingen 40 dagen de tijd kreeg om te reageren. Volgens een eerdere beslissing van Hun Hoog Mogenden van 6 november 1638 werd het verzoek van Louis de Geer, koopman in Amsterdam, voor betaling van 9180 gulden voor ijzeren kanonnen op twee nieuwe roeifregatten goedgekeurd. Het bedrag zou worden betaald uit de tekorten van de provincie Utrecht en Stad en Lande in de rekening van 1637 en 1638 voor zeezaken. Wel moesten Utrecht en Stad en Lande eerst afrekenen met de Admiraliteit in Zeeland over de kosten van uitrusting in 1637 en 1638. Binnen twee maanden moesten zij dit regelen. Het verzoek van Steenbergen werd aangehouden. Er werd een brief ontvangen van Heer van Oosterwijck uit Parijs van 4 december, maar hierop werd geen beslissing genomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 72 / 0237  


De overheid regelde dat de bagage, paarden en voertuigen van Zijne Majesteit en zijn gevolg, samen met voorraden en andere benodigdheden, vrij van belasting door de Nederlandse landen mochten reizen naar Engeland. Ook het Collegie ter Admiraliteit op de Maas kreeg de opdracht om ervoor te zorgen dat deze goederen zonder kosten ingescheept konden worden. Er werden twee brieven ontvangen van Consul Hudson, gedateerd 38 augustus en 10 september 1735, uit Tunis. Hierin stond dat Franse fregatten en galeien schepen van andere naties aanhielden en eisten dat alle personen en goederen die bij Tunis hoorden, werden vrijgelaten. De Deij (heerser) van Tunis had de consuls van andere landen hierover geïnformeerd en was verbaasd over deze acties. Hij beval om hierover bericht te sturen naar hun leiders. Ook werd melding gemaakt van de activiteiten van Kapitein van Reede, die in Tunis was geweest en weer vertrokken. De Gedeputeerden van Holland en West-Friesland namen kopieën van deze brieven om ze verder te verspreiden. Antonij van Grevenbroeck, drost van de helft van de heerlijkheid Oirschot, diende een verzoek in. Hij vertelde dat Antonij Andries Schepens op 10 februari 1735 Jan de Marck, de vorige drost van Oirschot, had vermoord. Schepens was hiervoor bij verstek veroordeeld, maar later gearresteerd. Hij was ’s nachts gewelddadig uit zijn cel bevrijd. Van Grevenbroeck vroeg om de zaak over te dragen aan de rechtbank van de Raad en Leenhof van Brabant en alle stukken aan de fiscaal en procureur-generaal van Brabant te geven. De zaak werd doorgestuurd naar de Gemeenteraad van Brabant voor verdere afhandeling. Louis Joseph Le Sage, een 22-jarige koopmanszoon uit Rijsel, vroeg toestemming om te trouwen met Marie Françoise Le Brun, een 26-jarige vrouw uit Rijsel. Zijn ouders weigerden toestemming, dus wilde hij met haar naar Holland gaan om daar te trouwen. Hij had zich aangesloten bij het regiment van Kolonel Soute, onder bevel van Majoor van Puthamer, om bescherming te krijgen. Zijn verzoek werd afgewezen. Andries Gesteling, voormalig schepen van Philippine, diende een verzoek in in verband met het overlijden van Abraham de Kraeker, die tijdens zijn leven schepen was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2442 / 0076  


Op 9 maart 1700 in s'Hertogenbosch werd Hageman getekend als ondertekening dat een attest voor Dijckschi despolders, gelegen onder den Groenendijck, was goedgekeurd. Daarnaast waren er resoluties van de Gecommitteerden van den Groenendijck van 3 mei 1663, 26 augustus 1694, 28 december 1697 en 25 juni 1699 toegevoegd, alle betrekking hebbend op den Groenendijck.

Op 21 april 1700 ontving Ontfanger Lintworm een brief van Weduwe Werckhoven uit s' Gravenhage, gedateerd 12 april 1700. Hierin maakte zij bekend dat haar zoon Willem Werckhoven zijn studies had stopgezet. Hij had een beurs van 100 gulden per jaar ontvangen volgens een resolutie van 22 december 1687. Ontfanger Lintworm meldde dat deze beurs nu vacant was en ter beschikking stond van de autoriteiten.

Op 28 april 1700 meldde Ontfanger Lintworm dat de beurs van Gerardie Loenius, ook van 100 gulden per jaar, vacant was gekomen. Hij bracht dit onder de aandacht van de autoriteiten.

Op 23 april 1700 berichtte Ontfanger Lintworm over een verzoek van Weduwe Henrick van Winteroij. Volgens een resolutie van 29 april 1700 betrof dit een beneficie dat op 25 november 1681 door vrouwe Barbera van Scherpenseel, weduwe van Erasmus van Grevenbroeck, heer van Mierlo, was toegekend aan haar oudste zoon Henrick van Winteroij. Deze toekenning was bevestigd op 8 mei 1682. Henrick van Winteroij had het beneficie genoten tot en met 1696.

De betalingen voor de jaren 1686, 1687 en 1688 waren echter geweigerd door de heeren van de Generale Rekenkamer. Zij beriepen zich op een resolutie van 13 december 1685 en een andere van 13 november 1694, die stelden dat de inkomsten van beneficies geaffecteerd bleven voor de Gereformeerde godsdienst zolang niet bewezen was dat de stichting leek (niet-geestelijk) was. Henrick van Winteroij had zich hiertegen verzet bij de Raad van State.

De Raad van State had op 29 augustus 1696 geoordeeld dat de collatie (toekenning) geldig was, omdat alle titels en rechten in 1649 waren overgedragen aan de autoriteiten. De betalingen waren goedgekeurd volgens een resolutie van 19 september 1693, die stelde dat een studebeurs behouden bleef tot de leeftijd van 25 jaar, tenzij de begunstigde eerder een baan kreeg.

Op 6 september 1697 had de Raad van State besloten dat Henrick van Winteroij een verklaring moest overleggen, onder ede, dat de originele stichtingsbrieven verloren waren gegaan en dat hij geen authentieke kopie had. Deze verklaring was ondertekend en verzegeld door de collatrice (toekennende instantie) en ingediend op 4 december 1697. Ontfanger Lintworm had hierover bericht op 23 december 1697.

De collatrice had later bevestigd dat de stichtingsbrieven verloren waren gegaan tijdens de vlucht naar Brussel in een eerdere oorlog. Zij had ook verklaard dat het recht op het beneficie was overgedragen van haar overleden man op haar en haar kinderen. De stichtingsbrieven zouden in het begin van de Reformatie zijn overhandigd aan de autoriteiten, en de opeenvolgende toekenningen waren bevestigd.

Op 28 april 1699 had de Raad van State besloten dat Henrick van Winteroij het beneficie mocht behouden tot en met 1696. Omdat Willem van Anteroij in militaire dienst was getreden, had de collatrice het beneficie opnieuw toegekend aan haar kleinzoon Johan van Winteroij voor een periode van 8 jaar, volgens een acte van 12 januari 1700. Zij zocht hiervoor goedkeuring van de autoriteiten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11221 / 0412  


In het testament van de overledene, bevestigd bij haar dood, werden de volgende erfgenamen benoemd: In het testament stond een voorbehoud: de overledene voegde later handgeschreven extra legaten toe, die onder de schulden van de boedel vielen. In de boedel werden de volgende bezittingen gevonden:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843148 / 445  


De partijen komen een afspraak over: De partijen beloven deze afspraken na te komen zonder ertegen in te gaan. De akte is opgesteld op 13 mei 1712 in Verloon in aanwezigheid van getuigen en de notaris Botermans. Huijbert, Bernart en Paulus (zoons van Johan vanden Sande) maken een testament. De akte is opgesteld op 1712 door notaris Cloostermans.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1513093 / 196  


Anna Maria Jan Veramelsvoort en Jan Christiaen passers, een echtpaar uit Westheijlant, lieten op 20 december 1726 een testament opstellen bij notaris Adries ander Burgh in Berckel. Hierin benoemden zij hun kinderen en kleinkinderen als enige erfgenamen. Anna Maria Jan Veramelsvoort wees voor het aandeel van de kinderen van haar overleden man Anthonij Lamberts en Robben de volgende voogden aan: De voogden kregen de bevoegdheid om de goederen te beheren, te verkopen (openbaar of privé) en de opbrengst ten beste te gebruiken. Zij moesten wel verantwoording afleggen aan Jan (haar zoon) en de andere erfgenamen. De voogdij gold zonder tussenkomst van de schepenen van Oosterwijck. Anna Maria Jan Veramelsvoort verklaarde dat dit haar laatste wil was en dat deze na haar dood direct uitgevoerd moest worden, ongeacht de vorm (testament, codicil, schenking of anders). Alle juridische formaliteiten en lokale wetten die hiermee in strijd waren, werden door haar buiten werking gesteld. Het testament werd ondertekend in aanwezigheid van de getuigen Anthonij Franck brocken en Jan Cornelis Kamers. Anna Maria Jan Veramelsvoort kon niet schrijven en liet een merkteken zetten door Jan Cornelis Hamers. De notaris was H: Vander Burgh.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1770668 / 124  


10 juni 1577
12 juni 1577
11 juni 1577
De Staten-Generaal worden ontboden om Zijne Alteze te horen, die naar Mechelen vertrekt om te onderhandelen met de kolonels van de Hoogduitse troepen. Hij stelt vier punten voor: De Staten-Generaal antwoorden via de griffier:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3097 / 0051  


Op 14 juni 1690 stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Dirck Grevenbroeck, weduwe van Jan Dircksz Driessen uit Nijmegen, naar het Collegie ter Admiraliteit op de Maas. Ze vroegen om hierop te beslissen. Op dezelfde dag stuurden de Staten ook een kopie van een brief van de drost en Gedeputeerde Staten van het Landschap Drenthe over Lt. Kimmel naar de resident Hulst. Daarnaast ontvingen de Staten een kopie van een brief van Simon Gausen, koopman en burger van Rotterdam, met de opdracht om ervoor te zorgen dat de eiser in de zaak uit het eerder genoemde verzoek, voor zover deze gegrund was, zonder klacht zou worden gesteld. Op 15 juni 1690 stuurden de Staten een kopie van een verzoek betreffende het schip Het Schaep naar het Collegie ter Admiraliteit te Amsterdam. De Staten lieten weten dat ze een jacht klaar maakten voor heere Schoonenberg. Ook stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Fisca Dias da Fonseca, weduwe van Neijlen Hamuel Dias da Fonseca, en Davis Franco Vraho, moeder en zwager van Abraham Dias da Fonseca, geboren in Amsterdam. Ze wilden dat Abraham Dias da Fonseca vrijgelaten zou worden. De Staten lieten weten wat ze hadden besloten over de publicaties van de keizerlijke en rijksadvocaten in Hamburg en de reactie van Abt Ridal, resident namens de koning van Frankrijk. Daarnaast stuurden de Staten een kopie van een verzoek van Nicolaes Arnolt de Malte en vroegen om advies. De Staten lieten ook weten wat ze hadden besloten over het intrekken van het mandaat van Johan de Lange en Johan de Raken. De admodiateur Nieupoort liet de Staten weten dat op 29 mei 1690 (oude stijl) bedienden van de admodiatie een schuit met Franse wijnen, in strijd met de plakkaten, in beslag hadden genomen. De bedienden wilden deze zaak voor de Admiraliteit in Friesland brengen, maar werden tegengehouden door de Gedeputeerde Staten van Groningen. Deze hadden aan de huurster van het stads wijnhuis in Groningen toestemming gegeven om 18 vaten wijn onder voorwaarden mee te nemen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11978 / 0188  


De oorspronkelijke opstellers van de fondsen zijn bekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11147 / 0986  


Op 10 mei 1687 schrijft men vanuit Malacca over de situatie op het kruisende vaarwater. Men vraagt om een Chiampan (een klein schip) van 150 tot 200 lasten, omdat de kosten voor de huidige missie al ƒ 3216, 2 en 5 bedragen. Men overweegt een nieuwe missie als de Deense kleding in Riouw aankomt. Chinese zijde en kleding worden daar goed verkocht tegen 13 tot 14 per picul. Anthonij Matthijsz. Mars, de commandant, moet het kruisende vaarwater goed in de gaten houden. Hij krijgt een adjunct om alles bij te houden. Twee onbekwame stuurlieden, Jan Vermeij en Willem Iansz. van Rotterdam, zijn al geschorst of opgestuurd. Men vraagt opnieuw om een Chiampan van 20 tot 24 lasten voor de rivier en om de wacht te versterken. Voor de werkzaamheden van de VOC zijn ongeveer 90 tot 55 slaven ingehuurd tegen een dagloon van 8 stuivers. Voor de verdediging zijn 50 blanke soldaten, Nicolaes Christiaensz. en Frederick van Grevenbroeck nuttig gebleken. Het garnizoen is nu 228 man sterk, maar men vraagt om meer soldaten en matrozen. Een chaloep moet onbemand blijven. De handel in Siac (Siak) is nog niet winstgevend. Ondanks waarschuwingen aan VOC-medewerkers, blijkt uit de boeken van de fiscale Naerssen dat anderen ook meedoen aan de handel. De winst op de laatste Siac-boeken bedraagt ƒ 4735, 4, maar door slijtage van schepen en onbetaalde lonen valt dit tegen. Men probeert goede relaties te onderhouden met de onderdanen van Johor, met name Dato Paduka Radja, door wat rechten van de VOC op te geven om klachten te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1438 / 0361  


De testateur (de persoon die het testament opstelt) bepaalt wat er met zijn bezittingen moet gebeuren als hij zonder kinderen komt te overlijden of als zijn minderjarige zoontje (van zijn moeders kant) ongetrouwd sterft. In dat geval wil hij dat zijn bezittingen als volgt worden verdeeld: Als de testateur kinderen nalaat of als zijn zoontje ongetrouwd en minderjarig sterft, benoemt hij de volgende personen als zijn erfgenamen. Zij erven in gelijke delen alle bezittingen (zowel roerend als onroerend, nu en in de toekomst), behalve de bezittingen die hij al aan anderen heeft nagelaten: De testateur behoudt het recht om zijn testament op elk moment te wijzigen, helemaal of gedeeltelijk, en om legaten (geldbedragen) toe te voegen, te vermeerderen of te verminderen. Dit kan hij doen met zijn handtekening of in aanwezigheid van twee getuigen (man of vrouw). Hij benoemt Johan Vermeulen, secretaris van de weeskamer van Amsterdam, en Johannes le Maire als executeurs (uitvoerders) van zijn testament en als voogden over zijn minderjarige zoontje of andere minderjarige erfgenamen en legatarissen. Als een of beide executeurs of voogden overlijden of niet in staat zijn hun taak uit te voeren, worden Abraham Hasius en Johan Dingemans als vervangers benoemd. Zij krijgen dezelfde bevoegdheden. De testateur sluit de weeskamer van Amsterdam (of de weeskamer waar zijn sterfhuis valt) uit van de afhandeling van zijn nalatenschap. Hij vraagt om gebruik te mogen maken van de voordelen die daarbij horen. Het testament is opgesteld in Haarlem, in het huis van de notaris, in aanwezigheid van Wouter Bijnens. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is en dat alles volgens zijn wensen moet worden uitgevoerd, ook als niet alle formele vereisten zijn nageleefd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842847 / 239  


Op 15 maart 1691 verklaren Susanna Camman, de vrouw van Sires de Vries, en Cornelia van Grevenbroeck, beide woonachtig in Haarlem, voor notaris Cornelis Rens het volgende: De verklaring is opgesteld in Haarlem in aanwezigheid van Cornelis Hoefnagel en Francois Snellincx als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975029 / 191  


Op 10 april 1702 in Tilburg gaf Arnold van Loon, notaris, een akte op. Hierin stond dat Aert Janssen van Grevenbroeck, voormalig burgemeester van Inden Hout, een bedrag van 150 gulden per jaar afstond aan Wilhelmus Sijnen, een theologiestudent uit Loveren. Dit bedrag moest betaald worden uit de goederen van Aert Janssen van Grevenbroeck in Oisterwijk, op een plek genaamd Den Hout. Als Wilhelmus Sijnen priester werd en niet in staat was om het bedrag zelf te ontvangen, mochten anderen het voor hem innemen. Aert Janssen van Grevenbroeck verbond zich en al zijn goederen hiervoor. Adriaen Huijbert Wigger en Adriaen Aert Hamers, voormalige burgemeesters van Inden Hout en buren van Aert Janssen van Grevenbroeck, bevestigden dat ze hem en zijn goederen kenden en dat zijn jaarlijkse inkomen ongeveer 150 gulden bedroeg. Getuigen waren Peeten van Spaendonck en Cornelis Peters van Eeten, beide inwoners van Tilburg.

Op 5 april 1702 in Tilburg stelde Cornelia Jungeert, weduwe van Cornelis Adriaen Olincx, met hulp van Laurens Denijs Pieters als voogd, Jacob Lips, schoolmeester in Gilze, aan als volmacht. Jacob Lips mocht namens Cornelia Jungeert een stuk land van 5 lopense (ongeveer) in Gilze, in de Baronie van Breda, op een plek genaamd Het Reck, verkopen voor 23 gulden. Het land lag tussen de erven van Oost den Doorenbos, Uit den Claessen, De Wede Peeteren en de kinderen van Jacob Cornelis Baster. Jacob Lips mocht alle benodigde documenten laten opmaken volgens de gewoonten van de secretarie en vestkamer van Breda.

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1499736 / 120  


Rijnier Hendrick houwen krijgt verschillende stukken land in bezit: De deelnemers aan de verdeling beloven:
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1703733 / 200  


Op 18 oktober 1553 verschenen voor notaris Johannes de Roij in ’s-Hertogenbosch verschillende personen, waaronder: Zij bevestigden een jaarlijkse erfelijke rente van 75 gulden ten laste van de Staten van Brabant in het kwartier van Antwerpen, geregistreerd in de boeken van de Rekenkamer. De rente was al 40 jaar bekend en bevestigd door eed in Goirle en Tilburg. Op 10 november en 10 mei werden verdere bevestigingen gegeven, verzegeld met het zegel van de Staten van Brabant. Op 5 mei 1571 werd de rente wettelijk overgedragen aan Guilliam van Tampen. De betrokkenen verklaren af te zien van alle rechten op de rente en leveren een authentieke kopie van het protocol over. Op 5 april 1654 in Tilburg bevestigden Ambrosius Verbraken en anderen onder getuigenis van Adriaan de Weer (notaris) en Peter Colen de overdracht. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris Johannes de Roij.
Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 4069100 / 35  


Op 1 december 1741 werd een akte opgesteld voor Peter Zeijlmans (schout), Jacobus Zeijlmans en Michiel Janssen (schepenen). Hierin stond dat Adriaen Schippers een stuk land, bestaande uit een geer (een stuk land) en een derde deel van een geer, gemeenschappelijk met anderen, moest afstaan aan Jan Cornschippers. Dit land lag in Henderick Luijten Ambacht en was belend (grensde) aan de oostkant aan Cornelis Peter Melsen en de heer Advocaat Sprangers, en aan de westkant aan de weduwe Pieter Cuijl en erfgenamen van de Bavelaeren. Het land strekte zich uit van het noorden tot de helft van de Heere Straat en liep door tot aan de oude vaart. Adriaen Schippers moest hiervoor Jan Cornschippers een bedrag van 95 gulden en 10 stuivers betalen.

Daarnaast werd een inventaris opgemaakt van alle goederen, zowel roerend als onroerend, die in gemeenschap werden bezat door Jan Arens Hoevenaer en Janneke Dolck, en later door Jan Arders Hoevenaer (na zijn dood). Dit omvatte:

De schulden van de boedel waren:

Bekijk transcriptie NL-TbRAT / 1783024 / 131  


De Raad van State besloot om een kopie van een eerdere resolutie te sturen naar Nagel en andere gedeputeerden voor Vlaanderen. Zij moesten samen met enkele door de Raad van State aangewezen leden de situatie onderzoeken en hierover rapport uitbrengen.

Op 3 mei 1753 werd een verzoek ingediend door een grote groep inwoners van Tilburg en Goirle, waaronder Frans van Heijst, Jacobus Willem Ingraavinge van den Heer van Tilborg, Francois Peeters Mutsaars en vele anderen. Zij vroegen om hulp om verdere schade en ongeluk te voorkomen. Ze wilden dat de Drossaard en schepenen van Tilburg en Goirle toestemming kregen om 250 tot 300 lopens (een oude maat) gemeenteland in te graven. Ook vroegen ze om een heer van Tilburg aan te stellen die toezicht zou houden op verdere ingravingen en leningen. Bestaande ingravingen moesten worden gesloopt en voor gemeenschappelijk gebruik beschikbaar gesteld. De Drossaard en schepenen mochten voortaan geen toestemming meer geven voor enige ingravingen, ongeacht het doel.

Op 3 mei 1754 werd een verzoek gelezen van Nicolaas Lousberg, een inwoner en burger van Maastricht. Hij had onlangs via een openbare aanbesteding de opdracht gekregen om een nieuw kruitmagazijn te bouwen, inclusief het aanleggen van een nieuw werk buiten de Sint-Pietersberg aldaar. Op 23 november 1758 had de Admiraliteit toestemming gegeven voor het onderhoud van werken in Maastricht, Venlo en andere landsdelen. Lousberg vroeg om orders en voorzieningen zodat materialen voor landswerken konden worden aangevoerd en gemeentégronden voor particulier gebruik konden worden ingegraven en toegeëigend. Hierop besloot men een kopie van het verzoek te sturen naar de rentmeester de Schmeeling, zodat deze hierover verslag kon uitbrengen aan de hogere overheid.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3562 / 0622  


De Raad besloot dat de zaak van Rijck Ingeseten van de Bellerbusch over repressaliën (terugslagacties) doorgestuurd moest worden naar de eerder aangewezen rechters voor verdere behandeling. Remis van Grevenbroeck, een priester uit Tilburg die alleen beneficiaat (inkomsten uit een kerkelijke functie) had gehad in Diessen, vroeg toestemming om daar en elders in de Meijerij van 's-Hertogenbosch minstens een jaar te mogen blijven. Zijn verzoek werd afgewezen. Francois Coopall, commissaris van de monstering (inspectie van schepen) in Vlissingen en voormalig equipagemester (verantwoordelijk voor de uitrusting) van de Vriese kustschepen, vroeg om vergoeding. Zijn verzoek werd doorgestuurd naar Bronckhorst, Wimmenum, van der Nisse, Rhenswoude, Donia, Mulert en Eijssinge voor onderzoek en advies, met de opmerking dat Coopall in de tussentijd kon blijven werken. De Raad wees het verzoek af van Aert van de Velde, een wereldlijk priester en inwoner van 's-Hertogenbosch, die de inkomsten wilde ontvangen van het beneficie van Sint-Nicolaas en Dimpna in de kerk van Geffen. Goijart Pieters, inwoner van Erp in de Meijerij van 's-Hertogenbosch, vroeg om gekwalificeerd te worden voor de functie van secretaris en daarbeneficieerd te worden. De Raad besloot dat Tytken van Heesel, die aanspraak maakte op de secretarie, een geschikte protestantse opvolger mocht aanstellen en zijn rechten op de functie moest aantonen volgens eerdere besluiten. Een brief van rentmeester Pieterson, geschreven in Helmond op 17 [maand onbekend], met informatie over het klooster van Bynderen en de bijbehorende goederen, werd doorgestuurd naar Bronckhorst en andere gedeputeerden voor de zaken van de Meijerij van 's-Hertogenbosch voor onderzoek en advies. Nicolaes Hermansz Chainga, predikant in Erp, vroeg of de kerkmeesters in zijn dorp de eed af mochten leggen en of hij bevoegd mocht worden om twee kerkmeesters aan te stellen. Zijn verzoek werd doorgestuurd naar Bronckhorst en andere gedeputeerden voor de Meijerij van 's-Hertogenbosch voor onderzoek en advies. In een tweede verzoek vroeg Nicolaes Hermansz Chainga om een onder-schout en president voor de gereformeerde gemeente in Erp aan te stellen om ongeregelde zaken te voorkomen. Ook dit verzoek werd doorgestuurd naar dezelfde gedeputeerden. Bartholomeus Dircxs Ontvanger, beheerder van kerkelijke goederen in Oostburg en omringende vacante geestelijke goederen, vroeg om akten voor het innemen van vacante landen in de dijkage (waterbeheersingsgebied) van Schoondijke en voor verschillende partijen land in de dijkage van de Groede. De Raad stemde hiermee in en droeg rentmeester Gleent op de benodigde akten op te stellen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 107 / 0553  


De tekst beschrijft verschillende besluiten en verzoeken die zijn besproken in een vergadering.

Er was een verzoek van rentmeester van Heurn uit ’s-Hertogenbosch, gedateerd 1 juli, waarin hij vroeg om goedkeuring voor de benoeming van Jan van Winterroij door Barbara van Scherpenseel, weduwe van Gerasnie van Grevenbroeck, voor een kerkelijk beneficie in Mierlo. De vergadering besloot om een kopie van dit verzoek naar de Generaliteits Rekenkamer te sturen voor advies.

De schepenen en regenten van het Kwartier van Kempenland in de Meierij van ’s-Hertogenbosch vroegen om toestemming om belastingen te heffen voor schulden uit de jaren 1696 en 1697. De vergadering besloot om een kopie van dit verzoek naar de Raad van State te sturen voor advies.

Samuel van Leeuwen, ordinair bode van de Generaliteit, vroeg om 36 gulden voor een nieuwe reisbode. De vergadering stemde hiermee in en wees het bedrag toe.

Er werd ook gesproken over de onderhandelingen voor de betaling van schulden uit de laatste oorlog, met name voor legerlasten, fouragering en buitengewone uitrustingen ter zee. De vergadering besloot om voorlopig een tweede miljoen gulden te onderhandelen voor de betaling van een deel van deze schulden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1946 / 0016  


Op 5 februari 1688 in Malacca werd een aantal verzoeken en mededelingen vastgelegd: De brief was ondertekend door: Tho. Slicher, Dirck Comans, Hendrick Temminck, F. van der Beecq, S. Pas, Gilles van Anstenraat en Honket.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1440 / 0437  


Op 19 december 1707 om 20:00 uur kwam Gertruijd van Geevenbroeck, een bejaarde vrouw uit Haalen, bij notaris Cornelis Baart. Zij was gezond en helder van geest en wilde een testament opstellen. Het testament is opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Jan Adolph en Jan van den Bagh. Notaris Cornelis Baart bevestigt de echtheid.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843014 / 774  


Op 9 november 1699 sloten Adriaen Ampe, weduwnaar van Geertje Steijaert, en Niesje van Grevenbroeck in Haarlem een huwelijk voor notaris Pieter Gerlings. Ze maakten afspraken over hun bezittingen: De bezittingen bleven gescheiden: er was geen gemeenschap. Winsten en verliezen tijdens het huwelijk werden als volgt verdeeld: Erfgenamen van overleden familieleden bleven bij de oorspronkelijke familie. Als Adriaen Ampe eerst stierf, kreeg Niesje van Grevenbroeck een kinderdeel van zijn bezittingen als levenslang gebruik. Als Niesje van Grevenbroeck eerst stierf, erfde Adriaen Ampe al haar bezittingen en kon hij daar vrij over beschikken. Hij moest wel een zilveren kom met deksel (waarde: 25 gulden) aan Geertruijd van Grevenbroeck, de zus van Niesje, geven als aandenken. Getuigen waren Philip van der Stengh en Hendrick Haringh.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842946 / 428  


Op 17 januari 1720 komt Adrianus Ampe, meester-zilversmid in Haarlem, voor notaris Cornelis Baart. Hij bevestigt de huwelijkse voorwaarden met zijn overleden vrouw Niesje van Grevenbroeck uit 9 november 1699 en een codicil (aanvullend testament) uit 27 oktober 1718. Hij verklaart dat hij zijn dochter Jacoba Ampe een bedrag van 1681 gulden geeft. Dit is ter voldoening van de erfenis van haar overleden moeder en om geschillen te voorkomen. Ook benadrukt hij dat hij de voogdij over Jacoba na zijn overlijden regelt via een akte uit 5 juni 1700, opgesteld door notaris Pieter Gerlings. Als voogden en beheerders van Jacoba’s goederen wijst hij Daniel de Vos en Jan Hadde, beide kooplieden in Haarlem, aan. Zij krijgen volle bevoegdheid, inclusief het recht om een nieuwe voogd aan te wijzen als een van hen overlijdt. Dit geldt tot het einde van de voogdij, zonder tussenkomst van de weeskamer of andere rechtbanken. Daarnaast behoudt Adrianus Ampe zich het recht voor om zijn codicil aan te passen, te verminderen of legaten toe te voegen, mondeling of schriftelijk, voor twee getuigen. Hij wil dat deze wijzigingen net zo geldig zijn als de originele akte. De akte wordt opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Jan Samenlen en Abiasan Noseth, met handtekeningen van Adrianus Rinxen, Abraham Naset en J. Vermeulen. De notaris E. Baarten bevestigt de akte.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5843017 / 21  


Op 240 10 augustus 1660 verscheen Pieter Ariensz van Grevenbroeck, burger en inwoner van Haarlem, voor notaris Sopenbaer. Hij gaf Maerten Anthonijsen, die in Baardwijk woonde en getrouwd was met zijn zus Lijsken Ariensz van Grevenbroeck, de opdracht om namens hem op te treden. Maerten Anthonijsen mocht voor de schepenen van de vrijheid Waalwijk verschijnen. Hij moest daar een stuk hooiland, groot 6 bunders, overlaten aan Waalwijk en Beloijen. Dit land lag in de vrijheid Waalwijk, over de derde brug, in de Voertslach, aan de oostkant naast de heerlijkheid Baardwijk. Het land was eerder, op 4 augustus 1660, door Maerten Anthonijsen verkocht met toestemming van zijn vader. Pieter Ariensz van Grevenbroeck beloofde alle benodigde eigendomsbewijzen te leveren en de vereiste waarborg te geven. De akte werd opgesteld in Haarlem in aanwezigheid van de getuigen Abraham Vrients en Johannes Valk.

Op 9 augustus 1660 maakten Gerardi Schouten, brouwer in Haarlem, en Pieter Pietersz Draeck, bierzeker uit Edam, afspraken over drie huizen: Gerardi Schouten had alle drie de huizen gekocht, maar ze werden nu voor de helft aan Pieter Pietersz Draeck overgedragen. Ze spraken af dat alle kosten en opbrengsten, inclusief eventuele winst of verlies bij verkoop, voor de helft door beide partijen zouden worden gedragen. Ook de reparatiekosten zouden ze voor de helft betalen. Gerardi Schouten mocht de huizen in zijn naam verkopen, mits hij de afspraken nakwam.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975064 / 241  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/