Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Den Geer zei dat hij nooit anders had gezien en of hij daardoor bemerkt had of het voornemen waar was geweest. Hij verklaarde, zoals hij ook aan het begin had gedaan, dat als hij maar wat meer tijd had gehad, hij de goede inwoners van Colombo erg droevig had kunnen laten ondervinden wat de heer Vuijst zei, omdat er onmogelijk zo'n verraad kon worden gesmeed.

Den Geer zei dat hij op alle zaken goede redenen had om te slagen, maar hij legde niet uit waarom hij als rechter op alle belangrijke zaken niet goed had gelet. Den Geer zei dat hij er zelf van overtuigd was geweest van het geplande kwaad en dat dit niet langer verborgen kon blijven. Hij had ook geen rekening gehouden met de nadrukkelijke woorden van burger Barend Schuurman, die ook een ander besluit had genomen in zijn gevangenschap en de meesterknecht van de smederij tot inkeer of galgberouw had gebracht.

Bij die gelegenheid had Schuurman gevraagd om een gebedenboek of psalmboek van die persoon. Hij zei toen: "Lieve God". Er werd gevraagd of hij in de eerdere bekentenis niet veel omstandigheden en verhalen had gevonden die tegenstrijdig waren of totaal onmogelijk waren geweest. Den Geer zei dit met het antwoord op nummer 37.

Bekijk transcriptie 


Den geer zegt dat het volgens hem ongeveer 3 maanden geleden was. Aan de ondervraagde werd gevraagd of genoemde meesterknecht daarom niet voor de krijgsraad is geroepen, waar hij dezelfde woorden had moeten herhalen. Den geer zegt dat hij dat vergeten is of dat daar toen onder de leden geen gesprek over is geweest.

Den geer zegt goed te weten dat dit zeggen werd aangenomen als bewijs dat Schuurman onschuldig was en dat hij het uit een zuiver gemoed had gezegd. Maar de verdere gedachten daarover herinnert hij zich niet meer.

Den geer zegt dat al die details en overwegingen die de krijgsraad in overweging heeft genomen, niet meer zo sterk in zijn geheugen staan dat hij dat met zekerheid en gerustheid zou kunnen zeggen. Wanneer hem in de herinnering wordt gebracht over welke zaken: "ik weet niet hoe ik me zal gedragen, daar is luitenant Swarts die heeft mij samen met alle anderen voor de heren beschuldigd en ik weet nergens van".

Bekijk transcriptie 


De gedetineerde zei, net als in het vorige artikel of ook door andere personen, dat alle zaken door degenen die bekenden voordat ze gemarteld zouden worden of voor de krijgsraad gebracht zouden worden, niet vaak in belangrijke mate dezelfde zijn. De betuigingen zijn gedaan, en er werd zelfs verzocht dat haar maar een bekentenis mocht worden voorgelegd en dat zij graag wilde tekenen om te sterven, maar dat zij aan het smeden van een samenzwering geheel onschuldig waren.

Er werd gezegd dat dit door velen tegenovergesteld werd getoond tijdens de verhoren. Er werd gevraagd of de meeste, want wanneer haar de doodstraf werd voorgehouden of nadat de doodstraf haar was aangezegd, elkaar om vergiffenis hebben gevraagd en ook onder het aanroepen van Gods naam hebben verklaard dat zij tegenover de rechter geheel onschuldig waren.

De gevraagde zei dat zijn lot en zijn eigen briefwisselingen over het vermeende gesmede verraad. Er werd gevraagd of hij in de brief ook luitenant Swarts hem in zijn tegenwoordigheid had beschuldigd en waarop door hem, Schuurmans, werd geantwoord dat hij zeer graag wilde sterven maar dat alles wat Swarts gezegd had onwaarachtig was en hij in het geheel van geen verraad wist.

Bekijk transcriptie 


6. Aan Staman, Margaretha Bos, Cacla en Petrus Brouwer werd vrijstelling verleend van de helft van de door hen en hun gezin verschuldigde stoofgelden (belasting), met de bepaling dat de andere helft voor of op 15 oktober betaald moest worden.

7. Aan Bos Sargui werd uitstel verleend voor de betaling van het door hem verschuldigde patentrecht (recht om een bedrijf te mogen uitoefenen). Vanaf 1 oktober moest hij elke 2 maanden betalen zodat hij binnen een jaar alles zou hebben afbetaald.

8. Aan Christina Johanna van Dova werd uitstel verleend voor de betaling van haar achterstallige hoofdgelden (personenbelasting) en patentrecht. Zij moest elke 3 maanden betalen wat zij over 1 jaar verschuldigd was. De eerste termijn voor de hoofdgelden over 1638 moest zij betalen op ultimo oktober, die over 1639 op ultimo januari 1640, enzovoort. Totdat alles was afbetaald bleven de tot haar behorende slaven aan het land verbonden.

9. Het verzoek van Cecilia Geertruida Shuttig werd afgewezen, met de opdracht aan de administrateur van financiën om, als haar verschuldigde belastingen nog niet verjaard waren, de personen te vervolgen die zich borg hadden gesteld voor haar vrijgelaten slaven.

10. Aan Struys werd vrijstelling verleend van de hoofdgelden die hij en zijn kinderen aan het land verschuldigd waren, met de bepaling dat de hoofdgelden voor zijn slaven voor of op ultimo november 1640 betaald moesten worden.

Er werd een uittreksel gestuurd aan de ontvanger-generaal en de administrateur van financiën, ieder voor zover het hen aanging, en ook aan de aanvragers.

11-1141. Er werd een brief gelezen van de administrateur van financiën van 25 september, waarin hij voorstelde om een gratificatie (beloning) toe te kennen aan de klerk bij de magazijnen G. Schori Willweber et Alstaedt voor het maken en bijhouden van de boeken, overzichten en verantwoordingsstukken. Dit werk werd eerder gedaan door de onderluitenant-commies bij de magazijnen G. Scholte, die op 25 februari bij besluit was ontslagen. Dit werk werd grotendeels buiten de gewone kantooruren met grote nauwkeurigheid door bovengenoemde klerk voltooid.

Besloten werd aan de klerk bij de magazijnen G. von Wellweber et Alstaedt voor het verrichten van bovengenoemde werkzaamheden een gratificatie van 150 gulden te verlenen. De administrateur van financiën werd verzocht voor de betaling te zorgen, waarbij dit moest worden verantwoord onder hoofdstuk D, afdeling L, artikel 8 van de begroting. Er werd een uittreksel gestuurd aan de administrateur van financiën en aan de heer Alstaedt.

12-1142. Er werd een brief gelezen van de administrateur van financiën van 25 september, waarbij hij de gecontroleerde staten van het depot-magazijn der marine over het 2e kwartaal

Bekijk transcriptie 


Er blijkt verraad te hebben plaatsgevonden, waarbij de verraders heimelijk brieven gericht aan de burgerluitenant Benjamen Pego wisten te bezorgen. Dit gebeurde via de kapitein van een Portugees schip, genaamd Louis Sanche de Castris, die enige tijd voor de ontdekking van het vermoedelijke verraad met zijn schip ter plaatse was geweest. De Castris had iets gemerkt dat leek op verdachte correspondentie of slechte plannen. Verschillende personen beschuldigden De Castris tijdens ondervragingen onder foltering ervan dat hij een van de belangrijkste uitvoerders was geweest van het vermoedelijke verraad. De ondervraagde moest beantwoorden of dit waar was. De mensen die deze brieven en andere documenten in handen hadden, lieten door hun houding, gedrag en betrouwbare getuigenissen zien dat de verraders door hun duidelijke onbetrouwbaarheden en hun bekende ontrouw aan hun voorgenomen daad niet meer konden nadenken over het uitvoeren van hun plan. De ondervraagde werd gevraagd of hij hieruit niet begreep dat het onmogelijk was dat een complot onder zo'n groot aantal mensen gesmeed kon worden.

Bekijk transcriptie 


Den Geer zei dat de ter dood gebrachte persoon terecht was gestraft en niet onschuldig was. Zij was schuldig aan landverraad en had met haar slechte plannen veel onschuldige mensen in gevaar gebracht.

Den Geer zei dat hij verwachtte dat de ondervraagde nu duidelijk zou moeten vertellen wat er precies gebeurd was. Dit moest de secretaris opschrijven. Hij herinnerde de ondervraagde eraan dat luitenant Andries Swarts en burger Benjamin Pegolotti om genade hadden gevraagd tijdens de krijgsraad, maar dat hun de doodstraf was aangezegd.

Den Geer zei dat hij zich dit niet kon herinneren. Deze vraag werd beantwoord met dezelfde verklaring als bij de vorige vraag.

Ten slotte moest er ook een verklaring komen over de volgende personen:

Er werd gezegd dat er geen echte ontdekking was gedaan door middel van brieven, geschriften of andere bewijzen hierover.

Bekijk transcriptie 


Barner kreeg de opdracht om soldaat Frederik Andriesz een neusdoek voor de mond te binden toen deze op het schavot iets wilde zeggen om zo zijn onschuld aan de wereld bekend te maken. De ondervraagde werd gevraagd of deze opdracht was gegeven door voorzitter Bierens en of de krijgsraad hierover eerst een besluit had genomen. De ondervraagde zegt dat dit vanwege de menigte gebeurde.

Ook werd de ondervraagde gevraagd hoe hij lid kon worden van de krijgsraad en zijn toestemming kon verlenen tot het verbannen van zoveel mensen voor een reeks van jaren naar het Robbeneiland, terwijl deze mensen door de aanhoudende marteling van alle beschuldigingen waren gezuiverd. De ondervraagde zegt dat dit niet zo is gebeurd.

Vervolgens werd hem gevraagd hoe het toeging met de ondertekening van de justitiedocumenten in de raadkamer en op de secretarie.

Bekijk transcriptie 


De ondervraagde persoon werd gevraagd of hij wist dat de zaak al langere tijd in handen was geweest van justitie, waar deze altijd was gebleven. Hij had de zaak zelfs namens de heer Vuijst vanwege de ziekte van de secretaris naar de raadkamer gebracht.

Bij verdere ondervraging zei hij dat hij de zaken niet zo kon weergeven zoals ze werkelijk bij de krijgsraad waren gebeurd, omdat hij de ware inhoud niet kende.

Aan de ondervraagde werd gevraagd of wat hem was voorgelezen een waar verhaal was, namelijk of de slaaf van luitenant Swarts, genaamd Francisco, in de krijgsraad op 20 april zulke redeneringen had gevoerd als in de akten van die datum stonden opgetekend.

Ook werd hem gevraagd of hij wist dat dergelijke behandelingen tegen het gebruikelijke verloop van vergaderingen waren waar recht werd gesproken, en waar de notulen moesten blijven zoals ze tijdens de rechtszitting waren gehouden.

Verder werd gevraagd of hij bij herlezing van de documenten had gemerkt dat er verschillende belangrijke correcties en veranderingen waren gemaakt in wat er in de krijgsraad door alle leden samen was behandeld.

Bekijk transcriptie 


Celestina van Anna vroeg of ze vrijgesteld kon worden van het betalen van hoofdgelden voor haarzelf en haar 4 kinderen. Ze moest deze belasting betalen over de jaren 1630 tot en met 1636 maar verkeerde in een slechte financiële situatie. Ze bood aan om de belasting voor een slavin die haar toebehoorde wel te betalen.

De administrateur van de financiën gaf advies op 27 dezer. Er werd besloten dat Celestina van Anna werd vrijgesteld van de hoofdgelden voor haarzelf en haar kinderen tot en met het jaar 1636. De belasting voor de slavin en de vervolgingskosten moesten wel worden betaald voor 15 april aanstaande.

Coseple Sarqui diende ook een verzoek in. Hij overlegde een certificaat van onvermogen en vroeg om vrijstelling van hoofdgelden voor zichzelf, zijn vrouw en kinderen, en voor 2 slaven die aan zijn kinderen toebehoorden.

De administrateur van de financiën gaf advies op 27 dezer. Er werd besloten dat Coseple Sarqui werd vrijgesteld van de hoofdgelden voor hemzelf, zijn echtgenote en kinderen tot en met dit jaar. De belasting voor de beide slaven en de vervolgingskosten moesten wel worden betaald in 2 termijnen: voor de jaren tot en met 1634 op ultima mei, en voor de 4 volgende jaren op een later moment.

Bekijk transcriptie 


10 januari 1730 verscheen voor de aangewezen leden uit de achtbare raad van justitie van het kasteel Colombo de ondervraagde uit de eerder genoemde verhoren. Zijn eerdere antwoorden werden hem duidelijk voorgelezen in aanwezigheid van koopman-fiscaal Joan de Mauregnault en enkele leden van de voormalige krijgsraad. Hij verklaarde bij zijn gegeven antwoorden te blijven, maar wilde de volgende verandering en aanvulling maken:

Dit werd gedaan, opnieuw doorgenomen en uitgebreid binnen het kasteel Colombo in de raadkamer van justitie op bovenstaande dag, in aanwezigheid van de edelachtbare leden Johan Willem Soenel en meester Johan Busch. Getekend door L. Overschie, aan de zijkant stonden J.W. Scinee en Johan Busch, en onderaan stond: in aanwezigheid van A. Velge, secretaris. Overeenstemmend bevonden door D. Storm, secretaris.

Bekijk transcriptie 


Verhagen, de beëdigde klerk, verklaarde dat hij voor God en zijn geweten kon verantwoorden dat de getuige op verschillende latere waarschuwingen, wanneer hij iemand kwam te noemen, eraan herinnerd moest worden dat hij eerder had gezegd en beloofd de waarheid te zullen spreken. Hierop deed de getuige steeds zeer krachtige betuigingen zoals eerder vermeld stond, zonder dat hij ook maar in het minste onderbroken werd door iemand. Zo eindigde hij zijn verklaring zoals die in het protocol te vinden was.

De ondervraagde zei dat hij de voorgaande punten naar waarheid had beantwoord, zoals hij in het vorige artikel al had gezegd. Daarom bleef hij bereid om deze ten allen tijde onder ede te bevestigen wanneer hem dit gevraagd zou worden en hij zich in staat achtte om deze met een eed te kunnen bekrachtigen.

Dit werd gedaan, gevraagd en beantwoord in het kasteel Colombo in de raadkamer van justitie op de voornoemde dag, in aanwezigheid van de edelachtbare leden Johan Willem Schnee en Aza Johan Busch, die de originele versie hiervan samen met de ondervraagde en de beëdigde klerk ondertekenden. Dit werd ondertekend door Verhagen, beëdigd klerk.

Overgegeven in de gewone raadkamer op 29 december 1724, ondertekend door I. D. Mauregnault.

Bekijk transcriptie 


Pator en de ander botsten tegen elkaar en vielen samen op de grond, waarbij Pator aan zijn voorhoofd wat gewond raakte. De getuige verklaarde naar beste kennis.

Tenslotte werd de ondervraagde gevraagd of hij nog meer zaken kende die nadere opheldering konden geven over de punten die hem waren voorgelegd, of over zaken die daar mee te maken hadden.

Hij antwoordde nog te kunnen zeggen dat toen Jensen bij de krijgsraad verscheen en daar een verhaal deed van wat hem bekend was over het gesmede verraad, hem gevraagd werd of hij daar een verklaring over wilde afgeven. Hij antwoordde: "Ja, graag van dat wat mij bekend is." Daarop besloot de krijgsraad Luitenant Koorenaar aan te wijzen als commissaris voor wie de verklaring zou worden afgelegd. Vervolgens ging de krijgsraad uiteen.

Voordat de genoemde Jensen overging tot het afleggen van zijn verklaring, vermaande de getuige hem op christelijke wijze bij alles wat heilig was. Hij zei dat Jensen, nu hij op het punt stond zijn woorden op schrift te laten stellen, voorzichtig moest zijn en bij de zuivere waarheid moest blijven. Als hij iemand op onrechtvaardige wijze zou beschuldigen, zou dat een gruweldaad zijn die hem zwaar te vergeven zou zijn. Hij moest vooral bedenken dat hij nu wel voor een wereldse rechtbank stond, maar dat hij uiteindelijk op de jongste dag voor de rechterstoel van God zou moeten verschijnen. Daar zou hij rekenschap moeten geven van elk woord dat hij hier sprak tot nadeel en onwaarheid van zijn medemens. Als hij leugens zou spreken, zou hij een vreselijke straf krijgen.

Hierop sloeg Jensen zijn ogen naar de hemel en stak op dezelfde manier zijn rechterhand op. Met een bewogen gezicht zei hij: "Ik weet dat ik op de jongste dag voor de rechterstoel van God zal moeten verschijnen om rekenschap te geven, en daarom zal ik niet liegen."

Bekijk transcriptie 


Pieter Cornelis de Patot, de toenmalige dessave (bestuurder) van Colombo, werd in de maand februari in opdracht van de edele heer Vuijst naar Nigombo gestuurd, zogenaamd om toezicht te houden op de reparaties van de verdedigingswerken.

Vlak voor het vertrek van heer Vuijst naar Nigombo gebeurde er iets in de krijgsraad tussen hem en dessave Patot. Bij het bekijken van papieren viel er een brief met het zegel van een Portugees rijk in handen, die al eerder in de vergadering was getoond. Heer Vuijst was hierover verbaasd en zei tegen heer Patot: "Wat een surtout dat Cachiet heeft." Heer Patot antwoordde: "Dat is een aanzienlijk zegel, bewaar het zeer zorgvuldig."

Kort daarna brak heer Patot het zegel in kleine stukjes en gooide het in het vuur. Toen de edele heer Vuijst vroeg wat er zo stonk, antwoordde heer Patot dat hij een beetje lak in het vuur had gegooid.

Vervolgens vroeg de edele heer Vuijst naar het Cachiet (zegel), waarop heer Patot antwoordde dat hij het in het vuur had gegooid. De edele heer Vuijst reageerde geschokt: "Mijn God, mijn heer Patot, hebt u dat zegel in het vuur geworpen? Ik heb u er zo ernstig om verzocht omdat het zo aanzienlijk was en u het zorgvuldig zou bewaren. Mijn heer Patot, wat moet ik hiervan denken?"

Bekijk transcriptie 


De volgende personen kregen vrijstelling verleend van de betaling van de door hen tot en met het jaar 1636 verschuldigde hoofdgelden: Ellexa, Elisabeth Claudia Francina Hart, Johanna Eslava Reyniger, Charmantje van Windhorst, Annarange van S. van Buuning, L'Esperance van Goedschalk, Fredresca Retty van Sluyter, de weduwe S. Preheen geboren van Bergen, Maria Martha Valentyn, Ollana van Polak en Rosa Maria Brandon.

Aan Catharina Bauyning, Francia van Ste. Helpa en S. Wakker (zowel voor zichzelf als voor de in zijn adres genoemde kinderen) werd te kennen gegeven dat er vooralsnog geen redenen bestonden om hen volledig vrij te stellen van de door hen verschuldigde hoofdgelden.

Aan Josephina Kleinhardia van Eett, Charlotta Petronella S van Ermelo, Johanna Etendusca Boeteman en Susanna Esbaterel werd te kennen gegeven dat om eerder aangehaalde redenen in hun verzoeken niet kon worden getreden. De administrateur van Financiën werd geautoriseerd om tot inning van het door de tweede genoemde verschuldigde over te gaan en maatregelen te nemen tegen de voor haar gestelde borgen.

Aan Susanna Elisabeth Reynigere werd vrijstelling verleend van de door haar tot en met 1636 verschuldigde hoofdgelden, maar het verzoek om vrijstelling van de patentrechten werd afgewezen.

Aan Estate Damen Laura da Pr. werd vrijstelling verleend van de door hem over dit lopende jaar verschuldigde hoofdgelden, alsmede van het door de boedel van wijlen zijn vader over het jaar 1631 verschuldigde patentrecht.

Aan Marcus Samsonig en Jos. Sarqui werd vrijstelling verleend van de door hen voor zichzelf en hun gezinnen over dit lopende jaar verschuldigde hoofdgelden, maar hun verzoek om vrijstelling van die voor de aan hen behorende slaven en de patentrechten werd afgewezen.

Aan Johanna Jacoba Labact werd vrijstelling verleend van de door haar persoon verschuldigde hoofdgelden, maar wat betreft het voor haar slavin verschuldigde werd dit afgewezen.

Aan Aaron Monsanto werd opgelegd om de door hem verschuldigde hoofdgelden te betalen in driemaandelijkse termijnen, elke 3 maanden te betalen.

Bekijk transcriptie 


15 december 1838 werd de Resident van Timor, Bex, opgeroepen om zijn plannen toe te lichten over walvisvangst door middel van een op te richten maatschappij. Hij moest deze voorstellen bespreken met heer Franks en daarna zo snel mogelijk terugkomen.

Het Ministerie van Koloniën had 7 maart 1838 een brief gestuurd (nummer 2153) waarin het Kantoor werd uitgenodigd om advies te geven over de vraag of de visserij in de Indische archipel nuttig gemaakt kon worden voor de Nederlandse handel. Hiervoor werd eerst het advies ingewonnen van de Generale Directie van Financiën en van de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Deze vraag werd 11 december 1838 (Besluit van die dag nummer 137) positief beantwoord. Wel werd opgemerkt dat een onderneming voor walvisvangst in Indië niet tot stand kon worden gebracht zonder hulp van Nederlandse kapitalisten en vissers, en ook niet zonder tussenkomst en medewerking van het bestuur. Daarom werd de Minister verzocht...

Bekijk transcriptie 


Surqui had een verzoek ingediend. Om geen onnodige herhaling te maken, verwees de schrijver naar het bijgevoegde afschrift van dat verzoek en naar de kopie van het bericht dat de heer Lisman daarover had uitgebracht op 3 november. De mededelingen en verduidelijkingen die Lisman had gegeven waren voldoende om bij resolutie nummer 1480 van die dag, die was bijgevoegd, het verzoek van Surqui af te wijzen.

De schrijver zou Zijne Excellentie eigenlijk niet met deze zaak lastig hebben gevallen, maar hij hield het voor mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat van de zijde van Surqui daarover het een en ander bij Zijne Excellentie naar voren zou worden gebracht. Dit vermoeden werd versterkt doordat Surqui tot deze stap vooral was aangezet door de welbekende, inmiddels van de lijst van advocaten geschrapte mr. Hoeylidy. Deze laatste leek zo zijn wraak en woede te willen koelen op allen die op welke manier dan ook betrokken waren.

Het verzoekschrift was gericht aan Zijne Excellentie de heer Gouverneur van Suriname. Joseph Parqui gaf met verschuldigde eerbied te kennen dat laat in de avond van zaterdag 28 augustus, omstreeks half 11 uur, bij de woning van de verzoeker de waarnemende Procureur-Generaal mr. H. Al. Lisman was verschenen, vergezeld door:

Nadat deze heren de woning van de verzoeker waren binnengekomen, had de waarnemende Procureur-Generaal te kennen gegeven dat hij was gekomen om een onderzoek te doen naar een pasgeboren kind dat enkele dagen eerder vermoord was aangetroffen. Ondertussen had zich al een grote menigte volk voor de woning van de verzoeker verzameld, die snel aangroeide tot enkele duizenden mensen. De luitenant van politie liet de deuren sluiten en eiste dat ook de vensters gesloten werden gehouden.

Bekijk transcriptie 


29 juli werd er een rechtszaak behandeld. Colini Cumpbell was gemachtigde in Nederland van een handelshuis in Glasgow dat onder de naam Ransolin Campbell handelde. Hij was de eiser tegen Donald Cameron, Duncan Cameron en Williams MacIntosh. Zij beheerden de plantage Leasorres in de kolonie aan de zeekust in het district Nickerie. De zaak werd beslist: de gedaagden werden vrijgesproken van de aanklacht, maar de eiser moest de proceskosten betalen.

Verder werden de uitspraken vastgesteld over voorrang en gelijktijdige aanspraken in de boedels van Aron Vascaro, Elias Coh en Lobato en Simcha Sulrador Sarqui. Deze zaken waren bekend uit de notulen van 5 augustus. De uitspraak zou ter rechtbank plaatsvinden.

Aanwezig bij deze vergadering waren: A. Lammens, H. A. Hayunga, P. Tompert, D'Kiens Smeding, A. P. Genard, A. van Meerten (griffier).

Dinsdag 25 augustus 1629 waren aanwezig: Mr. Ho. S. Lammens (president), H. R. Huysnga, P. Tromport, P. Fiers Smeding, J. P. Genard, G. Moirlander (leden) en Van Meerten (griffier).

De notulen van de vergadering van 20 augustus werden hervat en vastgesteld. Er werd een brief gelezen van de gouverneur-generaal van de Nederlandse West-Indische bezittingen van 20 augustus, nummer 338, waarin hij het hof vroeg om overwegingen en advies.

Bekijk transcriptie 


28 juli werd goedgevonden:

Op 28 juli werden de volgende verzoekschriften gelezen:

De overwegingen en het advies van de waarnemende werden gezien.

Bekijk transcriptie 


14 april, 's avonds om 11 uur, Brussel. Sinds de brief die hij die ochtend schreef, hadden zij nog een audiëntie gehad. De afgevaardigden zouden hier een uitgebreid verslag van geven. De kern was dat de markies verklaarde volledig bereid te zijn om alles te doen wat zij wensten, maar dat hij door de bevelen van de koningin verplicht was om tegelijkertijd zekerheid te krijgen over hun hulp in het geval Frankrijk zou weigeren. Hij had bij de Spanjaarden de exacte woorden van de koningin hierover gezien, die met de laatste post waren gekomen. De markies vroeg niet om een verdrag tegen Frankrijk (zoals het verzoekschrift van Don Estevan de Gamarra vermeldde), maar om:

Hij bood aan om, zodra dit document was opgesteld, het in een ander papier te verzegelen en bij een derde partij in bewaring te geven, zodat duidelijk zou zijn dat hij het alleen voor zijn eigen verantwoording en de zekerheid van Spanje zou gebruiken. Hij zei dat hun verdragen en besluiten alleen tot henzelf spraken, niet tot hem. Men moest toegeven dat hij gelijk leek te hebben in zijn verzoek, omdat zij beiden Frankrijk dergelijke toezeggingen hadden gedaan over wat zij zouden doen bij een weigering van Spanje, en zelfs meer dan dat, in strijd met hun verdrag, voordat Frankrijk hun iets had toegestaan.

Bekijk transcriptie 


In januari arriveerden verschillende vreemde schippers en passagiers. Op 1 januari kwamen W. Lurvey met 8 passagiers, Edmune Ternald met 1 passagier, Consider Mertit met 11 passagiers, Andre de Simon met 1 passagier en Bugh Oor met 14 passagiers. Op 15 januari arriveerden Tmuel Poul, Jacobs Abrahams, Thomas Baynes en James King, elk met 1 passagier. Op 21 januari kwam James Kupsel met 1 passagier en op 30 januari Hendri Ten met 1 passagier.

In februari arriveerden op 1 februari Benry Alkine met 4 passagiers, Tsurel Lassel en John Robenson elk met 1 passagier, en J. C. A. Champion (priester). Op 19 februari kwam Benjamin P. Ingels met 1 passagier, op 23 februari Haddoks Jacob Olivier met 35 passagiers en op 27 februari Josua Rathbone met 1 passagier.

In maart arriveerden op 17 maart Andre de Simon met 1 passagier, op 18 maart Thomas Boyles met 1 passagier en Ebenezer Col met 1 passagier, en op 23 maart kwam er 1 persoon aan.

In april arriveerden op 3 april T. Baynes met 1 passagier en op 6 april Samuel Allen. Ook kwam Haugwitz Ch:s de Stlouis met zijn huispersoneel bestaande uit slaven. Op 18 april kwamen Thomas Smitsi en Benjamin Brandhurst, op 19 april James Winstalij, op 21 april Joseph Devasey en op 28 april B: Conner, allemaal met 1 passagier. In totaal werden 30 personen getransporteerd.

Er vertrokken ook vreemde schippers en passagiers. In januari vertrokken op 4 januari Jacob Higgens met 1 passagier, op 9 januari Pan ten nman met 1 passagier, op 10 januari I. B. Cook, op 11 januari Ebeneser Brusch (afgevaardigde van de staten van Amerika) en C. Conklin, op 22 januari B3: Watls met 1 passagier samen met Davie Wendorp (zijn klerk en knecht), op 27 januari A. C. Muisken D. F. Hoen

Bekijk transcriptie 


onbekende persoon kreeg toestemming om een stuk grond te gebruiken, te bebouwen en te bewonen. Het perceel lag ten zuiden van de verlengde Keizerstraat, genummerd als 81:63. Het was 20,72 meter breed en 82,88 meter diep (in totaal 1717,20 vierkante meter).

De voorwaarden waren:

  • Vanaf 1 januari 1674 moest hij jaarlijks pachtgeld betalen aan de koloniale kas: 10 cent per 10 vierkante meter.
  • Hij moest de straat langs het perceel goed onderhouden, zoals voor grondbezitters was of zou worden voorgeschreven.
  • Als hij zich niet aan de regels hield, zou de vergunning vervallen.

Er werd ook bekend gemaakt dat:

  • Aan verschillende mensen percelen in pacht zouden worden gegeven aan de verlengde Meiren Atlantstraat, zodra zij de vereiste kaarten hadden ingeleverd. Dit betrof: M. M. Aller (perceel 59), D. D. Ranswee (60), G. I. Kijniger (61), M. D. Renard (62), A. de Misanda gehuwd met Mo. E. Henriques (perceel 64), D. Ernest (65), P. P. Hosman (66), I. S. Sichtman (67), D. P. Sichtman (68), A. S. Bolte (69), D. D. Doth (70).
  • Aan J. S. Doth en H. H. Bear werd meegedeeld dat de 12 beschikbare percelen al aan anderen waren toegewezen die zich eerder hadden gemeld, dus hun verzoek kon niet worden ingewilligd.
  • Aan J. De. Mo. Coliarer, geboren Sarqui, werd meegedeeld dat haar verzoek om een perceel in pacht zonder pachtgeld en met gratis verstrekking van de vereiste kaart niet kon worden ingewilligd. Ze mocht wel onder de normale voorwaarden een nieuw verzoek indienen met een situatiekaart.
  • Aan H. J. Bolte werd meegedeeld dat haar verzoek niet kon worden ingewilligd omdat haar bij gouvernementsbesluit van 23 september 1873 nummer 1 al een perceel in de buurt in pacht was gegeven.

22 januari werd een brief gelezen van 17 november over een koninklijk besluit van 3 november nummer 20. Hierin werd aan kanonnier vijfde klasse Mo. M. Paléé, die zichzelf Wahlé schreef (stamboek nummer 3494) en bij de landmacht in Suriname had gediend, een jaarlijks bedrag van 150 gulden toegekend ten laste van de staatsbegroting van het Departement van Koloniën. Dit besluit werd doorgegeven aan de Administrateur van Financiën.

22 januari werd ook het verzoek van 10 november van B. J. de la Dara gelezen. Hij vroeg om 2 hectare grond van de plantage

Bekijk transcriptie 


De Gouverneur moest uitleggen van welke plantages en gronden op de door hem overgelegde lijst de eigenaren of beheerders aanwezig of bekend waren, en waarom er tegen hen geen vervolgingen waren ingesteld vanwege de verschuldigde belasting.

16 juli: Er werd een verzoek gelezen van het Kerkbestuur van de Nederlandse Portugese Israëlitische Gemeente. Zij vroegen toestemming om leden die achterstallige betalingen hadden voor contributies en offergelden tot en met het Israëlitisch jaar 5615 (12 september 1855) voor de rechter te brengen. Op basis van artikelen uit publicaties van 2 september 1828 en 17 januari 1833 werd het Kerkbestuur toestemming gegeven om deze achterstallige leden te dagvaarden.

25 juli: Er werd een ongedateerd verzoek gelezen van Joseph Sarqui, die vroeg om na het afleggen van het vertalersexamen te worden aangesteld als tolk in de Portugese en Engelse talen. Ondanks het door de verzoeker overgelegde bewijs van onvermogen en op basis van het rapport van de Procureur-Generaal van 13 juli, besloot de Gouverneur het verzoek af te wijzen. Hiervan werd een afschrift gestuurd naar de Procureur-Generaal ter informatie.

27 juli: Er werd een ministeriële brief van 13 juni gelezen waarin onder andere stond dat de onlangs aangekochte plantage Rustenburg als overheidseigendom zou worden aangemerkt en beheerd. De heer Wildeboer werd gehoord met betrekking tot het beheer.

Bekijk transcriptie 


Petrus Bechers verklaarde dat een inwoner de fakkel nam, dat 1 van de rekruteurs zou worden vervolgd, en dat hij nog een klap op zijn rug kreeg. Uiteindelijk werd degene die verscheen gedwongen het poeder op te rapen. Hij verklaarde verder dat de genoemde rekruteurs hem een halve florijn aanboden om hem als tamboer te werven. Deze verklaring werd gedaan onder aanbod van het afleggen van een eed zoals vereist.

G. Clocker, hoofdofficier van de Vrijheid van St. Pierre, heeft officieel een lijst met vragen ingediend om onder ede personen te ondervragen. Dit werd toegestaan.

De vragenlijst bevatte de volgende punten:

  • Hun naam en hoedanigheid
  • Hun woonplaats en beroep
  • Of zij hebben gezien dat Pierre Coulen werd geslagen en gewond, en op welke plek
  • Waar, wanneer en op welk tijdstip dit gebeurde
  • Welke verwondingen Pierre Coulen opliep en met welk instrument
  • Of er ruzie was en moeilijkheden
  • Alles wat zij verder wisten

De hoofdofficier vroeg dat de verklaringen schriftelijk zouden worden opgesteld.

15 juni 1785 verscheen voor 2 afgevaardigde schepenen van St. Pierre de vrouw Marie Anne Hermans, echtgenote van Gerard Rogies, inwoonster van deze vrijheid. Zij was behoorlijk gedagvaard en beëdigd en verklaarde dat zij Marie Anne Hermans heette, echtgenote van Gerard Rogies. Zij woonde in de vrijheid van St. Pierre op de plaats genaamd Schotel en was tuinvrouw van beroep. Zij had gezien dat Pierre Coulen werd geslagen door 3 soldaten die in het groen gekleed waren.

Bekijk transcriptie 


Anna Wilsulmina Heebut, getrouwd met Martin, en N. Herbert, die optraden als uitvoerders van het testament van Henriette Johanna Muria Turko (ook wel Al Turbo genoemd), dienden een verzoek in. Zij hadden aan het Huis Geugin een stuk grond met gebouwen verkocht aan de Kiezersprat, geregistreerd onder nummer W. L: A N: 241, 0. N. L: 837: 187. De verzoeksters vroegen om af te zien van het recht van naasting van dit perceel.

19 november werd besloten om af te zien van het recht van naasting van het perceel. Een afschrift van dit besluit zou aan de verzoeksters worden gestuurd.

Er werden verschillende verzoeken ingediend om vrijstelling of uitstel van betaling van verschuldigde belastingen door:

  1. de weduwe Clemers, geboren Iendoorn
  2. H. Esser
  3. Constantia Buknee
  4. Johanna Matia Meikers
  5. I. Sarqui, namens de uitvoerders van de nalatenschap van Orans van Cussur

Deze verzoeken werden bekeken samen met de overwegingen en het advies van de Administrateur van Financiën van 16 van die maand, nummer 639 1588.

Bekijk transcriptie 


Alvares was mede-erfgenaam van Simeha Salvador Sarqui. In plaats van het haar bij besluit van het College van Commissarissen voor het departement der Onbeheerde Boedels op 28 augustus 1852 toegekende een vierde gedeelte in de nalatenschappen, zal een derde gedeelte daarvan aan haar worden uitbetaald. De curator kon echter niet aan het besluit voldoen, aangezien met toestemming van het College aan Josephi Sarqui (die volgens het besluit van het gerechtshof slechts voor een derde gedeelte in de nalatenschap gerechtigd was) de helft daarvan was uitbetaald. Hierdoor ontstond een tekort van 156,93 gulden.

De curator stelde daarom voor dat toestemming werd verleend om voorlopig het bedoelde tekort te betalen en dit te verrekenen met of af te trekken van het bedrag der verzamelde boedels, dat bij de eerst voorkomende gelegenheid in 's lands kas zou moeten worden gestort.

Na kennisname van de overgelegde stukken is goedgevonden en verstaan: de curator bij het departement der onbeheerde boedels werd volgens het voorstel gemachtigd om op aanvraag van belanghebbenden het tekort van 156 gulden en 93 cent (156,93 gulden) te betalen, en dit bedrag in te houden van het bedrag der verscheidene boedels die bestemd waren om in 's lands kas te worden gestort.

Hiervan zou ook afschrift worden gezonden aan de administrateur van financiën ter informatie.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/