Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 2 januari 1692 verscheen Dirck van der Groe, notaris, voor zichzelf en in aanwezigheid van de nabestaande getuige Carel Goske (wonend in dezelfde stad). Hij verklaarde schuldig te zijn aan Jan Fentsel, een assistent in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Batavia. Van der Groe moest Fentsel betalen: Deze schuldbrieven waren opgesteld door notaris Divuis van Es in Batavia op 6 augustus 1690. De betaling moest komen uit de erfenis van Pieter de Wit (een voormalig notaris), waar Fentsel voor de helft recht op had. Adriaen van de Cruys, diaken en executeur van de erfenis, was verantwoordelijk voor de uitbetaling. Van der Groe had ook een volmacht van Fentsel (opgemaakt door Van Es op 6 augustus 1690), waarmee hij namens Fentsel kon handelen. Verder verklaarde Van der Groe dat hij akkoord ging met de afhandeling door Van de Cruys en de andere executeurs. Zij mochten de volledige erfenis van Fentsel (inclusief de schuldbrieven en volmacht) overdragen aan Bartholomeus Targier, een gemachtigde van Fentsel. Van der Groe beloofde dat hij nooit bezwaar zou maken tegen deze regeling en ook nooit meer zou proberen de schuld van 800 dukaten op Fentsel te verhalen.
Bekijk transcriptie 


Op 23 maart 1666 verscheen Barent Lucasz van Haarlem voor notaris Pieter van Buijtene in bijzijn van getuigen. Hij was gezond en helder van geest en tekende een testament voordat hij als matroos zou vertrekken op het schip Het Wapen van Utrecht, onder leiding van kapitein Hendrick Goskes. Het schip voer in dienst van de Gecommitteerde Raden van de Admiraliteit in Amsterdam. In zijn testament bepaalde Barent Lucasz het volgende:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Johan Goske had op 15 juli 1725 in 's-Gravenhage tien leningbriefjes (obligaties) op naam staan, die hij via notaris de Burg aan Pieter Smit overdroeg. Op 4 juli 1725 verkocht Smit deze briefjes via notaris Michiel Lirraas aan de uitvoerders van het testament van Samuel Levi Zimines (ook bekend als Samuel Zimenes), voor rekening van Zimenes zelf. Deze obligaties waren oorspronkelijk door Zimenes' voormalige voogden op 2 juli 1738 aan hem overgedragen en op 2 september 1738 door de Hoge Raad van Holland bevestigd als zijn eigendom. Nu verklaart Zimenes dat de leningen, inclusief rente, volledig zijn afbetaald. Hij staat deze obligaties af voor een koop, specifiek ten behoeve van de vier minderjarige kinderen van Jacob Tereira de Mates en Rachel de Pinede: Judith, Hester, Rabicca en de Vier. De voogdij over deze kinderen ligt bij de Edel Achtbare Heeren Weesmeesters (weeskamer). De obligaties hebben een totale waarde van 1010 gulden en zijn allemaal uitgegeven door Holland en West-Friesland, met het Generaal Comptoir als beheerder. Ze dateren van 1 september 1743 en 29 augustus 1724, met de volgende details:
Bekijk transcriptie 


In de periode van 1669 tot 1678 zijn er in Amsterdam notariële akten verzameld die nu bewaard worden onder het nummer 1970. Deze documenten zijn opgesteld door verschillende notarissen die in die tijd in de stad werkten.

De akten bevatten onder andere:

Deze akten geven een beeld van het dagelijks leven, de handel en de rechtszaken in Amsterdam tijdens de 17e eeuw. Ze zijn belangrijk voor historici die onderzoek doen naar de economie, samenleving en cultuur van die tijd.

Bekijk transcriptie 


In 1663 overlijdt de moeder van Pieter Ooske (leeftijd onbekend) en Hendrick Goske (leeftijd onbekend). Voor haar kinderen wijst zij als voogden aan: De bezittingen van de overledene worden gevonden op de hoek van de Boomsloot en de Oude Schans in Amsterdam. Dit zijn onder andere:
Bekijk transcriptie 


Nicolaes Hemminck, een notaris, legde op 11 maart 1679 een verklaring vast over een geschil rond de erfenis van de overleden Dietloff Wolbrantsz. Hier de belangrijkste punten: De verklaring werd opgesteld in Amsterdam en was gebaseerd op een eerder testament uit 5 september 1679, opgemaakt door notaris Coop van Groen en Josr. van der Burgh.
Bekijk transcriptie 


Op 27 september 1671 verscheen Goske Braber voor notaris Nicolaes Hemminck in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Dirck Blom en Evert Burgert. Goske Braber verklaarde dat hij, nu hij uit Oldenburg vertrok, zijn vrouw Roelofs als zijn officiële vertegenwoordiger had aangesteld. Zij mocht namens hem:

Goske Braber beloofde dat hij deze volmacht serieus zou nemen en dat zijn vrouw hiermee alle bevoegdheden kreeg. Als hij zich niet aan deze afspraak hield, kon hij gestraft worden volgens de geldende wetten.

Op 29 september 1671 verscheen Adriaen van Noon, een koopman, samen met Willem van Loon (oud-schepen van Amsterdam) en Alijae van San bij notaris Nicolaes Hemminck. In aanwezigheid van de getuigen Christoffel van Ackerlaecken en Nicolaes van de Joerre verklaarde Adriaen van Noon dat hij Ertidius Slacher (een hoge functionaris van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Middelburg) als zijn officiële vertegenwoordiger had aangesteld. Ertidius Slacher mocht namens hem:

Adriaen van Noon beloofde dat deze volmacht geldig was en dat de overdracht zonder verdere claims zou gebeuren. Als hij zich hier niet aan hield, kon hij volgens de wet gestraft worden.

Bekijk transcriptie 


Op 3 februari 1858 werden in Amsterdam verschillende overlijdens akten opgemaakt door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht van de overledenen en hun gegevens:

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1692 werd in Amsterdam een loterij gehouden voor de verkoop van schulden en leningen (zogeheten 'obligaties') uit verschillende steden, waaronder Sneek, Edam, Harlingen, Groningen en Enkhuizen. Enkele voorbeelden:

De totale opbrengst van Lot nummer 2 werd vervolgens via een blinde loting toegewezen aan twee verschillende rekeningen (Compten): Lot nummer 7 ging naar de tweede rekening en Lot nummer 2 naar de eerste rekening. Dit gebeurde onder toezicht van Jonathan Hardenbroeck, Steven van den Marck, Adriaen Hillendoorn en Gerrit van Genni, met David des Pommare en Gerrit van der Groe als getuigen. De akte werd op 28 april 1692 ondertekend en verzegeld.

Op dezelfde dag werd een geschil voorgelegd aan de Commissarissen van de zaken in Amsterdam. Het betrof een conflict tussen:

De partijen hadden hun geschil eerder al aan de Commissarissen overgedragen, zoals bleek uit een uittreksel van 15 januari dat jaar. Ze hadden ook een officiële overeenkomst (compromis) getekend op 8 februari en 11 februari, opgesteld door notaris Francois Tiperandet. De Commissarissen hadden vervolgens beide partijen meerdere keren gehoord, zowel in onderhandelingen als in formele zittingen. Ze onderzochten alle stukken en documenten, maar negeerden stukken die niet verzegeld waren volgens de regels voor het kleine zegel. Na alles te hebben bekeken, bereidden ze een vonnis voor.

Bekijk transcriptie 


Op 1 januari 1691 gingen Diego Pereira Flores (ook wel Isaak Levij Flores) en Joseph Levij Flores, allebei wonend in Amsterdam, naar notaris Dirck van der Groe. Zij verklaarden dat hun overleden zus, Lea Flores, getrouwd was met Salomon Levij Lminres (ook wel Maniel Lunen), een koopman uit Hamburg.

Volgens het huwelijkscontract (ketuba) dat Lea en Salomon hadden opgesteld, hoefde Salomon niets terug te betalen uit dit contract. De broers gaven aan dat ze hiermee akkoord gingen. Ze stemden er ook mee in dat Salomon alle uitkeringen uit het huwelijksgoed mocht geven aan hun broer Jacob Levij Flores, die eveneens in Hamburg woonde. Jacob had hun zus uitgehuwelijkt en het huwelijksgoed van hun zus ontvangen.

De broers verzaken ook officieel elk recht op de erfenis van hun zus ten gunste van Jacob. Ze lieten een akte opmaken door de notaris, in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Lonis van der Groe.

Op dezelfde datum, maar dan in het jaar 1 januari 1662 (waarschijnlijk een fout, moet 1691 zijn), verscheen Carel Goske, wonend in Amsterdam, bij notaris Dirck van der Groe. Hij verklaarde dat Jan Tentsel, een assistent van de Vereenigde Oostindische Compagnie in Cochin (een plaats in India, toen Cataria genoemd), twee schuldbrieven had. Deze waren samen goed voor 800 dukaten (een oude muntsoort). De schuldbrieven waren opgesteld in Cochin op 6 augustus 1690.

Deze 800 dukaten moesten worden betaald uit de erfenis van Pieter de Wit, een voormalig notaris in Amsterdam. Adriaan van de Cruijs, diaken van de Waanse (Waalse) gemeente en executeur van het testament van Pieter de Wit, was verantwoordelijk voor de uitbetaling. Jan Tentsel was voor de helft erfgenaam van Pieter de Wit.

Carel Goske verklaarde dat hij een volmacht had van Jan Tentsel om de schuldbrieven te regelen. Hij stemde ermee in dat Adriaan van de Cruijs en de andere executeurs de schuldbrieven en de erfenis van Jan Tentsel konden overdragen aan Bartholomeus Targier, de gemachtigde van Jan Tentsel.

Carel Goske beloofde dat hij geen verdere claims zou indienen bij Adriaan van de Cruijs, de andere executeurs of de diaken van de Waanse gemeente voor deze schuld van 800 dukaten. Hij zou zich alleen richten tot Bartholomeus Targier of Jan Tentsel zelf.

Deze verklaring werd opgesteld in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Gerrit van der Groe en Jacobus LePer.

Bekijk transcriptie 


Cornelis Touw, een notaris, legde op 2 december 1637 in Amsterdam een verklaring vast in aanwezigheid van getuigen Claes Boeles en Gerrit Schouten. Aaltje Ellerts, weduwe van Jan Oom Claesz, gaf Douwe Indse, een schipper, de opdracht om namens haar 396 gulden te innnen. Dit bedrag was verschuldigd door de weduwe en erfgenamen van Barent van Canckebeer uit Bremen. De schuld betrof 12 ton zeep die in 14 oktober 1632 was verzonden: 6 ton door schipper Harman Jansz en 6 ton door schipper Heyndrick Hartman. Douwe Indse mocht ook een kwitantie afgeven en, als de betaling uitbleef, naar de rechter stappen. Op 1 december 1637 liet Jan Jansz de Jongt (bijnaam: cleerbesem) via de notaris aan Jan Heijndricx Admiraelsz weten dat deze eerder juwelen van hem had gekregen om te verkopen. Omdat de verkoop niet lukte, had Jan Heijndricx van Jan Coesert 700 gulden geleend, met de juwelen als onderpand. Nu eiste Jan Coesert het geld terug, inclusief rente. Omdat Jan Heijndricx niet kon betalen, dreigde Jan Coesert de juwelen te verkopen. Jan Jansz de Jongt waarschuwde Jan Heijndricx via de notaris om snel te betalen, anders zou de verkoop doorgaan en zou Jan Heijndricx zelf de kosten en schade moeten dragen.
Bekijk transcriptie 


Op 29 maart 1692 kwamen Eva Soulaer, weduwe van Egbert van Hoorn, en Pieter Golkes, beide inwoners van Amsterdam, bij notaris Henrick Outgers. Ze verklaarden dat ze geld hadden ontvangen van Abraham de Lammerend en Jaques de la Fontaine, de voogden van de minderjarige kinderen van François de Lammerend.

Het geld kwam uit een bedrag van 4000 gulden (inclusief rente) dat François de Lammerend volgens een akte van 12 april 1688 had gekregen. Dit was bestemd voor de erfgenamen van Ijtje Hendricx, de overleden vrouw van Marius Magnusz Blond.

Eva Soulaer kreeg 1000 gulden, en Pieter Golkes kreeg 1600 gulden. Dit was hun deel van de 4000 gulden, zoals bepaald in de akte van 12 april 1688.

Omdat het geld deel uitmaakte van een fideicommis (een speciale erfregeling) uit de laatste wil van Ijtje Hendricx (31 augustus 1651), moesten Eva Soulaer en Pieter Golkes beloven dat het geld later zou toevallen aan de familie van Ijtje Hendricx.

Zij ontkenden niet alleen dat ze nog geld verschuldigd waren aan de voogden, maar ze vrijwaarden de voogden ook voor zichzelf en hun eigen erfgenamen.

Bekijk transcriptie 


In een officiële brief aan de minister van Financiën en de minister van Koloniën werd meegedeeld dat Willem Elize Arie Verschoor was overleden op 12 augustus 1864 in Schalongen (een plaats in Nederlands-Indië, het huidige Cilacap, Indonesië).

Verschoor was hofmeester (een soort bediende voor de officieren) aan boord van het Nederlandse fregat Joseph Willem. Hij was 37 jaar oud, geboren in Gouda, en had gewoond in Rotterdam. Zijn ouders waren Evers en Louisa Alster.

Deze informatie kwam uit een officieel, gecertificeerd uittreksel van het overlijdensregister van Schalongen. De brief was gedateerd op 9 september 1864 en verwees naar een regel uit 1849 over het bijhouden van registers voor geboorten, huwelijken en overlijdens.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 10 mei 1733 gingen Anthonij van den Bogaard en Sara Cardoes, een getrouwd stel uit Bennebroek (maar op dat moment in Haarlem), naar notaris Salomon Krul. Sara Cardoes werd bijgestaan door haar man en gaf toestemming voor de verkoop. Zij verkochten en droegen over aan: de executeurs van het testament van de overleden heer Ysbrand Goske (die earlier gouverneur was van Kaap de Goede Hoop). Deze executeurs beheerden zijn nagelaten bezittingen voor de erfgenamen. Het ging om vier schuldbrieven (leningen), allemaal op naam van Juda senior Henriques, uitgeschreven door het Algemeen Kantor van de Verenigde Nederlanden in Den Haag. De brieven waren gedateerd op 1 januari 1708 en goedgekeurd op 1 juni 1708:
Bekijk transcriptie 


Jan Hendrik van de te Dam, secretaris van de stad Haarlem, was de enige erfgenaam van zijn overleden vrouw, Anna Maria Dierkens. Op maart 1787 gaf hij de notaris Philip Hendrik Kortbeek uit 's-Gravenhage de opdracht om namens hem twee stukken land te verkopen: Kortbeek moest deze overdrachten officieel regelen bij de schepenen (rechters) van 's-Gravenhage of andere bevoegde instanties.
Bekijk transcriptie 


Op 7 maart 1727 verscheen Juffrouw Barbara de la Fontaine, een volwassen, ongehuwde vrouw uit Haarlem, bij notaris Aalste Bruijn. Ze kwam namens zichzelf en haar zus Juffrouw Maria de la Fontaine (getrouwd met Willem Cunel, een brouwer in Alkmaar), en ook namens hun twee broers Jan de la Fontaine en Jacob de la Fontaine, die in het buitenland woonden. De broers hadden eerder volmachten gegeven: - Jan de la Fontaine via een document op 12 maart 1716 bij Hugo van der Heer in Kaap de Goede Hoop. - Jacob de la Fontaine via een document op 28 april 1719 bij notaris Poulus van den Ende in Amsterdam. Barbara, Maria, Jan en Jacob waren kinderen van Barbara van der Burgh en hadden daarom recht op een bepaalde erfenis. Barbara de la Fontaine benoemde hiermee Sandela Lambere (wonend in Amsterdam) als hun officiële vertegenwoordiger. Zijn taak was om namens de zussen en broers een vordering in te dienen bij de erfenis van Pieter Goske, die in december 1726 in Amsterdam was overleden. De vordering moest worden gericht aan de weduwe of andere erfgenamen van Pieter Goske.
Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/