Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


30 augustus kwamen er verzoeken binnen van verschillende mensen die vrijstelling wilden van een boete van 50 gulden. Deze boete was opgelegd omdat ze hun gewichten niet op tijd hadden laten ijken. De verzoeken kwamen van:

  1. Isaye Abrahams Sr., gepatenteerde broodbakker
  2. Barend Lugard, koopman
  3. Arius Frederick Weitmaar, varkensslager
  4. Andreas Christiaan Walile, vellewasser
  5. Elizabeth de Lyon, eigenaar van een slagerswinkel
  6. Salomo Joseph Jacqui, varkensslager
  7. A. D. Mohlman, vellewasser

De Procureur Generaal gaf 23 december 1846 zijn advies. Hij verwees naar de publicaties van 19 november 1828 en 20 juli 1830.

Er werd overwogen dat wat betreft A. E. Dalile en S. St. Sarqui, zij aan de Procureur Generaal hadden laten zien dat ze pas na januari van dat jaar hun verschillende bedrijven waren begonnen. In januari vond normaal gesproken de jaarlijkse ijking plaats.

Voor J. Abrahams Sr. en S. Lugard werd opgemerkt dat hun gewichten, hoewel niet geijkt, wel duidelijk accuraat waren. Er was dus geen sprake van kwade trouw, maar alleen van nalatigheid van hun kant.

Bekijk transcriptie 


Volgende zaken werden behandeld: Er waren verschillende verzoeken om afspraken te maken voor rechtszaken:

Er werd besloten om voordat er een beslissing werd genomen, een verschijning van partijen te gelasten om te proberen tot een vergelijk te komen op de 20e van deze maand voor de heren commissarissen, met verzoek aan het hof om daarover verslag uit te brengen.

Er was ook een verzoek van H. van Masselaar die toestemming vroeg tot aanhouding tegen Isaac De. de Moesquita. Ook hier werd besloten om voordat er toestemming werd gegeven, een verschijning van partijen te gelasten om te proberen tot een vergelijk te komen op de 20e van deze maand voor de heren commissarissen, met verzoek aan het hof om daarover verslag uit te brengen.

Verder werden de vonnissen uitgesproken die op de 10e van deze maand waren gewezen in de volgende zaken:

Bekijk transcriptie 


10 augustus 1818. Margaretha Petronella Reun lag ziek in bed in Paramaribo om half 4 's nachts, maar was nog wel in staat om een testament te maken.

Zij verklaarde te willen bepalen wat er met haar bezittingen moest gebeuren na haar dood:

Bekijk transcriptie 


Jean Francois Saverey, Daniel Jacob Loth, Abraham Bueno de Alesquita, H. P. van Mark, S. J. van Bergen, Raphael de Fina, Carolus Mortier, Pierre Gabriel Labadie, Joseph Sarqui en Salomon Heyman Boas waren kandidaten voor een functie.

De gouverneur-generaal nam het advies over van de procureur-generaal van 21 dezer. Er werd speciaal gelet op de overwegingen van de procureur-generaal over verzoeker nummer 2, J. Loth, die zorgde voor een groot huisgezin en daarom vaak wederwaardig was geweest buiten zijn schuld.

De gouverneur-generaal besloot het volgende:

Van dit besluit zou een afschrift worden gestuurd aan de administrateur der financiën, de procureur-generaal, de raad van administratie van het pensioenfonds der ambtenaren ter informatie en kennisgeving, en aan de benoemde persoon voor de aanvaarding van de functie.

De gouvernementssecretaris bevestigde dat dit overeenkwam met het journaal.

Bekijk transcriptie 


J. M. Kisman, de Procureur-Generaal, maakte aan de klager duidelijk dat zijn handelswijze hoogst ongepast en verkeerd was.

23 november 1652 (vermoedelijk 1852) werd het volgende verzocht: bij verwijzing naar deze zaak moeten de dagtekening en het nummer nauwkeurig worden vermeld.

De Gouverneur van de kolonie Suriname behandelde een brief van Joseph Sarqui van 7 september. In deze brief beschreef Sarqui zijn bezwaren tegen het optreden van Procureur-Generaal Mr. J. M. Kisman. Kisman had, samen met Commissaris Mr. J. M. A. Martini van Geffen, een huiszoeking gedaan bij Sarqui. Dit deed hij met toestemming van de waarnemend President van het Gerechtshof. Sarqui verklaarde alleen onder bedreiging van geweld dat stadsarts S. Weijl een lichamelijk onderzoek bij zijn 3 dochters mocht uitvoeren. Uit dit onderzoek bleek dat de dochters volledig onschuldig waren aan de beschuldiging dat een van hen een kind van gemengde afkomst zou hebben vermoord.

Sarqui vroeg:

Sarqui en zijn dochters behielden het recht om later nog civiele stappen te ondernemen bij het Gerechtshof of de Hoge Raad.

De Gouverneur bekek het vertrouwelijke rapport van Procureur-Generaal Mr. J. M. Kisman van 3 november 1852 en de bijgevoegde documenten:

  1. de toestemming voor huiszoeking die de waarnemend President van het Gerechtshof Mr. J. H. de Frederici op 26 augustus had verleend
  2. een eerdere toestemming voor huiszoeking die Resident Mr. P. Kiers Smeding op 29 april 1849 aan de toenmalige Procureur-Generaal had verleend

De Gouverneur besloot:

Bekijk transcriptie 


27 augustus 1790 verscheen voor notaris Dominicus van Vianen in Amsterdam de heer Johan Adolph Saas. Hij deed dit namens zijn handelsvennootschap, die de naam Haas & Compagnie droeg. Saas woonde in Amsterdam en was bij de notaris bekend.

Saas verklaarde dat hij hierbij de heer J.F. Neitsch, wonend in Suriname, aanstelde en machtigen gaf. Neitsch mocht namens het genoemde handelsbedrijf het volgende doen:

Beide heren woonden of verbleven in Suriname. Het ging om betaling van alles wat Abraham Joseph Sarqui en Hendrik van der Schaaf Junior ieder afzonderlijk verschuldigd waren aan het handelsbedrijf. Dit kon gaan om schulden uit hoofde van schuldbekentenissen, facturen, verkochte goederen, rekening courant of om welke reden dan ook, zoals uit bewijzen daarvan zou blijken.

Bekijk transcriptie 


Elian Jsrael Pacheco woonde in Paramaribo en stond op het punt om naar het vaderland te vertrekken. Hij wilde zijn testament maken en herriep daarbij alle eerdere testamenten en codicillen die hij had opgesteld.

Hij liet aan Jsak Rodrigues, Moses de Daniel Rodrigues, Jacob Iona en Sara Iona (de vrouw van Joseph van Abraham Sarqui) samen een bedrag van 2.000 gulden na. Zij waren kinderen van zijn overleden zuster, die toen getrouwd was met Abraham Iona.

Pacheco gaf de vrijheid aan zijn mulatte meisje Catrijntje, dochter van de slavin Francina. Hij droeg zijn erfgenamen op om de vrijheidspapieren bij de overheid aan te vragen en aan haar te geven, op kosten van zijn nalatenschap.

Ook gaf hij de vrijheid aan de slavin Francina, maar zij moest eerst 600 gulden aan zijn nalatenschap betalen. Dit mocht in 1 keer of in gedeelten. Wanneer zij dit bedrag had betaald, moesten zijn erfgenamen de vrijheidspapieren voor haar aanvragen en geven, op kosten van zijn nalatenschap.

Hij benoemde zijn zuster Iudit Pacheco, de vrouw van Jacob Nunes Naban, tot zijn enige erfgename. Zij hoefde geen erfportie af te staan en geen belastingen op de goederen te betalen. Deze kosten moesten betaald worden uit de opbrengsten van de erfenis. Na het overlijden van zijn eerdergenoemde...

Bekijk transcriptie 


9 februari 1582 [waarschijnlijk 1812 bedoeld]. Het verzoek van de onder punt 4 genoemde 2e verzoekster werd afgewezen omdat het door haar gevraagde stuk grond niet bekend was. Het verzoek van een andere verzoekster kon ook niet worden ingewilligd totdat de pachtgelden voor de gevraagde erven waren betaald.

De brief van de Administrateur van financiën van 1 februari werd behandeld. Er werd goedgekeurd dat een stuk grond gelegen bij de Zwartenhovenbrug straat en de Steenbakkersgracht, dat bij notariële akte van 13 december 1681 [waarschijnlijk 1811 bedoeld] in 2 gelijke delen was verdeeld, een nummer zou krijgen:

Bekijk transcriptie 


Raphael, zoon van I.B. Bibaz, ontving 64 gulden en 51 cents Nederlands courant.

De volgende bedragen werden nagelaten:

Aan de Armen Kassa van de Portugees-Nederlands-Israëlitische Gemeente werd, bovenop het eerder genoemde legaat, nog 1612 gulden en 90 cents Nederlands courant nagelaten. Dit bedrag moest door de kerkbestuurders op de veiligst mogelijke manier worden belegd om rente op te verdienen. De opbrengsten moesten 2 keer per jaar worden uitgekeerd aan de armen die door de kerk werden onderhouden: 8 dagen voor Pesach (Paasfeest) en 8 dagen voor Kipoer (grote verzoendag). Dit moest gebeuren door loting, waarbij telkens 2 loten getrokken werden en de winnende loten weer terug in de bus moesten worden gedaan. Dit moest voor eeuwig zo blijven.

Daarnaast werd 80 gulden en 65 cents Nederlands courant nagelaten, op voorwaarde dat jaarlijks op de dag van Hosahana Raba een zielengebed (Askaba) voor de overledene in de kerk in Paramaribo zou worden gehouden, eveneens voor eeuwig.

De testamentuitvoerders moesten alle voornoemde legaten aan meerderjarige personen en aan de verschillende gemeenten binnen 1 jaar en 6 weken na

Bekijk transcriptie 


J. G. Neytsch, woonachtig in de stad, verklaarde dat hij zich garant stelde als hoofdschuldenaar. Hij deed dit voor de gemachtigde van een compagnie ten behoeve van Abm Joseph Sarqui. De garantie gold voor alle proceskosten in een rechtszaak van de gemachtigde als eiser tegen Abm Joseph Sarqui als gedaagde. Deze zaak stond geregistreerd bij het Hof Civiel in 1792 onder nummer 16. Neytsch beloofde dat als de gemachtigde de zaak zou verliezen en veroordeeld zou worden tot betaling van de proceskosten, en Sarqui niet zou betalen, hij dan alle kosten als zijn eigen schuld bij eerste aanmaning zou betalen.

Bekijk transcriptie 


Joseph Sarqui diende een verzoek in voor uitstel van alle vervolgingen tegen de verzoeker voor een periode van 14 maanden. Na beraad werd besloten dat de verzoeker samen met al zijn schuldeisers moest verschijnen op 15 februari voor de heren commissarissen. Zij zouden hem horen en verslag uitbrengen aan het Hof. De verzoeker moest de oproeping hiervan op eigen kosten laten publiceren in de kranten. De deurwaarder werd aangeschreven om tijdens de beraadslagingen over dit verzoek de vervolgingen tegen de verzoeker op te schorten. Er zou een uittreksel van het besluit aan de verzoeker worden gegeven.

De commissarissen van de Rol rapporteerden over verschillende verzoeken om dagvaardingen. De volgende partijen waren met elkaar tot overeenstemming gekomen en hadden hun overeenkomsten op de griffie gedeponeerd:

  1. Aron Jacob Polak voor de boedel Jacob Emanuels tegen C. Tollensteede voor de boedel N. Sallibrie
  2. Van 5 januari: dezelfde voor de boedel Jacob Emanuels tegen Mos. H. Cotino
  3. S. H. Franke en Shoniglowgg voor D. Bennernagel tegen Cell van Nessel (geboren de Landzolle) plante klaagster namens de weduwe Aeelere
  4. L. Lutz, W. Leckie, Missarstuers en John Sowerby voor de firma van John Black en Compagnie tegen Jacob Soesman
  5. Lobato en Lourada tegen J. fet Welkens
  6. Van 5 januari 1819: J. Gaveryne voor Espreeuw tegen F. Linck
  7. Lobato en Lourada tegen Joseph Sarqui
  8. Lobato en Lourada tegen Cell Neeter
  9. Monsanto fils tegen G. van Lienen voor de firma van Schiels, van Lienen
  10. De Delprado tegen H. Stenhuijs
  11. Sichot Wildeboir tegen M. S. Schuster
  12. De weduwe Salomin Abrahams tegen de weduwe Sarrvellores Robles de Leelena en borg I. Robles
  13. G. Penlff en B. Weessenbruchgg voor Joseph Oyma tegen Antoinette van Paterson
  14. M. Scholtsborg tegen de erfgenamen van wijlen Robles de Leelena en borg S. Delmonte
  15. Weesmeesteren der Portugees-Joodse gemeente voor de boedel van de weduwe G. G. Pobato tegen
Bekijk transcriptie 


Judith, weduwe Nabaro, zou twee derde van de rente ontvangen en Sara Sargui (geboren Iona), de nicht van de testator, één derde. Als de erfgenaam of erfgenamen binnen de vastgestelde periode van 6 jaar in de kolonie aanwezig waren, zou de erfenis meteen worden uitgekeerd. In dat geval zou aan zijn zuster Judith, weduwe Nabaro, 5.000 gulden worden geschonken en aan zijn nicht Sara Sarqui (geboren Iona) 2.000 gulden, ter vergoeding van de eerder vermaakte rente.

Als na 6 jaar de omstandigheden het niet toelieten om de erfenis over te maken, of als de erfgenaam geen gevolmachtigde stuurde om de erfenis op te eisen, wilde de testator dat zijn nalatenschap opnieuw op rente werd gezet en de rente werd uitgekeerd zoals eerder beschreven, totdat de omstandigheden dit beter zouden toelaten.

De testator benoemde tot uitvoerders van zijn testament en beheerders van zijn nalatenschap:

Zij konden samen of ieder afzonderlijk handelen. Bij overlijden, weigering of afwezigheid van een van hen zou Philip Machiel Bromet in de plaats komen. Hij gaf hen alle benodigde macht en gezag.

Bekijk transcriptie 


3 juni 1789 werd een derde wissel getrokken door Sacvadorsarqui in opdracht van Haas & Comp en Abm Jas Sarqui. Deze werd door hem geëndosseerd en voorzien van een akte van protest wegens niet-betaling en van een vonnis ten nadele van Pl de Mosesgerl van 11 november 1774, groot aan hoofdsom met kosten 2.281 gulden, 17 stuivers en 6 penningen.

Er was een pakket met verschillende bewijzen van verschillend eigendom van de bezittingen van wijlen de heer J. H. Brandon.

Er was een schuldbekentenis door Juriaan Francois Frederici wegens aankoop van 18 slaven voor rekening van plantage Voorburg, gedateerd 9 maart 1793, binnen 1 jaar te betalen, groot een som van 5.600 gulden.

Er was een schuldbekentenis van Jdrt vn Horarras voor 74 gulden en 5 stuivers, gedateerd 10 oktober 1787.

Bekijk transcriptie 


C.I. Hirth en Compagnie moesten als boekhouders en leidende reders van het schip genaamd de Vrouw Grerhy de Catharna 24 vaten suiker vervoeren. De vergelijker eiste een vergoeding voor de vracht van deze 24 vaten suiker. Daarnaast leed hij nog meer schade door:

  • terugbetaling van gedane verzekering
  • premie en verhoging daarvan
  • uitgaande rechten op de 24 vaten suiker

De vergelijker verklaarde dat hij de 24 vaten suiker alleen terug wilde overnemen van de gezworen loodjesmaker Abraham Joseph Sarqui onder bepaalde voorwaarden.

Bekijk transcriptie 


10 mei 1813 lag juffrouw Judith Jacob Iona, geboren Alvares, ziek in bed. Ze was echter nog wel helder van geest en kon nog duidelijk spreken, en was dus in staat om dit document op te laten maken. De ondergetekende bediende klerk was bij haar. Ze verklaarde dat ze voor deze dag nog geen testamenten, latere toevoegingen aan testamenten of andere documenten met betrekking tot haar laatste wil had gemaakt, niet alleen en ook niet samen met anderen. Daarom verklaarde zij, de testatrice (degene die het testament maakt), hierbij over haar stoffelijke goederen te beschikken op de volgende manier:

  • Ten eerste liet zij aan de gereformeerde armen van hier een bedrag van 10 gulden na, eenmalig.
  • Ook aan de Portugees-Joodse kerk van hier een bedrag van 10 gulden, eenmalig.
  • Ook aan haar zuster juffrouw Sara, weduwe Sarqui, geboren Alvares, alle haar...
Bekijk transcriptie 


Nicolaes du Sart verbond zich ertoe om zo snel mogelijk aan de hooftmans en Joost van Beeck, of iemand anders die de hooftmans zouden aanwijzen, alles te leren over de kunst van karmozijnrood verven. Hij moest onder andere leren hoe wollen lakens karmozijn geverfd konden worden, inclusief scharlaken karmozijn rood, karmozijn purper, karmozijn grijs, karmozijn paars en karmozijn purper zonder blauw, en alle andere kleuren die met meekrap gemaakt konden worden. Du Sart mocht hierbij niets achterhouden, zodat Joost van Beeck of een ander de verf zelf kon bereiden en alles kon doen wat bij karmozijn verven hoorde, zowel in aanwezigheid als in afwezigheid van du Sart.

Het contract zou 4 jaar duren. Du Sart moest zich persoonlijk bezighouden met de verwerij en alles doen wat daaraan verbonden was, als een eerlijk en trouw dienaar. Als betaling zou du Sart ontvangen:

  • 1 gulden van 20 stuivers voor elk laken dat karmozijn geverfd werd
  • Jaarlijks 300 gulden
  • Vrije maaltijden

Voordat het contract zou ingaan, moest eerst gedurende 2 maanden getest worden of de kennis van du Sart goed was. Deze periode van 2 maanden zou beginnen nadat de ketel voor de verwerij gemaakt en geplaatst was op de plek die de heer hooftmans zou bepalen. Na deze 2 maanden had de hooftmans nog de vrijheid om het contract wel of niet aan te gaan. Nicolaes du Sart was verplicht om gedurende deze tijd de kunst van karmozijn verven aan niemand anders te leren of bekend te maken dan aan de heer hooftmans of degene die hij daartoe zou aanwijzen.

Beide partijen verklaarden zeer tevreden te zijn met het contract. Ze beloofden zich er te allen tijde aan te houden en verbonden hun personen en goederen als zekerheid. Dit werd 18 maart 1634 gepasseerd in Haarlem in de Heilstraat in het huis van notaris Schoudt, in aanwezigheid van getuigen Matheus Euerswijn en Joannes Putmans.

Heden verschenen voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem: Jan van Claerenbeeck (koopman en inwoner), Gabriel Loreijn (man en voogd van Geertruijt van Clarenbeeck), elk voor zichzelf en als voogden van vaderlijke zijde over:

Bekijk transcriptie 


Hens Hubrechtsz van Clarenbeeck, poorter van deze stad, getrouwd met de dochter van wijlen Elsge Jan Bruyninge, genaamd Gabriel Loren, verklaarde dat hij aan Geertruijn van Clerenberch, David en Jehan van Clarenberch, en Metje van Clarenberts (weduwe van wijlen N. Colres van Wapels), allen zijn kinderen bij Elsge van Bruynings, het volgende had overgedragen ter voldoening van hun moederlijke erfenis (waarvoor ze kwijting hadden verleend):

  • alle uitstaande schulden die nog onbetaald stonden in bepaalde schuldboeken die hij aan hen had overhandigd
  • een obligatie van 150 carolusguldens ten laste van Cornelis Decker, bleekster
  • aan zijn zwager Gabriel Loreyn een kapitaal van 300 carolusguldens uit een verzegelde losrentebrief van 800 carolusguldens ten laste van Jan Willemsz Thuijmman, waarvan de andere 500 guldens de zwager zelf toekwamen

Hij deed afstand van deze boekschulden en obligatie ten behoeve van de genoemde kinderen, en van de 300 guldens kapitaal op Jan Willems Thuynman ten behoeve van zijn zwager Gabriel Loreyn in het bijzonder, zonder zelf nog enig recht te behouden. Zij mochten deze bedragen innen, ontvangen en behouden met alle rechtelijke of andere middelen. Dit gebeurde te Haarlem op 26 februari 1631 in aanwezigheid van Joost Duijst van Voorhout en Fremijn Leere, poorters van de stad, als getuigen.

Gabriel Loreijn (getrouwd met Geertruijt van Clarenbeeck), David en Jehan van Clarenberch, en Metje van Clarenbeeck (nagelaten weduwe van wijlen Ricelres van Aapels), bijgestaan door haar zwager en 2 broers, allen wonend in deze stad, verklaarden dat zij op verzoek van Jans Hubrechts van Clarenbrecht (hun respectievelijke vader en schoonvader) van hem in geld hadden ontvangen de som van 4000 carolusguldens van 40 groten het stuk, zijnde elk 1000 guldens, onder voorwaarde dat zij gehouden waren (en dit ook hadden beloofd voor henzelf en hun erfgenamen) elk één voor allen gezamenlijk.

Bekijk transcriptie 


Pieter de Pepere, inwoner en burger van de stad, verklaarde 13 februari 1631 voor notaris dat hij 1500 Carolus guldens schuldig was aan Abraham Pietersz en zijn erfgenamen. Abraham woonde buiten de Kleine Houtpoort. Het ging om geleend geld dat Pieter volledig ontvangen had. Hij beloofde het bedrag terug te betalen op verzoek van Abraham of diens rechthebbenden, met een rente van 1 op de 16 vanaf deze dag tot volledige terugbetaling. Als zekerheid verbond Pieter al zijn bezittingen:

  • roerende en onroerende goederen
  • inboedel en huisraad
  • lopende schulden
  • acties en rechten die hij nu had of later zou krijgen

Pieter beloofde zijn inboedel te bewaren en op elk moment te overhandigen, zodat deze te gelde gemaakt kon worden om de schuld af te lossen. Hij beloofde zijn goederen niet aan anderen te verkopen of te belasten ten nadele van Abraham. Dit gebeurde in St. Jansstraat in aanwezigheid van Aelbert Symons, kleermaker, en Jan Willemsz Doorten.

7 februari 1631 kwamen voor notaris: Hans Hubrechts van Clarenbeeck, weduwnaar en poorter van de stad, en Neeltgen Harmans dochter van Steenboorden, jongedochter. Zij maakten huwelijkse voorwaarden voor hun aanstaande huwelijk:

  • Neeltgen bracht geen goederen in het huwelijk en zou geen gemeenschap of recht hebben op de boedel of bezittingen die tijdens het huwelijk verworven zouden worden
  • Alle bezittingen zouden van Hans blijven en na zijn dood naar zijn kinderen uit zijn vorige huwelijk of uit dit huwelijk gaan, of bij gebrek daaraan naar zijn naaste erfgenamen
  • Neeltgen zou niets erven van haar kinderen uit dit huwelijk
  • Als Hans eerder overleed, zou Neeltgen haar leven lang 200 Carolus guldens per jaar ontvangen, te betalen per half jaar, plus al haar kleding van linnen en wol met de juwelen
  • Als Neeltgen eerder overleed zonder kinderen na te laten, mocht Hans volstaan met het uitkeren van 100 Carolus guldens per kind en hun kleding met juwelen

Dit gebeurde in St. Jansstraat in aanwezigheid van Freuijn Lourens, maatmaker, en Aelbert Symonsz, kleermaker, beiden poorters van de stad.

Diezelfde dag kwam voor notaris Gheuren (achternaam onduidelijk) namens Anneken, de nagelaten weduwe van Oliuys van Hillebaeck. Martyntgen Leeuens, jongedochter van ongeveer 26 jaar, verklaarde dat zij in 1629 als dienstmeid had gewerkt bij Reyner op de Blokke, en dat zij meer

Bekijk transcriptie 


8 augustus 1763 vergaderde de vroedschap. De commissieleden die zich bezighouden met de academische zaken werden verzocht om na te denken over een vervanger. Ze moesten een geschikte persoon voorstellen ter vervanging van professor Castillon, die ontslag had aangevraagd en gekregen.

De weduwe van Otto van Stuijvenberg kreeg toestemming om een bepaald gebouw te verkopen. Op de vergadering werd het verslag besproken over het verzoek dat op 27 september 1762 was ingediend door Jacomina de Visser, weduwe en erfgenaam van Otto van Stuijvenberg. Dit verzoek had enige tijd bij de politiesecretarie gelegen. Zij vroeg of de vroedschap het gebouw dat in het verzoek en verslag genoemd werd, wilde terugnemen met terugbetaling van de kosten.

De commissieleden voor het bestuur van de stadsfinanciën brachten verslag uit. Zij hadden zich beziggehouden met het verzoek van 27 september 1762 van Jacomina de Visser, weduwe en erfgenaam van Otto van Stuijvenberg. Zij maakte kenbaar dat de vroedschap bij besluit van 31 maart 1760 aan de man van verzoekster gratis het gebruik had verleend van een deel van het oude tuchthuis. Dit moest door hem worden ingericht en gebruikt voor een zijden lintenfabriek. Dit gebeurde onder verschillende voorwaarden, waaronder dat wanneer de fabriek niet naar wens zou lopen, het de zoon van verzoekster vrij zou staan het gebouw weer aan de vroedschap aan te bieden en over te geven met terugbetaling van de kosten. Deze kosten, zoals zou blijken uit een gedetailleerde lijst, waren gemaakt om het gebouw in te richten tot een zijden lintenfabriek. Als de vroedschap het niet wilde aannemen, zou het de zoon van verzoekster toegestaan zijn het gebouw of het gebruik daarvan op dezelfde voorwaarden als waarop de man van verzoekster het van de vroedschap had ontvangen, publiek of onderhangs te verkopen, zonder kosten voor de stad. Het kwam verzoekster noch haar zoon nu gelegen die fabriek op te richten, waardoor zij

Bekijk transcriptie 


Op 8 oktober 1619, omstreeks 2 uur 's middags, verschenen voor notaris Michiel van Woerden in Haarlem de echtgenoten Gabriel Loreyn en Geertruyt Jans van Clarenbeeck. Zij waren beide gezond van lichaam en geest (hoewel Geertruyt zwanger was) en maakten uit vrije wil hun testament.

De afspraken waren als volgt:

  • Gabriel Loreyn had bij het huwelijk 7.500 gulden ingebracht. Als hij als eerste zou overlijden zonder kinderen na te laten, zou Geertruyt Jans van Clarenbeeck als enige erfgenaam alle goederen erven.
  • Wel moest zij dan uitkeren aan Gabriels volle broers en zus (Fremyn, Abraham en Hester Loreyn) elk 100 gulden, en aan zijn halfbroer en halfzus (Loys en Janneken Loreyn) elk 50 gulden. Hiermee moesten zij tevreden zijn en verder niets meer eisen.
  • Geertruyt Jans van Clarenbeeck had bij het huwelijk 4.500 gulden ingebracht aan geld, kleding, linnengoed en andere zaken. Als zij als eerste zou overlijden zonder kinderen na te laten, zou Gabriel Loreyn als enige erfgenaam alle goederen erven.
  • Als haar vader en moeder, of één van beiden, dan nog in leven waren (of bij hun overlijden haar broers en zussen), zouden deze al haar kleding, linnen en juwelen krijgen die zij gedragen had. Dit gold als hun wettig erfdeel en verder niets. Hiermee moesten zij tevreden zijn en niets meer eisen.

De getuigen waren Gerrit Dirixz en Gerryt Doede, beiden poorters van Haarlem.

Bekijk transcriptie 


Joachim Beersmans, Jan Dirk Bartels, Anthonij Smits en Jan van Spreuwel gaven als regenten van Diessen toestemming aan Joachim Beersmans en Jan Dirk Bartels, samen of ieder afzonderlijk, om 18 juni 1737 's morgens precies om 9 uur te verschijnen in Oosterwijk bij het huis van de heer stadhouder Hartongh. Daar moesten zij samen met andere afgevaardigden van de verschillende plaatsen uit dit kwartier besluiten nemen over 7 punten die op de agenda stonden. De afgevaardigden waren hiervoor goed geïnstrueerd en kregen de opdracht om te handelen in het belang van het kwartier in het algemeen en van de gemeente Diessen in het bijzonder. Indien er nog nadere of uitgebreidere instructies nodig waren, werd dat ook toegestaan. De opdrachtgevers beloofden alles wat de afgevaardigden zouden doen en regelen als geldig en bindend te beschouwen. Dit werd juridisch vastgelegd in Diessen op 14 juni 1737 en ondertekend door Joachim Beersmans, Jan Dirck Bartels, Jan van Sprouwel en Antonj Snijts.

Omdat hun edele mogenden bij besluit van 2 november 1734 hadden bepaald dat bij de verpachting van de gemeenschappelijke middelen over de Meijerij van 's-Hertogenbosch elke plaats of dorp niet meer dan 1 goede persoon mocht afvaardigen, voorzien van een behoorlijke toestemming van de regenten om als pachter voor het bestuur en de regenten als borgen in de pachtakte te worden opgenomen, gaven de regenten van Diessen hierbij toestemming aan Joachim Beersmans om voor dit doel naar de aanstaande verpachting in 's-Hertogenbosch te gaan en zich als pachter voor het bestuur en de regenten als borgen voor de verpachting van de gemeenschappelijke middelen te laten inschrijven. Zij beloofden alles wat hun gemachtigde op grond hiervan zou doen en regelen als geldig en bindend te beschouwen en hem daarvoor schadeloos te stellen. Dit werd juridisch vastgelegd en eigenhandig ondertekend in het resolutieboek op 30 augustus 1737 door Joachim Beersmans, Jan Dirck Bartels, Jan van Spreuwel, Adriaen van den Bichelaer en Luijcas Elas Huijberts.

Bekijk transcriptie 


Er werden eeretekens (medailles) met of zonder beloningen uitgereikt aan militairen die 20 jaar in Nederlandse dienst waren in Suriname, Curaçao en St. Eustatius. De medailles moesten op de gebruikelijke manier worden uitgereikt aan de betrokkenen. Er werd gelet op het verschil tussen de beschikbare 2 bronzen en 1 zilveren medaille.

Besloten werd:

  • 5 zilveren en 28 bronzen medailles met 33 linten en bijbehorende bewijzen toe te zenden aan de gezaghebber van Curaçao en onderhorige eilanden, bestemd voor de militairen in het garnizoen daar.
  • 1 bronzen medaille met lint en bewijs toe te zenden aan de gezaghebber van St. Eustatius, bestemd voor een korporaal in het garnizoen daar.
  • 5 zilveren en 5 bronzen medailles met 10 linten en bewijzen toe te zenden aan de luitenant-kolonel commandant van het garnizoen, bestemd voor manschappen van het Bataillon Jagers in garnizoen.
  • 2 zilveren en 3 bronzen medailles met 5 linten en bewijzen toe te zenden aan de 1e luitenant commandant der artillerie, bestemd voor manschappen van het 1e Bataljon Veldartillerie in de kolonie.
  • 1 zilveren en 1 bronzen medaille met 2 linten en bewijzen toe te zenden aan de kapitein commandant van het Korps Guides, bestemd voor militairen van het Korps Koloniale Guides in de kolonie.

De gezaghebbers en genoemde officieren werden gemachtigd om de bewijzen, eeretekens en beloningen op plechtige wijze uit te reiken volgens de bestaande regels.

De administrateur van financiën werd gemachtigd om tegen kwitantie uit te betalen: 36 gulden aan de luitenant-kolonel commandant van het Bataljon Jagers nummer 27, 12 gulden aan de 1e luitenant commandant der artillerie, en 6 gulden aan de kapitein commandant van het Korps Koloniale Guides, zodat zij de beloningen konden uitreiken.

Afschriften van dit besluit met de lijsten, bewijzen, medailles en linten zouden worden toegezonden aan de gezaghebbers van Curaçao en St. Eustatius, de luitenant-kolonel commandant van het Bataljon Jagers nummer 27, de 1e luitenant commandant der artillerie, de kapitein commandant van het Korps Guides, en de administrateur der financiën, voor zover het hen aanging.

Er werd een brief gelezen van het Departement van Koloniën van 14 mei nummer 745, met een beschikking van diezelfde dag nummer 2, waarbij de heer H. Ho Lans werd gemachtigd om zich in juli met een schip naar de kolonie te begeven om het ambt van auditeur-meester en curator te aanvaarden, dat hem was opgedragen bij koninklijk besluit van 9 augustus 1852 nummer 89. Zijn wachtgeld, dat eind mei stopte, werd met nog 1 maand verlengd tot eind juni, te betalen uit de Surinaamse fondsen bij de Nederlandse Bank.

Besloten werd het voorgaande bij uittreksel bekend te maken.

Bekijk transcriptie 


Coenraad en Bettie verklaarden op de genoemde datum voor de notaris hun testament. Ze bepaalden dat hun bezittingen, testamenten en laatste wil geldig moesten blijven, ook als er kinderen zouden komen. De langstlevende partner hoefde geen bewijs of inventaris te leveren. Ze vrijwaarden elkaar van deze lasten en gaven elkaar de verantwoordelijkheid voor het beheer van de goederen van de kinderen. Ze hielden het recht om later nog legaten (erfenissen) toe te voegen. Dit moest net zo krachtig zijn alsof het in het testament stond. De testateurs verklaarden dat dit hun bijzondere testament en laatste wil was. Dit moest na hun overlijden worden gevolgd, of het nu ging om een testament, laatste wil, gift of andere vorm, volgens de beste rechten en gewoonten. Het werd gedaan in Haarlem bij het huis van de notaris in de Sint Jansstraat op de genoemde datum en jaar. Getuigen waren Willem Sijmonsz, bakker, en Nicolaes van Dyck, klerk, beide inwoners van de stad.

Later verscheen voor de notaris en getuigen de edele jonker Nicolaes van Ebbenbroeck, wonende in Abbenbroeck. Hij was mede-erfgenaam van wijlen Barchout vander Nijenburch, oud-burgemeester van Haarlem, zijn oom, die onlangs in Haarlem was overleden. Hij gaf volmacht aan Johan en zijn vrouw Soutgen de Cramer, namens Frans en de notaris Vander Nijenburch, ook erfgenamen van de burgemeester. Namens hemzelf en de erfgenamen mochten zij schulden vorderen, eisen, innen en ontvangen die aan het sterfhuis toebehoorden, zoals landrente, huishuur, pachten of andere zaken. Ze mochten kwitanties van ontvangst geven en onwilligen voor de rechter dwingen. Ze mochten ook een procureur aanstellen. Nicolaes beloofde alles wat door zijn vertegenwoordigers werd gedaan als aangenaam en wettig te beschouwen, alsof hij het zelf had gedaan. Ze moesten wel rekening en bewijs van ontvangst doen. Dit werd gedaan in Haarlem in het huis van de notaris in de Sint Jansstraat op 10 juni 1575. Getuigen waren Jan van Pallenbach, Lodewijck vande Eeckhelen, inwoners van de stad.

Bekijk transcriptie 


Catharina Jans de Goede, wonende in Haarlem, kwam 10 juni 1625 voor de notaris. Zij gaf bij deze volmacht aan Jan van Grijsten, haar neef en burger van Leiden, de opdracht om namens haar geld op te halen uit de boedel van haar overleden broer Jacob Jans de Goede in Leiden. Het ging om een bedrag van ongeveer 100 Carolus guldens hoofdsom, die haar verschuldigd was uit een rentebrief van een grotere som. Deze rentebrief lag bij de weeskamer van Leiden. De rest van het geld kwam toe aan haar broer Gerrit Jans de Goede, die naar Oost-Indië was vertrokken.

Jan van Grijsten mocht:

  • De eerste rente innen die verscheen op 3 juli aanstaande, en alle rente die daarna nog zou verschijnen
  • Een kwitantie voor de ontvangst tekenen
  • Zonodig naar de rechter gaan om het geld op te eisen
  • Een of meer andere personen aanstellen om dit werk te doen

Catharina beloofde alles wat Jan deed goed te keuren, alsof zij het zelf had gedaan. Als getuigen waren aanwezig Willem Symonsz, bakker, en Nicolaes van Dijck, klerk.

3 juni 1625 om 5 uur 's avonds kwamen Fremijn Loren, zijdelakenkoper, en Jannetgen Willems, getrouwde mensen en poorters van Haarlem, voor de notaris om hun testament te maken. Zij waren gezond en bij hun verstand. Ze verklaarden geen ouders of kinderen in leven te hebben. Omdat het leven kort en onzeker is, wilden zij regelen wat er met hun bezittingen zou gebeuren.

Hun testament bepaalde het volgende:

  • Als zij geen kinderen kregen, zou de langstlevende van hen tweeën alle goederen erven van de eerst overledene: huizen, grond, koopmansgoederen, gereed geld, aandelen en schulden
  • De langstlevende hoefde hierover aan niemand verantwoording af te leggen
  • De kleren van wol en linnen zouden naar de familie van elk gaan: de kleren van Fremijn naar zijn broers en zussen Louwijs, Janneken, Hester, Abraham en Gabriel, waarbij Louwijs en Janneken samen 1 deel zouden krijgen; de kleren van Jannetgen naar haar broer Christiaen Willemsz en zus Gaertgen Willems
  • Als de langstlevende binnen 3 jaar na het overlijden van de ander hertrouwde, zouden alle goederen naar hun broers en zussen gaan, half om half verdeeld
  • Als Jannetgen hertrouwde, moest zij bovendien 800 Carolus guldens uitkeren aan de broers en zussen van Fremijn
  • Als Fremijn hertrouwde, moest hij 1.200 guldens uitkeren aan Christiaen
Bekijk transcriptie 


27 januari 1648 verschenen er verschillende personen voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem. Aan de ene kant waren dat Abraham Loreyn, Gabriel Loreyn en Frederick Fredericxs van Vliet. Frederick was weduwnaar en beheerder van de nalatenschap van zijn overleden vrouw Hester Loelijn. Zij waren erfgenamen volgens het testament van Jan Fremyn Loreyn, een overleden keurmeester die was gestorven in het proveniershuis in de stad Edam.

Aan de andere kant waren er Joffijn Geertruijt Willems, wonend in Alkmaar, weduwe van Pieter van Bijlevelt, bijgestaan door de notaris als haar gekozen voogd. Ook waren er Jan Crispiaensz Panneken en Geertruyt Cristiaens met Pieter Erkenis, wonend in Amsterdam. Pieter was getrouwd met Maria Cristiaens. Dit waren kinderen van Crispiaen Willemsz, een apotheker. Janneke en Geertruyt Crispiaens waren minderjarig en werden daarom bijgestaan door Jan Cristiaens en Jan Brieuw, hun broer en zwager. Zij waren ook erfgenamen volgens het testament van Jannetgen Willems, die in haar leven de vrouw was geweest van Fremyn Loreyn en ook was overleden in het proveniershuis in Edam.

De aanwezigen verklaarden dat zij onderling in vriendschap en goed overleg de goederen en bezittingen van Fremyn Loreyn en Jannetgen Willems hadden gescheiden en verdeeld, zoals die in hun leven waren bezeten en bij hun overlijden waren nagelaten. Ieder had zijn deel en recht volgens het testament volledig en naar tevredenheid ontvangen. Daarom kwijten zij elkaar volledig en absoluut voor nu en altijd, zonder nog enig recht of aanspraak jegens elkaar te behouden of in de toekomst te zullen eisen, noch in rechte noch daarbuiten.

Abraham Loreyn kreeg in de verdeling een obligatie van 1000 caroliguldens ten laste van het algemene land van Holland en West-Friesland, staand op het kantoor van de heer ontvanger in Akersloot te Haarlem, geregistreerd in boek B folio 86, gedateerd 10 maart 1634. Zijn broer en zwager, samen met alle erfgenamen van Jannetgen Willems, droegen deze obligatie over aan Abraham Loreyn en zijn gerechtigden, met alle bijbehorende rechten en acties, zonder enige voorbehouden.

Bij deze verdeling werd uitdrukkelijk bepaald dat ten laste van de erfgenamen van Jannetgen Willems een bepaalde verplichting blijft bestaan zoals vermeld in een akte van 10 februari 1631. In die akte hadden Fremyn, Abraham en Gabriel Loreyn, samen met Frederick Fredericxs van Vliet, zich samen verbonden tot teru

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/