Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


De volgende personen kregen vrijstelling verleend van de betaling van de door hen tot en met het jaar 1636 verschuldigde hoofdgelden: Ellexa, Elisabeth Claudia Francina Hart, Johanna Eslava Reyniger, Charmantje van Windhorst, Annarange van S. van Buuning, L'Esperance van Goedschalk, Fredresca Retty van Sluyter, de weduwe S. Preheen geboren van Bergen, Maria Martha Valentyn, Ollana van Polak en Rosa Maria Brandon.

Aan Catharina Bauyning, Francia van Ste. Helpa en S. Wakker (zowel voor zichzelf als voor de in zijn adres genoemde kinderen) werd te kennen gegeven dat er vooralsnog geen redenen bestonden om hen volledig vrij te stellen van de door hen verschuldigde hoofdgelden.

Aan Josephina Kleinhardia van Eett, Charlotta Petronella S van Ermelo, Johanna Etendusca Boeteman en Susanna Esbaterel werd te kennen gegeven dat om eerder aangehaalde redenen in hun verzoeken niet kon worden getreden. De administrateur van Financiën werd geautoriseerd om tot inning van het door de tweede genoemde verschuldigde over te gaan en maatregelen te nemen tegen de voor haar gestelde borgen.

Aan Susanna Elisabeth Reynigere werd vrijstelling verleend van de door haar tot en met 1636 verschuldigde hoofdgelden, maar het verzoek om vrijstelling van de patentrechten werd afgewezen.

Aan Estate Damen Laura da Pr. werd vrijstelling verleend van de door hem over dit lopende jaar verschuldigde hoofdgelden, alsmede van het door de boedel van wijlen zijn vader over het jaar 1631 verschuldigde patentrecht.

Aan Marcus Samsonig en Jos. Sarqui werd vrijstelling verleend van de door hen voor zichzelf en hun gezinnen over dit lopende jaar verschuldigde hoofdgelden, maar hun verzoek om vrijstelling van die voor de aan hen behorende slaven en de patentrechten werd afgewezen.

Aan Johanna Jacoba Labact werd vrijstelling verleend van de door haar persoon verschuldigde hoofdgelden, maar wat betreft het voor haar slavin verschuldigde werd dit afgewezen.

Aan Aaron Monsanto werd opgelegd om de door hem verschuldigde hoofdgelden te betalen in driemaandelijkse termijnen, elke 3 maanden te betalen.

Bekijk transcriptie 


15 december 1838 werd de Resident van Timor, Bex, opgeroepen om zijn plannen toe te lichten over walvisvangst door middel van een op te richten maatschappij. Hij moest deze voorstellen bespreken met heer Franks en daarna zo snel mogelijk terugkomen.

Het Ministerie van Koloniën had 7 maart 1838 een brief gestuurd (nummer 2153) waarin het Kantoor werd uitgenodigd om advies te geven over de vraag of de visserij in de Indische archipel nuttig gemaakt kon worden voor de Nederlandse handel. Hiervoor werd eerst het advies ingewonnen van de Generale Directie van Financiën en van de Factorij der Nederlandsche Handel-Maatschappij.

Deze vraag werd 11 december 1838 (Besluit van die dag nummer 137) positief beantwoord. Wel werd opgemerkt dat een onderneming voor walvisvangst in Indië niet tot stand kon worden gebracht zonder hulp van Nederlandse kapitalisten en vissers, en ook niet zonder tussenkomst en medewerking van het bestuur. Daarom werd de Minister verzocht...

Bekijk transcriptie 


Surqui had een verzoek ingediend. Om geen onnodige herhaling te maken, verwees de schrijver naar het bijgevoegde afschrift van dat verzoek en naar de kopie van het bericht dat de heer Lisman daarover had uitgebracht op 3 november. De mededelingen en verduidelijkingen die Lisman had gegeven waren voldoende om bij resolutie nummer 1480 van die dag, die was bijgevoegd, het verzoek van Surqui af te wijzen.

De schrijver zou Zijne Excellentie eigenlijk niet met deze zaak lastig hebben gevallen, maar hij hield het voor mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat van de zijde van Surqui daarover het een en ander bij Zijne Excellentie naar voren zou worden gebracht. Dit vermoeden werd versterkt doordat Surqui tot deze stap vooral was aangezet door de welbekende, inmiddels van de lijst van advocaten geschrapte mr. Hoeylidy. Deze laatste leek zo zijn wraak en woede te willen koelen op allen die op welke manier dan ook betrokken waren.

Het verzoekschrift was gericht aan Zijne Excellentie de heer Gouverneur van Suriname. Joseph Parqui gaf met verschuldigde eerbied te kennen dat laat in de avond van zaterdag 28 augustus, omstreeks half 11 uur, bij de woning van de verzoeker de waarnemende Procureur-Generaal mr. H. Al. Lisman was verschenen, vergezeld door:

Nadat deze heren de woning van de verzoeker waren binnengekomen, had de waarnemende Procureur-Generaal te kennen gegeven dat hij was gekomen om een onderzoek te doen naar een pasgeboren kind dat enkele dagen eerder vermoord was aangetroffen. Ondertussen had zich al een grote menigte volk voor de woning van de verzoeker verzameld, die snel aangroeide tot enkele duizenden mensen. De luitenant van politie liet de deuren sluiten en eiste dat ook de vensters gesloten werden gehouden.

Bekijk transcriptie 


29 juli werd er een rechtszaak behandeld. Colini Cumpbell was gemachtigde in Nederland van een handelshuis in Glasgow dat onder de naam Ransolin Campbell handelde. Hij was de eiser tegen Donald Cameron, Duncan Cameron en Williams MacIntosh. Zij beheerden de plantage Leasorres in de kolonie aan de zeekust in het district Nickerie. De zaak werd beslist: de gedaagden werden vrijgesproken van de aanklacht, maar de eiser moest de proceskosten betalen.

Verder werden de uitspraken vastgesteld over voorrang en gelijktijdige aanspraken in de boedels van Aron Vascaro, Elias Coh en Lobato en Simcha Sulrador Sarqui. Deze zaken waren bekend uit de notulen van 5 augustus. De uitspraak zou ter rechtbank plaatsvinden.

Aanwezig bij deze vergadering waren: A. Lammens, H. A. Hayunga, P. Tompert, D'Kiens Smeding, A. P. Genard, A. van Meerten (griffier).

Dinsdag 25 augustus 1629 waren aanwezig: Mr. Ho. S. Lammens (president), H. R. Huysnga, P. Tromport, P. Fiers Smeding, J. P. Genard, G. Moirlander (leden) en Van Meerten (griffier).

De notulen van de vergadering van 20 augustus werden hervat en vastgesteld. Er werd een brief gelezen van de gouverneur-generaal van de Nederlandse West-Indische bezittingen van 20 augustus, nummer 338, waarin hij het hof vroeg om overwegingen en advies.

Bekijk transcriptie 


28 juli werd goedgevonden:

Op 28 juli werden de volgende verzoekschriften gelezen:

De overwegingen en het advies van de waarnemende werden gezien.

Bekijk transcriptie 


14 april, 's avonds om 11 uur, Brussel. Sinds de brief die hij die ochtend schreef, hadden zij nog een audiëntie gehad. De afgevaardigden zouden hier een uitgebreid verslag van geven. De kern was dat de markies verklaarde volledig bereid te zijn om alles te doen wat zij wensten, maar dat hij door de bevelen van de koningin verplicht was om tegelijkertijd zekerheid te krijgen over hun hulp in het geval Frankrijk zou weigeren. Hij had bij de Spanjaarden de exacte woorden van de koningin hierover gezien, die met de laatste post waren gekomen. De markies vroeg niet om een verdrag tegen Frankrijk (zoals het verzoekschrift van Don Estevan de Gamarra vermeldde), maar om:

Hij bood aan om, zodra dit document was opgesteld, het in een ander papier te verzegelen en bij een derde partij in bewaring te geven, zodat duidelijk zou zijn dat hij het alleen voor zijn eigen verantwoording en de zekerheid van Spanje zou gebruiken. Hij zei dat hun verdragen en besluiten alleen tot henzelf spraken, niet tot hem. Men moest toegeven dat hij gelijk leek te hebben in zijn verzoek, omdat zij beiden Frankrijk dergelijke toezeggingen hadden gedaan over wat zij zouden doen bij een weigering van Spanje, en zelfs meer dan dat, in strijd met hun verdrag, voordat Frankrijk hun iets had toegestaan.

Bekijk transcriptie 


In januari arriveerden verschillende vreemde schippers en passagiers. Op 1 januari kwamen W. Lurvey met 8 passagiers, Edmune Ternald met 1 passagier, Consider Mertit met 11 passagiers, Andre de Simon met 1 passagier en Bugh Oor met 14 passagiers. Op 15 januari arriveerden Tmuel Poul, Jacobs Abrahams, Thomas Baynes en James King, elk met 1 passagier. Op 21 januari kwam James Kupsel met 1 passagier en op 30 januari Hendri Ten met 1 passagier.

In februari arriveerden op 1 februari Benry Alkine met 4 passagiers, Tsurel Lassel en John Robenson elk met 1 passagier, en J. C. A. Champion (priester). Op 19 februari kwam Benjamin P. Ingels met 1 passagier, op 23 februari Haddoks Jacob Olivier met 35 passagiers en op 27 februari Josua Rathbone met 1 passagier.

In maart arriveerden op 17 maart Andre de Simon met 1 passagier, op 18 maart Thomas Boyles met 1 passagier en Ebenezer Col met 1 passagier, en op 23 maart kwam er 1 persoon aan.

In april arriveerden op 3 april T. Baynes met 1 passagier en op 6 april Samuel Allen. Ook kwam Haugwitz Ch:s de Stlouis met zijn huispersoneel bestaande uit slaven. Op 18 april kwamen Thomas Smitsi en Benjamin Brandhurst, op 19 april James Winstalij, op 21 april Joseph Devasey en op 28 april B: Conner, allemaal met 1 passagier. In totaal werden 30 personen getransporteerd.

Er vertrokken ook vreemde schippers en passagiers. In januari vertrokken op 4 januari Jacob Higgens met 1 passagier, op 9 januari Pan ten nman met 1 passagier, op 10 januari I. B. Cook, op 11 januari Ebeneser Brusch (afgevaardigde van de staten van Amerika) en C. Conklin, op 22 januari B3: Watls met 1 passagier samen met Davie Wendorp (zijn klerk en knecht), op 27 januari A. C. Muisken D. F. Hoen

Bekijk transcriptie 


onbekende persoon kreeg toestemming om een stuk grond te gebruiken, te bebouwen en te bewonen. Het perceel lag ten zuiden van de verlengde Keizerstraat, genummerd als 81:63. Het was 20,72 meter breed en 82,88 meter diep (in totaal 1717,20 vierkante meter).

De voorwaarden waren:

  • Vanaf 1 januari 1674 moest hij jaarlijks pachtgeld betalen aan de koloniale kas: 10 cent per 10 vierkante meter.
  • Hij moest de straat langs het perceel goed onderhouden, zoals voor grondbezitters was of zou worden voorgeschreven.
  • Als hij zich niet aan de regels hield, zou de vergunning vervallen.

Er werd ook bekend gemaakt dat:

  • Aan verschillende mensen percelen in pacht zouden worden gegeven aan de verlengde Meiren Atlantstraat, zodra zij de vereiste kaarten hadden ingeleverd. Dit betrof: M. M. Aller (perceel 59), D. D. Ranswee (60), G. I. Kijniger (61), M. D. Renard (62), A. de Misanda gehuwd met Mo. E. Henriques (perceel 64), D. Ernest (65), P. P. Hosman (66), I. S. Sichtman (67), D. P. Sichtman (68), A. S. Bolte (69), D. D. Doth (70).
  • Aan J. S. Doth en H. H. Bear werd meegedeeld dat de 12 beschikbare percelen al aan anderen waren toegewezen die zich eerder hadden gemeld, dus hun verzoek kon niet worden ingewilligd.
  • Aan J. De. Mo. Coliarer, geboren Sarqui, werd meegedeeld dat haar verzoek om een perceel in pacht zonder pachtgeld en met gratis verstrekking van de vereiste kaart niet kon worden ingewilligd. Ze mocht wel onder de normale voorwaarden een nieuw verzoek indienen met een situatiekaart.
  • Aan H. J. Bolte werd meegedeeld dat haar verzoek niet kon worden ingewilligd omdat haar bij gouvernementsbesluit van 23 september 1873 nummer 1 al een perceel in de buurt in pacht was gegeven.

22 januari werd een brief gelezen van 17 november over een koninklijk besluit van 3 november nummer 20. Hierin werd aan kanonnier vijfde klasse Mo. M. Paléé, die zichzelf Wahlé schreef (stamboek nummer 3494) en bij de landmacht in Suriname had gediend, een jaarlijks bedrag van 150 gulden toegekend ten laste van de staatsbegroting van het Departement van Koloniën. Dit besluit werd doorgegeven aan de Administrateur van Financiën.

22 januari werd ook het verzoek van 10 november van B. J. de la Dara gelezen. Hij vroeg om 2 hectare grond van de plantage

Bekijk transcriptie 


De Gouverneur moest uitleggen van welke plantages en gronden op de door hem overgelegde lijst de eigenaren of beheerders aanwezig of bekend waren, en waarom er tegen hen geen vervolgingen waren ingesteld vanwege de verschuldigde belasting.

16 juli: Er werd een verzoek gelezen van het Kerkbestuur van de Nederlandse Portugese Israëlitische Gemeente. Zij vroegen toestemming om leden die achterstallige betalingen hadden voor contributies en offergelden tot en met het Israëlitisch jaar 5615 (12 september 1855) voor de rechter te brengen. Op basis van artikelen uit publicaties van 2 september 1828 en 17 januari 1833 werd het Kerkbestuur toestemming gegeven om deze achterstallige leden te dagvaarden.

25 juli: Er werd een ongedateerd verzoek gelezen van Joseph Sarqui, die vroeg om na het afleggen van het vertalersexamen te worden aangesteld als tolk in de Portugese en Engelse talen. Ondanks het door de verzoeker overgelegde bewijs van onvermogen en op basis van het rapport van de Procureur-Generaal van 13 juli, besloot de Gouverneur het verzoek af te wijzen. Hiervan werd een afschrift gestuurd naar de Procureur-Generaal ter informatie.

27 juli: Er werd een ministeriële brief van 13 juni gelezen waarin onder andere stond dat de onlangs aangekochte plantage Rustenburg als overheidseigendom zou worden aangemerkt en beheerd. De heer Wildeboer werd gehoord met betrekking tot het beheer.

Bekijk transcriptie 


Petrus Bechers verklaarde dat een inwoner de fakkel nam, dat 1 van de rekruteurs zou worden vervolgd, en dat hij nog een klap op zijn rug kreeg. Uiteindelijk werd degene die verscheen gedwongen het poeder op te rapen. Hij verklaarde verder dat de genoemde rekruteurs hem een halve florijn aanboden om hem als tamboer te werven. Deze verklaring werd gedaan onder aanbod van het afleggen van een eed zoals vereist.

G. Clocker, hoofdofficier van de Vrijheid van St. Pierre, heeft officieel een lijst met vragen ingediend om onder ede personen te ondervragen. Dit werd toegestaan.

De vragenlijst bevatte de volgende punten:

  • Hun naam en hoedanigheid
  • Hun woonplaats en beroep
  • Of zij hebben gezien dat Pierre Coulen werd geslagen en gewond, en op welke plek
  • Waar, wanneer en op welk tijdstip dit gebeurde
  • Welke verwondingen Pierre Coulen opliep en met welk instrument
  • Of er ruzie was en moeilijkheden
  • Alles wat zij verder wisten

De hoofdofficier vroeg dat de verklaringen schriftelijk zouden worden opgesteld.

15 juni 1785 verscheen voor 2 afgevaardigde schepenen van St. Pierre de vrouw Marie Anne Hermans, echtgenote van Gerard Rogies, inwoonster van deze vrijheid. Zij was behoorlijk gedagvaard en beëdigd en verklaarde dat zij Marie Anne Hermans heette, echtgenote van Gerard Rogies. Zij woonde in de vrijheid van St. Pierre op de plaats genaamd Schotel en was tuinvrouw van beroep. Zij had gezien dat Pierre Coulen werd geslagen door 3 soldaten die in het groen gekleed waren.

Bekijk transcriptie 


Anna Wilsulmina Heebut, getrouwd met Martin, en N. Herbert, die optraden als uitvoerders van het testament van Henriette Johanna Muria Turko (ook wel Al Turbo genoemd), dienden een verzoek in. Zij hadden aan het Huis Geugin een stuk grond met gebouwen verkocht aan de Kiezersprat, geregistreerd onder nummer W. L: A N: 241, 0. N. L: 837: 187. De verzoeksters vroegen om af te zien van het recht van naasting van dit perceel.

19 november werd besloten om af te zien van het recht van naasting van het perceel. Een afschrift van dit besluit zou aan de verzoeksters worden gestuurd.

Er werden verschillende verzoeken ingediend om vrijstelling of uitstel van betaling van verschuldigde belastingen door:

  1. de weduwe Clemers, geboren Iendoorn
  2. H. Esser
  3. Constantia Buknee
  4. Johanna Matia Meikers
  5. I. Sarqui, namens de uitvoerders van de nalatenschap van Orans van Cussur

Deze verzoeken werden bekeken samen met de overwegingen en het advies van de Administrateur van Financiën van 16 van die maand, nummer 639 1588.

Bekijk transcriptie 


Alvares was mede-erfgenaam van Simeha Salvador Sarqui. In plaats van het haar bij besluit van het College van Commissarissen voor het departement der Onbeheerde Boedels op 28 augustus 1852 toegekende een vierde gedeelte in de nalatenschappen, zal een derde gedeelte daarvan aan haar worden uitbetaald. De curator kon echter niet aan het besluit voldoen, aangezien met toestemming van het College aan Josephi Sarqui (die volgens het besluit van het gerechtshof slechts voor een derde gedeelte in de nalatenschap gerechtigd was) de helft daarvan was uitbetaald. Hierdoor ontstond een tekort van 156,93 gulden.

De curator stelde daarom voor dat toestemming werd verleend om voorlopig het bedoelde tekort te betalen en dit te verrekenen met of af te trekken van het bedrag der verzamelde boedels, dat bij de eerst voorkomende gelegenheid in 's lands kas zou moeten worden gestort.

Na kennisname van de overgelegde stukken is goedgevonden en verstaan: de curator bij het departement der onbeheerde boedels werd volgens het voorstel gemachtigd om op aanvraag van belanghebbenden het tekort van 156 gulden en 93 cent (156,93 gulden) te betalen, en dit bedrag in te houden van het bedrag der verscheidene boedels die bestemd waren om in 's lands kas te worden gestort.

Hiervan zou ook afschrift worden gezonden aan de administrateur van financiën ter informatie.

Bekijk transcriptie 


Gillis de Clerck en Elisabeth Huberts (zijn vrouw) maakten testamentaire afspraken. De langstlevende van hen beiden hoefde geen borg of zekerheid te stellen voor wat ze hun kinderen hadden nagelaten, zolang deze persoon ongetrouwd bleef.

Als de langstlevende opnieuw zou trouwen, dan gold het volgende:

  • De kinderen zouden bovenop de 50 gulden die ze elk al kregen, ook nog de helft krijgen van alle huisraad, inboedel, zilverwerk en dergelijke
  • Dit moesten ze dan delen met de langstlevende vader of moeder

Als de langstlevende hertrouwde maar geen kinderen kreeg uit het nieuwe huwelijk, mocht deze alle goederen behouden. Wel moest hij of zij van de rente of opbrengsten de kinderen volledig onderhouden tot ze meerderjarig waren of gingen trouwen. Dan kregen de kinderen hun deel.

De testatoren vroegen hun kinderen om de langstlevende ouder in alles te gehoorzamen en zich naar diens raad te gedragen. Ze hielden voor zichzelf de vrijheid om samen nog dingen toe te voegen aan het testament.

Dit alles verklaarden Gillis de Clerck en Elisabeth Huberts hun laatste wil te zijn. Ze wilden dat dit na hun overlijden volledig werd uitgevoerd.

Dit werd verleden in de stad Haarlem in het huis van de testatoren in de Vrouwestraat. Als getuigen waren aanwezig: Symon Cornelisz (vleeshouwer) en Pieter Joosten, beiden poorters en inwoners van de stad. Ze tekenden samen met de testatoren en de notaris.

Op 2 maart 1619 (op zaterdag omstreeks 7 uur 's avonds) verschenen voor notaris Michiel van Woerden (openbaar notaris en secretaris van de stad Haarlem) Abraham Loryn (zoon van Fremin) en Judith van der Conyte (dochter van Pieter), man en vrouw, poorters van Haarlem. Ze waren gezond van lichaam en geest (hoewel Judith hoogzwanger was).

Ze verklaarden dat ze, hoewel nog jong van jaren, dagelijks de broosheid van het aardse leven inzagen, de zekerheid van de dood en de onzekerheid van het tijdstip daarvan. Daarom wilden ze over hun aardse goederen beschikken.

Allereerst herriepen en annuleerden ze:

  • De huwelijkse voorwaarden die tussen hen en hun respectieve familieleden bij hun huwelijk waren gemaakt
  • Alle testamenten, codicillen of andere beschikkingen van laatste willen die ze samen of apart eerder hadden gemaakt
Bekijk transcriptie 


Gillis de clerck, zoon van Peter, geboren in Gendt, en Elisabeth Hubert, dochter van een trompetter, geboren in De Graeff, waren een getrouwd stel dat woonde in Haarlem. Op vrijdag 22 februari 1619 kwamen zij voor een notaris om hun testament te maken. Elisabeth was ziek maar kon nog zitten, lopen en staan. Gillis was gezond. Beide waren bij hun volle verstand.

Zij verklaarden:

  • Zij wilden hun bezittingen regelen zodat degene die het langst bleef leven niet lastig zou worden gevallen
  • Zij trokken hun eerdere testament in en verklaarden het krachteloos
  • Hun kinderen die al geboren waren en nog geboren zouden worden, kregen elk 1500 Carolus guldens van 40 groot Vlaams als hun wettig erfdeel
  • Elk kind zou dit geld krijgen wanneer ze meerderjarig werden of gingen trouwen, maar niet eerder
  • De langstlevende ouder zou het geld van de kinderen beheren en moest daarvoor de kinderen onderhouden, opvoeden en leren zoals een goede vader of moeder betaamt
  • Zij vertrouwden elkaar volledig in deze zaak
  • De langstlevende ouder werd benoemd tot voogd of voogdes over de kinderen en mocht hen regeren naar eigen goeddunken
  • Niemand anders van de familie mocht zich hiermee bemoeien, tenzij de langstlevende ouder dit uitdrukkelijk wilde
  • Er hoefde geen verantwoording te worden afgelegd aan de weeskamer of familie, en er hoefde geen inventaris van de erfenis te worden gemaakt
  • De langstlevende partner zou alle overige goederen krijgen, zowel roerend als onroerend, schulden, vorderingen en bezittingen, en mocht daarmee doen wat hij of zij wilde zonder iemands toestemming of tegenspraak
  • Zij benoemden elkaar hiervoor
Bekijk transcriptie 


J. Parqui diende 7 september 1852 een verzoekschrift in bij de gouverneur van Suriname. Hij had geen geld en voegde daarom een bewijs van armoede toe. Hij verzocht om 2 dingen:

  1. dat er strafrechtelijke vervolgingen zouden worden ingesteld tegen mr. J. Al. Litman, de waarnemend procureur-generaal, vanwege de feiten die hij in zijn verzoek noemde
  2. dat mr. J. Al. Litman zou worden ontheven van zijn taken als waarnemend procureur-generaal totdat er een definitieve uitspraak was gedaan

Parqui en zijn dochters behielden zich het recht voor om later nog een civiele procedure te starten bij het gerechtshof of bij de Hoge Raad als ze dat nodig zouden vinden.

Op 3 november 1852 stuurde een ambtenaar in Paramaribo een vertrouwelijk bericht aan de gouverneur over de klacht van J. Parqui. Hij schreef het volgende: op de ochtend van 27 augustus had de politie een melding gekregen dat er in de Vrambandersgracht in de stad het lichaam van een pasgeboren kind was gevonden. De politieluitenant ging meteen naar die plek voor onderzoek. Hij vond inderdaad het lichaam van een pasgeboren meisje met een zeer lichte, bijna blanke huidskleur op de oever van de gracht. Er waren geen sporen van mishandeling te zien.

Bekijk transcriptie 


18 september 1842: De overwegingen en het advies van de Administrateur van Financiën van 14 september 1842 zijn gelezen. Deze gingen over het verzoek van 31 juli van S. Parqui en anderen. De verzoekers waren:

Zij meldden dat zij aan H. Clemens, die de firma C. Aersten vertegenwoordigde, voor de som van 5.200 gulden een stuk grond en de daarop staande gebouwen hadden verkocht. Deze lagen aan de Domineestraat. Daarom verzochten zij om afstand te doen van het recht van naasting (het recht van voorkoop). Er is besloten dit verzoek af te wijzen. De Administrateur van Financiën werd op de hoogte gebracht door middel van een afschrift.

7 september 1848: Op basis van artikel 3 van de publicatie van 1 mei 1821 is besloten de Administrateur van Financiën uit te nodigen om de verzoekers te vragen de bewijsstukken over te leggen die hun recht ondersteunen.

7 september 1848: De brief van de Voorzitter der Koloniale Staten is gelezen. Hierin maakte hij bekend dat Culler tot Gruyter was benoemd tot Commissaris ter Griffie.

7 september 1848: De brief van de Administrateur van Financiën van deze maand nummer 1338 is gelezen. Hierbij werden ter goedkeuring aangeboden de uitgavenoverzichten over de maand augustus 1865 voor de dienstjaren 1864 en 1865. Besloten is deze overzichten goed te keuren voor een bedrag van 1.309 gulden.

Bekijk transcriptie 


Rooswyk procedeert tegen Alr. Mo. S. Schu van Carel Gredick Steinhard. C. H. Hornon procedeert tegen Christina van Fockens als erfgename, S. Jacol des Combes en S. Vholyk als bewindvoerders van A. Sanson procederen tegen de weduwe van Soseph Leoy. Een van Sal. Alexander procedeert voor Sitko Piedluken tegen S. Embricis van Hage Sayen. Na beraadslaging is besloten de gevraagde dwangbevelen tot tenuitvoerlegging te verlenen op korte termijn.

De heren ontvingen een verzoekschrift van Ao. et Consanlo, die een besluit van verstekverlening vroegen tegen St. Sarqui. Na beraadslaging is besloten het gevraagde besluit van verstekverlening te verlenen, met toestemming zoals passend is.

De volgende verzoekschriften werden ingediend met een vraag om besluit van dagvaarding:

Na beraadslaging is besloten om een verzoeningszitting te gelasten op 1 april aanstaande voor heren commissarissen, met verzoek het hof hiervan op passende tijd te dienen.

Er werd een verzoekschrift ontvangen van Jacques Lambertus de Bije in hoedanigheid als gemachtigde van J. Halfhide, die toestemming vroeg van het hof om op grond van het voorkeursrecht van verzoeker uit de bij hen aanwezige penningen, verkregen uit de verkoop van producten van de door hen beheerde 2/3 deel in de plantage Canaiasipibo, aan verzoeker te betalen wegens zijn daarin omschreven vordering, groot aan kapitaal.

Bekijk transcriptie 


3 juli 1855: De verkooprékening en een kopie daarvan werden met bijbehorende stukken gestuurd naar de waarnemend Administrateur van Financiën en de Schutter van plantage Catharina Sophia ter informatie en voor kennisgeving. De Administrateur van Financiën werd gevraagd om het Ministerie van Koloniën voor het bedrag van de verkooprekening in rekening te brengen.

3 juli 1855: Er werd een brief gelezen van de Luitenant-Kolonel, Commandant van het Garnizoen en der Troepen, waarin werd voorgedragen dat jager Cornelis van der Dis van het Bataljon Jagers nummer 27 verzocht om bij zijn aanstaande diensteinde (15 juli) een binnenlands paspoort te krijgen. De Luitenant-Kolonel vroeg, onder overlegging van een akte van borgtocht, om hiertoe gemachtigd te worden. Na het bekijken van de overgelegde akte van borgtocht van 2 juli 1855, werd besloten dat de Luitenant-Kolonel, Commandant van het Garnizoen en de Troepen, bij afschrift werd gemachtigd om aan jager Cornelis van der Dis een binnenlands paspoort uit te reiken.

Er werden verzoeken gelezen van:

Beiden verzochten om erf nummer 31 in pacht te krijgen. Na het bekijken van de overwegingen en adviezen van de waarnemend Administrateur van Financiën van 31 mei 1855 nummers 190, 358 en 191, 360, en na kennisname van het door S. M. Wormer overgelegde bewijs waaruit bleek dat zij door aankoop eigenaresse was geworden van een gebouw dat op bovengenoemd erf stond, werd het volgende besloten. Omdat van het verzoek van S. M. Wormer in het Gouvernements advertentieblad van 12 juni 1855 aankondiging was gedaan en daartegen geen bezwaar was ingekomen, werd aan S. M. Wormer vergund om het genoemde erf van 5.886 vierkante voeten tot wederopzegging te gebruiken en te bebouwen.

Bekijk transcriptie 


Nobias Sall was het oneens met Lu lomen Diesenskec en Andreu Charurier was het oneens met William Turns over de geëxecuteerde lening van het Williamdt Tuinsie. Hierop werd besloten dat beide partijen moesten verschijnen voor een verzoeningsgesprek op 17 december bij de commissarissen, met het verzoek om de rechter te informeren over de feiten.

Salm Marcus Clamson diende een verzoek in voor een dwangbevel met een uitvoeringsclausule tegen H. El. Koning voor de rechter vanwege een executie die tegen de verzoeker werd uitgevoerd. Hierop werd besloten een verzoeningsgesprek te organiseren voor de commissarissen, met het verzoek om de rechter te informeren, waarbij alles ondertussen in de huidige toestand bleef.

Posepche Sarqui diende een verzoek in voor een beslag op 1/3 van het loon van Um Bliekveld als directeur van plantage Vlaardingen, met toestemming om dit te innen via G. G. Weldurk als beheerder, en ook op andere personen bij wie Um Bliekveld zou komen wonen, die dit aan de verzoeker moesten uitbetalen. Hierop werd besloten het beslag op 1/3 van het loon van directeur Wm. Blickveld toe te staan, met toestemming om dit uit te voeren, en met de verplichting om bij verzet binnen 14 dagen bij de rechter te reageren, anders zou het beslag van kracht blijven.

Nicolaar Lamberthe Braam, als gevolmachtigde van Theodorus Lodewyk de Surmont de Veus in de beschreven hoedanigheid, diende een verzoek in voor voorrang in de beschreven procedures tegen Jan van Valle en wilde verder met hem op korte termijnen van 3 tot 3 dagen kunnen procederen, omdat het een spoedeisende zaak betrof.

Bekijk transcriptie 


5 september werd besloten om de volgende dag om 8 uur in de ochtend hiermee verder te gaan. Er zouden afschriften worden gestuurd aan de Procureur Generaal en de Administrateur van financiën ter informatie.

5 september. Er werd een verzoek behandeld van 29 augustus van Dansie Cornelia de Lyon, weduwe van Salomo Sarqui. Zij vroeg om samen met haar dochter Josephina Florentina Maria in het burgerregister te worden ingeschreven. De aanvrager gaf aan dat zij, voorheen Johanna Cornelia de Lyon geheten, op 16 december 1863 was getrouwd met Salomo Sarqui, die in het burgerregister stond. Zijzelf en haar door dat huwelijk wettige dochter waren respectievelijk op 1 november 1812 en 26 augustus 1844 binnen de kolonie geboren. Er werd verwezen naar publicaties uit 1831, 1863, 1864 en 1828. Er werd besloten de ambtenaar die verantwoordelijk was voor het burgerregister toestemming te geven om de aanvrager en haar dochter in dat register in te schrijven wanneer zij daartoe een aanvraag indienden. Hiervan zou ook een afschrift naar de aanvrager worden gestuurd als antwoord.

5 september. Er werd een uittreksel behandeld van de Districts Commissaris van Beneden en Boven Dara over de maand juni, en specifiek over wat op 25 juni was aangegeven over het aanhouden van overtreders in de haven van l'Enquietude. Er werd besloten de Districts Commissaris te vragen of de publicatie van 16 juni 1863 in verband met die van 15 september 1864 was toegepast op de vervoerder van de genoemde overtredingen.

Bekijk transcriptie 


De Gereformeerde gemeenschap maakte een lijst van mensen die hulp hadden gevraagd na een brand. Onder hen waren Portugees-Joodse mensen:

Er werd een algemene staat gemaakt van uitdelingen en onderstand aan de noodlijdenden vanwege de brand van 21 en 22 januari 1821. De hulp kwam uit liefdegaven die in het vaderland waren ingezameld.

De grondslag waarop de verleende onderstand werd berekend, was gebaseerd op de geleden verliezen zoals de slachtoffers die zelf hadden opgegeven. De verliezen varieerden van 300 gulden tot 18.005 gulden aan huizen, meubels en koopmanschap.

De bedragen die aan de verzoekers tot onderstand in hun behoeften waren verstrekt, waren onder andere:

  • 22 gulden, 17 stuivers en 8 penningen
  • 76 gulden en 5 stuivers
  • 114 gulden, 7 stuivers en 8 penningen
  • 305 gulden
  • 15 gulden en 5 stuivers
  • 15 gulden en 5 stuivers
  • 30 gulden en 10 stuivers
  • 381 gulden en 5 stuivers

Het totaal transport bedroeg 3.028 gulden en 5 stuivers, met een eerdere transport van 1.067 gulden en 10 stuivers. Er werd ook kwitantie gegeven voor de ontvangst van de toegekende bedragen, die betaald waren in assignatie op de heer raad.

Bekijk transcriptie 


22 maart diende de grootcassier Matthijs Fenn van Bazel een bericht in. Hij meldde dat hij volgens orders aan zijn gemachtigde in Europa opdracht had gegeven om een partij aandelen bij de Compagnie in te kopen.

Er werd een overzicht toegestuurd van de inkomsten die in Colombo en onderliggende kantoren maandelijks aan predikantsweduwen werden uitbetaald. Dit was vermeld in een schrijven van 15 oktober 1790, paragraaf 54. Ook was er een vergelijkbaar overzicht van de inkomsten van de predikantsweduwe in Banda.

Met de boot de Lugtbol werd een brief ontvangen, geschreven en ondertekend door P.H.W. de la Fargue, maar zonder datum. De brief bevatte een uitgebreid verslag van persoonlijke zaken en een verzoek. De la Fargue vroeg om een besluit te nemen over de brieven van voorschrijving die door het Hof van Holland en West-Friesland aan de curator over hun personen en goederen waren verleend. Dit besluit moest voldoen aan wat in hun meegestuurde verklaring over hun geldzaken stond. Als er al een ander besluit was genomen voordat deze verklaring was ontvangen, moest dat besluit worden ingetrokken en aangepast aan wat in hun verklaring stond.

Bekijk transcriptie 


5 augustus waren aanwezig de heer president en de heren raadsheren Mr. C. J. Elleram, L. B. Slengarde, Hr. A. R. Hayun, I. P. Thompert en de secretaris A. van Meer.

De notulen van de vorige vergadering werden gelezen en goedgekeurd.

Er werd een verzoekschrift gelezen van Johan Friedrich Ohlanck, waarin hij vroeg om benoeming van een advocaat en een procureur om hem bij te staan in rechtszaken die hij meende te moeten beginnen tegen van den Brocte, Luteyn en de Schouten te Middelburg. Na beraadslaging werd besloten om advocaat William Melanchton Forbes en procureur Strictus Eylaart aan te wijzen.

De heren commissarissen van de rol rapporteerden over de verschillende verzoeken om dagvaarding. De volgende partijen zijn het eens geworden en de verslagen zullen bij de secretarie worden bewaard:

Dit werd voor kennisgeving aangenomen.

Voor de zaken waarin geen overeenstemming was bereikt of waarbij de gedagvaarden niet waren verschenen, stelden de commissarissen voor om dagvaarding te verlenen, namelijk:

Bekijk transcriptie 


St. D. Lourada werd voorgedragen om benoemd te worden tot curator ad hunc actum (tijdelijk bewindvoerder voor deze specifieke zaak) voor de besproken kwestie.

Verder werden er mondeling overeenkomsten gesloten tussen partijen over de volgende verzoeken:

  • V. Weeke vroeg om een bevel tot directe executie (gedwongen tenuitvoerlegging) tegen de weduwe Ho. S. Oot, waarvan het huis op vermelding 9 bekend stond in de notulen van 1 december.
  • Jan 16e Zeckie 1Ee vroeg om een bevel tot directe executie tegen de weduwe S. Van Tholl, bekend in de notulen van 1 december.
  • A. b. 1'H. K. Consanto vroeg om een bevel tot aanhouding tegen Vos Sarqui, bekend in de notulen van 34 december.

Na beraadslaging werd besloten de voorgestelde bevelen toe te kennen en het overige gerapporteerde aan te nemen als kennisgeving.

Vervolgens werden de volgende zaken besproken:

Bekijk transcriptie 


21 december heeft de commissie uit het gerechtshof Carel Vernes van Ommer (ook wel van Ommeren genaamd) veroordeeld tot gevangenisstraf vanwege geweldpleging. Hij vroeg om vrijstelling van deze straf. Zijn verzoek is besproken samen met de overwegingen en adviezen van de procureur-generaal en het gerechtshof van 27 januari.

Er zijn verzoeken ontvangen van de volgende personen die graag benoemd wilden worden als hulp-deurwaarder:

  1. E. Vallee
  2. J. Jungles
  3. P. Singeling
  4. J. Meyer Ferno
  5. D. Rendwel
  6. H. Salomons
  7. W. B. White
  8. D. Sack van der
  9. J. Duijzer la Parra
  10. C. Massy Dde
  11. W. Pardé
  12. Jarqui

Er is besloten dat aan de verzoeker wordt laten weten dat zijn verzoek niet kan worden toegestaan. Afschriften worden gestuurd naar de procureur-generaal en het gerechtshof ter informatie en kennisgeving, en ook naar de verzoeker.

2 februari is een brief van het gerechtshof gedateerd 24 december behandeld. Er is besloten om:

  • Tot 2e hulp-deurwaarder te benoemen: de 5e hulp-deurwaarder J. W. Pardé in plaats van wijlen H. Wesenhagen, op het bijbehorende salaris dat door de deurwaarder moet worden betaald.
  • Tot 5e hulp-deurwaarder te benoemen: de heer B. H. Palomares, op het bijbehorende salaris, ook te betalen door de deurwaarder.
  • Aan de overige verzoekers te laten weten dat hun verzoek niet meer in gunstige overweging kan worden genomen omdat de functie al is vervuld.

Afschriften worden gestuurd naar de procureur-generaal, de administrateur van financiën, het gerechtshof, de raad van administratie van het pensioenfonds der ambtenaren en de waarnemend deurwaarder ter informatie en kennisgeving, en ook naar de benoemden als aanstellingsbesluit en naar de overige verzoekers.

1 februari is een brief ontvangen van Zijne Excellentie de minister van koloniën. Er is een verzoek behandeld van J. Scou, J. J. Rouse, H. Raise en A. van Velzen in hun functie als bestuurders van plantage Vredenburg. Zij vroegen om de slaaf Prenceese met haar kinderen Etritje en Sophia van de namenlijst van dat landgoed af te schrijven en over te schrijven naar de naam van J. H. Romeyn voor een bedrag. Ook vroegen zij om in hun plaats op de namenlijst van genoemd landgoed de slaven Urnet

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/