Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


De gevangene probeerde te ontsnappen. Andere slaven achtervolgden hem, die hem uiteindelijk te pakken kregen bij de huizen van mevrouw Schendelar. Ze leverden hem uit aan de politie. De gevangene ontkent bij verhoor alles en zegt dat hij die zondagavond dronken was. Hij beweert dat hij naar het huis van meester Jan de Witt ging om met slavin Ponna te praten - hij had 4 jaar een relatie met haar. De slavin Sanna kwam op verzoek van hem via slavin Diana naar buiten en ze praatten wat. Daarna kwamen 5 of 6 slaven, die zowel van de Witt waren als van een ander.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10951 / 0552  


Claas van Bengalen is veroordeeld om aan een paal vastgebonden te worden en door de beul met een zweep streng op zijn blote rug geslagen te worden. Daarna moet hij 3 jaar in de gevangenis, geketend, waarna hij teruggestuurd wordt naar zijn meester. Hij moet de gerechtskosten betalen. De burger en putmeester Cornelis van Rooijen deed ook een verzoek.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0066  


Amarentia van Rio de Lagoa wordt veroordeeld tot marteling zoals dat gebruikelijk was. Ze wordt ervan beschuldigd dat ze haar heer 's nachts heeft aangevallen en verwond. Ze zegt dat ze nergens vanaf weet en dat ze alleen wakker werd van het lawaai en met haar kind op de arm vanuit de keuken naar voren is gegaan. De secretaris van de Raad heeft besloten dat er aanplakbiljetten komen voor mensen die nog geld tegoed hebben van Marten Eckart, een burger die verbannen is uit het land.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0015  


Op 7 was het de vraag wat er moest gebeuren met de boedel van Marten Eckart. De controleur Pieter Reede van Oudshoorn had een bode naar Eckart gestuurd om een boete van 1000 rijksdaalders te innen. Eckart had gezegd dat hij dit niet kon betalen. Omdat Eckart als een onbetrouwbaar persoon werd gezien, was men bang dat hij zijn bezittingen zou verstoppen of zou vluchten op een Engels schip. Daarom werd besloten dat zijn bezittingen moesten worden:

Dit alles gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0013  


Gerrit van Heusden van Veenen en Marten van der Klugt uit 's Gravenhage werkten als matrozen op het schip ''t Wapen van Hoorn'. Samen met Marthinus Eckart uit Berlingen, een inwoner van Leeuwarden, waren ze betrokken bij een diefstal. De eerste twee werden gevangen genomen. De derde persoon had de diefstal aangewezen. Een vierde persoon werd beschuldigd van het kopen van de gestolen goederen.

De eerste drie verdachten bekenden en vroegen om een milde straf. De vierde verdachte zei dat hij niet wist dat het om gestolen goederen ging. De aanklager:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0010  


De landeigenaar Frederick Bota Iacobus zoon had eerder hoger beroep aangetekend tegen een vonnis van 3 februari 1746 over het met opzet doodschieten van slavin Eva van de Kaap. Deze slavin was eigendom geweest van boer Hermanus Steijn. Het beroep was niet goed afgehandeld bij de Raad van Justitie in Batavia.

De aanklager, adjunct-fiscaal Otto Luder Hemmij, toonde een brief van de bestuurders van de VOC, gedateerd 15 juli 1718. Hij eiste dat het beroep niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

Oud heemraad Iacobus Bota de oude verscheen namens zijn zieke zoon en ging akkoord met het eerdere vonnis. De Raad verklaarde het beroep van Frederick Bota niet-ontvankelijk en veroordeelde hem tot het betalen van de proceskosten.

Dit alles vond plaats in het Kasteel de Goede Hoop, waar I.C. Tiemmendorf de secretaris was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0082  


De voormalige landdrost was de aanklager. Deze blijft bij zijn aanklacht en wil alle getuigen nogmaals laten ondervragen door afgevaardigden van de Raad. Ze moeten vragen of de gedode slaaf Juli door de verdachte met een bijl in het hoofd is geslagen. Ook moet de knecht van weduwe Jan Hendrick Hop ondervraagd worden over het gedrag van zowel de gedode als de verdachte en andere betrokken slaven.

De soldaat Jan Laars heeft een verklaring afgegeven. De aanklager vervolgt Claas van Bengalen, een slaaf van landbouwer Johannes Groenewald. Claas zit nu gevangen en wordt beschuldigd van het stelen van schapen.

Claas geeft toe dat hij slechts één schaap heeft gestolen uit de kraal van landbouwer Casper Piek. Een slavin die daar woonde had hem hiertoe aangezet. Hij ontkent meer schapen te hebben gestolen. Tijdens zijn vlucht heeft hij overleefd door het stelen van wortels en andere groenten uit verschillende tuinen. Hij vraagt om een milde straf.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0065  


Op 15 januari 1750 kwamen de bestuurders 's ochtends bijeen. Aanwezig waren luitenant-kolonel Isack Meinertzhagen en alle bestuurders, behalve de voorzitter Rijk Tulbagh en Willem van Kerckhoff die ziek waren en Hendrick de Ruijter die andere verplichtingen had. De drie burgerraadsleden waren er wel bij.

De aanklager had vernomen van de vroedvrouw uit Oudshoorn dat de beschuldigde vrouw volledig was hersteld van haar bevalling. Hij presenteerde de aanklacht tegen haar en tegen:

De beschuldigde was de vrouw van burger Georg Frederick Strans. De aanklacht was op 29 december van het vorige jaar ingediend. De secretaris Siemmendorf was aanwezig bij de zitting.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0014  


De luitenant-kolonel Isack Heeinertzhagen leidde de rechtszaak. De officier van justitie Pieter Reede van Oudshoorn klaagde Amarentia van Rio de Lagoa aan. Zij was een slavin van de overleden burger Georg Frederick Straus. Ze werd beschuldigd van:

Ook werd Hendrick van der Heijde aangeklaagd. De officier van justitie diende schriftelijk bewijs in voor deze aanklachten.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10949 / 0009  


Op 16 mei 1749 in het Kasteel De Goede Hoop kwam een groep bestuurders bijeen. De voorzitter was Rijk Tulbagh. Willem van Kerckhoff was afwezig vanwege ziekte. De burgerraadsleden Paulus Artois en Jan Lourens Best waren ook aanwezig.

De Javaanse gevangene Lantjiep werd verhoord. Hij hield vast aan zijn eerdere bekentenis, zelfs toen hem gedreigd werd met marteling door ophanging.

De officier van justitie Pieter Reede van Oudshoorn meldde dat gevangene Lausol, die een dag eerder tot marteling was veroordeeld, zichzelf 's nachts in de gevangenis van het leven had beroofd. Op verzoek van de officier werd besloten het lijk van Lausol aan zijn benen op te hangen aan de galg.

Dit document werd ondertekend door secretaris J.F. Tiemmendorff.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0022  


Op 23 mei 1749 werd er gesproken over Amarentia van Rio de Pagoa, die zwanger was. De hoge ambtenaar (fiscaal) heeft documenten laten zien over de slaven Arent van de Velde uit de Kaap en Bastiaan van Couchien, die beiden voor de boer Jacobus Kruger de Jonge werkten. Deze documenten waren verklaringen die de slaven hadden afgelegd in de gevangenis op 1 mei. De fiscaal hield vast aan zijn eis van 13 februari om Arent van de Velde te martelen, en wilde nu ook dat Bastiaan van Couchien gemarteld zou worden. De vergadering besloot om eerst alle nieuwe stukken te laten lezen door de leden voordat er een besluit werd genomen. Dit gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop. De secretaris J.F. Tiemmendorff heeft dit ondertekend.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0021  


Op zondag 1 mei 1749 diende de onafhankelijke openbare aanklager Pieter Reede van Oudshoorn een schriftelijk verzoek in over twee gevangen slaven:

Deze slaven waren eigendom van landbouwer Jacobus Kruger de jonge. De zaak ging over de moord op de slaaf Cupido. Op 13 februari had Arend van de velde hierover al een verklaring afgelegd. De aanklager vroeg nu om instructies van de Raad omdat het onderzoek naar de moord, ondanks alle inspanningen, niets had opgeleverd. Hij vroeg specifiek hoe hij verder moest gaan met de hoofdzaak, of anders wat er met de gevangen slaven moest gebeuren.

Deze zitting vond plaats in het Kasteel de Goede Hoop, onder leiding van Rijk Sulbagh als voorzitter, met alle leden en drie burgerraden aanwezig. De secretaris was J.S. Tiemmendorff.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0018  


Op 2 mei 1749 werden in het kasteel De Goede Hoop twee slaven verhoord: Arend van de Velde van de Kaap en Bastiaan van Cochin. De rechtszaak werd voorgezeten door Rik Tuldagh als president, samen met alle andere leden behalve Rudolph Siegfried Alleman. Ook waren de burgerraadsleden Jan Lourens Bestbier en Johannes Henricus Blanckenberg aanwezig. Ondanks dreigementen met marteling bleven beide slaven ontkennen. Hun antwoorden werden opgetekend door klerk L. Neethling.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0019  


De landbouwer Matthijs Greef heeft op 19 november 1749 bij de Raad van Justitie van het kasteel in Kaap de Goede Hoop zijn eerder afgelegde verklaring bevestigd. Hij deed dit in aanwezigheid van de slaaf October. De raadsleden A. Decker en F. Artois waren hierbij aanwezig. De verklaring werd officieel vastgelegd door klerk C. Neethling.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0975  


Een slaaf vertelde dat Bastiaan gestolen spullen van een zekere Ionge had verstopt. De eigenaar van de slaaf ging samen met Bastiaan, een andere slaaf genaamd Doea en de verteller naar de verstopplaats. Bij aankomst vonden ze de spullen niet op de oorspronkelijke plek, maar Doea vond ze 3 stappen verderop onder een struik. De eigenaar nam alles mee naar huis. De verteller legde uit dat Bastiaan en de vermoorde Lupido al lange tijd ruzie hadden vanwege jaloezie omdat: De verteller had de moord zo lang verzwegen uit angst voor Bastiaan, die hem had bedreigd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0347  


Op een avond ging Van Aard naar De Plaats. Daar ontmoette hij Petrus Louw die met de schapen aankwam. Louw zei dat er schapen van zijn vader tussen de kudde van Van Aard liepen die al gemerkt waren. Van Aard gaf toe dit te weten. Louw antwoordde dat hij hierom buren had meegenomen.

Met z'n vieren gingen ze naar de schaapskooi. Van Aard vroeg aan zijn slavin Christina of er vreemde schapen tussen zaten, wat zij ontkende. Louw ging zelf de kooi in en haalde er een ongemerkt schaap uit dat van zijn vader was. Hij vroeg Van Aard waarom dat schaap opnieuw gemerkt was en zei dat zijn vader geld had en hij ook. Van Aard antwoordde dat het nu donker was en dat hij bij daglicht meer schapen zou aanwijzen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0540  


Op donderdag 13 november werd de verteller samen met andere slaven door hun eigenaar, na het eten, opgedragen om naar het land te gaan om gerst te oogsten. De verteller ging samen met de slaaf David ongeveer 100 stappen voor de slaven Pharao van de Kaap en October van Batavia uit. Deze laatste twee moesten water naar het land dragen. Na een korte wandeling hoorde de verteller geschreeuw. Toen hij omkeek zag hij de slavin Flora, eigendom van zijn meester, die naar Pharao en October toe rende. Hij zag dat October de slaaf Pharao, die al op de grond lag, met iets in zijn hand sloeg. October vluchtte daarna het veld in. Dit verhaal werd op verzoek van fiscaal Pieter Reede van Oudshoorn verteld door Isaac van de Kaap, slaaf van landbouwer Matthijs Greef.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0977  


De slavin Clara van Bengalen verscheen voor de rechtbank in Kaap de Goede Hoop. Ze bevestigde haar eerdere verklaring, die haar was voorgelezen in het Nederlands, een taal die ze redelijk goed sprak en begreep. Ze wilde niets toevoegen of weglaten, behalve dat de slaaf Bastiaan op de dag van de moord op Cupido de hele dag graan had gesneden en 's avonds samen met haar eigenaar de paarden in de kraal had vastgezet, terwijl de slaaf Arend afwezig was.

Dit werd vastgelegd op 20 januari 1749 in aanwezigheid van:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0369  


De slaaf Lantjiep gaf aan dat zijn eerdere bekentenis, die hem was voorgelezen, volledig juist was. Hij wilde er alleen aan toevoegen dat toen ze met 4 personen naar de kamer van burger Strans wilden gaan om hem te vermoorden, de dienstmeid tegen hen zei dat 2 personen genoeg waren. Ook vertelde hij dat nadat hij was verhoord en had bekend, een slavin tegen hem in de gevangenis had gezegd dat hij dom was om te bekennen terwijl hij niet eens in de kamer was geweest. Dit was de reden dat hij zijn bekentenis eerst had ingetrokken. Deze herziene verklaring werd afgenomen met een vertaling uit het Maleis door raadslid Jan Lourens Bestbier in de martelkamer op 23 mei 1749, in aanwezigheid van:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0293  


Op zondag 22 mei 1749 's ochtends waren aanwezig de voorzitter Rijk Kelbagh en alle leden, behalve Willem van Kerckhoff die ziek was. Ook de burgerraden waren erbij. De aanklager Pieter Reede van Oudshoor diende een aanklacht in tegen drie verdachten:

De eerste twee verdachten beweerden van niets te weten en zeiden dat ze alleen uit angst bekentenis hadden afgelegd. Lausoe zei dat hij kon bewijzen dat hij die nacht in de compagnieloods had geslapen.

Twee andere gevangenen, Tjampaaij en Cadere, werden binnen geroepen als medeplichtigen aan de moordaanslag op burger George Frederick Strans. Ze bleven bij hun eerder afgelegde bekentenissen. Ze bevestigden ook dat het getoonde stuk ijzer en touw van Lausoe en Lantjiep waren.

De raad veroordeelde Lausoe en Lantjiep tot marteling, zoals dat daar gebruikelijk was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0020  


De zwangere slavin Amarentia, voorheen eigendom van burger George Frederick Straus, zat gevangen. Omdat ze de winter niet in de gevangenis zou overleven, werd besloten haar naar een bewaringskamer te verplaatsen.

De slaven Arent van Kaap en Bastiaan van Cochin, eigendom van landbouwer Jacobus Kruger de jonge, werden tijdelijk naar Robbeneiland gestuurd om later meer duidelijkheid over hun zaak te krijgen.

Er was ook een rechtszaak tegen landbouwer Theunis van Aart. De landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Adriaan van Schoor, trad op als openbaar aanklager. De beklaagde verklaarde onschuldig te zijn en onderwierp zich aan de beslissing van de raad.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0025  


Nadat zij tot ongeveer 11 uur rondzwierven, gingen ze naar het huis van Strous. Ze klommen op het platte dak achter het huis en bonden een touw vast aan de schoorsteen. De drie gevangenen, samen met hun medeplichtige Lausoe, klommen een voor een via het touw door de schoorsteen naar de keuken. Daar was de slavin Amarentia, die of wakker was of deed alsof ze sliep. Ze kreeg opdracht om het nog brandende licht uit te doen en de keukendeur open te maken. De drie gevangenen en Lausoe lieten zich door Amarentia naar de slaapkamer van Strous leiden. Daar werd op de deur geklopt. Toen Strous vroeg wie daar was, kreeg hij geen antwoord. Hij pakte een geweer en een kaars en opende de deur.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0308  


De slaaf Doua was op het land van zijn meester aan het werk om graan te oogsten. De slavin Clara paste op de dieren, ongeveer een geweerschot verderop. De slaaf Matthijs, die eigendom was van mejuffrouw de weduwe Ten Damme, hoedde de kalveren op haar landgoed de Bracke Fonteijn. Bastiaan zag dit gebeuren en werd jaloers. Hij verliet samen met Doua het korenveld en ging naar slaaf Matthijs toe. Bastiaan sloeg Matthijs met zijn sikkel op het hoofd. Doua en de verteller zagen dit duidelijk gebeuren vanaf het korenveld. Na een tijdje bloeden vertrok Matthijs met zijn kalveren, waarna Bastiaan terugkeerde naar het korenveld.

Een dag of twee voordat hij werd opgepakt, zat de verteller met Bastiaan alleen in het slavenhuis te eten. Toen de verteller een hond wegjoeg die over het eten sprong en het eten vuil maakte, werd Bastiaan erg boos. De verteller vroeg hem waarom hij zo boos werd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0397  


De landdrost Adriaan van Schoor kreeg een verklaring van burger Pieter Reijnertsz. Deze werkte al enige tijd op de boerderij van landbouwer Jan du Buisson in Draakensteijn. Op vrijdag 3 hoorde hij van de veewachter van Jan du Buisson dat er weglopers in de buurt van de rivier of het gebergte moesten zijn. De jongen dacht dit omdat hij:

Pieter Reijnertsz ging die middag samen met:

naar het gebergte.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0109  


Manica van Bengalen heeft voor de rechtbank verklaard dat ze vasthoudt aan haar eerdere getuigenis. Ze wilde niets toevoegen of weglaten, behalve dat haar voormalige eigenaar na zijn verwondingen nog 4 jaar heeft geleefd. Ze verklaarde in aanwezigheid van de slaaf Reijnier van Madagascar dat alles de waarheid is.

Dit werd vastgelegd in Kaap de Goede Hoop op 14 januari 1771, ondertekend door:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10948 / 0105  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/