Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 2 november 1755 kwam Januarij van Boegies, die eigendom was van de erfgenamen van wijlen de weduwe van kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelaar, thuis. Hij was ongeveer 45 jaar oud en zat in hechtenis. Hij vond in de galerij zijn medeslavin Clara van Maccasser, bij wie hij meerdere kinderen had, samen met zijn medeslaaf Augustus. Dit gebeurde aan de Kaap de Goede Hoop. Op 8 november 1755 tekende Dirck Weide een document waarin stond dat dodelijke verwondingen aan de hersenen soms pas 2 of 3 weken later zichtbaar worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1271 Bij het overlijden van een timmerman heeft de bootsman van het schip twee witte hemden genomen die eigenlijk bestemd waren voor de kwartiermeester Joseph de Booij. Deze spullen had de Booij in bewaring. Ook wordt gevraagd of de bootsman twee soldaten elkaar heeft laten afranselen met een touw. Verder is er een vraag over opperstuurman Hessel Alberts die in het ruim van het schip moest kijken naar 3 vaten bier van de VOC. Alberts kwam uit een kelder.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0478 De dader heeft 's middags wat eten van huis gehaald en is daarna naar het veld gegaan waar de slavin Philida de schapen aan het hoeden was. Haar werkplek was ongeveer een half uur lopen van haar meesters woning. Toen de dader bij Philida ging zitten en zij hem vertelde dat ze niets meer met hem te maken wilde hebben, gooide hij haar op de grond. Hij sprong op haar en kneep met zijn linkerhand haar keel dicht totdat ze stierf. Daarna bond hij haar blauwe zakdoek nog strakker om haar keel. Na een korte tijd weggeweest te zijn, kwam hij na zonsondergang terug. Toen hij zag dat Philida zich niet meer bewoog, haalde hij de zakdoek van haar hals af en vertrok.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0219 De gevangene was boos geworden en ging naar de achterplaats om brandhout te halen waarmee hij de dienstmeid Clara wilde slaan. Hij was door woede buiten zinnen geraakt en had in plaats van brandhout in het slavenhuis een kapmes (parrang) gepakt. Daarmee ging hij eerst naar de voordeur, sloot deze af en haalde de sleutel eruit. Vervolgens ging hij naar de achterkamer.
Clara was daar al met een kind op haar arm en het kleinste kind van zijn overleden vrouw aan de hand naartoe gevlucht, samen met de kok August. Clara kon de kamerdeur niet op slot doen omdat er geen sleutel in zat, maar duwde de deur wel dicht. De gevangene sprong Clara achterna toen zij samen met August uit het raam gevlucht was. Hij heeft haar toen ongeveer 3 keer met het kapmes geslagen, maar wist niet meer precies waar hij haar had geraakt.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1252 Hij bevestigde dat er 36 liederen waren opgeschreven. Naast de schoolmeester waren Willem Hartkamp, de slaaf Baatjoe en de slavin Candase in de kamer aanwezig. Candase paste op de kinderen. Er werd aan hem gevraagd of hij haar papieren had verscheurd die hij zich toe-eigende. Hij liet Baatjoe naar de wijnkelder gaan om te zoeken naar papieren van de slaaf Augustus.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1022 De beklaagde beweerde dat hij voor 100 rijksdaalders eigendommen had gekocht van de overleden Loubster, waarvan hij 71,875 rijksdaalders had betaald. Hij doorzocht verschillende papieren en verscheurde een kopie van een medicijnrekening en wat papier waar specerijen in hadden gezeten. Hij gooide deze voor de lessenaar op de grond.
De slavin Candase, die hierbij aanwezig was, vroeg hem wie hem het recht gaf om de papieren van haar meester te verscheuren. Hierop:
De schoolmeester deed dit, waarna de beklaagde de goederen in een kist opsloot.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1003 Het document beschrijft financiële transacties en een volmacht uit 1921-1922. De volgende bedragen werden ontvangen:
Er waren schulden aan:
Een volmacht werd gegeven aan Gerrit van der Werff door:
De volmacht betrof de afhandeling van de nalatenschap van Jansje Weder, weduwe van Johannes Steenhuizen, die op 1 december 1921 in Zandvoort overleed.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4871662 / 172 Het gaat over een erfenis van Johannes Steenhuizen en zijn vrouw Jansje Weber, die beiden in Zandvoort zijn overleden op respectievelijk 30 mei 1910 en 1 december 1922. De enige bezitting die nog verdeeld moet worden is de helft van een stuk grond. De grond bevindt zich aan de Haarlemmerstraatweg in Zandvoort en bestaat uit:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4871669 / 73 Op 13 juni 1922 maakte Jan van Munster van Heuven, als vervanger van notaris Jacob Harmen Wildervanck de Blécourt uit Bloemendaal, een boedelbeschrijving. Dit gebeurde in het huis aan de Zandvoorterlaan 7 in Zandvoort na het overlijden van Jansje Weber, weduwe van Johannes Steenhuizen.
Bij de beschrijving waren aanwezig:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4871662 / 170 Op 19 april 1923 kwamen bij notaris Jacob Harmen Wildervanck de Blécourt in de gemeente Bloemendaal de volgende personen samen voor een boedelscheiding:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4871669 / 71 De minister schrijft over het inhouden van het salaris van Steenhuizen. Dit bedrag moet worden overgemaakt aan één van de rijksbetalingsmeesters.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4280 / 0565
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0168 Op 19 april 1754 en 26 april 1754 legde een man een verklaring af bij de Raad van Justitie van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. Hij deed dit in aanwezigheid van:
De man verklaarde dat zijn eerder voorgelezen verklaring volledig juist was. Hij wilde er niets aan toevoegen of weghalen. Hij bevestigde dit met een eed: "zo waarlijk helpe mij God almachtig".
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0169 De burger Nicolaas God fried Heijns verklaarde op verzoek van de hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn het volgende: Samen met burger Cornelis Brits de jonge reed hij te paard richting waterplaats rond 18:00 uur. In een van de wagenwegen, niet ver van het soldatenkerkhof, zagen ze een persoon in een blauwe jas liggen met een kind. Toen ze dichterbij kwamen, waar ook burger Jacobus Johannes de Weth en assistent Hercules Janden berg te paard waren, zagen ze duidelijk dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0170 Een dronken soldaat in uniform lag langs de weg met een huilend 5 tot 6 jaar oud meisje tussen zijn benen. De burger Sandenberg en de verteller gingen er naartoe, waar ook de burgers Nicolaas Godfried Seijns en Cornelis Brits de Jonge te paard waren. De verteller vroeg de soldaat van wie het kind was en wat hij ermee deed. De soldaat antwoordde dat het kind van zijn landgenoot was. De verteller eiste dat de soldaat het bange kind zou loslaten. Na eerst te weigeren, liet de soldaat het kind los na een tweede strengere waarschuwing. De verteller nam het kind op zijn paard en vroeg vervolgens naar de naam van de soldaat en zijn compagnie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0162 De aanklager vroeg om een veroordeling, volgens de leer van Joost de Damhouder over het ontvoeren van maagden. Hij eiste dat Fredrik Prins van Manheijm voor altijd verbannen zou worden uit het land. Ook moest hij de proceskosten betalen. Dit verzoek werd ingediend bij de rechtbank door P. Reede van Oudshoorn op 9 mei 1754.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0160 De opperhoofden van het VOC-schip Marienbosch meldden bij aankomst uit Europa dat matroos Roelof Valentijn uit Noorwegen beschuldigd werd van meerdere gevallen van sodomie tijdens de reis. De onafhankelijke aanklager heeft Valentijn daarop gevangen laten nemen en een onderzoek ingesteld. Er zijn drie verklaringen verzameld van mensen die hem beschuldigden (documenten A, B en E) en Valentijn is zelf ook ondervraagd. Deze zaak werd voorgelegd aan de president Jorgius Swellengriebel en de Raad van Justitie van het gouvernement, omdat de verklaringen geen bewijzen bevatten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0063 Rheede van Oudshoorn diende een klacht in bij de rechtbank op 14 januari 1754. De rechtbank berispte de beklaagde en veroordeelde deze tot het betalen van de kosten. De documenten werden ondertekend door de beëdigde klerk J Rhenius.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0062 De slaaf Joseph had zich opgehangen. Dit had voorkomen kunnen worden als de verdachte Jacob van Rheenen de Jonge direct melding had gemaakt van wat de andere slaven hadden bekend. De aanklager had dan de slaven kunnen oppakken en hun kwaadaardige plannen tegen de vrouw van de verdachte kunnen ontdekken. Om dit soort verboden straffen en martelingen in de toekomst te voorkomen, en om te voorkomen dat zulke bekentenissen verzwegen worden, eist de aanklager:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0061 Joseph ontkende dat hij schuldig was aan een misdrijf met kwik, hoewel hij er eerder wel een dag en nacht voor was weggebleven. Nadat hij uit de gevangenis kwam, bleef hij ontkennen ervan te weten. Hij beweerde dat de dienstmeid Rachel er meer van zou weten. Rachel hield vol dat juist Joseph het wist.
Om de waarheid te achterhalen over waar het kwik vandaan kwam, heeft men Rachel meerdere keren gestraft. 3 tot 4 dagen later bekende Rachel dat ze op verzoek van Joseph het kwik had opgehaald bij de slavin Emerentia, die bij een weidenaar werkte. Ze had het kwik aan Joseph gegeven. Ze zag dat Joseph het kwik uit een flesje in water goot dat de vrouw des huizes had gevraagd. Joseph bleef dit alles echter ontkennen, ondanks vele pogingen om hem te laten bekennen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0034 Op vrijdag 4 januari ('s avonds na 9 uur) kwam de verteller thuis. Zijn vrouw vertelde hem dat hun slavin Rachel van de Kaap haar een glas water had gegeven. Dit water proefde vreemd en hard. De oud-tweede opperchirurgijn Dirk Weijdenaar onderzocht het water en stelde vast dat er kwik in zat. Hij zei dat dit niet gevaarlijk was, zelfs als je er een heel kopje van zou drinken.
De verteller ondervroeg daarop zowel de slavin als de kok Joseph van Bengalen, die in de keuken was toen het water werd gehaald. Hij kon uit geen van beiden de waarheid krijgen. De volgende ochtend meldde hij dit alles aan de autoriteiten met het verzoek om de jonge slaaf in de gevangenis te laten straffen. Dit gebeurde, maar de jongen bekende niets over het kwik.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0033 De slavin Ragel van Kaap de Goede Hoop verscheen voor de rechtbank. Ze bevestigde haar eerdere bekentenis en wilde er niets aan toevoegen of weghalen. Ze verduidelijkte alleen dat zowel de slaaf Joseph als zijzelf door hun eigenaar op een stoel waren vastgebonden, maar niet in de Poolse bok (een martelwerktuig). Ze verklaarde dat alles wat ze eerder had gezegd de waarheid was. Dit gebeurde in het kasteel van Kaap de Goede Hoop op 17 januari 1754. J. Alleman en P. Artoijs, leden van de Raad van Justitie, waren hierbij aanwezig. De secretaris Remmenoorf ondertekende het document.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0029 Joseph heeft op zijn knieën toegegeven dat hij kwik in het water had gegooid en vroeg daarvoor om vergiffenis. Van Rheenen zei dat hij het hem zou vergeven maar hem toch zou verkopen. De beklaagde verklaarde dat ze niet wist dat Joseph en zij iets slechts hadden gedaan, totdat ze van Joseph hoorde dat hun mevrouw ervan zou sterven. Daarom was ze bang geworden om het eerder te bekennen.
Dit werd bekent aan Kaap de Goede Hoop op 12 januari 1754 voor de raadsleden R.S. Alleman en A.S. Prehn. Het document werd ondertekend door de beklaagde en de beëdigd klerk G. Haake.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0028 Op een ochtend pakte een persoon een klein flesje ter grootte van een vinger, waarin ongeveer een vingerhoed kwik zat, uit een kastje in de galerij van haar werkgever. De sleutel zat nog in het kastje. Ze stopte het flesje bij zich. Later, toen ze vlees ging halen bij van Rheenen, gaf ze het flesje aan de slaaf Fortuijn die bij de deur stond. Hij moest het aan Ragel, die binnen was, overhandigen.
Deze verklaring werd afgelegd op het secretariaat van justitie van het Kasteel de Goede Hoop, in aanwezigheid van klerken Daniel Egbert Hseil en Michiel Daniel Leij als getuigen. Het document werd ondertekend door hen en door secretaris I.F. Tiemmendorf.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0031 Door marteling met de Poolse Bok (waarbij handen en voeten werden vastgebonden) probeerde Van Rheenen een bekentenis te krijgen. Hij liet Joseph een uur lang vastgebonden op een stoel zitten. Toen dat niets opleverde, onderging ook de beschuldigde dezelfde behandeling en moest 1,5 uur vastgebonden blijven zitten. Ze bekende toen nog niets uit angst. Op de maandag daarna werd de beschuldigde opnieuw in de Poolse Bok gespannen en met een rotting (stok) op haar blote lichaam geslagen. Toen bekende ze alles aan haar meester Van Rheenen. Vanaf 4 januari vroeg Van Rheenen dagelijks aan Joseph of hij meer wilde bekennen, maar pas de donderdag daarna kwam er een reactie.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10953 / 0027 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/