Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Deze tekst gaat over een rechtszaak tegen een persoon genaamd Maart van Maccassar. Hij werd beschuldigd van een geplande moord. Volgens zowel religieuze als wereldlijke wetten, waaronder het boek Genesis hoofdstuk 6 en het Rooms-Hollandse recht, moest hij ter dood veroordeeld worden. De aanklager eiste dat de verdachte naar de gebruikelijke executieplaats in de stad zou worden gebracht waar een beul hem zou terechtstellen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0216  


De vermoorde slavin werd gewurgd met een blauwe hoofddoek die ze om haar nek droeg. Na het wurgen ging de dader even weg, maar kwam na zonsondergang terug. Toen hij zag dat de slavin niet meer bewoog, nam hij de hoofddoek weg en vertrok. Het lichaam werd later ontdekt door voorbijgaande slaven. De volgende dag werd het lichaam onderzocht door lokale bestuurders. De chirurg Jan Cats verklaarde in een certificaat dat de slavin was gewurgd met veel kracht en daardoor was overleden. De dader hield zich 2 dagen verborgen voordat hij zich bij zijn eigenaar meldde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0215  


Op een ongenoemde datum diende de hoofdaanklager van Stellenbosch en Drakensteijn, Adriaan van Schoor, een aanklacht in bij de president van de rechtbank Sergius Swellengrebel en zijn raad. De aanklacht was tegen Maart van Maccassar, een slaaf van landbouwer Casper Hendrik Batenhorst. Maart van Maccassar werd beschuldigd van geplande moord en zat gevangen. Als bewijs leverde de aanklager:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0213  


De soldaat Johannes Smith van Jessen Cassel, 24 jaar oud, was eerder in het ziekenhuis van de VOC. Op verzoek van belastingmeester Pieter Reede van Oudshoorn verklaarde hij het volgende:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0209  


In Ede Fox ontstond een ruzie waarbij iemand probeerde Michel van de koets af te trekken. De klager haalde Michel van de koets af en zei dat hij zich moest schamen om met zo'n oude man te vechten. Michel zei dat hij de oude man niets zou doen. De klager ging weer naar binnen, gevolgd door koperslager Christiaan Friederig Herbst en timmerman Michel. Omdat de klager naar de achterkamer ging, weet hij niet wat er verder is gezegd. De verklaring is afgelegd bij het secretariaat van justitie in het bijzijn van klerken Michiel Daniel Leij en Adriaan Frederick Tiemmendorf als getuigen, die samen met de klager en de hoofdklerk het document hebben ondertekend.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0200  


Ter zitting werd verteld dat een verdachte 's nachts oud riet in brand had gestoken in Kaap, dicht bij de huizen, en ook een pistool had afgevuurd. De verdachte, Hendrik Pieter Hesse, reageerde dat hij inderdaad wat riet had verbrand, maar dit gebeurde bij rustig weer zonder gevaar. Hij ontkende geschoten te hebben en toonde een tabaksdoos in de vorm van een pistool, die hij alleen had gebruikt om zijn pijp aan te steken.

Toen de voorzitter hem hierop aansprak, bekende Hesse dat hij soms niet goed bij zijn verstand was. De raad kon hierdoor geen definitief vonnis uitspreken en besloot de zaak voor te leggen aan het lokale gezag. In de tussentijd werd Hesse opgedragen zich rustig te houden terwijl de zaak verder werd onderzocht.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0091  


In naam van de Nederlandse staat en Willem V van Oranje-Nassau als erfstadhouder en kapitein-admiraal werd een vonnis uitgesproken tegen Januarij van Boegies. Hij moest naar de gebruikelijke plek voor terechtstellingen worden gebracht, waar de beul hem moest ophangen tot de dood erop volgde. Zijn lichaam moest daarna naar de galg buiten de stad worden gesleept en daar blijven hangen tot het door weer en vogels was vergaan. Hij moest ook de proceskosten betalen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0090  


De rechters hebben na het lezen van de aanklacht en de bekentenissen van de verdachten het volgende besloten. Namens de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden en Willem V als stadhouder worden de verdachten Patientie van Manna Cabo en December van Boegies veroordeeld tot de volgende straffen:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0088  


Op 4 december 1755 kwamen de bestuurders samen in het Kasteel de Goede Hoop. Aanwezig waren de voorzitter Sergius Swellengrebel en alle leden, behalve Isack Meivertzhagen en Josephus de Grandpreez. Als burgerraadsleden waren Paulus Artoijs en Hendrik van der Heijde aanwezig.

De fiscaal diende een aanklacht in tegen twee slaven:

Ze werden aangeklaagd voor diefstal en geweldpleging. De slaven verklaarden dat ze het wapen alleen hadden meegenomen om wild te schieten voor voedsel. De aanklager hield vast aan zijn eis.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0087  


Johannes Henricus Blankenberg en Hendrik van der Heyde behandelden een zaak tegen een persoon die beschuldigd werd van illegale drankverkoop bij de Soute Rivier. De klacht was gebaseerd op een verslag van Pieter Reede van Oudshoorn over een slaaf genaamd Maas van Maccasser, en een uittreksel uit een wet van 3 september 1754. De verdachte werd aangeklaagd omdat hij, tegen artikel 17 en 18 van het plaatselijk reglement in, via één van zijn slaven wijn en sterke drank had verkocht. De aanklager eiste:

De verdachte ontkende en verklaarde dat hij een matroos genaamd Gerrit, die de mastenhouten van de Compagnie bewaakte, had gevraagd om tijdens zijn afwezigheid op de tapperij te letten terwijl hij zout moest opslaan. De aanklager merkte op dat de verdachte hiermee toegaf dat hij bedrijfspersoneel van de Compagnie had opgehouden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0085  


Op 7 maart 1755 werd er een straf bepaald voor een slaaf Maart van Macassar die zich in de cel van het leven had beroofd. Hij was de dag ervoor ter dood veroordeeld en behoorde tot landbouwer Casper Hendrik Batenhorst. Op bevel van de voorzitter werd door de leden van de Raad besloten om het lichaam naar het gerecht buiten de stad te slepen en daar aan de galg op te hangen bij de benen.

Op 13 maart 1753 was er een rechtszaak waarbij aanwezig waren de voorzitter Serguus Swellengrebel en alle leden. De hoofdchirurg Hieronymus Varlut diende een klacht in tegen de onafhankelijke aanklager. Dit betrof een verklaring van twee hoofdchirurgen van het ziekenhuis.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0044  


Maart van Macasser werd veroordeeld door de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden en de erfstadhouder, de Prins van Oranje en Nassau. Het vonnis werd uitgevoerd in het Kasteel de Goede Hoop. Hij werd:

Het vonnis werd ondertekend door secretaris J.F. Tiemmendorf.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0043  


De gedaagde verdedigde zich en zei dat hij orders probeerde te handhaven. Hij beschuldigde anderen ervan dat ze bij de bootsman drank dronken. Dit was niet waar, want hij ging als gezagvoerder zelf vaak bij de bootsman langs om drank te drinken. Dit konden enkele gewonde mensen die in het ziekenhuis lagen bevestigen. Dit soort gedrag was niet passend voor een gezagvoerder. Ook mocht hij niet op eigen gezag een officier arresteren, wat toch was gebeurd. Hij probeerde zijn wangedrag te verbergen met valse beschuldigingen van aanvallen tegen hem.

De 5e gedaagde zegt alleen dat door windstilte het schip moeilijk te besturen was en dat hij niet dronken op het halfdek was verschenen.

De Raad houdt deze zaak in beraad. Ze geven Hironimus Varlut 14 dagen om zijn belangen te verdedigen.

Dit besluit is genomen in het Kasteel de Goede Hoop op 6 maart 1755 in de ochtend, in aanwezigheid van Sergius Swellengrebel als voorzitter en ondertekend door secretaris J.I. Tiemraarendorff.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0041  


Op 11 maart is er een incident geweest met iemand die veel geld verkwist heeft bij de slavenverblijven. Hij ging naar de portier om te roken en wijn te drinken. Hij sprak daar met de Madagaskaanse slavin Anna die zijn was deed. Hij gaf haar ongewoon veel geld, namelijk 8 tot 10 schellingen. Eerder was er al een incident met Plaagma, die hem vertelde dat hij 10 ducaten van hem had die hij had laten vallen zonder het te weten. De persoon reageerde toen dat je in dronkenschap dingen doet en dat hij nu zijn spaargeld kwijt was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0818  


De rechter behandelde een zaak over een verwonding van de slavin Clara van Makassar. Het ging om een door Boegier Lijf toegebrachte verwonding. De erfgenamen van de overleden kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelaar waren bij de zaak betrokken. De verwonding werd onderzocht door de tweede opperchirurg Dirk Widenaar.

De beschuldigde heeft:

De partijen zagen af van verdere bewijsvoering. De rechtbank bestudeerde de aanklacht en de bekentenis van de beschuldigde zorgvuldig.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0089  


De openbare aanklager heeft een geschreven eis ingediend tegen Maart van Macasser, een slaaf van de boer Hendrik Batenhorst. De aanklager beschuldigt hem van een geplande moord en eist de doodstraf. Als bewijs werd de eigen bekentenis van de beschuldigde en een verklaring van de dokter Jan Catt overlegd. De beschuldigde gaf als verdediging dat hij een relatie had met het vermoorde slavinnetje, en dat jaloezie hem tot de misdaad dreef omdat zij een relatie met iemand anders kreeg. De rechtsgang was als volgt:

De rechtbank, zonder de zieke Josephus de Grandpreez maar met burgerraadsleden, nam vervolgens de stukken in beraad.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0042  


De dief zou onlogisch hebben gehandeld door op klaarlichte dag over een muur te klimmen, terwijl hij het huis goed kende en gezien kon worden. Dit verhaal lijkt verzonnen. Ook de bewering van de eerste verdachte dat de achterdeur open stond lijkt onwaar. De aanklager gelooft niet dat de keukendeur per ongeluk van binnen op slot kon zijn. Iemand die weggaat zal niet zomaar vergeten zijn huis af te sluiten, vooral niet als de tuin open is. De slavin Alina had dit ook aan haar eigenares bevestigd. Er was ook een glasruit in de keuken kapot geslagen, waarvan de splinters nog zichtbaar waren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1083  


Hendrina Janssen was ongeveer 6 weken geleden 's nachts van huis om bij een zieke te waken. De volgende dag rond 11 uur 's ochtends liet ze haar slavin Alina bij haar komen. Alina moest de huissleutel afgeven en bevestigen dat het huis goed op slot zat. Ze hield Alina bij zich tot ongeveer 3 à 4 uur 's middags. Toen ze Alina weer naar huis stuurde, kwam deze snel terug met het bericht dat het huis open stond en een kast in de kamer kapot gehakt was. Hendrina ging toen ook naar huis en ontdekte dat er inderdaad inbrekers waren geweest. Ze zag dat de voordeur en het glazen raam in de keuken open stonden. In het midden van het raam, waarvan het houten luik niet dicht was geweest, was een ruit kapot.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1073  


Op 2 november tussen 14:00 en 15:00 uur was de slavin Clara van Maccassar bezig met het aankleden van het jongste zoontje van haar vroegere eigenaar in de galerij. Toen haar eigen kleine kind, dat in de achterkamer in de wieg lag, hard begon te huilen, vroeg ze aan de kok-slaaf Augustus om het kind te wiegen. Augustus deed dit meteen. Op dat moment kwam de gevangene binnen, die een relatie had met Clara en meerdere kinderen bij haar had. Toen hij zag dat Augustus naar de achterkamer liep om het kind te wiegen, werd hij jaloers. Dit kwam vooral omdat Augustus en Clara op dat moment alleen in de galerij waren. De toenmalige tweede opperchirurg van het ziekenhuis van de Oost-Indische Compagnie, Dirk Weidenaar, heeft hier een verklaring over afgegeven.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1250  


De beschuldigde ontkent wat de slaaf August Schuijft had gezegd. Hij ontkent dreigende woorden te hebben gesproken zoals "Ik schiet ze voor de kop". Ook ontkent hij tegen schoolmeester Reeder te hebben gezegd dat als ze voor dieven worden uitgemaakt, zij om getuigen moeten vragen die er toch niet zijn, waardoor ze als eerlijke mensen bestempeld moeten worden.

Deze ontkenningen zijn echter alleen gebaseerd op zijn eigen woorden. Ze wegen niet op tegen:

De waarheid wordt ondersteund door verschillende omstandigheden:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1010  


Schindelaar, ongeveer 45 jaar oud, verklaarde aan rechter Pieter Reede van Oudshoorn het volgende: Op zondag 2 november kwam hij 's middags thuis. Hij trof zijn slavin Clara van Maccasser, met wie hij verschillende kinderen heeft, samen met de kok Augustus in de galerij aan. Toen Augustus Schindelaar zag, liep hij naar de achterkamer waar een wieg stond en wiegde Schindelaar's kind. Schindelaar was jaloers en vroeg aan Clara wat die jongen bij haar deed. Hij was al een tijd achterdochtig over hen. Clara antwoordde dat er niets aan de hand was. Augustus kwam uit de achterkamer en verbood Schindelaar tegen de vrouw te praten. Schindelaar werd boos en ging naar het achterplein om een stuk brandhout te halen waarmee hij Clara wilde slaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1263  


Op 16 september 1755 verscheen Kaap de Goede Hoop slavin Bandasa voor secretaris Jan Frederik Tiemmendorf. Zij was eigendom van wijlen burger Johannes Albertus Loubster en woonde op zijn terrein bij de Paardeberg. Ze legde een verklaring af op verzoek van onafhankelijk fiscaal Pieter Reede van Oudshoorn. Op 18 september 1755 bevestigde zij haar verklaring onder eed in aanwezigheid van Hendrik Lodewijk Hanssen en raadsleden Cornelis Eelders en Van der Heijde. De verklaring werd ondertekend door de aanwezigen en de secretaris.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1064  


Een tijd geleden woonde de verdachte samen met zijn mede-slavin Philida van Mallebaar. Later merkte hij dat zij een relatie had met een andere slaaf van zijn eigenaar, namelijk Samson van Terra de Natal. Philida wilde niets meer met de verdachte te maken hebben. De verdachte was hier erg ontevreden over en besloot Philida te vermoorden. Begin februari haalde hij eerst eten op en ging daarna naar Philida toe. Zij was een half uur lopen van de boerderij van zijn meester schapen aan het hoeden. De verdachte ging naast haar zitten. Toen zij opnieuw zei niets meer met hem te willen, duwde hij haar op de grond. Hij sprong op haar en drukte met zijn linkerhand haar keel dicht totdat ze stierf.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0214  


Joseph de Booij had vioolsnaren. Een matroos, wiens naam niet bekend is, stal twee witte hemden van een slavin die aan boord was. Ook werden er een paar zilveren schoenen en broekgespen gestolen. Een bootsman liet twee soldaten elkaar slaan met touwen die hij hun had gegeven. De hoofdstuurman Hessel Albertsz stal drie flessen jenever uit een kelder in het ruim die van de boekhouder was. De jenever werd in het geheim aan een onbekende matroos gegeven.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 0551  


Toen Caspar M Lem Gul als opzichter van het werkvolk in Nieuwland aankwam, ontving de beklaagde hem in zijn kamer en woning. De beklaagde kon het gedrag van de opzichter tegenover vrouwen niet waarderen. Toen hij 's nachts een slavin van de Compagnie in bed bij de opzichter aantrof, stuurde hij niet alleen de vrouw weg, maar ook...

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1140  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/