Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
De comparant aan de andere kant kreeg van de vennootschap een krediet verleend, met hypotheek als zekerheid. Hij mocht dit krediet gebruiken volgens de regels uit de statuten. Alles wat hij aan de vennootschap schuldig werd, moest hij met renten en kosten terugbetalen op de afgesproken vervaldagen en binnen de afgesproken termijnen. Het verschuldigde bedrag kreeg een rente van 2,5 procent boven de discontorente voor promessen van de Nederlandsche Bank (met een minimum van 6 procent per jaar). Deze rente ging in op de dag dat en voor het bedrag waarvoor het krediet werd gebruikt. Onder het verschuldigde en door de hypotheek verzekerde bedrag viel niet alleen wat hij wegens wissels, acceptaties en geldleningen schuldig was, maar ook wat hij door borgstelling of andere oorzaken aan de vennootschap moest betalen.
Het verschuldigde bedrag werd altijd direct opeisbaar bij:
In al deze gevallen werd het verschuldigde bedrag, ook al was de vervaldag nog niet verstreken, terstond opeisbaar zonder dat een ingebrekestelling, bevel of andere soortgelijke akte nodig was. Het werd dan geacht van de kredietnemer te zijn opgeëischt.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4805439 / 64 25 februari 1920 verscheen Cornelis Johannes Roos, machinist wonende te Haarlem, voor plaatsvervangend notaris Nicolaas Jan Hoef lake. Hij verklaarde schuldig te zijn aan Karel van Balen, broodbakker wonende te Haarlem, een bedrag van 9.000 gulden, dat hij vandaag had ontvangen.
De voorwaarden van de geldlening waren als volgt:
De akte werd ondertekend door de verschenen personen, de getuigen en de plaatsvervangend notaris.
De akte werd geregistreerd te Haarlem op 5 maart 1920 voor een bedrag van 378,75 gulden aan registratierecht.
Op 1 juni 1920 werd op verzoek van Karel van Balen een eerste grosse (officieel afschrift) uitgegeven.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209619 / 158 Er worden verschillende hypothecaire vorderingen opgesomd:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701135 / 260 Er werd een schuldverhouding aangegaan tussen een vennootschap en een schuldenaar. Als er onenigheid ontstond over de aard, het bedrag of het ontstaan van de schuld, mocht de vennootschap volstaan met het versturen van een kopie van een uittreksel uit haar handelsboeken naar de andere partij. Dit uittreksel zou tussen partijen als volledig bewijs gelden en moest vermelden:
Na deze mededeling mocht de vennootschap direct gebruikmaken van het beding van onherroepelijke volmacht. De schuldenaar kon pas bij de eindafrekening over de opbrengst van het verkochte onroerend goed bewijs leveren tegen dit uittreksel. Alle betalingen moesten gebeuren in Nederlands geld zonder korting en zonder schuldvergelijking op het kantoor van de vennootschap.
Tot zekerheid voor de betaling van alles wat de vennootschap nu of later te vorderen had van de andere partij, verklaarde deze laatste hypotheekrecht te geven tot een bedrag van 8.002 gulden met 2 jaar en het lopende jaar rente en kosten, samen geschat op 1.600 gulden, op:
Volgens verklaring van de schuldenaar behoorden de bovenomschreven onroerende goederen aan hem in eigendom. Hij had ze verkregen als volgt:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4805439 / 65 In 1922 werd er voor notaris Wilkens een akte verleden die dezelfde dag werd overgeschreven ten hypotheekkantore te Haarlem in deel 1144 nummer 122.
Het genoemde perceel was belast met:
Het perceel onder 2 was belast met een eerste hypotheek van 8.000 gulden ten behoeve van Hermanus Johannus van der Colk, hovenier te Haarlem.
De schuldeiser verklaarde dat het bovenhuis van perceel onder 1 per week verhuurd was voor 5 gulden en dat het overige gedeelte in eigen gebruik was.
De partijen kwamen voor het Noordhollandsch Landbouwcrediet de volgende afspraken overeen:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4805439 / 66 Er werd een lening afgesloten waarbij verhuring van het onderpand, geheel of gedeeltelijk, zonder schriftelijke toestemming van de vennootschap nietig zou zijn. Ook mochten nooit huurpenningen vooruit worden bedongen of ontvangen, noch mocht uitstel van betaling worden gegeven, noch mocht op andere wijze worden beschikt over nog niet verschenen huurpenningen. Alle kosten, ook die welke de vennootschap nodig achtte om haar rechten uit te oefenen, kwamen voor rekening van de kredietnemer, die net als de kredietgeefster domicilie koos ten kantore van het Noordhollandsch landbouwcrediet te Alkmaar.
Deze akte werd verleden te Haarlem in tegenwoordigheid van Johannes Jacobus Bovendorp, kantoorbediende, wonende te Haarlem en Albertus Andreas Maria Pieters, kantoorbediende wonende te Amsterdam als getuigen. De akte werd na voorlezing door de verschenen personen, de getuigen en de notaris ondertekend.
De Eerste Grosse van deze akte werd uitgegeven aan en op verzoek van het Pensioenfonds van het personeel der Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen, gevestigd te Utrecht, schuldeiser in deze, op 2 januari 1923.
Op 5 oktober 1922 verschenen voor notaris Pierre Francois de Bordes te Haarlem, in tegenwoordigheid van getuigen:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4805439 / 67
3 maart 1810 verscheen voor notaris Jan Smith in Veenendaal Jannigje Jans, weduwe van Bart Woutersen, wonende in Amerongen. Zij was aan de notaris bekend en bekwaam om deze akte te laten opmaken. Getuigen waren Jan de Waal en Slik de Waal. Zij verklaarde dat ze een testament wilde laten opmaken. Ze verklaarde onder ede dat haar vermogen niet in een lagere klasse viel dan waarvoor ze zegelrecht had betaald voor deze akte.
Er werden verschillende kosten en rechten betaald: voor de akte 2,40 gulden, voor aangifte 5,14 gulden en voor overige rechten in totaal 5 gulden en 60 cent. Een zegel van 6 stuiver werd gebruikt.
Het testament werd 20 november 1825 afgegeven. De bezitting bedroeg minder dan 5.000 gulden.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 34-1 / 2222 / 0026 Een man kreeg een stuk land in erfpacht. Hij moest daar elk jaar voor betalen tot precies 1 jaar na de dag van verschijnen. De betaling moest gebeuren in gouden of zilveren munten volgens de waarde en koers van de dag waarop betaald moest worden, zonder enig papiergeld of andere betaalmiddelen. De man die het land kreeg deed uitdrukkelijk afstand van het voorrecht om met papiergeld te betalen. Als hij niet op tijd betaalde, zou hij het erfpachtrecht verliezen en zou het land met alle verbeteringen en bebouwing zonder vergoeding terug gaan naar de eigenaar.
De pachter moest aan verschillende verplichtingen voldoen:
Ter zekerheid en bescherming van de erfpacht bleef het perceel bezwaard, verbonden en gehypothekeerd met een speciaal recht van voorrang. De pachter gaf toestemming dat op de grond en bebouwing voor de eigenaar of diens opvolgers op een later moment een hypothecaire inschrijving zou worden genomen.
Voor de uitvoering van deze akte kozen beide partijen hun woonplaats als domicilie. Ze stemden ermee in dat alle gerechtelijke aanwijzingen, verzoeken en vervolgingen die met deze akte te maken hadden op deze adressen gedaan mochten worden, ook als ze later zouden verhuizen.
De akte werd opgemaakt en gepasseerd in Veenendaal op het kantoor van de notaris op 11 oktober 1819. Dit gebeurde in aanwezigheid van Anthonie Stop en Aart Homoet, beide wolproducenten die woonden in Veenendaal, als getuigen. Zij tekenden de akte samen met de eigenaar en de notaris na voorlezing. De pachter verklaarde niet te kunnen schrijven.
De akte werd geregistreerd in Veenendaal op 18 oktober 1819 en er werd 7 gulden en 9 cent ontvangen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 34-1 / 2242 / 0213 31 mei 1730. Van Ceylon. De volgende personen verklaarden: Christoro Anthonij, Pedro Anthonij, Andre Ondaatje, Adriaen Fernando, Joan Paulo, Paulo Ondaatje, Ioan Rhamenaden Matthijs Pieris, Tomme Ondaartje, Anthonij Gemis, Saviel Fernando, Moergappa Gedro Pieris, Anthonij Rodrigo en Anthonij Aandiappen. Dit waren allemaal Chittijs en inwoners van buiten de stad. Zij verklaarden samen en ieder afzonderlijk via de vertaling van de beëdigde tolk Dominga Dias dat het volgende waar en waarachtig was. Zij hadden het vorige jaar aan de gouverneur Petrus Vuijst gevraagagd of zij woeste gronden van de Compagnie die nooit bebouwd of bewerkt waren, mochten beploegen en bezaaien. Zij boden aan om de gebruikelijke betaling van een tiende deel aan de Compagnie te betalen. Hun eigenlijke doel was om bij een gunstig en geschikt seizoen voor zichzelf een fatsoenlijk onderhoud te verdienen en de betaling aan de landheer te leveren. Maar de verklaarders hadden de gouverneur Vuyst niet laten weten dat daarmee alle inwoners en dienaren van de Compagnie op Ceylon zonder enige aanvoer van buitenaf, hetzij van Canara, Coromandel of elders, van voedsel en proviand voorzien zouden kunnen worden. De verklaarders verklaarden daarom onder eed dat, ook al zou alle grond van de Compagnie
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0823 31 mei 1730 te Colombo. De tekst werd opgesteld in aanwezigheid van Hermanus Jeronimus van Cleff en Andries Frederik de Wilden, klerken, die als getuigen optraden. Zij ondertekenden het oorspronkelijke document samen met de getuigen en Bernard Schroder, eerste klerk.
12 mei 1730 verschenen voor Bernard Schroder, eerste klerk van het secretariaat van de heer gouverneur Stephanus Versluijs, de volgende personen:
Allen waren Singalezen. Verder waren aanwezig: Sindamanie, strandtoek, Pedro Ondaatje, Pedro Zaijsa, Christoo Wierappa en Domingo.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0822 In het kasteel Colombo werd een verklaring afgelegd over de pepercultuur op Ceylon. De mensen die deze verklaring gaven, legden uit dat de inwoners al veel verplichte arbeid moesten verrichten, zoals het schoonhouden van rivieren en spruiten en het onderhouden van bruggen. Daarnaast moesten de arme onderdanen ook nog zorgen voor hun eigen levensonderhoud en voor het eten van hun vrouwen en kinderen. Hierdoor zou het verbouwen van peper hen heel zwaar vallen.
De verklaarders zeiden echter dat als de inwoners zouden worden vrijgesteld van sommige verplichte diensten, de peperaanplant met meer succes kon worden voortgezet. De Compagnie zou dan na 5 à 6 jaar pas de voordelen daarvan kunnen genieten, omdat peperranken in het begin niet heel welig groeien. Wel zou de Compagnie jaar na jaar door goed onderhoud steeds meer peper kunnen oogsten.
Ten slotte verklaarden zij dat de peperranken niet snel zouden vergaan maar heel lang konden blijven staan. De verklaarders bevestigden dat hun verklaring de oprechte waarheid bevatte en zij bleven bereid om hun verklaring onder ede te bevestigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0821 Volgens een bericht uit Ceylon van 31 mei 1730 moesten de inwoners vele andere diensten voor de Compagnie verrichten. Deze diensten moesten zij voortdurend uitvoeren en bestonden uit het volgende:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0820 28 april 1730 verschenen voor Bernard Schroder, secretaris van de gouverneur van Ceylon Hephanus Versluijs, verschillende personen:
Deze personen verklaarden samen en ieder afzonderlijk op verzoek van de gouverneur, via de vertaling van beëdigde tolk Domingo Dias, dat het waar is dat het hun volledig bekend is dat Singalese peper op dit eiland voldoende aangeplant kan worden en de teelt voortgezet kan worden, maar om redenen...
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0819 Op 31 mei 1730 vertrok men vanuit Hangwelle, waar het middagmaal was gehouden, naar Colombo. Men kwam 's avonds omstreeks 6 uur aan bij Pas Naklegam. Vandaar werden de gezanten en de gecommitteerden met een koets naar binnen gebracht. 's Avonds omstreeks 7 uur verschenen zij in het kasteel Colombo voor de politieke raad.
Omdat alle dagelijkse voorvallen en gebeurtenissen tijdens de reis naar Kandy door hem met alle onderdanige gehoorzaamheid waren opgetekend, vroeg hij als onderdanige dienaar om hem eventuele vergissingen te vergeven. Dit verslag werd overhandigd in Colombo op 30 maart 1730. Het was getekend door P. D' Carram.
Dit was vertaald op basis van het verslag van de beëdigde tolk Philip Philipsz, door hem uit het Singalees in het Nederlands op papier gebracht in Colombo op 6 mei 1730. De vertaling was getekend door A.J. Cleef. Voor de vertolking tekende Philip Philipsz als tolk. Dit werd goedgekeurd door Bernhard Schroder, eerste klerk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0818 Op 31 mei 1730 werden de gezanten naar hun onderkomen gebracht. Tijdens dit gebeuren werden er 3 saluutschoten en 17 kanonschoten afgevuurd vanuit het fort ter ere van de gezanten. Daarna werden de gebruikelijke groeten uitgewisseld met de hovelingen. Vervolgens namen de gezanten en de afgevaardigden afscheid van de voornaamste leiders.
's Avonds rond 19:00 uur kwamen de gezanten aan bij het huis van de vaandrig en het hoofd van Hangwelle, waar zij die nacht bleven.
Op 22 maart 's ochtends gingen de gezanten samen met Wonisdag en de afgevaardigden naar het onderkomen van de hovelingen uit Kandy. Nadat daar eerst de gewone begroetingen waren uitgewisseld, vertrok men verder op reis naar Kosgam. Dit gebeurde onder het afvuren van 3 salvo's en 17 kanonschoten, en men werd begeleid door een dubbele rij soldaten en inheemse dienaren.
Bij aankomst in Kosgam werden wederzijds groeten uitgewisseld. De gezanten vroegen aan de hovelingen om bij aankomst aan het hof de koning namens hen nederig te groeten en hem eerbiedig te bedanken voor alle gunsten en eer die hij hun had bewezen. Ook lieten de gezanten hun vriendelijke diensten aanbieden aan de voornaamste hofleden. De ambassadeurs bedankten de hovelingen voor het beleefde onthaal tijdens hun hele reis, en besprenkelden hen met rozenwater. De hovelingen namen, zeer tevreden, afscheid en vertrokken naar het hof. De gezanten en de afgevaardigden keerden terug naar Hangwelle.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0817 Op 31 mei 1730 ontvingen de genoemde heren een bericht uit Ceylon. De heren waren zeer tevreden en bedankten met hun grootste dankbaarheid aan uwe edele grootachtbare voor de genegenheid die uwe edele grootachtbare had getoond door het opsturen van de genoemde medicijnen aan zijn koninklijke majesteit. Vervolgens werd het kistje met medicamenten onder toezicht van hun panivide kareas naar het hof gebracht, zodat het daar aan zijn koninklijke majesteit gepresenteerd kon worden.
Nadat de gezanten eerst de olifanten over de rivier hadden laten brengen, gingen ze samen met de genoemde hoge heren van het hof ook de rivier over. Op de voormiddag omstreeks 11 uur kwamen ze aan bij het kantoor van de Compagnie. Daar troffen ze de gecommitteerden aan: soldijboekhouder Daniel van den Henghel, eerste pakhuismeester Daniel Evertsen en koopman Joan Bernard Vernatie. De gezanten werden welkom geheten door een dubbele rij geposteerde lascorins waar ze doorheen liepen.
Vervolgens spraken ze met de Kandiese hofelingen over de vraag of de gezanten op hun gemak verder konden gaan. De gezanten namen afscheid van de genoemde hofelingen en samen met de gecommitteerden hielden ze de middagmaaltijd in Awissa. Daarna begaven ze zich om 2 uur 's middags op reis. Nadat ze even waren verbleven in Kosgam, kwamen ze aan bij het logement van de Kandiese gezanten in Hangwelle. Daar stonden 2 compagnieën uit Colombo en 1 compagnie uit Hangwelle aan weerszijden opgesteld, waardoor de 7 hofedelen het genoemde logement binnengingen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0816 31 mei 1730 brachten zij volgens opdracht van de politieke raad te Colombo de gevraagde medicijnen mee vanuit Ceylon. De gezanten lieten dit aan de hofleden weten en vroegen dringend waar zij de medicijnen konden afgeven. De hoofden antwoordden dat deze over de rivier naar het logement van de gezanten gebracht mochten worden. De gezanten lieten de gecommitteerden weten dat de medicijnen onder veilige bewaking van 1 kangaan en 6 lascorins over de rivier gestuurd moesten worden. Dit gebeurde. Toen de gezanten de hofgroten hadden laten weten dat de medicijnen al in hun logement waren gebracht, verschenen deze hoofden meteen bij het logement van de gezanten. Daar lieten de gezanten het verzegelde kistje aan de hofgroten zien en gaven te kennen dat behalve olie kunnen en anthos, die op dat moment in Colombo niet te verkrijgen waren, de rest volgens de overgeleverde lijst in het kistje te vinden was. De heren verzochten toen aan de gezanten of die 2 soorten medicijnen later opgestuurd konden worden. De gezanten accepteerden dit en beloofden alle mogelijke middelen aan te wenden om deze later op te sturen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0815 Op 31 mei 1730 reisden gezanten van Ceylon. Ze waren van plan op maandag 20 maart en dinsdag 21 maart volgens gewoonte van Sitavaque naar Hangwelle te reizen. De hoofden adviseerden echter om een nacht in Sitavaque te blijven, omdat de reis anders te zwaar zou zijn voor de 2 grote olifanten. Deze dieren hadden al een zware mars achter de rug. Het zou daarom zeer verantwoordelijk zijn tegenover Zijne Majesteit als deze beesten door zo'n reis ongemak zouden krijgen. De gezanten gingen hier beleefd mee akkoord en stuurden meteen een brief naar de vaandrig en het hoofd in Hangwelle. Hierin werd gemeld aan de gecommitteerden die daar waren verschenen, dat men in plaats van op 20 maart (zoals eerder was geadviseerd maar niet kon gebeuren) op 21 maart zou komen. Ze bleven die nacht in Kebellegaharoepje.
Zondag 19 maart om 11 uur 's ochtends vertrokken ze van deze rustplaats en kwamen 's middags om 5 uur aan in Ronaugwelle. Omstreeks 11 uur 's ochtends hervatte men de reis vanuit Rouangwelle en kwam men 's middags om 3 uur aan in Sitavaque. 's Ochtends om 10 uur kregen de gezanten bericht van de gecommitteerden dat zij in Arwissawelle waren verschenen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0814 31 mei 1730 te Ceylon: De hoogwaardigheidsbekleders en begeleiders van de gezanten kwamen naar het verblijf, waar de dessave van Oedepalate namens de koning een dringend verzoek deed. Hij gaf een notitie met medicijnen over die nodig waren voor de genezing van zijn majesteit. Hij vroeg of de gezanten de medicijnen die op de lijst stonden snel wilden laten opsturen, wat een zeer goede zaak zou zijn. Hij vertelde daarbij dat de heren gisteravond een ola hadden ontvangen om dit verzoek te doen. De gezanten antwoordden dat zij direct hierover aan de hooggeplaatste autoriteiten zouden schrijven en de notitie zouden overzenden. De heren waren zeer tevreden met deze toezegging en vertrokken naar hun verblijven. De gezanten stelden meteen een brief op aan de hooggeplaatste autoriteiten en stuurden deze naar Colombo.
17 maart vrijdag: Men vertrok 's voormiddags omstreeks 11 uur van Attapitle en kwam 's middags om 3 uur aan in Hittimoele, waar men de nacht doorbracht.
18 maart zaterdag: Men ging vanaf de laatste rustplaats weer op pad en arriveerde 's middags omstreeks 2 uur in Kebellegaharoepje. Op deze plaats werden de gezanten door de hoofden ontvangen. Zij vroegen wanneer men in Rouanwelle zou aankomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0813 Op 31 mei 1730 om 11 uur waren de gezanten in gezelschap van de eerder genoemde adigaar en andere hoofden van ganveroewe. Toen men verder dan de gewone afscheidsplaats van de 6 gezanten was gekomen, vroegen de ambassadeurs aan de adigaar of hun zeer grote dankbaarheid voor alle bewezen en gunstige gunsten, evenals zeer onderdanige groeten aan zijn koninklijke majesteit bij goede gelegenheid overgebracht konden worden. Ook vroegen ze om de voorname hofsedelen met veel genegenheid te groeten. Daarna werd de adigaar met rozenwater besprengd en namen de gezanten afscheid van hem en ook van kamboeradenie mohandirum. De gezanten gingen in gezelschap van de toegewezen 7 hoofden een stuk te voet, waarna ze afscheid namen van de eerder genoemde heren en in de draagstoel stapten. Na ongeveer 1 uur reizen stapten ze bij de offerplaats dodangwole dewale uit de draagstoel. 's Middags om 4 uur kwamen ze aan bij de rustplaats van wal gouagooda, waar de gezanten de eerder genoemde hofsedelen ontmoetten en met hen spraken. Donderdag 16 maart gingen ze weer verder op reis, de berg van ballene op. Na ongeveer 2 uur verder te zijn gereisd, stapten ze uit de draagstoel toen men afdaalde van de berg van ballene. 's Middags rond 4 uur toen ze de rustplaats van attapittie naderden, kwamen de gezamenlijke...
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0812 31 mei 1730: Er werd een brief geschreven vanuit Ceylon. Laase werd naar een bepaalde plek van het hof gebracht, waar men daar afscheid van hem nam. Vervolgens kwam men in gezelschap van de dessave (een soort landsbestuurder) van Oedepalate en 6 andere hoofden 's nachts rond 1 uur aan bij het logement.
15 maart vertrokken ze, nadat de gezanten op woensdag een brief naar Colombo hadden gestuurd. De gezanten gingen 's ochtends rond 10 uur naar de oever van de rivier toen ze bericht kregen dat de tweede rijksadigaar (een hoge ambtenaar) en attepattoe Nanajackare Mohatiaar deze rustplaats naderden. Ze gingen de aankomende heren tegemoet met hun begeleiders. Deze werden vervolgens naar binnen in het logement geleid. De tweede rijksadigaar liet weten, nadat hij naar het welzijn van de gezanten had gevraagd, dat hij door Zijne Majesteit was gestuurd om de gezanten naar Colombo te sturen. Volgens opdracht van genoemde Zijne Majesteit zouden de volgende 7 heren de gezanten naar Ophagwelle begeleiden en weer terugkomen:
De gezanten bedankten Zijne Majesteit hiervoor op een zeer onderdanige manier met veel nadruk. Ze vertrokken 's ochtends rond 10 uur.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0811 31 mei 1730 werd vanuit Ceylon gevraagd om bepaalde paarden op te sturen. De gezanten antwoordden daarop dat Uw Edele Grootachtbare een grote wens had om mooie en fraaie paarden naar Zijne Majesteit te sturen, maar dat men op dit moment geen betere paarden had kunnen krijgen dan degenen die al door hun Edelachtbaren waren meegebracht. De gezanten zouden dit echter wel op een zeer krachtige manier aan Uw Edele Grootachtbare voorleggen. De hofedelen bedankten de gezanten en lieten weten dat zij dit aan hun koning zouden melden. Vervolgens verzochten de hofedelen om zich naar de plaats te begeven waar het banket was klaargezet om daarvan te eten. De gezanten werden door de eerste dispensier voorgegaan met het koninklijke banket, waarvan hun Edelachtbaren wat genuttigd hebben. Daarna begaven de gezanten zich naar buiten en werden door de verzamelde hofedelen geleid naar de plaats waar de olifanten geplaatst stonden. Daar zei de dessave dat 3 en 7 korles, de grootste olifanten, door Zijne Majesteit waren toegevoegd: de eerste ambassadeur en andere edelen kregen de tweede gezant toegewezen. Er zouden 6 kornaas en 5 panneassen meegaan om de dieren met goede zorg en voorzichtigheid naar Colombo te brengen en daar over te leveren. Deze bedienden zouden daar blijven tot zij van de gezanten toestemming kregen voor hun terugkomst. Daarna werden de gezanten door de gezamenlijke hofgroten uitgeleide gedaan tot aan de laatste.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0810 30 mei 1730 werd vanuit Ceylon bericht dat door de hoge autoriteiten was opgestuurd om te gaan of te blijven, en dat dit geheel naar het believen van zijn majesteit moest worden geschikt. Het zou voor hen daarom ook zeer aangenaam zijn wat zijn majesteit hierover wilde beslissen. De vorst bedankte hiervoor met veel beleefdheid, wat zijn majesteit zich liet welgevallen. Verder zei hij dat de gezanten dan de volgende dag konden vertrekken. Vervolgens werden zij samen met de schrijver en de appoehannij met de gebruikelijke geschenken begiftigd, waarvoor zijn majesteit in alle onderdanigheid werd bedankt. De vorst zei hierop dat hij, om de gezanten meer eer aan te doen, goed had gevonden hen met 2 olifanten te eren die zij bij hun vertrek mee konden nemen. Voor welk hoog geacht en aanzienlijk geschenk de gezanten zijn majesteit op de krachtigste wijze bedankten. Nadat zij afscheid hadden gekregen, gingen zij vervolgens onder de gebruikelijke eerbewijzen samen met alle hoofden achterwaarts de audiëntiezaal uit. Buiten gekomen werden 2 koets- of staatspaarden van zijn majesteit, die aldaar zeer kostelijk waren opgetuigd, door alle hoofden die daar bij elkaar waren verzameld aan de gezanten getoond. Namens de koning werd te kennen gegeven dat genoemde 2 paarden, omdat ze te oud waren, niet meer voor dienst van zijn majesteit konden worden gebruikt. Met het verzoek dat het daarom heel goed zou zijn als het de hoge autoriteiten zou behagen om in plaats daarvan 2 andere zodanige paarden te geven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0809 31 mei 1730: De gezanten hoorden van een edele dat dit prettig was en van tijd tot tijd het welzijn van de gezanten zou bevorderen. Voor deze gunstige verklaring bedankten de gezanten zijne majesteit met veel onderdanigheid. Na verloop van korte tijd vroeg die vorst hoe het was afgelopen met de zaken ten tijde van de edele heer gouverneur Petrus Vuijst. Zijne majesteit had daar namelijk veel over gehoord, maar had daar nog niets van als waarheid willen aanvaarden. Daarom wilde hij van de gezanten enige opheldering hierover hebben. De gezanten antwoordden daarop dat over die zaken nog geen rechtzaak was uitgesproken, maar dat het belangrijkste daarvan op papier was gezet en al naar Batavia was gestuurd. Het antwoord daarop werd afgewacht, zodat de gezanten niet in staat waren om zijne majesteit hierover meer duidelijkheid te geven. Daarop vroeg zijne majesteit op welke plaats de eerste gezant toen was geweest. Zijn edelheid antwoordde toen dat hij zich volgens de order van welgemelde zijne edelheid naar Negombo had begeven om de vestingwerken daar te laten vernieuwen. Daarna zei zijne majesteit, zonder daar iets op te antwoorden, dat hij van plan was de gezanten afscheid te geven omdat ze nu enige tijd in het gebied van zijne majesteit waren geweest, maar dit toch aan het goedvinden van de gezanten overliet.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0808 Op 31 mei 1730 kwamen er berichten uit Ceylon. De ambassadeurs bedankten Zijne Majesteit op de meest eerbiedigende manier. De vorst zei dat hij erg tevreden was over de aangename bewoordingen en uitdrukkingen die gebruikt waren in de brief van de gouverneur. Zijne Majesteit vertrouwde erop dat hij van de edele heer gouverneur meer vriendschap en beleefdheid zou ontvangen dan hij van de vorige gouverneurs had gekregen. De gezanten bedankten Zijne Majesteit met veel nadruk en verzekerde hem ervan dat de gouverneur alles zou doen om Zijne Majesteit te behagen en tevreden te stellen. Dit behaagde de vorst zeer. Hij zei dat de gezanten de koninklijke brief, geschenken en paarden met veel zorg hadden overgebracht en in goede staat hadden afgeleverd. Hiervoor sprak Zijne Majesteit diverse lovende woorden uit. Verder zei hij dat de gezanten zich volgens Zijne Majesteits bedoeling en volgens de gebruiken van het land goed hadden gedragen. Daarom zou Zijne Majesteit binnenkort een vriendelijke brief als antwoord op de koninklijke brief sturen met enkele hofedelen, om naar de gezondheid van de gouverneur te informeren. Zijne Majesteit zou daarbij ook de tevredenheid en het genoegen vermelden dat de vorst met betrekking tot de gezanten had ervaren. Hij twijfelde er niet aan dat dit de gouverneur zou behagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8952 / 0807 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/