Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 238
De schepenen van de stad ontvingen op
22 januari een klacht van
Pieterse van Haar. Zij beschuldigde:
van het stelen van een lading schoenen die aan haar toebehoorde. De schoenen waren volgens
Van Haar in beslag genomen tijdens een eerdere overeenkomst.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 237
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 235
- Op onbekende datum, ongeveer 1,5 maand voor dit verhaal, lagen Anthonij Arien, Palveli (beide uit Jaffanapatnam en lid van de politieke raad daar), Belgior de Rosaijro, Christan Parrua (een christen uit Tutucorijn), Barquier Singena (stuurman uit Badagas, geboren in Madraspatnam), en Posenar (ook uit Badagas) met hun schip in de haven van Madraspatnam.
- Ze laadden goederen in voor Lodewijk Christiaensen, een burger uit Jaffanapatnam, en voeren daarna naar Tegenepatnam.
- Vanuit Tegenepatnam wilden ze met het schip van Lodewijk Christiaensen naar Jaffanapatnam varen.
- Bij aankomst in Jaffanapatnam zagen ze dat het schip van Lodewijk Christiaensen verongelukt was bij het uitvaren van de rivier.
- Lodewijk Christiaensen kwam aan boord met James Beth, Fernando Dias Maruwa, Balhasar Anthoniez Parrawa (ook een christen uit Tutucorijn en werknemer van Jaffanapatnam), en zijn schrijver.
- Ze hadden bij zich: een kist, beddengoed, een zeil en de Nederlandse vlag van hun verloren schip.
- De drie eerste getuigen (Anthonij Arien, Palveli, en Belgior de Rosaijro) verklaarden samen dat dit ongeveer een half uur voor 5:46 's nachts gebeurde.
Deze verklaring werd afgelegd voor de gecommitteerden (onderzoekers) op verzoek van François Montanier, de fiscale officier voor de verdedigingsvloot. Omdat Montanier afwezig was, werd Joan de Ridder (fiscaal van het lokale commando) ingeschakeld. Een tolk vertaalde de verklaringen uit het Maleis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1169
- Een half uur nadat ze aan boord waren, kwam een Frans schip voor anker. Dit schip stuurde een kleine boot met 10 tot 12 gewapende mannen (met vuurwapens en zwaarden) naar hun schip.
- Toen de boot naderde, adviseerden drie getuigen de burger Lodewijk Christiaansen om naar het land te vluchten. Ze waren bang dat zijn aanwezigheid de Franse bemanning nog bozer zou maken en dat hij gedood of meegenomen zou kunnen worden. Lodewijk volgde dit advies op en ging naar het land.
- Kort daarna kwamen de Franse mannen met getrokken degens aan boord en begonnen ze enkele getuigen en andere bemanningsleden te slaan. Hierdoor sprongen er 5 of 6 mensen van boord.
- De kapitein (barquier) verontschuldigde zich en zei dat ze een Engelse en Franse pas hadden. Hij beweerde dat ze dienaren van de Engelsen waren en liet deze passen ook zien.
- Ondertussen zochten enkele Franse mannen op het schip en vonden de Nederlandse vlag. Ze vervingen deze door de Engelse vlag, die ze ondersteboven hesen.
- De bemanning beschuldigde hen ervan te liegen en zei dat ze eigenlijk Nederlandse dienaren waren.
- Vervolgens werd het schip met een wacht bemand en naar Porto Novo gebracht.
- Onderweg haalden ze de kapitein van zijn eigen schip en brachten hem over naar het Franse schip.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1170
Toen een Nederlandse koopman aan boord werd gebracht van een Frans schip bij Porto Novo, hadden de achtergebleven Fransen intussen kisten en koffers opengebroken. Zij hadden alles meegenomen wat zij waardevol vonden, zonder precies te weten wat het was. De Franse kapitein was namelijk 2 dagen op Porto Novo aan land geweest.
De koopman werd daarna weer teruggebracht naar zijn eigen schip, waar hij volgens een briefje dat hij bij zich had alle Nederlandse goederen moest afgeven. Vervolgens vroeg de kapitein naar een slaaf en een slavin die volgens hem nog aan boord moesten zijn. De getuigen (andere Nederlanders) wezen toen een meisje aan, dat zij dachten de zus van de koopman te zijn. De Franse kapitein nam zowel de koopman als het meisje mee, maar liet het meisje later weer achter op Porto Novo. De koopman bleef in gevangenschap bij de Fransen.
De getuigen beëindigden hiermee hun verklaring en beloofden dat dit het eerlijke en waarheidsgetrouwe verhaal was van wat zij zelf hadden gezien en gehoord. Zij waren bereid dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.
Deze verklaring werd opgesteld in Fort Jaffanapatnam op 29 september 1672, in aanwezigheid van:
- Maerten Huijsman, de hoogste koopman en tweede man van het commando,
- Daniel Goes, een koopman die speciaal voor deze zaak was aangesteld.
De verklaring werd ondertekend door de getuigen, een tolk, en J. V. Wouw, de secretaris.
Op een later moment verschenen dezelfde getuigen opnieuw voor Huijsman en Goes om hun eerdere verklaring te bevestigen, met het nummer 547.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1171
Op 30 november 1672 in fort Jaffanapatnam bevestigden een aantal mensen hun eerdere verklaringen zonder enige wijziging. Dit gebeurde in aanwezigheid van:
De volgende personen tekenden of bevestigden met hun handtekening of merk:
De verklaring werd ook bevestigd door Marten Huijsman en Daniel Goes, en ondertekend door J. van Wouw, de secretaris.
Op 1 december 1672 verschenen dezelfde getuigen voor de eerder genoemde functionarissen. Zij bevestigden opnieuw hun verklaring van 29 november 1672 en de daaropvolgende bevestiging van 30 november 1672, zonder enige verandering. De vier christenen (Belgior de Rosaijro, Fernando Dias, Anthonij Arien en Balthasar Anthonijsz) bevestigden dit door twee vingers van hun rechterhand op te steken en de woorden "Zo waarlijk, helpt mij God Almachtig" uit te spreken. De twee niet-christenen (Lingena en Possana) deden dit op hun eigen manier, door hun handen en hoofden naar de hemel te heffen.
Dit gebeurde in het fort Jaffanapatnam, in aanwezigheid van:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1172
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1173
Montenacq vroeg beleefd aan
Uule (een hoge functionaris) of hij een baan kon krijgen in de
Nederlandse bezittingen in de West (het gebied dat Nederland toen in Zuid-Amerika had, zoals
Suriname).
Hij hoopte dat
Uule hem hiermee wilde helpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.01.28.02 / 109 / 0028
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936989 / 183
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936900 / 193
Lourens Baert, een notaris in
Raerlem (nu:
Haarlem), schreef op
19 november 1668 een akte op.
Daarin stond dat de volgende personen een afspraak maakten:
Pieter Olykan sprak ook namens
Johannes van Duren. Zij waren allemaal familie (kinderen en kleinkinderen) van
Alida Dan NemansAlida was eerst getrouwd met
Jacob Olykom en later met
Nicolaes van Loo. Zij woonde in een huis genaamd
’t Hoeffijser en overleed in
Haarlem.
De familie had eerder al afgesproken hoe ze de erfenis van
Alida zouden verdelen. Ze hadden toen een aantal schulden die nog niet waren betaald (kleine bedragen en leningen) onverdeeld gelaten. Nu wilden ze de verdeling afmaken.
Ze besloten om de openstaande schulden als volgt te verdelen:
Een van die schulden was een bedrag van
9 gulden dat nog ontvangen moest worden van iemand genaamd
Jan ten Toren.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 530
- Er zijn verschillende rekeningen van François Montenac (ook wel Servaes Montenaek genoemd) uit de jaren 1661 en 1662:
- Rekening nr. 13 (22 juli 1661): gaat over diverse goederen die François Montenac samen met Daniel en Matthijs Lestelenon heeft gekocht en verkocht. De uiteindelijke schuld van François Montenac is 4.391 gulden, 1 stuiver en 12 penningen.
- Rekening nr. 14 (10 juli 1667): hierin staat dat François Montenac een schuld heeft van 29.273 gulden, 18 stuivers en 4 penningen. De debetzijde (wat hij schuldig is) bedraagt 40.966 gulden en 4 stuivers, de creditzijde (wat hij krijgt) is 11.692 gulden, 5 stuivers en 12 penningen.
- Rekening met letter S: een kopie van een rekening van Harmens Klevoorn uit Stockholm over de verkoop van 6 vaten Rijnse wijn. Het debit (schuld) is 20.305 dalers in koperen munt en 19 öre. Het credit (tegoed) is 6.019 dalers in koperen munt.
- Rekening nr. B (1662): een kopie van een lopende rekening van Harmens Klevoorn voor kosten gemaakt op de 6 vaten Rijnse wijn. Zowel debit als credit bedragen 2.305 dalers in koperen munt en 19 öre.
- Rekening met letter C (1662): gaat over de verkoop van de 6 vaten Rijnse wijn.
- Rekening met letter D (1662): over dezelfde 6 vaten Rijnse wijn. Het saldo (eindbedrag) is 1.795 gulden en 8 stuivers.
- Rekening met letter E (1661-1662): gaat over 16 vaten Rijnse wijn die François Montenac samen met Servaes Montenac heeft gekocht van Daniel en Matthijs Lestelenon. Zowel debit als credit bedragen 9.689 gulden en 18 stuivers.
- Deze rekeningen zijn opgemaakt en overhandigd op 30 november 1668 in Haarlem, in aanwezigheid van de getuigen Hendricus Hasewindius en Sijmon van Ede.
- Op dezelfde dag (30 november 1668) int Jan Pietersz Drooghvoet, woonachtig in Haarlem, bij notaris Lourens Baert zijn testament in. Hij trekt hiermee alle eerdere testamenten en andere uiterste wilbeschikkingen in, inclusief het testament dat hij op 27 maart 1667 heeft laten opmaken. Deze eerdere documenten verklaren hij nu voor ongeldig, alsof ze nooit zijn gemaakt.
- Dit gebeurt ook in Haarlem, in aanwezigheid van dezelfde getuigen: Hendricus Hasewindius en Sijmon van Ede.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 529
Op
3 november 1668 begaf
Lourens Baert, een beëdigd notaris werkzaam voor het
Hof van Holland en woonachtig in
Haarlem, zich samen met getuigen naar het huis van
Abram Denise, een koopman in
Haarlem.
Namens
Franchoijs Montenack, een koopman uit
Amsterdam, overhandigde
Lourens Baert aan
Abram Denise verschillende rekeningen die betrokken waren bij de erfenis van
Montenacks schoonvader,
Servaes Montenacq. De rekeningen betroffen de volgende zaken:
- Een rekening uit 1653 over een bal Turkse garens, waarbij Servaes Montenacq nog £ 1073 en 18 shilling tegoed had van Daniel Lesterenon de Jonge.
- Een rekening uit 1654 over Rijnse wijn, waarbij Servaes Montenacq £ 174, 5 shilling en 8 pence tegoed had van Daniel Lesterenon.
- Een rekening uit 12 december 1656 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq naar het eiland Christoffel (nu: Sint-Christoffel) waren verzonden. Hierbij was hem 399 pond, 0 shilling en 8 pence verschuldigd.
- Een rekening uit 1656 over goederen die namens Servaes Montenacq aan Cornelis Commer waren geleverd, met een openstaand bedrag van ƒ 2802 en 14 stuivers.
- Een rekening uit 10 oktober 1658 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq naar de West-Indië waren verzonden met Juan Carlos van de Waijer. Hierbij was ƒ 653, 14 stuivers en 12 penningen tegoed.
- Een rekening uit 27 juni 1659 over 15 stukken kamelot (een soort weefsel) die voor rekening van Servaes Montenacq waren verkocht aan Reijnier Beuwman, met een openstaand bedrag van ƒ 578 en 14 stuivers.
- Een rekening uit 1 juli 1660 over goederen die voor rekening van Servaes Montenacq waren verkocht aan Daniel Kelder, met een saldo van ƒ 2811 en 5 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 528
De tekst bevestigt dat alles in goede trouw gebeurt en onder een strafbare belofte (een soort officieel contract). Dit is volgens de regels vastgelegd en met kennis van de waarheid. Het document is ondertekend door de notaris Wittens in Toircond.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 281
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 280
- Op 15 augustus 1641 kwamen voor een notaris en getuigen:
- Claes Jansz, Amerentia Jansdr., Gerrit Aelbertsz en Sijmon Dircxsz Robos verklaarden dat ze een rekening indienden bij de weesmeesters. Deze ging over meubels, gouden ringen en zilverwerk, met een totale waarde van 634 gulden en 4 stuivers. Meyntie Gerritsdr. liet deze som staan op 44.
- Op 18 augustus 1641 kwamen voor de notaris en getuigen:
Zij waren vinders (controleurs) van het brouwersgilde in Haarlem en legden een eed af op verzoek van Sijmon Heere (waard in Heiloo).
- Zij verklaarden onder ede dat het in Haarlem gebruikelijk was dat brouwers, als ze geen belegen bier (gerijpt bier) op voorraad hadden, vers bier uit het vat tapten en dit in kleinere vaten (zoals halve viertelvaten) overgoten. Dit deden ze om klanten – of die nu van buiten de stad kwamen of niet – te voorzien zonder veel bier te verspillen. Ze benadrukten dat dit een praktische oplossing was om het bier gemakkelijk thuis te krijgen.
- De verklaring werd afgerond in Haarlem, met Jan Cran en Jan Tansz van der Steen als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983602 / 450
Op het schip de Jonge Hilligman stonden de volgende bemanningsleden die, bij aankomst in het Vaderland (Nederland), recht hadden op een beloning volgens de regels van 1742:
Daarnaast was er een weesjongen aan boord, Willem Nicolaas Vrugt (jonger dan 12 jaar), afkomstig van Kaap de Goede Hoop. Hij was de zoon van de overleden kapitein-ter-zee en uitrustingsmeester Willem Vrugt. Voor zijn verzorging en verblijf in de kajuit was het benodigde transportgeld al betaald aan de kassier van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Jacobus Johannes Le Sueur, op 6 mei 1714. Ook was er een kist met kleding voor hem meegenomen.
Het document was ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 6 mei 1714 door C: L: Neethling en G: H: Cruijwagen.
Een andere zeeman, Anthonij Helber (oud, uit Hamburg, van beroep kuiper), was eerder actief op het schip de Jonge Lieve. Hij was door ziekte achtergebleven in Duinkerke. Zijn loon werd geregeld via:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10633 / 0546
- Thomas Engels wint een rechtszaak tegen de vrouw van Jacob Abrahams van Loo, een soldaat in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC). De zaak moet opnieuw behandeld worden om een uitvoerbaar vonnis te krijgen. Volgens een eerdere uitspraak van 24 juli 1654 moet de vrouw van Jacob Abrahams van Loo een bedrag van 138 rijksdaalders en 51 stuivers betalen, inclusief rente en proceskosten.
- Jan van Samoa, kapitein van een schip van de VOC, eist 52 rijksdaalders en 15 stuivers van Dirk Schoorl, de opperkoopman en hoofd van het VOC-kasteel. Dit bedrag is voor geleverde kosten, loonkosten en andere uitgaven, volgens een specificatie. De kosten voor de rechtszaak komen daar nog bij.
- Mevrouw L. Defant Paeuw vertegenwoordigt de eiser in een zaak tegen Simon Turver, een schipper in dienst van de VOC. De zaak gaat over een erfeniskwestie van Johannes Nonnemans, waarbij zijn moeder Annette van Maseren Hout en zijn broer Gillis Nonnemans betrokken zijn.
- Herman van Essen, een burger uit de stad, eist een bedrag van 9½ realen (volgens een rekening) en 7½ Spaanse realen van Dirk Schoorl. Dirk Schoorl is hier ook de curator (beheerder) van de nalatenschap van overleden VOC-dienaren. Het geld is geleend en moet worden terugbetaald. De beslissing wordt overgelaten aan de eerbare rechters.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9230 / 0279
-
Op 10 oktober 1653 maakt Aeltgen Michels, weduwe van Cornelis Veer, in Haarlem een testament. Ze is ziek maar helder van geest. Ze int trekt alle eerdere testamenten in.
-
Ze verdeelt haar spullen:
- Weijntie Schaters (haar dochter) krijgt: een bed met 2 kussens, een gouden hoepelring.
- Meijnsie Schutters (haar dochter) krijgt: het op één na beste bed met 2 kussens, een kleine rozenring, een gladde ring.
- Gerrit Schutter (haar zoon) krijgt:
- 2 bedden met kussens (die al bij hem in Amsterdam zijn).
- een gouden ring (de "Claeu"), een rozenring met hoep.
- een zilveren beker, 2 zilveren lepels, een grote zilveren bel met ketting.
- Aeltien Willems (dochter van Meijnsie) krijgt: al het zilver dat Aeltgen draagt + de kleinste rozenring.
-
Haar 3 kinderen (Weijntie, Meijnsie, Gerrit) erven de rest gelijk (1/3 elk). Ze moeten wel rekening houden met geld dat ze al kregen:
-
Als een kind eerder sterft, erft diens nakomeling zijn/haar deel ("plaatsvervulling").
-
Aeltgen houdt het recht om het testament later te veranderen (schriftelijk of mondeling voor 2 getuigen).
-
Het testament wordt opgesteld in haar huis aan de Giststraat in Haarlem, met getuigen Harman Barentsz en Johanus Valck. Notaris: Wittensteyn.
-
Op 10 oktober 1661 geeft François van de Cappelle (uit Amsterdam) in Haarlem volmacht aan Cornelis Thomas Holthman om namens hem op te treden bij de Commissarissen van de Kleine Zaken in Amsterdam. Het gaat om een zaak tegen Jan van Lier (en anderen). Holthman mag:
- de zaak verdedigen.
- in hoger beroep gaan.
- alles doen wat nodig is, alsof Van de Cappelle zelf aanwezig is.
Getuigen: Lubbert Commerse en Francois Snellinx. Notaris: Mittensteijn.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975088 / 189
De Staten-Generaal behandelden verschillende verzoeken en besluiten:
-
Een verzoek van arme buitenlanders die geen borg konden betalen of vinden. Ze werden vrijgelaten en kregen een kleine geldelijke ondersteuning van 2 of 3 Vlaamse ponden. Het verzoek werd doorgestuurd naar de Admiraliteit van Rotterdam voor nader onderzoek.
Bij een verzoek van de burgemeesters en het stadsbestuur van Appingedam werd besloten:
-
De stukken werden doorgestuurd naar de stad Groningen voor een reactie binnen 6 weken.
-
Tot die tijd moesten beide steden (Groningen en Appingedam) de zaken in de huidige staat houden, tenzij Groningen goede redenen had om dat niet te doen. Dit was gebaseerd op een eerdere beslissing van Maria van Hongarije, landvoogdes van de Nederlanden, op 2 augustus 1541.
Verzoeken om paspoorten werden als volgt behandeld:
-
Gijsbert van Versevelt, koopman uit Wesel, kreeg nog geen beslissing voor transport van goederen naar de Frankfurter Messe.
-
Roeloff Bytters kreeg toestemming om met wagen, paarden, een knecht en voerman voor 6 maanden tussen vijandelijk gebied, Kleef en Drenthe te reizen.
-
Vincent Nonneman uit Hulst (Vlaanderen) mocht met een schip geladen met hout en schors uit Brabant naar de Verenigde Provinciën reizen en terug, ook voor 6 maanden.
Op 15 augustus 1595 werd er niets besloten (nihil actum).
Op 17 augustus 1595 werd beslist:
Er werd een ontwerpbesluit over de verdeling van serviciegelden (logeergelden) in grenssteden doorgestuurd naar de Raad van State voor advies.
Twee brieven van de Raad van State (gedateerd 11 en 13 augustus 1595) meldden:
-
Vragen over de toezegging van graanleveranties aan Wesel, waar mogelijk voedsel naar de vijand werd gebracht.
-
Het leger zou verplaatst worden naar Bisselijk (bij de Rijn) om de plannen van de vijand te verkennen.
Brienen, terug uit Gelderland, zou verslag doen aan de Staten-Generaal over zijn bevindingen, ondanks de afwezigheid van de afgevaardigden van Zeeland. Dit verslag zou plaatsvinden tijdens de bijeenkomst met de gezanten in Delft op 16 augustus 1595.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 21 / 0354
Johanna Catharine Isabelle Wiggers van Kerchem, een vrouw zonder vaste woonplaats (tijdelijk in Brussel), vraagt aan de rechtbank in 's-Gravenhage om toestemming voor de openbare verkoop van een aantal onroerende goederen. Deze goederen maken deel uit van de erfenis van haar overleden moeder, Isabella Petronella Louisa Stelling (weduwe van Carel Frederik Wilhelm Wiggers van Kerchem), die op 31 december 1921 in Leiden overleed.
De erfenis bestaat uit:
- Weilanden in de Grote Polder in Zoeterwoude (kadaster: Sectie B, nummers 634, 636, 637, 638, 1531, 1621 en 1622), in totaal 5 hectare, 73 are en 5 centiare.
- Een huis, schuur, erf en tuin aan de Hooge Morschweg in Leiden (kadaster: Sectie P, nummers 334, 333, 335, 336 en 349), in totaal 3 hectare, 21 are en 11 centiare.
- Weilanden in de Noordeindsche Polder en aan de Rijndijk in Aarlanderveen (kadaster: Sectie C, nummers 658, 661, 663, 1580, 1620 en 1621), in totaal 5 hectare en 72 centiare.
- Weilanden en een schuur in Nieuwer-Amstel (kadaster: Sectie L, nummers 302, 309, 310 en 301), in totaal 5 hectare, 97 are en 60 centiare.
Johanna wil de grond verkopen omdat:
- Haar mede-erfgenaam (de vader van haar overleden zus, Fritz Roeber Sr. uit Duisburg) de grond niet wil, maar haar wel onder druk zet om het land over te nemen.
- Zij zelf woont niet in Nederland en heeft geen belang bij het behouden van de grond.
- Een groot deel van de grond is zeer geschikt voor bouwterreinen en kan dus voor een hoge prijs verkocht worden.
De rechtbank in 's-Gravenhage roept Fritz Roeber Sr. op om op 26 mei 1922 te verschijnen. Tijdens deze zitting geeft zijn advocaat aan dat Fritz Roeber Sr. geen bezwaar heeft tegen de verkoop. Daarna besluit de rechtbank op 5 mei 1922 dat de openbare verkoop van de grond mag doorgaan, volgens de geldende regels.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 282
De notaris Alvalui J. den Blanken heeft wijzigingen aangebracht in een eerder document. Deze veranderingen gaan over:
Het document is opgemaakt en ondertekend in Uithoorn door de betrokkenen, getuigen en de notaris. Twee heren, Wesseling en van den Ancker, hebben het document niet ondertekend omdat zij vertrokken voor de afronding.
Het proces-verbaal is geregistreerd in Amsterdam op 12 juni (jaar niet vermeld) onder nummer 1210. Er is 351 gulden betaald voor rechten en registratie. Op 21 juli 1922 is een uittreksel hiervan overgeschreven in deel 2408, nummer 23.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 290
-
Op 30 november 1628 kwamen in Haarlem voor notaris Jacob Schoudt de volgende personen samen:
- Otto Fransz van Flodrop en Augustijn Coloribus (beide kooplieden en inwoners van Haarlem) als getuigen.
- Zij waren benoemd door de gemeenschappelijke schuldeisers, Adriaen Henricxsz Lelij en de schepenen van Haarlem.
- Zij gaven Warnaer Aelbertsz en Pieter de Bitter (kooplieden uit Amsterdam) de opdracht om namens hen een schuld van 800 karolusgulden op te eisen.
- Deze schuld moest worden geïnd bij Davidt Bollaert (koopman uit Enkhuizen) en Henrick Willemsz Cop, volgens een schuldbekentenis uit 4 december 1567 (1567 is een fout; het moet 1627 zijn, gezien de context).
- Warnaer Aelbertsz en Pieter de Bitter mochten:
- Rechtelijke stappen ondernemen, inclusief dagvaardingen en vonnissen uitvoeren.
- Beslag leggen op goederen en persoon van Davidt Bollaert.
- Een schikking treffen of de zaak voor de rechter brengen.
- Geld ontvangen en kwijting verlenen.
- Een vervanger aanwijzen met dezelfde bevoegdheden.
- De opdrachtgevers beloofden alles wat hun vertegenwoordigers deden te accepteren en niet tegen te werken.
-
Op dezelfde dag (30 november 1628) kwamen ook:
-
Op dezelfde dag (30 november 1628) verklaarde Abraham Ampe (koopman in Haarlem) onder ede:
- Rond september 1628 kwam Maijcken Plouiers (lijwaardenverkoopster) bij hem thuis.
- Zij zocht een bon voor een stuk linnen van 28 stuivers, verkocht door Jan Willemsz ongeveer 8-10 dagen voor 11 september 1628.
- Abraham Ampe kon de bon niet vinden, maar Jan Willemsz bevestigde later dat Maijcken Plouiers het linnen had gekocht.
- Er was verwarring over een andere bon van 32 stuivers, maar Jan Willemsz zei uiteindelijk dat hij zich vergist had.
- Abraham Ampe vond wel een bon van 29 juli 1628 voor 51 ellen linnen voor 28 stuivers, maar mogelijk stond er per ongeluk Gillis Willemsz in plaats van Jan Willemsz (door haast).
- Dit soort fouten kwamen vaker voor bij uitdraagsters (zoals Maijcken Plouiers).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974685 / 59
Op
29 januari 1849 werd in
Amsterdam, in een huis aan de
Roepoortstraat (wijk A, nummer 13), een boedelinventaris opgemaakt van de overleden weduwe
Fruytier. Zij woonde en overleed hier. De inventarisatie gebeurde op verzoek van een andere weduwe, die met de overledene had samengewoond en nu als erfgename optrad. De overledene had geen testament achtergelaten voor deze erfgename, dus erft zij volgens de wet (als
wettelijk erfgename).
De erfenis werd als volgt verdeeld:
Er bleek echter
wel een testament te bestaan, opgemaakt op
14 september 1839 bij notaris
Gerhard Leefkens in
Amsterdam en geregistreerd op
29 januari 1849. Hierin werd de erfenis als volgt verdeeld:
De waarde van de inboedel werd geschat door
Jan Gerhardus van Neke uit
Duivendrecht, een deskundige die hiervoor een eed aflegde. De belangrijkste bezittingen waren:
- Meubels: een kabinet (45 gulden), paviljoen (12,25 gulden), boekenkast (11 gulden), tafel (14,57 gulden), 12 stoelen (52 gulden), leunstoel (5 gulden), 4 kachels (0,60 gulden), spiegels (4 en 10 gulden), albasten voorwerpen (20 en 5 gulden), theeservies (0,60 gulden), tabakskist (1,80 gulden), koffertje (10 gulden), theeblad met accessoires (9,25 gulden), wit theekistje (1,50 gulden).
- Glaswerk: 12 wijnglazen (1,70 gulden), zuurbakjes en zoutvaatje (2,25 gulden), compote (1,50 gulden), karaffen (0,70 gulden), liqueurglaasjes (0,50 en 1 gulden), suikerglas (0,50 gulden).
- Aardewerk en porselein: 12 borden (1 gulden), blauwporseleinen kopjes (2 gulden), geel en zwart servies (2 en 1,25 gulden), potjes (0,40 gulden), 6 koppen (4 gulden), flacon (0,80 gulden), kwispedoorn (0,60 gulden), inktkokertje (0,50 gulden).
- Koper en blik: puddingvorm (0,30 gulden), komfoortjes (1,50 gulden), kolenbak (2,50 gulden), bloemenmandjes (1,60 gulden), tinnen pot (1 gulden), doofpot (4 gulden), pannen (2,25 gulden).
- Overige huishoudelijke spullen: wateremmer (0,80 gulden), snijmes en vork (1,50 gulden), spaarlamp (3,50 gulden), doosjes (3 gulden), schilderijtjes (7 gulden), boeken (0,80 gulden), wasmand (1,25 gulden), tabakskist (2 gulden), koffers (3 en 1,50 gulden), kleed (5 gulden), vuurmand (0,70 gulden).
- Bedden en beddengoed: bed (25 gulden), matras en peluw (10 gulden), kussen (7 gulden), dekens (12,50 gulden), onderkleed (2 gulden), tweede bed met accessoires (37 gulden), gordijnen (11 gulden), 16 lakens (23,50 gulden), 21 sloopen (10,50 gulden), kleine sloopen (1,20 gulden), tafellakens (40,70 gulden), handdoeken (3,40 gulden), theedoeken (2,20 gulden).
- Zilver en goud: zilveren vork (3,50 gulden), soeplepel (20 gulden), punschlepel (1,40 gulden), suikerstrooier (2,80 gulden), napje (2,80 gulden), suikertang en lepeltjes (3,50 gulden), theelepeltjes (7,35 gulden), potloodje (0,60 gulden), Oost-Indisch biljettenhuisje (3 gulden), gouden horloge (30 gulden), 11 zilveren lepels (46,60 gulden), 12 zilveren vorken (48,75 gulden).
- Kleding: 27 hemden (16 gulden), 22 borstrokken (8,25 gulden), 18 broeken (9,40 gulden), 11 rokken (24 gulden), 18 jakken (14 gulden), 12 mutsen (2 gulden), 71 paar kousen (10 gulden), 51 halsdoeken (8,25 gulden), 55 zakdoeken (8 gulden), boezelaars (1,80 gulden), 16 zakken (1,50 gulden), metzen (2,50 gulden), 3 hoeden (5 gulden), 6 japonnen (32 gulden), 2 mantels (13 gulden), 4 doeken (12 gulden), 2 zijden boezelaars (2 gulden), bontboa (20 gulden), doek (10 gulden), paraplu en parasol (4,50 gulden).
De totale waarde van de roerende goederen bedroeg
915 gulden en 65 cent.
Daarnaast waren er financiële bezittingen:
- Een inschrijving in de Nationale Schuld van 20.000 gulden (2,5% rente per jaar) op naam van "weduwe van Kristiaan Joun, geboren Alieda Tiedeman".
- Vijf certificaten van Nationale Schuld:
Deze gegevens werden bevestigd door
weduwe Tentem, die ook een afschrift van het testament van
14 september 1839 overhandigde. Er waren geen andere papieren of schuldbewijzen bekend. De originele bewijzen berustten bij
heer Schuijmer in
Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 2475 / 0181
Vorige paginaVolgende pagina