Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 4 mei 1707 verscheen Juffrouw Aaltje van Grieken, de weduwe van de overleden Andries van der Zijle, voor Casparus Noppen, een openbare notaris in Haarlem. Bij deze ontmoeting waren ook getuigen aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 238  


De schepenen van de stad ontvingen op 22 januari een klacht van Pieterse van Haar. Zij beschuldigde: van het stelen van een lading schoenen die aan haar toebehoorde. De schoenen waren volgens Van Haar in beslag genomen tijdens een eerdere overeenkomst.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 237  


Op 17 november 1707 verklaarde Francois Montenacq, een koopman en textielfabrikant in Haarlem, voor een notaris dat het volgende waar is:

Montenacq bevestigde deze verklaring onder ede. Bij de akte waren Pieter Backer en Jan de Bruin als getuigen aanwezig. De notaris die de akte opstelde was Jan de Bruijn.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842976 / 235  


Deze verklaring werd afgelegd voor de gecommitteerden (onderzoekers) op verzoek van François Montanier, de fiscale officier voor de verdedigingsvloot. Omdat Montanier afwezig was, werd Joan de Ridder (fiscaal van het lokale commando) ingeschakeld. Een tolk vertaalde de verklaringen uit het Maleis.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1169  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1170  


Toen een Nederlandse koopman aan boord werd gebracht van een Frans schip bij Porto Novo, hadden de achtergebleven Fransen intussen kisten en koffers opengebroken. Zij hadden alles meegenomen wat zij waardevol vonden, zonder precies te weten wat het was. De Franse kapitein was namelijk 2 dagen op Porto Novo aan land geweest.

De koopman werd daarna weer teruggebracht naar zijn eigen schip, waar hij volgens een briefje dat hij bij zich had alle Nederlandse goederen moest afgeven. Vervolgens vroeg de kapitein naar een slaaf en een slavin die volgens hem nog aan boord moesten zijn. De getuigen (andere Nederlanders) wezen toen een meisje aan, dat zij dachten de zus van de koopman te zijn. De Franse kapitein nam zowel de koopman als het meisje mee, maar liet het meisje later weer achter op Porto Novo. De koopman bleef in gevangenschap bij de Fransen.

De getuigen beëindigden hiermee hun verklaring en beloofden dat dit het eerlijke en waarheidsgetrouwe verhaal was van wat zij zelf hadden gezien en gehoord. Zij waren bereid dit onder ede te bevestigen als dat nodig zou zijn.

Deze verklaring werd opgesteld in Fort Jaffanapatnam op 29 september 1672, in aanwezigheid van:

De verklaring werd ondertekend door de getuigen, een tolk, en J. V. Wouw, de secretaris.

Op een later moment verschenen dezelfde getuigen opnieuw voor Huijsman en Goes om hun eerdere verklaring te bevestigen, met het nummer 547.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1171  


Op 30 november 1672 in fort Jaffanapatnam bevestigden een aantal mensen hun eerdere verklaringen zonder enige wijziging. Dit gebeurde in aanwezigheid van:

De volgende personen tekenden of bevestigden met hun handtekening of merk:

De verklaring werd ook bevestigd door Marten Huijsman en Daniel Goes, en ondertekend door J. van Wouw, de secretaris.

Op 1 december 1672 verschenen dezelfde getuigen voor de eerder genoemde functionarissen. Zij bevestigden opnieuw hun verklaring van 29 november 1672 en de daaropvolgende bevestiging van 30 november 1672, zonder enige verandering. De vier christenen (Belgior de Rosaijro, Fernando Dias, Anthonij Arien en Balthasar Anthonijsz) bevestigden dit door twee vingers van hun rechterhand op te steken en de woorden "Zo waarlijk, helpt mij God Almachtig" uit te spreken. De twee niet-christenen (Lingena en Possana) deden dit op hun eigen manier, door hun handen en hoofden naar de hemel te heffen.

Dit gebeurde in het fort Jaffanapatnam, in aanwezigheid van:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1172  


De heer Montenacq Coopman was hiervoor aangesteld. Het document was ondertekend met de merktekens van de Rosasijro-tolk Ferdinando Dias, Anthonij Arien en Balthasar Anth. Als tolk ondertekende ook Joan Pereira met 2 Malabaarse karakters, de naam van Philippo Ca ter Lijden, die aanwezig was.

Onder aan het document stond de handtekening van B. Cleboi en P. Montenack, met de bevestiging van J.B. Swouw, de secretaris. Nog lager op het document stond een collatievermelding (een controle of de kopie klopte met het origineel).

Het document werd goedgekeurd in Colombo op 24 december. Ondertekend door P. D. Ridder, E. Clerck, met het nummer 548.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1173  


Montenacq vroeg beleefd aan Uule (een hoge functionaris) of hij een baan kon krijgen in de Nederlandse bezittingen in de West (het gebied dat Nederland toen in Zuid-Amerika had, zoals Suriname). Hij hoopte dat Uule hem hiermee wilde helpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.01.28.02 / 109 / 0028  


Op 2 november 1651 verscheen Cornelis de Vhrijp samen met Aertje Freris (de weduwe van Marten Iersijn, woonachtig in Edam) voor notaris Brijp Nots in Amsterdam. Aertje werd geïdentificeerd door Marike de Vroom, een bekende van de notaris. Zij verklaarden uit vrije wil toestemming te geven voor het huwelijk van hun dochter Trijntje Persijns (18 jaar oud) met Nammus Emerha, een jongeman uit Lier in Oost-Friesland. Aertje en Cornelis hadden geen bezwaar tegen dit huwelijk en vroegen juist vriendelijk om de bruiloft door te laten gaan. Dit gebeurde in het huis van Marike de Vroom in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Hendrikus Bruijnenburgh en Barent ter Brugghe.

Op 6 november 1651 werd deze verklaring opnieuw bevestigd, nu met de getuigen Hendricus Bruijnenburgh en Barent ter Bruggse, en vastgelegd door notaris Grijp Nots.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936989 / 183  


Op 5 november 1671 kwamen voor notaris Jacob van Loosdrecht in Amsterdam:

Zij waren allemaal kinderen en erfgenamen van Servaes Montenacq (overleden). Ze bevestigden een eerder goedgekeurde rekening (nummer 14), opgemaakt door François Entenach (zwager). Deze rekening dekte de periode vanaf 10 juni 1667 en was vastgelegd op 17 februari 1671.

De erfgenamen:

Daarnaast verklaarden Joris Boch (namens zijn vrouw) en Elisabeth Montenacq dat:

Tot slot bleek uit de rekening dat François Montenacq een bedrag van 29.273 Carolusgulden, 18 stuivers en 4 penningen (exclusief rente) aan de erfgenamen verschuldigd was. Beide partijen bevestigden dit bedrag.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936900 / 193  


Lourens Baert, een notaris in Raerlem (nu: Haarlem), schreef op 19 november 1668 een akte op. Daarin stond dat de volgende personen een afspraak maakten: Pieter Olykan sprak ook namens Johannes van Duren. Zij waren allemaal familie (kinderen en kleinkinderen) van Alida Dan NemansAlida was eerst getrouwd met Jacob Olykom en later met Nicolaes van Loo. Zij woonde in een huis genaamd ’t Hoeffijser en overleed in Haarlem. De familie had eerder al afgesproken hoe ze de erfenis van Alida zouden verdelen. Ze hadden toen een aantal schulden die nog niet waren betaald (kleine bedragen en leningen) onverdeeld gelaten. Nu wilden ze de verdeling afmaken. Ze besloten om de openstaande schulden als volgt te verdelen: Een van die schulden was een bedrag van 9 gulden dat nog ontvangen moest worden van iemand genaamd Jan ten Toren.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 530  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 529  


Op 3 november 1668 begaf Lourens Baert, een beëdigd notaris werkzaam voor het Hof van Holland en woonachtig in Haarlem, zich samen met getuigen naar het huis van Abram Denise, een koopman in Haarlem. Namens Franchoijs Montenack, een koopman uit Amsterdam, overhandigde Lourens Baert aan Abram Denise verschillende rekeningen die betrokken waren bij de erfenis van Montenacks schoonvader, Servaes Montenacq. De rekeningen betroffen de volgende zaken:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842811 / 528  


De tekst bevestigt dat alles in goede trouw gebeurt en onder een strafbare belofte (een soort officieel contract). Dit is volgens de regels vastgelegd en met kennis van de waarheid. Het document is ondertekend door de notaris Wittens in Toircond.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 281  


Op 19 juni 1672 werd in Haarlem een officiële mededeling (insinuatie) gedaan door de notaris in aanwezigheid van getuigen Ludolff van Littensteyn en Dirck Harcken. Deze mededeling was in opdracht van Juffrouw Elisabeth Montenacq, dochter en mede-erfgename van de overleden Servaes Montenacq. De mededeling was gericht aan Abraham Denijse, die getrouwd was met Margareta Montenacq (ook een erfgename van Servaes).

De kern van de zaak was een volmacht (procuratie) die Elisabeth Montenacq en haar zussen op 9 februari 1665 hadden afgegeven aan hun zwager François Montenacq. Deze volmacht gaf hem het recht om zaken te regelen namens hen. Hoewel ze de volmacht oorspronkelijk goedkeurden en François vertrouwden met het beheer van de nalatenschap van Servaes Montenacq, trokken ze deze nu in.

Elisabeth liet via de notaris weten:

Abraham Denijse hoorde de mededeling aan en Elisabeth Montenacq vroeg om een kopie van het document. De handeling werd bevestigd door de notaris L. Rittensteijn en de getuigen.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 280  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983602 / 450  


Op het schip de Jonge Hilligman stonden de volgende bemanningsleden die, bij aankomst in het Vaderland (Nederland), recht hadden op een beloning volgens de regels van 1742:

Daarnaast was er een weesjongen aan boord, Willem Nicolaas Vrugt (jonger dan 12 jaar), afkomstig van Kaap de Goede Hoop. Hij was de zoon van de overleden kapitein-ter-zee en uitrustingsmeester Willem Vrugt. Voor zijn verzorging en verblijf in de kajuit was het benodigde transportgeld al betaald aan de kassier van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), Jacobus Johannes Le Sueur, op 6 mei 1714. Ook was er een kist met kleding voor hem meegenomen.

Het document was ondertekend in Kasteel de Goede Hoop op 6 mei 1714 door C: L: Neethling en G: H: Cruijwagen.

Een andere zeeman, Anthonij Helber (oud, uit Hamburg, van beroep kuiper), was eerder actief op het schip de Jonge Lieve. Hij was door ziekte achtergebleven in Duinkerke. Zijn loon werd geregeld via:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10633 / 0546  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9230 / 0279  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975088 / 189  


De Staten-Generaal behandelden verschillende verzoeken en besluiten:

Bij een verzoek van de burgemeesters en het stadsbestuur van Appingedam werd besloten:

Verzoeken om paspoorten werden als volgt behandeld:

Op 15 augustus 1595 werd er niets besloten (nihil actum).

Op 17 augustus 1595 werd beslist:

Er werd een ontwerpbesluit over de verdeling van serviciegelden (logeergelden) in grenssteden doorgestuurd naar de Raad van State voor advies.

Twee brieven van de Raad van State (gedateerd 11 en 13 augustus 1595) meldden:

Brienen, terug uit Gelderland, zou verslag doen aan de Staten-Generaal over zijn bevindingen, ondanks de afwezigheid van de afgevaardigden van Zeeland. Dit verslag zou plaatsvinden tijdens de bijeenkomst met de gezanten in Delft op 16 augustus 1595.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 21 / 0354  


Johanna Catharine Isabelle Wiggers van Kerchem, een vrouw zonder vaste woonplaats (tijdelijk in Brussel), vraagt aan de rechtbank in 's-Gravenhage om toestemming voor de openbare verkoop van een aantal onroerende goederen. Deze goederen maken deel uit van de erfenis van haar overleden moeder, Isabella Petronella Louisa Stelling (weduwe van Carel Frederik Wilhelm Wiggers van Kerchem), die op 31 december 1921 in Leiden overleed.

De erfenis bestaat uit:

Johanna wil de grond verkopen omdat:

De rechtbank in 's-Gravenhage roept Fritz Roeber Sr. op om op 26 mei 1922 te verschijnen. Tijdens deze zitting geeft zijn advocaat aan dat Fritz Roeber Sr. geen bezwaar heeft tegen de verkoop. Daarna besluit de rechtbank op 5 mei 1922 dat de openbare verkoop van de grond mag doorgaan, volgens de geldende regels.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 282  


De notaris Alvalui J. den Blanken heeft wijzigingen aangebracht in een eerder document. Deze veranderingen gaan over:

Het document is opgemaakt en ondertekend in Uithoorn door de betrokkenen, getuigen en de notaris. Twee heren, Wesseling en van den Ancker, hebben het document niet ondertekend omdat zij vertrokken voor de afronding.

Het proces-verbaal is geregistreerd in Amsterdam op 12 juni (jaar niet vermeld) onder nummer 1210. Er is 351 gulden betaald voor rechten en registratie. Op 21 juli 1922 is een uittreksel hiervan overgeschreven in deel 2408, nummer 23.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351486 / 290  


Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974685 / 59  


Op 29 januari 1849 werd in Amsterdam, in een huis aan de Roepoortstraat (wijk A, nummer 13), een boedelinventaris opgemaakt van de overleden weduwe Fruytier. Zij woonde en overleed hier. De inventarisatie gebeurde op verzoek van een andere weduwe, die met de overledene had samengewoond en nu als erfgename optrad. De overledene had geen testament achtergelaten voor deze erfgename, dus erft zij volgens de wet (als wettelijk erfgename). De erfenis werd als volgt verdeeld: Er bleek echter wel een testament te bestaan, opgemaakt op 14 september 1839 bij notaris Gerhard Leefkens in Amsterdam en geregistreerd op 29 januari 1849. Hierin werd de erfenis als volgt verdeeld: De waarde van de inboedel werd geschat door Jan Gerhardus van Neke uit Duivendrecht, een deskundige die hiervoor een eed aflegde. De belangrijkste bezittingen waren: De totale waarde van de roerende goederen bedroeg 915 gulden en 65 cent. Daarnaast waren er financiële bezittingen: Deze gegevens werden bevestigd door weduwe Tentem, die ook een afschrift van het testament van 14 september 1839 overhandigde. Er waren geen andere papieren of schuldbewijzen bekend. De originele bewijzen berustten bij heer Schuijmer in Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AhGldA / 0168 / 2475 / 0181  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/