Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Cornelis de Verhrijp, een notaris, heeft op 2 oktober 1664 in Amsterdam een officiële verklaring afgelegd namens Nakken. Hij heeft bij de belastingkantoren (voor zowel landelijke als stadsbelastingen) een document ingediend, opgemaakt op 5 oktober 1664 door Cornelis Hogheboom. In dit document staat dat Hogheboom aan Nakken het recht overdraagt op 6 maanden huur die Hogheboom al dan niet nog zou verdienen bij de belastingdienst. Dit bedrag moet eerst aan Nakken worden uitbetaald voordat er andere betalingen plaatsvinden. De Verhrijp waarschuwt namens Nakken: Deze verklaring is opgesteld in aanwezigheid van de getuigen Jacobus Lolom en Johannes Dankart. Een eerdere zaak uit 1632 (met D. Sinelaentz en een bedrag van 65 gulden) wordt kort genoemd, maar zonder verdere details.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936999 / 120  


Op 6 oktober 1660 werd in Amsterdam een officiële akte opgesteld door notaris Cornelis de Ghrijp. Hierbij waren Arelis de Duijse en Johannes de Roek als getuigen aanwezig. De akte ging over een bedrag van 641 gulden, betaald door Jan (aangeduid met een merk) en Johannes De Boek.

Op dezelfde dag verschenen Pieter Jacobsz Hooijwaghen en Jacob Meeusen van Sanen voor de notaris. Zij waren door het testament van Aaltjen Eghberts (de weduwe van Andries Dircksz van Sanen) aangesteld als executeurs (uitvoerders) en beheerders van haar nalatenschap. Deze nalatenschap was bestemd voor haar halfbroer Gherrit Helmertsz en vijf nichten, die in het testament waren genoemd. Als Andries Dircksz van Sanen zonder kinderen zou overlijden, zouden deze personen de erfenis krijgen.

De twee mannen verklaarden dat zij, namens de erfgenamen van Andries Dircksz van Sanen, op 22 november 1659 een officiële overdracht hadden gedaan. Deze akte was als bijlage toegevoegd. Zij hadden een lening (schepenkennis, een soort officiële schulderkenning) van 2600 gulden overgedragen aan Rogier de Coene, een chirurgijn uit Amstelveen.

Deze lening was oorspronkelijk bedoeld voor Aaltjen Eghberts, die weduwe en lijftochtster (iemand met recht op inkomsten uit een erfenis) was van Andries Dircksz van Sanen. De schuld rustte op Marten Pieterse Broers, een hoedenmaker. Bij deze overeenkomst waren Cornelis Hogheboom (als adviseur en notaris) en Laurens Hogheboom (als borg) betrokken. De akte was op 12 januari 1638 geregistreerd onder nummer 98.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936991 / 217  


In Amsterdam verklaarde Cornelis de Grijp op 19 maart 1659 voor notaris, in aanwezigheid van Theodorus Hillebergh, Adriaan en Johannes Florianus, dat hij een schuld had bij Hendrik Ghovertsz Hogheboom, zijn halfbroer. De schuld bedroeg 60 carolusguldens (elk ter waarde van 20 stuivers), geld dat De Grijp had geleend voor persoonlijk gebruik. Omdat De Grijp het bedrag niet direct kon terugbetalen, stond hij zijn toekomstige loon af aan Hogheboom (of diens rechtmatige erfgenamen). Dit betrof: De Grijp was op dat moment in Amsterdam en stond op het punt te vertrekken als bemanningslid van het schip De Jonge Prins, eigendom van de kamer Hoorn van de Geoctroojeerde Oostindische Compagnie (VOC). Het schip zou varen naar Batavia (het huidige Jakarta). De verklaring werd ook ondertekend door Crijn Aartsz van der Verhouw, een jongeman die als getuige optrad.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936992 / 51  


Op 15 oktober 1660 verklaarde Cornelis de Grijp, een gerechtsdeurwaarder, op verzoek van Jacob Meeusz van Zanen en Pieter Jacobsz Hooijwagh (de executeurs van de nalatenschap van Aaltjen Egberts, weduwe van Andries Dirksz van Zanen), het volgende: Aaltjen Egberts had in haar testament bepaald dat haar bezittingen na haar overlijden naar Gherrit Helmersz (haar halfbroer) zouden gaan. Als Gherrit zonder wettige kinderen zou sterven, zouden de goederen naar vijf door haar genoemde personen (haar "vijf neven") gaan. Nu was Aaltjen overleden en moest de verdeling van haar nalatenschap plaatsvinden. Jacob Meeusz van Zanen en Pieter Jacobsz Hooijwagh (als executeurs) lieten weten aan: Zij verklaarden dat Marten Pietersz Broers, Mr. Cornelis Hoijseboom en Laurens Hoijseboom nog steeds een schuld van 2600 gulden hadden, die oorspronkelijk op naam van Aaltjen Egberts stond. Deze schuld was vastgelegd in een akte van 12 januari 1650 en overgedragen aan Mr. Rogier de Coene (een chirurgijn) op 9 augustus 1650. De executeurs maakten dit officieel bekend aan de betrokkenen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936991 / 225  


In een brief van 26 december 1740 schrijft de afzender over verschillende onderwerpen:

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5591270 / 66  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507189 / 312  


In 1660 gaf de Universiteit van Parijs een oordeel over een conflict in Houdan, een stad in Bretagne (nu deel van Frankrijk). Monsieur de Montier, hoofd van de Grassins (een religieuze groep), ontdekte dat de Jezuïeten ondanks eerdere afspraken (een "bulle") toch actie ondernamen tegen mensen die ze beschuldigden van Jansenisme (een stroming binnen de kerk die ze als ketterij zagen). De bisschop van Rennes (hoofd van de kerk in die regio) eiste dat meneer de Senailles, een priester die zieke mensen verzorgde in een ziekenhuis, een verklaring ("formulaire") ondertekende. De Senailles wilde dat wel doen, maar met een belangrijke nuance: hij onderscheidde feiten (wat er echt gebeurd was) van regels (wat de kerk voorschreef). De bisschop weigerde die nuance en schorste de Senailles toen hij weigerde zonder meer te tekenen. Op 16 maart 1660 ging de bisschop naar het ziekenhuis, gesteund door vijf mannen die de Senailles lastigvielen – hoewel ze eigenlijk geen recht hadden om de priester tegen te houden. Vervolgens werd op 21 maart 1660 (Palmzondag) een klacht ingediend tegen de Senailles. Deze klacht werd aangeboden aan meneer de Laubrière, een rechter en vriend van de Jezuïeten. Hij las de aanklacht hardop voor in het "bureau des pauvres" (een soort armenraad), met veel drama. Zelfs de eerste president van het parlement (hoogste rechter), de gouverneur van Bretagne en weduwen van Jansenistische aanhangers steunden de actie tegen de Senailles. Het leek erop dat de priester geen kans maakte. Op 30 maart 1660 (Dinsdag na Pasen) werd de Senailles verhoord. Hem werd gevraagd of hij had gezegd dat de moraal van een bepaalde jezuïet (Pater Kober) was afgewezen door Franse bisschoppen. Of hij schuldig was, werd niet duidelijk. Toch werd hij twee dagen later door de kerkelijke rechtbank verboden om nog dienst te doen of zelfs maar een kerk binnen te gaan. Vier belangrijke rechters vonden dit onrechtvaardig en adviseerden de Senailles om in beroep te gaan. Hij kreeg een voorlopige uitspraak die hem beschermde tot zijn zaak behandeld zou worden. Maar de tegenstanders van de Senailles (en het Jansenisme) probeerden te voorkomen dat de zaak bij deze rechters terechtkwam. Ze wilden dat de Grote Kamer (een hogere rechtbank) de zaak in 1660 zou behandelen.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5589267 / 134  


In 1650 verdedigde Gabriel Costart, een Jezuïet, in de provincie Vlaanderen de leer over voorbestemming en genade tegen nieuwe ideeën van du Montier. Dit gebeurde tijdens een discussie in het Collège de Clermont in Parijs op 29 april. Er was ook een conflict tussen de aartsbisschop van Sens en de Jezuïeten, waarbij verschillende geschriften werden uitgewisseld.

In 1741 schreef Alphonse Le Moine over het begin van de vrome wil, als reactie op een boek van Arnauld over gebed en genade. Ook werden er discussies gevoerd over 22 stellingen die door de inquisitie van Toulouse waren veroordeeld. De Jezuïet Antoine Richard des Champs verdedigde zijn opvattingen in Marseille, waarbij hij de ideeën van de bisschop van Sprens en Avitus van Vienne gebruikte.

Er verschenen verschillende uitgaven van reacties en vertalingen, zoals:

In Rome werden verschillende acties ondernomen:

Er verschenen ook:

Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 5588359 / 23  


Op 10 juli 1602 besloten de Staten-Generaal om Cornelis Pietersz een octrooi (een soort exclusief recht) te geven voor zijn uitvinding. Hiermee mocht alleen hij zijn uitvinding in de Verenigde Nederlanden maken, laten maken, gebruiken of verkopen. Dit recht gold voor 8 jaar en gold specifiek voor zijn instrument om met weinig moeite en veel precisie havens, rivieren of andere verzande waterlopen uit te diepen, volgens het bijgevoegde patroon.

De Staten-Generaal verboden iedereen – ongeacht wie het was – om zonder toestemming van Cornelis Pietersz zijn uitvinding na te maken of te gebruiken. Wie dit toch deed, verloor de nagemaakte uitvinding en moest een boete betalen van 600 pond (waarvan 40 groten per pond). Deze boete werd verdeeld:

Alle bestuurders, rechters, ambtenaren en inwoners van de Verenigde Provinciën moesten Cornelis Pietersz met rust laten en hem vrij laten genieten van zijn octrooi. Ze mochten hem niet tegenwerken, want de Staten-Generaal vonden dat dit rechtvaardig was. Dit octrooi gold alleen voor nieuwe uitvindingen die nog niet eerder in de Verenigde Nederlanden waren gebruikt en deed niets af aan eerdere vergunningen.

Op 11 juli 1602 besloten de Staten-Generaal ook om Johanna du Montier, de weduwe van de overleden Charles de Cambi (die 22 jaar voor de landen had gewerkt), een soortgelijke bescherming te geven. De details hiervan zijn niet verder uitgewerkt in deze tekst.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11849 / 0302  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3205 / 0369  


Op 19 juni 1655 (op een zaterdag) was er een vergadering onder leiding van heer Van Wijckel uit Gent. Ook aanwezig waren de heren Verbolt, Ansbergen, Ripperda tot Buurse, Capelle tho Rijssel, Raesfelt, Huijghens, Waveren, Veth, Stavenisse, Van der Hoolck, Vierffen, Knijff, Mulert, Ripperda en Wolffsen. Tijdens deze vergadering:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 132 / 0266  


Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507123 / 130  


In januari 1686 dienden de heren Lagnij en Dodun (voormalige pachters van de tabakshandel) een verzoek in bij meneer Boreel, toenmalig hoofdbaljuw (hoogste rechterlijke ambtenaar) van Amsterdam. Ze wilden dat Pierre le Noir Du Montier, een burger uit Amsterdam, zou worden gearresteerd en zijn bezittingen in beslag genomen. Volgens Lagnij en Dodun had Du Montier geld verborgen dat van hen was gestolen door de heren Caze en Tronchin. Hiervoor was al een vonnis uitgesproken door het Châtelet (een rechtbank) in Parijs op 22 november 1685. Caze en Tronchin waren na dit vonnis uit Frankrijk gevlucht. Boreel gaf toestemming voor de arrestatie en beslaglegging, die op 6 januari 1686 werd uitgevoerd. De volgende dag, 7 januari, stond meneer Chabert, de Franse consul, borg voor Lagnij en Dodun. Op 8 januari liet Anthoine Constant (de zaakwaarnemer van Lagnij en Dodun) de volgende documenten zien:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8640 / 0121  


Deze tekst bevat twee delen van een notariële akte uit 1874.

In het eerste deel staat een overzicht van schulden en kosten na een overlijden:

Deze zaken zijn allemaal betaald. De rest van de nalatenschap blijft in handen van de persoon die de inventaris heeft aangevraagd. Deze persoon belooft alles goed te bewaren en later verantwoording af te leggen als dat nodig is. De persoon zweert ook dat er niets is verborgen gehouden of verdonkeremaand van de nalatenschap. De akte wordt ondertekend door de aanvrager, twee getuigen (Joannes Willem Marie Huijgens en Petrus Giesken) en de notaris (Burkens).

In het tweede deel, gedateerd op 13 mei 1874, benoemt Johan George Hendrik Detemeyer (een soort beheerder van het Museum op het Stadhuis in Haarlem) een nieuwe bewindvoerder. Dit doet hij omdat Lena Maria Erdtsieck, die in Haarlem woonde, op 29 april 1874 is overleden. Zij was niet getrouwd en had geen familie. In haar testament (opgemaakt in 1869) had ze haar broer Theodorus Erdtsieck (een schilder) als enige erfgenaam benoemd. Maar er was een voorwaarde: haar nalatenschap moest beheerd worden door Detemeyer, die als bewindvoerder was aangesteld. Hij moest wel meteen een vervanger aanwijzen voor als hij zelf zou overlijden of niet meer in staat was om de taak uit te voeren.

Detemeyer kiest hiervoor Herman Nicolaas Erdtsieck (een ambtenaar van de burgerlijke stand in Rotterdam). De akte wordt ondertekend door Detemeyer, twee getuigen (Joannes Willem Marie Huijgens en Paulus Koppen) en de notaris (Petrus Coenraad Burkens).

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 295 / 0022  


Op 1 november 1647 werd in Haarlem een huwelijkscontract opgesteld tussen: De afspraken in het huwelijkscontract waren: Het contract werd ondertekend in het huis van Catharina Willems aan de Bakenessergracht in Haarlem, in aanwezigheid van: Op dezelfde dag bevestigde Jacob Gysbertsz onder ede, op verzoek van Catharina Willems, dat zij en haar familie recht hadden op de helft van drie huizen in de Lakenstraat in Haarlem. Deze huizen waren oorspronkelijk gebouwd door Jan Dircxsz Colff (haar overgrootvader) en Pieter Pietersz. Catharina Willems had bovendien recht op een vierde deel van de gemeenschap van goederen die zij met haar overleden man, Hendrick Pietersz Gans, had gehad.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975004 / 267  


Op 3 juli 1665 verscheen Abraham Jansz, wonend in Amsterdam, voor een notaris en getuigen. Hij was de zoon van Jan Jansz, die woonde in Friedrichstadt (in het land Holstein). Abraham Jansz verklaarde dat Jan Pietersz Vinckenrae hem vandaag het bedrag van 100 mark Lübsch had uitbetaald. Dit geld was hem toekomend van zijn vader, Jan Jansz, via de erfenis van zijn grootmoeder Barbara Abels. Hij bevestigde dat hij geen verdere claims had op de erfenis van zijn grootmoeder of op de voogden die over hem waakten. Ook deed hij afstand van alle verdere rechten hierop. Abraham Jansz bedankte Jan Pietersz Vinckenrae voor de betaling en beloofde dat hij noch zijn erfgenamen in de toekomst nog aanspraak zouden maken op dit bedrag. Dit alles gebeurde onder ede, met inzet van zijn persoon en bezittingen. De akte werd opgesteld in Haarlem, in aanwezigheid van de volgende getuigen:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975076 / 365  


Op 4 oktober 1792 om 8 uur 's ochtends verscheen Jacob Holsteyn, een volwassen man uit Haarlem, voor Gerrit Kok Junior, een officiële notaris van het Hof van Holland. Er waren ook getuigen aanwezig. Jacob Holsteyn maakte bekend dat hij, omdat hij weet dat iedereen ooit sterft maar niet wanneer, zijn laatste wil wilde vastleggen. Hij trok alle eerdere testamenten en andere soortgelijke documenten in. Hij bepaalde dat na zijn dood zijn bezittingen verdeeld zouden worden tussen: Hij wilde dat dit testament na zijn overlijden volledig geldig zou zijn, ook als niet alle officiële regels waren gevolgd.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974676 / 233  


Op 4 juni 1694 stuurden de Staten van Holland vanuit Den Haag verschillende brieven naar lokale en regionale overheden over zeezaken en scheepvaartkwesties.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11982 / 0162  


De West-Indische Compagnie (WIC) kreeg toestemming om geld in te zamelen om schepen en handel te financieren. Dit gebeurde door de verkoop van obligaties (aandelen) met de volgende regels:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4324 / 0051  


Op 17 juni 1901 ging Jan Eugene Adoephe Emile Wijnans, notaris in Gulpen (regio Maastricht), naar zijn kantoor om een verkoopakte op te stellen. Daar waren aanwezig:

Cornelis Lemlijn verkocht een stuk weiland genaamd Op Vroelen aan Jan Theodor Cryns. Het perceel was:

De verkoopprijs was 484 gulden. Cornelis Lemlijn bevestigde dat hij dit bedrag al van Jan Theodor Cryns had ontvangen voor het opstellen van de akte. De verkoop had twee belangrijke voorwaarden:

Na voorlezing tekenden alle aanwezigen (de verkoper, koper, getuigen en notaris) de akte. De notaris noteerde ook de betaling van 9,80 gulden voor zijn diensten, ontvangen van Nicolas Habets (een van de getuigen).

Bekijk transcriptie NL-MtRHCL / 09.009 / 9199 / 0220  


Op 14 oktober 1624 werd in een vergadering van de Heren Bewindhebbers (de bestuurders) een klacht besproken over de verdeling van de winst. De aanwezigen zeiden dat ze dit probleem vaker hadden gezien en er al over hadden nagedacht. Ze vonden dat er niets hoefde te veranderen, maar wilden er later nog eens goed naar kijken. Er werd gediscussieerd, maar er kwam geen directe beslissing.

Later in oktober 1624 kwam de groep Hoofdparticipanten (grote investeerders) bijeen. Ze kregen een overzicht van de verdeling van de binnengekomen indigo (een blauwe verfstof) en bespraken of ze hier een besluit over konden nemen. Ze besloten om de kwestie uit te stellen tot een volgende, grotere vergadering. Ook lazen ze brieven die op 22 juli 1624 uit Batavia (het huidige Jakarta) waren gekomen.

De Recessie-Commissarissen (een speciale onderzoekscommissie) rapporteerden opnieuw over hun bijeenkomst met de Bewindhebbers op 14 oktober. De Bewindhebbers hielden vast aan hun eerdere beslissing. Uiteindelijk stemde de meerderheid van de Hoofdparticipanten ermee in om drie afgevaardigden te sturen: Jonathan Bamee Poele, Michiel Cop en een zekere Eersaeme (voornaam onduidelijk). Deze drie moesten samen met een redelijke commissie in gesprek gaan met de Bewindhebbers. Doel was om:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.01.01 / 34 / 0045  


Renier Reynen, wonend in Borneer (nu: Boxmeer), handelt namens notaris Gysbert van Crimpen (ook uit Boxmeer). Op 21 mei 1828 kreeg hij een handgeschreven volmacht, die dezelfde dag in Borneer werd geregistreerd. Hij verklaart dat Gysbert van Crimpen op 22 augustus 1829 om 15:00 uur een openbare veiling houdt. Deze vindt plaats in het huis van de weduwe Willem Buyl in Borneer. Er worden alleen roerende goederen (spullen, geen geld of zilver) geveild die aan Renier Reynen toebehoren. De verklaring is ondertekend door Renier Reynen en bevestigd door de ontvanger van Lande van Meurs. De veiling wordt gehouden door Gysbert van Crimpen, notaris in Borneer (hoofdplaats van het kanton Borneer, arrondissement Eindhoven, provincie Noord-Brabant). Er zijn ook getuigen aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HtBHIC / 7048 / 26 / 0164  


Op 14 juli 1710 ontvingen de Staten-Generaal een brief van heer Hamel Bruijninx, de vertegenwoordiger van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden aan het hof van de keizer in Wenen. De brief was gedateerd 2 juli 1710 en gericht aan griffier Fagel. In de brief schreef Hamel Bruijninx het volgende: Na overleg besloten de Staten-Generaal dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 704 / 0131  


Op 16 november 1832 verscheen Adrianus Jacobus Borsje, winkelier uit Schiedam, voor notaris Jacob Dykmans. Hij was helder van geest, wat de notaris en twee getuigen bevestigden. Borsje dicteerde zijn testament en trok hiermee alle eerdere testamenten in. In zijn nieuwe testament liet hij het volgende na:
Bekijk transcriptie NL-SdmGA / 5570513 / 299  


Janneken Rogies (ook wel Hetteyken van Insbaens of Heijndrichter Deseringh genoemd) maakte op 27 oktober (vermeld als "Toircond 27") een testamentaire regeling met haar man. Hierin stond het volgende: Op 28 mei 1665 kwamen Johanna van Bredenhoff (namens de overleden Otto van Flodorp), Reijer Jacobsz en Willem Theunisz (beide kooplieden in Haarlem) voor een notaris. Zij gaven François van Beaumont (een advocaat) volmacht om: De volmacht gold voor alles wat nodig was in deze zaken, alsof Van Bredenhoff, Jacobsz en Theunisz zelf aanwezig waren.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 200  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/