Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Deze tekst is een lijst van juridische handelingen uit een notarieel register. Het gaat om verschillende soorten documenten die in de 17de eeuw in Amsterdam zijn opgesteld. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste gegevens:

De documenten zijn op naam van verschillende personen en bevatten onder andere:

  • Protesten
  • : Jan Appelman doet een protest op folio 8, 50, 27 en 353.
Bekijk transcriptie 


Sr. Jan Butler, een koopman uit Amsterdam, verscheen op 16 mei 1557 voor notaris Nicolaas Keurs en getuigen Willem van Seventer en Antonij Hendricxsz. Hij verklaarde het volgende: De notaris bevestigde dat hij deze overeenkomst namens Meersman en Elisabet Pieters had geaccepteerd. Alles werd officieel vastgelegd in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


In een oude lijst uit 1879 staan namen, beroepen en woonplaatsen van mensen die grond of eigendommen kochten of als borg optraden. De bedragen staan in guldens en centen.

De volgende personen worden genoemd:

Ook staan er namen van kopers en borgstellers, met hun bijdragen aan het transport (een soort belasting of kosten voor de overdracht):

Het totale transportbedrag was 1087 gulden.

In een tweede lijst staan opnieuw kopers en borgstellers met hun bijdragen, ditmaal voor een totaalbedrag van 1349 gulden:

Bekijk transcriptie 


Op 3 juli 1718 maakte Reinier La Cle Coopman uit Amsterdam twee arbeidsovereenkomsten op basis van schriftelijke opdrachten van anderen:

De eerste overeenkomst was namens Jean en Paulus Jamesz Coopluyden (kooplieden in Moskou) met Hendrik Deeker (linnenwever) en Jan Koster (servet- en beddengoedwever). Zij zouden:

  • met het eerste schip naar Archangelsk en vervolgens Moskou reizen;
  • daar hun vak uitoefenen onder leiding van de gebroeders Coopluyden, met inzet en gehoorzaamheid;
  • gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (Moskovitisch geld) per maand.
  • gratis vervoerd worden van Amsterdam naar Moskou (via Archangelsk);
  • voorschot ontvangen: 90 gulden (voor 2 maanden, berekend als 41 gulden per maand), vanaf aankomst in Archangelsk;
  • een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.
    • Na 2 of 4 jaar konden de Coopluyden het contract verlengen of de werknemers (of één van hen) terugsturen naar Nederland, kosteloos.
Deeker en Koster moesten hun vak goed kunnen uitoefenen en opdrachten van de Coopluyden opvolgen.

De tweede overeenkomst was namens Jean Tamesz (koopman in Moskou) met Jan Mathijsz van Tocht (linnenpakker uit Haarlem). Van Tocht zou:

  • met het eerste schip naar Sint-Petersburg of Archangelsk reizen;
  • daar werken voor Tamesz als "valler" (sorteren, controleren, tellen en openmaken van linnen en servetten);
  • gratis vervoer heen en terug krijgen (na afloop dienst);
  • gratis woonruimte, verwarming en verlichting krijgen, plus 15 roebel (45 gulden) per maand (12 maanden per jaar);
  • een voorschot ontvangen van 90 gulden (na aankomst, als het "Tessel"-schip vertrokken was);
  • een contract krijgen voor 2 jaar vast, met optie voor nog eens 2 jaar.

Bekijk transcriptie 


Op 10 maart 1746 verscheen George Clifford, namens het bedrijf George Clifford en Zoonen (handelaars uit Amsterdam), voor notaris François Jacob Galle in Haarlem. Hij handelde met een speciale volmacht, opgesteld op 10 oktober 1745 in Sint-Petersburg (Rusland), namens:

George Clifford verklaarde namens dit echtpaar af te zien van alle rechten op de erfenis van Jacoba de Klerck (overleden in Haarlem). In plaats daarvan accepteerden ze het legaat van 1200 gulden dat Jacoba de Klerck in haar testament van 21 mei 1731 had nagelaten aan nakomelingen van Geertruijd Block.

Om zekerheid te geven aan de andere erfgenamen van Jacoba de Klerck, gaf Clifford toestemming om deze afstand officieel te laten vastleggen door de Hoge Raad van Holland. Hij wees het Russisch recht af en koos voor de Nederlandse rechtbank. Daarnaast machtigde hij drie advocaten (Victor Breij, Willem Hoijer en Jacob van Zanen) om de zaak te regelen, inclusief een eventuele veroordeling tot nakoming van de afspraak.

Aanwezig als getuigen waren Isaac van de Waereld en Nicolaas Gallé.

Bekijk transcriptie 


Op 14 augustus 1674 verscheen Adriaen Lock, notaris, in aanwezigheid van de ondergetekende getuigen Pieter Uijlenburch (schipper en eigenaar van het schip Het Wapen van Spanje) en meester Naest Godt. Pieter Uijlenburch verklaarde dat hij van Nino da Costa d’Andrada, koopman in Amsterdam, een lening had ontvangen van 625 carolusguldens (elk ter waarde van 20 stuivers). Deze lening was bedoeld als bodemmerij (een soort risicovolle lening voor schepen) voor zijn schip, inclusief rompschade, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor de reis van Amsterdam naar Cádiz (in Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen. De risico’s van de zeereis (zoals schade of verlies) waren voor rekening van de geldschieter, vanaf de datum van deze akte totdat het schip veilig in Cádiz aankwam. Pieter Uijlenburch beloofde dat hij, als het schip veilig aankwam, binnen 14 dagen na aankomst in Cádiz het volgende zou betalen:
  • Niet de oorspronkelijke 625 gulden, maar het equivalent in Spaans geld (omdat Nederlands geld in Spanje niet gangbaar was).
  • Hij moest 350 stukken van acht (Spaanse zilveren munten) betalen aan Niclaes Schellingwou (die afwezig was) via Diego Butler.
  • Als hij in goud kon betalen, moest hij het verschil tussen goud en zilver extra bijbetalen.
Als onderpand voor deze afspraak zette Pieter Uijlenburch in:
  • Zijn schip (inclusief romp, uitrusting en alles wat erbij hoorde).
  • De opbrengst van de vracht die hij zou verdienen.
  • Zijn persoonlijke bezittingen.
Bekijk transcriptie 


Op 23 mei 1551 stonden Johannes van Hel en Jacob Basson als getuigen bij Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam. Samen met de getuigen ging de notaris naar Jurian Boekaert, namens Jan Butler. Jan Butler liet via Jurian Boekaert een officiële mededeling doen, die was opgesteld door de notaris. De boodschap was namelijk: Jan Butler handelde namens Jeremias Hagens en zijn bedrijf, een handelsfirma in Antwerpen. Dit bedrijf had een Spaanse wisselbrief (een soort betaalopdracht) van 800 dukaten, getekend door Twillen Fredricx Volcomer en Diego Butler in Vilien. Deze wisselbrief was bestemd voor Jurian Boekaert en had een waarde van 410 pond Vlaams geld (uit Antwerpen), wat overeenkwam met 415 pond, 2 schellingen en 6 grooten in Amsterdamse valuta, inclusief 1,25% kosten. Het bedrijf had Jurian Boekaert gevraagd de wisselbrief door te sturen, zodat zij het geld konden innnen. Ze hadden al 284 pond en 18 schellingen Vlaams betaald aan Hendrick Bertels, zoals was afgesproken. Nu bleef er nog een openstaand bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten in Amsterdamse valuta over. Volgens het bedrijf ontbraken er nog ongeveer 4 pond Vlaams geld. Jurian Boekaert was al 10 of 12 dagen eerder door Jan Butler gevraagd om het resterende bedrag van 130 pond, 4 schellingen en 6 grooten te betalen. Nu herhaalde Jan Butler dit verzoek namens het bedrijf.
Bekijk transcriptie 


Jacobus Alias Diego Butler had een aantal handelsrekeningen lopen, zoals:
  • hoeden en gallonnen (een soort stof) ontvangen van Pr. Rootha, die werkte als vertegenwoordiger voor de rozijnenhandel van Corven Corff;
  • een rekening van Otto Jeuriaensz voor ontvangen goederen;
  • goederen die waren gelost (uitgeladen) in Malaga;
  • goederen die voor de helft in "compagnie" (samenwerking) waren gelost in Matril;
  • 10 vaten olie, ontvangen via een vertegenwoordiger van De Slopen;
  • een rekening van messen die in Seville waren gelost en verkocht.
Deze goederen waren verkocht en hadden winst opgeleverd volgens de afspraken die Matto Butler (de broer van Jacobus) of zijn gemachtigde had gemaakt. Jacobus zou deze goederen en winsten overdragen zoals zijn broer ze aan hem had gegeven. Op 26 april 1652 verscheen Niclaas Kruijs, een notaris die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam, samen met twee getuigen: Jan Butler en Mattheus Butler (beide kooplieden in Amsterdam die de notaris kende). Jan en Mattheus Butler beloofden gezamenlijk en ieder apart borg te staan voor Jacobus Alias Diego Butler, in een zaak aangespannen door Jacob Claesz Ruts. Dit was nodig omdat Ruts een rechtszaak wilde beginnen tegen Butler bij de Heren Radens over Holland, Zeeland en West-Friesland. De borgstelling gold voor een vonnis dat mogelijk zou volgen uit een arrestbevel dat Ruts al had verkregen op 16 april 1652. Jan en Mattheus beloofden het vonnis direct te betalen als dat nodig was, zonder verdere discussie. Ze stelden al hun huidige en toekomstige bezittingen als zekerheid en gaven hun rechten op bepaalde juridische voordelen (zoals het recht om eerst hun eigen schulden af te handelen) op. Ze gingen akkoord met de voorwaarden en vroegen de notaris om dit vast te leggen in een akte. Dit gebeurde in Amsterdam.
Bekijk transcriptie 


Adriaen Lock, notaris, noteerde op 5 oktober 1671 in aanwezigheid van de getuigen Pieter Jansen Loos (schipper en mede-eigenaar) dat deze een bedrag van 500 carolusguldens (à 20 stuivers per stuk) had ontvangen van Josep Seutteno, een koopman uit Amsterdam. Dit geld was een lening (bodemarie, een soort risicovolle scheepslening) voor het schip De Constantia, inclusief de rompkiel, uitrusting en alles wat bij het schip hoorde. De lening gold voor een reis van Amsterdam naar Cádiz (in Spanje), die zo snel mogelijk zou beginnen. De risico’s en gevaren van de zeereis (zoals schade of verlies) waren vanaf de datum van deze akte voor rekening van de geldschieter. Deze risico’s golden totdat het schip veilig in Cádiz was aangekomen en het anker had laten vallen. Na een veilige aankomst moest Pieter Jansen Loos binnen 14 dagen het geleende bedrag van 500 guldens plus 12% rente (12 gulden per 100) terugbetalen aan Diego Butler (afwezig) of diens vertegenwoordiger Luis de Victoria. De terugbetaling moest plaatsvinden in goede, gangbare stukken van acht (een soort munten) en kosteloos (zonder extra kosten voor de geldschieter).
Bekijk transcriptie 


Op 16 januari 1905 verscheen Johan Jozef Wiertz, mijnwerker uit Rhewement (gemeente Herkrade), bij notaris Setuw Toeehuns Cubortue Moors in Rerkrade. Hij verklaarde dat hij een huis met mestplaats, tuin en schuur in Cheivemont (ook Herkrade) had verkocht aan Johan Jozes Wetzelaer, eveneens mijnwerker en getrouwd met Maria Agnes Wechseler.

Het perceel was 3 are en 45 centiare groot (kadastraal bekend als sectie B, nummer 4400). De laatste eigendomsakte dateerde van 1 juli 1900 en was ingeschreven in Maastricht op 13 juli 1900 (register deel 875, nummer 92). Beide partijen bevestigden dat het perceel vrij was van schulden.

De verkoopprijs bedroeg 670 gulden, met de volgende afspraken:

  • De grondbelasting was vanaf 1 januari 1905 voor rekening van de koper.
  • De koper kreeg het bezit van het perceel op 1 januari 1905.
  • De koper moest de koopsom binnen 14 dagen betalen bij de notaris.

De betrokkenen en getuigen – Frans August Hoekstenbach (notarisklerk) en Nicolaas Gibbels (zonder beroep, uit Kersrade) – waren bekend bij de notaris. Na voorlezing tekenden allen de akte in Herkrade op 16 januari 1905.

Bekijk transcriptie 


Op 11 januari 1673 verscheen Adriaen Lock, notaris, samen met de getuige Hendrick Ram, een koopman uit Amsterdam, om een verklaring af te leggen. Adriaen Lock verklaarde het volgende:
  • Diego Butler, die in Cádiz (Spanje) woont, had hem op 27 november 1672 een brief gestuurd met een betalingsopdracht (assignatie) van 200 gulden. Deze moest worden betaald door Luis Gonsales d'Andrada, die ook in Amsterdam woonde, binnen 8 dagen na voorlegging, tegen een kwitantie (bewijs van betaling).
  • De opdracht was aan d'Andrada getoond, die beloofde te betalen en vroeg om later die dag het geld op te halen. Adriaen Lock kon dat niet doen, omdat hij de betalingsopdracht in de tussentijd had uitgeleend of verloren.
  • Hij had d'Andrada vervolgens gevraagd om alsnog de 200 gulden te betalen. In ruil daarvoor zou Lock een definitieve kwitantie afgeven en beloven dat d'Andrada niet aansprakelijk zou worden gesteld voor verdere claims op de opdracht. Ook bood Lock aan om een geschikte borg te stellen voor extra zekerheid.
  • D'Andrada ging akkoord en beloofde de 200 gulden te betalen. Daarna ontving Lock het geld van d'Andrada en verklaarde volledig tevreden en betaald te zijn.
Bekijk transcriptie 


Hendrick Ram verklaart met deze akte dat alle rekeningen met Diego Butler tot 25 [datum onvolledig] zijn afgerond. Hij heeft geen openstaande schulden of vorderingen meer bij Butler en verklaart hem volledig kwijt te zijn van alle verplichtingen, zonder uitzondering. Daarnaast belooft Hendrick Ram dat hij Luuis Jonsales d'Andrada en Diego Butler altijd zal vrijwaren van eventuele claims of eisen met betrekking tot een lening van 200 gulden die hij heeft verloren. D'Andrada en Butler (of hun erfgenamen) hoeven hiervoor geen kosten, schade of lasten te dragen. Ook verschijnt Coenraet Segers, eveneens woonachtig in Amsterdam, voor de notaris. Hij verklaart zich borg te stellen voor zijn neef Hendrick Ram, ten behoeve van Jlomis Gonsalis d'Andrada en Diego Butler. Segers belooft dat hij, als hoofdborg, alle verplichtingen van Hendrick Ram (zoals vastgelegd in deze akte) zal nakomen, alsof het zijn eigen schuld is. Hij doet afstand van zijn recht om eerst andere schuldenaren aan te spreken voordat hij zelf moet betalen (beneficiën van orde en uitwinning). Zowel Hendrick Ram (als hoofdschuldenaar) als Coenraet Segers (als borg) verbinden zich hiertoe met hun persoon en bezittingen, onder geschikt recht. De akte is opgemaakt in Amsterdam, in aanwezigheid van getuigen Dirck Touw en twee anderen. Ondertekend door: De notaris A. Lock bevestigt de geldigheid.
Bekijk transcriptie 


  • Op 27 april 1652 in Amsterdam belooft Jacob van Zwielen (notaris) in aanwezigheid van getuigen (Pr. van Buijtene en Abraham Bosch) dat hij zijn broer Diego Butler (ook wel Jacob Butler genoemd) zal vrijwaren van alle kosten en schade. Dit komt door een geschil met Jacob Ruts over lading die Jacob Ruts naar Diego/Jacob Butler in Spanje heeft gestuurd. Ook andere mogelijke claims tegen Jacob Butler worden hiermee afgedekt. De akte is opgesteld voor 55 gulden, met Jan van Wijningen en Abraham Bosch als getuigen.
  • Op dezelfde dag (27 april 1652) bevestigt Steven de Geer, namens zijn broer Louwerens de Geer (een vertegenwoordiger van de koning van Zweden), dat Joost Cramer is aangenomen. Joost Cramer verbindt zich hiermee om te werken voor de Afrikaanse West-Indische Compagnie (die in Zweden gevestigd is) als ondercommissaris. Hij moet:
    • werken waar de Compagnie of hun vertegenwoordigers hem heen sturen, op zee of aan land;
    • zich inzetten voor het belang van de Compagnie, dag en nacht;
    • vertrekken op bevel van de heer de Seer en inschepen op een schip van de Compagnie naar West-Indië of de kust van Afrika;
    • ervoor zorgen dat medewerkers van de Compagnie geen privéhandel drijven, tenzij dit door de Compagnie is toegestaan;
    • zijn werk doen met de trouw die van een goede ondercommissaris verwacht wordt, onder straffe van een boete van 6 boeken (een geldbedrag).
Bekijk transcriptie 


De overheid besloot op 5 september 1693 dat werkzaamheden die in het volgende jaar afgerond moesten worden, voor 7.422,97 gulden gefinancierd zouden worden. Dit bedrag werd toegevoegd aan de begroting van het Bouwdepartement voor Burgerlijke Werken voor het jaar 1694. Er werden kopieën van deze beslissing gestuurd naar de Administrateur van de Financiën en de ambtenaar die verantwoordelijk was voor het departement, zodat zij op de hoogte waren.

Op 17 december 1765 diende Isaac Cadell een verzoek in. Hij wilde dat een strafzaak tegen hem, omdat hij geen toezichthouder (opzichter) had aangesteld op zijn plantage De Zwarigheid, zonder verdere rechtsstappen zou worden afgerond. De Procureur-Generaal adviseerde op 15 december 1765 dat het verzoek kon worden ingewilligd, mits Cadell direct de boete zou betalen die op hem stond. De overheid stemde hiermee in op 14 januari 1766. Cadell kreeg een officiële mededeling hierover en moest wel snel een geschikte opzichter aanstellen voor zijn plantage. Ook de Procureur-Generaal kreeg een kopie van deze beslissing.

Op 17 december 1766 las de overheid een verzoek van Louisa Volmer. Zij noemde zichzelf de voogd van Doris Rumveld (ook wel Doris Niumvelck genoemd) en vroeg om vrijlating van Rumveld uit haar nog resterende straf. Rumveld was door het Schepenhof (een rechtbank) veroordeeld tot 8 jaar tuchthuisstraf wegens diefstal. De Procureur-Generaal had op 14 december 1763 al laten weten dat de straf niet kon worden ingetrokken.

Bekijk transcriptie 


De tekst is een lijst van inwoners met hun leeftijdscategorie (boven of onder de 16 jaar) uit een bepaalde plaats. Hier volgt de samenvatting:

In totaal gaat het om 11 huishoudens, met 16 personen boven de 16 jaar en 2 personen waarvan de leeftijd onduidelijk is (aangeduid als "onder wjaeren").

Bekijk transcriptie 


Leendert Huijser, een man van 21 jaar oud, verklaarde op 4 september 1895 in Grasenhage (den Haag) dat hij ongehuwd was. Hij wilde graag als soldaat dienstnemen bij het leger in Nederlands-Indië. De plaatselijke commandant, luitenant-kolonel N. Hierman, beoordeelde zijn verzoek. Uit de test bleek echter dat Leendert Huijser (ook wel Leendert Keuijper genoemd) niet kon voldoen aan de eisen voor lezen en schrijven. De commissie, bestaande uit Mauu, Ducijser en Iben Weekening, keurde hem daarom af. Bij de beoordeling waren ook Hastin, Plaads Wijken en Marrres aanwezig.
Bekijk transcriptie 


H. G. van den Bergh, een gepensioneerd luitenant-kolonel van de infanterie in Nederlands-Indië, schreef een verzoek aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal in 's-Gravenhage. Hij vroeg om twee dingen:
  • een verhoging van zijn pensioen;
  • een vergoeding omdat hij vond dat hij sinds zijn pensionering te weinig pensioen had ontvangen.
De minister van Koloniën reageerde hierop met een brief aan de griffier van de Tweede Kamer op 21 februari 1893. Hierin legde hij uit waarom Van den Bergh geen recht had op meer geld. Van den Bergh had op 15 juli 1845 het leger verlaten, maar was later, op 23 januari 1848, weer in dienst gegaan. Volgens de regels van die tijd (een koninklijk besluit van 24 november 1859 en een pensioenreglement) telde zijn eerdere diensttijd niet mee voor zijn pensioen. Zijn pensioen werd daarom vastgesteld op 2550 gulden per jaar – het bedrag dat hoorde bij zijn rang als luitenant-kolonel op het moment van zijn definitieve pensionering. Omdat alle regels correct waren gevolgd, was er geen reden om Van den Bergh alsnog meer geld te geven. Zijn herhaalde verzoeken werden daarom afgewezen. De minister voegde bij zijn brief ook kopieën toe van relevante documenten, zoals:
  • een afschrift van een besluit uit 14 april 1851;
  • een brief van het Militair Departement in Batavia (Batavia) uit 26 juli 1861;
  • het voorstel van het legerbestuur voor zijn pensionering.
Bekijk transcriptie 


Marcus Leonardus Gerardus van den Berg, een gepensioneerd luitenant-kolonel uit het Nederlands-Indische leger en woonachtig in Meester Cornelis bij Batavia, richtte zich op 21 december 1692 tot de Tweede Kamer der Staten-Generaal in Den Haag. Hij klaagde erover dat hij in 1864 oneerlijk en tegen de regels was gepensioneerd. Volgens zijn eigen berekeningen was hij hierdoor benadeeld met een bedrag van 12.010 gulden. Van den Berg vond dat hij, op basis van zijn dienstverleden, recht had op een eerlijke en zelfs welwillende behandeling. De Zweedse Kamer der Staten-Generaal (een deel van de Staten-Generaal) stuurde zijn verzoek door naar de minister van Koloniën met de vraag om meer informatie. Bij het verzoek zaten twee adressen, een dienststaat en een uiteenzetting (memorie) van Van den Berg. Uit de bijlagen bleek dat Van den Berg na 12 jaar buiten dienst te zijn geweest, weer was aangesteld als luitenant. Ook werd vermeld dat hij, ondanks eerdere klachten tegen hem, pas na 2 jaar als kolonel werd gepensioneerd. Zelfs na zijn pensionering kreeg hij nog opdrachten, zoals het controleren van geleverde artikelen, waarvoor hij daggeld ontving. De Zweedse Kamer vroeg de minister om de documenten na bestudering terug te sturen. De zaak werd behandeld door Meijtman, de voorzitter van de Zweedse Kamer.
Bekijk transcriptie 


Trijntje Roelofs (ook wel Fredrik Os genoemd) en Barta Pieters (de weduwe van Jan Roelos) vroegen op 21 januari 1730 aan notaris Philip Zweers in Amsterdam om een verklaring op te stellen. Ook Christina den Terzoeke (getrouwd met Jan Pos) trad op als gemachtigde voor Nicolaas Westrop, een schuldeiser van het schip De Bung uit Leiden. Daarnaast waren Jan Jacob Rijke, Andries Hengst (getrouwd met Lina Jos), en Izak Lisselten (getrouwd met Eva Bos) aanwezig. Zij bevestigden allemaal onder ede dat:
Bekijk transcriptie 


Op 15 april 1755 verschenen voor notaris Jan Verleij in Amsterdam twee getuigen: Jochem Pikbrander, schipper, en Pieter Schreuder, stuurman. Beide mannen werkten op het schip De Jonge Daniel en woonden in Stettin (nu: Szczecin), maar waren op dat moment in Amsterdam. Op verzoek van Christoffel Duckerde (ook bekend als Christoffel Ducherow) verklaarden zij het volgende:

  • Zij kenden Fredrik Ducherow (ook wel Fredrik Doggers genoemd), de broer van Christoffel, die in 1737 in dienst van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), afdeling Amsterdam, naar Oost-Indië (nu: Indië/Indonesië) vertrok.
  • Volgens geruchten was Fredrik tijdens die reis overleden.
  • Fredrik was ongetrouwd en kinderloos toen hij uit Stettin vertrok, net als bij zijn vertrek naar Oost-Indië.
  • Zijn vader was al eerder overleden, zijn moeder stierf in 1745.
  • Fredrik had geen andere (half)broers, -zussen of nakomelingen achtergelaten, behalve Christoffel, zijn enige volle broer.

De getuigen bevestigden dat Christoffel daarom de enige erfgenaam was van Fredrik Ducherow. Zij baseerden hun verklaring op persoonlijke kennis, omdat ze Fredrik, zijn familie en ouders kenden uit Stettin, waar ze samen woonden en omgingen.

Bekijk transcriptie 


Op 12 september van het volgende jaar zou een gevangene, Doris Ruimveld, vrijgelaten worden. Zijn straf was met 9 maanden verkort, omdat hij zich volgens de commandant van Fort Amsterdam het afgelopen jaar goed had gedragen. De autoriteiten besloten dat Ruimveld hierdoor voldoende gestraft was en scholden de rest van zijn gevangenisstraf kwijt. Hiervan kregen de aanklager en de persoon die de zaak had aangespannen een afschrift.

Op 17 december werd een verzoek van Maria Decteer behandeld. Zij vroeg vrijstelling van belasting voor twee tot slaaf gemaakten onder haar voogdij, Oblida en een andere persoon, omdat zij ernstig ziek waren. De autoriteiten besloten dat Maria Becker (een andere voogd) wel vrijgesteld werd van deze belasting voor de tot slaaf gemaakte Alida, tot en met dat jaar. De financieel beheerder en Maria Decteer kregen hiervan een afschrift.

Ook werd een vonnis van het hof van Curaçao doorgestuurd naar de gouverneur. Dit vonnis ging over een zaak van Alida Dodet en Mania Godet en was uitgesproken op 1 december en bekrachtigd op 4 december.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 14 april 1638 verklaarde Frans van Berckel, een koopman uit Amsterdam, voor notaris dat in november 1637 een jonge man bij hem thuis was gekomen. Deze man, die later gevangen zat in Haarlem, werkte voor Claes van Bergen uit Noorwegen en bood namens hem koper uit Neurenberg te koop aan. Frans van Berckel en zijn getuigen onderhandelden over de prijs en kregen een vat klokkoper (ongeveer 12 pond) aangeboden, dat uit een schip uit Bergen kwam.

Toen het vat gewogen werd, bleek het te licht volgens een brief die de jonge man bij zich had. Een dag later bracht hij extra koper, dat hij zei in het schip te hebben gevonden. Uiteindelijk betaalde Frans van Berckel een bedrag in termijnen aan Jan Claesz voor het koper.

De verklaring werd opgetekend in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Santen en Jacob Michielsz.

Daarnaast werden er goederen vermeld die gemeenschappelijk bezit waren, waaronder:

  • drie strooien stoelen (getaxeerd op 15 gulden),
  • tinnen platen en borden,
  • een bontgevoerde jas,
  • een tafelkleed,
  • gouden ringen en boeken,
  • een schuldvordering op Jan Michielsz uit Alkmaar.

Deze goederen waren afkomstig van een overleden familielid, volgens de boeken en aantekeningen die ze hadden gevonden. De verklaring werd ondertekend door meerdere getuigen, waaronder Claes Arentsz van Naerden, Jan van der Keil, en Arent van Marede.

Bekijk transcriptie 


Johan Spiers, een koopman uit Amsterdam, had op 30 juli 1637 een overeenkomst met Jasper Jansz, een arbeider op de Nieuwe Uilenmarkt. SpiersJasper Jansz 12 lasten (een oude maateenheid voor graan) rogge verkocht voor 88 gulden per last. Volgens de afspraak moest Jasper Jansz
  • op de eerste dag 2 of 4 lasten ontvangen,
  • de rest binnen 40 dagen in ontvangst nemen,
  • per dag 2 of 3 lasten afnemen, ongeacht of de marktprijs hoger of lager zou zijn.
  • Jasper Jansz had de eerste 4 lasten wel ontvangen, maar de overige 8 lasten nog niet. Omdat hij in gebreke bleef, liet Spiers op 4 september 1637 door een openbaar notaris een officiële waarschuwing (insinuatie) afgeven aan Jasper Jansz. Hierin stond dat Jasper Jansz alsnog de 8 resterende lasten moest ontvangen en betalen. Als hij dat niet deed, zou hij verantwoordelijk blijven voor de kosten, schade en rente. De notaris liet een kopie achter voor Jasper Jansz, maar die was afwezig. Wel werd de waarschuwing voorgelezen aan zijn dochter en grootmoeder. Ook Jan Trompetter, die ziek in bed lag, werd bezocht. Hij wilde de akte horen voorlezen, maar kon door zijn ziekte niet goed meedoen. --- Op 7 september 1637 werd een andere zaak vastgelegd in Amsterdam. Claes van Santen vertegenwoordigde Harbert Gillis, een koopman, en Frans van Berckel, die optrad namens zijn zwager Salomon Gerritsz uit Leiden. Zij hadden een conflict over een erf bij de Moccum-partners en bepaalde gebruiksrechten (servituten) daarbij. Beide partijen wilden een rechtszaak vermijden en een redelijke oplossing vinden. Ze spraken af dat Frans van Berckel een schuld van 8 pond aan Adriaen Huybert zou betalen, afkomstig van een houtkoop. Hiervoor zouden ze een officiële verklaring bij de notaris laten opmaken. Beide partijen beloofden zich aan de afspraken te houden en eventueel een advocaat of vertegenwoordiger in te schakelen als dat nodig was. Getuigen hierbij waren Claes van Santen en Harmen Anthonisz, beide poorters (burgers) van Amsterdam.
    Bekijk transcriptie 


    Jacoba Edam was de eigenaar van de volgende tot slaaf gemaakte mensen: De namen van de tot slaaf gemaakte mensen werden soms aangevuld met een bijnaam of een andere versie van hun naam.
    Bekijk transcriptie 



    Vorige paginaVolgende pagina

    Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/