Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 9 juni 1638 's ochtends besloten de kapiteins onder leiding van de Nederlandse vloten om posities in te nemen bij Mardijke en Oostende. De schepen werden als volgt verdeeld:
De vloten zagen een Engels konvooi passeren, waarvan enkele koopvaardijschepen het Scheur (een zeegat) invaren, terwijl de rest met twee schepen uit Lübeck door De Braak (een zeestraat) naar de kust van Oostende en Nieuwpoort voer.
Op 8 juni 1638 's ochtends spraken ze de Maassche vloot (uit Zierikzee) en de Maloosche vloot (uit Dunkerke), die beide op weg waren naar hun vaderland. Er was geen vijand gesignaleerd. Een sloep werd naar land gestuurd en bracht het nieuws dat binnen 14 tot 21 dagen ongeveer 20 schepen uit Dunkerke zouden vertrekken bij de eerste oostenwind. De vloot zette zeil en voer langs Calais naar Dunkerke, waar ze 's middags in De Braak voor anker gingen. Viceadmiraal Jan Everts en Kapitein Hollaer kwamen bij hen voor Mardijke.
Op 5 juni 1638 's ochtends haalden ze met sloepen water aan land. 's Middags lichtten ze het anker en kruisten rond de Hoofden (een gebied bij Dunkerke) met weinig wind. Op 6 juni 1638 voeren ze met zuidwestenwind en goed weer. Een konvooi van 7 schepen (2 konvooiers en 5 boeiers) uit Heynhooft (vermoedelijk Den Helder) werd gesproken; ze waren op weg naar Texel. Sommige schepen kwamen uit Rio de la Plata, West-Indië, Spanje en andere gebieden. 's Avonds voeren ze richting Dover.
Op 10 juni 1638 dwongen ze twee Engelse schepen uit Dunkerke (de Thomas Carrij uit Lynn en de Francois Godvrij uit Sandwich) met schieten om bij hen voor anker te gaan. De schepen meldden dat er een grote vloot in Dunkerke lag, bestaande uit 12.000 man (soldaten, matrozen en burgers). Ook zouden de Spanjaarden enkele Franse schepen bij Sint-Omaars hebben verslagen. De schepen mochten vertrekken, maar kregen het verbod om 's nachts onder hun wacht te komen. 's Nachts kwam een Frans schip uit het westen onder het fort van Dunkerke.
Op 11 juni 1638 passeerde een Franse kaapvaarder (piratenschip) westwaarts. Commandeur Bancker stuurde 2 schepen westwaarts om vijandelijke schepen tegen te houden. 's Avonds passeerden 6 of 7 schepen langs zee, buiten de zandbanken, koers westwaarts.
Op 12 juni 1638 vertrok een Engels konvooi uit het Scheur met 15 schepen, waaronder 2 grote fluitschepen (koopvaardijschepen). Kapitein Brederode en Abram Crijns werden eropuit gestuurd om de fluitschepen van het konvooi af te scheiden. Abram Crijns moest passagiers naar Vlissingen brengen om te bevoorraden, terwijl Brederode de schepen moest controleren. Kapitein Coulster kwam bij hen voor anker; hij had de Franse ambassadeur naar Vlissingen gebracht. Twee Engelse koopvaarders voeren met vloed het Scheur in, maar hun konvooier ankerde buiten De Splinter (een zandbank).
Op 13 juni 1638 bracht een sloep uit Calais een brief van Glargius met het nieuws dat er een koopvaardijschip met paarden en Spaanse passagiers in het Engels konvooi zat. Een brief van de Nederlandse fiscale officier uit Dover bevestigde dat er in Dunkerke grote voorbereidingen voor een vloot werden getroffen. Een Engels bootje uit Dunkerke werd gevolgd door een groot vijandelijk fregat. Kapitein Baselaer, Matthijs Gillis, Frans Jansen, Abram Crijns, Jan van Diemen, Claes Ham en het jacht Bouchorst vuurden ongeveer 100 schoten af op het fregat en de stad. 's Avonds voer Abram Crijns naar huis om te bevoorraden, met brieven voor hun hogere leiding om manieren voor bevoorrading voor te stellen.
Op 14 juni 1638 vernamen ze dat 's nachts uit Dunkerke het fregat van Boer Jaep en de bark van La Motte het Scheur waren binnengekomen. Een Franse edelman uit Vlissingen bracht een bevel van 11 juni: als schepen van de Franse koning in Nederlandse gebieden gebouwd en onder hun vloot zouden komen, moesten ze begeleid worden tot Île de Ré. Deze schepen zouden tussen 15 en 20 juni klaar zijn. Bij hoogwater lichtten ze het anker en voeren dicht langs Dunkerke. Een Engels en een Lübecks koopvaardijschip verlieten de haven met een vijandelijk fregat. Toen de stad op hen begon te schieten, vuurden ze ongeveer 250 schoten af op de stad en het fregat, maar ledigden weinig schade. Bij laagwater ankerden ze op 20 vadem diepte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9305 / 0008
-
De heren vinden het verzoek (hierboven genoemd) goed onderbouwd. Ze vragen Eysinga of hij, samen met Brunincx, wil meewerken aan het controleren van de rekeningen van de afgelopen 20 jaar. Als hij weigert, zal iemand anders worden gevraagd en aangesteld.
-
Er is een brief ontvangen van de Staten van Zeeland, gedateerd 24 maart en geschreven in Middelburg door Apolonius Ingelssen. Ze vragen of Apolonius Ingelssen mag worden benoemd als raad bij de Admiraliteit in Middelburg, in plaats van zijn vader Ingel Luenissen. De andere aanwezige raadsleden mogen hem de vereiste eed afnemen. Besloten is om hiermee in te stemmen.
-
Er is een brief ontvangen van de Kanselier en Raden van Gelre en Zutphen, gedateerd 22 februari en geschreven in Arnhem. Bij deze brief zit een verzoek van inwoners uit Welsen (op de Veluwe). Ze willen vrijgesteld worden van belastingheffing door de ontvanger van Olst, omdat ze onder Overijssel vallen. Besloten is om een kopie van dit verzoek naar de Staten van Overijssel te sturen met het dringende verzoek om de inwoners van Welsen (en andere betrokkenen) vrij te stellen van deze belasting.
-
Brunincx en Van Goch (Gedeputeerden in Tilburg) rapporteren dat inwoners buiten Overijssel niet door de vijand belast of verbrand mogen worden, omdat dit belangrijk is voor het landsbelang. Besloten is om de gezanten van Hamburg de volgende dag te ontvangen voor hun verzoek.
-
Na overleg met een hoge functionaris is besloten om de Hertog van Nieuwburg beleefd en uitstellend te antwoorden. De kwestie rond Düsseldorf blijft voorlopig zoals eerder afgesproken, met betrekking tot de verdediging en bezetting van de stad.
-
Kapitein Saint Hillaire, commandant in Nijmegen, vraagt om 500 gulden voor extra kosten die hij heeft gemaakt tussen 10 december 1629 en 10 december 1631. Besloten is om eerst advies te vragen aan de Raad van State.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3190 / 0147
In
1675 werden twee schepen en een half jacht uitgerust voor de kust van
Vlaanderen onder leiding van het
Collegie ter Admiraliteit in Zeeland:
-
Het schip De Meermin (200 last, 95 matrozen) werd geleid door kapitein Jan Jacobsz Vlieger.
- Kosten: loon voor de bemanning (975 gulden), uitrustingskosten (926 gulden en 10 stuivers), en loon voor 30 musketiers (292 gulden en 10 stuivers).
- Totaal per maand: 2194 gulden.
-
Het schip De Zeeuwse Leeuw (200 last, 95 matrozen) werd geleid door kapitein Willem Joosten Block.
- Kosten: loon voor de bemanning (975 gulden), uitrustingskosten (926 gulden en 10 stuivers), en extra loon (585 gulden).
- Daarnaast werd de helft van de kosten voor een jacht (60 last, 8 matrozen) meegerekend: 6300 gulden voor het loon van de kapitein en 607 gulden en 10 stuivers voor andere kosten.
- Totaal per maand: 2194 gulden.
De totale maandelijkse kosten voor beide schepen en het halve jacht bedroegen
14.194 gulden, 15 stuivers en 10 penningen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8051 / 0135
De Nederlandse Republiek rustte vier schepen uit voor twee verschillende missies:
-
Drie schepen en een fregat werden ingezet om de kust van Vlaanderen te bewaken:
-
Kapitein Jan Jacobsz Vlieger voerde het schip De Meerminne (200 last, 8 kanonnen, 16 kleine kanonnen, 6 steenkanonnen) aan met 95 matrozen (maandloon: 975 gulden, extra kosten: 926 gulden en 10 stuivers) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 2194 gulden.
-
Kapitein Adriaen Sandersz van Cruyningen commandeerde De Aolus (170 last, 10 kanonnen, 10 kleine kanonnen, 8 steenkanonnen) met 85 matrozen (maandloon: 885 gulden) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 15.200 gulden en 65 stuivers (waarschijnlijk een typefout, bedoeld: 2006 gulden en 15 stuivers).
-
Een ongenoemde kapitein A. leidde een fregat (50 last, 6 kanonnen) met 50 matrozen (maandloon: 540 gulden, extra kosten: 487 gulden en 10 stuivers).
-
Totaal voor deze vier schepen: 2310 matrozen en 90 musketiers. Maandelijkse kosten:
-
Kapitein Jan Euertsz voer het schip De Zeeridder (180 last, 10 kanonnen, 10 kleine kanonnen, 8 steenkanonnen) uit voor een missie van Hoofd (waarschijnlijk Den Helder) naar De Seine-monding (Frankrijk). Aan boord: 90 matrozen (maandloon: 939 gulden, extra kosten: 868 gulden) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 2099 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8050 / 0068
De Nederlandse vloot bereidde zich voor op actie in 1652:
- De vloten uit Texel en Wielingen zouden samen ongeveer 80 oorlogsschepen tellen. Hiervan zouden er 13 naar de Golf van Biskaje (bocht van Vrankrijk) en 12 naar de Middellandse Zee gestuurd worden. De rest bleef beschikbaar voor andere taken. De provincie Holland vroeg een kopie van deze informatie om deze met hun eigen bestuur te delen.
- Er was een conflict geweest tussen Michiel de Ruyter (commandant) en een kapitein van de Zeelandse Admiraliteit, maar dit was snel opgelost. Dit bericht kwam van het Admiraliteitscollege in Zeeland (Middelburg, 25 november).
- Het Admiraliteitscollege in Zeeland meldde (23 november) dat er maar één schip, onder leiding van kapitein Adriaen Kempe, geschikt was voor een expeditie naar de Middellandse Zee. Dit schip kon voor 10 maanden aan voedsel meenemen, maar kreeg opdracht om extra voorraad voor 7 maanden in te slaan (bovenop de 3 maanden die al aan boord was). Dit bericht werd doorgestuurd naar de heren Huijgens en andere afgevaardigden voor zeezaken om te onderzoeken.
Op 28 november:
- De heren Huijgens en andere afgevaardigden voor de Caribische Eilanden werden gevraagd om diezelfde namiddag nog een gesprek te voeren met de aanwezige afgevaardigden over handel en scheepvaart in dat gebied. Ze moesten de volgende ochtend een verslag maken.
- De heren De Witt en andere afgevaardigden hadden een financieel overzicht onderzocht. Uit de eerste 2 miljoen gulden die beschikbaar waren, was nog 1.991.355 pond, 17 shilling en 12 penning over. Ze hadden ook berekend hoe dit geld verdeeld moest worden over de verschillende Admiraliteitscolleges. De provincies kregen een kopie van deze berekeningen.
- Er werd besloten dat een artikel in een concept-verdrag met Portugese Kroon aangepast zou worden. Het gebied rond Recife en Mauritsstad (in Brazilië) zou uitgebreid worden van Rio Lengada (bij Cabo Santo Agostinho) tot Siara. De Portugezen mochten de havens en het rif vrij gebruiken, omdat ze anders te weinig havens zouden hebben. Andere punten uit eerdere verdragen zouden ook meegenomen worden, zolang ze niet in strijd waren met het nieuwe concept.
Op 29 november:
- Een brief van Agent de Glarges uit Calais meldde dat de Engelse admiraal Blake met zijn vloot (40 tot 50 schepen) weer in Duins (bij Duinkerke) lag. De Engelsen hadden een tekort aan teer, hennip (voor touw) en kennis van de zee. Ze moesten zelfs touw van koopvaardijschepen lenen. Als hun gevangen genomen vloot in de Sont niet snel vrijkwam, zouden ze in de problemen komen.
- De Gecommitteerde Raden van Holland hadden een galjoot (klein schip) gestuurd om de Engelse vloot te verkennen. Dit schip moest luitenant-admiraal Maarten Tromp informeren over de positie van de Engelsen.
- Maarten Tromp kreeg opdracht om niet te wachten op andere schepen die nog niet klaar waren. Hij moest met zijn gereed liggende oorlogs- en koopvaardijschepen zo snel mogelijk uitvaren. Als hij de Engelse vloot in Duins of elders in Het Kanaal aantrof, moest hij deze met alle macht aanvallen. Hij moest wel zorgen voor de veiligheid van de koopvaardijschepen. Ook moest hij een klein schip vooruit sturen om informatie te verzamelen.
De heren van der Steen, Meerman, Nieupoort en de Hase kregen de opdracht om dit verder te regelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 4565 / 0252
In
1713 werd een vloot samengesteld met de volgende schepen en kapiteins:
- Adriaen Kempe voer op het schip Sint Joris (groot 180 lasten) met een maandelijkse kostprijs van 171 gulden.
- Cornelis Loucke voer op het schip De Hout (groot 110 lasten) met een maandelijkse kostprijs van 175 gulden.
- Jacob Danielsz Blockmaecker voer op het schip De Arent (groot 70 lasten, bemand met 70 man) met een kostprijs van 1462 gulden en 10 stuivers.
- Adriaen Marinus Hackelaer voer op het schip De Liefde (groot 40 lasten, bemand met 35 man) met een kostprijs van 721 gulden en 1 stuiver.
- Adriaen de Wale voer op het schip De Lupert (groot 100 lasten, bemand met 75 man) met een kostprijs van 1529 gulden en 5 stuivers.
- Adriaen Pieters Scheijteruijt voer op het schip De Hasewint (groot 70 lasten).
- Nicolaus Jansz Gauw voer op het schip De Dolphijn (groot 60 lasten, bemand met 37 man) met een kostprijs van 718 gulden en 15 stuivers.
- Geleijn Pieters Bolckvanger voer op het schip De Witte Leeuw (groot 80 lasten, bemand met 70 man) met een kostprijs van 1462 gulden en 10 stuivers.
Daarnaast waren er een jacht (50-60 lasten, bekleed met koper) en een fregat (50 lasten, bekleed met koper), elk met een kostprijs van 1027 gulden en 10 stuivers.
De totale bemanning van de 7 schepen, het jacht en het fregat bestond uit:
- 695 matrozen
- 210 musketiers (soldaten met een musket)
De maandelijkse soldij (loon) en onderhoudskosten voor deze bemanning bedroegen
17.998 gulden en 10 stuivers. Per jaar kwam dit neer op
215.985 gulden.
De schepen waren bedoeld als
konvooi (begeleiding en bescherming voor andere schepen). De kosten voor de musketiers op elk van de 7 schepen bedroegen per maand 192 gulden en 10 stuivers, wat voor alle schepen samen neerkwam op
2047 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8049 / 0025
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 527 / 0529
Henriette Orsbach uit
Aken (
Rijnprovincie,
Pruisen) schrijft op
6 mei 1874 een brief aan een onbekende ontvanger (mogelijk een familielid of ambtenaar). Ze vraagt om zo snel mogelijk de erfenis van haar overleden broer naar haar op te sturen.
Uitzonderingen:
- Grote spullen zoals meubels of oude kleren die te duur zijn om te vervoeren.
Bij de brief zit een certificaat om haar handtekening te verifiëren, ondertekend door de burgemeester van
Aken,
Conrad Braun.
Op
17 augustus 1874 reageert het Nederlandse
Departement van Hollandsche Zaken (onderdeel van Buitenlandse Zaken) in
's-Gravenhage op een eerdere vraag over deze erfenis. Ze melden dat er nog geen bericht is binnengekomen over de nalatenschap van de overleden
luitenant C.G.S.H. Orsbach (van het
Indische leger, afdeling
Medische Dienst). Zodra er meer bekend is, zal de vrager hierover geïnformeerd worden, inclusief hoe de erfenis kan worden opgeëist. De brief is ondertekend door
H. Gend..
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2702 / 0209
- Op 22 oktober 1676 verklaren Jacob Claesz Vlotschuijt (47 jaar, sjouwer) en Hendrick Martensz (50 jaar, sjouwer), beide uit Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat zij namens schipper Pieter Goudschaal (kapitein van het schip Livorno) hebben gelost en gecontroleerd:
- Op 14 augustus 1676: 3 balen "boven turx garen" (nummers 51 en 50) voor David Hage, uit de lichter (klein vrachtschip) van Andries Jansz.
- Op 13 augustus 1676: 1 baal (nummer 4).
- Op 17 augustus 1676: 1 baal (nummer onvermeld).
- Op 26 augustus 1676: 1 baal (nummer 58).
De balen met Turks garen bleken bij lossen beschadigd en nat te zijn. Hendrick Martens bevestigt dat hij en andere sjouwers (inclusief een schippersknecht) enkele natte balen hebben gedroogd en hersteld. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Knophoff en Jan Barden.
- Op 21 oktober 1676 verklaren vier bemanningsleden van het schip Livorno voor notaris Jacob van Loosdrecht:
Zij bevestigen dat het schip op 8 juni 1676 vanuit Texel aankwam. Op 10 of 11 juni 1676 kwam schipper Andries Jansz (van een mastlichter/smack) aan boord om goederen over te nemen, waaronder zijde, Turks garen en palhout. Deze goederen waren droog en in goede staat, zonder vocht- of beschadigingsschade. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Camphoff en Jan van Aris.
- Op 21 oktober 1676 verklaart Roemer Jacobsz, kuiper in Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat hij zich herinnert dat de vis die van Tongeren aan Lips verkocht, lag opgeslagen in het tweede pakhuis (linkerkant, binnenkomend) van het dertigste pakhuis. Hij kan zich dit niet precies herinneren door ziekte of "kortheid" (gebrekkig geheugen).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936897 / 237
- Op 21 juli voer het schip door het Kanaal van Negroponte (nu: Euboea). Door zware storm en tegenwind moest het op 24 juli ankeren in de haven van Folo (mogelijk: Volos, Griekenland).
- Op 26 juli vertrok het schip na het weer wat verbeterd was en kwam dezelfde middag aan op de rede (ankerplaats) van Smirna (nu: İzmir, Turkije). Daar verankerden ze het schip met twee dikke touwen.
- Op 28 juli lossen ze de lading die ze in Marseille hadden ingenomen. Op 2 en 3 maart verwijderden ze de ballast (zwaar materiaal voor stabiliteit) en begonnen met het laden van nieuwe goederen.
- Tot 19 mei laadden ze het schip met:
- katoen
- houtstammen
- zijden pluizen (ruwe zijde)
- aluin (mineraal voor textielverven)
- palmhout
- rozijnen
- andere stukgoederen (losse lading)
- De lading werd goed gestouwd (ingepakt) en het schip was waterdicht. De pompen werden gecontroleerd en het luik (opening in het dek) werd afgedekt met zeildoek. Op 20 mei vertrokken ze uit Smirna.
- In de Middellandse Zee hadden ze soms onweer, maar meestal rustig weer. Bij de Straat van Gibraltar was er veel tegenwind en storm. Op 16 juli kwamen ze in de Spaanse Zee (westelijk deel van de Middellandse Zee).
- Op 2 augustus kregen ze veel water over het schip door hoge golven. Daarna volgden zware wind en hoge zeeën, waardoor het schip moeizaam voer. Op 30 augustus kwamen ze in Het Kanaal (vermoedelijk: Het Kanaal/Engelse Kanaal).
- Op 3 september kwamen ze aan bij Texel. Het schip werd geïnspecteerd en moest in quarantaine (afzondering om ziekten te voorkomen). Ze wachtten op verdere instructies van de Admiraliteit (marinebestuur).
- Op 8 september kregen ze bezoek van een luitenant en een hellebaardier (bewaker met wapen) van de Admiraliteit van Amsterdam. Ze mochten een deel van de lading lossen in Texel om te luchten (ventileren).
- De bemanning laadde op 8 september een eerste lichter (klein vrachtschip) met katoen en zijden pluizen. De hellebaardier ging mee op de lichter, de luitenant bleef aan boord.
- Op 9 september volgde een tweede lichter met dezelfde goederen. Een derde lichter werd geweigerd omdat het schip anders te zwaar beladen zou zijn.
- Op 10 september kregen ze toestemming om met het schip en de twee geloste lichters naar Durgerdam (bij Amsterdam) te varen. Ze vertrokken en ankerden die avond bij De Kreupel (ondiepte bij Texel).
- Op 11 september voeren ze verder en ankerden ’s avonds in de Kwil van Marken (vaargeul bij Marken).
- Op 12 september passeerden ze Pampus (eiland in het IJsselmeer) en ankerden in de bocht van Durgerdam.
- Op 17 september kregen ze ’s avonds opdracht van de Admiraliteit om naar Amsterdam te varen en daar te lossen. Op 18 september lichtten ze het anker om de reis voort te zetten.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486081 / 141
Enno Lodewijk, graaf van
Oost-Friesland, schrijft op
2 mei 1654 dat hij en de
Landsstanden (vertegenwoordigers van het gebied)
niet van plan zijn om bestaande afspraken en landverdragen te verbreken. Hij beschuldigt zijn tegenstanders ervan onder het mom van "onderhandelingen" eigenbelang na te jagen. Hij vraagt de ontvanger (waarschijnlijk de
Staten-Generaal of een hoge functionaris) vriendelijk om hem te blijven steunen totdat de zaak duidelijk is.
Op
16 juni 1654 schrijven de
burgemeester en raad van Emden dat ze eerder al twee brieven stuurden (
5 mei 1654) over hun zorgen. Uit
Regensburg (waar het keizerlijk hof zit) komt nieuws dat hun vijanden via rechtszaken druk uitoefenen en beweren dat dit met
toestemming van de ontvanger gebeurt. Ze zijn bang dat de afspraken worden verbroken en vragen om
70.000 gulden om hun verdedigingswerken te versterken. Ze waarschuwen dat als er niets gebeurt, jarenlange inspanningen voor niets zijn geweest.
De
Stad Emden reageert ook op een verzoek van
23 maart 1654 over
kaasconvooien (belasting op kaastransport). Ze vinden het onnodig om
alle kaas als "kanterkaas" (een zoute, hardere kaassoort) te belasten, zoals het
Collegie van Rotterdam voorstelt. Volgens hen kunnen douaneambtenaren makkelijk het verschil zien tussen zoute en zoete kaas, en het gewicht controleren. Andere steden hanteren deze regel ook niet, dus ze snappen niet waarom
Rotterdam dit wel wil.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11122 / 0338
Op 10 augustus 1854 trouwden in Amsterdam twee stellen:
Jacobus Johannes Kreek, 23 jaar, kantoorbediende, geboren en wonend in Amsterdam, zoon van Bartholomeus Johannes Kreek (onderwijzer) en de overleden Christina Johanna van Heereveld, trouwde met Grietje de Lezenne Coulander, 30 jaar, zonder beroep, geboren in Rotterdam en wonend in Amsterdam, dochter van Willem de Lezenne Coulander (letterzetter) en Christina Petronella Ioscani. De vader van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen vonden plaats op 8 en 15 augustus 1854 in Amsterdam zonder bezwaren. De ambtenaar van de burgerlijke stand bevestigde het huwelijk na hun toezegging om trouw te blijven. Getuigen waren:
- Jan Jacob van Hartingsveld, 30 jaar, zinkograaf en zwager van de bruid, uit Amsterdam;
- Jan Westerveld, 21 jaar, kantoorbediende, uit Amsterdam;
- Franciscus Opdam, 32 jaar, koopman, uit Amsterdam;
- Jan Brouwer, 58 jaar, loodgieter, uit Hilversum.
Op dezelfde dag trouwde ook Johannes Marinus ten Broek, 29 jaar, wachtmeester, geboren in Amsterdam en wonend in Haarlem, zoon van de overleden Benjamin ten Broek en Catharina Elisabeth Crouwel, met Hendrikje Koopman, 26 jaar, zonder beroep, geboren in Steenwijk en wonend in Amsterdam, dochter van de overleden Hendrik Koopman en Aaltje van Agteren. De moeder van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen waren op 21 juli 1854 in Haarlem en Schoten en op 1 augustus 1854 zonder bezwaren. Na hun belofte van trouw verklaarde de ambtenaar hen wettig getrouwd. Getuigen waren:
- Joseph Crouwel, 52 jaar, oom van de bruidegom en timmerman, uit Amsterdam;
- Hendrik Stigter, 50 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Koch, 32 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Breek, 30 jaar, makelaar, uit Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335526 / 39
-
De volgende personen vertrokken met het schip Indrapura uit Nederland:
-
Johannes Vences Lans, geboren op 12-13-1800 in Doornbos, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: St. Jacobi Parochie.
-
Jacob Rabbedijk, geboren op 18-16-04 in Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Pannerden.
-
Anthonius Corne Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Zutphenland.
-
Johannes de Bruin, geboren op 17-24-15 in Schiedam, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Gabriel Bernardus Kroon, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Ambarawa.
-
Hendrik van Bldert, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Appingedam.
-
Hendrikus Rans, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Den Helder.
-
De volgende personen vertrokken ook met het schip Indrapura:
-
Antonie Johannes Brienesse, geboren op 18-16-16 in 's-Gravenhage, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Leendert Bastiaan Snaauw, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: 's-Gravenhage.
-
Hubertus Joseph Herbergs, geboren op 16-23-08 in Utrecht, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Jacob van der Wilk, geboren op 12-01, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Cornelis Adrianus Bosch, geboren op 12-5, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Broeksittard.
-
Alfred Pieter de Li, geboren op 11-15, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Dubbeldam.
-
Jacobus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Gerrit Jan Ossewaarde, geboren op 19-16-10, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1838.
-
Johannes Valk, geboren op 2-1-1815, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schravenhage.
-
Maria Lotten, geboren op 10-20-1, vertrok op 19-9-1852.
-
Isbertus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schiedam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 484 / 0041
Willem Rido en
Pr. Quick maken op
1 februari 1633 in
Amsterdam een afspraak om een geschil binnen een week op te lossen. Ze beloven zich aan de uitspraak te houden en eventueel geld terug te betalen. Als ze zich niet aan de afspraak houden, verliezen ze hun recht op verdere claims. Beide partijen zetten hun handtekening met getuigen
Albert Pietersen van der Veer en
Pieter Ride (als notaris).
Op
26 mei 1652 maken
Matheus Butler en
Jacob Claesz Ruts, beide kooplieden in
Amsterdam, een geheime overeenkomst over de handel in
soedthout (kurk) uit
Spanje. Ze spreken af dat:
- alleen zij of Jacobus Buber (de broer van Matheus Butler) deze handel mogen drijven;
- als Matheus Butler geld voorschiet en Jacob Claesz Ruts zijn helft niet betaalt, Ruts 5% rente per jaar moet betalen vanaf de datum van voorschot;
- ze het geheim moeten houden; wie het verraadt, moet 5000 pond Vlaams betalen als boete;
- de overeenkomst 10 jaar geldt en na overlijden van een van beiden, hun nabestaanden mogen meedoen als ze dat willen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 67
- Op 26 mei 1653 sluit Jan Adriaensz Groen, een vetkoper in Amsterdam, een overeenkomst met Barent Jansz Backer, een bakker op de hoek van de Prinsenstraat en de Keizersgracht.
- Barent Jansz Backer neemt Sybrandt Jansz van Woude voor 2 jaar in dienst als bakkersleerling, startend op 8 mei 1653.
- Tijdens deze periode moet Sybrandt Jansz van Woude zijn meester trouw en gehoorzaam helpen en hard werken als een goede leerling.
- In ruil hiervoor krijgt Sybrandt Jansz van Woude gratis onderdak, eten, drinken, wassen en stijven van kleding. Daarnaast ontvangt hij in het tweede jaar 50 Carolus gulden (een soort munt).
- Als Sybrandt Jansz van Woude ziek wordt en daardoor niet kan werken, moet hij de gemiste tijd later inhalen.
- Barent Jansz Backer belooft om Sybrandt Jansz van Woude alles te leren over het bakken van brood, zonder iets achter te houden.
- Beide partijen gaan akkoord met deze afspraken en beloven zich eraan te houden. Ze ondertekenen de overeenkomst in Amsterdam op 26 mei 1653.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 68
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936861 / 17
Op
5 juli 1652 werden
Jan Poolman (een begrafenisuitnodiger van ongeveer 30 jaar) en
Joannes Swaen (een witwerker van ongeveer 27 jaar), beide woonachtig in
Amsterdam, door notaris
Nicolaas Kruijs opgeroepen als getuigen. Zij moesten aanwezig zijn bij een overeenkomst tussen
Matheus Butler (een koopman) en
Joan Schouwenburgh in de herberg achter de oude kerk in
Amsterdam, waar het uithangbord
Emaus hing.
De getuigen bevestigden dat:
- Het contract door notaris Nicolaas Kruijs hardop, duidelijk en volledig werd voorgelezen.
- Zowel de betrokken partijen als de getuigen tekenden de akte.
- Beide partijen aangaven vrijwillig akkoord te gaan en tevreden te zijn met de afspraken.
- Er geen bezwaar of tegenwerpingen waren van een van de partijen.
Op
2 oktober 1652 ging notaris
Nicolaas Kruijs samen met twee getuigen naar
Casper van de Veen, een koopman in
Amsterdam. Namens
Mathijs Verhaegh maakte de notaris het volgende bekend:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936831 / 250
Maria Harmans, een 44-jarige weduwe van
Jan de Vos, woonachtig in
Amsterdam, verklaarde op
13 februari 1662 voor notaris
Pieter van Buijten en getuigen het volgende:
- In 1653 voer zij met haar man naar Engeland. Tijdens die reis werd hun schip, dat uit Cádiz kwam, onderschept door een Engels oorlogsschip. Nederland en Engeland waren toen in oorlog.
- Haar man gaf haar in Gravesend (een plaats in Engeland) een zak met 200 munten van 18 stuivers (dus 180 gulden in totaal). Hij had deze gespaard en wilde niet dat het geld in handen van de vijand viel.
- Zij verstopte het geld onder haar kleren, dicht bij haar lichaam, zodat het niet gevonden zou worden tijdens controles.
- Toen ze een stuk de rivier af waren en dachten dat er geen controles meer zouden komen, haalde zij het geld tevoorschijn. Ze legde het in de kajuit van de schipper om even te rusten.
- Kort daarna kwam er toch een inspectieteam aan boord. Ze vonden het geld en namen de 180 gulden in beslag. Zowel Maria als haar man kregen niets terug.
- Ze verklaarde dit onder ede en beloofde, als dat nodig was, haar verhaal nogmaals te bevestigen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937062 / 271
Op 28 juli 1676 verscheen Cornelia Butler, een vrouw van ongeveer 50 jaar en echtgenote van Fredrick Lodewijcx, voor notaris Adriaan Lock in bijzijn van getuigen. Op verzoek van koopman Matheus de Haes vertelde zij onder ede het volgende:
- In mei 1674 ging zij met De Haes en diens vrouw naar een kelder op de Oude Schans in de stad om daar mee (bier) te proeven.
- Daar was ook een Duitse Jood, Mathan Swael (zo noemde Butler hem toen), die hun wat van zijn mee liet proeven. Die bleek van slechte kwaliteit.
- De Haes wilde de mee niet kopen of als betaling voor een schuld aannemen.
- Swael vroeg toen aan De Haes om geduld: hij verwachtte binnenkort een partij goede witte mee, waar zelfs een ambtenaar ("Officier") in geïnteresseerd was. Hij beloofde De Haes daarvan ook mee te geven.
- Butler hoorde ook dat De Haes Swael dringend vroeg om te betalen voor harpuijs (een soort vis) die hij aan hem had verkocht en geleverd.
- Swael nam dat verzoek aan en beloofde te betalen. Hij zei tegen De Haes: "Je zult geen cent tekort komen, ik zal je eerlijk en volledig voldoen."
- Tot slot bevestigde Butler dat De Haes uiteindelijk wel ongeveer 24 mingelen (emmers) van de slechte mee van Swael kocht en ontving.
Zij verklaarde dit te weten omdat ze erbij was.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965491 / 201
Matheus Butler had goederen van zijn broer (de
insinuant, dus de eiser) verkocht op bevel van de rechtbank. Op
24 april 1552 liet de eiser echter zonder reden arresteren en gevangenzetten in een herberg in
Amsterdam, wat zijn eer en reputatie schaadde.
De eiser vraagt om:
- direct vrijgelaten te worden,
- vergoeding voor de kosten en schade,
- de rekening van de verkochte goederen (door Matheus Butler) overhandigd te krijgen,
- een officiële garantie (borgtocht) van de Hof van Holland dat alles correct is afgehandeld.
Als dit niet gebeurt, zal de eiser via de notaris officieel protest aantekenen tegen:
- de onterechte gevangenneming,
- de schade aan zijn naam en eer,
- alle gemaakte kosten, schade en rente.
De tegenpartij (de
geminueerde, dus de gedaagde) reageert:
- eerst een kopie van het verzoek en de borgtochtakte willen zien,
- de rekening alleen accepteren als deze ondertekend is.
Dit alles vond plaats in
Amsterdam op
26 april 1552, in aanwezigheid van de getuigen
Johannes van Hel en
Jacob Cloek. Bij de zaak hoort ook een lijst met facturen en rekeningen van goederen die zijn losgemaakt voor onder anderen
Jacob Ruts en
Pieter Temminck.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936831 / 102
Op 6 april 1660 verscheen Jan Butler, koopman in Amsterdam, voor een notaris. Hij gaf Hartman de Coster een officiële volmacht om namens hem op te treden. De Coster mocht:
- Als vertegenwoordiger optreden bij de rechtbank in Rotterdam.
- Eisen dat François en Wit (wonend in Belle, Vlaanderen) een schuld betaalden die voortkwam uit een eerdere overeenkomst over een schip.
- Actie ondernemen tegen eventuele andere schuldenaren, zoals Matheus Hardeman en Loduwijcq Pijlser, als die weigerden te betalen.
- Zelf een vervanger (substituut) aanwijzen als dat nodig was.
Jan Butler beloofde dat alles wat De Coster of diens vervanger in deze zaak deed, bindend was. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van getuigen: Roeloff Roelofsz, Johannes van den Hoven en Cornelis Hallius.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936836 / 374
Op 19 maart 1655 ging het om een bedrag van 2400 gulden.
Op 14 mei 1658 verscheen Pieter van Buijtend, notaris in Amsterdam, samen met getuige Albert Lemmerman, een koopman uit dezelfde stad. Lemmerman verklaarde officieel dat hij alle rechten en claims afstond aan Thielman Denckel, een koopman uit Hamburg.
Deze rechten kwamen uit een eerdere overeenkomst van 3000 gulden, waaronder een lening van 2900 gulden. Deze lening was door Jacob Claesz Ruts gegeven aan Matheus en Jacob Butler. Dit was vastgelegd door notaris Alart Eggericx en getuigen in Amsterdam. Het geld diende als zekerheid voor een wisselbrief van 1400 daalders die Ruts had gegeven aan Thielman Henckel. Deze wisselbrief was geaccepteerd maar niet betaald, ondanks protest.
In deze overeenkomst zat ook een eerdere overeenkomst van 11 november 1654, waarbij Ruts opnieuw geld had geleend aan Matheus en Jacob Butler. Lemmerman bevestigde dat hij niets van dit geld had ontvangen.
Hij verklaarde dat Thielman Henckel hem volledig had betaald. Daarom droeg Lemmerman alle rechten en claims over aan Henckel. Hierdoor kon Henckel zelf het geld opeisen en ontvangen, als dat nodig was.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937043 / 440
Claes Jansz Clopper werd door een notaris gevraagd of hij bij zijn woorden bleef die hij
zondag in de
Nieuwe Kerk in
Amsterdam had gezegd. Hij had toen, waar veel mensen bij waren, zijn eigen zoon beledigd. Hij noemde
Matheus Butler een
"schelm",
"dief",
"sodomieter" en
"de slechtste persoon uit de hele stad". Hij zei dat hij dit kon bewijzen en herhaalde zijn beschuldigingen zelfs voor de notaris en getuigen.
Zijn zoon liet weten dat hij hiertegen juridische stappen zou ondernemen en schadevergoeding zou eisen voor alle kosten en schade die hij hierdoor had geleden en nog zou lijden.
Toen
Claes Jansz Clopper dit hoorde, zei hij alleen:
"Ik zal het hem wel persoonlijk zeggen."
Dit gebeurde op
26 juli 1659 in
Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen
Jan van den Hoven en
Cornelis Hallius.
---
In een andere zaak, voor notaris
Nicolaes Kruijs (die werkte voor het
Hof van Holland en woonde in
Amsterdam), kwamen
Jacob Basson en
Johannes van Hell (beide kooplui uit
Amsterdam).
Zij gaven
Evert van Hell de officiële machtiging om hun belangen te behartigen in een rechtszaak op
Malakka (een plaats in Azië) of elders.
Evert van Hell mocht hen verdedigen, zowel binnen als buiten de rechtbank, tegen wie dan ook, en mocht zelf ook weer iemand anders aanwijzen om hem te vervangen. Zij beloofden alles te accepteren wat
Evert van Hell (of zijn vervanger) in deze zaak zou doen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936836 / 175
Deze tekst is een lijst van juridische handelingen uit een notarieel register. Het gaat om verschillende soorten documenten die in de 17de eeuw in Amsterdam zijn opgesteld. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste gegevens:
De documenten zijn op naam van verschillende personen en bevatten onder andere:
- Protesten
:
Jan Appelman doet een protest op folio 8, 50, 27 en 353.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936834 / 4
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936835 / 201
Vorige paginaVolgende pagina