Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 4 juli 1914 werden in Amsterdam verschillende geboortes geregistreerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht:

Op 6 juli 1914 werden nog twee geboortes geregistreerd:

Bij een eerdere akte (20 januari 1912) werd een kind erkend door Hendrikus Portegies Zwart (voorheen Portegies Zwart of Tortegies Zwart), na een beslissing van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam (3 september 1929).

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 9 juni 1638 's ochtends besloten de kapiteins onder leiding van de Nederlandse vloten om posities in te nemen bij Mardijke en Oostende. De schepen werden als volgt verdeeld:

De vloten zagen een Engels konvooi passeren, waarvan enkele koopvaardijschepen het Scheur (een zeegat) invaren, terwijl de rest met twee schepen uit Lübeck door De Braak (een zeestraat) naar de kust van Oostende en Nieuwpoort voer.

Op 8 juni 1638 's ochtends spraken ze de Maassche vloot (uit Zierikzee) en de Maloosche vloot (uit Dunkerke), die beide op weg waren naar hun vaderland. Er was geen vijand gesignaleerd. Een sloep werd naar land gestuurd en bracht het nieuws dat binnen 14 tot 21 dagen ongeveer 20 schepen uit Dunkerke zouden vertrekken bij de eerste oostenwind. De vloot zette zeil en voer langs Calais naar Dunkerke, waar ze 's middags in De Braak voor anker gingen. Viceadmiraal Jan Everts en Kapitein Hollaer kwamen bij hen voor Mardijke.

Op 5 juni 1638 's ochtends haalden ze met sloepen water aan land. 's Middags lichtten ze het anker en kruisten rond de Hoofden (een gebied bij Dunkerke) met weinig wind. Op 6 juni 1638 voeren ze met zuidwestenwind en goed weer. Een konvooi van 7 schepen (2 konvooiers en 5 boeiers) uit Heynhooft (vermoedelijk Den Helder) werd gesproken; ze waren op weg naar Texel. Sommige schepen kwamen uit Rio de la Plata, West-Indië, Spanje en andere gebieden. 's Avonds voeren ze richting Dover.

Op 10 juni 1638 dwongen ze twee Engelse schepen uit Dunkerke (de Thomas Carrij uit Lynn en de Francois Godvrij uit Sandwich) met schieten om bij hen voor anker te gaan. De schepen meldden dat er een grote vloot in Dunkerke lag, bestaande uit 12.000 man (soldaten, matrozen en burgers). Ook zouden de Spanjaarden enkele Franse schepen bij Sint-Omaars hebben verslagen. De schepen mochten vertrekken, maar kregen het verbod om 's nachts onder hun wacht te komen. 's Nachts kwam een Frans schip uit het westen onder het fort van Dunkerke.

Op 11 juni 1638 passeerde een Franse kaapvaarder (piratenschip) westwaarts. Commandeur Bancker stuurde 2 schepen westwaarts om vijandelijke schepen tegen te houden. 's Avonds passeerden 6 of 7 schepen langs zee, buiten de zandbanken, koers westwaarts.

Op 12 juni 1638 vertrok een Engels konvooi uit het Scheur met 15 schepen, waaronder 2 grote fluitschepen (koopvaardijschepen). Kapitein Brederode en Abram Crijns werden eropuit gestuurd om de fluitschepen van het konvooi af te scheiden. Abram Crijns moest passagiers naar Vlissingen brengen om te bevoorraden, terwijl Brederode de schepen moest controleren. Kapitein Coulster kwam bij hen voor anker; hij had de Franse ambassadeur naar Vlissingen gebracht. Twee Engelse koopvaarders voeren met vloed het Scheur in, maar hun konvooier ankerde buiten De Splinter (een zandbank).

Op 13 juni 1638 bracht een sloep uit Calais een brief van Glargius met het nieuws dat er een koopvaardijschip met paarden en Spaanse passagiers in het Engels konvooi zat. Een brief van de Nederlandse fiscale officier uit Dover bevestigde dat er in Dunkerke grote voorbereidingen voor een vloot werden getroffen. Een Engels bootje uit Dunkerke werd gevolgd door een groot vijandelijk fregat. Kapitein Baselaer, Matthijs Gillis, Frans Jansen, Abram Crijns, Jan van Diemen, Claes Ham en het jacht Bouchorst vuurden ongeveer 100 schoten af op het fregat en de stad. 's Avonds voer Abram Crijns naar huis om te bevoorraden, met brieven voor hun hogere leiding om manieren voor bevoorrading voor te stellen.

Op 14 juni 1638 vernamen ze dat 's nachts uit Dunkerke het fregat van Boer Jaep en de bark van La Motte het Scheur waren binnengekomen. Een Franse edelman uit Vlissingen bracht een bevel van 11 juni: als schepen van de Franse koning in Nederlandse gebieden gebouwd en onder hun vloot zouden komen, moesten ze begeleid worden tot Île de Ré. Deze schepen zouden tussen 15 en 20 juni klaar zijn. Bij hoogwater lichtten ze het anker en voeren dicht langs Dunkerke. Een Engels en een Lübecks koopvaardijschip verlieten de haven met een vijandelijk fregat. Toen de stad op hen begon te schieten, vuurden ze ongeveer 250 schoten af op de stad en het fregat, maar ledigden weinig schade. Bij laagwater ankerden ze op 20 vadem diepte.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1675 werden twee schepen en een half jacht uitgerust voor de kust van Vlaanderen onder leiding van het Collegie ter Admiraliteit in Zeeland: De totale maandelijkse kosten voor beide schepen en het halve jacht bedroegen 14.194 gulden, 15 stuivers en 10 penningen.
Bekijk transcriptie 


De Nederlandse Republiek rustte vier schepen uit voor twee verschillende missies:
Bekijk transcriptie 


De Nederlandse vloot bereidde zich voor op actie in 1652:

Op 28 november:

Op 29 november:

De heren van der Steen, Meerman, Nieupoort en de Hase kregen de opdracht om dit verder te regelen.

Bekijk transcriptie 


In 1713 werd een vloot samengesteld met de volgende schepen en kapiteins: Daarnaast waren er een jacht (50-60 lasten, bekleed met koper) en een fregat (50 lasten, bekleed met koper), elk met een kostprijs van 1027 gulden en 10 stuivers. De totale bemanning van de 7 schepen, het jacht en het fregat bestond uit: De maandelijkse soldij (loon) en onderhoudskosten voor deze bemanning bedroegen 17.998 gulden en 10 stuivers. Per jaar kwam dit neer op 215.985 gulden. De schepen waren bedoeld als konvooi (begeleiding en bescherming voor andere schepen). De kosten voor de musketiers op elk van de 7 schepen bedroegen per maand 192 gulden en 10 stuivers, wat voor alle schepen samen neerkwam op 2047 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie 


Op 2 juni 1856 stuurde het Ministerie van Koloniën in 's-Gravenhage een brief naar Luderus to Nieuwkamp in Amsterdam. Hierin stond dat er een kistje, gemerkt met H1. N., was afgeleverd bij het Koloniaal Magazijn in Amsterdam. Dit kistje kwam uit het Officiers Kledingmagazijn en bevatte een blikken trommel met daarin 5 pond, 173 el en 8 Nederlandse ellen wit piqué (een soort stof). De waarde van de inhoud was 10 gulden en 53 cent, en de kosten voor het kistje bedroegen 430 gulden en 54 cent.

Deze zending was gedaan volgens een opdracht van 29 november 1855 (nummer 20). Op 5 juni 1856 ontving Luderus to Nieuwkamp het bedrag van 430 gulden en 54 cent in Amsterdam.

Op 9 juni 1856 werd er nog een brief gestuurd (nummer 125) over deze levering. Ook werd er een bedrag van 15 gulden genoemd voor kosten die gemaakt waren op 15 juli (waarschijnlijk hetzelfde jaar).

Op 24 juni 1856 werd een bedrag van 800 gulden en 74 cent vermeld, mogelijk als betaling of vergoeding via een banktransactie door een administrateur met een notitie van Doiry.

Bekijk transcriptie 


Henriette Orsbach uit Aken (Rijnprovincie, Pruisen) schrijft op 6 mei 1874 een brief aan een onbekende ontvanger (mogelijk een familielid of ambtenaar). Ze vraagt om zo snel mogelijk de erfenis van haar overleden broer naar haar op te sturen. Uitzonderingen: Bij de brief zit een certificaat om haar handtekening te verifiëren, ondertekend door de burgemeester van Aken, Conrad Braun. Op 17 augustus 1874 reageert het Nederlandse Departement van Hollandsche Zaken (onderdeel van Buitenlandse Zaken) in 's-Gravenhage op een eerdere vraag over deze erfenis. Ze melden dat er nog geen bericht is binnengekomen over de nalatenschap van de overleden luitenant C.G.S.H. Orsbach (van het Indische leger, afdeling Medische Dienst). Zodra er meer bekend is, zal de vrager hierover geïnformeerd worden, inclusief hoe de erfenis kan worden opgeëist. De brief is ondertekend door H. Gend..
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Enno Lodewijk, graaf van Oost-Friesland, schrijft op 2 mei 1654 dat hij en de Landsstanden (vertegenwoordigers van het gebied) niet van plan zijn om bestaande afspraken en landverdragen te verbreken. Hij beschuldigt zijn tegenstanders ervan onder het mom van "onderhandelingen" eigenbelang na te jagen. Hij vraagt de ontvanger (waarschijnlijk de Staten-Generaal of een hoge functionaris) vriendelijk om hem te blijven steunen totdat de zaak duidelijk is. Op 16 juni 1654 schrijven de burgemeester en raad van Emden dat ze eerder al twee brieven stuurden (5 mei 1654) over hun zorgen. Uit Regensburg (waar het keizerlijk hof zit) komt nieuws dat hun vijanden via rechtszaken druk uitoefenen en beweren dat dit met toestemming van de ontvanger gebeurt. Ze zijn bang dat de afspraken worden verbroken en vragen om 70.000 gulden om hun verdedigingswerken te versterken. Ze waarschuwen dat als er niets gebeurt, jarenlange inspanningen voor niets zijn geweest. De Stad Emden reageert ook op een verzoek van 23 maart 1654 over kaasconvooien (belasting op kaastransport). Ze vinden het onnodig om alle kaas als "kanterkaas" (een zoute, hardere kaassoort) te belasten, zoals het Collegie van Rotterdam voorstelt. Volgens hen kunnen douaneambtenaren makkelijk het verschil zien tussen zoute en zoete kaas, en het gewicht controleren. Andere steden hanteren deze regel ook niet, dus ze snappen niet waarom Rotterdam dit wel wil.
Bekijk transcriptie 


Op 10 augustus 1854 trouwden in Amsterdam twee stellen:

Jacobus Johannes Kreek, 23 jaar, kantoorbediende, geboren en wonend in Amsterdam, zoon van Bartholomeus Johannes Kreek (onderwijzer) en de overleden Christina Johanna van Heereveld, trouwde met Grietje de Lezenne Coulander, 30 jaar, zonder beroep, geboren in Rotterdam en wonend in Amsterdam, dochter van Willem de Lezenne Coulander (letterzetter) en Christina Petronella Ioscani. De vader van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen vonden plaats op 8 en 15 augustus 1854 in Amsterdam zonder bezwaren. De ambtenaar van de burgerlijke stand bevestigde het huwelijk na hun toezegging om trouw te blijven. Getuigen waren:

Op dezelfde dag trouwde ook Johannes Marinus ten Broek, 29 jaar, wachtmeester, geboren in Amsterdam en wonend in Haarlem, zoon van de overleden Benjamin ten Broek en Catharina Elisabeth Crouwel, met Hendrikje Koopman, 26 jaar, zonder beroep, geboren in Steenwijk en wonend in Amsterdam, dochter van de overleden Hendrik Koopman en Aaltje van Agteren. De moeder van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen waren op 21 juli 1854 in Haarlem en Schoten en op 1 augustus 1854 zonder bezwaren. Na hun belofte van trouw verklaarde de ambtenaar hen wettig getrouwd. Getuigen waren:

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Willem Rido en Pr. Quick maken op 1 februari 1633 in Amsterdam een afspraak om een geschil binnen een week op te lossen. Ze beloven zich aan de uitspraak te houden en eventueel geld terug te betalen. Als ze zich niet aan de afspraak houden, verliezen ze hun recht op verdere claims. Beide partijen zetten hun handtekening met getuigen Albert Pietersen van der Veer en Pieter Ride (als notaris). Op 26 mei 1652 maken Matheus Butler en Jacob Claesz Ruts, beide kooplieden in Amsterdam, een geheime overeenkomst over de handel in soedthout (kurk) uit Spanje. Ze spreken af dat:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 5 juli 1652 verscheen Jan Huijbertsz van Empt, wonend in Empt (in het land Gulick), voor notaris Frans Wtenbogaert in Amsterdam. Hij verklaarde officieel dat hij een schuldbrief (obligatie) van 200 gulden – oorspronkelijk afgesloten op 4 april 1548 door Jan Jansz (hoofdschuldenaar) en Pieter Brouwer (mede-hoofdborg) – heeft overgedragen aan Aeltgen Sweerts, een weduwe uit Zaandam. Jan van Empt bevestigde: Getuigen waren: --- Op 1612 (exacte datum onbekend) verscheen Hendrick Jeuriaensz van Swartsluijs, net terug uit Oost-Indië, voor dezelfde notaris Frans Wtenbogaert. Hij gaf volmacht aan Herman Gerritsz (een bode in Zeeland) om namens hem 18 gulden te innen bij de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC)%22">bewindhebberen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC), kamer Zeeland.
Bekijk transcriptie 


Op 5 juli 1652 werden Jan Poolman (een begrafenisuitnodiger van ongeveer 30 jaar) en Joannes Swaen (een witwerker van ongeveer 27 jaar), beide woonachtig in Amsterdam, door notaris Nicolaas Kruijs opgeroepen als getuigen. Zij moesten aanwezig zijn bij een overeenkomst tussen Matheus Butler (een koopman) en Joan Schouwenburgh in de herberg achter de oude kerk in Amsterdam, waar het uithangbord Emaus hing. De getuigen bevestigden dat: Op 2 oktober 1652 ging notaris Nicolaas Kruijs samen met twee getuigen naar Casper van de Veen, een koopman in Amsterdam. Namens Mathijs Verhaegh maakte de notaris het volgende bekend:
Bekijk transcriptie 


Maria Harmans, een 44-jarige weduwe van Jan de Vos, woonachtig in Amsterdam, verklaarde op 13 februari 1662 voor notaris Pieter van Buijten en getuigen het volgende:
Bekijk transcriptie 


Op 28 juli 1676 verscheen Cornelia Butler, een vrouw van ongeveer 50 jaar en echtgenote van Fredrick Lodewijcx, voor notaris Adriaan Lock in bijzijn van getuigen. Op verzoek van koopman Matheus de Haes vertelde zij onder ede het volgende:

Zij verklaarde dit te weten omdat ze erbij was.

Bekijk transcriptie 


Matheus Butler had goederen van zijn broer (de insinuant, dus de eiser) verkocht op bevel van de rechtbank. Op 24 april 1552 liet de eiser echter zonder reden arresteren en gevangenzetten in een herberg in Amsterdam, wat zijn eer en reputatie schaadde. De eiser vraagt om: Als dit niet gebeurt, zal de eiser via de notaris officieel protest aantekenen tegen: De tegenpartij (de geminueerde, dus de gedaagde) reageert: Dit alles vond plaats in Amsterdam op 26 april 1552, in aanwezigheid van de getuigen Johannes van Hel en Jacob Cloek. Bij de zaak hoort ook een lijst met facturen en rekeningen van goederen die zijn losgemaakt voor onder anderen Jacob Ruts en Pieter Temminck.
Bekijk transcriptie 


Op 6 april 1660 verscheen Jan Butler, koopman in Amsterdam, voor een notaris. Hij gaf Hartman de Coster een officiële volmacht om namens hem op te treden. De Coster mocht:

Jan Butler beloofde dat alles wat De Coster of diens vervanger in deze zaak deed, bindend was. De akte werd opgesteld in aanwezigheid van getuigen: Roeloff Roelofsz, Johannes van den Hoven en Cornelis Hallius.

Bekijk transcriptie 


Op 19 maart 1655 ging het om een bedrag van 2400 gulden.

Op 14 mei 1658 verscheen Pieter van Buijtend, notaris in Amsterdam, samen met getuige Albert Lemmerman, een koopman uit dezelfde stad. Lemmerman verklaarde officieel dat hij alle rechten en claims afstond aan Thielman Denckel, een koopman uit Hamburg.

Deze rechten kwamen uit een eerdere overeenkomst van 3000 gulden, waaronder een lening van 2900 gulden. Deze lening was door Jacob Claesz Ruts gegeven aan Matheus en Jacob Butler. Dit was vastgelegd door notaris Alart Eggericx en getuigen in Amsterdam. Het geld diende als zekerheid voor een wisselbrief van 1400 daalders die Ruts had gegeven aan Thielman Henckel. Deze wisselbrief was geaccepteerd maar niet betaald, ondanks protest.

In deze overeenkomst zat ook een eerdere overeenkomst van 11 november 1654, waarbij Ruts opnieuw geld had geleend aan Matheus en Jacob Butler. Lemmerman bevestigde dat hij niets van dit geld had ontvangen.

Hij verklaarde dat Thielman Henckel hem volledig had betaald. Daarom droeg Lemmerman alle rechten en claims over aan Henckel. Hierdoor kon Henckel zelf het geld opeisen en ontvangen, als dat nodig was.

Bekijk transcriptie 


Claes Jansz Clopper werd door een notaris gevraagd of hij bij zijn woorden bleef die hij zondag in de Nieuwe Kerk in Amsterdam had gezegd. Hij had toen, waar veel mensen bij waren, zijn eigen zoon beledigd. Hij noemde Matheus Butler een "schelm", "dief", "sodomieter" en "de slechtste persoon uit de hele stad". Hij zei dat hij dit kon bewijzen en herhaalde zijn beschuldigingen zelfs voor de notaris en getuigen. Zijn zoon liet weten dat hij hiertegen juridische stappen zou ondernemen en schadevergoeding zou eisen voor alle kosten en schade die hij hierdoor had geleden en nog zou lijden. Toen Claes Jansz Clopper dit hoorde, zei hij alleen: "Ik zal het hem wel persoonlijk zeggen." Dit gebeurde op 26 juli 1659 in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jan van den Hoven en Cornelis Hallius. --- In een andere zaak, voor notaris Nicolaes Kruijs (die werkte voor het Hof van Holland en woonde in Amsterdam), kwamen Jacob Basson en Johannes van Hell (beide kooplui uit Amsterdam). Zij gaven Evert van Hell de officiële machtiging om hun belangen te behartigen in een rechtszaak op Malakka (een plaats in Azië) of elders. Evert van Hell mocht hen verdedigen, zowel binnen als buiten de rechtbank, tegen wie dan ook, en mocht zelf ook weer iemand anders aanwijzen om hem te vervangen. Zij beloofden alles te accepteren wat Evert van Hell (of zijn vervanger) in deze zaak zou doen.
Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/