Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Baatjoe van Boegies heeft een verklaring afgelegd in het Kasteel de Goede Hoop op 8 april 1766. Deze verklaring werd gedaan in aanwezigheid van de klerken Jochem Hendrik Borgweedel en Pieter Caspar Broedersz als getuigen. De klerk L.J. Faber heeft het document ondertekend. Op 30 april 1766 verscheen Baatjoe van Boegies opnieuw voor de commissarissen van de Raad van Justitie. Na het voorlezen van zijn eerdere verklaring, bevestigde hij in aanwezigheid van September van Mozambique dat alles wat eerder was opgeschreven waar was. Hij gaf aan dat er niets meer toegevoegd of weggehaald hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0888 Een slaaf genaamd Fortuijn had 's nachts brand gesticht op het dak. Het riet van het dak was gaan glimmen. Fortuijn had water op het dak gegooid waar al een klein gat in was gebrand. Dit water druppelde door naar binnen.
De bewoner heeft toen:
Op het platte dak van de achterkamer vonden ze twee stukken brandhout. Deze waren de dag ervoor door een timmerman gehakt. De stukken hout waren in brand geweest maar door het water geblust.
De bewoner verdenkt zijn slaaf Fortuijn omdat er verder alleen maar een klein slavenjongetje, een slavin en een klein bastaard meisje in huis waren. De laatste twee sliepen altijd in de slaapkamer van de bewoner. Alleen Fortuijn was in de keuken geweest. Daarom had de bewoner Fortuijn al naar de gevangenis laten brengen voordat ze de verbrande stukken hout vonden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0850 De slaaf Fortuijn verscheen voor de Hoge Raad van Justitie in het Kasteel de Goede Hoop. Hij werd daar ondervraagd door de waarnemend fiscaal Otto Cuder Hemmij in aanwezigheid van klerken Jochem Hendrik Borgwedel en Johan Adolph Knuhl. De secretaris Neethling was ook aanwezig. Fortuijn was eigendom van burger Daniel Coenraad Braune.
Fortuijn gaf de volgende informatie tijdens zijn verhoor:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0860 Braun werd tussen 3 en 4 uur wakker door gekraak boven zijn hoofd. Hij dacht dat er een balk was verzakt of dat de muren gescheurd waren. Hij stond op met een kaars om te kijken, maar zag niets bijzonders. Rond 6 uur werd hij wakker gemaakt door een klein Hottentots meisje dat bij hem in de kamer sliep. Ze riep: "Meneer! Er is brand boven!" Braun zag dat het vuur op 3 plekken door de vloerplanken van de zolder was gebrand. Hij sprong geschrokken uit bed. Door paniek kon hij zijn kamerdeur niet openen. Hij maakte toen een raam open en riep om hulp. De buren kwamen snel helpen. Omdat er weinig zuurstof was, waren er nog geen grote vlammen en kon de brand geblust worden. Op dat moment wist men nog niet wie de brand had gesticht. Op 1 juli had de verdachte 's morgens 3 brandende en enkele andere spaanders van de haard gepakt. Hij klom via een ladder op de binnenplaats naar het dak. Bij een dakraam, dat net gerepareerd was, tilde hij wat materiaal op en stak de brandende spaanders eronder. Daarna ging hij weer weg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0870 De slaaf Claafs uit Mozambique, die het bezit was van de boer Jan Krego, verscheen voor de rechtbank. Hij was ongeveer 30 jaar oud. De landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Saxebus Johannes Le Sneur, klaagde hem aan. Claafs bekende dat hij op een avond, waarvan hij de precieze datum niet meer wist, iets had gedaan. Het vonnis was dat hij naar een schip in de haven gebracht zou worden, waar de beul hem met gewichten zou verzwaren en levend in zee zou gooien om te verdrinken. Dit gebeurde op augustus 1766.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0880 De ambtenaar Jan Jacob Doeksteen heeft een verklaring afgelegd en bevestigd. Hij voegde toe dat de slaaf David ongeveer 14 dagen voordat de diefstal in het pakhuis werd ontdekt, twee rollen tabak had ontvangen met medeweten van zijn eigenaar. De eigenaar wist niet dat deze tabak gestolen was. Dit werd bevestigd in aanwezigheid van verschillende slaven:
De verklaring werd afgelegd in Kaap de Goede Hoop.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0780 Op 18 juni 1766 werd op het Kasteel de Goede Hoop een verklaring afgelegd over mishandeling. Er werd geklaagd over schoppen, slaan, trappen en aanvallen met een mes. De situatie werd steeds erger en was onhoudbaar geworden. De klagende partij wendde zich daarom tot de rechtbank. Het document werd ondertekend door:
Op 20 juni 1766 verscheen de burger Rudolf Hendrik Paulman van Competen voor secretaris Christiaan Ludolph Neethling van de Raad van Justitie van het gouvernement.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0722 Een vrouw verklaart dat haar werkgever en zijn vrouw haar 3 keer, en gisteren ochtend voor het laatst, geslagen hebben. De vrouw des huizes heeft haar met zowel een stok als een touw geslagen op haar lijf en armen. Ook is ze met een muilkorf op haar hoofd geslagen, waardoor zij verschillende verwondingen en kneuzingen op haar lichaam en hoofd heeft opgelopen. Daarbij heeft de vrouw des huizes haar geschopt. De vrouw des huizes heeft haar bovendien gisteren tijdens de mishandeling met een mes een snee in haar linkerhand gegeven. Enkele dagen geleden werd ze ook al met een muilkorf op haar rechterhand geslagen, waardoor een van haar vingers opgezwollen en stijf is geworden. Toen de vrouw nog maar kort in dienst was, heeft haar werkgever haar onder andere met zijn voet tegen haar gezicht geschopt, waardoor een stuk vlees uit haar bovenlip werd geschopt. De vrouw spreekt en verstaat geen Nederlands, waardoor ze haar werkgever niet kon begrijpen als hij haar iets opdroeg. Ze zegt dat ze haar werkgevers voor zover zij weet geen enkele reden heeft gegeven om haar zo te mishandelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0721 Op 25 juni 1766 heeft de tijdelijke fiscaal Otto Luder Remmij een verklaring opgenomen van de slavin Calister van Bengalen. Zij was eigendom van de burger Jan Hendrik Geerhard. Calister verklaarde dat ze met een van de retourschepen dat jaar uit Batavia was gekomen. Ze had eerst bij burger Pieter Molet gewoond. Ongeveer 2 maanden geleden had haar huidige eigenaar Geerhard haar gekocht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0720 Het gaat hier over mishandeling van een slavin genaamd Caliste uit Bengalen door Jan Kendrik Geer Raad en zijn vrouw. De slavin werd op verschillende manieren mishandeld:
Hoewel de wet toestaat dat eigenaren hun slaven met mate mogen straffen, is zulke zware mishandeling waarbij bloed vloeit of verwondingen ontstaan niet toegestaan. De aanklager eist daarom:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0719 De eerste verdachte vertelt aan de scheepsraad dat de jongen later in de boot kwam en naast hem ging liggen. Ook zei hij dat de jongen was opgestaan om naar het toilet te gaan. Dit klopt met wat de tweede verdachte heeft bekend. De eerste verdachte lag al in de boot toen de tweede en derde verdachte erin kwamen. Hij bleef liggen toen zij weggingen. Het is daarom onmogelijk dat hij over hen heen is gevallen.
Bovendien heeft de eerste verdachte nergens eerder iets gezegd over dronkenschap of vallen. Wat hij tegen Milander heeft gezegd (als hij dat zo gezegd heeft) moet dus onwaar zijn. Ook spreekt hij zichzelf tegen over de avond van Oudejaarsdag in de boot.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0710 De slavin genaamd Calister uit Bengalen was eigendom van burger Jan Hendrik Geexhard. Rudolph Hendrik Paulman en een opperchirurg van het ziekenhuis van de VOC verklaarden dat de eigenaar zijn onervaren slavin bijna elke dag wreed mishandelde. Als ze water uit een sloot moest halen en door haar gezwollen handen (van eerdere slagen) niet snel genoeg liep, sloeg hij haar met een touw. Hij schopte haar ook en mishandelde haar zo erg dat er bloed door haar kleding heen kwam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0717 Op 13 februari 1766 vond er een rechtszaak plaats waarbij Jan Willem Clapppenburg als eiser optrad tegen Nyclaas Heijns. De zaak werd voorgezeten door de president Pieter van Reede van Oudshoorn en andere leden, behalve Pieter Hacker en Olof Martini Bergh die afwezig waren wegens ziekte. In hun plaats waren drie burgerraadsleden aanwezig.
In de aanklacht beschuldigt de eiser de gedaagde ervan dat hij zich verrijkt heeft met andermans geld en bezittingen. Hij stelt dat de gedaagde zelfs zijn hemd niet zou hebben als de eiser dat niet had betaald. De eiser vindt dat de gedaagde zich anders zou moeten gedragen als hij enig gevoel voor eer of schaamte zou hebben.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0283 Op 10 januari 1746 heeft een medisch onderzoeker in het ziekenhuis van de VOC in Kaap de Goede Hoop een slavin genaamd Clone uit Bengalen onderzocht. Zij was eigendom van burger Nicolaas Heijns. De chirurg vond een diepe wond aan de rechterkant van haar achterhoofd, ongeveer twee vingers breed, waarbij het bot zichtbaar was. Er was veel bloeding rond de wond. Ten tijde van het rapport op 27 januari 1746 was de wond bijna genezen.
De zaak werd onderzocht door fiscaal Ian Willem, en het rapport werd ondertekend door secretaris C Ling en chirurg Nelsen Klaes.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0282 De burger Hendrik Heijns verklaart op 4 februari 1766 voor secretaris Christiaan Ludol Nathing en getuigen, op verzoek van de onafhankelijke aanklager Jan Willem Creppenburg. Hij was ongeveer 3 weken geleden rond 11 uur 's middags in zijn woning naast het huis van de politiebode Abraham Paling. Clora had bloedend het huis verlaten en was naar de rechter gegaan om een klacht in te dienen. Dit verslag werd ondertekend door de klerken Pres Cas Broeder en Frederik Wilhelm Allemann en de beëdigde klerk L. Jaber op het Secretariaat van Justitie in het kasteel aan De Goede Hoop.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0280 In het jaar 20 januari 1766 vond er een incident plaats in het Kasteel de Goede Hoop. Een vrouwelijke slaaf werd door haar eigenaar geslagen. Toen de eigenaar een tweede keer wilde slaan, werd hij tegengehouden door zijn zoon Hendrik. De slaaf bloedde namelijk al flink door de eerste klap. De slaaf werd vervolgens bevolen om de tafel te bedienen, waar een andere slavin genaamd Dela het eten had gebracht. Door het bloeden uit haar verwonding, dat langs haar gezicht liep, werd de slaaf duizelig. Na herhaaldelijke dreigementen van haar eigenaar ging ze naar de kamer en leunde tegen de deurpost. Tijdens het eten bleef ze bij de kamerdeur staan, nog steeds bloedend. Nadat haar eigenaar was gaan slapen, heeft zijn zoon Hendrik haar haar afgeknipt en de wond met brandewijn schoongemaakt. Dit kon het bloeden echter niet stoppen. De slaaf heeft hierover later een klacht ingediend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0277 De getuige, een dienstmeisje, vertelt dat zij ongeveer een maand geleden rond 10:00 uur groene amandelen moest verkopen. Toen zij rond 11:00 uur thuiskwam, vroeg haar werkgeefster in het voorhuis wat zij had verkocht. Het dienstmeisje antwoordde dat zij niets had verkocht en moest toen naar de keuken gaan.
Terwijl zij in de keuken was, kwam plotseling haar werkgever uit de voorkamer waar hij had liggen slapen. Hij gaf haar drie klappen omdat zij te hard zou schreeuwen. Na terugkeer naar de voorkamer kwam hij kort daarna weer naar de keuken. Daar stond het dienstmeisje bij de haard, in aanwezigheid van Hendrik en Nicolaas. De werkgever sloeg haar toen met een ijzeren aschschep aan de rechterkant van haar hoofd, waarna hij weer naar de kamer ging. Dit gebeurde in het huis van burger Nicolaas Godfried Heijns.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0276 Op 1 februari 1766 deed Jan Willem Cleppenburg, als fiscaal, uitspraak in een zaak tegen Nicolaas Godfried Heijns. Deze had een slavin genaamd Flora zodanig verwond dat ze bijna was overleden door bloedverlies. Als straf eiste de fiscaal:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0275 Een verwonde slavin genaamd Flora werd naar de verpleegruimte gebracht voor behandeling door de opperdokter van de VOC. De dokter stelde vast dat ze een wond had van ongeveer twee vingers breed aan de rechterkant van haar achterhoofd. De wond ging tot op het bot en ging gepaard met flink bloedverlies en kneuzingen van het omliggende weefsel.
Volgens getuigenverklaringen van huisgenoten had de eigenaar haar met een kolenschop geslagen. Dit ging veel verder dan wat volgens de wet was toegestaan. Een eigenaar mocht zijn slaven alleen met de hand, stok of zweep straffen, maar niet zodanig verwonden met gereedschap als een schop. De slag had dodelijk kunnen zijn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0274 Op 10 januari had een slavin genaamd Flora uit Bengalen, eigendom van de burger Nicolaas Godfried Heijns, een klacht ingediend. Ze vertelde dat haar eigenaar, die in zijn kamer lag te slapen, plotseling naar de keuken kwam. Zonder reden gaf hij haar eerst een paar klappen met zijn hand, alleen maar zeggend "waarom schreeuw je zo - ik kan niet slapen".
Toen Flora daarna bij de haard stond en Heijns voor de tweede keer naar de keuken kwam, sloeg hij haar met een ijzeren aschschep aan de rechterkant van haar hoofd. De wond bloedde zo erg dat ze flauwviel. Even later kwam Heijns voor de derde keer uit zijn kamer en probeerde haar nogmaals met dezelfde aschschep te slaan. Zijn zoon Hendrik verhinderde dit door te zeggen dat Flora al hevig bloedde van de eerste slag.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0273 Jan Frederik Wille heeft toen hij voor de rechters verscheen verklaard dat hij nuchter was, nooit tot dronkenschap geneigd was en zijn werk altijd nauwgezet had gedaan. De heer Bresler zou dit kunnen bevestigen. Deze verklaring werd afgelegd bij Kaap de Goede Hoop op 4 maart 1766 voor Van Schoor en Tobias Christiaan Konnenkamp, leden van de Raad van Justitie. De secretaris C.L. Neethling heeft dit vastgelegd. Bij het opnieuw voorlezen van zijn verklaring bleef Wille bij zijn woorden en vroeg hij of zijn eerdere goede gedrag in aanmerking genomen kon worden bij zijn veroordeling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0270 De rechtbank veroordeelt Philander van Mallebaar tot de doodstraf door ophanging op de gebruikelijke plaats voor het uitvoeren van strafvonnissen. Zijn lichaam moet daarna naar het executieveld worden gesleept en daar aan de galg blijven hangen als prooi voor de vogels. Hij moet ook de gerechtskosten betalen.
Jacobus den ratt en Johannes Le Sueur presenteren een aanklacht met 4 bijlagen tegen Mozes van Cambij, een slaaf van burger hendrik gequet. De zaak gaat over het verwonden van een slaaf van burger Nicolaas godfried heijns.
Mozes van Cambij verklaart dat hij door mishandeling van zijn eigenaar gedwongen was te vluchten en dat de verwonding per ongeluk was gebeurd. De aanklager verwerpt dit verweer als irrelevant en onvoldoende.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0025 Op 13 februari 1766 was er een rechtszaak waarbij Pieter van Reede van Oudchoom aanwezig was als voorzitter, samen met alle andere leden. Pieter Hacker en Oloff Marthini Bergh waren afwezig door ziekte en werden vervangen door drie burgerraadsleden. De boer Gerrit Hendrik Badenhorst diende een schriftelijk verzoek in tegen aanklager Jan Willem Cloppenburg, de onafhankelijke hoofdaanklager. Dit was een vervolg op een eerdere zaak van 30 januari. Jan Willem Cloppenburg klaagde burger Nicolaas Godfried Reijns aan. De aangeklaagde verklaarde dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0023 Theunis Christoffels, Pieter Andriesse Looland en Abraham Bokstaart van Holswaard, en Johan August Frederik Vrolig van Altenburg waren bosschieters die onder het bestuur van Kaap de Goede Hoop vielen. Ze waren gedagvaard om zich te verantwoorden voor desertie en het verlaten van hun dienst. Jan Honnis van Oosterwijk en de Raad hebben de dagvaarding bekeken en geconstateerd dat de aangeklaagden niet zijn komen opdagen. Namens de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden heeft de Raad besloten om:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 0022 De stuurman vertelde dat de zwarte opvarenden in paniek raakten toen ze rook zagen nadat het buskruit was aangestoken. De stuurman hoorde daarna dat als de zwarte opvarenden zich niet overgaven of vrede wilden sluiten, hij het dek met hen de lucht in zou laten vliegen. Dit dreigement werd op dezelfde dag via een slavin aan hen doorgegeven.
De slavin kwam terug met het bericht dat de zwarte opvarenden bereid waren vrede te sluiten, maar ze eisten dat de verteller naar boven moest komen. Toen de verteller boven kwam, stelden de zwarte opvarenden twee eisen:
Ze zouden de volgende dag naar beneden komen, maar de verteller stemde hier niet mee in. Toen sommige Europeanen naar boven kwamen, begonnen de zwarte opvarenden hen vast te binden. De verteller en stuurman trokken zich toen terug naar beneden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10966 / 1589 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/