Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


27 maart 1918 verscheen Karel van Balen, bakker uit Haarlem, voor notaris. Hij verklaarde een schuld te hebben van 1.000 gulden aan de naamloze vennootschap "Beleggingbank Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende goederen en het ter leen verstrekken van gelden", gevestigd in Haarlem. Hij had dit geld op die dag geleend.

De voorwaarden van de lening waren:

De akte werd 28 maart 1918 geregistreerd in Haarlem. Er werd 131,25 gulden aan registratierecht betaald.

De eerste grosse werd uitgegeven op 4 januari 1923.

Bekijk transcriptie 


8 maart 1631 werden in Haarlem bij notaris documenten opgesteld over netten die verpakt waren in een klein vat met nummer A. Dit vat zou vanuit hier naar Zeeland worden gestuurd en vandaar naar Londen. De aanwezigen boden elk voor hun deel aan dit te verzekeren.

20 maart 1631 verschenen op verzoek van Stijntgen Mathijs, de vrouw van Lambert Cornelisz Schouten (burgemeester van Wesp), voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem 2 getuigen:

Beide getuigen verklaarden onder ede het volgende:

Jacob de Block verklaarde dat hij begin januari (de precieze dag wist hij niet meer) samen met Stijntgen Mathijs en Catharina Lambrecht Schout (haar dochter) vanuit Amsterdam met een zeilerschuit naar het veerschip naar Hoorn was gevaren om hen te begeleiden. Toen zij nog bij de zeiler lagen, kwam er een vrouw die aan Stijntgen Mathijs een pakje gaf, verpakt in grijs papier met een los briefje erop. De vrouw vroeg of zij dit aan de schipper in Hoorn wilde bezorgen. Aan boord gaf Stijntgen Mathijs het pakje aan Jacob de Block over om het aan de schipper te geven. De Block ging aan boord, vroeg waar de schipper was, en overhandigde hem het pakje toen deze (die bezig was rogge te laden aan de andere kant van het schip) naar hem toekwam.

Turqueau verklaarde dat hij op dat moment op het dek van het veerschip naar Hoorn stond. Hij zag en hoorde dat zodra Jacob de Block aan boord kwam, deze naar de schipper vroeg en hem (toen deze bij hem kwam) een pakje overhandigde dat in grijs papier was verpakt.

Beide getuigen boden aan dit alles verder te bevestigen wanneer daar om gevraagd zou worden.

Bekijk transcriptie 


Daackwaelt en Asath van Meelle verklaarden dat zij de Janckwaert en Van Langen hadden gevraagd waarom de moeder van Van Langen daar niet aanwezig was. Janckwaert en Van Langen hadden geantwoord dat de moeder een ziek been had en niet aangekleed was, maar dat Janckwaert volledige toestemming van de moeder had. Zij verklaarden dat dit de waarheid was en wilden dit onder ede bevestigen.

Dit gebeurde binnen de stad op 10 mei 1638, in aanwezigheid van getuigen Jan Pietersz Semelsen en Frans Adriansz Kanevercop.

Verder werden genoemd:

Bekijk transcriptie 


Op woensdag 18 november 1846 werd een akte opgemaakt in Haarlem, kantoor in de Groote Houtstraat wijk 1 nummer 26. De akte ging over een erfenis waarbij de eerststervende al zijn of haar bezittingen zou nalaten aan de ander, behalve het erfdeel dat volgens de wet aan anderen toekwam en waarover niet beschikt kon worden.

Bij de akte waren aanwezig als getuigen:

De akte werd na voorlezing door alle betrokkenen en notaris ondertekend. De akte werd geregistreerd te Haarlem op 18 november 1846 in deel 53 folio 8 vak 7. Er werd een recht van 4 gulden en 80 cent betaald, met opcentiem 6 gulden en 62,5 cent voor 2 bladen.

Op 18 november 1846 (nummer 7252) werd een volmacht opgemaakt. Voor notaris Aegidius Walaardt Sacré te Haarlem verschenen in hun hoedanigheid als regenten van het oude Mannenhuis te Haarlem:

Zij gaven volmacht aan Jan Ernst Brinkman, makelaar te Haarlem, om uit hun naam de overschrijvingsbiljetten te tekenen en in te leveren bij het Grootboek der Nationale Schuld te Amsterdam. Dit was nodig voor het overdragen van alle kapitalen die in het grootboek stonden ingeschreven, zowel in de nationale werkelijke rentgevende als uitgestelde schuld, op naam van Johannes David.

Bekijk transcriptie 


Op 29 december 1633 verscheen voor notaris Jacob Jacobs de eerzame Cornelis Lamberts Schouep, de aanstaande bruidegom. Hij werd bijgestaan door zijn vader Lambert Cornelis Schouep, zijn oom Lambert Cornelis Schouep, zijn neef Matthys Lamberts Schouep, en zijn schoonbroers Joost Claesz, Jacob de Bloe en Adriaen Oliviers. Aan de andere kant stond de aanstaande bruid Barbara Jacobs Leeuws, bijgestaan door haar vader Jacob Leuw, haar moeder Gertgen Jacobs en haar oom Ameldonck Leuw.

Zij verklaarden dat tussen de aanstaande bruidegom en bruid een huwelijk was afgesproken, met de volgende huwelijkse voorwaarden:

Het document werd ondertekend door de aanstaande bruidegom, de bruid en hun familieleden en assistenten.

Bekijk transcriptie 


Sijns dochter, de zuster van de testatrice, zou na haar overlijden, indien ze kinderloos is, samen met haar medestanders 100 Carolusguldens ontvangen. Dit geld zou voor het kind naar de weeskamer van de stad gebracht worden en daar blijven tot het meerderjarig werd. De langstlevende echtgenoot mocht als legaat 25 guldens uitkeren uit de goederen binnen de stad en binnen het Enkhuis, naar eigen goeddunken van de gildebroeders, zonder dat iemand daar bezwaar tegen kon maken en zonder dat daar een inventaris voor opgesteld hoefde te worden.

Wanneer de langstlevende echtgenoot zou overlijden, zou al het onverteerde vermogen na betaling van schulden en lasten naar de zuster van de testatrice gaan, de helft voor haar en de helft voor haar nakomelingen. Degenen die volgens de erfopvolging het meeste recht hadden, zouden als erfgenamen worden aangewezen.

Op een niet nader genoemde dag werd dit testament opgesteld binnen Haarlem ten huize van de notaris in de Sint Jansstraat. Als getuigen waren aanwezig de eerbare Dicce Jansz, kleermaker, en Pieter Martsen, tabakverkoper, beiden poorters van de stad. Zij tekenden samen met de notaris Willemsen.

De notaris D. van Crien bevestigde dit in 1637 in juni.

In het jaar 1628 op de laatste dag van november verschenen voor notaris in Haarlem de volgende personen:

Zij verklaarden met elkaar huwelijksvoorwaarden te zijn overeengekomen:

  1. De goederen die beide aanstaande echtgenoten in het huwelijk inbrachten, zouden in 2 gelijke cedullen (lijsten) worden vastgelegd en getekend. Deze zouden dezelfde kracht hebben alsof ze volledig in dit document waren opgenomen.
  2. Bij scheiding van het huwelijk, of er nu kinderen waren of niet, zouden de ingebrachte goederen en alle geërfde bezittingen terugkeren naar de kant waar ze vandaan kwamen. Dit gold ook voor kleding van wol en linnen, ringen, juwelen en kleinodiën die aan elk persoonlijk toebehoorden.
  3. Indien een kind zonder wettige erfgenamen overleed, zou de erfenis naar de ander gaan en uiteindelijk naar de rechtmatige erfgenamen van die kant, zonder verdere
Bekijk transcriptie 


Matthijs Lambertsz Schouten, de aanstaande bruidegom uit Veesp, kwam samen met zijn vader Lambert Cornelisz Schoute en zijn zwager Joost Claesz Ansloo. Aan de andere kant kwam Lijsbeth Jacobs Leeuws, de aanstaande bruid, samen met haar vader Jacob Leeuw, haar broer Amedonck Leeuw en haar oom Theunis Govertsz uit Slincke.

Op 7 mei 1636 verschenen zij voor notaris Jacob Jacobs. Zij verklaarden dat tussen de aanstaande echtelieden een christelijk huwelijk was afgesproken, onder de volgende huwelijkse voorwaarden:

De aanstaande echtelieden beloofden deze voorwaarden na te komen en het huwelijk zo spoedig mogelijk te laten bevestigen.

Het document werd ondertekend door Mathijs Lambertsz Schouten, Lijsabeth Jacobs, Lambert Cornelis Schout, Joost Claesz Ansloo, Jacob Leeuwen, Gaerten Jacosz, Ameldonck Leeu en Theunis Sleken.

Bekijk transcriptie 


4 januari 1639 kwamen voor de notaris: de eerbare meester Jan van Neck, secretaris bij de Admiraliteit van West-Friesland en het Noorderkwartier, weduwnaar van wijlen Griet Jans, als toekomstige bruidegom. Hij werd bijgestaan door Cornelis van Neck en Meulenwerft, oud-schepen van de stad Hoorn. Aan de andere kant stond Neeltje Lamberts, weduwe van wijlen Joost Claesz Ansloo, als toekomstige bruid. Zij werd bijgestaan door haar vader Lambert Cornelisz Schouten, burger van Schoten, haar broers Cornelis, Matthijs en Ghijsbert Schouten, en haar zwager Jacob de Block.

De aanwezigen hadden besloten tot Gods eer en voor hun zielenheil een christelijk huwelijk aan te gaan onder de volgende voorwaarden:

Bekijk transcriptie 


Willem Hendricksz Verwer en zijn broer Hendrick Claesz, ook verwer, beide burgers van Amsterdam, verklaarden dat zij de rekeningen hadden opgemaakt over hun gezamenlijke bedrijf in het verven van blauw laken. Ze hadden de winsten en verliezen berekend vanaf het overlijden van hun moeder Grietgen Cornelis tot 1 januari jongstleden. Hieruit bleek dat Hendrick Claesz na een zuivere afrekening van kapitaal en winst in totaal 12.000 carolusguldens toekwam.

De regelingen waren als volgt:

Wat betreft de 12.000 gulden die Hendrick Claesz op 1 januari jongstleden zuiver toekwamen: hij had dit bedrag in het bedrijf gelaten om daarmee voor een bepaald deel in hetzelfde bedrijf deel te nemen en winst en verlies van God te verwachten, zolang als de compagnons of één van hen dit wilden, en langer.

Beide broers verklaarden zeer tevreden te zijn met deze afrekening en vereffening. Ze beloofden deze geldig te houden en voor altijd ongeschonden te laten. Daartoe verbonden zij hun personen en goederen onder dwang van alle rechten en rechters, zonder list. Dit gebeurde in Amsterdam.

Voorts verscheen Lambert Cornelisz Schouten, burgemeester van Weesop. Hij verklaarde en getuigde dat hij omstreeks eind oktober of begin november jongstleden samen met de verzoeker achter de oude kerk in Amsterdam in de herberg genaamd Emaus ongeveer 20 lasten Moskovisch gedroogde gerst had gekocht van Jan Cornelisz van der Aen, koopman in Amsterdam. Dit gebeurde op basis van een monster of proef die de verkoper had getoond, die er heel goed uitzag. De verkoper had verklaard dat er geen 2 korrels achterbleven.

De getuige had de helft van de 20 lasten naar huis gehaald en daarvan anderhalve last overgedaan aan zijn buurman Dirck Elbertsz, moutmaker. Toen deze voor een proef begoten werd, bleek de gerst niet goed te zijn en wilde niet groeien zoals het hoorde. Daarop was de getuige naar Amsterdam gegaan bij de verkoper en had hem dit aangezegd. De getuige verklaarde dat hij met de verkoper had afgesproken dat deze de gerst die de verschijner nog droog had gehouden, in Amsterdam op eigen kosten zou leveren, wat hij ook had gedaan, en dat hij de reeds betaalde droge gerst terug had gerestitueerd na aftrek.

Dit gebeurde in Amsterdam op 5 [datum verder niet ingevuld] in het jaar 1630, in aanwezigheid van Harmen Hendricks

Bekijk transcriptie 


Salomon de Vogel, beëdigd makelaar, heeft aan de insinuant 20 korven goed Malgoms rosijn verkocht: 14 korven gewoon voor 8,5 gulden per korf en 6 korven van de beste kwaliteit voor 10 gulden per korf, contant. Dit gebeurde onder de voorwaarde dat de insinuant het rosijn eerst zou bekijken, en als het hem beviel, zou hij het ontvangen. De koop was dus niet definitief totdat de insinuant het rosijn had gezien en goedgekeurd. De geïnsinueerde had daarom geen recht om het naar hem toe te sturen. Toch stuurde de geïnsinueerde diezelfde avond het rosijn naar het huis van de insinuant, terwijl deze afwezig was en het niet had gezien. Toen de insinuant 's avonds laat thuiskwam en de volgende morgen het rosijn bekeek, vond hij het van zo slechte kwaliteit dat hij het niet wilde en het ook niet leverbaar was. Daarom deelde de insinuant diezelfde dag op de Beurs aan de geïnsinueerde mee dat hij het rosijn niet wilde hebben en het zou laten ophalen. Omdat de geïnsinueerde hiermee niets deed, wilde de insinuant het rosijn terugsturen. Als de geïnsinueerde weigerde het aan te nemen, zou de insinuant het voor diens huis laten neerzetten op diens risico. Mocht de geïnsinueerde het weer terugsturen, dan zou de insinuant het niet aannemen. De insinuant protesteerde tegen alle kosten, schade en rente die hiermee te maken hadden. Toen het rosijn voor het huis van de geïnsinueerde werd gebracht, antwoordde deze dat hij het rosijn niet kende. Dit gebeurde in Amsterdam, in aanwezigheid van getuigen Roelandt Bernasij en Herman Boeckas, inwoners van de stad, op 9 december 1643.

Op een andere datum heeft notaris Frans Uijttenbogaert, toegelaten bij het Hof van Holland en wonend in Amsterdam, zich met de hieronder genoemde getuigen vervoegd bij Abraham Pelthansz, koopman in de stad. Namens Gijsbert Schouten, die optrad voor zijn vader Lambert Cornelisz Schouten en Dirck Bosch, eveneens kooplieden aldaar, werd het volgende geïnsinueerd: Gijsbert Schouten, handelend voor zijn vader Lambert Cornelisz Schouten en Dirck Bosch, vroegen via notaris en getuigen aan Abraham Pelthansz om onmiddellijke betaling in toegestaan geld van 2.191 gulden en 8 stuivers. Dit bedrag was als volgt verdeeld: aan Schouten 620 gulden en aan Bosch 1.570 gulden en 8 stuivers. Het betrof het restant van bepaalde betalingen die Pelthansz had beloofd voor een kavel land gelegen in Watergraafsmeer alias Diemermeer, zoals bleek uit de koopbrief. Bij het uitblijven van betaling in toegestaan geld protesteerden de insinuanten tegen alle kosten, schade en rente die zij al hadden geleden of nog zouden lijden. Zij eisten dat Pelthansz over de 2.191 gulden en 8 stuivers rente zou betalen van 8 proc

Bekijk transcriptie 


22 augustus 1963 verscheen Iman Franciscus van 't Hek, aanspreker, 56 jaar, wonende te Amsterdam, voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam. Hij verklaarde dat op 21 augustus 1963 om 5:00 uur in de gemeente Amsterdam was overleden: Lodewijk Koppijn, zonder beroep, 83 jaar, geboren te Amsterdam, wonende te Amsterdam. Hij was echtgenoot van Hendrika Johanna Meijer en was eerder gehuwd geweest met Alida Johanna Gill. Hij was zoon van Christoffel Koppijn en Johanna van der Weg, beiden overleden. De aangever verklaarde uit eigen wetenschap van het overlijden op de hoogte te zijn.

22 augustus 1963 verscheen Willem Sondag, incasseerder, 48 jaar, wonende te Amsterdam, voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam. Hij verklaarde dat op 21 augustus 1963 om 4:10 uur in de gemeente Amsterdam was overleden: Max Friedrich Wilhelm Wendt, zonder beroep, 65 jaar, geboren te Amsterdam, wonende te Amsterdam. Hij was echtgenoot van Johanna Cornelia Elisabeth de Wolff en zoon van Otto Hugo Max Wendt en Maria Petronella Broekhuijsen, beiden overleden. De aangever verklaarde uit eigen wetenschap van het overlijden op de hoogte te zijn.

22 augustus 1963 verscheen Louis Bakker, uitvaartleider, 56 jaar, wonende te Amsterdam, voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam. Hij verklaarde dat op 22 augustus 1963 om 5:00 uur in de gemeente Amsterdam was overleden: Joseph van Pareen, zonder beroep, 8 jaar, geboren te Amsterdam, wonende te Amsterdam. Hij was zoon van Matthijs Gerardus van Pareen en Wilhelmina Elisabeth Papavoine, beiden zonder beroep en wonende te Amsterdam. De aangever verklaarde uit eigen wetenschap van het overlijden op de hoogte te zijn.

22 augustus 1963 verscheen Willem Sondag, incasseerder, 48 jaar, wonende te Amsterdam, voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Amsterdam. Hij verklaarde dat op 21 augustus 1963 in de gemeente Amsterdam was overleden: Johannes Cornelis Schouten, zonder beroep, 90 jaar, geboren te Amsterdam, wonende te Amsterdam. Hij was achtereenvolgens gehuwd geweest met Sara Catharina de Graad en Flora Christina Cornelia Siemons. Hij was zoon van Johannes Cornelis Schouten en Dina Hoevenberg, beiden overleden. De aangever verklaarde uit eigen wetenschap van het overlijden op de hoogte te zijn.

22 augustus 1963 verscheen Willem Sondag, incasseerder, 48 jaar, wonende te Amsterdam, voor de ambten

Bekijk transcriptie 


19 oktober (jaartal niet vermeld). Pieter Steijns en Johanna Heilmans, getrouwd en beiden zonder beroep, wonende in Klimmen, verkochten namens zichzelf en als gevolmachtigden. De man handelde namens zijn vrouw en ook als gemachtigde volgens een onderhandse akte van:

Zij verkochten aan Hubert Bertholet, mijnwerker, wonende in Klimmen, ongehuwd:

  1. 75 centiaren huis en erf in de Houtstract, sectie C nummer 1395, met de zich daarin bevindende roerende goederen, namelijk de inboedel
  2. 25 centiaren tuin bij voormeld perceel gelegen, sectie C nummer 1791

De verkoop betrof alleen het aandeel van de vrouw in de inboedel. Het onder punt 1 genoemde perceel behoorde toe aan de echtlieden Steijns-Heilmans en aan de lastgevers, voor zover die daarop rechten zouden kunnen laten gelden. Het onder punt 2 genoemde perceel behoorde alleen aan de genoemde lastgevers toe.

Bekijk transcriptie 


Januarij moest meteen de plek aanwijzen waar zij gevangen zat. Zij beweerde bij hem niet te zijn geweest en dat ze dat alleen had gezegd om van de neppijn verlost te raken, die haar helemaal niet was aangedaan.

Het is waar dat de persoon in kwestie het genoemde meisje wegens haar brutaal gedrag een verdiende straf met zweepslagen op haar blote billen heeft laten geven. Ze werd vastgehouden maar niet op een ladder gebonden. Dat zij op dat moment zwanger was, is haar eigen schuld, want de persoon in kwestie en niemand van zijn huishouden wist daarvan. De echtgenote van de persoon in kwestie had haar meer dan 1 keer gevraagd of ze het moest laten nakijken als ze in zulke omstandigheden was, om niet verlegen te zijn, maar dat heeft zij niet gedaan.

Men gelooft dat volgens de verklaring bij het bewijsstuk Lit F de verklaarder het meisje zwanger heeft bevonden, waar de persoon in kwestie echter niet van wist en ook niet van kon weten. Er werden ook nog blijkende en schadelijke littekens van een eerder toegepaste stok gevonden, terwijl zij volgens getuigen pas korte tijd daarvoor gevangen hadden gezeten. Maar wat de oude littekens betreft...

Bekijk transcriptie 


Lea had geklaagd over slechte behandeling. Ze verraadde zichzelf door te beweren dat ze alleen had gezegd dat ze met Januarij samen was geweest omdat ze van pijn verlost wilde worden. Ze stelde dat die pijn bestond uit het feit dat ze met achter haar rug samengebonden handen aan een balk was opgehesen, zodat haar tenen de grond maar net konden raken.

Het was waar dat zowel zij als de slaaf Januarij met achter hun rug uitgebonden handen aan een balk waren vastgemaakt, maar dit was om te voorkomen dat ze zichzelf weer los zouden maken en opnieuw weg zouden kunnen lopen voordat ze hun welverdiende straf hadden ontvangen en hadden verteld waar ze zich hadden opgehouden en waar ze eten vandaan hadden gehaald.

Nooit waren deze of andere slaven door de gedaagde op die manier opgehesen, zoals de slaven hem wilden beschuldigen. De eiser bouwde alleen op de praatjes van die slaven en wilde hem het gebruik van foltering ten laste leggen.

Gelukkig had een van de buren van de gedaagde, Jacob van der Merwe, dit precies mee aangezien. Hij kon in de verklaring nummer 2 onder ede bevestigen dat hij die slaven, genaamd Januarij en Lea, vast had zien staan met hun voeten op de grond.

Welk verstandig mens zou nu geloven dat de meid Lea, terwijl de jongen Januarij en...

Bekijk transcriptie 


Onbekende persoon liet een persoon 10 of 12 slagen met de sjambok (zweep) op haar blote billen geven, maar hees haar niet aan een balk op. De reden van haar weglopen was waarschijnlijk niet die verdiende 10 of 12 slagen, en ook niet de dood van haar zoontje. Dat kind, genaamd Phillis, stierf ongeveer een maand na haar weglopen aan stuipen. De laatst gegeven reden voor haar weglopen was dat haar zoontje was overleden en begraven terwijl zij met de schaapskudde in het veld was en het kind dus niet had kunnen zien. Deze reden laat een deel van de fantasie van dit slechte meisje zien. Op deze manier zou zij niet aarzelen om, wie weet, allerlei ceremonies van een eigenaar te eisen als een van haar kinderen zou sterven, en als dat niet naar haar zin gebeurde, weg te lopen. Nee, de echte redenen waren waarschijnlijk dat het beter en gemakkelijker was om met de weggelopen slaaf January op kosten van de diaken of cipier van de buren een luie en gemakkelijke dag te hebben, en liever niets te doen dan op schapen te passen. Anders zou zij niet naar January zijn gelopen maar naar de overheid zijn gegaan als zij goede redenen had gehad.

Bekijk transcriptie 


De eigenaar van een overleden slaaf was verplicht om de oorzaak van het overlijden te onderzoeken. De slaven van de gedaagde beschuldigden hun eigenaar en zijn vrouw van leugens op een heel erg ernstige en goddeloze manier. De gedaagde dacht dat de slaven dit deden omdat ze hoopten een nieuwe eigenaar te krijgen die hen beter zou behandelen, iemand die hen misschien minder of helemaal niet zou laten werken voor eten en kleding, en hen alleen voor de show zou houden. De gedaagde zei zelf dat hij zijn slaven netjes en christelijk behandelde, maar hen ook moest laten werken omdat hij niet kon betalen voor hun eten en kleding zonder dat zij werkten, terwijl hijzelf ook moest werken.

De aanklager (Eijssche) gebruikte deze verklaringen van de slaven tegen hun eigenaar, samen met een verklaring of document van Johan Balthazer Guilliam, om een aanklacht in te dienen tegen de gedaagde wegens mishandeling van zijn slaven. De gedaagde vond dat deze beschuldigingen onwaar waren en dat het document niet serieus genomen moest worden.

Bekijk transcriptie 


Gedagvaard werd Christiaan Frederik Matthes, als speciale gemachtigde van landdrost Johannes Kuun, tegenover aanklager Lucas Sigismundus Faber, landdrost van Stellenbosch en Drakenstein. De aanklacht betrof mishandeling van slaven van de gedaagde, met name van zijn slaaf Januarij van Madagascar.

Het is onbetwistbaar en droevige ervaring leert het maar al te veel, dat er in landen waar slavernij bestaat genoeg mensen zijn, zelfs die de naam van christenen dragen, die echter niet als christenen maar zelfs als onmensen degenen behandelen die het ongeluk hebben onder hun eigendom te vallen. Deze eigenaren denken er weinig aan dat deze lijfeigenen en heidenen, al zijn ze met geld betaald, ook mensen zijn, aan wie men de plichten van het natuurrecht en van het christendom verschuldigd is, en dat er een dag zal verschijnen.

Bekijk transcriptie 


C. L. Neethling, secretaris, heeft als commissielid getekend, samen met T. C. Ronnen, Kamp en A. Brink.

De ondergetekende chirurgijn heeft zich 3 februari 1770 op bevel van landdrost L. S. Faber begeven naar de Hottentotse Hollandse stoof. Daar heeft hij in aanwezigheid van de landdrost en afgevaardigde heemraden het dode lichaam onderzocht van een slaaf genaamd January van Madagascar, die toebehoorde aan landbouwer Joh. Kuun. Hij vond enkele slagen op zijn rug, terwijl de billen volledig gekneusd en overal opengeslagen waren. Omdat de jongen niet verbonden was geweest, was zijn achterste al door koudevuur aangetast en gaf het een ondraaglijke stank af. Aan het hoofd of gezicht kon geen kneuzing en nog minder een wond of bloed worden waargenomen. Dit bevestigde Johan Batthasar Guilliam, chirurgijn. Getekend in Stellenbosch op 4 februari 1779.

Bij herondervraging verscheen voor de ondergetekende commissieleden uit de Achtbare Raad van Justitie van dit gouvernement de eerder genoemde chirurgijn Guilliam. Zijn eerdere verklaring werd van woord tot woord duidelijk voorgelezen. Hij verklaarde daarbij te blijven en wilde niet dat er iets meer aan toegevoegd of afgedaan zou worden.

Bekijk transcriptie 


Januarij had gevraagd om losgelaten te worden, maar haar meester had gezegd dat zij in die positie opgehangen zou blijven totdat zij zou bekennen. Om geschreeuw te voorkomen zou zij de hele nacht in de kelder op dezelfde manier opgehangen blijven. De aangever zei daarom, om van de pijn verlost te raken, dat zij samen met Januarij was geweest, hoewel dat niet waar was. Toen zij dit zei, werd zij bij het vallen van de avond van de balk losgemaakt en buiten bij de kelder op een plank gebonden. Hoewel zij zwanger was, werd zij hard geslagen met zweepstokken. De littekens waren nog steeds op haar lichaam te zien. Terwijl de aangever aan een balk in het woonhuis opgehangen was, hoorde zij Januarij buiten hard schreeuwen toen hij zijn toegedeelde slagen ontving.

De aangever verklaarde verder dat er geen maand voorbijging zonder dat op bevel van haar meester een slaaf aan een balk werd opgehangen, op een plank werd gebonden of in een strafbok werd gespannen en zo gemarteld werd. Ook werden er bijna dagelijks gewone straffen uitgedeeld. Haar meester gaf regelmatig opdrachten aan een bij hem wonende Europeaan, die zijn neef was en Tregard heette, om het volk maar te straffen en te slaan.

Bekijk transcriptie 


De vrouw vertelde dat ze eerst met een sjambok (een zweep) was gestraft doordat ze aan een balk was opgehesen. Door de ontvangen slagen en door de dood van haar zoontje was ze verdrietig geworden. Haar zoontje was overleden terwijl zij met de schaapskudde in het veld was geweest, en hij was begraven zonder dat zij hem had kunnen zien. Hierdoor was ze uiteindelijk weggelopen en had ze zich naar schatting ongeveer 1 maand bij het gebergte opgehouden, niet ver van de plek van haar eigenaar.

De vrouw werd op een dag, kort na de middag, onder een klip bij het gebergte ontdekt door:

Nadat ze naar de plek van haar eigenaar was gebracht, werden op zijn bevel bij zijn woonhuis eerst haar handen met een riem op haar rug aan elkaar gebonden. Vervolgens werd ze aan die riem en dus aan haar handen aan een balk opgehesen, zo hoog dat haar tenen nog maar net de grond konden raken. Dit gebeurde om haar te dwingen te bekennen of ze zich tijdens haar weglopen samen met eerdergenoemde Januarij had opgehouden.

Het pijnlijke hangen veroorzaakte de vrouw veel pijn, waardoor ze hard schreeuwde en om...

Bekijk transcriptie 


Baatjoe van Boegies verklaarde dat hij het volk maar moest raken met een piek, schoffel of wat hij maar in handen kon krijgen, met de toevoeging: raak maar, want ik heb met mijn geld gekocht, en als er een doodgeslagen is, kan ik wel weer een ander kopen. Hij gaf verder niets meer aan verklaringen. Hij was bereid om, indien gewenst, dit later opnieuw te bevestigen.

Dit gebeurde in het Kasteel de Goede Hoop ten overstaan van de klerken Frederik Wilhelm Alleman en Johan Adolph Kuuhl als getuigen, die het document samen met de aangever en de secretaris hebben ondertekend. Secretaris C. J. Neethling bevestigde dit.

Bij nadere bevestiging verscheen voor de commissarissen uit de Raad van Justitie de genoemde Baatjoe van Boegies. Nadat zijn afgelegde verklaring van woord tot woord duidelijk was voorgelezen, verklaarde hij daar volledig bij te blijven. Hij wilde niets laten toevoegen of weghalen, behalve dat een zekere slaaf genaamd Baatjoe, of toen hernoemd tot Bantam, omdat hij weggelopen was, geknield werd met een ketting die met een ring om een van zijn benen was vastgemaakt en verder aan de hals met een slot was vastgesloten.

Bekijk transcriptie 


Januarij werd uit de Poolse bok (een strafwerktuig) losgemaakt en op bevel van zijn eigenaar door Tregard met zijn halve lichaam in een kuil met water gedompeld. Hierdoor raakte hij bijna dood. Daarna werd hij naar het slavenhuis bij het vuur gebracht waar hij weer bijkwam. 2 dagen na de ontvangen slagen moest hij met zijn eigenaar naar Kaapwaarts vertrekken. Tijdens deze reis is Januarij overleden.

Een andere slaaf van de Compagnie genaamd September was enkele jaren geleden weggelopen vanwege de tirannieke behandeling door zijn eigenaar. Nadat hij op Drakenstein gevangen was genomen en op Stellenbosch gestraft was voor zijn weglopen, werd hij bij thuiskomst voortdurend geslagen en mishandeld. Enige tijd daarna werd hij dood in de bosjes gevonden, waarschijnlijk door hartzeer.

De Compagnie verklaarde verder dat:

  • er geen maand voorbij ging zonder dat 1 of meer van zijn medeslaafden aan een balk werd opgehesen, op de ladder gebonden of in een Poolse bok gespannen en streng gestraft werd
  • dagelijks bijna doorlopend slaag werd uitgedeeld
  • de baas van de Compagnie en een bij hem wonende Europeaan die zijn neef was, genaamd Tregard, voortdurend [tekst breekt af]
Bekijk transcriptie 


Januarij moest tijdens het hoeden van schapen van een meisje genaamd Lea oppassen, maar deed dit niet naar de zin van zijn eigenaar. De eigenaar dacht dat er 2 schapen vermist waren geraakt. Hiervoor werd Januarij aan een balk opgehesen en gestraft, waarna hij wegliep.

Januarij bekende direct dat hij Lea tussen de klippen bij het gebergte had zien lopen. Hij werd losgemaakt en door zijn eigenaar opgedragen om Lea te gaan zoeken. Januarij ging samen met Carel Fregard en 2 andere slaven naar het gebergte waar hij Lea had zien lopen. Ze vonden Lea daar onder een kleed en brachten haar naar huis.

Toen werd Januarij aan een poolse bok vastgebonden en zwaar gestraft met takken van de quepeer op zijn blote billen. De slavin Lea, die toen zwanger was, werd eerst met haar handen op haar rug samengebonden. Aan deze gebonden handen werd ze aan een balk opgehesen, zodanig dat haar tenen net de grond raakten, en zo hing ze tot de avond. Vervolgens werd ze op een leer vastgebonden en eveneens zwaar geslagen met takken van de quepeer.

Bekijk transcriptie 


Januarij werd met kwepeertakken ongeveer een uur lang zwaar geslagen en mishandeld. Nadat Januarij weer uit de Poolse bok (een strafwerktuig) was losgemaakt en naar een kuil met water was gegaan om daar een stuk vel te halen dat in stukken gesneden bij de wagen gebruikt kon worden, volgde meester Tregeerd hem daarheen en duwde hem van achteren in die kuil met water. Hierdoor raakte Januarij bijna halfdood. Hij werd vervolgens naar het slavenhuis bij het vuur gebracht en kwam daar weer bij.

De volgende dag reed de baas van de Compagnie met een ossenwagen, samen met Tregard, Januarij en Jephta, richting De Kaap. De baas van de Compagnie sloeg toen Januarij, die ossenleider was geweest, 2 keer met de achterste ossensjambok omdat hij niet sterk genoeg naar de zin van zijn baas had kunnen lopen. Hierdoor raakte de jongen zo erg gewond dat hij op de grond viel en wel een half uur zo bleef liggen. Dit gebeurde ondanks dat hij al zijn krachten had gebruikt om van de grond te komen. De aanklager zei toen tegen zijn baas: baas moet die jongen niet meer slaan, want hij zal anders op het pad blijven liggen. Hierop sloeg de meester van de aanklager hem ook omdat hij dat had gezegd. Toen de baas van de aanklager zag dat die

Bekijk transcriptie 


Johannes Mauk, van bevoegde leeftijd, verklaarde het volgende. Op 31 januari van dit jaar, 's avonds tegen zonsondergang, was hij te voet van zijn woning gelegen aan de voet van de genoemde kloof naar de lager gelegen plaats van burger Matthias Le Roux gegaan om daar een rijpaard te vragen waarmee hij naar de plaats van weduwe Odendaal gelegen in het Moddergat wilde rijden. Net beneden op genoemde kloof waar de weg naar zijn woning uitkomt, had hij de landbouwer Johannes Kuun met zijn vrouw ontmoet, die met hun wagens daar langs richting Kaap reden. Kuun had gevraagd waar hij naartoe ging. Hij had geantwoord: naar de plaats van voornoemde Le Roux. Daarop had Kuun gezegd dat hij tot zover met hem mee kon rijden, waarop hij zich op de wagen bij genoemde Kuun had gevoegd. Tijdens het verder rijden, toen ze aan deze kant van de bovenste kraal of uitspanplaats waren aangekomen, had genoemde Kuun tegen hem gezegd dat hij een jongen bij zich had die ziek was. Verder vroeg hij of hij die jongen bij zich wilde nemen en verzorgen totdat Kuun weer terug van de Kaap zou zijn gekomen, waarvoor hij dan zou betalen.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/