Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


In 1490 werd vastgelegd dat voor het kopen van grond – bijvoorbeeld voor nieuwe gebouwen – of voor andere doelen toestemming moest worden gevraagd aan het huis van negotie (een handelsorganisatie) van Kerkhoren en Coutenho. Dit huis was verantwoordelijk voor het behartigen van de belangen van een bepaalde plantage (landbouwbedrijf in koloniën). De organisatie kreeg de volgende taken en bevoegdheden: Alle verdere instructies of opdrachten die Kerkhoren en Coutenho later aan de vertegenwoordigers van het huis van negotie zou geven (per brief, notitie of anderszins), golden als onderdeel van deze afspraak.
Bekijk transcriptie 


In Suriname woonden 484 eigenaren van de plantage Adrichem (inclusief bijbehorende gronden) die niet aanwezig waren. De heer N. Boo was de enige ter plaatse, gevolgd door Jan Unies Wilkens, J.n Planteau, E. Reijns, E. Thijm en als laatste J. H. Schultz J.Z. Zij werkten steeds met z’n tweeën. Deze mannen kregen de taak om namens de afwezige eigenaren: Zij mochten geen extra kosten maken zonder toestemming.
Bekijk transcriptie 


In 1657 was Anna Catharina Rerkhoven (ook bekend als Snit), de weduwe van George Curtius, samen met vier anderen elk voor een vijfde deel eigenaar van de plantage Adrichem in Suriname. Deze plantage lag aan de Matapica-kreek in een nieuw gebied. Door erfenissen is de eigendom nu veranderd: De betrokkenen geven J. M. Klein en J. C. Fuchs volmacht om namens hen op te treden. Als een van deze twee overlijdt, weigert, afstand doet, Suriname verlaat of om een andere reden stopt, mag de ander alleen verdergaan.
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Arnoldus Laurens Kerkhoven, een 18-jarige man uit Amsterdam, laat op 1 november 1805 bij notaris Engelbertus Marinus Basker een verklaring opstellen. Hij staat op het punt te vertrekken naar de kolonie Suriname en wijst twee mannen aan als zijn executeurs (uitvoerders van zijn laatste wil) en verzorgers van zijn begrafenis voor het geval hij tijdens de reis of in Suriname komt te overlijden: Mocht een van hen overlijden, afwezig zijn of om een andere reden niet beschikbaar zijn, dan treedt Pierre Gabriel Sabadie-Roulleau (ook in Suriname) in hun plaats. Zij krijgen de opdracht om na zijn overlijden zijn erfenis (na aftrek van kosten) over te maken aan zijn moeder, Anna Elisabeth Minkema, de weduwe van Pieter Kerkhoven. Hij sluit uit dat de weeskamer, een curator (voogd) of anderen zich met zijn erfenis zullen bemoeien. De akte wordt ondertekend in Amsterdam in aanwezigheid van de getuigen Jan Hendriq van Munster en Dork Anthonij van der Teen.

Op 1 juli 1809 bevestigt Leonard Hendrik Raatgever in Paramaribo (Suriname) voor Jan de Koff, Eerste Gezworen Clerk (ambtenaar), dat het document met Kerkhovens laatste wil echt is en door hem is ondertekend. Raatgiever verklaart dat Kerkhoven minder dan 5000 gulden bezit. Het document wordt verzegeld met het officiële stempel van 4 gulden en voorzien van Kerkhovens handtekening op de vier hoeken en drie tussenruimtes. Getuigen hierbij zijn Jean Elie Genarden en Evert Jan Weesenhagen.

Op 10 juli 1809 wordt de akte geregistreerd door Jan de Koff, nu als Tweede Gezworen Clerk. Hij bevestigt dat het origineel overeenkomt met de door Kerkhoven ingeleverde versie.
Bekijk transcriptie 


In 1823 werden in Ommen en Avereest verschillende stukken land en goederen verhuurd en verkocht. Hier een overzicht: Verhuur van land in Avereest: De huurders die niet konden schrijven, zoals Jacobus Jansen Geert, Kortink, Andries Arend Krinse, Jan Nrends Peter, Berend Eybers Klapbor en Meines Middelveld, bevestigden de overeenkomst met hun handtekening of merk. De akte werd op 30 oktober 1823 opgemaakt door notaris Klaas te Linde Geerts in aanwezigheid van getuigen Jan Hendriks Bucker en Willem Ritman, een eigenaar uit Ommen. Openbare verkoop in Ommen: Deze gebeurtenissen werden vastgelegd in officiële documenten, waaronder een register van openbare verkopingen onder nummer 298.
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


De tekst bevat een lijst met namen, data, woonplaatsen en transportgegevens van mannen, waarschijnlijk militairen of gevangenen, uit het begin van de 20e eeuw. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste informatie:

Deze personen woonden in verschillende steden zoals Den Haag, Delft, Leiden, Rotterdam, Amersfoort en kleinere plaatsen zoals Heijningen, Boskoop en Piezen. De adressen variëren van straten zoals de Lange Vijverberg en Wierstraat in Den Haag tot plattelandsadressen zoals Posteinde 244 in Oudkoop.

Er worden ook transporten genoemd, waarbij groepen mannen werden verplaatst. Voorbeelden hiervan zijn:

De tekst vermeldt ook enkele andere namen, zoals Bernard Hendrik Vreij, Petrus Fransiscus, Johannes van Dalen, Adam Vink, Sam den Heijer, Evert Marius, Pieter David, Jan Gerrit Marinus en Herman Scholman, met bijbehorende data en woonplaatsen zoals Nieuwenhoven, Stokhem, Meurs en Zijlmans Jonker.

Bekijk transcriptie 


Op 24 oktober 1871 werd in Ardjasari een verslag opgesteld over een verzoek om een nieuwe hoofdelijke belasting in te voeren in Benkoelen (nu Bengkulu). Hierin werd verwezen naar een brief van de assistent-resident van Benkoelen uit 16 maart 1870, die zijn mening gaf over een ontwerp voor deze belasting. Dit ontwerp was bedoeld om bestaande verplichte arbeid (zoals pepes en heosi) te vervangen door een geldelijke belasting. De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië had op 6 april 1870 om advies gevraagd. Omdat er meer informatie nodig was, werden ook lokale leiders geraadpleegd. Op 1 december 1870 werden hun reacties doorgestuurd. Uiteindelijk kreeg de regering op 28 juli 1870 toestemming van de Nederlandse koning om de belasting in Benkoelen in te voeren. De assistent-resident stelde voor om niet alleen gezinshoofden, maar ook ongehuwde mannen (zoals die op rijstvelden werkten) te belasten. De discussie ging verder over de precieze regels voor de belastingheffing onder de Maleise bevolking.
Bekijk transcriptie 


Op 21 oktober 1897 ging Rudolph Eduard Rerkhoven, een erfpachter en pandhouder uit Gamboeng bij Bandoeng in de Preanger Regentschappen op Java, naar Jan Evenblij, een notaris in Amsterdam. Daar gaf hij officieel toestemming aan twee mannen om namens hem op te treden: Rerkhoven gaf deze twee mannen de macht om: De twee mannen mochten dit zowel apart als samen doen.
Bekijk transcriptie 


In een oude tekst worden gegevens gegeven over hoffijtuinen (een soort boomgaarden of plantages) in Gamboeng. Deze tuinen werden beheerd door verschillende personen en families, zoals:

De tekst vermeldt ook de namen van de eigenaren van de tuinen, zoals Windoe tjena Sambdenoeijseng, Windoe Gina Vambagzoeijveng, Windoe Aina Sambalgroeijdeng en Goenoeng patorha Gauldoeug. Daarnaast staan er lange lijsten met cijfers in de tekst. Deze cijfers gaan over:

De tekst bevat ook een opsomming van aantallen bomen per jaar en per tuin, zoals:

Daarnaast worden er afstanden genoemd, zoals 15, 22 of 56 kilometer, en totale aantallen bomen per gebied, zoals 4.400, 8.670 of 46.400. De tekst is vooral een overzicht van statistieken over deze tuinen, hun eigenaren, de hoeveelheid bomen en de ligging ten opzichte van dorpen.

Bekijk transcriptie 


Catherina van Panten en dr. William Last Miller (een docent scheikunde aan de universiteit in Sarnia, Canada), een getrouwd stel uit Sarnia, gaven op 22 februari 1898 een officiële volmacht aan mr. Johannes Engenus Huuny (lid van de Raad van State in 's-Gravenhage). Met deze volmacht mocht Huuny namens Catherina (als mede-erfgename) de volgende zaken regelen voor de nalatenschap van haar overleden tante, Mathilde Kerkhoven: Huuny mocht zelf iemand anders aanwijzen om deze taken over te nemen en hoefde achteraf geen toestemming te vragen voor zijn beslissingen. William Miller handelde hierbij ook namens zijn vrouw. Mathilde Kerkhoven had geen familie achtergelaten die recht had op haar erfenis.
Bekijk transcriptie 


Op 10 juni 1798 om 11 uur 's ochtends stelde Martinus Nicolaas Beets, notaris in Haarlem, een officiële lijst op van de bezittingen van Mathilde Kerkhoven. Zij was ongetrouwd en kinderloos overleden op 5 maart 1798 in het psychiatrisch ziekenhuis Heerenberg in Bloemendaal. Omdat ze geen testament had gemaakt, werd haar erfenis verdeeld onder familieleden.

De beschrijving vond plaats in het huis van Johannes Bosscha, een voormalig hoogleraar die woonde aan het Spaarne 17 in Haarlem. Hij was getrouwd met Paulina Emilia Kerkhoven, een zus of naaste familielid van de overledene. Aanwezig waren ook twee getuigen: Carel Joseph Bakte (kantoorassistent) en Carel Lodewijk Froel (kachelmaker), allebei uit Haarlem.

Johannes Bosscha trad op namens zichzelf en zijn vrouw, en als vertegenwoordiger ("lasthebber") van 9 andere familieleden:

Daarnaast was Johannes Eugenius Hennij (lid van de Raad van State, 's-Gravenhage) aanwezig als vertegenwoordiger van Rudolph Albert van Santen (handelsmedewerker in Soerabaja), op basis van een volmacht uit 22 februari 1798.

Bekijk transcriptie 


29 mei 1908 trouwden in Amsterdam twee stellen:
Bekijk transcriptie 


Helena Henrietta Stijgers (ook wel Henrietta Stijgers genoemd), weduwe van Jan van Rossen, woonde in Beverwijk maar was op 24 mei 1802 in Haarlem aanwezig. Zij trok haar eerdere aanstellingen van executeurs (uitvoerders van een testament), voogden en beheerders in, zoals vastgelegd in haar testament van 22 februari 1797 bij notaris Adam Houtkoper in Amsterdam. Ook alle latere aanstellingen verklaarde ze ongeldig. Ze benoemde opnieuw drie personen als executeurs van haar testament en toekomstige beschikkingen: Deze drie kregen volmacht om: Ze sluit hierbij de Weeskamer (instantie voor wezen) en rechtbanken in Beverwijk en andere plaatsen waar haar nalatenschap zou kunnen vallen, uit van bemoeienis. Om dit na haar overlijden te kunnen aantonen, vraagt ze om een officiële akte en afschrift. De akte werd opgemaakt in Haarlem, met als getuigen Petrus Engesmet en Jan Andries Bresser. Henrietta Stijgers ondertekende met een kruisje (+), bevestigd door notaris P.P. Kuenen.
Bekijk transcriptie 


Op 4 juli 1914 werden in Amsterdam verschillende geboortes geregistreerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht:

Op 6 juli 1914 werden nog twee geboortes geregistreerd:

Bij een eerdere akte (20 januari 1912) werd een kind erkend door Hendrikus Portegies Zwart (voorheen Portegies Zwart of Tortegies Zwart), na een beslissing van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam (3 september 1929).

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 9 juni 1638 's ochtends besloten de kapiteins onder leiding van de Nederlandse vloten om posities in te nemen bij Mardijke en Oostende. De schepen werden als volgt verdeeld:

De vloten zagen een Engels konvooi passeren, waarvan enkele koopvaardijschepen het Scheur (een zeegat) invaren, terwijl de rest met twee schepen uit Lübeck door De Braak (een zeestraat) naar de kust van Oostende en Nieuwpoort voer.

Op 8 juni 1638 's ochtends spraken ze de Maassche vloot (uit Zierikzee) en de Maloosche vloot (uit Dunkerke), die beide op weg waren naar hun vaderland. Er was geen vijand gesignaleerd. Een sloep werd naar land gestuurd en bracht het nieuws dat binnen 14 tot 21 dagen ongeveer 20 schepen uit Dunkerke zouden vertrekken bij de eerste oostenwind. De vloot zette zeil en voer langs Calais naar Dunkerke, waar ze 's middags in De Braak voor anker gingen. Viceadmiraal Jan Everts en Kapitein Hollaer kwamen bij hen voor Mardijke.

Op 5 juni 1638 's ochtends haalden ze met sloepen water aan land. 's Middags lichtten ze het anker en kruisten rond de Hoofden (een gebied bij Dunkerke) met weinig wind. Op 6 juni 1638 voeren ze met zuidwestenwind en goed weer. Een konvooi van 7 schepen (2 konvooiers en 5 boeiers) uit Heynhooft (vermoedelijk Den Helder) werd gesproken; ze waren op weg naar Texel. Sommige schepen kwamen uit Rio de la Plata, West-Indië, Spanje en andere gebieden. 's Avonds voeren ze richting Dover.

Op 10 juni 1638 dwongen ze twee Engelse schepen uit Dunkerke (de Thomas Carrij uit Lynn en de Francois Godvrij uit Sandwich) met schieten om bij hen voor anker te gaan. De schepen meldden dat er een grote vloot in Dunkerke lag, bestaande uit 12.000 man (soldaten, matrozen en burgers). Ook zouden de Spanjaarden enkele Franse schepen bij Sint-Omaars hebben verslagen. De schepen mochten vertrekken, maar kregen het verbod om 's nachts onder hun wacht te komen. 's Nachts kwam een Frans schip uit het westen onder het fort van Dunkerke.

Op 11 juni 1638 passeerde een Franse kaapvaarder (piratenschip) westwaarts. Commandeur Bancker stuurde 2 schepen westwaarts om vijandelijke schepen tegen te houden. 's Avonds passeerden 6 of 7 schepen langs zee, buiten de zandbanken, koers westwaarts.

Op 12 juni 1638 vertrok een Engels konvooi uit het Scheur met 15 schepen, waaronder 2 grote fluitschepen (koopvaardijschepen). Kapitein Brederode en Abram Crijns werden eropuit gestuurd om de fluitschepen van het konvooi af te scheiden. Abram Crijns moest passagiers naar Vlissingen brengen om te bevoorraden, terwijl Brederode de schepen moest controleren. Kapitein Coulster kwam bij hen voor anker; hij had de Franse ambassadeur naar Vlissingen gebracht. Twee Engelse koopvaarders voeren met vloed het Scheur in, maar hun konvooier ankerde buiten De Splinter (een zandbank).

Op 13 juni 1638 bracht een sloep uit Calais een brief van Glargius met het nieuws dat er een koopvaardijschip met paarden en Spaanse passagiers in het Engels konvooi zat. Een brief van de Nederlandse fiscale officier uit Dover bevestigde dat er in Dunkerke grote voorbereidingen voor een vloot werden getroffen. Een Engels bootje uit Dunkerke werd gevolgd door een groot vijandelijk fregat. Kapitein Baselaer, Matthijs Gillis, Frans Jansen, Abram Crijns, Jan van Diemen, Claes Ham en het jacht Bouchorst vuurden ongeveer 100 schoten af op het fregat en de stad. 's Avonds voer Abram Crijns naar huis om te bevoorraden, met brieven voor hun hogere leiding om manieren voor bevoorrading voor te stellen.

Op 14 juni 1638 vernamen ze dat 's nachts uit Dunkerke het fregat van Boer Jaep en de bark van La Motte het Scheur waren binnengekomen. Een Franse edelman uit Vlissingen bracht een bevel van 11 juni: als schepen van de Franse koning in Nederlandse gebieden gebouwd en onder hun vloot zouden komen, moesten ze begeleid worden tot Île de Ré. Deze schepen zouden tussen 15 en 20 juni klaar zijn. Bij hoogwater lichtten ze het anker en voeren dicht langs Dunkerke. Een Engels en een Lübecks koopvaardijschip verlieten de haven met een vijandelijk fregat. Toen de stad op hen begon te schieten, vuurden ze ongeveer 250 schoten af op de stad en het fregat, maar ledigden weinig schade. Bij laagwater ankerden ze op 20 vadem diepte.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


In 1675 werden twee schepen en een half jacht uitgerust voor de kust van Vlaanderen onder leiding van het Collegie ter Admiraliteit in Zeeland: De totale maandelijkse kosten voor beide schepen en het halve jacht bedroegen 14.194 gulden, 15 stuivers en 10 penningen.
Bekijk transcriptie 


De Nederlandse Republiek rustte vier schepen uit voor twee verschillende missies:
Bekijk transcriptie 


De Nederlandse vloot bereidde zich voor op actie in 1652:

Op 28 november:

Op 29 november:

De heren van der Steen, Meerman, Nieupoort en de Hase kregen de opdracht om dit verder te regelen.

Bekijk transcriptie 


In 1713 werd een vloot samengesteld met de volgende schepen en kapiteins: Daarnaast waren er een jacht (50-60 lasten, bekleed met koper) en een fregat (50 lasten, bekleed met koper), elk met een kostprijs van 1027 gulden en 10 stuivers. De totale bemanning van de 7 schepen, het jacht en het fregat bestond uit: De maandelijkse soldij (loon) en onderhoudskosten voor deze bemanning bedroegen 17.998 gulden en 10 stuivers. Per jaar kwam dit neer op 215.985 gulden. De schepen waren bedoeld als konvooi (begeleiding en bescherming voor andere schepen). De kosten voor de musketiers op elk van de 7 schepen bedroegen per maand 192 gulden en 10 stuivers, wat voor alle schepen samen neerkwam op 2047 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie 


Op 2 juni 1856 stuurde het Ministerie van Koloniën in 's-Gravenhage een brief naar Luderus to Nieuwkamp in Amsterdam. Hierin stond dat er een kistje, gemerkt met H1. N., was afgeleverd bij het Koloniaal Magazijn in Amsterdam. Dit kistje kwam uit het Officiers Kledingmagazijn en bevatte een blikken trommel met daarin 5 pond, 173 el en 8 Nederlandse ellen wit piqué (een soort stof). De waarde van de inhoud was 10 gulden en 53 cent, en de kosten voor het kistje bedroegen 430 gulden en 54 cent.

Deze zending was gedaan volgens een opdracht van 29 november 1855 (nummer 20). Op 5 juni 1856 ontving Luderus to Nieuwkamp het bedrag van 430 gulden en 54 cent in Amsterdam.

Op 9 juni 1856 werd er nog een brief gestuurd (nummer 125) over deze levering. Ook werd er een bedrag van 15 gulden genoemd voor kosten die gemaakt waren op 15 juli (waarschijnlijk hetzelfde jaar).

Op 24 juni 1856 werd een bedrag van 800 gulden en 74 cent vermeld, mogelijk als betaling of vergoeding via een banktransactie door een administrateur met een notitie van Doiry.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/