Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Sara van de Caab, een slavin van 40 jaar oud, eigendom van oud-bestuurder Hendrik Louw, verscheen voor de rechtbank in Kaap. Ze verklaarde dat ze ongeveer 8 jaar geleden was weggelopen met een andere slaaf genaamd Salomon. Ze waren gevlucht omdat ze haar eigenaar niet tevreden kon stellen en daarvoor steeds straf kreeg. De ondervraging werd geleid door Oloff Godlies de Wet, die werkte als handelaar en magistraat van Stellenbosch en Draakensteijn. De verklaring werd ondertekend door rechters Salomon van Egten en Gerrit Hendrik Meijer, samen met griffier H.L. Bletterman.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10975 / 0132  


De eigenaar Le Roux ontkende dat hij zijn slaaf Augustus toestemming had gegeven om gezag uit te oefenen over andere slaven. Dit zou namelijk het gezag van de knecht ondermijnd hebben. In plaats daarvan had hij dit jaar tegen Augustus gezegd dat als hij hard zou werken in de wijngaard en het werk snel af zou hebben, hij een mooie zakdoek zou krijgen. Ook had Le Roux tegen een andere slaaf, Oude December, gezegd dat hij als oudste slaaf van het terrein goed moest werken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0650  


Augustus de Kirrij had zijn deur op slot gedaan en gooide daarna uit eigen beweging zijn wapen weg. Hij ging daarna naar zijn medeslaaf December toe en schold hem uit. Hij zei dat hij hem ook moest hebben. Augustus pakte December bij zijn hand en hield hem vast. Hij trok toen een groot mes uit een schede die in zijn broekband stak. Hij probeerde December te verwonden. December zag dit aankomen en pakte de hand van Augustus vast waarin het mes zat. Augustus rukte zich toen met kracht los, waardoor December een snee in zijn vinger kreeg.

Omdat de mensen van Roux deze sterke jongen niet konden vangen, had Francies in het geheim de knecht van de nabijgelegen plaats Veldhuijsen laten roepen. Dit landgoed was van weesmeester Gerhardus Hendrik Bruijwagen. Toen deze knecht met wat mensen aankwam, was Augustus net in de keuken aan het eten. Op dat moment werd hij gevangen genomen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0641  


Alexander van Maccassar en August van madagascar waren in de keuken om eten te krijgen. Alexander werd geslagen en lag bloedend op de grond. De slavenjongen September probeerde samen met August een graaf uit iemands handen te trekken. August kwam daarna met een stok de keuken binnen en dreigde zowel de oude slavenjongen Casar als de getuige te slaan. De getuige nam toen Casar bij de hand, ging met hem een kamer in en sloot de deur achter zich.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0637  


Een knecht genaamd Francies van de Caab kwam tussenbeide tijdens een gevecht. Hij nam een graaf (schop) af van de gevangene. Toen hoorde hij dat de slaaf Alexander door de gevangene met de graaf was geslagen. De gevangene antwoordde daarop dat het nog niet genoeg was en dat hij Alexander nog meer wilde geven.

Francies zag Alexander buiten de kombuis op de grond liggen. Omdat het donker was, zag hij toen geen bloed of verwondingen. Francies ging door met het afsluiten van de deuren en ramen van het woonhuis. Daarna stak hij een kaars aan en zag hij een plas bloed buiten de kombuisdeur, maar Alexander was toen niet meer op die plek te vinden. Francies meldde dit aan de mensen die in de kombuis waren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0611  


De koopman en tijdelijke openbaar aanklager Olof Martini Bergh diende een aanklacht in tegen Augustus uit Madagascar, een slaafgemaakte die eigendom was van burger Jan Le Roux de Jonge. De aanklacht betrof een moordzaak. De aanklager voegde bij zijn eis een verslag en 5 verklaringen toe, plus een vrijwillige bekentenis van de gevangene. Deze stukken waren gemarkeerd van A tot G. Uit deze documenten bleek dat de gevangene op zaterdag 14 september samen met andere slaafgemaakten...

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0609  


Jacobus Pienaar de Oude, die 9 maanden in de regio woonde, ging wreed om met zijn slaven. Hij was aan de drank en strafte ze voor kleine vergrijpen door hen vast te binden of op te hijsen en daarna te slaan. Zijn zoons Pieter en Daniel Pienaar namen dit gedrag over. Pieter Pienaar, die nog de minst erge was, sloeg de slavin Hanna regelmatig met gereedschap en andere voorwerpen die hij kon vinden, zoals:

Hanna, die normaal in de kamer van haar meester werkte, was soms ongehoorzaam. Na een militaire oefening in Stellenbosch kwam Pieter Pienaar thuis en ontdekte dat Hanna was weggelopen. Een paar dagen later reed hij met een koets naar landbouwer Jan Plessies en nam de getuige mee.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0367  


De slaaf Alexander wilde uit de kombuis (scheepskeuken) zijn spullen halen. De slaaf Augustus uit Madagascar volgde hem met een graaf in zijn handen. Toen Alexander buiten de deuropening was, sloeg Augustus hem met de scherpe kant van de graaf tegen zijn hoofd. Alexander viel voorover op de grond en zijn hoofd begon hevig te bloeden. De slaaf September sprong toen toe en probeerde de graaf van Augustus af te pakken. Toen Augustus de graaf niet wilde loslaten, kwam de vrijgemaakte zwarte man Francies, die daar als knecht werkte, erbij. Francies rukte de graaf uit Augustus' handen. Augustus kreeg toen een andere graaf te pakken en sloeg daarmee de slaaf December in zijn rug. Francies pakte ook deze graaf weer af. Toen Augustus vervolgens een knopkerrie (knuppel) oppakte en probeerde de oude slaaf Caesar ermee te slaan, trok de oude slavin Cathrijn Caesar snel weg naar een kamer en sloot de deur.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0640  


Pieter Pienaar kwam langs op de boerderij van Jan Plessies. De weggelopen slavin Hanna zat verstopt in de bosjes op een heuvel vlakbij. Ze vroeg Jan Plessies om een goed woordje voor haar te doen bij haar eigenaar zodat ze geen straf zou krijgen. Pieter Pienaar zei dat dat niet zou helpen en nam haar mee naar huis.

In de schemering thuis aangekomen, beval Pieter Pienaar aan zijn slaven Galant en Frans om een ketting te halen. Die moesten ze over een balk hangen om Hanna met haar voeten vast te binden zodat ze niet weer weg kon lopen. Toen Hanna dit hoorde, rende ze vanuit de keuken naar de kamer waar een ziek kind van haar eigenaar Jacobus Spienaar de Oude lag. Ze wilde hem om vergiffenis vragen, maar hij zei dat dat niet zou helpen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0368  


Ongeveer 3 maanden geleden gaf Jacobus Pienaar de opdracht om samen met zijn zoon Daniel Pienaar naar het slavenhuis te gaan als iedereen sliep. De slavin Hanna had meerdere keren gedronken. De vrouw van Arij de Lange had gezegd dat deze slavin was vrijgesteld van verdere slagen. Ongeveer 6 maanden geleden, op een middag, werd de weggelopen slaaf Abraham in de keuken gebracht. Hij werd:

De slaven Elias en Constapel werden ook gestraft omdat ze waren weggelopen. Ze werden:

Ook wordt een slavin Dovinda genoemd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0376  


De slaaf Galant van Madagascar is zijn verklaring voorgelezen en hij bleef bij zijn verhaal. Dit gebeurde in aanwezigheid van de landbouwer Louis Koetse, die als gevolmachtigde optrad voor zijn schoonvader Jacobus Pienaar. De verklaring werd opgesteld in het Kasteel de Goede Hoop op 3 april 1771. Op 15 maart 1771 verscheen Johannes Petrus Geijsen van Greeveraad, een voormalig soldaat van de Compagnie, geboren in het Keulse, voor Christiaan Ludolph Neethling, secretaris van de Raad van Justitie. Op verzoek van landdrost Lucas Sigismundus Faber van Stellenbosch en Drakenstein verklaarde hij dat hij meer dan een jaar bij Jacobus Pienaar had gewoond, eerst in het Koude Bokkeveld en later in het Roode Zand. Hij had meermaals gezien dat een slavin genaamd Hanna door haar eigenaar Jacobus...

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0374  


Alexander ging de kombuis uit. Een gevangene pakte een graaf (schep) om Alexander volgens eigen zeggen een klap op zijn rug te geven. De graaf draaide echter in zijn handen waardoor de scherpe kant Alexander aan zijn achterhoofd verwondde. Alexander viel voorover op de drempel van de kombuisdeur en bloedde sterk. Een andere slaaf, September, zag dit gebeuren en riep "waarom sla je die jongen?" en probeerde de graaf af te pakken. De gevangene weigerde los te laten. De vrije zwarte knecht Francies kwam uit het voorhuis en trok de graaf uit de handen van de gevangene. Francies wist niet dat Alexander gewond was en ging weer aan het werk. De gevangene bleef niet rustig maar keerde zich tegen andere slaven. Hij dreigde de oude slaaf Caesar met een stok te slaan toen de oude slavin Cathrijn Caesar naar binnen riep.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0652  


De slavin Dorinda werd zonder uitleg door haar voorman Daniel en een kleermaker naar een kamer gebracht waar haar eigenaar sliep. Daar werd Dorinda met een riem vastgebonden. De riem werd over een balk gegooid waardoor ze alleen nog op haar tenen kon staan. Kort daarna zag de getuige hoe de slaaf Constapel door de slaven Galant en Frans, samen met de eigenaar, diens zoon Daniel en Jan Isel naar een andere kamer werd gebracht. De eigenaar sloot de deur, waardoor de getuige niet kon zien wat er gebeurde. Ze hoorde wel dat Constapel ongeveer een half uur lang werd geslagen, maar wist niet door wie. Dorinda moest tot de volgende ochtend aan de balk blijven hangen. Toen werd ze door Daniel losgemaakt, waarna Daniel en Jan Isel haar naar het wagenhuis brachten.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0357  


Een persoon legt een verklaring af over een situatie waarbij een vrouw, genaamd Bella, was overleden en begraven. De lijfknecht en Isaac van der Merve hadden toestemming gegeven om een graf te maken en het lichaam te begraven. Dit gebeurde zonder dat andere christenen of buren het lichaam hadden gezien. De getuige verklaart dat zijn meesteres, als ze boos was op de slaven, vaak zei dat het haar geld was en ze ermee kon doen wat ze wilde. Hij wist niet zeker of ze er ook bij had gezegd dat niemand haar iets kon maken als ze hen zou doden. Ongeveer 3 jaar eerder waren de slavin Rosa en haar broer Goliath weggelopen naar Kaap. Toen ze terugkwamen werden ze gestraft:

Deze verklaring werd afgelegd in het kasteel De Goede Hoop.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0320  


De slavin Hanna werd bijna dagelijks zonder reden mishandeld door haar eigenaar. Hij gebruikte daarvoor verschillende voorwerpen zoals een zweep, vuurtang en brandhout. Ongeveer 3 jaar geleden werd ze vastgebonden aan een ladder en geslagen met takken die door het vuur waren gehaald. Om aan deze wrede behandeling te ontsnappen liep Hanna regelmatig weg, maar als ze terugkwam werd ze nog erger mishandeld. De laatste keer vond plaats in de maand oktober toen ze door de slechte behandeling van haar eigenaar moest vluchten.

Een andere slavin heeft ook verklaard dat de eigenaar haar op een ladder heeft laten vastbinden en straffen. De eigenaar ontkent deze beschuldiging volledig. Alleen slavin Hanna kan dit bewijzen, andere slaven weten het alleen van horen zeggen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0333  


Op een avond werd Hanna thuisgebracht toen Pieter Pienaar op reis was met de paarden. De verteller kreeg samen met de slaven Apol en Frans opdracht om een ketting over een balk te gooien en Hanna daaraan vast te maken zodat ze niet kon weglopen. Toen Hanna dit hoorde, vluchtte ze naar de kamer waar haar eigenaar was om te smeken niet gestraft te worden. De verteller moest samen met Apollos en Frans Hanna naar het wagenhuis brengen. Daar waren ook aanwezig:

Hanna werd op bevel van Pieter op een ladder vastgebonden. De verteller en de slaven Apollos en Frans moesten haar ongeveer een uur lang met stokken op haar blote billen slaan, met tussenpauzes. Pieter en de andere burgers dronken ondertussen wijn. Pieter bekeek daarna met een kaars Hanna's billen en zei dat het nog niet genoeg was.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0372  


De slaaf July uit Bengalen, eigendom van de weduwe van Hendrik van der Merwe, legde op 7 januari 1771 een verklaring af voor secretaris Christiaan Ludolph Neethling van de Raad van Justitie. Dit gebeurde op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakenstein, Lucas Sigismundus Faber.

July verklaarde dat hij vanaf jonge leeftijd bij zijn eigenares woonde op een plaats in het Bokkenveld, vermoedelijk 'Zwaare Mond' genoemd. Hij was vaak onderweg naar Kaap en andere plaatsen van zijn eigenares, en was dus niet altijd thuis.

Hij heeft niet gezien wat er tussen zijn eigenares en andere slaven is voorgevallen, maar heeft wel waargenomen dat zij haar slaven streng behandelde. Ze sloeg regelmatig de oude slavin Bella en haar kinderen Rosa en Goliath. Hij heeft echter nooit gezien dat een van hen aan een balk werd opgehangen.

Deze verklaring werd bevestigd in het Kasteel de Goede Hoop op 5 maart 1771, met een handtekening van de slaaf Alexander en secretaris C.D. Neethling.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0318  


De slaaf Galant uit Madagascar moest op 17 maart 1771 voor de secretaris Christiaan Ludolph Neethling verklaren wat hij had gezien bij zijn eigenaar Jacobus Pienaar de oude die in Roodezand woonde. Galant vertelde dat zijn eigenaar de slavinnen Hanna, Dorinda en Leonora en de slaaf Constapel liet slaan als ze iets verkeerd deden. Hij had ook gehoord dat de slaven Abraham en Elias waren gestraft, maar hij was daar niet bij. Tijdens een militaire oefening in Stellenbosch was de slavin Hanna weggelopen. Toen haar jonge meester Pieter Coetsee, die namens Jacobus Pienaar het gezag had, thuiskwam was ze nog steeds weg. Deze verklaring werd op 3 april 1771 in het Kasteel de Goede Hoop bevestigd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0371  


Toen Warnek met twee weggelopen slaven van zijn moeder, Rosa en Alexander, voorbij liep, wist hij waarschijnlijk dat ze waren weggelopen. Warnek was bang dat als hij deze weggelopen slaven naar de rechter zou brengen, ze zouden vertellen over:

Om te voorkomen dat Warnek zou ontsnappen, stuurde hij de slaaf Andries achter hem aan. Andries riep dat zijn meester met Warnek wilde spreken. Warnek bleef staan en reed zijn meester een paar stappen tegemoet. Toen veranderde de meester van houding. Hij pakte met één hand de teugels van het paard en met de andere hand het geweer dat op het zadel lag. Hij gaf het geweer aan Andries en zei dat hij het niet aan Warnek mocht teruggeven. Tegen Warnek zei hij beledigend: "Jij schurk, jij schelm, waar wil je met de slaven van mijn moeder naartoe?"

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0553  


De slavin verklaarde dat ze op de boerderij van Landbouw bij Jan du Plessies was geweest. Haar opzichter Pieter was daar op een dag met paardenkar naartoe gereden. Hanna werd tegen de avond teruggebracht naar hun woonplaats. De slavenjongens Galant en Frans kregen toen opdracht van opzichter Pieter om Hanna in de keuken te pakken en naar het wagenhuis te brengen.

De slavin zag vanuit de keukendeur hoe de jongens Hanna daarheen brachten en hoe opzichter Pieter ook die kant op ging. Ze kon niet meer zien wat er daarna gebeurde omdat ze binnen op het zieke zoontje van haar meester moest passen. Dit gebeurde op een nacht in oktober van dat jaar, nog voor de kermis in Stellenbosch begon.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0356  


De slaaf verklaarde dat hij een half uur was mishandeld, waarbij zijn opzichter Daniel Pienaar 's ochtends bij het wakker worden had gezegd dat de slavin Dorinda die ochtend een flinke afstraffing had gehad. Ook blijkt dat de verdachte de slavin Leonora bij het wagenhuis op het erf aan een ladder had vastgebonden en haar ongeveer een half uur met takken had laten slaan, zodanig dat er bloed uit haar billen vloeide en zij lang mank liep door deze slagen.

Andere verklaringen tonen nog meer bewijs van de wrede aard van de verdachte. Het mishandelen was een gewoonte geworden. Zoals één slaaf verklaarde werd hij, hoewel hij zijn best deed en nooit was weggelopen, bijna elke ochtend voordat hij de schapen ging hoeden door zijn opzichter Daniel zonder reden met een zweep geslagen.

Men zou kunnen zeggen dat wat de zoon deed niet aan de vader kan worden toegeschreven, maar dit kwam door het voorbeeld en de opdrachten van de vader.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0336  


Catrijn van mallebaar, een slavin van de burger Jan Le Roux de Jonge, heeft op 28 september 1774 een verklaring afgelegd voor Christiaan Liebregt Kloege, een beëdigde klerk bij het gerechtshof. Deze verklaring werd gedaan op verzoek van Olof Martini Bergh, een koopman en tijdelijke officier van justitie.

Catrijn werkte als kokkin voor de andere slaven op de boerderij van Jan Le Roux de Jonge in de Wijnbergen. Op 14 september, een zaterdagavond, zei ze tegen de jonge slaven die net uit de tuin kwamen dat ze naar het slavenhuis moesten gaan om hun kommen te halen.

Deze verklaring werd eerder gecontroleerd in het Kasteel de Goede Hoop op 8 oktober 1771, waarbij de slaaf December zijn merkteken zette. Dit werd bevestigd door secretaris C.L. Neethling in aanwezigheid van commissarissen P.L. Lesueur en Js van Sittert.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0636  


Er waren een aantal slaven die gestraft werden terwijl de getuige daar werkte, namelijk:

De getuige vertelt dat hij samen met de slaven Frans en Galant in opdracht van hun eigenaar de vastgebonden slaven met takken op hun blote billen moest slaan. Over straffen die werden uitgevoerd voordat hij er kwam, kan hij alleen spreken van horen zeggen.

Dit werd opgetekend in het Kasteel de Goede Hoop in aanwezigheid van de klerken F.W. Allemann en J.A. Kuuhl als getuigen. Het document werd ondertekend door de secretaris C.L. Heethling. Later verscheen Appolles van Batavia voor de Raad van Justitie waar hij in aanwezigheid van landbouwer Louis Cortsee verklaarde bij zijn verklaring te blijven.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0370  


Op 7 januari 1771 legde de Hottentot Theijs een verklaring af bij Christiaan Ludolph Neethling, secretaris van de rechtbank van het gouvernement. Dit gebeurde op verzoek van de landdrost van Stellenbosch en Drakensteijn, Lucas Sigismundus Faber.

Theijs verklaarde dat hij sinds zijn jeugd had gewoond bij de weduwe van wijlen landbouwer Hendrik van der Merwe op haar boerderij genaamd de Zware Mond in het Bokkeveld. Hij had gezien dat deze weduwe haar slaven en slavinnen vaak slecht behandelde door:

Deze verklaring werd bevestigd op het kasteel de Goede Hoop op 5 maart 1771 door slavin Rosa van de Kaap, in aanwezigheid van E.L. Veethling, Otto Luder Hemmij en Johannes van Sittert.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0303  


De slaaf Daniel Pienaar had een weggelopen slavin genaamd Dorinda naar het slavenhuis gebracht. Daar was ze gaan slapen, maar ze was 's ochtends weer weggelopen. Daniel Pienaar had toen Dorinda naar de kamer gebracht waar Jacobus Pienaar lag te slapen. Hij bond haar handen met een riem samen en hing deze over een balk, zodanig dat ze nog net rechtop kon staan. De volgende ochtend vertelde Daniel Pienaar dat Dorinda een 'goed soopje' (straf) had gehad, maar de getuige wist niet hoe of door wie ze precies was gestraft.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10971 / 0377  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/