Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
27 april 1597 verschenen voor notaris Adriaen Rattebel voor zichzelf en Pouwels Bate als man en voogd van Tanneken Ruttebel. Beiden waren kinderen van Paulyne Croop, zuster van wijlen Margriete Croop. Margriete was in haar leven de vrouw van Huybert Trompel geweest. Zij verklaarden dat Huybert hen hun vierde deel had uitbetaald dat hen toekwam in een zestiende scheepsdeel van een schip genaamd de Zwarte Ruyter. Dit schip werd bestuurd door oude Pieter Jacobsz. Huybert bezat dit scheepsdeel in lijfrente en had het gekregen van Margriete Croop. Hierdoor mocht Huybert het voortaan als zijn eigen erfgoed houden voor hem en zijn erfgenamen. Zij gaven Huybert hiervoor kwijting voor nu en altijd, zonder nog enig recht hierop te behouden. Dit gebeurde te Haarlem in de woning van de notaris aan het Spaarne, met als getuigen Adriaen Centen, bleker, en Claes vanden Wege, poorters of inwoners van dezelfde stad.
2 maart 1597 verschenen voor notaris Adriaen Willemsz Emploris van der Kindert, tafellakenwerker uit Kortrijk, en Jaques Noose als oom en bloedvoogd van de 4 nagelaten kinderen van wijlen Mayken Ken Noese, zijn zuster, ook uit Gent. Deze kinderen waren verwekt bij Emploris en heetten: Tanneken (24 jaar oud), Janucken (23 jaar oud), Joos (20 jaar oud) en Robert (14 jaar oud). Zij verklaarden dat zij overeenstemming hadden bereikt over de moederlijke goederen van de kinderen. Na onderzoek van de boedel en aftrek van schulden werd het zuivere bedrag vastgesteld op 62 pond en 4 schellingen groot Vlaams. Hiervan zou Joos, een van de kinderen die gebrekkelijk was, voor zichzelf 2 pond groot Vlaams buitennemen. De resterende 60 pond en 4 schellingen groot Vlaams zou in tweeën gaan: de helft aan Emploris van der Kindert en de andere helft aan de 4 kinderen, zodat het deel van de kinderen 30 pond en 2 schellingen groot Vlaams bedroeg. Emploris zou dit bedrag aan de kinderen opleggen wanneer zij getrouwd zouden zijn of meerderjarig geworden, waarbij hij daarover rente zou geven zolang hij de kinderen onderhield. Hij verbond hiervoor zijn persoon en al zijn roerende en onroerende goederen, huidige en toekomstige. Dit gebeurde te Haarlem in de woning van de notaris aan het Spaarne, met als getuigen Pieter Pietersz, stadstimmerman, en Henrick Willemsz Spaengniaert, schoenmaker, beide poorters van dezelfde stad.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975069 / 125 Gerardt vander varent benoemde voogden voor zijn kinderen en hun erfgoed. Deze voogden kregen volledige bevoegdheid om eerst al zijn schulden te betalen en de boedel af te wikkelen. Daarna moesten de voogden het resterende vermogen, bestaande uit erfgoederen of andere bezittingen, met gezamenlijke stemming op de best mogelijke manier ten behoeve van de kinderen beleggen. De voogden mochten geen geld of goederen voor zichzelf houden. Als een van de 4 oorspronkelijke voogden zou overlijden, mochten de 3 overgebleven voogden samen een vierde persoon kiezen als vervanger met dezelfde bevoegdheden.
De testateur verklaarde dat hij graag een legaat wilde doen aan Tanneken vanden vaert en zijn zusters, en aan Henrick Nederhouden zijn zwager, mits zij garandeerden dat alle schulden te Frankfurt goed zouden worden voldaan. Hij gaf Tanneken en de haren een legaat van 300 gulden van 40 groten per stuk, en aan Henrick Nederhouden 50 in dezelfde munt. Dit gold alleen als de schulden te Frankfurt inderdaad werden voldaan.
Gerardt vander varent verklaarde dat dit zijn testament, laatste wil en uiteindelijke wens was. Hij wilde dat deze als zodanig of als codicil, donatie wegens dood of tussen levenden werd beschouwd, zodat het na zijn overlijden werd nageleefd volgens het recht of goede gebruiken, ondanks eventueel ontbrekende juridische formaliteiten. Hij verzocht notaris Willems hier een of meer openbare documenten van op te stellen.
Dit gebeurde te Haerlem, in de woning van de testateur aan de St. Jans straat, in aanwezigheid van Aelbrecht Verhae van Vutiecht en Hans Sterck van Antwerpen, beide inwoners van die stad, als geloofwaardige getuigen. Zij ondertekenden het ontwerp elk met hun naam.
10 augustus 1585: Adriaen Willemz, openbaar notaris te Haerlem, ging op verzoek van Pauwels van Immenseel en zijn vrouw, samen met getuigen, naar de woning en persoon van de huisvrouw van Huybrecht Trompetter. Omdat Huybrecht afwezig was (volgens zijn vrouw was hij op de bleek), werd haar namens Pauwels het volgende verklaard:
Huybrecht had de vrouw van Pauwels laten arresteren om betaling te eisen van het bleekloon voor 44 stukken linnen. Deze linnen waren in augustus 1582 door Trompetter in de bleek ontvangen, pas in 1583 gemaakt en stonden nog steeds als onbetaald in de rekening, zoals hij in zijn verzoekschrift beweerde. Dit was echter in strijd met en helemaal in tegenspraak tot de eindkwitantie die Huybrecht op 30 juli 1585 onder zijn eigen handtekening had verstrekt aan Pauwels van Immenseel als bewijs van definitieve afrekening.
Vervolgens had Trompetter, wegens moeilijkheden over een verme
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975053 / 144 Gerburch Jans en Bartel Jansz verklaarden dat ze maandag jongstleden tussen 6 en 7 uur 's avonds een drank aan Thomas Jansz hadden gegeven. Ze hadden de drank zelf geproefd voordat ze deze aan de patiënt gaven. Thomas leefde hierna nog tot de nacht tussen dinsdag en woensdag. De getuigen zagen niet dat de drank hem kwaad had gedaan en hadden er daarom geen spijt van dat ze hem de drank hadden gegeven. De drank was Thomas zeer aangenaam en hij kreeg er natuurlijke functies van terug zoals drinken en naar het toilet gaan.
Hans Hunbertsz, een trompetter, verscheen ook. Hij verklaarde onder ede dat hij op ernstig verzoek van Bartel Jansz de zieke Thomas Jansz had bezocht om hem moed in te spreken, ondanks dat deze er slecht aan toe was. Dit gebeurde binnen Haarlem op 21 maart 1706.
Hans Hunbertsz voegde later aan zijn verklaring toe dat meester Wouter niets negatiefs tegen hem had gezegd. Ook had hij sinds het bezoek van meester Wouter tot aan zijn getuigenis niet meer met hem over de patiënt gesproken. Dit werd vastgelegd op 12 maart in Haarlem.
Op 4 maart 1706 rond 18:00 uur verscheen Fijtgen Cornelis, de nagelaten weduwe van wijlen Willem Dircxsz, voor de notaris. Ze was ziek maar had volledig gebruik van haar verstand, geheugen en spraak. Ze wilde een testament maken naar eigen vrije wil.
In haar testament deed Fijtgen het volgende:
Het testament werd opgemaakt in haar woonhuis op het Bagijnhof in aanwezigheid van Jan Dircxsz (kleermaker) en Pauwels Tros (schilder) als getuigen.
Op 12 maart 1706 verscheen Symon Dircxsz in
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975181 / 376
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965416 / 680 16 februari 1543: Hiltgen Loodewycx, weduwe van Lambert van Dale, en Loodewyk van Dale, wonend in Haarlem, gaven samen met hun broers en zussen als erfgenamen van de eerdergenoemde Lambert van Dale een volmacht aan Gerardt vander Burch, een advocaat. Hij moest namens hen procederen bij de Hoge Raad en het Hof van Holland tegen de erfgenamen van jonkheer Barthout van Assendelft en Hans Lambert Hubertsz, een trompetter, en alle anderen. Dit gold zowel voor het eisen als het verweren en alle rechtszaken, volgens de regels van de Hoge Raad en het Hof van Holland. Getuigen waren meester Jan Bont en Willem van Trier, burgers of inwoners van Haarlem.
11 februari 1598, omstreeks 8 uur 's ochtends: Voor notaris verschenen de eerbare personen Claes Cornelisz Geltsacq en Guerthen Laurens, zijn echtgenote, burgers van Haarlem. Zij waren gezond van geest en lichaam, met volledig gebruik van hun verstand, geheugen en spraak. Zij verklaarden uit vrije wil dat zij, dagelijks denkend aan de broosheid van het tijdelijke leven dat als een schaduw op aarde vergankelijk is, aan de zekerheid van de dood en de onzekerheid van het tijdstip daarvan, graag over hun aardse goederen wilden beschikken naar hun wens. Na christelijke aanbeveling van hun ziel en lichaam maakten zij hun testament en laatste wil.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974633 / 67 Op 26 november 1666 kwamen de heren Octavio Tensinij en Govert van de Raeck aan de ene kant en heer Jan van Sweeden aan de andere kant tot een overeenkomst over een rekening.
De afspraken waren als volgt:
Van dit totaalbedrag van 16.375 gulden, 14 stuiver en 8 penningen werd afgetrokken: 4.499 gulden en 12 stuiver. Dit bedrag had Jan van Sweeden namelijk namens Tensinij en Van der Raeck toegewezen aan Aernout Beltjens en Philip Verpoorten, en het was aan hen betaald voor rekening van Van Sweeden.
Daardoor resteerde voor Van Sweeden nog: 11.876 gulden, 2 stuiver en 8 penningen.
Hiermee werden alle rekeningen die de heren Ten Sin en Van der Raeck met Van Sweeden tot die datum hadden gehad afgesloten en nietig verklaard, zonder uitzondering.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965416 / 679 Mattheus Butler werd geautoriseerd om goederen en koopmanschappen die hij had ingekocht te betalen, tegen de prijs waarvoor ze hier in het land waren gekocht, inclusief de belastingen daarvan volgens de rekening.
Alle goederen en koopmanschappen die nog onverkocht in Sevilla en elders in Spanje aanwezig waren en aan de Compagnie toebehoorden, zouden in handen en onder beheer blijven van Mattheus Butler.
Voor de spellen die door Jacob Claesz hier in het land voor rekening van de Compagnie waren ingekocht en in Spanje gehouden en ontvangen waren, zou Schouwenburch voor zijn aandeel verantwoordelijk blijven en zou dit tot last en risico van Butler blijven, tegen de inkoopprijs. Butler bleef verplicht dit te betalen.
Butler moest Schouwenburch vrijwaren tegenover degenen aan wie de onverkochte goederen toebehoorden, mits de kosten en belastingen die daarop waren uitgegeven aan Schouwenburch door Butler werden terugbetaald, volgens de daarvan zijnde rekening en voor zover het Schouwenburchs aandeel betrof.
De lading die door Matheila Croix aan hen was gezonden en gefailleerd was, en door zijn curators aan Butler was verkocht, bleef alleen voor rekening van Butler, en Schouwenburch moest daarvan rekening doen, met aftrek van de daarop uitgegeven belastingen.
De laatste lading die door Butler naar Malaga en Madrid was verzonden en daar gearriveerd was met het schip de Witte Valck, schipper Bathasar Bulder van Lübeck, zou alleen voor rekening van Butler zijn en blijven, evenals de andere goederen en koopmanschappen die sinds die tijd naar die plaatsen en elders in Spanje waren verzonden, zowel door Butler als anderen, en alles wat aan Butlers broer was geconsigneerd met de retouren daarvan.
Omdat Schouwenburch verklaarde dat hij voor rekening van de Compagnie verschillende goederen en koopmanschappen aan Elias Stael had gezonden, die hem in commissie had gediend, en dit meer bedroeg dan wat hem toekwam over wat van zijn goederen was geproduceerd, stemde Schouwenburch ermee in en gaf Butler toestemming om van die persoon terug te vorderen alles wat hij meer door retouren had genoten en ontvangen dan hij zou moeten hebben, mits wat hij daarvan zou verkrijgen door Schouwenburch in zijn rekening zou worden gevalideerd.
Schouwenburch moest ook aan Butler vergoeden en teruggeven wat hij zowel hier in het land als in Spanje had betaald tijdens het begin van de Compagnie tot het moment dat Butler voor de laatste keer in Spanje was gearriveerd, aan zijn kleding hier in het land en in Spanje, en aan reis- en mondkosten respectievelijk, zoals zou blijken uit de daarvan gehouden
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936861 / 16 18 maart 1584 werd er een overeenkomst gemaakt tussen Heiltgen Lodewycks, de weduwe van wijlen Lambert van Dale, wonend in Haarlem, die optrad voor zichzelf en namens haar kinderen aan de ene kant, en Hans Hubertsz aan de andere kant. Ze werden bijgestaan door Lodewyck van Dale, haar oudste zoon. De overeenkomst werd vastgelegd door notaris Michiel Jansz van Woerden.
De inhoud van de overeenkomst was als volgt:
Beide partijen verbonden hun persoon en goederen, zowel aanwezig als toekomstig, om deze overeenkomst getrouw na te komen. Dit gebeurde in Haarlem in aanwezigheid van getuigen Hubert Trompetter, Jorden Lodewycks en Pieter Janssz.
De akte werd gepasseerd op 13 maart 1584 ten huize van de notaris in Haarlem en ondertekend op 14 december 1588
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975225 / 297 20 september 1602: Jacques Chette, koopman en poorter in Haarlem, ongeveer 40 jaar oud, verklaarde op verzoek van Hans Huybertsz (trompetter, bleker en poorter binnen Haarlem) het volgende:
23 september 1602: Notaris Egbert van Bosvelt ging op verzoek van Cornelis Claesz, brouwer in de Oliphant in Haarlem, naar het kantoor van de kerkmeesterś van de Grote Kerk in Haarlem. Daar zag hij in het register van de graven het volgende:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983721 / 107 Hubrecht Henricxsz, trompetter bij de graaf in Haerlem, bekrachtigde 22 mei 1601 eerst het huwelijkscontract dat 3 januari 1597 tussen hem en Mayken Hubrechts van Breda was gemaakt. Hij maakte haar een bed met toebehoren, waaronder een bedstee met peluw, 2 kussens, beddekleed, 2 paar slaaplakens, 4 slopen, 2 goede dekens met rode zijden gordijnen en bijbehorende rand.
Mocht Mayken eerder overlijden, dan zou zij als zijn weduwe eerlijk moeten kunnen leven. Hij gaf haar daarom ook het gebruik voor haar hele leven van een huisje of woning, zijnde een van de 3 huizen gelegen in het Heilig Klooster, met zijn ingang bij de doorgang van de toren van de zijlkerk.
Verder maakte hij haar voor haar leven:
Ook zou zij alle goederen behouden die zij had ingebracht. Dit verklaarde hij zijn uiterste wil te zijn. De akte werd gepasseerd bij hem thuis in de Appelaarsteeg in Haerlem met als getuigen mr. Jan Jansz van de Goude en Willem van Haellewijn Anthonisz, poorters van Haerlem.
11 november 1601 kwam Gerrytgen Jans, weduwe van wijlen Symon Gerryts, voor de notaris. Hubrecht wilde en vocht bij dit codicil dat tot betaling van de 300 gulden die hij aan haar zusjes en kinderen van zusjes van vaderszijde had gemaakt, er zulke 300 gulden geleverd zouden worden als hoofdsom staande op renten tegen 6,5 procent per jaar, zoals hij een brief op Cornelis Claes Paeskaers te Sloterdijk had. Hiermee zouden zij tevreden moeten zijn. Mocht er meer of minder zijn, dan zou het verschil verdeeld worden onder de armen van het gasthuis binnen Haerlem.
Dit werd gedaan 3 december 1601 met als getu
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974873 / 103 Adriaen Pietersz (ongeveer 16 jaar oud), Hubrecht de trompetter (ongeveer 17 jaar oud) en meester Henrick Spoerwaters (ongeveer 31 jaar oud) verschenen voor de notaris op verzoek van Marp van Perzenwouck, zoon van Haems Huyden. Zij verklaarden onder ede dat zij eind november en begin december waren opgeroepen als scheidsrechters voor een geschil tussen de weduwe van Jan Haemssen en Willem Boen Backer over een erfkwestie betreffende een huis in de Grote Houtstraat.
Marytgen Thoreins, de weduwe van Pieter Woutsen (houtkoper), was daar ook en vertelde dat Willem Boen haar ongeveer tussen de 10 en 11 gulden schuldig was. Willem Boen erkende deze schuld in aanwezigheid van de getuigen en beloofde te betalen zodra het geschil over de huiskoop met de weduwe van Jan Thaemsz zou zijn opgelost.
Dit gebeurde op 28 januari 1638. De getuigen waren Aernt Claesz en Cornelis Barselmees.
Op 28 januari 1688 kwam Willem Moninx, koopman uit 's-Hertogenbosch wonend in Haarlem, voor de notaris. Hij was de voogd van de onmondige kinderen van wijlen Henrick en Johan Pelgroen. Hij verwees naar een eerder opgesteld testament voor notaris Georjens Knisecker in Nürnberg op 15 november 1666.
In dit testament had de testateur bepaald:
Deze bedragen (jaarlijks 400 daalders en 200 guldens) moesten elk jaar aan de genoemde personen worden uitbetaald.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975225 / 263 9 oktober 1596 verklaarde meester Cornelis Schonens, rector van de grote school in Haarlem, dat enkele jaren geleden (het exacte aantal jaren kon hij niet meer zeggen) wijlen Jan Roeloffsz bij hem gelogeerd had. Jan Roeloffsz wachtte op linnen dat hij op verschillende bleekvelden rond Haarlem had laten bleken bij zijn zwager Hubrecht. Volgens Cornelis klaagde Jan Roeloffsz tijdens zijn verblijf dat een zekere Willem van Enwijck, een bleker, hem had gemaand voor een schuld. Willem had gezegd dat deze schuld afkomstig was van Hubrecht Kopelle, de zwager van Willem. Jan Roeloffsz was hier erg verontrust over omdat hij beweerde dat die schuld al betaald was door zijn zuster in Antwerpen.
Toen Jan Roeloffsz daarna ziek werd en op sterven lag (hij werd verzorgd door iemand genaamd Jan Dickers), bleef hij klagen over de eis van Willem van Enwijck voor deze schuld, die hij zeker wist niet schuldig te zijn. Toen Jan Roeloffsz zijn ziekte voelde naderen, verzocht hij dat het linnen dat die zomer gebleekt was, verkocht zou worden door Cornelis (de getuige) en Willem van Enwijck. Cornelis verklaarde dat Willem van Enwijck na de verkoop van het linnen de opbrengst naar hem toe had laten komen via de koper, om af te rekenen met de erfgenamen van Jan Roeloffsz, wat hij ook gedaan had.
Daarom kon Cornelis zich niet voorstellen dat Willem van Enwijck nog iets zou kunnen vorderen van de weduwe of erfgenamen van Jan Roeloffsz, aangezien hij het geld in handen had gehad om te verkopen en zich daaruit had kunnen voldoen. Cornelis wist niet dat Willem van Enwijck ooit geklaagd had dat hij niets verkocht had of geen geld had ontvangen.
9 oktober 1596 verscheen ook Hubrecht Heynricxsz Trompetter, een bleeker van ongeveer 25 jaar oud. Hij verklaarde dat hij in 1582 met Willem van Enwijck, zijn zwager, en diens echtgenote afgerekend had over wat zij enkele jaren daarvoor samen gebleekt hadden. Daarbij werd Willem van Enwijck onder andere aangerekend 203 gulden die van Thomisken Roeloffs ontvangen moesten worden als bleekloon. Hubrecht wist niet of Willem van Enwijck ooit geld daarvoor had ontvangen van Thomisken. Willem had hem in de lange jaren daarna dat hij in Haarlem bleekte, nooit geklaagd dat hij niet betaald was door Thomisken of geen betaling kon krijgen.
9 oktober 1596 gaf Jacob Huijsz, koopman in Haarlem, volmacht aan Lambert Janssen
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974437 / 552
Hubrecht Henricxsz, trompetter en bleker van de graaf, en zijn wettige echtgenote Mechtelt van Enwick woonden in Haarlem. Op zondag 22 maart 1580 kwamen zij voor notaris Michiel Jansz van Woerden om hun testament te maken.
Zij verklaarden bij gezond verstand te zijn en wilden hun bezittingen regelen. Alle eerdere testamenten werden hierbij nietig verklaard.
In het testament werd het volgende geregeld:
Hubrecht Henricxsz en Mechtelt van Enwick verklaarden dat dit hun testament, uiterste wil en laatste wens was. Zij wilden dat dit na hun overlijden onverbreekbaar in alle punten werd nageleefd, of dit nu als testament, uiterste wil, codicil, gift wegens de dood of anderszins gold. Dit moest stand houden ongeacht waar hun goederen gelegen waren of welke privileges, gewoonten of verordeningen van enige landen of steden er eventueel tegen in zouden gaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975225 / 81 Margriete van Hogensteyn had nog 27 pond Vlaams meer schuld dan het bedrag dat zij had ontvangen. Mogelijk zou de schuld met 1 pond Vlaams meer worden wanneer zij haar schuld zou betalen.
11 oktober 1595 verklaarde getuige Jasper Schamp, tafellakenweefder van ongeveer 32 jaar oud, op verzoek van Adriaen de Lange het volgende:
Getuigen waren aanwezig 14 oktober 1595: Lambertsz en Willem van Triere.
23 oktober 1595 maakten Hubrecht Henrixz, trompetter van de graaf, en zijn wettige vrouw Margriete Crox, beiden wonend in Haarlem, hun testament:
Als Hubrecht eerst zou sterven:
Als Margriete eerst zou sterven, legateerde zij aan Hubrecht het gebruik tijdens zijn leven van:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974437 / 258 Nicolaes Pouwelsz en Jacques de Clerck, beide burgers en inwoners van Haarlem, verklaarden op 27 september 1600 dat Hubrecht Geyndrixsz, trompetter, alle gelden had betaald aan Catelma Croops en haar kinderen. Dit bedrag was Hubrecht verplicht te betalen volgens het testament van de overleden Margriere Croocxs, die de zuster was van Catelma. Nicolaes en Jacques beloofden Hubrecht, zijn erfgenamen en nakomeling te beschermen tegen eventuele eisen hierover. Ze verbonden al hun roerende en onroerende goederen, zowel tegenwoordige als toekomstige, aan deze belofte. De akte werd opgemaakt ten huize van de notaris in Haarlem, in aanwezigheid van getuigen mr. Jan Bont en Willem van Trier, beiden burgers van Haarlem.
Op 28 september 1600 verschenen Jan Hamer, afkomstig uit het vorstendom Kleef, en zijn wettige echtgenote Heiligen van Dalen, dochter van Lambrecht, voor de notaris in Haarlem. Beiden waren gezond en bij hun volle verstand. Zij wilden over hun aardse goederen beschikken door het maken van een testament. Uit echtelijke liefde en andere goede redenen bepaalden ze dat indien een van beiden zou overlijden zonder kinderen uit hun huwelijk na te laten, en Jan Hamer als eerste overleed, zijn echtgenote Heiligen van Dale zou erven.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974907 / 181 Hubrecht Heynricxz, die eerder getrouwd was geweest met wijlen Margriet Croocxs, en Nicolaes Pouwelsz, als man en voogd van Jacobmyntgen Fredericx (beiden poorters in Haarlem), kwamen voor een notaris en verklaarden elkaar volledig te hebben betaald.
Dit betrof alles wat ze elkaar schuldig waren volgens het testament van wijlen Margriet Croocxs, dat op 23 oktober 1595 in Haarlem voor een notaris en getuigen was opgemaakt.
Hubrecht erkende dat Nicolaes Pouwelsz hem goede en volledige rekening had gedaan van:
Er was alleen nog ongeveer 32 florins Pools als restant te innen in Danzig, die Hubrecht aan de broers- en zusterskinderen van zijn overleden vrouw had geschonken. Claes Pouwelsz zou hen dit bedrag uitkeren.
Hubrecht kwijtscheldde hiermee voor zichzelf en zijn erfgenamen Nicolaes Pouwelsz, diens vrouw en hun erfgenamen en nakomingen van alle verplichtingen.
Hubrecht Henricxz behield wel volgens het testament levenslang het gebruik van:
Verder zouden partijen elkaar niets meer te eisen of verwijten hebben.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974706 / 138 3 januari 1597 werd er een huwelijkscontract gesloten tussen Hubert Henricxz, trompetter, en Mayken Hubrechts van Breda. Het contract werd opgesteld door notaris Michiel Jansz van Woerden, secretaris van de stad Haarlem.
De belangrijkste afspraken waren:
Het contract werd afgesloten in Haarlem ten huize van de notaris op de hoek van de Lange Bagijnestraat. Als getuigen waren aanwezig meester Jan Bont en Willem van Thier, beiden poorters en inwoners van Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974547 / 9 10 januari 1601 kwamen Ruth Laurens van Eyndegenen en Hubrecht Henricxsz Trompetter voor de notaris. Zij waren samen eigenaar van een huis met erf dat eerder eigendom was geweest van Connele van Zyl. Zij hadden het in 1593 gekocht van Pieter van Hondt, volgens een akte die op 1 februari 1593 in Haarlem was opgesteld.
De mannen verklaarden dat zij het huis en de toebehoren hadden verdeeld als volgt:
Ruth Laurens zou bovendien voor de verbeteringen aan Hubrecht Trompetter nog 550 gulden in contant geld betalen op mei 1601. De kosten voor het veertigste penning (belasting) en de akten zouden door beiden voor de helft worden betaald.
Beide mannen verklaarden hiermee tevreden te zijn en beloofden dit voor altijd na te komen. Dit werd gedaan in het huis van Ruth Laurens in de Goudsmidstraat in Haarlem. Als getuigen waren aanwezig Kersten Leuwens, burger van Haarlem, en Barthelt Hermanspoort, beide inwoners van Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974873 / 14 Voor de openbare notaris verschenen met getuigen erbij de eerbare Maijcken Zubrechts, de nagelaten weduwe van wijlen Hubrecht Henricxs trompetter, ongeveer 54 jaar oud, en Adriaentz en Jacobs, vroeger dienstmeid van de trompetter, ongeveer 30 jaar oud, wonende in de stad Haarlem. Zij verklaarden op verzoek van Gillis de Clercq, die getrouwd was met Lysbeth Inbrechts, en Roelant Hubrechts trompetter het volgende:
Zij stemden in met deze akte. Dit werd gedaan in Haarlem in het huis van de notaris in de Sint Jansstraat op 30 januari 1606, in aanwezigheid van Sybrant Janssoon en Thomas Claessoon, beide kleermakers en poorters of inwoners van dezelfde stad, als hiertoe verzochte getuigen.
In het jaar 1606 op 30 januari heeft Willem van Triere, openbaar notaris toegelaten bij het Hof van Holland, residerende binnen Haarlem, in aanwezigheid van genoemde getuigen, op verzoek van Pieter Adriaensz Toornburch, die getrouwd was met Anna, deze akte opgemaakt.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975236 / 26 Op gisteren arriveerde het schip Nederhovst vanuit Palicol via Princquenemale en Batticolo met een lading balken, planken, spijkers en andere benodigdheden. Het schip was 17 januari vertrokken van Cormandel samen met de kat Opmeer, maar die laatste had als opdracht Pallia Catta aan te doen.
De lading vanuit Ceylon bedroeg slechts 20829 gulden en 4 stuivers en 3 penningen, omdat het schip door een zware storm was getroffen. Als God beter en vrediger tijden gunde, zou men het volgende jaar een groot retour gereed hebben en vanuit Gale kunnen verzenden.
De commandeur schreef vanuit Batticolo op 28 januari dat alles daar rustig en in goede staat was. De kat Jpesteijn, die 26 december met benodigdheden naar Arincquenemale was gestuurd, was daar 25 januari voorspoedig aangekomen. Men hoopte dat alle 3 de schepen nog zo vroeg klaar zouden zijn dat ze nog een tocht hierheen konden maken voor hout, waarmee men uit de nood zou zijn, vooral als Mallabaer ook zou bijdragen.
Vrienden uit Palicol schreven dat ze daar nog wel 2 fluitschepen aan hout voor hen klaar hadden staan. De schrijvers hadden eerder al laten zien hoe groot de dienst van deze katten onder dit gouvernement was en hadden verzocht om in plaats van hoekerschepen deze handige fluiten te krijgen. Dit verzoek werd opnieuw gedaan omdat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1302 / 1397 Gillis Triest, opperstuurman en tevens konstabel en opziener van de uitrusting te Jaffanapatnam, wilde graag dat de helft van zijn loon aan zijn vrouw Tryntje Hendrick in Rotterdam werd betaald. Jan Hendricus Blinck, ziekenbezoeker te Trincomalee, wilde hetzelfde voor zijn vrouw Magdalena Everts uit Medemblik. Samuel Raverteijn vroeg eerbiedig of zijn zuster Sara Havesteyn uit Amsterdam geld kon ontvangen, en David Butler, luitenant te Trincomalee, verzocht dat de helft van zijn gage aan zijn vrouw Sala te Amsterdam mocht worden betaald. Hiervoor moest een passende aantekening in de soldijboeken worden gemaakt.
De volgende bedragen waren dit jaar in de kas gestort om in het vaderland betaald te worden bij het wisselen van wissels:
Omdat in deze moeilijke tijd van oorlog de officieren die met deze hoeker meegingen zeer bereidwillig hun dienst hadden aangeboden om de belangrijke berichten onder Gods zegen over te brengen, werden zij in het algemeen en in het bijzonder de schipper Adriaen Andries, een waakzame hoeker en ervaren zeeman, aanbevolen. Er werd gehoopt dat zij bij goede gelegenheid met goedkeuring weer terug zouden mogen komen. Om de schipper meer te motiveren zijn werk te doen en het benodigde respect te krijgen (wat op de thuisreis zo nodig was), werd hij ruim voor het aflopen van zijn contract benoemd tot volwaardig schipper met een beloning van 60 gulden per maand. Men vertrouwde erop dat dit niet zou mishagen.
Het schip was ook goed voorzien van water, hout en proviand, zodat het zonder problemen de Kaap kon passeren als daar enige onrust werd aangetroffen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1302 / 1396 21 januari 1630: Ik, Jacob Jacobs, notaris, heb mij met de getuigen naar het huis van Jan Wutler, koopman in Amsterdam, begeven. Namens Jacques Thierij, ook koopman in Amsterdam, heb ik hem een originele wisselbrief getoond en aangeboden.
De wisselbrief was gedateerd 4 oktober 1629 en luidde dat Jan Wutler 42 pond aan George of diens vertegenwoordigers moest betalen na dubbele termijn, als volledige betaling voor goederen die hij had ontvangen. De wisselbrief was ondertekend door Jan Hopl en gericht aan Johan Butteler in Amsterdam. Op de achterkant stond dat de inhoud betaald moest worden aan James Terrie, koopman in Amsterdam, en de brief was ondertekend door George in Londen.
Ik, notaris, vroeg Jan Butler om snelle betaling van de wisselbrief. Hij antwoordde dat hij wegens gebrek aan geld niet van plan was om te betalen.
Daarom heb ik, notaris, namens Jacques Thierij formeel geprotesteerd tegen het niet betalen van de wisselbrief. Ik protesteerde ook tegen alle kosten, schade en rente, wissel en herwissel, met alle gevolgen daarvan. Dit alles kan door Jacques Thierij of zijn vertegenwoordigers gevorderd en teruggehaald worden van Jan Butler, de trekker en ondertekenaar van de wisselbrief, en alle anderen die hiervoor verantwoordelijk zijn, en op hun goederen, zoals volgens het recht en wisselgebruik hoort.
Dit gebeurde in Amsterdam in aanwezigheid van getuigen Joos Jacobs en Antho. Godin op 21 januari 1630.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937265 / 204 3 oktober 1838: Er werd afschrift verleend aan de Directeur Generaal van Financiën, de Algemene Rekenkamer, de Resident van Banka en de belanghebbende ter informatie en kennisgeving.
Er werd de brief gelezen van de Directeur Generaal van Financiën van 27 september nummer 110.
Er werd verwezen naar de resolutie van 16 december. Er werd besloten dat het bij besluit van 2 september toegekende wachtgeld aan ambtenaar H.D. van Dan, voormalig Resident van Semarang, 500 gulden per maand zou bedragen.
Afschrift hiervan werd gestuurd aan de Raad van Indië ter informatie. Ook werd extract verleend aan de Directeur Generaal van Financiën, de Algemene Rekenkamer en de belanghebbende ter informatie en kennisgeving.
Er werd het schrijven gelezen van J. Pietersen, weduwe van wijlen de 1e commies op het residentiebureau te Soerabaja, P.J. Esche. Zij verzocht om gratis overtocht naar Nederland als passagier 1e klasse voor haar zoon Johan Martin Esche.
Er werden de overwegingen en het advies bekeken van de Directeur Generaal van Financiën van 6 september nummer 16. Hierin stond dat volgens paragraaf 4 van het koninklijk besluit van 2 november 1834 nummer 6 (Indisch Staatsblad 1835 nummer 26) was bepaald dat wezen van ambtenaren en officieren recht hadden op transport naar Europa, zolang zij aanspraak hadden op toelagen uit de bestaande weduwen- en wezenfondsen. Volgens de Directeur Generaal zag dit niet alleen op wezen, maar kon dit ook van toepassing zijn op kinderen die deelgenoot waren van genoemde fondsen, waarvan de moeders nog in leven waren.
Er werd verwezen naar het besluit van 27 mei.
Er werd besloten om aan de zoon van verzoekster, Johan Martin Esche, ouder dan 12 jaar, gratis overtocht naar Nederland te verlenen aan boord van een particulier schip, voor rekening van het land, als passagier 1e klasse. Hij kreeg toestemming om tegen december te vertrekken en zich in Semarang in te schepen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 2587 / 0043 27 maart 1918 verscheen Karel van Balen, bakker uit Haarlem, voor notaris. Hij verklaarde een schuld te hebben van 1.000 gulden aan de naamloze vennootschap "Beleggingbank Maatschappij tot Exploitatie van Onroerende goederen en het ter leen verstrekken van gelden", gevestigd in Haarlem. Hij had dit geld op die dag geleend.
De voorwaarden van de lening waren:
De akte werd 28 maart 1918 geregistreerd in Haarlem. Er werd 131,25 gulden aan registratierecht betaald.
De eerste grosse werd uitgegeven op 4 januari 1923.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209552 / 194 8 maart 1631 werden in Haarlem bij notaris documenten opgesteld over netten die verpakt waren in een klein vat met nummer A. Dit vat zou vanuit hier naar Zeeland worden gestuurd en vandaar naar Londen. De aanwezigen boden elk voor hun deel aan dit te verzekeren.
20 maart 1631 verschenen op verzoek van Stijntgen Mathijs, de vrouw van Lambert Cornelisz Schouten (burgemeester van Wesp), voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem 2 getuigen:
Beide getuigen verklaarden onder ede het volgende:
Jacob de Block verklaarde dat hij begin januari (de precieze dag wist hij niet meer) samen met Stijntgen Mathijs en Catharina Lambrecht Schout (haar dochter) vanuit Amsterdam met een zeilerschuit naar het veerschip naar Hoorn was gevaren om hen te begeleiden. Toen zij nog bij de zeiler lagen, kwam er een vrouw die aan Stijntgen Mathijs een pakje gaf, verpakt in grijs papier met een los briefje erop. De vrouw vroeg of zij dit aan de schipper in Hoorn wilde bezorgen. Aan boord gaf Stijntgen Mathijs het pakje aan Jacob de Block over om het aan de schipper te geven. De Block ging aan boord, vroeg waar de schipper was, en overhandigde hem het pakje toen deze (die bezig was rogge te laden aan de andere kant van het schip) naar hem toekwam.
Turqueau verklaarde dat hij op dat moment op het dek van het veerschip naar Hoorn stond. Hij zag en hoorde dat zodra Jacob de Block aan boord kwam, deze naar de schipper vroeg en hem (toen deze bij hem kwam) een pakje overhandigde dat in grijs papier was verpakt.
Beide getuigen boden aan dit alles verder te bevestigen wanneer daar om gevraagd zou worden.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983583 / 80 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/