Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 29 januari 1731 heeft Cabina van de Kaap, werknemer van molenaar Josias Bliek, een verklaring afgelegd voor secretaris Josephus de Grandpreez. Dit gebeurde op verzoek van Adriaan van Kervel, die op dat moment hoofd van justitie was.
De verklaring ging over het volgende voorval:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0205 De bewijzen tegen de beschuldigde Jan Se worden sterker omdat er 2 overeenkomende verklaringen zijn die hij niet weerlegt. Deze verklaringen laten zien dat hij mede verantwoordelijk was voor de verwondingen aan de slaaf Jacob. Ook zijn er verklaringen van de stervende jongen zelf. Hoewel een verklaring van een stervend slachtoffer alleen niet genoeg bewijs is volgens de wet, krijgt deze wel meer waarde omdat:
Het bewijs wordt verder versterkt doordat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0198 De molenaar Josias Bliek heeft verklaard dat hij zag hoe de jongen Jan een slag gaf aan de slaaf Jacob. Hij verklaarde daarbij dat hij bij geen van beide jongens een scherp voorwerp heeft gezien, ook al zeggen andere verklaringen dat er direct na de slag een steek volgde. Opvallend is dat het bebloede mes nergens is gevonden. Ook opmerkelijk is dat Jan rustig is gaan slapen en niet is gevlucht, terwijl hij daar alle gelegenheid voor had. Hij bleef zonder opwinding in het huis van zijn baas.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0197 De getuige vertelt dat hij een hoop lawaai hoorde in de keuken terwijl hij in zijn kamer zat. Hij riep zijn dienstmeid Sabina om te vragen wat er aan de hand was. Zij vertelde dat een slaaf door zijn medeslaaf Jan werd geslagen.
Toen de getuige naar de keuken ging, zag hij dat Jan een andere slaaf, Jacob, die bij de schoorsteen zat, met zijn hand sloeg. Jacob bloedde uit zijn neus. De getuige zag toen geen mes of scherp voorwerp bij de jongens.
Na Jan verbaal te hebben bestraft, verliet de getuige de keuken. Hij werd kort daarna teruggeroepen omdat Jacob gewond bleek te zijn. Toen Jan Jacob's hemd optilde, zag de getuige een verwonding in Jacob's linkerzij waar veel bloed uit stroomde.
Toen de getuige tegen Jan zei dat hij Jacob had gestoken, antwoordde Jan dat hij geen mes had gehad en dat hij sterk genoeg was om drie van zulke jongens aan te kunnen zonder mes. De getuige liet vervolgens de gewonde Jacob naar het hospitaal brengen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0218 Een commissie uit de rechtbank ondervroeg de beschuldigde slaaf Jan. Hij ontkende nadrukkelijk schuldig te zijn. Zijn antwoorden kwamen overeen met een eerdere bekentenis die door de heer van Kervel was afgenomen. Deze bekentenis is als bijlage G toegevoegd.
Omdat er twijfel was over hoe men met deze jongen moest omgaan, werd besloten om advies te vragen. Men wilde weten wat volgens de wet en de omstandigheden het beste zou zijn: foltering op de pijnbank of vrijlating van de jongen. Er was geen tussenweg mogelijk - de verklaringen moesten óf geldig worden verklaard, óf te zwak bevonden worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0195 De matroos Francois Eduard uit Duinkerken verscheen voor het gerechtshof in de Nederlandse kolonie bij Kaap de Goede Hoop. Op 7 mei 1731 verklaarde hij dat de hem voorgelezen vragen en antwoorden correct waren opgetekend. Hij wilde niets toevoegen of weghalen. Dit document werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0189 Francois Eduard (Francois Elgardt), een matroos van 42 jaar oud, werd ondervraagd door de Raad van Justitie. Hij was een rooms-katholieke man, geboren in Duinkerke en was getrouwd. Hij werkte als matroos op het schip Meermond. De ondervraging werd uitgevoerd in opdracht van Daniel van den Henghel, die officier van justitie was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0181 De Fiscaal Independent (een onafhankelijk officier van justitie) heeft schriftelijk doorgegeven aan Jan de Lastntaine, gouverneur van Kaap de Goede Hoop en zijn rechtsgebied, en de Raad van Justitie dat hij twee verklaringen heeft ontvangen van Adriaan van Kervel. Van Kervel was hoofdhandelaar en bestuurder van het gouvernement. De verklaringen waren afkomstig van een meisje en een jongen die Svle heette.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0193 Op 24 januari 1731 verscheen voor Josephus Grandpreez, secretaris van de Raad van Justitie, de slaaf Aron van Ternaten. Hij was eigendom van graanmolenaar Josias Bliek. Aron verklaarde het volgende op verzoek van Adriaan van Kervel, die opperkoopman was en tijdelijk het ambt van fiscaal waarnam:
Een slaaf van de Compagnie genaamd Jacob was op 20 januari 's ochtends naar het Nieuw Land gegaan. Aron had samen met een andere Compagnie-slaaf genaamd Jan die ochtend op de paarden van de molen gepast. Jan ging na het eten weg, waardoor Aron alleen achterbleef om op de paarden te letten tot ongeveer 8 uur 's avonds. Toen kwam Jacob thuis, gevolgd door Jan om 9 uur. Bij zijn thuiskomst begon Jan meteen ruzie te maken met Aron en daarna ook met Jacob. Dit gebeurde in de keuken waar ook de dienstmeid Sabina aanwezig was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0209 De getuige ging na het bovenstaande voorval naar haar baas toe. Daarna kwam ze bij de jonge Jacob Le Ru. Ze maakte een verband om zijn middel los. Toen zag ze dat hij aan zijn linkerkant gewond was en er veel bloed uit de wond stroomde. Ze wilde de wond met wat brandewijn schoonmaken, maar zijn werkgever wilde dat niet. Hij zei tegen haar dat ze zich er niet mee moest bemoeien. Dit werd vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop, in aanwezigheid van de klerken Johannes Henricus Blanckenberg en Joachim Nicolaus van Dessin als getuigen. Het document werd ondertekend met een kruisje door Sabina van de Kaap. Verder werd het ondertekend door secretaris De Grandpreez en de getuigen Blanckenberg en Van Dessin.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0206
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0194 Uit verklaringen van twee slaven blijkt het volgende: De slavin Sabina en de bedrijfsslaaf Aron hebben gezien dat na een kleine woordenwisseling, iemand die gevangen zit de jongen Jacob een klap op zijn neus gaf waardoor deze bloedde. Direct daarna stak de jongen Jan Jacob met een mes in zijn linkerzij. Hoewel beide verklaringen over wat er gebeurde overeenkomen, ontbreekt in beide verklaringen:
Deze details staan ook niet in het verslag van de gewonde jongen Jacob zelf. Zijn verslag bevestigt wel de twee eerdere verklaringen en toont aan dat Jan inderdaad de dader was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0196 Josias Bliek vertelde dat hij in de kombuis was met de slaven Jacob en Aron en de slavin Sabina, die allen eigendom waren van Bliek. Hij gaf toe dat hij tegen Jacob had gemopperd, waarna Jacob hem wilde aanvallen. Om dit te voorkomen gaf hij Jacob een klap in het gezicht, waardoor zijn neus bloedde. Daarna kwam Josias Bliek de kombuis in, die hem eruit trok en de galerij in joeg. Jacob en de jonge Aron bleven in de kombuis, terwijl Sabina naar de kamer ging. Toen hij in de galerij zijn witte hemd uittrok om een blauw hemd aan te doen, hoorde hij Jacob om hulp roepen omdat hij gewond was. Hij ging toen naar de kombuis, gevolgd door molenaar Josias Bliek en Sabina. Jacob zei dat hij gewond was. Toen ze zijn hemd optilden, zagen ze een steekwond in zijn linkerzij. Ze riepen om brandewijn en op bevel van Bliek werd Jacob door Aron naar het hospitaal gebracht. Dit werd bekendgemaakt aan Kaap de Goede Hoop op 26 februari 1731.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0234 Jan de Lafontaine, gouverneur aan Kaap de Goede Hoop, en de raad van justitie ontvingen een aanklacht van Adriaan van Hervel, die koopman en tweede in rang was. Deze vervulde tijdelijk het ambt van officier van justitie. Hij klaagde Philander aan, die afkomstig was van de Coromandelkust. Philander was een slaaf van Fredrik Russouw, een voormalig burger-raadslid. Hij werd beschuldigd van het plegen van een verraderlijke verwonding en een geplande moord.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0065 De eerdergenoemde personen lieten bij de rivier spullen achter die door de eerste verdachte Pieter Hollebroek werden meegenomen. Bij zijn arrestatie vond men bij hem:
De Hottentotten Joost en Kleijnbooij verklaarden dat Hollebroek eerder op de boerderij van landbouwer Ian Dissel was geweest, gelegen over de Olifantsrivier. Hij was daar met twee zwarte jongens, waarvan één de slaaf Coridon was van Dissel's andere boerderij bij de Piketberg. Hollebroek zou daar de kist van de knecht hebben opengebroken en alle goederen hebben gestolen, inclusief een geweer en koperen theeketel. Ook zou hij een slaaf genaamd Hans hebben gedwongen om met hem mee te gaan en de gestolen goederen te dragen, door te dreigen hem dood te schieten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0060 Deze gebeurtenissen vonden plaats op het platteland van de Piquetberg en de Olifantsrivier. Het draait om een diefstal waarbij kisten van de knecht Christiaan Gunter opengebroken werden. Uit de kisten en uit twee huizen werden diverse goederen gestolen, waaronder geweren. Op de locatie bij de Olifantsrivier werd ook buskruit en lood, die in de grond begraven waren, opgegraven en gestolen. Er wordt onderzocht wie de daders waren, wanneer de diefstallen plaatsvonden (overdag of 's nachts) en wat er precies gestolen is. De landbouwer Ian wordt in verband gebracht met deze zaak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0030 Pieter Hollebroek en een slaaf genaamd Augustus hielden zich samen schuil in de Slangenhoek. Bij een rivier kwamen 6 jonge mannelijke slaven en 3 jonge vrouwelijke slaven langs. Toen Hollebroek deze mensen zag, is hij weggevlucht. Hij liet bij de rivier spullen achter, die hij later weer meenam:
Een van de geweren was 's avonds gestolen van Francois Dutsit. Op de vraag of er andere jongens bij hen zijn gekomen, antwoordden ze ontkennend. Ze beweerden dat ze altijd met zijn tweeën waren gebleven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0029 Toen ze wegliep van haar eigenaar, heeft ze 3 broden, 4 stukken vlees en een Chinese theepot gestolen. De jongen Augustus heeft een koperen pan, een kapmes, een bijl en 2 geweren meegenomen. Ze haalde deze spullen uit de voorraadkamer. Augustus gaf één van de gestolen geweren aan Pieter Hollebroek en hield het andere voor zichzelf. Ze hebben daar geen buskruit gestolen.
Ze gingen samen met Pieter Hollebroek naar het gebergte boven de Wagenmakersvallei. Daar bleven ze 3 dagen samen. Op de 4e dag 's avonds ging de slaaf Augustus weg. Zij bleef alleen achter met Pieter Hollebroek.
Daarna ging ze met Pieter Hollebroek naar de Slangenhoek. Daar bleven ze in leven door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0028 De bekentenis gaat over het volgende:
Deze bekentenis werd opgenomen in Kaap de Goede Hoop op 24 november 1730 in aanwezigheid van secretaris I.S. de Grandpreez en commissarissen I.S. Khenius en R. Tulbagh, en werd ondertekend door Deegland Breel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0023 Pieter Hollebroek verklaarde dat hij tijdens zijn vlucht nooit op het terrein van de boeren Ian Dissel en Meijne van Leden is geweest. Hij wist niet eens waar hun land lag. Toen hij werd gevangen genomen, schoten zijn arresteerders zo veel op hem dat hij uit angst voor verwonding niet uit zijn schuilplaats durfde te komen. Hij heeft dit bekend aan Kaap de Goede Hoop op 18 november 1730. Dit werd ondertekend door hemzelf, I.B. de Grandpreez als secretaris, P. Kleniis en R. Tulbagh als commissarissen. Later werd deze bekentenis aan hem voorgelezen en bevestigde hij dat alles klopte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0022 Hij bekende dat hij verschillende spullen had meegenomen toen hij werd opgepakt:
In de Slangenhoek ontmoette hij een weggelopen matroos genaamd Ian, de enige Europeaan die hij had gezien. Deze vertelde hem dat de fles gevuld was met menselijk vet.
Tijdens zijn afwezigheid at hij van:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0021 Het vonnis voor een onbekende eerste persoon was doodstraf. Na de executie moest het lichaam buiten opgehangen blijven tot het door de tijd en vogels vergaan zou zijn. Catarijn van Madagasca moest met een strop om haar nek onder de galg staan. Daarna werd ze aan een paal vastgebonden om zweepslagen op haar blote rug te krijgen en werd ze gebrandmerkt. Ze moest vervolgens 5 jaar in de ketenen geboeid blijven en werd terug naar haar meester gestuurd. Beiden moesten ook de gerechtskosten betalen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0017 Pieter Hollebroek uit Maastricht werd beschuldigd van het stelen van gerst en zout. Hij had al eerder verschillende diefstallen gepleegd en was daarvoor ook al publiekelijk gestraft. De misdaden van veediefstal en inbraak werden volgens rechtsgeleerden met de dood bestraft. De aanklager eiste dat de beklaagden naar de gebruikelijke plaats voor het uitvoeren van straffen gebracht zouden worden. Daar zou Pieter Hollebroek door de beul worden opgehangen, met een schapenvacht over zijn hoofd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0016 Volgens het verslag stalen twee verdachten vee van verschillende mensen. Bij Jan Dissels werd vee gestolen. De hoofdverdachte had drie slaven genaamd Augustus, Coridon en Hans gedwongen om te helpen. Deze slaven zijn daarna spoorloos verdwenen. Vermoedelijk heeft de hoofdverdachte hen gedood.
Later braken beide verdachten in bij de schaapskooi van oud-raadslid Francois du Toit. De eerste verdachte stal een ram en de tweede een lam. De eerste verdachte slachtte beide dieren op het erf. Samen brachten ze het vlees naar hun schuilplaats in de bergen om het te bewaren. Daarvoor had de eerste verdachte ook het hoornhuis (opslagplaats) opengebroken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0015
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11008A / 0014 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/