Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 16 april 1773 legde de Hottentot Arnoldus, ongeveer 20 jaar oud, een verklaring af voor secretaris Josephus de Grandpreez van de Raad van Justitie. Arnoldus werkte bij boer Gerrit Roomoud op diens boerderij in Moddergat. Op verzoek van landdrost Pieter Lourensz verklaarde hij het volgende:

Ongeveer een maand eerder moesten Arnoldus en de slaaf Cupido van hun baas 's avonds op wacht staan om een Hottentot genaamd Kluijtje te vangen. Rond middernacht gingen ze na een oproep van schaapherder Hendrik naar de schaapskooi. Daar vonden ze Kluijtje geknield bij een schaap. Arnoldus en Cupido grepen hem vast om hem naar huis te brengen. Ze brachten hem naar Michiel Roomond, de zoon van hun baas. Kluijtje vroeg of ze één hand los wilden laten zodat hij zijn broek kon vastmaken. Ze stonden dit niet toe, maar Arnoldus maakte zelf Kluijtje's losse broek vast en bracht hem toen naar binnen.

De verklaring werd afgelegd op het secretariaat van justitie aan de Kaap de Goede Hoop in het Nederlands, een taal die Arnoldus goed sprak en begreep.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0371  


Van der Swijn heeft een verklaring afgelegd over een jonge slaaf genaamd Cripido. Hij trof de jongen aan in de kamer waar een teef zich aan het likken was. De broek van de jongen stond open. Toen Van der Swijn vroeg wat hij met de hond had gedaan, antwoordde de jongen "Niets baas, ik speel met de hond". Daarop heeft Van der Swijn de jongen vastgebonden en naar de gevangenis gestuurd.

Een slavin van Van der Swijn verklaarde dat ze op dat moment een hond hard hoorde schreeuwen in de kamer. Deze omstandigheden worden gezien als lichte aanwijzingen, maar niet als volledig bewijs. Bij dit soort misdaden moet zelfs de kleinste aanwijzing serieus worden genomen. Een slaaf kan makkelijker worden onderworpen aan marteling dan een vrij persoon.

Echter, tijdens het verhoor ontkende de jongen alles zonder enige onrust te tonen. Hij gaf ook enkele aannemelijke redenen voor zijn ontkenning.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0408  


Op 13 juni 1732 legde Roelof Andriesz van Maasterland, bootsman op het schip de Buijs, een verklaring af voor de secretaris Josephus de Grandpreez. Dit deed hij op verzoek van de onafhankelijke officier van justitie Daniel van den Henglel. Hij verklaarde het volgende:

Op 10 juni 1732 ging hij met een matroos genaamd Rijnier naar de zogenaamde Schotse Tempel. In de kamer van een vrijgemaakte slavin dronken ze samen een fles wijn. Deze was betaald door Roelof. Er ontstond ruzie omdat de slavin Roelof wel wilde laten slapen maar Rijnier niet. De slavin sloeg Rijnier in zijn gezicht en probeerde hem met een bezemsteel weg te jagen. Daarop haalde Rijnier een mes uit zijn zak en stak de vrouw boven haar linkerborst. Rijnier vluchtte toen weg, net als Roelof die vertrok nadat er mensen waren komen helpen.

Roelof verklaarde dit alles zelf gezien te hebben en was bereid dit onder ede te bevestigen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0383  


De aanklager eist de doodstraf met het zwaard voor een gewelddadige aanval. Hij baseert dit op natuurlijke, goddelijke en wereldlijke wetten die stellen dat wie iemands leven neemt, zijn eigen leven moet verliezen. Dit wordt bevestigd door:

De aanklager ziet deze zaak als volwaardige moord omdat:

Op basis hiervan eist de aanklager dat de gevangene ter dood wordt veroordeeld op de gebruikelijke plaats van executie.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0380  


Op 11 juni legde Pieter Godfried van Rodesteijn, een slaaf van de Oost-Indische Compagnie, een verklaring af voor Josephus de Grandpreez, secretaris van de rechtbank. Dit deed hij op verzoek van aanklager Daniel van den Henghel.

Van Rodesteijn verklaarde dat hij de vorige avond rond 6 uur bij zijn zus Leonora van Roodesteijn was in de Schotse Tempel. In haar kamer zaten twee matrozen wijn te drinken. Een uur later kreeg een van de matrozen ruzie met zijn zus omdat:

De matroos weigerde te vertrekken. Leonora dreigde hem met een bezem weg te jagen of de burgerwacht te halen. Pieter zag de matroos steeds aan zijn sok voelen en ging tussenbeide. Hij waarschuwde de matroos geen mes tegen een vrouw te trekken en vroeg hem weg te gaan. Terwijl Pieter probeerde de matroos te overtuigen, haalde deze toch een mes tevoorschijn.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0387  


De tekst gaat over een politieonderzoek. Een jongen wordt beschuldigd van het misbruiken van een teef (vrouwelijke hond). De jongen zegt dat hij alleen maar de deur met een stoel heeft vastgezet omdat hij de vloer aan het vegen was. De vrouw van Van der Swijn kwam binnen toen hij voor de rustbank stond met de hond voor hem. De jongen ontkent in zijn verklaring dat hij de hond heeft aangeraakt. Hij zegt dat hij nooit van plan was iets met het dier te doen.

Zijn kleding wordt ook onderzocht. Zijn broek had een kapotte klep en werd met een band opgehouden. Dit werd bevestigd door onderzoekers van de raad van het kasteel. De verklaring van burger Van der Swijn over het likken van de hond wordt als onbelangrijk beschouwd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0409  


Een matroos werd in de gevangenenwacht gevraagd naar zijn naam. Hij antwoordde dat hij Reijnier Rijkers uit Amsterdam heette en dat hij werkte op het schip de Buijs. Dit gebeurde bij Kaap de Goede Hoop in aanwezigheid van klerken Johannes Henricus Blanckenberg en Joachim Nicolaus van Dessen als getuigen.

De slaaf Pieter Godfried van Roodesteijn heeft deze verklaring afgelegd. Toen zijn verklaring hem werd voorgelezen, bevestigde hij dat alles klopte en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden. Hij verklaarde in aanwezigheid van matroos Reijnier Reijkers uit Amsterdam, die volgens hem degene was die zijn zus had verwond, dat alles de waarheid was.

Dit werd vastgelegd bij Kaap de Goede Hoop op 14 juni 1732.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0390  


Op verzoek van Daniel van den Hengleb, die onafhankelijk aanklager was, verklaren de eerste en tweede hoofdchirurg dat ze, samen met commissieleden Hendrik Swellengrebel en Daniel Pheijl van de rechtbank van dit gebied, het lichaam van de vrijgelaten slaaf Leonora uit de Kaap hebben onderzocht.

Ze vonden een wond boven de linkerborst die:

De wond beschadigde bloedvaten, wat leidde tot veel bloedverlies en vervolgens de dood. De verwonding was veroorzaakt door een scherp voorwerp van buitenaf.

Dit document is ondertekend in Kaap de Goede Hoop op 11 juni 1732 door Jean, J. van Schoor en B.D.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0399  


Op 10 oktober heeft Lena van Batavia, een slavin van de burger Jacob van Bochem, een verklaring afgelegd voor secretaris Josephus de Grandpreez van de Raad van Justitie. Dit deed ze op verzoek van de onafhankelijke aanklager Daniel van den Henghel. Ze verklaarde het volgende:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0555  


Een slaaf verstopte zich 's avonds achter de keukendeur. Daar hoorde hij zijn slaveneigenaar aan andere slaven vragen wie zeep had gestolen. De slavin Leena werd ervan beschuldigd, hoewel zij zelf zegt dat een andere slavin haar beschuldigde. De slaaf voelde zich zeer beledigd door deze beschuldiging.

3 of 4 dagen later sloop hij 's avonds weer naar de plaats. Hij verstopte zich met een mes achter een grote omheining tussen het hoofdgebouw en de slavenverblijven. Hij wachtte tot Leena naar buiten zou komen. Toen zij na het eten van de keuken naar het slavenverblijf liep, sprong hij uit zijn schuilplaats tevoorschijn. Hij gooide haar op de grond en stak haar 7 keer met zijn mes.

De slaaf verklaarde dat hij dronken was en dacht dat hij haar maar 2 keer in de borst had gestoken. Deze verdediging werd niet geaccepteerd omdat:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0544  


De tekst gaat over een rechtszaak waarbij een jongen wordt beschuldigd van ongepaste handelingen met een hond. Van der Swijn beweert dat de jongen de hond vrouwelijke namen gaf en bij zich liet slapen. De jongen ontkent dit volledig. Het wordt beargumenteerd dat veel mensen honden hebben en deze bij zich laten slapen, zonder dat daar iets verkeerds achter zit. Als dit soort argumenten geldig zouden zijn, zouden eerlijke mensen geen honden meer kunnen houden. De aanklager vindt dat er onvoldoende bewijs is om de zaak door te zetten.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0410  


Rijnier Rijkers uit Amsterdam, 24 jaar oud, kwam als matroos aan met het schip de Buijs. Hij heeft zonder dwang bekend dat hij op 10 juni 's avonds samen met een bootmansmaat naar de Schotse Tempel ging. Daar bezochten ze de kamer van de vrijgemaakte slavin Lenora van Roodesteijn. In aanwezigheid van de slaaf Pieter Godfried Roodesteijn dronken ze een fles wijn die de bootmansmaat betaalde.

Na ongeveer een uur ontstond er ruzie omdat Rijnier in de kamer wilde slapen. Lenora wilde dit niet toestaan, maar gaf wel toestemming aan de bootmansmaat. Lenora sloeg Rijnier in het gezicht met haar hand en probeerde hem met een bezem weg te jagen. Rijnier werd hierop boos en stak haar, ondanks waarschuwingen van haar broer, met een mes boven haar linkerborst. Lenora viel neer terwijl ze uitriep: "Oh mijn god, ik heb mijn deel."

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0403  


Op 16 juni 1733 verscheen slavin Rebecca voor de rechtbank op Kaap de Goede Hoop. Ze bevestigde haar eerdere verklaring, die woord voor woord aan haar was voorgelezen. Ze wilde niets toevoegen of verwijderen. De verklaring werd ondertekend door:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0433  


De slaaf Alexander gaf een bekentenis in het Nederlands aan Kaap de Goede Hoop op 15 juni 1733. Hij ondertekende dit met zijn eigen merkteken. Als getuigen waren aanwezig de secretaris C. de Grandpreez en de commissieleden N. Heijning en Hendrik Oostwald Eksteen. Op 16 juni 1733 werd de bekentenis aan Alexander voorgelezen. Hij bevestigde toen dat alles klopte en dat er niets hoefde te worden toegevoegd of weggehaald. De bekentenis ging over drie jongens die om 8 uur naar beneden zouden komen om buskruit te halen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0429  


De fiscaal (aanklager) heeft van het schip Ypenhoode dat uit China kwam een matroos ontvangen genaamd Marten Broersman. De scheepsraad had besloten hem in de boeien te houden tot aankomst voor nader onderzoek. Hij werd verdacht van doodslag op matroos Jacob Voguardt.

De raad had hem zowel in Canton als later aan boord streng ondervraagd. Ze konden alleen vaststellen dat hij:

De scheepsleiding heeft de gevangene en een document overhandigd. De fiscaal vond het zijn plicht om:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0435  


Op 15 juni 1733 werd bij Kaap de Goede Hoop een bekentenis afgelegd door Rebecca. Ze vertelde dat drie jongens tussen 8 en 9 uur naar huis waren gegaan om volgens hun huisgenoten buskruit te halen. Ze konden echter geen kruit krijgen. Ze zouden de volgende dag de berg opgaan om het te halen. Op aangeven van Alexander zei Rebecca dat ze erg moe waren en niet zo ver konden lopen. Met z'n drieën gingen ze de berg op nadat ze Alexander zijn geweer hadden afgenomen en hem in ruil een speer en een vork hadden gegeven. Ze spraken af daar tot de volgende dag te wachten. Bij het aanbreken van de dag, toen Rebecca samen met Alexander naar Kaap de Goede Hoop wilde gaan om zijn baas' zuster te bezoeken, werden ze beiden gearresteerd. De verklaring werd ondertekend door J. de Grandpreez als secretaris en door commissarissen N. Heijning en Hendrik Oostwald Eiksteen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0432  


Een bestuurder kreeg 2 gevangen weggelopen slaven overgedragen:

De bestuurder onderzocht of deze slaven betrokken waren bij de gewapende groep die lange tijd rondzwierf bij de boerderij van burger Jacob van Bochem. Galant was al lang weggelopen en droeg een zwaard. Hoewel de bestuurder geen bewijs vond van hun betrokkenheid bij de gewapende groep, waren het wel dieven en zwervers. Galant was ongeveer 2 maanden eerder weggelopen bij zijn meester omdat hij volgens eigen zeggen te veel moest werken en te weinig te eten kreeg. Hij zag er ondanks het zwerven in het slechte weer nog steeds goed doorvoed uit, wat suggereerde dat hij op kosten van zijn meester had geleefd en was weggelopen met slechte bedoelingen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0403  


Een slaaf genaamd Galand van ongeveer 30 jaar oud, eigendom van de vrije zwarte man Willem Stolts, heeft het volgende bekend gemaakt aan Daniel van den Henghel, de onafhankelijke aanklager:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0411  


In aanwezigheid van de slaven Galant en Anthony heeft Claas Kuijp op Kaap de Goede Hoop 9 juni 1733 een verklaring onder ede afgelegd. Hij bevestigde dat deze verklaring helemaal correct was en dat er niets aan hoefde te worden toegevoegd of veranderd. De secretaris J. de Grandpreez en de commissieleden N. Heijning en Hendrik Oostwald Eksteen waren hierbij aanwezig als getuigen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0426  


Claas Cuijp heeft een verklaring afgelegd over een voorval. Door zware mist raakte hij verdwaald en kwam hij terecht op het terrein van burger Anthonij van Rooijen. Toen hij op een berg stond, hoorde hij een geluid dat leek op een geweer dat weigerde af te gaan. Cobies Wolters zag op dat moment ook vonken zoals van een niet-afgaand geweer.

Dit gebeurde bij Kaap de Goede Hoop in aanwezigheid van klerken Johannes Henricus Blanckenberg en Joachim Nicolaus van Dessin als getuigen. Claas Kuijp ondertekende de verklaring. Secretaris J. de Grandpreez heeft dit vastgelegd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0425  


Op 6 juni 1733 legde Claas Kuijp, knecht op de boerderij van de weduwe Steeven Vermeij in de Tijgerbergen, een verklaring af. Dit deed hij voor Josephus de Grandpreex, secretaris van de Raad van Justitie, op verzoek van Daniel van den Henghel, de fiscaal.

Ongeveer 18 dagen eerder was 's avonds Gerrit Mos bij hem langsgekomen met een herder die op zijn schapen paste. Ze lieten vier schapenpoten en een paar oude kousen zien die de herder die dag op de berg had gevonden. Ze dachten dat dit sporen waren van weggelopen slaven.

Claas Kuijp herkende de kousen. Ze waren van de slaaf Anthonij, die schaapherder was en toebehoorde aan Claas' grootvader Willem Duijser. Deze woonde ook op de boerderij van weduwe Vermeij. Claas haalde Anthonij uit het slavenhuis en vroeg hem of de kousen van hem waren, wat hij bevestigde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0423  


De inwoner Jacobus Wolters heeft voor de commissarissen van de Raad van Justitie in het bestuur van Kaap de Goede Hoop op 9 juni 1733 zijn eerdere verklaring opnieuw voorgelezen gekregen. Hij bevestigde dat deze volledig klopte en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden. In aanwezigheid van de slaven Galant en Antonij legde hij onder ede een verklaring af. Dit document werd ondertekend door:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0421  


De persoon verklaart dat ze bij de plek waar ze het geluid hoorden en waar iets op de grond lag, hun geweer hebben geladen. Claas Cuijper kon zijn geweer niet afvuren, en na nog een mislukte poging vertrok hij. De getuige bleef daarna nog 4 keer proberen te schieten op die plek, maar zonder succes omdat zijn geweer steeds weigerde. Dit kwam door de dikke mist die het zicht belemmerde. Bij de derde poging zag hij wel wat vonken van een geweer dat ketste. Toen er niets meer te doen viel, ging hij naar huis.

Dit werd vastgelegd bij Kaap de Goede Hoop in aanwezigheid van klerken Johannes Henric Blanckenberg en Joachim Nicolaus van Dessin als getuigen, ondertekend door Wolters en secretaris De Grandma.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0420  


De slaaf Pieter Godfried van Roodesteijn probeerde iemand tegen te houden bij de Schotse Tempel, maar werd met een mes weggejaagd. De dader vluchtte naar een huis van de diaconie. Pieter Godfried van Roodesteijn achtervolgde hem en sloeg hem met een bezemsteel op zijn hoofd en nek. De dader was duizelig maar kon nog een paar stappen zetten. Toen Pieter Godfried van Roodesteijn probeerde het mes af te pakken, stak de dader hem in zijn rechterbil.

Pieter Godfried van Roodesteijn vluchtte naar huis om zijn zus Loonara van Roodesteijn te helpen, maar zij was al niet meer bij bewustzijn. Hij zette haar op een stoel en ging hulp zoeken. Bij de hoek van de Schotse Tempel vond hij de dader die om zijn helper riep. De burgerwacht kwam en arresteerde de dader. Ze vonden het mes waarmee hij de vrije slavin Loonara van Roodesteijn had vermoord en Pieter Godfried van Roodesteijn had verwond.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0404  


Dit is een proceslijst met verschillende rechtszaken:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11010 / 0008  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/