Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 4 maart 1735 legde Jan Colijn een verklaring af bij Josephus de Grandpreez, secretaris van de Raad van Justitie van het Kasteel de Goede Hoop. Deze verklaring was op verzoek van Daniel Van Den Henghel, die onafhankelijk fiscaal was.
Jan Colijn verklaarde dat op zondagmiddag 27 februari 1735 een slavin van zijn zwager Carel George Wieser bij hem kwam. Ze vroeg hem om naar zijn zwager te komen omdat deze door een van zijn slaven met een mes was gestoken. Colijn ging meteen met de rietdekker Pieter en enkele slaven naar het terrein van zijn zwager.
Daar vond hij zijn zwager met een ontwrichte linkerarm. Wieser vertelde hem dat zijn slaaf Pieter van Samboua hem net had proberen te vermoorden. Colijn ging vervolgens met de rietdekker en enkele slaven op zoek naar Pieter van Samboua, die ze niet ver van het huis aantroffen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11011 / 0259 Op 29 oktober 1691 werd uit Sirbon bericht ontvangen over pareloesters. Ze vertelden dat:
Het verwerkingsproces:
Het koken maakt de parels dof en wit. Zonder koken en met 10 tot 12 dagen rotten krijgen de parels hun juiste kleur.
De afgezanten meldden ook dat er meer kleine parels te vinden waren in het gebied van de Sousahonan, met name in de dorpen Donang Bodjoncoelver, Djoerok Legij, Babackan en Panjarang. De afgezanten zouden door Kiaij Dipattij naar Batavia gestuurd worden met geschenken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1500 / 0845 Aart Knaap, een matroos van het schip Rijgersbroek, zat gevangen vanwege een incident op 19 maart. Hij was met een andere matroos naar de wal gevaren. Die vroeg hem om smokkel-tabak aan land te brengen. Als beloning zou Knaap een hemd en oude schoenen krijgen. De poging mislukte omdat controleurs de tabak vonden. Matroos Daniel Martensz schold Knaap uit voor een dief en ze kregen ruzie. Knaap trok een mes omdat hij volgens eigen zeggen zich wilde verdedigen tegen Martensz, die volgens hem gewelddadig was. Martensz raakte gewond aan zijn linkerduim. De aanklager betwijfelt dit verhaal omdat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0603 Volgens de geleerde Carpzovius kan een geesteszieke persoon niet gestraft worden voor een misdaad die tijdens zijn ziekte is gepleegd. Dit wordt bevestigd door de verklaringen van de dokters van het kasteel en door geestelijken. Carpzovius stelt wel dat zo iemand veilig opgesloten moet worden om nieuwe ongelukken te voorkomen.
Omdat de dader nu aan de beterende hand is en weer bij zinnen komt, en er geen aanklacht tegen hem kan worden ingediend, vraagt de indiener aan de autoriteiten om de persoon:
Dit document is ondertekend door D. V. D. Senghel en ingediend bij de rechtbank op 27 november 1732. Bevestigd door secretaris B. degrandpreel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0592 De aanklager legt uit dat de rechters uit een bekentenis van de gevangene en twee beëdigde verklaringen kunnen opmaken dat het volgende is gebeurd:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0567 De ondertekende Johan Jacob Grandam, ziekenbroeder van het VOC ziekenhuis, verklaart aan de hoofdaanklager Daniel van den Henghel dat hij op 25 september 1732 een slavin van de burger Jacob van Bokkom heeft behandeld. De vrouw had 7 verwondingen van een scherp voorwerp:
Geen van deze verwondingen was dodelijk. Dit document is ondertekend in het VOC ziekenhuis aan de Kaap de Goede Hoop op 7 oktober 1732.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0563 Aan het einde van de maand augustus 1732 hebben twee hoofdchirurgen van het ziekenhuis, in aanwezigheid van Hendrik Wellengreber en Daniel Peseijl van de rechtbank, het hoofd onderzocht van een slavin die eigendom was van Jan Wolgast, een molenaar in dienst van de Compagnie. Ze troffen een wond aan op haar hoofd die door de spieren en het weefsel tot aan de schedel ging. De spieren waren gekneusd maar de schedel, hersenvliezen en hersenen waren niet beschadigd. De verwonding was veroorzaakt door een stomp voorwerp. De wond zelf was niet dodelijk, maar de slavin is later toch overleden door complicaties.
Dit is vastgelegd in het ziekenhuis van de Compagnie aan Kaap de Goede Hoop op 12 november 1732. Het document is ondertekend door C. van Schoor en bevestigd door secretaris P. de Grandpreel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0595 De slaaf Julie van Ceylon, ongeveer 24 jaar oud, werkzaam in het ziekenhuis van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, heeft een verklaring afgelegd aan rechter Daniel van den Henghel. Hij bekende dat een soldaat genaamd Matthijs hem 8 dagen geleden op zondag 's avonds twee zilveren horloges had gegeven om te bewaren. De horloges waren niet van Matthijs. Julie verstopte de volgende ochtend één horloge in de medicijnkamer en het andere achter een kist in de verbandruimte. Hij verstopte ze omdat hij bang was dat ze zouden breken door pleisters in zijn zak, maar vooral omdat hij wist dat ze gestolen waren. Het grootste horloge verstopte hij in de medicijnkamer en het kleine gaf hij aan twee Europeanen die het achter een kist in de verbandkamer verstopten.
Dit werd verklaard in Kaap de Goede Hoop op 6 oktober 1732. Julie heeft zijn handtekening gezet en de verklaring werd bevestigd door secretaris J. de Grandpreez en commissarissen C. Brand en J. Möller. Later werd de verklaring aan Julie voorgelezen, waarop hij bevestigde dat alles klopte en er niets aan toegevoegd of verwijderd hoefde te worden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0587 Op de ochtend van 6 oktober 1732 werd slaaf Anthonij van Bengalen aangehouden bij de plaats van weduwe Ten Damme. Hij was bezig hout te verzamelen om dit voor tabak te ruilen. Hij bekende dat het mes dat hem werd getoond hetzelfde was waarmee hij de dienstmeid Lena had verwond.
De bekentenis werd afgenomen aan de Kaap de Goede Hoop in het Nederlands, dat Anthonij redelijk goed sprak en begreep. Dit werd bevestigd door secretaris De Grandpreez en de commissarissen Brand en Artoijs.
Op 7 oktober 1732 verscheen Anthonij van Bengalen opnieuw voor de commissarissen van de Raad van Justitie. Na het voorlezen van zijn bekentenis bevestigde hij dat alles klopte en dat er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde te worden. Dit werd opnieuw bevestigd door secretaris De Grandpreez en commissarissen Brand en Artoijs.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0552 Anthonij van Bengalen, een 30-jarige slaaf van burger Jacob van Boelem, heeft een bekentenis afgelegd aan hoofdaanklager Daniel van den Henghel. Hij verklaarde dat hij ongeveer 3 weken geleden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0551 Het is redelijk om bij twijfelgevallen de mildste straf te kiezen, vooral als het gaat om leven of dood van een mens, hoe onbelangrijk deze ook lijkt. De rechtsgeleerden zijn het hierover niet eens - sommigen eisen de doodstraf, anderen kiezen voor een lichtere straf die net geen doodstraf is. Deze verschillende meningen zijn te vinden in de werken van Simon van Leeuwen en Antonius Mattheus. De aanklager eist dat de gevangene:
Of een andere straf die de rechters passend vinden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0547 De tekst beschrijft een juridische discussie over moordpogingen. Volgens van Leeuwen moet in sommige gevallen de intentie tot moord al bestraft worden met de dood, bijvoorbeeld bij nachtelijke overvallers. Maar dit geldt niet voor alle soorten moord. Zelfs bij vadermoord wordt de intentie niet gelijkgesteld aan de daad. In dit specifieke geval had de dader niet alleen de intentie, maar gebruikte hij ook een mes waarvan hij wist dat het dodelijk kon zijn. Hij verwondde een dienstmeid meerdere keren op het erf van haar werkgever, waar ze eigenlijk veilig had moeten zijn. Hij dacht dat ze dood was na zijn verraderlijke aanval. Toch volgt de aanklager de mening van Anthonius Mattheus, die stelt dat volgens zowel de gewone wet als de goddelijke wet iemand pas met de dood gestraft kan worden als het slachtoffer daadwerkelijk overleden is.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0546 De man heeft een vrouw meerdere keren gestoken. Hij wilde haar doden. Dit blijkt uit zijn bekentenis. Na ongeveer 2 steken in haar borst dacht hij dat ze dood was. Hij gooide haar toen achter een leuning en vluchtte meteen. De dader was volgens de aanklager niet dronken, zoals hij beweerde. De vrouw riep om hulp terwijl een andere dienstmeid naar de keuken rende om andere mensen te waarschuwen. De dader wist toch te vluchten. Hij verbleef een paar dagen in de palmbomen bij het huis van zijn meester. Door honger moest hij ergens anders voedsel zoeken. Op 6 van die maand werd hij bij Wijnberg gevangen door slaven van weduwe Ten Damme en aan justitie overgedragen. Volgens de verklaring van oudermeester Johan Jacob Grandan had de vrouw 7 verwondingen op verschillende plaatsen. Geen van deze verwondingen was dodelijk en de vrouw is volledig hersteld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0545 Daniel van den Henghel, juridisch ambtenaar in dienst van de VOC aan de Kaap de Goede Hoop, heeft een aanklacht ingediend bij gouverneur Jan de La Fontaine. De aanklacht is tegen de slaaf Anthonij van Bengalen, eigendom van burger Jacob van Bochem. Deze slaaf wordt beschuldigd van het verraderlijk verwonden van andere slaven met een mes.
De aanklager verwijst naar drie bewijsstukken:
Uit deze documenten blijkt dat de gevangen slaaf 3 tot 4 weken eerder was weggelopen van zijn meester's erf, maar stiekem terugkwam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0543 De getuige verklaart dat de verdachte zich omdraaide en hem met een mes in zijn rechterbil stak, waarna de dader vluchtte. De getuige ging naar zijn zus om haar te helpen en vond haar bijna niet meer in staat om te spreken. Hij had eerder zijn broer uit de logie (verblijfplaats) laten roepen. Bij terugkomst stuurde hij zijn broer naar de aanklager om melding te maken van het gebeurde.
Nadat hij zijn zus, die kort daarna overleed, op een stoel had gezet, ging hij naar buiten om hulp te zoeken. Hij zag toen de dader bij de hoek van de Schotse Tempel staan. De getuige ging naar de burgerwacht, waarop een groep onder leiding van korporaal Abraham Paling werd uitgestuurd. Ze arresteerden de dader, die nog steeds op dezelfde plek stond. De dader zei tegen de burgerwacht tijdens zijn arrestatie dat hij niet wist dat hij iets verkeerds had gedaan en dat hij in een goed huis was geweest. De dader was dronken.
De getuige verklaart verder dat de verdachte die hem gisteravond om 9 uur in de burgerwacht is getoond in aanwezigheid van de aanklager, gecommitteerden en secretaris van justitie, dezelfde persoon is die een uur of twee daarvoor zijn zus op moorddadige wijze had verwond. Hij wil daar op leven en sterven en is bereid deze verklaring, waarvan hij ooggetuige is geweest, op de krachtigste wijze te bevestigen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0389 Een man trok plotseling zijn mes en stak de zus van de getuige, die aan zijn rechterzijde stond, in haar linkerborst. Het slachtoffer riep "och mijn god, ik heb mijn part" en zakte in elkaar. De getuige kon dit door de snelheid van de aanval niet voorkomen. De getuige probeerde de dader, die wilde vluchten, voor te zijn bij het hek van de Schotse Tempel. Hij wilde het hek sluiten, maar omdat de dader, die hem op de hielen zat, nog gewapend was met het mes, moest de getuige het hek loslaten en vluchten om niet verwond te raken. Bij het huis waar Steeven ten Holder woonde, keerde de dader om en ging via de Schotse Tempel terug. De getuige volgde hem en haalde hem in bij de sluis die de diaconie had laten bouwen. Daar sloeg de getuige de dader met een bezemsteel, die hij uit zijn zusters kamer had meegenomen, op zijn nek en hoofd. De dader begon te wankelen en de getuige kwam dichtbij om het mes uit zijn hand te kunnen pakken als hij zou vallen. De dader struikelde, maar wist zich weer op te richten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0388 De bootsman Roelof Andriesz verscheen voor de Raad van Justitie in Kaap de Goede Hoop op 14 juni 1732. Hij bevestigde zijn eerdere verklaring onder ede, in aanwezigheid van matroos Rijnier Kijkers uit Amsterdam. Kijkers werd aangewezen als degene die een vrijgemaakte slavin had verwond. De verklaring werd afgelegd voor getuigen:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0384 Op 19 juni 1732 werd de doodstraf uitgevoerd. De veroordeelde moest met een touw aan de galg worden gehangen tot de dood erop volgde. Er werd een mes boven zijn hoofd geplaatst. Na de dood moest het lichaam naar het buitengerecht worden gebracht en daar opnieuw aan de galg worden gehangen. Het lichaam moest daar blijven hangen voor de vogels. De veroordeelde moest ook de proceskosten betalen. De akte werd ondertekend door D. van den Henghel en bevestigd door secretaris P. degrandpreel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0381 De gevangene beweerde dat hij niet de bedoeling had het slachtoffer te doden. Volgens Anth. Matth. in zijn boek over misdaden zijn er maar twee situaties waarin zo'n verweer geldt:
Een mes valt hier niet onder omdat dit een dodelijk wapen is, net als een degen. Volgens een verklaring van twee hoofdartsen was de toegebrachte verwonding volledig dodelijk. Daarom concludeert de aanklager dat de gevangene schuldig is aan moord met voorbedachten rade.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0379 De verdachte heeft bekend met zijn mes een moord te hebben gepleegd. Met hetzelfde mes had hij eerder een vrije zwarte man verwond en een jongen verwond. In zijn bekentenis vraagt hij om een milde straf. Hij beweert dat hij niet dacht dat de steek dodelijk zou zijn en dat hij een beetje dronken was, wat bevestigd wordt door de verklaring van de jongen. Volgens Simon van Leeuwen's rechtboek "Rooms-Hollands recht" (boek 4, deel 34) werd dronkenschap vroeger gezien als reden voor strafvermindering, maar dat gold toen al niet meer. Het spreekwoord luidde: "wat men dronken doet, moet men nuchter boeten". Het besluit van 30 januari 1545 verbood expliciet dat er gratie of vergiffenis werd verleend bij dodingen die in kroegen plaatsvonden. Ook het feit dat de verdachte zegt niet te hebben geweten dat de steek dodelijk zou zijn, helpt hem niet.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0378 De matroos achtervolgde een jongen die gedwongen werd een poort te openen. Toen de jongen het rek vasthield, stak de matroos meerdere keren met zijn mes naar zijn handen. De jongen vluchtte naar het huis van burger Steeven ten Hoeder. Bij de zogenaamde Schotse Tempel stopte de matroos de achtervolging.
Daarna besloot de jongen de matroos te volgen en trof hem aan bij het huis dat de diaconie aan het bouwen was. De jongen sloeg de matroos met een bezemstok op het hoofd en in de nek. Hij probeerde de matroos te overmeesteren, maar deze draaide zich om en stak de jongen met zijn mes in zijn rechterbil.
De jongen vluchtte naar huis om zijn zus te helpen, maar vond haar al bewusteloos. Hij zette haar op een stoel en ging hulp zoeken. Zijn broer werd naar de aanklager gestuurd om het voorval te melden. Bij de hoek van de Schotse Tempel werd de matroos door de burgerwacht gearresteerd, terwijl hij nog steeds het bebloede mes bij zich had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0377 De bootsmaat Roelof Andriesz van het schip de Buijs en de slaaf Pieter van Rodesteijn waren betrokken bij een incident op 10 december. Ze waren in de Schotse Tempel in de kamer van de vrijgemaakte vrouw Leonora van Rodestijn. De mannen dronken daar wijn. Na ongeveer een uur ontstond er ruzie omdat Leonora de bootsmaat wel, maar de gevangene niet wilde laten slapen in haar kamer. De ruzie liep uit de hand en Leonora sloeg de gevangene in het gezicht. Ze dreigde hem met een bezemsteel weg te jagen. De gevangene trok zijn mes. Pieter probeerde nog de matroos te kalmeren en hem ervan te weerhouden een mes tegen een vrouw te trekken. De matroos negeerde dit, trok snel zijn mes en stak Leonora in haar linkerborst. Ze riep "oh mijn god, ik heb mijn part" en viel neer. Ze stierf enkele minuten later. De matroos probeerde te vluchten, maar Pieter, die zijn zus zo zwaar gewond zag, sprong voor hem bij de voorpoort.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0376 Op 19 juni 1732 werd in het Kasteel de Goede Hoop een rechtszaak afgesloten. Het vonnis werd op 21 juni 1732 uitgesproken en uitgevoerd. De volgende mensen waren hierbij betrokken:
De secretaris J. de Grandpreez was aanwezig en heeft het document ondertekend. P. Boegrandpreez heeft als secretaris bevestigd dat dit document echt was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0406 De openbaar aanklager Daniel van den Henghel diende een aanklacht in bij gouverneur Jan de LaContaine en de Raad van Justitie in Kaap de Goede Hoop. De zaak ging over de matroos Rijnier Rijkers uit Amsterdam, die als laatste op het schip de Buijs had gewerkt. Hij werd beschuldigd van moord op een vrije slavin genaamd Leonora en het verwonden van haar broer Pieter van Roodestijn. De aanklager verwijst naar twee eerder afgelegde verklaringen om de vooraf geplande moord te bewijzen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0375 De hoofdfiscaal maakt melding van een zaak waarbij Jan van der Wijn uit Batavia een slaaf genaamd Cupido heeft overgedragen. De slaaf zou zich hebben misdragen met een hond. Om dit te onderzoeken zijn er 3 getuigenverklaringen afgenomen van:
Op 15 maart ging de vrouw van Van der Wijn naar de voorkamer (de zogenaamde Troh-kamer). Ze vond de deur, die normaal niet op slot kon, dicht omdat er een stoel tegenaan was gezet. Toen ze de deur openduwde, zag ze Cupido bij een rustbank staan met een teef (vrouwtjeshond) in zijn handen. Geschrokken vroeg ze wat hij daar deed, waarop Cupido verward antwoordde dat hij met de hond speelde. Daarna ging ze naar haar man om hem dit te vertellen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11009 / 0407 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/