Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 1 oktober 1681 is er een aantal betalingen gedaan aan de stad:

Bekijk transcriptie 


Op een avond werd er geklopt op de deur. Er waren verschillende mensen aanwezig, waaronder een soldaat. De burgerwacht deed de deur open. Een officier sloeg direct met een stok (rotting) omdat hij zich slecht behandeld voelde. De burgerwacht bleef bij het huis en nam twee geslagen matrozen mee, samen met de soldaat die voor de deur stond. Later kwam de burgerwacht terug bij het huis toen de twee zwaar verwonde matrozen nog steeds bij of rond de deur waren, samen met de soldaat die naar buiten was gestuurd.

Bekijk transcriptie 


De verdachte verklaart dat de aanklager niet dicht genoeg bij was om hem met een stok te kunnen slaan. De verdachte ging via een raam weer naar binnen in het huis. Er wordt beweerd dat niemand de deur voor hem opende toen hij binnenkwam. De verdachte ontkent dat hij een vrouw een klap gaf en haar het huis uit zette. Er wordt gevraagd of de twee soldaten van het gezelschap en andere personen zich nog in het huis bevonden. De verdachte zegt dit niet te weten. Ook wordt hem gevraagd of hij met geweld tegen de deur aanbeukte of de deur had opgetild om iemand te slaan.

Bekijk transcriptie 


Deze verklaring van E Tiemmerdoff werd officieel vastgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 22 januari 1744. De leden van de raad waren V Decker en W van Kerkhoff. De verklaring werd ondertekend door de ondervraagde persoon en de secretaris Jr C. A P van Schoon heeft dit document geverifieerd als kloppend met het origineel.

Bekijk transcriptie 


De gevangene antwoordde dat hij niemand had geslagen. Op het slaan had hij niets aan te merken, hoewel daar een zware straf op stond. Hij wist niet of hij nog iets schuldig was en kon geen onschuld aantonen. Dit werd afgenomen aan Kaap de Goede Hoop op 20 januari 1744. L. Alleman en Willem van Kerkthoff waren hierbij als leden van de Raad van Justitie aanwezig. De gevangene Mattheus Hans ten den Kam hoorde deze vragen en antwoorden voorgelezen en bevestigde dat hij erbij bleef, zonder behoefte aan heroverweging.

Bekijk transcriptie 


De gevangene zegt dat hij door het venster naar buiten is gesprongen. Hij is niet meer teruggekomen in het huis waar hij eerder uit was gesprongen. Toen hij wegging kwam de tamboer (militaire drummer) binnen via de deur. De burgerwacht kwam hen op straat tegen. De burgerwacht heeft twee soldaten en twee gewonde matrozen meegenomen. Na het gevecht heeft de gevangene zich verstopt of is hij gevlucht. De ondervraagde weet niet precies wat er gebeurde, maar kort daarna kwam de burgerwacht met hun officier het huis binnen.

Bekijk transcriptie 


Hij weet niet of twee mensen vanuit de woning van Paulus Beek zijn gekomen om het slaan van de matrozen te stoppen. Na die gebeurtenis is hij niet samen met de tamboer terug naar binnen gegaan bij de twee soldaten die daar waren gebleven. Hij vertelt dat toen hij uit het huis van Dirk de Jamboe kwam, hij meteen naar het huis van de persoon die Mottige Hleijn wordt genoemd is gegaan. Die was gevlucht en had de geslagen matroos op straat laten liggen. Waar die persoon naartoe is gegaan weet hij niet. Er kwam niemand naar hem toe, maar wel naar de tamboer die bezig was de matrozen te slaan op de stoep.

Bekijk transcriptie 


Andrea verklaarde dat hij hoorde schelden. Hij was in huis en zag dat er mensen gewapend met stokken bij het huis van de generaal liepen richting de woning van de tamboer. Ze wilden twee matrozen die voor de deur stonden verrassen. In de woning van duikelaar Paulusbeek, die schuin tegenover de sappeurswoning woonde, lagen mensen over de onderdeur omdat ze werden geslagen. Gerrit ontkende iemand te hebben aangeraakt. Er werd gevraagd of hij een van de matrozen op straat met een stok had geslagen, terwijl de tamboer de andere matroos die nog op de stoep stond sloeg.

Bekijk transcriptie 


De getuige vertelt dat Anto een touw had. De getuige zag twee ruziënde matrozen aan de zijkant. Ook was er een tamboer aanwezig. De tamboer is niet uit het raam gesprongen, maar ging via de deur naar buiten. Hij had een lange stok uit een van de kamers gepakt. De tamboer probeerde de luidruchtige matrozen bij de deur weg te jagen. Toen de getuige naar buiten kwam, zag hij de tamboer met een stok staan. De getuige weet niet zeker hoe de tamboer precies naar buiten is gekomen.

Bekijk transcriptie 


De ruzie vond plaats tussen 10 en 11 uur. Na het incident waarbij matroos Christoffel de tamboer Dirk had geslagen, heeft de tamboer als huisbaas de twee matrozen uit het huis gezet. Voor de deur begonnen ze te kloppen. Een van de matrozen vroeg aan Jan om hulp, waarop deze positief antwoordde en ook op de deur begon te kloppen. Er werd een stok uit het voorhuis gepakt en in de achterkamer onder een bed gegooid uit angst voor de twee Fransen. De mannen maakten lawaai op straat omdat ze weer naar binnen wilden.

Bekijk transcriptie 


Jakob Siemmendorf gaf op 22 januari 1744 in Kaap de Goede Hoop een getuigenverklaring. Hij bevestigde zijn eerdere verklaring, maar wilde één detail aanpassen. Bij artikel 40 wilde hij verduidelijken dat de matroos niet met een stok uit het raam hem achterna kwam, maar wel uit het raam sprong om hem te volgen. De verklaring werd afgenomen door raadsleden Decker en Willem van Kerkhoff. Siemmendorf ondertekende de verklaring samen met de secretaris A. Sinder.

Bekijk transcriptie 


In een herberq 'De Valk' stonden 2 personen bij de ramen. Een van hen riep naar een derde persoon dat als die niet zou ophouden met het slaan tegen de voordeur van Mattheus, ze hem met stenen zouden gooien. Een van de 2 personen vroeg toen of het nog niet lang genoeg had geduurd om een christen te slaan.

Toen er gedreigd werd met stenen gooien, werd er gevraagd of ze zelf ook slaag wilden hebben. Er werd geen wandelstok gezien en de persoon was niet dichtbij genoeg om iemand te kunnen slaan. Na dit antwoord werd iemand bij zijn haar van de sloep gesleept, die vervolgens ook werd geslagen tot hij op de grond viel.

Bekijk transcriptie 


Op 26 februari 1703 werd in Amsterdam een kopie gemaakt van een instructie uit 14 mei 1693. Die instructie was voor schipper Claas Wendt en ging over zijn reis met het schip Carlos Seconde. Als vervanger werden aangewezen Pieter Nieft als handelaar en Jan Jorisz Strijt als opperstuurman.

Ze moesten vanuit Amsterdam naar de rivier bij Lissabon, voor Cascais varen. Daar moesten ze:

Bekijk transcriptie 


Anthonij van Galen, notaris van de Raad van Brabant, bevestigt dat Anthoni Rijmers (smid in Wagenbergh) en Adriaena Jansse Hessels schuldig zijn aan Johanna Hessels uit Breda een bedrag van 300 Caroli guldens. Dit bedrag moet terugbetaald worden op 29 juni 1752 met rente van 10 stuivers.

Op 22 maart 1769 verscheen Francis van den Sacker, chirurg uit Breda, als uitvoerder van het testament van Johanna Nijer. Dit testament was opgesteld op 29 juli 1764 voor notaris Johannes Hennus Roelant. Van den Sacker verklaarde dat de schuldenaren het bedrag van 300 guldens plus rente hebben terugbetaald. Hierbij waren aanwezig:

Bekijk transcriptie 


Op 12 juli 1867 kwamen voor notaris Henricus Adrijanus Franciscus Daniel van Meeuwen in Haarlem de volgende personen:

Ze verklaarden dat Sara Stuurman, weduwe van Hermanus Hessels, op 17 april 1866 in Haarlem was overleden. In haar testament van 6 februari 1866 had zij haar erfenis als volgt verdeeld:

Het wettelijk verplichte deel van de erfenis ging naar haar zes kinderen, die ze had met haar overleden man Hermanus Hessels. Fredrik Woutman Junior, kantoorbediende uit Haarlem, werd aangesteld als uitvoerder van het testament en beheerder van de nalatenschap.

Bekijk transcriptie 


Op 6 augustus 1663 ontvingen de Staten-Generaal een brief van 31 juli waarin de Spaanse ambassadeur verklaarde dat er vrije doorgang moest komen door de heerlijkheid Schaesberg tot aan Duits grondgebied. De Spaanse afgevaardigden hadden dit in verschillende vergaderingen niet meer ter sprake gebracht.

Huijgens en Van der Hooge hebben met de Spaanse ambassadeur gesproken over de weg door Schaesberg naar Duits gebied. De ambassadeur bevestigde dat deze doorgang was afgesproken bij het oplossen van geschillen over de drie Landen van Overmaze. Hij had dit ook laten weten aan de Spaanse commissarissen in Aken.

Op 31 augustus 1663 schreef R. Groenendijck vanuit Den Haag hierover een brief, mede ondertekend door J. Spronssent. De grondeigenaren in Gulpen vroegen daarnaast om verlichting van belastingen en een eerlijkere verdeling van lasten. Ze wilden ook dat er een opmeting zou komen van alle gronden in de heerlijkheid. Hiervoor werd Francoijs ingeschakeld.

Bekijk transcriptie 


Een rechtszaak over erfopvolging na het overlijden van Frederik Theodoor Sigismond van Schaesberg op zijn kasteel in het land van Valkenburg. Hij stierf zonder wettige nakomelingen. De zaak draaide om een algemene erfopvolging waarbij alle bezittingen, ongeacht hun aard of locatie, verdeeld moesten worden volgens de geldende wetten.

In 1736 werd een proces gestart voor het leenhof van Brabant. Later, volgens een besluit van 28 november 1746, werd de zaak doorverwezen naar het hooggerechtshof van Limburg. Op 13 januari 1749 werd een uitspraak gedaan over de leengoederen van Schaesberg, een leen van het land van Gulik.

Bekijk transcriptie 


Tijdens een gesprek aan het hof met Graeff van Harach werd besproken dat markies de Trichateau namens de hertog van Lotharingen was gekomen om de mening van de keizer te horen over een belangrijk verdrag. Graeff van Harach antwoordde dat de hertog hier niets over te zeggen zou hebben - als de keizer het verdrag accepteerde, moest de hertog volgen. Als de keizer zou weigeren, zou men de hertog verhinderen bezit te nemen van het land. De Vilars meldt dat de paus en de republiek Venetië het verdrag wel zien zitten. De ambassadeur van Savoye reageerde eerst sterk op het verdrag maar blijft nu rustig, waarschijnlijk vanwege de nabijheid van Frankrijk. Graeff van Aversberg wordt uit Engeland verwacht. Hoffman, de keizerlijke gezant, zal daar de zaken waarnemen. Graeff Goes mag terugkomen, maar het is onzeker of hij zal terugkeren naar Den Haag. Er wordt gesproken over het aanstellen van een secretaris voor de keizerlijke belangen in de Republiek. Een incident wordt beschreven waarbij soldaten van de keizer geweld hebben gebruikt tegen een Nederlandse gezant. Kardinaal Collonitz, die zich sterk maakt voor het katholicisme en tegen het protestantisme in Hongarije, zou de soldaten hebben beloond met 12 dukaten en hun gedrag hebben goedgekeurd. De briefschrijver vindt dit zeer ernstig omdat:

Bekijk transcriptie 


Op vrijdag is er een bezoek gebracht aan Mechelen om de soldaten daar in het garnizoen te inspecteren.

Tijdens een inspectie bleek dat er ongeveer 3000 goed uitgeruste ruiters en dragonders waren. Er waren nog ongeveer 1000 ruiters en dragonders zonder uitrusting, waarvoor steeds paarden werden aangeleverd uit het Spaanse Gelderland.

Er zou nog meer militaire versterking komen:

De Fransen waren bezig met militaire bewegingen in de veroverde Nederlandse gebieden. Ze stuurden schepen met geschut en munitie naar Duinkerken, samen met 30 lege zakken die waarschijnlijk met aarde gevuld zouden worden. Dit werd begeleid door soldaten te paard en te voet.

Prins Van Parma gaf orders aan de ruiterij om terug te keren naar hun garnizoenen. Er waren zorgen over Franse invallen, vooral omdat er bij Maubeuge een klein leger werd gevormd en er veel militair materieel naar Duinkerken werd gebracht. Sommigen vreesden dat Frankrijk het op Nieuwpoort en Oostende had gemunt.

De Franse koning had in de provincie Luxemburg bevolen dat inwoners die in dienst waren van andere landen moesten terugkeren, op straffe van inbeslagname van hun bezittingen. Ook moesten kastelen in die provincie soldaten werven voor Franse dienst.

Brief ondertekend door C. van Sasburgh te Brussel, 9 november 1681.

Bekijk transcriptie 


Op 23 mei 1681 meldt E. Verhagen dat er een regiment van kolonel Wangelen is aangekomen met goed uitgeruste soldaten. Het regiment van kolonel Truhateau wordt nog verwacht.

Er zijn besprekingen geweest tussen het Hof en de Raad van Brabant over klachten over nieuwe regels. De Fransen versterken hun bezette gebieden. De Prins van Parma werkt hard om de overgebleven gebieden te behouden. Het regiment van Trichateau (1300 man) is verdeeld over Mechelen en Leuven. Het regiment van kolonel Wangelin verblijft in de stad (Brussel).

Op 26 november 1681 schrijft resident E. van Sasburgh dat hij weinig vooruitgang boekt omdat de Prins van Parma ziek is. Graaf d'Arihinto, die de leiding heeft over staatszaken, en andere bestuurders zijn het niet eens over:

De stad Antwerpen staat geen veranderingen toe in de belastingregels van 21 december 1680 zonder hun toestemming. De situatie in Luxemburg verslechtert en de Fransen verbieden koeriers om brieven te bezorgen.

Bekijk transcriptie 


De tekst gaat over een onderzoek naar het gedrag van Malan. Hij zou een buitenechtelijke relatie hebben gehad met een slavin genaamd Sara, die eigendom was van burger Jurgen Radyn. Sara zou tegen de vrouw van Malan hebben gezegd dat ze een kind van hem had.

Dit leidde tot:

De vrouw van Malan ging naar Stellenbosch om te overwegen van hem te scheiden. Op advies van familie en vrienden zag ze hier echter vanaf. De onderzoeker kon geen actie ondernemen omdat:

Bekijk transcriptie 


De vertegenwoordiger sprak met mevrouw Malan die vertelde dat ze niet meer bij haar man sliep sinds hij werd betrapt met de dienstmeid. Ze hadden sindsdien geen lichamelijk contact meer. Ze dacht dat haar man niet meer terug zou komen omdat hij naar Carel Kruger zou zijn gegaan.

De vertegenwoordiger adviseerde haar om bij haar aankomst in Kaap naar de gouverneur en de president van de vergadering te gaan. Daar moest ze hetzelfde verhaal vertellen en toestemming vragen voor een verkoping. Als ze terug zou zijn op haar woonplaats, moest ze het antwoord van de gouverneur en president mondeling of per brief doorgeven aan de vertegenwoordiger.

Als ze toestemming zou krijgen, mocht ze na de verkoping naar de Kaap gaan om een officiële verklaring af te leggen over alles wat ze aan de vertegenwoordiger had verteld. Ze stemde hier meerdere keren mee in en zei dat dit ook haar bedoeling was geweest om naar de vertegenwoordiger te komen.

De vertegenwoordiger heeft op 14 december dit verhaal van mevrouw Malan gedeeld met de president van de vergadering. Hij zou zo snel mogelijk onderzoeken of de beschuldigingen tegen haar man waar waren.

Bekijk transcriptie 


Op 19 augustus 1734 legden verdachten een bekentenis af aan Kaap de Goede Hoop. Lijs van de Caal bekende dat zij en andere betrokkenen, waaronder de slaaf Cupido, diefstallen en dodingen hadden gepleegd. Na het doden van een slavenkind zijn ze teruggekeerd van het Rode Zand naar de Bartholomeus Klip. Cupido wist te ontsnappen. Een slaaf van de weduwe van Pieter Joubert heeft hen later gevonden. De verdachten erkenden dat deze misdaden zeer strafbaar waren. Het document werd ondertekend door verschillende functionarissen, waaronder Jan de With en C. Brand. De secretaris P. de Grandpreez authentiseerde het document.

Bekijk transcriptie 


Deze tekst is te beschadigd of onvolledig om een betekenisvolle samenvatting te maken.

Bekijk transcriptie 


De heemraden verklaren dat zij samen met de landrechter Pieter Lourensz en de gerechtsbode naar de boerderij van landbouwer Francois du Toit in de Winterhoek zijn gegaan. Die boerderij lag voorbij het rode zand. Ze gingen daar kijken waar een slavenkind was, dat bij du Toit hoorde. Dit kind was eerder door een slaaf genaamd Cupido (van landbouwer Jan Hendrik Debes) en een slavin genaamd Lijs van de Kaap (van landbouwer Gideon Joubert) uit het woonhuis van du Toit meegenomen. Ze hadden het kind doodgeslagen en in een stekelvarkensgat gestopt.

Op 16 september vroeg de landrechter in het woonhuis van du Toit aan slavin Lijs van de Kaap of zij het stekelvarkensgat kon aanwijzen waarin ze het vermoorde jongetje had gestopt. Lijs zei ja. Ze gingen naar de bergen bij du Toit's boerderij. Na enig zoeken verklaarde Lijs dat het kind niet daar lag, maar achter het huis van landbouwer Jan Cornelisz Olivier tegen de bergen aan.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/