Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
De onafhankelijke officier van justitie Pieter Reede van Oudshoorn heeft een aanklacht ingediend bij gouverneur Rijk Tulbagh en de rechtbank in Kaapstad. De aanklacht is tegen de slaaf Samson van Boegis, die eigendom was van Aletta de Neijs, weduwe van Hans Jurgen Honk. Samson werd aangeklaagd voor het verwonden met een mes van zowel de knecht van zijn meesteres als haar zoon.
De aanklacht wordt ondersteund door:
De eerste getuige was knecht bij de brouwerij van weduwe Honk. Als knecht was hij verantwoordelijk voor het corrigeren en straffen van slaven die hun werk niet goed deden. Samson werkte daar als beesten- en schaapherder.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1249 Op 14 december 's avonds waren de slaven Januari, Claas en Augustus in de keuken van het woonhuis op de plaats van hun eigenaar Francois Retief bij de Wagenmakersvallei. Hun eigenaar riep vanuit de voorkamer om de honden te roepen. Claas riep naar buiten "tsa tsa". De vrouw van de eigenaar vroeg wie dat riep, waarop Augustus antwoordde dat het Claas was. De vrouw zei toen dat die "mooie aap" niet beter kon roepen. De volgende ochtend vertelde Augustus dit aan Claas op het erwtenland.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1229 Er ontstond ruzie tussen de slaaf Augustus en een andere persoon, over een oudere slavin genaamd Aurora. Augustus had leugens verteld over deze persoon bij zijn baas. Kort daarna:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1240
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1216
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1215 Op een niet genoemde datum diende Pieter Lourensz, de landdrost van Kaap de Goede Hoop, een aanklacht in bij Rijk Tulbagh, de president van de Raad van Justitie. De aanklacht was gericht tegen Claas van Bengalen, een slaaf van burger Francois Retief. Claas werd beschuldigd van:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1213 Op 9 september 1744 onderzocht men de matroos Jan Hoonders uit Amsterdam op het schip de Brak dat voor anker lag. Hij had de volgende verwondingen door een scherp voorwerp:
Dit werd vastgesteld in het ziekenhuis van de VOC bij Kaap de Goede Hoop op 23 september 1744 door J van Schoot en D S Jean, op verzoek van de onafhankelijke aanklager Pieter Reede Van Oudshoorn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1209 De getuige was alleen in een huis en dronken. Er kwam iemand die bloedde. Daarom gaven de matrozen die daar waren voor 10 cent brandewijn. Met deze brandewijn hebben ze de bloedende matroos schoongemaakt. Toen het personeel van de werf vertrok, wilde de gewonde matroos daar slapen. De vrouw des huizes wilde dit niet. Kort daarna vertrok de matroos en niemand weet waar hij naartoe is gegaan.
Dit gebeurde bij de juridische afdeling van het Kasteel de Goede Hoop in aanwezigheid van klerken Hendrik Emanuel Blankenberg en Olot Christoff Karnspel als getuigen. Zij hebben samen met de getuige en de secretaris het document ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1206 Rosetta van de stad Rio de la Goa verscheen op 11 september 1744 voor secretaris Jan Frederick Timmerdorf van de rechtbank. Ze was een slavin van timmerman Hermanus Erasmus. Ze legde op verzoek van fiscaal Pieter Reede van Oudshoorn een verklaring af over het volgende:
Ze werkte voor een vrije zwarte vrouw genaamd Agie die bij het huis van weduwe Courtilliacq woonde. Daar kwamen twee dagen eerder 's avonds 3 matrozen koffie drinken. Ze kende slechts één van hen bij naam: Arij, die eerder bij de vishoek had gewerkt. Na ongeveer een half uur vertrokken deze 3 matrozen weer.
Rond 9 uur kwamen er ook matrozen van de scheepswerf koffie drinken. Deze matrozen, waarvan ze de namen niet kende, waren daar nog steeds aanwezig.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1205 Toen zijn verklaring woord voor woord werd voorgelezen, bevestigde hij dat alles correct was. Hij wilde niets toevoegen of weglaten en verklaarde dat alles de zuivere waarheid was. Dit werd vastgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 18 september 1742. De verklaring werd ondertekend door de leden van de Raad van Justitie Cornelis Eelders en Willem van Kerkhoff, samen met de secretaris Siemmendorf. De kopie werd later geverifieerd door klerk A.H.A.J.D. Schoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1204 De getuige meldt dat hij van de bemanning van de Hoeken (waar de gewonde matroos op was ingedeeld) had gehoord dat deze matroos al eerder ruzie had gehad met zijn collega genaamd Arij in de herberg bij de zeedijk. Dit gebeurde op de rechtbank van fort de Goede Hoop, in aanwezigheid van de klerken Hendrik Emanuel Blankenberg en Oloff G Christof Karenspek als getuigen. De matroos Jan Tolle verscheen voor de raad van justitie van het fort.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1203 Een tijd nadat een dronken matroos vertrok na koffie te hebben gedronken bij de verteller, kwam dezelfde matroos rond 9 uur hevig bloedend terug. Hij zei dat hij op straat verraderlijk was geslagen maar wist niet door wie. De verteller waste samen met andere matrozen de wonden met brandewijn die ze bij een vrouw hadden gehaald. Ze verbonden zijn hoofd met een doek. De gewonde matroos ging daarna naar de Equipagewerf. Op bevel van de bootsman moesten rond half 11 twee mannen de gewonde matroos naar het ziekenhuis brengen. De verteller deed dit samen met een matroos genaamd Jacob.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1202 Hij haalde zijn mes uit zijn broekband en gaf daarmee Jan Gunner een slag tegen zijn hoofd. Hij wist op dat moment niet dat de punt van de schede gespleten was. Dat merkte hij pas na het toebrengen van de slag, omdat Jan Gunner daarna bleef bloeden. De dader ging daarna op een bank in het huis liggen. De matroos Jan Gunner werd vervolgens naar de werf gebracht.
Dit werd bekend aan Kaap de Goede Hoop op 14 september 1744, voor de leden van de Raad van Justitie Cornelis Eelsders en J. de Grandpreez. Dit document werd ondertekend door de bekennende persoon en de beëdigde klerk A. Schoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1196 Op 12 september 1744 legde Jan Rennebeek, die hoofdverpleger in het ziekenhuis van de Compagnie was, een verklaring af voor secretaris Jan Fredrik Tiemmendorff van de rechtbank van het kasteel. Dit deed hij op verzoek van onafhankelijk aanklager Pieter Reede van Oudshoorn. Rennebeek verklaarde dat toen hij twee dagen eerder rond 5 uur 's middags voor de poort van het ziekenhuis wandelde, de kok van het ziekenhuis, Jacob Trosthuijsen, naar hem toekwam. Die vertelde dat er nieuws was over de persoon die de avond ervoor matroos Jan Gunner van het schip de Brak had verwond. Een matroos genaamd Albert, die op de boot 's Lands Welvaaren werkte, was bij het matras van de gewonde gekomen en had hem aangesproken over waarom hij niet wilde zeggen wie hem verwond had. Hij zei dat Albert werd gezien als de dader en dat de politie overal naar hem zocht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1191 In dit archiefdocument staat een handtekening van secretaris Stemmendor en een verklaring dat de tekst is gecontroleerd door algemeen klerk A.D. Schoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1190
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1197 Arij Huijgekas uit Boskop, een 36-jarige matroos op het schip Utrecht, deed een bekentenis aan Pieter Reede van Oudshoorn, de onafhankelijke officier van justitie van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. Hij vertelde het volgende: Op woensdagavond 9 september was hij in het huis naast de woning van weduwe Courtilliac. Daar woonde een zwarte vrouw wiens naam hij niet kende. Hij was daar samen met de matrozen Jan Tolle, Albert en Jan Gunner en nog anderen die hij niet kende. Ze aten samen en dronken koffie en wijn door elkaar. Huijgekas werd dronken en kreeg ruzie met Jan Gunner over een of meerdere flessen wijn. Gunner schold hem uit, wat Huijgekas niet kon verdragen. Hij pakte daarop zijn mes in de schede.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1195 Uit de bekentenis van matroos Michiel Backer, die terechtstond voor diefstal, bleek dat hij Jan de Boode uit Schiedam en matroos Fredrik Willem van Saltoffel beschuldigde van diefstal en heling. Deze twee mannen waren gestationeerd op het vertrokken retourschip 't Fortuijn.
Op 6 of 7 juni had de opperstuurman van het schip 't Fortuijn aan Jan de Boode opdracht gegeven om het ruim te openen. De Boode ging als eerste het ruim in, gevolgd door Backer en anderen. De Boode riep vervolgens Backer om met licht naar de voorkant van het schip te komen. De Boode vroeg Backer om met een kaars bij te lichten bij een ton die hij wilde dichtspijkeren. Backer merkte op dat er alleen touw in zat.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1015 De slaaf Fortuijn viel op de grond met de meester erbovenop. Fortuijn pakte toen een keukenmes van een vensterbank. Het dochtertje van de meester, Regina, die al in bed had gelegen maar wakker was geworden door het lawaai, kwam naar de keuken. Ze riep dat ze haar vader's arm vastpakte terwijl Fortuijn een mes in zijn hand had.
De vrouw des huizes en twee andere slaven, Rachel en een jongen, kwamen erbij. Ze pakten het mes af van Fortuijn. In opdracht van de meester werd Fortuijn vastgebonden en naar het gevangenisgebouw in Stellenbosch gebracht.
Toen Fortuijn al vastgebonden was, vroeg de slavin Rachel hem wat hij van plan was met het mes. Hij antwoordde dat hij zichzelf kwaad had willen doen. De getuige verklaart dat ze niet heeft gezien dat Fortuijn enige dreigende beweging maakte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1013 De slaaf Fortuijn kwam bij het keukenraam en vroeg aan de slavinnen of hij zich kon wassen. Ze zeiden dat hij binnen kon komen. Als de andere jongen hem iets slechts had aangedaan, konden ze dat aan de baas vertellen. Een van de slavinnen deed de keukendeur open en Fortuijn kwam binnen. Hij vroeg om eten. Ze antwoordde dat het eten in de kamer was en dat ze het zou halen. Fortuijn probeerde dit te voorkomen en hield haar vast. Hij vroeg wat ze wilde doen en of ze de mensen wakker wilde maken om hem te slaan. Ze ging terug en kort daarna kwamen haar meester en zijn vrouw de keuken in. Ze scholden Fortuijn, die bij de haard stond, uit en zeiden dat hij 's morgens van het werk was weggelopen en nu zo laat kwam. Ze gaven hem daarbij een paar klappen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1012 De geïnterrogeerde (ondervraagde) verklaart op 9 juli 1744 in Kaap de Goede Hoop dat hij niemand anders dan zichzelf heeft willen doden. Hij werd ondervraagd door de raadsleden Heijningh en Grove van de Raad van Justitie. Hij geeft toe dat hij strafbaar is voor zijn treurige voornemen. De slaaf Forluyk van Bengalen werd naar de gevangenis in Stellenbosch gebracht nadat een meisje en twee slavinnen een mes van hem hadden afgenomen. De verklaring werd vastgelegd door secretaris Fs Diemmenbork en AJ d Schoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1010 De slaaf Fortuijn van Bengalen, eigendom van landbouwer Bernhardus van Biljon, werd ondervraagd door de rechtbank van het kasteel de Goede Hoop. Hij woonde op een boerderij bij het Moddergat. Fortuijn was ongeveer 30 jaar oud en ging 14 dagen geleden van zijn meesters plaats bij het Moddergat naar diens woonplaats bij Stellenbosch. Hij kwam 's avonds aan in de galerij van het woonhuis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1007 Ongeveer 14 dagen geleden kwam op een avond de slaaf Fortuijn van Bengalen naar de woonplaats van Jan d'Aros Pieter Lourensz bij Stellenbosch. Deze slaaf werkte eigenlijk op een andere plek bij het Noddergat. Een klein slavenmeisje vertelde dat Fortuijn was aangekomen. Toen Lourensz naar de galerij ging om met hem te praten, vluchtte Fortuijn meteen het huis uit. Lourensz riep hem nog, maar toen hij hem niet vond, ging hij terug naar zijn slaapkamer. Even later merkte Lourensz dat Fortuijn toch in het achterhuis was gekomen en ging hij daar ook naartoe.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 1003 De slaaf Fortuijn werd door twee slavinnen Lea en Vachel in Gent ontwapend. Op bevel van zijn meester Bernhardus van Biljon werd hij vastgebonden en naar Stellenbosch gebracht. In een verhoor voor de raad gaf Fortuijn toe wat zijn meester had verklaard. Hij voegde eraan toe dat een andere slaaf, Jacob van Perrade Natal, hem had geslagen. Hij was naar zijn meesters huis gegaan om te klagen, maar vluchtte toen hij zijn meester met een stok (rottang) zag aankomen omdat hij bang was voor meer slagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0997 Bernhardus van Biljon kwam op een avond bij zijn huis in Stellenbosch. Een klein slavinnetje vertelde hem dat er een jonge slaaf was gekomen. Hij ging naar de galerij om met deze slaaf te praten. De slaaf, die Fortuijn heette, vluchtte toen hij Van Biljon zag. Van Biljon ging via de achterdeur naar buiten om Fortuijn te zoeken, maar vond hem niet. Hij ging terug naar de slaapkamer. Even later merkte hij dat Fortuijn in de keuken was. Van Biljon ging erheen, vroeg wat hij daar deed en greep hem vast. Hij gooide Fortuijn op de grond. De vrouw van Van Biljon riep dat de slaaf een mes had. Hun dochter Regina hield Fortuijn's arm vast, terwijl ze zei dat ze bij haar vader wilde blijven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11016 / 0996 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/