Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
De sleutel van een kist en een tabaksdoos worden getoond. Deze spullen zijn gestolen van een matroos op straat. De sleutel blijkt inderdaad bij de kist van de matroos te horen. De tabaksdoos behoort toe aan Jan de Bruijn.
De gevangene kan tijdens zijn verhoor niet uitleggen hoe hij aan de sleutel is gekomen. Hij kan ook niet bewijzen dat hij ergens anders was tijdens de diefstal. Over de tabaksdoos beweert hij dat hij deze op de grond heeft gevonden waar de matroos was, en hem toen in zijn zak heeft gestoken.
Uit het hele verhoor blijkt dat zijn verhaal over het vinden van de tabaksdoos, en zijn gedrag toen hij bij de matroos werd betrapt, leugens zijn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0844 De gevangene beweert die avond zo dronken te zijn geweest dat hij pas de volgende dag besefte dat hij in de gevangenis zat. Toch herinnert hij zich precies dat:
De aanklager denkt dat het verhaal over dronkenschap een leugen is. Hij vindt het onmogelijk dat iemand die heel dronken is, zo slim kan handelen door gestolen geld en een schoen te verstoppen om zijn onschuld te bewijzen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0845 Op een bepaalde dag zijn de volgende mensen naar een begrafenis geweest:
Na de begrafenis zijn ze samen naar een drinkgelegenheid gegaan. Daar hebben ze een pintje brandewijn gedronken. De jongens betaalden hiervoor een schelling. Een van hen gaf een dubbele schelling, waardoor de verteller niet hoefde te betalen.
Om 8 uur 's avonds is de Hottentot teruggegaan naar de tuin van zijn eigenaar. De verteller ging alleen naar het huis van weduwe Bek om te kijken of hij daar een van zijn huisjongens zou vinden die hartslag (vlees) zou halen. Toen hij die niet aantrof, is hij na een poosje op de stoep in slaap gevallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0865 Op 31 mei 1745 was Hermanus van Wieligh, een burger sergeant, op de burgerwacht toen hij rond 11 uur 's avonds werd geroepen. Een jonge bediende van raadslid Johannes Henricus Blankenbergh vroeg hem om naar de hoek van het huis van weduwe Engels te komen. Van Wieligh ging er met 4 man naartoe en vond daar Blankenbergh. Op de grond lag een dronken en bebloede Europese man en een zwarte jongen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0859 De matroos Jan de Bruijn uit Rotterdam deed op verzoek van onafhankelijk aanklager Pieter Reede van Oudshoorn een verklaring over het volgende voorval: Op maandag 31 mei verliet Jan de Bruijn rond 21:00 uur een kroeg van een zekere Dicke Hein, die zich bevond bij de slavenverblijven van de VOC. Toen hij richting het ziekenhuis liep en bij deze verblijven was aangekomen:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0851 Op de grond van burger Michiel De Kock, bijgenaamd Adolff, lag een Europeaan. Blankenbergh zei tegen de rapporteur dat hij de Europeaan van de straat moest halen en de zwarte jongen naar de gevangenis moest brengen. De manschappen vonden 3 dubbeltjes op de grond. Ook vonden ze onder een draagstoel een schoen met een gesp. De rapporteur bracht de Europeaan naar het ziekenhuis en de zwarte jongen naar de gevangenis. Hij gaf het gevonden geld en de schoen aan de gevangenisbewaarder. De schoengesp was onderweg verloren door een van zijn manschappen. Dit gebeurde bij het secretariaat van justitie van kasteel de Goede Hoop in aanwezigheid van klerken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0860 De Hottentot Claas werd ondervraagd door het gerechtshof van het kasteel in Kaap de Goede Hoop. De ondervraging werd gedaan namens de openbare aanklager Pieter Reede van Oudshoorn. Claas was ongeveer 35 jaar oud en woonde in de tuin van de voormalige rechtbankschrijver D.G. Carnsper.
Hij werd gevraagd over zijn activiteiten op een maandag ongeveer 14 dagen geleden, en of hij contact had gehad met de slaaf Adolf die eigendom was van de burger Michiel de Cock. Ook was hij aanwezig bij de begrafenis van een kind van de burger Jan Bam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0875 De verdachte ontkende schuldig te zijn aan de mishandeling van een Europeaan. Het verhoor vond plaats op 14 juni 1745 aan de Kaap de Goede Hoop in het Nederlands, dat de ondervraagde redelijk sprak en begreep. Het verhoor werd afgenomen door de heren de Grandpreez en H.J. Prehn, leden van de Raad van Justitie. Het document werd ondertekend door de beambten en de beëdigd klerk A. van Schoor.
Later, op 26 juni 1745, verscheen de Hottentot Claas voor de Raad van Justitie. Na het voorlezen van de vragen en antwoorden, bleef hij bij zijn verklaringen. Hij voegde alleen toe dat hij na de begrafenis met de slaaf Adolf in de slagerij was geweest, maar daar niet had gedronken. Dit werd vastgelegd door de Grandpreesz en H.k. Blankenberg, leden van de Raad.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0879
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0697 De beambte Jan Frederik Rennenberg was enkele maanden ziek geweest in het ziekenhuis en was nu hersteld. Op een avond, toen de klok van het kasteel in de Kaap luidde, liep hij samen met de hoboïst Johannes Esler naar het kasteel. Bij de Witte brug werden ze ingehaald door de trompettist Jan Christoffel Ploeg. Ploeg schold Rennenberg uit en noemde hem "sondsvot" (scheldwoord) en zei dat hij uit de weg moest gaan. Ploeg gaf Rennenberg een duw in zijn rug waardoor deze bijna voorover viel. Rennenberg vroeg aan Ploeg, die door bleef schelden, of de weg niet breed genoeg was. Daarna liepen ze met z'n drieën verder.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0696 De onafhankelijke aanklager heeft op 10 december aan de rechtbank een verklaring getoond van twee hoofdartsen van het ziekenhuis. Dit betrof hun bevindingen bij het onderzoek van het hoofd van de op 24 november overleden trompettist Jan Christoffel Ploeg. Ook werden er twee verklaringen getoond waarin getuigen zeiden dat Ploeg had verteld dat hij op een avond ruzie had gekregen met hoboïsten op weg naar het Kasteel. Bij het beklimmen van de trap in het Kasteel naar zijn kooi zou de hoboïst Jan Frederik Rennenbergh een steen tegen zijn hoofd hebben gegooid. De aanklager vroeg de rechtbank om advies hoe hij met deze onduidelijke zaak moest omgaan. Het document was gericht aan Rijk Tulbagh, voorzitter en raad van justitie van het bestuur.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0695 De hoofdchirurgen van het ziekenhuis verklaarden dat de kleine wond aan het voorhoofd van de patiënt Ploeg, veroorzaakt door Jan Frederik Rennenberg die een steen gooide, binnen enkele dagen was genezen. Op 23 november, de dag voor het overlijden van Ploeg, waren er geen tekenen van zwelling of schedelbreuk. Bij de lijkschouwing vonden ze geen beschadiging van inwendige delen op de plek waar de steen het hoofd had geraakt. Wel ontdekten ze een losse scherf van het steenbeen (door artsen Lithoides genoemd), dat zich onder het voorhoofdsbeen bevindt.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0700 Slaaven Zeijs, die al lange tijd gevangen zat, zou bij langere opsluiting in gezondheid aangetast kunnen worden. Daarom werd besloten om haar met een ketting aan een blok vast te maken en te laten werken bij de werken van de Oost-Indische Compagnie. Dit zou duren totdat er meer bekend werd over deze zaak, hetzij door het vangen van de jonge slaaf van landbouwer Jan Hendrik Debes, genaamd Cupido, of op een andere manier.
Dit werd vastgelegd in het Kasteel de Goede Hoop. Het document werd ondertekend door secretaris J. de Grandpreez en later bevestigd door secretaris J. Siemmendorf en N.D. Schoor.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0692 Hendrik Debits moet een slavin genaamd Leijs van de Kaap direct teruggeven aan justitie als dat nodig is of als ze gevangen wordt genomen. Dit document is ondertekend door Hendrik Hoppe en ingediend bij de Raad van Justitie op 1 april 1745. De secretaris Tiemwendorff heeft dit bevestigd. N. Sihoor heeft als klerk de kopie als correct verklaard.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0689 De slaven Cupido en Lijs waren samen weggelopen. Lijs moest daarna werken aan de openbare werken van de VOC, vastgeketend aan een blok. Dit zou duren totdat er meer duidelijkheid zou komen over de situatie, bijvoorbeeld door het vangen van de slaaf van landbouwer Jan Hendrik Debits. Omdat Cupido tot nu toe niet gevonden is, denkt men dat hij óf een natuurlijke dood is gestorven, óf door wilde dieren is verslonden, óf is doodgeschoten. Er wordt verzocht om Lijs van de Kaap en haar kinderen, die ze heeft gekregen tijdens haar werk bij de VOC, terug te geven aan de eigenaar voor zijn dienst.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0688 De groep dieven heeft 5 schapen geslacht en het vlees samen opgegeten. Een paar dagen later voegden zich bij de groep nog 2 slaven: Flora, een slavin van molenaar Jan Gabriel Visser, en Daniel, een slaaf van boer Jan Zoubster. De groep ging vervolgens van de Olifantsrivier naar de Paardenberg, zogenaamd om eten te zoeken. Hun aanvoerder, de slaaf Abraham, had voorgesteld om samen naar het Kafferland te vluchten. Bij de Paardenberg, dichtbij de boerderij van Theunis van Aart, hielden 5 van hen de wacht bij het gersteveld. De 5e verdachte brak toen in bij het graanschuurtje, waarvan de deur met een touw was vastgemaakt. Hij stal daar een mud meel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1117 De slaven waren betrokken bij het stelen en slachten van 5 schapen. Fortuijn, de schapenherder van Paul Keijser, heeft de schapen gebracht. De schapenherder gaf de schapen niet vrijwillig. Hij beloofde mee te gaan naar het Kaffersland.
Later kwamen er meer slaven bij het complot:
Ze gingen naar de plaats van Jan Loutzer en namen later een paard mee.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1087 October was een slaaf die in het veld 5 schapen vond en die bij een groep mensen bracht. De schapen waren volgens Abraham en anderen afkomstig van de schaapherder van Paul Keijser Fortuijsen of Eevengem Fortuijn. Later kwamen er meer mensen bij de groep, waaronder Felora (een slavin van molenaar Jan Gabriel Visser) en Daniel (van Jan Loubzer). Samen hebben ze de schapen meegenomen naar hun schuilplaats, waar ze de dieren hebben geslacht en opgegeten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1070 Op 25 juni 1745 legde Francina van de Caab, slavin van burger Jochem Daniel Iubener, een verklaring af voor klerk Adriaan van Schook. Ze deed dit op verzoek van hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn. Ze verklaarde dat op maandag 31 mei rond 4 uur 's middags twee mensen in haar café kwamen waar ze voor haar eigenaar werkte:
Ze dronken samen een halve pint brandewijn en gingen daarna naar het huis van burger Van Bam om een overleden slaaf te begraven. Rond 7 uur 's avonds kwamen Adolf en Claas terug in het café, waarbij Adolf dronken was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0883 De slaaf Paul Keijser zat met zijn makkers bij de Olifantsrivier in Zaarven te vissen. Cupido, October Augustus en Dolphijn waren weg om kikkers te vangen. Toen kwamen enkele Europeanen die de ondervraagde gevangen namen en naar Stellenbosch brachten. Zijn twee andere makkers ontsnapten. De slaven Abraham en Piet en de slavin Flora waren al eerder weggegaan. Dit werd vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 23 juni 1725 door raadsleden Abraham Decker en I H Blankenberg. Later verscheen voor de raad van justitie van het kasteel de 30-jarige slaaf Phenist van Timor, die ondervraagd werd over zijn diefstallen en andere misdaden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1018 Op donderdag 23 september 1734 in de ochtend kwam de regering van de Kaap bijeen. Aanwezig waren gouverneur Jan De La Fontaine en alle andere bestuursleden, inclusief drie burgerraadsleden.
Landdrost Pieter Lourentsz deed verslag van een onderzoek dat hij samen met twee heemraden had uitgevoerd. Ze zochten naar het lichaam van een kind dat volgens de slavin Leijs van de Kaap zou zijn vermoord door een ontsnapte slaaf van boer Jan Hendrik Debes. Het lichaam zou in een gat van een ijzeren varkensstal zijn gestopt.
Na veel zoeken vonden ze niets. Leijs gaf uiteindelijk toe dat ze niet wist waar het kind begraven was. De heemraden maakten hiervan een officieel verslag dat de landdrost aan de vergadering liet zien.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0691 De slaaf October heeft aan zijn makkers verteld dat 5 schapen gestolen waren. Samen hebben ze deze schapen geslacht en opgegeten. De schaapherder van Paul Keiser Fortuijn was betrokken en gaf toestemming voor het stelen van de schapen. Hij beloofde om naar Kafferland te vluchten. Later kwamen de slavin Flora van molenaar Jan Gabriel Visser en Daniel van Jan Loubzet ook bij de groep, gebracht door de slaaf October.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 1035 Een groep weggelopen slaven besloten samen naar Kafferland te gaan. De slaaf genaamd Abraham was hun leider. Ze hadden eerst een geit geslacht en opgegeten. Enkele dagen later kwam een slaaf van Bengalen bij de groep. Daarna voegde zich ook de slavin Flora (eigendom van molenaar Jan Gabriel Visser) en de slaaf Daniel (eigendom van boer Jan Loubzer) bij hen. De groep ging vervolgens van de Slijphantsrivier naar de Paardenberg, zogenaamd om eten te zoeken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0997 Steven Gomes kwam rond 4 uur 's ochtends bij haar. Ze vroeg hem waarom hij later was gekomen. Hij antwoordde dat hij geen boot kon krijgen en dat het nu te laat was omdat Joan Alwerh al weg was. Dit verklaarde ze in Batavia op 30 maart 1638 in aanwezigheid van:
Op 1 april 1638 werd deze bekentenis voorgelezen aan Isabella Parera. Ze voegde toe dat:
Dit document is ondertekend door secretaris Gerrit Jansz Ruts op 1 april 1638 en gecontroleerd op 12 april 1638.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9339 / 0261 Hendrik Hoppe, burger van Drakenstein en getrouwd met Margaretha de Villiers (weduwe van Gideon Pubert), schreef een brief aan Rijk Tulbagh (president) en de Raad van Justitie. Hij schreef over een besluit van 23 november 1734 over een slavin genaamd Lijs van de Saab. Deze slavin had eerst bekend dat ze een slavenkind had vermoord, maar later trok ze deze bekentenis in. Ze beschuldigde toen een slaaf van landbouwer Jan Hendrik Deber.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 11017 / 0687 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/