Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
7 april 1859 stuurde de Minister van Buitenlandse Zaken vanuit 's-Gravenhage een brief aan de Minister van Staat en Minister van Koloniën. De Pruisische Gezant had 5 april 1859 een verzoek ingediend om uitlevering van de Pruisische onderdaan Johann Heinrich David Klemm. Klemm had zich in 1856 laten aanwerven voor de Nederlandse koloniale dienst door te beweren dat hij uit Hongarije kwam. Hij was dienstplichtig in Pruisen en diende momenteel bij het 4e Eskadron van het Regiment Oost-Indische Cavalerie. De minister vroeg of Klemm, die in de registers voorkwam onder nummer 37822, kon worden teruggestuurd naar Nederland, ondanks de diensttijd die hij nog moest vervullen. Dit moest gebeuren volgens de gebruikelijke manier waarop door de Pruisische Regering gereclameerde militairen werden behandeld. De minister verzocht om te worden geïnformeerd over de beslissing in deze zaak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 828 / 0318 Vanuit Malacca werd 31 januari 1753 gemeld dat er meer informatie nodig was over hoeveel winst de Compagnie in een heel jaar zou kunnen maken, om daarna verder te beslissen.
Er werd een Maleise vertaling gemaakt van een contract tussen de koning van Pera en luitenant-militair Johan Levin Esche namens de Verenigde Oostindische Compagnie over de zouthandel.
In het jaar volgens de islamitische kalender 1164, op de 7e dag van de maand Rajab, had de koning van Pera met zijn toestemming de pacht van het zout aan de Compagnie gegeven. Dit gebeurde toen Essche daar werkzaam was als koopman van de Compagnie. De voorwaarden waren:
De koning was hiermee akkoord gegaan en het papier was bovenaan bekrachtigd met zijn zegel.
Dit werd vertaald volgens opgave van de Maleise tolk Intje Oemak door F. L. Piazzoll, klerk van de Compagnie.
Genoemde luitenant Esch had in eerdere brieven al meerdere malen met oneerbiedig en aanstootgevend taalgebruik lastige verzoeken gedaan om van daar weg te mogen. Hierover was al eerder gevoelig gereageerd in een brief van 13 april van het vorige jaar, als antwoord op zijn brief van 15 februari.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8640 / 0120 Op 6 oktober 1750 werden in Malacca verschillende documenten achtergelaten. Dit waren:
Het document werd getekend door L. Piazzol, beëdigd klerk, in Malacca op 6 oktober 1750, en gericht aan Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8637 / 0382 Dr. Ol. AhAEll, voormalig kapitein bij de infanterie van het Nederlands-Indisch leger en gepensioneerd, verbleef tijdelijk in het land. Hij diende een verzoek in voor een schadevergoeding die hem toekwam als regeringspassagier van de 1e klasse aan boord van het stoomschip Prins Hendrik. De vergoeding had betrekking op zijn verplichte verblijf aan land in Batavia met zijn echtgenote en 2 kinderen. Deze kinderen waren geboren op 10 augustus 1887 en 21 januari 1869. Het verblijf duurde van 31 maart 1895 tot en met 3 april 1895, in totaal 5 dagen, tegen een tarief van een bepaald bedrag per dag, wat neerkwam op 150 gulden.
De ondertekenaar verklaarde dat bovenstaande rekening correct en onbetaald was tot een bedrag van 150 gulden. Dit gebeurde te Arnhem op 2 juni 1895.
De verklaring moest bij het Departement van Koloniën worden ingediend in tweevoud, waarvan 1 exemplaar op Nederlands papier en 1 ongeregeld, met de verklaring van de belanghebbende, eveneens op Nederlands papier of voor een Nederlands kantoor gewaarmerkt.
J. D. J. Merche, 2e officier van justitie van Johan Hendrik Jacob Merche.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4941 / 0505 20 september 1862 ontvingen de commissarissen van de Nationale Militie in de provincie Zuid-Holland een certificaat. Dit certificaat was voor Karel Johan Adriaan Ligvoet, geboren 29 augustus 1838 in Soerabaja (Oost-Indië). Hij was de zoon van ingenieur Willem Carolina en woonde in Brussel. Volgens artikel 17 van de wet had hij zijn militaire dienstplicht volbracht.
Het document werd geregistreerd onder nummer 2388, 2de afdeling, op 4 oktober 1861.
Het certificaat was afgegeven door de Commissaris van de Koning in de provincie Zuid-Holland in 's-Gravenhage op 29 augustus 1862. Het was ondertekend door de Secretaris-Generaal namens de Minister van Koloniën.
Het document verwees naar de wet van 18 augustus 1861 (Staatsblad nummer 72), het Koninklijk besluit van 11 december 1861 (Staatsblad nummer 127), en de regels voor vrijstelling van militaire dienst.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4268 / 1009 1634 werd een document ter goedkeuring aan de Algemene Rekenkamer voorgelegd.
De Directeur Generaal legde een kopie van brevet nummer 101 voor. Richard Brem, vrederechter van het kanton Rotterdam nummer 2 en 4, district Rotterdam, provincie Holland, verklaarde en bevestigde het volgende na het horen van getuigen:
Zij bevestigden dat wijlen Johannes Wilhelmus Bezoth, geboren te Oudenbosch, laatstelijk gediend had als provoost op Zijner Majesteits depot fregat Melampus. Hij was op 31 juli 1832 in Oost-Indië overleden.
Hij had geen andere of nadere erfgenamen nagelaten dan:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 973 / 0472 3 oktober 1724 verschenen voor notaris Adrian Baars in Amsterdam de heren Gerrit Elschen, Renner Elsken en Oldert Elschen, wonend in deze stad. Zij vertegenwoordigden hun vader Detman Elschen, die woonde in 't Graafschap Bentheim, volgens een volmacht van 29 juni van dat jaar die daar voor notaris was opgemaakt. Hun vader en hun moeder, die ook nog in leven was, waren erfgenamen van hun broer Johan Elschen, die in Suriname was overleden. De vergaderden verklaarden in hun hoedanigheid dat Jan Agges Scholte, koopman in deze stad, die de zaken hier regelde voor Jacob Muunicx, koopman in Suriname, aan hen de rekening had getoond van de nalatenschap van Johan Esche, namelijk de lijst van wat hij had achtergelaten aan kleding en verder.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1175978 / 495 Marin, geboren te Saemarang op 7 december 1577, wonend te 's-Gravenhage, zonder beroep, zoon van Johannes Wilhelmus en Johan Frederik Hendrick Scheellz en van Anna Martha Alexandrina Esche, beiden overleden in Nederlands-Indië (de eerste in 1651, de laatste in 1662), had volgens artikel 16 van de wet van 1 augustus 1861 (Staatsblad nummer 723) tot nu toe geen plichten met betrekking tot de Nationale Militie hoeven vervullen, omdat hij niet binnen het Koninkrijk verbleef.
Geregistreerd op 29 juli 1882.
De Commissaris des Konings in de Provincie Zuid-Holland, Maullie, verklaarde dit volgens artikel 8 van de wet van 1 augustus 1861 (Staatsblad nummer 121) en een Koninklijk Besluit (Staatsblad nummer 127).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2124 / 0479 Johannes Alexander Esche werd op 31 jaar vanuit Amsterdam in Nederland ingeschreven. Hij woonde in Soerabaja. Op 10 september 1873 werd hij benoemd tot secretaris van de residentie Banjarmasin. Op 15 oktober arriveerde hij daar samen met L. Hoborcke Nautilies.
Johan Marten Esche was 20 jaar oud en kwam uit Amsterdam in Nederland.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3132 / 0031 Op 28 juni 1750 stuurde men vanuit Malacca verschillende documenten mee over hun patrouille naar de rivier Lavoet ter controle:
Het document werd op 28 juni 1750 in het fort in Malacca ondertekend door P. Siazzoll en Eg. Clercq voor Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2762 / 1297 28 maart 1840 tot 6 april: Er werd geschreven aan Zijne Excellentie de heer Minister van de Zeemacht en Koloniën van de Nederlanden in Den Haag. Een bloedverwant genaamd Pieter van der Gequst, zoon van Johan Baptiste en van Dorothea Lambert, geboren te Oudenaarde in Oostvlaanderen, was op 28 november 1820 als sergeant-majoor van de artillerie naar Oost-Indië vertrokken aan boord van het schip Hendrik Frederik, zonder dat zijn familie sindsdien nog iets van hem gehoord had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1293 / 0050 14 mei 1888 verscheen mevrouw Antoinette Louise Kortz, echtgenote van Johan Adriaan Esche, wonende te Haarlem, voor notaris Bartholomeus Arnoldus van der Maden te Haarlem.
Zij verklaarde dat haar testament van 24 januari 1868, opgemaakt door notaris Hendrik Reyers te 's-Gravenhage, verder van kracht bleef. Daarnaast benoemde zij haar stiefdochter Carolina Esche tot erfgename van 1/6 deel van haar nalatenschap.
Carolina Esche was geboren te Sedandang district Selokaton, regentschap Kendel residentie Samarang op 15 januari 1865 en ingeschreven in het register van de burgerlijke stand te Samarang, Java, op 20 maart 1865 door ambtenaar van de burgerlijke stand Johannes Petrus Metman. Bij vooroverlijden van Carolina zouden haar wettige kinderen of verdere afstammelingen haar plaats innemen.
De akte werd verleden ten kantore van de notaris te Haarlem, in aanwezigheid van getuigen Frans Alphonse Wijnhoven, kandidaat-notaris, en Herman Bronsdijn, kantoorbediende, beiden wonende te Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701477 / 326 1 februari 1884 werd in Amsterdam een declaratie opgesteld voor de verschuldigde vergoeding voor de opleiding van kwekelingen. Deze kwekelingen waren op kosten van het Departement van Koloniën geplaatst aan de Kweekschool voor de Zeevaart.
De opleiding duurde van 1 augustus 1883 tot 1 februari 1884. Volgens artikel 50 van de overeenkomst van 31 mei 1878 waren de opleidingskosten per kweekeling 800 gulden per jaar, dus 400 gulden per semester. Hiervan werd 40 gulden afgetrokken omdat dit van de kweekeling zelf ontvangen was, waardoor er nog 350 gulden per persoon verschuldigd was.
De volgende kwekelingen volgden de opleiding:
Het totaalbedrag was 4.725 gulden. De declaratie was opgesteld door de Commissarissen over het Vaderlandsch Fonds ter aanmoediging van 's Lands Zeedienst, opgericht in 1781.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3723 / 0610 De volgende personen waren betrokken: W. Dt. Berman, W. H. A. P. H. H. van Nassau, L. I. E. Esche, J. M. H. Ochsendorf, J. Hemmes, A. J. van Hemert, L. A. Kuchlin en P. Zwart. Zij waren goedgekeurd bij besluiten van de Commissarissen op 5 juli 1779, juli 1800, 2 juli 1801 en 1 juli 1802. Deze goedkeuring werd verleend door de Heer Bewindvoerder voor rekening van het Departement van Koloniën.
De verklaring ging over de verschuldigde vergoeding voor de opleiding van leerlingen die geplaatst waren op de kweekschool voor zeevaart van het Departement van Koloniën. De volgende leerlingen werden genoemd: C. Meulemans, Willem Frederiks, Geraerds Thesing (ter vervanging van Johannes Simon de Bruijn), Hannes van Wijk, Willem Gokkel, Willem Frederik Berman, Willem Nicolaas Alexander Frederik Karel Hendrik van Nassau, Gustav Wilhelm Emil Esche, Johan Matthias Wilhelm Ochsendorf, Johannes Hemmes, Arnoldus Johannes van Hemert, Eduard Alexander Kuchlin en Pieter Zwart.
Gedurende het semester van 1 februari tot 1 augustus 1881 bedroegen de opleidingskosten voor elke leerling volgens artikel 10 van de overeenkomst van 31 mei 1878 800 gulden per jaar, dus 400 gulden per semester. Hiervan werd 50 gulden afgetrokken omdat de leerlingen dit zelf ontvingen, wat resulteerde in 350 gulden per leerling. Voor 12 leerlingen kwam het totaal op 4200 gulden.
Op 1 augustus 1881 in Amsterdam tekenden de Commissarissen van het Vaderlandsch Fonds ter aanmoediging van 's Lands Zeedienst (opgericht in 1764) dit document.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 3660 / 0559 31 januari 1753 werd in Malacca besloten dat iemand een onbeschofte brief had gestuurd die eindigde met een brutaal verzoek om de zaak te onderzoeken. Hij dreigde dat hij anders zichzelf zou moeten redden en zonder aandacht aan deze plaats direct naar Batavia zou varen. Deze verregaande en beledigende dreiging kon absoluut niet worden getolereerd van een ondergeschikte, omdat daaruit al snel eigenmachtig gedrag zou voortkomen tot vernedering van het wettige gezag. Vooral niet omdat dit kwam van iemand die een hele Compagniebezetting van groot belang met zijn ondergeschikten was toevertrouwd.
Op voorstel van de heer gouverneur werd voorlopig besloten om Esche van daar te laten komen en te laten vervangen door de vaandrig Johan Jacob Hartman. Esche moest aan zijn vervanger het hele gezag overdragen met alles wat daarbij hoorde. Verder moest er met de eerste gelegenheid een behoorlijke overdracht plaatsvinden van alle geld, goederen en alles wat verder bij de Compagnie hoorde, onder toezicht van speciaal aangewezen commissarissen. Hiervoor werden benoemd de assistenten Anthonij Salice en Jan Diterichs, die ook de handelsboeken tot eind augustus van dit jaar op orde moesten brengen.
Na deze taken moesten zij met de vaartuigen die voor Lawet kruisten, en die vervangen zouden worden door de sloep de Jaffanapatnam, samen met het vertrekkende opperhoofd Esche terugkomen. Het verdere besluit over de handelwijze van Esche werd uitgesteld.
Nadat het nieuwe opperhoofd Hartman de eed had afgelegd bij de heer gouverneur, werd verder besloten om hem in de vertrekkende brief ernstig aan te bevelen het gehuurde Chinese vaartuig te behandelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8640 / 0122 D. Dol. was kapitein, geboren op 1 september 1648. Hij woonde in Breda en trouwde op 12 oktober 1680 met S. E. Esche, geboren op 28 september 1658.
Hun kinderen waren:
Een kapitein woonde in Wiesbaden. Griedrech trouwde op 12 mei 1888 op 14 augustus 1886 met H. dr. Dl. Mahlinger, geboren op 15 september 1846. P. G. Bergsma was geboren op 20 januari 1849.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 657 / 0038 Johan Marthiu Esche, geboren op 15 april 1849 te Jaggernaik-Toeram in de residentie Krawang op het eiland Java, woonde op dat moment in 's-Gravenhage. Hij gaf op 1 mei 1867 aan dat hij graag wilde deelnemen aan het eerste deel van het Oost-Indisch ambtenaren examen, dat in juni zou plaatsvinden. Hij was geen leerling geweest van de voormalige koninklijke academie van Delft, maar volgde op dat moment het onderwijs in de 5e klas van de hogere burgerschool in 's-Gravenhage. Zijn adres was bij de heer A. J. Furstner in de Jacobcatsstraat in 's-Gravenhage.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 1937 / 0275 Louis Couvrard, Johannes Esche, Alexander Evenaars, David Einden, Willem Gibers, Johannes Esche en Frans Groot werden geregistreerd. Hun leeftijden waren respectievelijk 46, 27, 22, 40, 30, 19 en 28 jaar. Ze waren geboren in verschillende plaatsen:
Hun beroepen omvatten magazijnmeester, klerk en anderen. Ze kwamen aan op het eiland in verschillende jaren: 1804, 1803, 1817, 1802, 1817 en 1819. Ze woonden op deze plaats sinds verschillende jaren tussen 1809 en 1819. Op 2 december 1819 overleed iemand zonder testament en de erfenis werd door de weeskamer te Semarang aanvaard.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 3117 / 0018 Johannes Willem van der Valle, controleur 2e klasse bij het binnenlands bestuur op Indias in Abaclusa, wonend in de residentie Cheribon, verklaarde dat hij alle eerdere volmachten introk. Hij gaf zijn broer Rudolf van der Vaele, ambtenaar bij het Domeinen, wonend te 's-Hertogenbosch, de volmacht om hem te vertegenwoordigen en zijn delegatie van 10 gulden per maand in ontvangst te nemen.
16 maart 1887 te Loeragoeng.
Geregistreerd te 's-Gravenhage op 1 oktober 1887, deel 89, folio 114 recto vak 4. Er werd 1 gulden en 20 cent ontvangen. De ontvanger was B. A. N. E. de Meyr.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4129 / 0025 Claes, de dochter van Claes Cornelis Kan, kreeg elk een bedrag van 50 Karolus gulden. Dit geld hadden zij haar nagelaten, maar alleen als zij zich goed gedroeg en met toestemming en advies van de langstlevende ouder in het huwelijk zou treden, maar anders niet. Deze uitkering stond ter beoordeling en beslissing van de langstlevende ouder.
Al het voorgaande verklaarden Ysbrant Jansz en Lief Claes dochter als testateur en testatrice samen en elk afzonderlijk hun testament, laatste wil en eindwens te zijn. Zij wilden dat dit als zodanig of als codicil, donatie bij overlijden, onder de levenden of anders zoals het het beste en meest vaststaand kon gelden, volgens geschreven rechten of goede gewoonten, onveranderlijk na hun overlijden werd opgevolgd en onderhouden. Dit gold ondanks het ontbreken van enige wettelijke vormvereisten. Zij verzochten hiervan door notaris een of meer openbare akten in behoorlijke vorm te laten maken.
Dit gebeurde in Haarlem op het Spaarne, in het huis van de genoemde testateur, in aanwezigheid van de heer Cornelis Henrixz uit den Cuijnre en Thieleman Thonisz, lakenbewerker uit Amsterdam maar nu wonend in Haarlem, als getuigen. Zij tekenden samen met de testateur en testatrice het ontwerp. Notaris Adriaen Willemsz bevestigde dat alles in zijn aanwezigheid en die van de getuigen was gebeurd en hij heeft zijn ondertekening eronder gezet op 1589.
20 januari 1596 verscheen voor notaris Adriaen Willemsz en getuigen Michiel du Bois van Rousselare. Hij verklaarde dat hij, om te voldoen en te betalen:
Deze bedragen had hij volgens de staat en inventaris van de goederen van wijlen Martyne van Muelebeeck, zijn overleden echtgenote, gemaakt op 24 januari 1595, op zich genomen en beloofd te betalen.
Daarom en daartoe had hij aan Vincent du Bois ten behoeve van de genoemde schuldeisers overgeleverd, opgedragen en getransporteerd tot vrij eigendom:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975068 / 190 8 oktober werd een verzoekschrift voorgelezen van Jean Boscheron, koopman uit Brussel. Hij meldde dat de Engelse natie momenteel handel dreef en voer op Oostende. Hij hoopte dat de Staten-Generaal dit ook aan hun eigen inwoners zouden toestaan. Hij had de mogelijkheid om een schip naar Nantes in Frankrijk te sturen en van daaruit terug te laten keren naar Oostende. Hij vroeg daarom om een paspoort van de Staten-Generaal om met het genoemde schip, de St. Maerten met schipper Maerten Vinck, met toegestane goederen van Rotterdam naar Nantes te mogen varen en van daar met Franse natte waren naar Oostende te mogen terugkeren. Na beraadslaging werd besloten dat er een paspoort in de juiste vorm zou worden uitgegeven zodat het schip geladen met toegestane goederen van Rotterdam naar Nantes mocht varen en van daar met toegestane koopwaren naar Oostende. De aanwezige afgevaardigde van de provincie Zeeland nam een kopie van het verzoekschrift over en sprak bezwaar uit tegen het besluit.
Er werd een verzoekschrift voorgelezen van brigadier vander Beecke. Hij meldde dat hij bij resolutie van de Staten-Generaal van 12 maart van dit jaar was bevolen zich naar Maastricht te begeven om daar tijdens de afwezigheid van de commandeur en majoor-commandant gedurende de veldtocht of tot nader order over het garnizoen te commanderen. Hij maakte de Staten-Generaal ervan op de hoogte dat majoor-commandant Zoutelande naar Maastricht was teruggekeerd. Hij vroeg wat de wens van de Staten-Generaal was: of hij zich weer naar Venlo moest begeven om zijn functie ten dienste van het land waar te nemen. Na beraadslaging werd besloten dat een kopie van het verzoekschrift zou worden gestuurd naar de Raad van State om hun advies daarover te laten toekomen.
Er werd een verzoekschrift voorgelezen van de commanderende officieren van het Munsterse regiment van overste baron de Nagel. Zij vroegen om redenen die in het verzoekschrift waren uitgedrukt dat de Staten-Generaal het regiment zouden helpen herstellen door het te begunstigen met een geschikte winterkwartier, geschikt voor het werven van nieuw personeel voor het regiment. Na beraadslaging werd besloten dat een kopie van het verzoekschrift in handen zou worden gesteld van de heren de Laet en andere afgevaardigden voor militaire zaken om samen met enkele gecommitteerden uit de Raad van State, door hen zelf te benoemen, te onderzoeken en hierover verslag te doen.
Op het verzoekschrift van Erasmus de Waver, luitenant in de compagnie van kapitein Coloun in het regiment van de la Faille in Spaanse dienst, krijgsgevangene, die vroeg voor 1 maand of 6 weken naar Arras te mogen gaan, werd na beraadslaging besloten dat aan het verzoek niet kon worden voldaan en het werd dus afgewezen.
Er werd een verzoekschrift voorgelezen van Jean baron de Bean du Seau
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3761 / 0569 De tekst bevat een lijst van namen en nummers. Het gaat om personen met zowel Afrikaanse als Europese namen, vergezeld van cijfers die mogelijk verwijzingsnummers zijn. Onder de genoemde personen zijn onder andere: Esson, Elmina Colus, Cupteraat, Etia Anassie, Enta Enna, Pennie, Ctel Eldorude, Cikel Kwahael, Hudje van der Eb, Coffie, Ebba Jan, Johannes Rudolphus Celers, Willem Frederik Eckhout, Hansa Esau, Hendrik Elaber van Effen, Petrus Engeler, Karl Wilhelm Ekkers, Adolf Ernst, Jan Jacobus Engels, Andreas Chienfelt, Richard Allis, Joannis Vude Engelhardt, Antonuil Hendrchus van Erp, Jacob Eils, Johan Leonard Ertzinger, Jan Roedolph Engelhard, Willem Frederik Estrra, Jachem Bederck Evechard, Jun Albert Francois Cilerit, Frederckhore Elfrinthoff, Zillen Cormelt van Essen, Johannis Ebienpisa, Antonee Emanuel, Jan Ceg, George Clixlicte Elmina, Predend van Eldik, Franciscut Fedent Eseits en Micodeent Adlik. De nummers bij de namen lopen uiteen van 509 tot 2808.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 444 / 0031 Op een niet genoemde datum werd er een doorhaling van 1 woord goedgekeurd. Er werd een volmacht verleend om aangifte te doen voor het recht van successie en overgang, successie en andere rechten te betalen, legaten te vorderen, in te stemmen met of zich te verzetten tegen de afgifte van legaten aan anderen. Ook mocht de gevolmachtigde rekeningen horen, onderzoeken en afsluiten of deze betwisten of laten verbeteren, schulden en lasten betalen, hypotheken doorhalen of laten inschrijven, goederen gemeenschappelijk laten, deze beheren of onder beheer van anderen stellen.
Verder mocht de gevolmachtigde overgaan tot scheiding en verdeling, inbreng vorderen of doen, kavels maken en loten of hiervan afzien, de toegewezen goederen ruilen, overschrijvingen aannemen en ten name van mede-erfgenamen of rechtsopvolgers doen, vorderen en in ontvangst nemen alles wat aan de verschenen persoon uit die boedels en nalatenschappen zou toekomen, en voor alle ontvangsten kwijting en decharge verlenen.
Voor deze zaken mocht hij indien nodig juridische stappen ondernemen, zowel als eiser als als verweerder procederen, advocaten, procureurs of deurwaarders benoemen, dagvaardingen en andere gerechtelijke stukken laten uitbrengen, vonnissen vragen, de gunstige uitvoeren en in de ongunstige berusten of in hoger beroep of cassatie gaan, verzoekschriften en memories indienen. Ook mocht hij alle daarvoor nodige akten en stukken ondertekenen, een woonadres kiezen en alles verder doen wat vereist zou worden en wat de verschenen persoon zelf aanwezig zijnde zou kunnen, mogen of moeten doen, zonder voorbehoud.
Dit alles met de macht van vervanging en onder belofte van goedkeuring en bekrachtiging, onder verbintenis volgens het recht. De akte werd in origineel uitgegeven. De akte werd gedaan en verleden te Soerakarta op de eerder genoemde dag en datum in tegenwoordigheid van Adriaan Loppé, klerk, en Adriannus Bernardus Charles Dourdson Eduard Leonard Ertzinger, zonder beroep, beiden wonende te Soerakarta en aan de notaris bekend, als getuigen. De verschenen persoon, de getuigen en de notaris ondertekenden onmiddellijk na voorlezing de akte. De akte was verleden met 1 doorhaling, zonder toevoegingen in de kantlijn of bijvoegingen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701331 / 94 Michel Ertzinger uit Electheim in het kanton Schaffhausen, die zich op dat moment in 's-Gravenhage bevond, diende een verzoek in. Hij liet weten dat zijn oom Leonard Ortzinger uit Schaffhausen in 1707 met het schip Hofslict naar Oost-Indië was vertrokken vanuit de kamer van Rotterdam. Deze oom was later luitenant bij de dragonders in dienst van de Compagnie geworden.
Het verzoek werd op 21 juli 1827 doorgestuurd aan het Departement van Marine en Koloniën voor advies.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 564 / 0254 1 februari 1527 (waarschijnlijk 1827). Mo. Ertzinger, hopman, wonend in het kanton Schaffhausen in Schleitheim, maar nu in 's-Gravenhage, vroeg om hulp bij het verkrijgen van de nalatenschap van zijn oudoom Leonard Ertzinger. Deze oudoom zou in 1779 als commandant in Soerabaja zijn overleden. De Minister voor de Marinekoloniën liet weten dat uit de beschikbare stukken blijkt dat Leonard Ertsingh van Schaffhausen als soldaat met een schip was gekomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 542 / 0018 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/