Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Andries de Vries en zijn vrouw
Elsje van dien Barents (een weduwe) maken een testament op
25 november 1639 in
Amsterdam. Hier staan de belangrijkste punten:
- Als Andries hertrouwt, behoudt hij zijn eigen spullen. Zijn kinderen uit een eerder huwelijk erven niets van Elsje en krijgen geen waarborg of zekerheid, ook niet als dat volgens de wet eigenlijk wel zou moeten.
- Als Andries overlijdt, erft Elsje al zijn bezittingen. Zij mag alles zelf beheren, ook de erfenis voor de minderjarige kinderen van Andries (uit een eerder huwelijk). Zij hoeft hierover geen verantwoording af te leggen.
- Elsje mag zelf extra voogden kiezen voor de kinderen als zij dat nodig vindt.
- Dit testament is bindend en kan niet worden aangepast, zelfs als niet alle juridische formaliteiten zijn gevolgd.
Het testament wordt ondertekend in het huis van de notaris aan de
Oudeschans bij de
Korte Koningstraat in
Amsterdam. Getuigen zijn:
De notaris,
Baret Joos, bevestigt de handtekeningen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320317 / 292
Op 19 mei 1659 verscheen Adriaen Lock, notaris, samen met de buurtgetuigen Jan Martensz Vos (wonend in Tiel, maar op dat moment in Amsterdam) en Jacobus Sael en Dirck van der Groe. Bij deze akte gaf Sr. Jan Martensz Vos aan dat hij, namens Abraham Jacobsz Greven (zijn zwager, ook woonachtig in Amsterdam), volmacht kreeg om:
- Een rechtszaak te voeren tegen Cors Jansz Buijck (getrouwd met Abigael van Nieulant, weduwe van Salomon Coninck).
- Namens Greven op te treden voor alle benodigde rechtbanken, zowel als eiser als verdediger.
- Akkoorden te sluiten, schikkingen te treffen of de zaak voor te leggen aan scheidsrechters (met of zonder boeteclausules).
- Alle handelingen te verrichten die Greven zelf zou kunnen doen als hij aanwezig was.
De akte werd ondertekend door Adriaen Lock (notaris), Jan Martensz Vos, Dirck van der Groe en Jacobus Sael.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965438 / 729
De tekst beschrijft de regels rondom een erfenis van een echtpaar (de
Testateur en de
Juffrouw Testatrice), die na hun overlijden van kracht worden. Hier volgt een samenvatting:
- Na het overlijden van de langstlevende van het echtpaar wordt de erfenis (na aftrek van legaten) verdeeld in twee gelijke delen:
De Heer Testateur bepaalt over zijn helft van de erfenis:
- Hij laat aan zijn zus, Juffrouw Eliza van Nikkelen (vrouw van Adriaan Strymes), een bedrag van 400 gulden per jaar voor haar hele leven. Als zij overlijdt, gaat dit bedrag naar haar man, Adriaan Strymes, die dan 200 gulden per jaar ontvangt.
- Als universele erfgenaam van zijn helft benoemt hij zijn neef Jan Strymes. Als Jan Strymes voor de langstlevende overlijdt, gaat de erfenis naar diens wettige nakomelingen. Zijn nicht Elizabeth van Nikkelen (vrouw van Jan de Leeuw) is de vervanger als Jan Strymes geen nakomelingen heeft.
- Voorwaarden:
- Jan Strymes moet een bedrag van 16.000 gulden (belegd in staatsobligaties van Holland en West-Friesland) ter beschikking stellen om de jaarlijkse uitkeringen aan zijn ouders te garanderen.
- Als Jan Strymes zonder nakomelingen overlijdt, gaat zijn erfenis volledig naar Elizabeth van Nikkelen (of haar nakomelingen), zonder aftrek van belastingen of andere kosten.
- Zolang de zus van de Heer Testateur (Eliza van Nikkelen) of haar man leeft, blijft de erfenis onder beheer van de executeurs. Zij mogen het geld beleggen. Jaarlijks wordt dan 600 gulden uitgekeerd aan Eliza van Nikkelen (of 300 gulden aan haar man als zij al overleden is). Het restbedrag gaat naar de erfgenamen.
De Juffrouw Testatrice bepaalt over haar helft van de erfenis:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974536 / 404
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 959784 / 15
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965059 / 696
In
1692 werd een lijst gemaakt van spullen in een huis. Hier een overzicht van wat er allemaal stond:
- In een kleine kamer:
- een spiegeltje, twee tafeltjes, drie stoelen en een ronde tafel
- een vuurkasje (kacheltje) voor ƒ 3
- twee katoenen glasgordijntjes
- in het kleine achterkamertje: een geheim kistje (secretaire), een tinnen wasbekken, een mantel met een stoel, een kistje en wat rommel
- een katoen glasgordijntje
- In de zaal:
- een bed met kussen, beddengoed en een matras voor ƒ 20
- gordijnen en twee valletjes (kleine gordijntjes)
- twee groene gordijnen voor ƒ 18
- een sprei en tafelkleed voor ƒ 15
- twee groene glasgordijnen voor ƒ 5
- een plaat met twee koperen ringen voor ƒ 10 en 12 stuivers
- zes groene leren stoelen voor ƒ 3
- een schenktafeltje voor ƒ 40
- een spiegel voor ƒ 50
- een klavecimbel (soort klavierinstrument) voor ƒ 56
- een houten kast voor ƒ 14
- een tafeltje voor ƒ 3
- een Japans kistje voor ƒ 6
- een landschapsschilderij voor ƒ 10
- een schilderij in het portaaltje, een mantel, een bekken en twee stoelen met bekleding
- wat porselein, waaronder:
- In de beste kamer:
- een bed met kussen, beddengoed en een matras voor ƒ 65
- een deken voor ƒ 5
- 12 fluwelen stoelen voor ƒ 72
- een ijzeren plaat met koperen knoppen en ringen voor 30 stuivers
- een spiegel voor ƒ 16
- een kast voor ƒ 40
- een Japans kastje voor 2 gulden
- twee gilde (goudkleurige) geredoms (kleine kastjes of rekjes)
- twee porseleinen halve schotels (lampetten) voor 40 stuivers
- Kunstwerken in het kleine vertrek:
- In de keuken/voorraadkamer:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936910 / 607
Op
11 juli 1659 ’s middags rond
16:00 uur verscheen
Aeltgen Jans, weduwe van
Gerrit Gerritsz Vettewarier, voor notaris
Adriaan Lock in de stad
Amsterdam. Zij was ziek, maar nog helder van geest. Voor twee getuigen bevestigde zij haar eerdere
testament (
30 januari 1656) en
codicil (
15 januari 1657), maar voegde daar enkele wijzigingen aan toe:
- Het legaat (erfenisgift) van 50 gulden aan Adriaen Nieulant (schilder) – en bij diens overlijden aan diens kinderen – kwam te vervallen. Dit bedrag hoefde niet meer uitbetaald te worden aan de erfgenamen of de executeur (uitvoerder van het testament).
- Zij gaf extra legaten:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965494 / 97
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 965501 / 3
Jan de Vos, een openbaar notaris in
Amsterdam, legde op
25 mei 1641 twee conflicten vast tussen verschillende partijen over kunstwerken en een stuk land.
-
Adriaen van Nieulant, een schilder, eiste van Jan Domis, een koopman, dat deze een schilderij zou kopen voor 300 Carolusgulden (ca. 300 gulden). Van Nieulant dreigde dat als Domis niet zou betalen of het schilderij zou weigeren, hij af zou zien van de verkoop. Domis reageerde hierop door te zeggen dat Van Nieulant eerst de lijst of de waarde daarvan terug moest geven. Ook eiste Domis dat het portret van zijn zoon op het schilderij onherkenbaar gemaakt zou worden. Als Van Nieulant hiermee niet akkoord ging, bood Domis aan het schilderij terug te kopen voor 25 Vlaamse pond, het bedrag dat hij er oorspronkelijk voor had betaald. Getuigen hierbij waren Jacob Borchorst en Joost Jansz van Woub, beide burgers van Amsterdam.
-
Willem Jansz verklaarde dat hij een stuk land, genummerd 35, had gekocht en klaar was om het in ontvangst te nemen. De verkoper had echter geweigerd dit aan hem te leveren, ondanks dat Willem Jansz met een vlotschuit was gekomen om het land in ontvangst te nemen. De verkoper probeerde Willem Jansz nu een ander, aangrenzend stuk land op te dringen, dat niet deel uitmaakte van de originele koop. Willem Jansz voelde zich hierdoor ontheven van de koopovereenkomst voor stuk 35 en protesteerde tegen de acties van de verkoper.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1511007 / 67
Op
4 maart 1618 verscheen voor
Jan de Vos, een openbare notaris in
Amsterdam, een groep mensen samen met getuigen:
-
Jan Ewoutsz, een jonge wijnhandelaar en aanstaande bruidegom, bijgestaan door:
-
Anna Jans, de weduwe van
Ewout Lambertsz (zijn moeder)
-
Mathijs Jansz, een lakenhandelaar (zijn oom)
-
Margrietge van Nieulant, de aanstaande bruid, bijgestaan door:
-
Stoffel Gerritsz van Tricht, een chirurgijn (haar oom)
-
Isaack Lambertsz, een doosmaker (haar voogd)
Al deze personen waren bekende inwoners van
Amsterdam.
Zij verklaarden dat ze, voor God en ter wille van hun eigen geluk, een christelijk huwelijk wilden sluiten onder de volgende voorwaarden:
- De bruidegom, Jan Ewoutsz, zou bij het aangaan van het huwelijk 1200 Carolusgulden inbrengen. Dit bedrag zou hij, samen met kleding en andere nette spullen (naar eigen keuze), van zijn moeder krijgen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510869 / 386
In een oude administratie uit de 17e eeuw werden de volgende personen en hun beroepen of situatie genoemd:
- Abraham Pest philipsz werd vermeld op pagina 165.
- Arent Pietersz, een scheepstimmerman, stond op folio 1.
- Annitgen Aris, een weduwe, werd genoemd op folio 175 (achterkant).
- De aalmoezeniers (mensen die geld beheerden voor armenzorg) kwamen voor op folio 4 (achterkant), 34 (achterkant), 75 (achterkant), 84 (achterkant), 185 (achterkant) en 190.
- Anthoni Prouwelsz stond op folio 1.
- Arent Hendricksz, een vlotschuitmaker (iemand die platbodemschepen maakte), werd vermeld op folio 4 en 5 (achterkant).
- Arneult van der Hem stond op folio 7 (achterkant).
- Anneken Darpentiers werd genoemd op folio 11.
- Abraham Abrahamsz, een scheepsbouwer, stond vermeld.
- Baent Hendricksz, een timmerman, werd genoemd.
- Anthoni Nijssen, een brouwer, stond op folio 10.
- Bastiaen Martelaer werd vermeld op folio 9 (achterkant).
- Annetge Gillis, de huisvrouw van de bewindhebberen van de Vijf Pietersz saeghmolens (bestuurders van een groep zaagmolens), stond vermeld van folio 10 tot 74.
- Arent Pietersz Dou werd genoemd op folio 45 en 47, met een bedrag van 28.
- Barentge Jans, weduwe van Ja Albert Reijndertsz, een houtsager, stond op folio 59 en 67 (achterkant).
- Jansz Schoonhoven werd vermeld met de getallen 30, 6 en 10.
- Adriaen van Nieulant stond op folio 63 (achterkant).
- Barent Jansz Verbeec, een notaris, werd genoemd op folio 42 (achterkant).
- Aert Kempe Quijdewetter stond vermeld op folio 79.
- Bartholomeus Sachariasz werd genoemd op folio 75.
- Ariaentge Claes, weduwe van Willem Teunissen, stond vermeld.
- Barent Borchorst werd genoemd op folio 183 (achterkant).
- Adriaen Joosten stond vermeld op folio 81.
- De bewindhebberen van de West-Indische Compagnie (bestuurders van de WIC) werden genoemd op folio 173.
- Aeltge Arents werd vermeld.
- Annitge Dircx Jonge stond op folio 10.
- Annitgen Tomas werd genoemd op folio 115.
- Adriaen Sandersz stond vermeld op folio 16 (achterkant).
- Annitge Willems, weduwe van Claes, werd genoemd.
- Anna Jans, weduwe van Jan Letter, stond vermeld op folio 150.
- Andries van Haren werd genoemd op folio 155 (achterkant).
- Adolff Radinx stond vermeld op folio 124 (achterkant).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1511007 / 220
In
1699, op
1 januari rond half zes ’s avonds, kwam
Veronica Persijn – een volwassen, ongehuwde vrouw die woonde aan de
Fluwele Kleverniersburgwal in de
Onkelboersteeg in
Amsterdam – voor notaris
Joannes Boots en getuigen. Ze lag ziek op bed, maar was helder van geest en kon goed praten.
Omdat ze besefte dat het leven breekbaar is en de dood onvermijdelijk (maar het moment onzeker), maakte ze een
testament (een officiële wilsverklaring over wat er na haar dood moet gebeuren). Hierin trok ze alle eerdere testamenten in.
In dit nieuwe testament liet ze
een bed met beddengoed na aan
Geertruijt Nieulant, een jongemeisje.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320339 / 84
Jan Jansz Buijk, een weduwnaar die eerder getrouwd was met
Marritje Jacobs, ging een nieuw huwelijk aan met
Juffrouw Bijgel van Nieulant, de weduwe van
Samuel Konink. Op
1682 werd een lijst gemaakt van alle spullen die
Jan Jansz Buijk op dat moment bezat. Hij woonde toen in
Breda, aan het water tussen de
Papenbrug en de
Oude Brug, in een oud huis genaamd
Oude Spijker.
In de
binnenkamer van het huis stond het volgende meubilair:
- Een bed met een hemelbedgordijn, 3 hoofdkussens en 2 sierkussens.
- Een witte en een groene deken, samen met een beddensprei.
- Twee groene zijden gordijnen met een raamval en een genaaid schouwkleedje.
- Een groen laken beddesprei met een zijden beddensprei.
- Twee groene leren Spaanse stoelen en twee gedraaide houten stoelen.
- Een rode leren stoel, twee groene matten stoelen en zes groene leren stoelen.
- Drie gestreepte stoelkussens.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937020 / 1
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510876 / 337
Op 1 augustus 1896 liet Hermann Feldhusen, een huisknecht uit Amsterdam (wonend aan de Kerkstraat 108), een testament opmaken bij notaris Gerrij Dirk van der Hart in Amsterdam.
Feldhusen maakte alle eerdere testamenten en wilsbeschikkingen ongedaan. Hij benoemde zijn vrouw, Judith Roelofs, als zijn enige erfgename. Zij zou alles erven waar Feldhusen op het moment van zijn overlijden vrij over kon beschikken, zonder uitzonderingen.
Daarnaast kreeg Roelofs het recht om bij de verdeling van de erfenis zelf roerende (bijvoorbeeld meubels) en onroerende goederen (bijvoorbeeld huizen) uit de nalatenschap te kiezen. Wel moest zij de waarde van deze goederen, bepaald door onafhankelijke deskundigen, vergoeden aan de erfenis.
Het testament werd opgesteld in het kantor van de notaris aan de Overtoom 247 in Amsterdam. Na voorlezing bevestigde Feldhusen dat dit zijn definitieve wil was. Als getuigen tekenden Johannes Malchus te Riele (koopman) en Johan Georg Lucas (winkelier), beide uit Amsterdam. Ook de notaris en Feldhusen zelf ondertekenden het document op 24 augustus 1896.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4749070 / 109
Deze tekst is een codicil (een aanvulling op een testament) uit 1619, opgesteld in Utrecht door Gerrit Wesselsz van Essen en zijn vrouw Susanna Schryvers. Ze weten dat een testament soms niet voldoende is en dat een codicil of andere laatste wil (zoals een schenking bij overlijden) soms sterker kan zijn. Ze willen zeker weten dat hun wensen worden uitgevoerd, zelfs als niet alle juridische regels precies zijn gevolgd.
Het echtpaar behoudt het recht om hun testament, codicil of laatste wil geheel of gedeeltelijk te veranderen, toe te voegen of in te trekken, zolang ze het maar samen eens zijn over het vruchtgebruik (het recht om van iets de opbrengsten te gebruiken, zoals huurinkomsten). Ze vragen de notaris, Hendrick Jacobsz de Leeuwe, om één of meerdere officiële documenten hiervan op te stellen.
Het document is ondertekend op woensdag 6 november 1619 (in die tijd de 7e maand, "bris") rond 17:00 of 18:00 's avonds, in het huis van het echtpaar aan de Sint-Pieterskerk in Utrecht. Getuigen zijn Roeloff de Leeuw, Christiaen Sebastiaensz van Schoonrewoert (beide burgers van Utrecht) en Judith Roeloffs van Waeck (die alleen een "L" als handtekening zet) en Thresse van Schoonderloerdt (die een kruisje zet).
Gerrit en Susanna beseffen dat het leven onzeker is en de dood onvoorspelbaar. Daarom maken ze hun laatste wil bekend. Ze regelen eerst hun begrafenis en schenken hun bezittingen (die God hun gegeven heeft) zoals hierna beschreven staat. Ze geven toestemming om hun lichaam na overlijden te begraven door bevoegde personen in Utrecht. Ook maken ze alle eerdere testamentswijzigingen, codicillen of giften ongedaan.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507133 / 94
Op 5 oktober 1679 laten Henrick Godsdan, een voormalig kapitein in Oost-Indië, en zijn vrouw Ludith Roeloffs van Varick, wonend in Utrecht, hun testament opmaken bij een notaris. Ze zijn gezond en helder van geest, maar beseffen dat het leven onzeker is. Daarom regelen ze hun nalatenschap.
Ze maken eerst alle eerdere testamenten ongeldig. Daarna bepalen ze:
- Wie het eerst overlijdt, laat alles na aan de langstlevende. Deze mag alle bezittingen (zoals huizen, land, meubels, geld, zilver en kleding) gebruiken tot zijn of haar dood.
- Na het overlijden van de langstlevende gaan de bezittingen naar hun vier peetkinderen: Evert, Frederick, Jacobgen en Barbara Troffe. Zij erven het deel dat Henrick zou krijgen van zijn zus Anna Grosbaij uit Swol, maar alleen nadat Ludith haar gebruikersrecht (levenslang recht op de bezittingen) heeft gehad.
Verder regelen ze:
Het testament wordt opgesteld in Utrecht en ondertekend in aanwezigheid van getuigen en een notaris.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507133 / 92
De verdediging van de vesting bestond uit:
- 49 metalen en 33 ijzeren kanonnen, verdeeld over de wallen en bolwerken.
- 4 kanonnen bij de ingang van de rivier, ter verdediging van de noorder voorstad (noordelijke buitenwijk).
- Een ravelijn (verdedigingswerk) met in totaal 82 kanonnen (49 metalen + 33 ijzeren), geplaatst op de wal bij het Comtstuck.
- 4 extra ijzeren kanonnen bij het bolwerk Middelburgh, aan de monding van de rivier, ter bescherming tegen schepen die via de Tolhuis-route naderden. Deze kanonnen stonden in aarden schietgaten en schoten richting zee.
In totaal telde de vesting
86 kanonnen:
- 48 metalen kanonnen
- 37 ijzeren kanonnen (inclusief de 4 extra bij Middelburgh)
- 1 mortier (zwaar geschut voor granaten)
Daarnaast waren er verdedigingswerken in de
noorder voorstad, waaronder:
- Een wachtpost genaamd Banda Malacca.
- Een stenen put op de heuvel Bukit China (door de Portugezen São Francisco genoemd), die het beste drinkwater leverde.
Deze versterkingen waren nodig na een verrassingsaanval door de
Manicabersen in
1671, toen de vesting onvoorbereid werd aangevallen.
Verdeling van de kanonnen per bolwerk (met hoogte in voet):
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1332 / 0218
Henrick Godsdaij, een kapitein die
4 jaar in
Banda (Oost-Indië) had gediend, vroeg op
18 december 1619 aan de rechtbank in
Utrecht om een verklaring af te geven over
Jonck Jehan by Zuiden. Deze
Jehan was heer van
Seventer en
Eern en wilde bewijzen dat zijn zoon,
jonker Fillick, als adelborst (jonge officier in opleiding) had gediend onder
Godsdaij.
Godsdaij bevestigde onder ede dat
Fillick op
22 december 1615 in
Banda indedaad als adelborst in zijn compagnie had gediend. Dit werd bevestigd door getuigen:
Deze verklaring werd opgesteld door een notaris (
Angenweste Vald op tlant Stens) en bevestigd door de genoemde getuigen. De originele akte uit
1617 werd ook overgelegd als bewijs.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507123 / 346
Op
4 juni 1617 werd een officiële verklaring opgesteld in
Utrecht, in de herberg
De Drie Harmen. De volgende personen waren aanwezig:
Jan B. Eeuws Henrick en anderen uit
Utrecht handelden namens:
Zij verklaarden dat ze het recht hadden om eerder benoemde vertegenwoordigers (of "geconstitueerden") te vervangen of hun volmachten in te trekken. Daarnaast stonden zij nog
6 stuivers en 6 geldschellingen (in totaal
6 stuivers en 6 gulden) schuldig, wat volgens hen te veel was ("is meer dan rechtvaardig"). Zij vroegen om hier een officiële akte van op te maken.
Deze verklaring werd opgesteld door
Jan de Leeuw en bevestigd door de aanwezigen, waaronder
Anna Jacob de Leers van Coolwijk, die aantoonde dat zij erfgenaam was van
Willem den Erentfeste, een man uit
Keulen die in
Doodwijk woonde.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507123 / 146
Op 11 juni 1943 zijn in het vernietigingskamp Sobibor in Polen omgekomen:
- Joseph Frank (*1 augustus 1936 in Amsterdam), zoon van Nathan Frank en Vogeltje Matteman.
- Meijer Frank (*2 juni 1941 in Amsterdam), zoon van Hartog Frank en Flora Wegloop.
- Juda Frank (*1 september 1913 in Amsterdam), gehuwd met Sara Krammer, zoon van Meijer Frank en Judik Wurms.
- Nathan Frank (*5 september 1899 in Amsterdam), gehuwd met Vogeltje Matteman, zoon van Joseph Frank en Klara de Leeuw.
- Keetje Frank (*31 maart 1902 in Amsterdam), gehuwd met Samuel Kapper, dochter van Grius Frank en Kaatje Groenteman.
- Siemon Frank (*22 maart 1875 in Groningen), gehuwd met Leentje Goslinski, zoon van Isaac Elkan Frank en Hanna Cohen.
De overlijdens werden pas op 12 april 1950 officieel geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam, op basis van een schriftelijke melding van de minister van Justitie.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1928547 / 51
Op 15 maart 1824 werden in Amsterdam vier geboortes officieel geregistreerd. Alle inschrijvingen vonden plaats om 11:00 uur 's ochtends.
- Chrestina Wielemina Petersen werd geboren op 13 maart 1824 om 1:00 uur 's nachts. Zij was de dochter van Johannes Petersen (scheepsdokter) en Wendilia Antonia Gerarda van Warmelo. Het gezin woonde aan de Lemmerdijk 115. De geboorte werd gemeld door de vroedvrouw Anna Maria Gorskie, en de getuigen waren Andries Johannes van Gool (25 jaar, chirurgijn) en Everhardus Meetel (34 jaar, scheepstimmerman).
- Sara Seraphina Donker Curtius werd geboren op 13 maart 1824 om 10:00 uur 's ochtends. Zij was de dochter van Benjamin Donker Curtius (directeur van postkanen) en Christoors Tophora Josina van Harn. Het gezin woonde aan de Nieuwe Zijds Voorburgwal 204. De vader meldde de geboorte, met als getuigen Hermanus Jacobus Beeker (24 jaar, kantoorbediende) en Johannes Jacobus Michael Varenkamp (44 jaar,zelfde beroep).
- Susanna Catharina Peeckens werd geboren op 13 maart 1824 om 3:00 uur 's nachts. Zij was de dochter van Lambertus Legers Veeckens (geen beroep vermeld) en Catharina Charlotta Holle. Het gezin woonde bij de Heeregracht bij Wolvenstraat 477. De vader meldde de geboorte, met als getuigen Iaac Trakranen (33 jaar, geen beroep vermeld) en Abraham Danckerts (44 jaar, koopman).
- Joannes Minaar (eerst genoemd als Johannem Minaer, later gecorrigeerd) werd geboren op 13 maart 1824 om 3:00 uur 's nachts. Hij was de zoon van Johannes Minaar (baardscherder) en Maria van Marle. Het gezin woonde in de Markensteeg 8. De vader meldde de geboorte, met als getuigen Gerrit Coster (26 jaar,zelfde beroep) en Johannes Bleys (26 jaar,zelfde beroep).
Alle akten werden ondertekend door de betrokkenen en bevestigd door een lid van de stadsraad, die hiertoe was aangesteld volgens een besluit van de koning van 14 februari 1823.
Op 14 september 1800 trouwde het echtpaar C. Sacher de Singe in Amsterdam. Op 13 september 1800 werd de naam Joannes Minaar officieel gecorrigeerd door de rechtbank.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1931082 / 25
Pieter Stevens (32) en
Pieter van der Velde (chirurgijn, 36) werkten op het schip
Lands Kroon voor de
Kamer Amsterdam (Admiraliteit van Amsterdam).
Pieter Godschalk was landhandelaar en opperwachtmeester in
Karsenshage (173, loon: 26 gulden).
Willem Albert Pauw uit
Enkhuizen was onder-de-hoofdofficier in
Onstwedde (
1758, loon: 26 gulden).
Pieter van der Sprenkel uit
Delft was mijnwerker in
Rinsterwolde (loon: 24 gulden).
Juriaan Adriaansz de Leeuw, timmerman uit de
Commijne, werkte in
Onstwedde (
1730, loon: 11 gulden).
Hille Siebes uit
Leeuwarden was haakbus-schutter in
Ditmarsen (
1731).
Een onbekende uit
Rotterdam werkte als
petronella (kanonnier) voor 48 gulden.
Pieter Beiker uit
Bergen was opper-soldaat in
Nieuwpoort (
1752, loon: 32 gulden).
Frans Affel uit
Amsterdam was onder-officier in
Venendaal (loon: 26 gulden).
Pieter Perfect uit
Amsterdam was 2e onder-officier bij de
saai-lijders (slepers) (
1733, loon: 8 gulden).
Op het schip
Nieuwland (ook voor de
Kamer Amsterdam):
Michiel de Kijser uit
Veere was stuurman (loon: 48 gulden,
1733).
Pieter Keijman (stuurman, loon: 26 gulden) en
Pieter Laurens (chirurgijn) werkten in
Bathberg als opperwachtmeester (
1735, loon: 2 gulden).
Caspardule (36) en
Cornelis Spanjerberg uit
Delft waren onder-officieren in
Haamstede (loon: 24 gulden).
Een onbekende uit
Groningen was 3e matroos in
Middelharnis (loon: 14 gulden).
Doeds Eberts, timmerman uit
Amsterdam, werkte in
Jumadel (
1731, loon: 32 gulden).
Manus Jans de Vries uit
Kerkwerve (loon: 29 gulden),
Claas Eertsschoon uit
Hoorn (loon: 32 gulden), en
Pieter Vroote uit
Amsterdam (onder-officier in
Lijduin, loon: 26 gulden) waren timmerlieden.
Billeg was opper-soldaat in
Halling (loon: 2 gulden,
1754).
Cornelis Broers uit
Amsterdam was onder-officier in
Westhorn (
1732, loon: 1 gulden, later 26 gulden in
1735 en 1754).
Hendrik Schoon was stuurman op een onbekend schip (loon: 32 gulden,
1744).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 7555 / 0048
- Op 13 juli 1674 schrijven de leidinggevenden van het schip Helena een brief vanaf Kaap de Goede Hoop aan Rijckloff van Goens, de gouverneur van Ceylon (nu Sri Lanka). Ze vragen om het nieuws over de vrede tussen Engeland en de Nederlandse Republiek zo snel mogelijk door te geven aan belangrijke plaatsen zoals Ceylon, Canara (kustgebied in Zuid-India), Surat (India), Tuticorin (India) en Colombo (Sri Lanka). Dit is belangrijk voor de belangen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC).
- De brief is ondertekend door Isbrand Goske, Albert van Breugel, Dirck Jansz Smaent en Hendrik Crudop (als secretaris).
- Op 15 juli 1674 schrijft Hendrik Crudop namens de gouverneur en raad van Batavia (nu Jakarta) aan Joan Maatsuijker, gouverneur van Ceylon. Ze bevestigen dat het schip Couwerre, vertrokken uit Zeeland op 16 maart 1674, brieven heeft gebracht met het nieuws over de vrede tussen Engeland en de Republiek. Dit nieuws moet zo snel mogelijk verspreid worden.
- Twee schepen, de Brantgans (een hoeker) en de Quartel, zijn met spoed onderweg om het nieuws te verspreiden:
- De Quartel vaart rechtstreeks van Kaap Comorin (zuidelijkste punt van India) naar Colombo.
- De schepen hebben vertraging opgelopen door slecht weer, maar hopen snel op weg te zijn.
- Er wordt ook een zaak gemeld over Frans Hendricxse, een metselaar van het schip Pijnacker. Hij zou 250 gulden te veel hebben ontvangen (in plaats van 100 gulden) op zijn rekening, mogelijk door een fout in de administratie. Zijn moeder, Aeltje France van Rietbeec, woont in Amsterdam, maar in de papieren staat ten onrechte Neeltje Hendricx uit Haarlem genoemd. De scheepsboeken van de Pijnacker moeten dit nog bevestigen.
- De brieven bevestigen dat het nieuws over de vrede nog niet officieel bekend is gemaakt. De VOC hoopt dat de vrede standhoudt.
- De brief van november 1673 (uit het vorige jaar) en bijlagen voor zowel de Kaap (Zuid-Afrika) als het vaderland (Nederland) zijn ontvangen en komen overeen met de registers. Hieruit blijkt dat de vrede nog niet algemeen bekend was op 1 januari 1674.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 4011 / 0058
Op 20 april 1659 schreef Adriaen van der Meijde een brief vanaf het jacht De Schelvis, dat voor anker lag bij Calicoelangh (nu: Kalkulang, nabij Tuticorin). Hij besprak militaire plannen tegen de Dessavas (lokale heersers) in Zuid-India, met name in gebieden als:
- Jaffanapatnam (nu: Jaffna)
- Mannaer (nu: Mannar)
- Calpatijn (nu: Kalpatta)
- Chilap (mogelijk Chidambaram)
- Galos Balija (mogelijk Golconda of een nabijgelegen gebied)
De bedoeling was om met extra troepen uit de verwachte vloot van Goa Baer (een Portugese of lokale commandant) de Dessavas aan te vallen of elders voordelen te behalen. Dit hing af van:
- het weer (regen kon de plannen verstoren)
- of de Dessavas de Nederlandse inwoners met rust zouden laten
- of er elders betere kansen waren, zoals in Sammanture (nu: Kandy), Baticalo (nu: Batticaloa), of Cotjaer (nu: Kottiyar), waar de koning van Kandy weinig argwaan zou hebben.
Er werden schepen en troepen ingezet:
- De Goutsblom met 107 soldaten en 92 sascarijns (inheemse huursoldaten) naar een onbekende bestemming.
- De Schelvis met 66 soldaten naar Colombo.
- Het jacht Coilan en het fregat Tutucorijn naar Kayalpattinam (nu: Kayalpattnam), waar Tutucorijn ook rijst moest laden.
De plannen werden aangepast toen De Rode Leeuw arriveerde met een brief van koopman Isbrant Godtske. Deze meldde dat het plan voor Coilan vanuit Colombo was gewijzigd. De nieuwe afspraken stonden in een bijgevoegde kopie (niet inbegrepen in deze tekst). Jan Compas, de schipper die bij de gebeurtenissen in Coilan aanwezig was, kon hier mondeling meer over vertellen.
De brief werd later, op 11 mei 1669 in Colombo, bevestigd door Jacob Borchoost als een exacte kopie van het origineel. De tekst eindigt met een verwijzing naar een eerdere brief ("aris 384"), maar details hierover ontbreken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1231 / 0782
Vorige paginaVolgende pagina