Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Andries de Vries en zijn vrouw Elsje van dien Barents (een weduwe) maken een testament op 25 november 1639 in Amsterdam. Hier staan de belangrijkste punten: Het testament wordt ondertekend in het huis van de notaris aan de Oudeschans bij de Korte Koningstraat in Amsterdam. Getuigen zijn: De notaris, Baret Joos, bevestigt de handtekeningen.
Bekijk transcriptie 


Op 19 mei 1659 verscheen Adriaen Lock, notaris, samen met de buurtgetuigen Jan Martensz Vos (wonend in Tiel, maar op dat moment in Amsterdam) en Jacobus Sael en Dirck van der Groe. Bij deze akte gaf Sr. Jan Martensz Vos aan dat hij, namens Abraham Jacobsz Greven (zijn zwager, ook woonachtig in Amsterdam), volmacht kreeg om:

De akte werd ondertekend door Adriaen Lock (notaris), Jan Martensz Vos, Dirck van der Groe en Jacobus Sael.

Bekijk transcriptie 


De tekst beschrijft de regels rondom een erfenis van een echtpaar (de Testateur en de Juffrouw Testatrice), die na hun overlijden van kracht worden. Hier volgt een samenvatting: De Heer Testateur bepaalt over zijn helft van de erfenis: De Juffrouw Testatrice bepaalt over haar helft van de erfenis:
Bekijk transcriptie 


Op 5 februari 1672 verschenen voor de notaris drie vrouwen uit Amsterdam om een verklaring af te leggen:

Zij verklaarden het volgende op verzoek van Lijsbeth Martens, getrouwd met veeschipper Jacob Lambertsz:

Marritie Gerrits vertelde dat een tijd geleden (de exacte datum was ze vergeten) een vrouw bij haar thuis kwam. Deze vrouw stond bekend als Anne Ducatons en woonde normaal gesproken bij de Robrug in Amsterdam. Anne Ducatons was echter verbannen uit de stad. Ze vroeg Marritie om een dukaat (een munt) te wisselen. Tijdens het wisselen stal Anne Ducatons vijf dukatons van Marritie. Hiervan kreeg Marritie er later drie terug van Annetie Prins en moest ze er nog twee terugkrijgen van Jan Prins, een schuit (boot) eigenaar. Anne Ducatons had de diefstal gepleegd nadat ze al uit Amsterdam verbannen was.

Geertruijt van Nieulant verklaarde dat ongeveer zes weken geleden – ze kon de exacte datum niet meer noemen – Anne Ducatons bij haar thuis kwam. Anne vroeg om een dukaat te wisselen, zogenaamd om kappers (kleding) te kopen. Geertruijt wisselde het geld, maar Anne Ducatons pakte zowel het gewisselde geld als de oorspronkelijke dukaat van Geertruijt en ging ermee vandoor.

De verklaringen werden bevestigd in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Teunisz Corneliss en Jacob Lambertsz. De notaris die dit optekende was Euenis Cornelisen Ger: van Breugel.

Bekijk transcriptie 


Op 24 februari 1642 gingen Adriaen van Nieulant en Balthasar Hendricksz Kerckhem, als voogden over de minderjarige erfgenamen van de overleden Anna Hustaert (weduwe van Amilliam van Nieulandt), naar David Doornick, een notaris in Amsterdam. Zij trokken een eerdere overeenkomst in die ze op 9 januari 1642 hadden gesloten met notaris Pieter de Bari. De voogden droegen nu officieel een schuldbekentenis van 450 gulden over aan Willem Jansz Sonteijn. Deze schuld was oorspronkelijk afgedwongen op Johannes Pas en Arent Jansz van Meeden, samen en apart, ten behoeve van Anna Hustaert op 1 februari 1552. De originele schuldbekentenis werd aan Sonteijn overhandigd. De voogden verklaarden dat alle achterstallige rente en andere kosten waren betaald door Sonteijn. Zij gaven hem het volledige recht om de schuld op te eisen, alsof hij de oorspronkelijke eigenaar was. Sonteijn kreeg hiermee alle rechten en bezit over de schuldbekentenis.
Bekijk transcriptie 


In 1692 werd een lijst gemaakt van spullen in een huis. Hier een overzicht van wat er allemaal stond:
  • In een kleine kamer:
    • een spiegeltje, twee tafeltjes, drie stoelen en een ronde tafel
    • een vuurkasje (kacheltje) voor ƒ 3
    • twee katoenen glasgordijntjes
    • in het kleine achterkamertje: een geheim kistje (secretaire), een tinnen wasbekken, een mantel met een stoel, een kistje en wat rommel
    • een katoen glasgordijntje
  • In de zaal:
    • een bed met kussen, beddengoed en een matras voor ƒ 20
    • gordijnen en twee valletjes (kleine gordijntjes)
    • twee groene gordijnen voor ƒ 18
    • een sprei en tafelkleed voor ƒ 15
    • twee groene glasgordijnen voor ƒ 5
    • een plaat met twee koperen ringen voor ƒ 10 en 12 stuivers
    • zes groene leren stoelen voor ƒ 3
    • een schenktafeltje voor ƒ 40
    • een spiegel voor ƒ 50
    • een klavecimbel (soort klavierinstrument) voor ƒ 56
    • een houten kast voor ƒ 14
    • een tafeltje voor ƒ 3
    • een Japans kistje voor ƒ 6
    • een landschapsschilderij voor ƒ 10
    • een schilderij in het portaaltje, een mantel, een bekken en twee stoelen met bekleding
    • wat porselein, waaronder:
  • In de beste kamer:
    • een bed met kussen, beddengoed en een matras voor ƒ 65
    • een deken voor ƒ 5
    • 12 fluwelen stoelen voor ƒ 72
    • een ijzeren plaat met koperen knoppen en ringen voor 30 stuivers
    • een spiegel voor ƒ 16
    • een kast voor ƒ 40
    • een Japans kastje voor 2 gulden
    • twee gilde (goudkleurige) geredoms (kleine kastjes of rekjes)
    • twee porseleinen halve schotels (lampetten) voor 40 stuivers
  • Kunstwerken in het kleine vertrek:
  • In de keuken/voorraadkamer:
Bekijk transcriptie 


Op 11 juli 1659 ’s middags rond 16:00 uur verscheen Aeltgen Jans, weduwe van Gerrit Gerritsz Vettewarier, voor notaris Adriaan Lock in de stad Amsterdam. Zij was ziek, maar nog helder van geest. Voor twee getuigen bevestigde zij haar eerdere testament (30 januari 1656) en codicil (15 januari 1657), maar voegde daar enkele wijzigingen aan toe:
Bekijk transcriptie 


Op 4 januari 1669 gingen Jan Jansz van der Heijden (draadwerker en weduwnaar van Neeltgen Adriaens) en Aefge Valckhuijsen (weduwe van Warnaer Jansz Brouwer) naar notaris Adriaen Lock in Amsterdam. Bij hen waren Pieter van Schaijck en Maria van Schaijck als getuigen. Ze verklaarden dat ze gingen trouwen en spraken af wat ieder in het huwelijk zou inbrengen: Jan Jansz van der Heijden (de aanstaande bruidegom) zou het volgende meebrengen:
  • Een schuldbekentenis van Claes Hendricxsz Groenwout voor 300 gulden, gedateerd 21 maart 1666.
  • Een schuldbekentenis van Marcus Vinck (schoenlapper) voor 1200 gulden, gedateerd 16 mei 1668.
  • Een schuldbekentenis van Mathijs Jeuriaensz Camerlinck (kistenmaker) voor 2000 gulden, gedateerd 5 november 1660.
  • Een schuldbekentenis van Jooris van Nieulant de Jonge (kistenmaker) voor 200 gulden, gedateerd 7 november 1651.
  • De helft van een huis en erf in de Angeliersdwarsstraat (naast de Oost-Indische Cramer).
  • 500 gulden, zijn helft van de verkoop van een ander huis en erf.
Bekijk transcriptie 


Jan de Vos, een openbaar notaris in Amsterdam, legde op 25 mei 1641 twee conflicten vast tussen verschillende partijen over kunstwerken en een stuk land.
  • Adriaen van Nieulant, een schilder, eiste van Jan Domis, een koopman, dat deze een schilderij zou kopen voor 300 Carolusgulden (ca. 300 gulden). Van Nieulant dreigde dat als Domis niet zou betalen of het schilderij zou weigeren, hij af zou zien van de verkoop. Domis reageerde hierop door te zeggen dat Van Nieulant eerst de lijst of de waarde daarvan terug moest geven. Ook eiste Domis dat het portret van zijn zoon op het schilderij onherkenbaar gemaakt zou worden. Als Van Nieulant hiermee niet akkoord ging, bood Domis aan het schilderij terug te kopen voor 25 Vlaamse pond, het bedrag dat hij er oorspronkelijk voor had betaald. Getuigen hierbij waren Jacob Borchorst en Joost Jansz van Woub, beide burgers van Amsterdam.

  • Willem Jansz verklaarde dat hij een stuk land, genummerd 35, had gekocht en klaar was om het in ontvangst te nemen. De verkoper had echter geweigerd dit aan hem te leveren, ondanks dat Willem Jansz met een vlotschuit was gekomen om het land in ontvangst te nemen. De verkoper probeerde Willem Jansz nu een ander, aangrenzend stuk land op te dringen, dat niet deel uitmaakte van de originele koop. Willem Jansz voelde zich hierdoor ontheven van de koopovereenkomst voor stuk 35 en protesteerde tegen de acties van de verkoper.
Bekijk transcriptie 


Op 4 maart 1618 verscheen voor Jan de Vos, een openbare notaris in Amsterdam, een groep mensen samen met getuigen: - Jan Ewoutsz, een jonge wijnhandelaar en aanstaande bruidegom, bijgestaan door: - Anna Jans, de weduwe van Ewout Lambertsz (zijn moeder) - Mathijs Jansz, een lakenhandelaar (zijn oom) - Margrietge van Nieulant, de aanstaande bruid, bijgestaan door: - Stoffel Gerritsz van Tricht, een chirurgijn (haar oom) - Isaack Lambertsz, een doosmaker (haar voogd) Al deze personen waren bekende inwoners van Amsterdam. Zij verklaarden dat ze, voor God en ter wille van hun eigen geluk, een christelijk huwelijk wilden sluiten onder de volgende voorwaarden:
  • De bruidegom, Jan Ewoutsz, zou bij het aangaan van het huwelijk 1200 Carolusgulden inbrengen. Dit bedrag zou hij, samen met kleding en andere nette spullen (naar eigen keuze), van zijn moeder krijgen.
Bekijk transcriptie 


In een oude administratie uit de 17e eeuw werden de volgende personen en hun beroepen of situatie genoemd:
Bekijk transcriptie 


In 1699, op 1 januari rond half zes ’s avonds, kwam Veronica Persijn – een volwassen, ongehuwde vrouw die woonde aan de Fluwele Kleverniersburgwal in de Onkelboersteeg in Amsterdam – voor notaris Joannes Boots en getuigen. Ze lag ziek op bed, maar was helder van geest en kon goed praten. Omdat ze besefte dat het leven breekbaar is en de dood onvermijdelijk (maar het moment onzeker), maakte ze een testament (een officiële wilsverklaring over wat er na haar dood moet gebeuren). Hierin trok ze alle eerdere testamenten in. In dit nieuwe testament liet ze een bed met beddengoed na aan Geertruijt Nieulant, een jongemeisje.
Bekijk transcriptie 


Jan Jansz Buijk, een weduwnaar die eerder getrouwd was met Marritje Jacobs, ging een nieuw huwelijk aan met Juffrouw Bijgel van Nieulant, de weduwe van Samuel Konink. Op 1682 werd een lijst gemaakt van alle spullen die Jan Jansz Buijk op dat moment bezat. Hij woonde toen in Breda, aan het water tussen de Papenbrug en de Oude Brug, in een oud huis genaamd Oude Spijker. In de binnenkamer van het huis stond het volgende meubilair:
  • Een bed met een hemelbedgordijn, 3 hoofdkussens en 2 sierkussens.
  • Een witte en een groene deken, samen met een beddensprei.
  • Twee groene zijden gordijnen met een raamval en een genaaid schouwkleedje.
  • Een groen laken beddesprei met een zijden beddensprei.
  • Twee groene leren Spaanse stoelen en twee gedraaide houten stoelen.
  • Een rode leren stoel, twee groene matten stoelen en zes groene leren stoelen.
  • Drie gestreepte stoelkussens.
Bekijk transcriptie 


Op 31 mei 1441 ging Jan de Vos, een openbare notaris die werkte voor het hof van Holland en woonde in Amsterdam, op verzoek van de schilder Adriaen van Nieulant naar het huis van de koopman Jan Domis, ook in Amsterdam. Hij deed dit om namens Adriaen van Nieulant een officiële mededeling af te geven. Jan de Vos vertelde Jan Domis het volgende: - Er is een conflict over een schilderij tussen Adriaen van Nieulant en Jan Domis, dat al voor de rechter in Amsterdam is gebracht. - Adriaen van Nieulant heeft Jan Domis 300 gulden geboden voor het schilderij. - Jan Domis heeft het schilderij nog niet geleverd, ook al had iemand anders eerder eenzelfde bedrag geboden. - Als Jan Domis niet snel reageert en het aanbod van 300 gulden weigert of niet accepteert, dan dreigt Adriaen van Nieulant het schilderij alsnog af te staan en er zelf zijn voordeel mee te doen.
Bekijk transcriptie 


Op 1 augustus 1896 liet Hermann Feldhusen, een huisknecht uit Amsterdam (wonend aan de Kerkstraat 108), een testament opmaken bij notaris Gerrij Dirk van der Hart in Amsterdam.

Feldhusen maakte alle eerdere testamenten en wilsbeschikkingen ongedaan. Hij benoemde zijn vrouw, Judith Roelofs, als zijn enige erfgename. Zij zou alles erven waar Feldhusen op het moment van zijn overlijden vrij over kon beschikken, zonder uitzonderingen.

Daarnaast kreeg Roelofs het recht om bij de verdeling van de erfenis zelf roerende (bijvoorbeeld meubels) en onroerende goederen (bijvoorbeeld huizen) uit de nalatenschap te kiezen. Wel moest zij de waarde van deze goederen, bepaald door onafhankelijke deskundigen, vergoeden aan de erfenis.

Het testament werd opgesteld in het kantor van de notaris aan de Overtoom 247 in Amsterdam. Na voorlezing bevestigde Feldhusen dat dit zijn definitieve wil was. Als getuigen tekenden Johannes Malchus te Riele (koopman) en Johan Georg Lucas (winkelier), beide uit Amsterdam. Ook de notaris en Feldhusen zelf ondertekenden het document op 24 augustus 1896.

Bekijk transcriptie 


Deze tekst is een codicil (een aanvulling op een testament) uit 1619, opgesteld in Utrecht door Gerrit Wesselsz van Essen en zijn vrouw Susanna Schryvers. Ze weten dat een testament soms niet voldoende is en dat een codicil of andere laatste wil (zoals een schenking bij overlijden) soms sterker kan zijn. Ze willen zeker weten dat hun wensen worden uitgevoerd, zelfs als niet alle juridische regels precies zijn gevolgd.

Het echtpaar behoudt het recht om hun testament, codicil of laatste wil geheel of gedeeltelijk te veranderen, toe te voegen of in te trekken, zolang ze het maar samen eens zijn over het vruchtgebruik (het recht om van iets de opbrengsten te gebruiken, zoals huurinkomsten). Ze vragen de notaris, Hendrick Jacobsz de Leeuwe, om één of meerdere officiële documenten hiervan op te stellen.

Het document is ondertekend op woensdag 6 november 1619 (in die tijd de 7e maand, "bris") rond 17:00 of 18:00 's avonds, in het huis van het echtpaar aan de Sint-Pieterskerk in Utrecht. Getuigen zijn Roeloff de Leeuw, Christiaen Sebastiaensz van Schoonrewoert (beide burgers van Utrecht) en Judith Roeloffs van Waeck (die alleen een "L" als handtekening zet) en Thresse van Schoonderloerdt (die een kruisje zet).

Gerrit en Susanna beseffen dat het leven onzeker is en de dood onvoorspelbaar. Daarom maken ze hun laatste wil bekend. Ze regelen eerst hun begrafenis en schenken hun bezittingen (die God hun gegeven heeft) zoals hierna beschreven staat. Ze geven toestemming om hun lichaam na overlijden te begraven door bevoegde personen in Utrecht. Ook maken ze alle eerdere testamentswijzigingen, codicillen of giften ongedaan.

Bekijk transcriptie 


Op 5 oktober 1679 laten Henrick Godsdan, een voormalig kapitein in Oost-Indië, en zijn vrouw Ludith Roeloffs van Varick, wonend in Utrecht, hun testament opmaken bij een notaris. Ze zijn gezond en helder van geest, maar beseffen dat het leven onzeker is. Daarom regelen ze hun nalatenschap.

Ze maken eerst alle eerdere testamenten ongeldig. Daarna bepalen ze:

  • Wie het eerst overlijdt, laat alles na aan de langstlevende. Deze mag alle bezittingen (zoals huizen, land, meubels, geld, zilver en kleding) gebruiken tot zijn of haar dood.
  • Na het overlijden van de langstlevende gaan de bezittingen naar hun vier peetkinderen: Evert, Frederick, Jacobgen en Barbara Troffe. Zij erven het deel dat Henrick zou krijgen van zijn zus Anna Grosbaij uit Swol, maar alleen nadat Ludith haar gebruikersrecht (levenslang recht op de bezittingen) heeft gehad.

Verder regelen ze:

Het testament wordt opgesteld in Utrecht en ondertekend in aanwezigheid van getuigen en een notaris.

Bekijk transcriptie 


De verdediging van de vesting bestond uit:
  • 49 metalen en 33 ijzeren kanonnen, verdeeld over de wallen en bolwerken.
  • 4 kanonnen bij de ingang van de rivier, ter verdediging van de noorder voorstad (noordelijke buitenwijk).
  • Een ravelijn (verdedigingswerk) met in totaal 82 kanonnen (49 metalen + 33 ijzeren), geplaatst op de wal bij het Comtstuck.
  • 4 extra ijzeren kanonnen bij het bolwerk Middelburgh, aan de monding van de rivier, ter bescherming tegen schepen die via de Tolhuis-route naderden. Deze kanonnen stonden in aarden schietgaten en schoten richting zee.
In totaal telde de vesting 86 kanonnen:
  • 48 metalen kanonnen
  • 37 ijzeren kanonnen (inclusief de 4 extra bij Middelburgh)
  • 1 mortier (zwaar geschut voor granaten)
Daarnaast waren er verdedigingswerken in de noorder voorstad, waaronder:
  • Een wachtpost genaamd Banda Malacca.
  • Een stenen put op de heuvel Bukit China (door de Portugezen São Francisco genoemd), die het beste drinkwater leverde.
Deze versterkingen waren nodig na een verrassingsaanval door de Manicabersen in 1671, toen de vesting onvoorbereid werd aangevallen. Verdeling van de kanonnen per bolwerk (met hoogte in voet):
Bekijk transcriptie 


Henrick Godsdaij, een kapitein die 4 jaar in Banda (Oost-Indië) had gediend, vroeg op 18 december 1619 aan de rechtbank in Utrecht om een verklaring af te geven over Jonck Jehan by Zuiden. Deze Jehan was heer van Seventer en Eern en wilde bewijzen dat zijn zoon, jonker Fillick, als adelborst (jonge officier in opleiding) had gediend onder Godsdaij. Godsdaij bevestigde onder ede dat Fillick op 22 december 1615 in Banda indedaad als adelborst in zijn compagnie had gediend. Dit werd bevestigd door getuigen: Deze verklaring werd opgesteld door een notaris (Angenweste Vald op tlant Stens) en bevestigd door de genoemde getuigen. De originele akte uit 1617 werd ook overgelegd als bewijs.
Bekijk transcriptie 


Op 4 juni 1617 werd een officiële verklaring opgesteld in Utrecht, in de herberg De Drie Harmen. De volgende personen waren aanwezig: Jan B. Eeuws Henrick en anderen uit Utrecht handelden namens: Zij verklaarden dat ze het recht hadden om eerder benoemde vertegenwoordigers (of "geconstitueerden") te vervangen of hun volmachten in te trekken. Daarnaast stonden zij nog 6 stuivers en 6 geldschellingen (in totaal 6 stuivers en 6 gulden) schuldig, wat volgens hen te veel was ("is meer dan rechtvaardig"). Zij vroegen om hier een officiële akte van op te maken. Deze verklaring werd opgesteld door Jan de Leeuw en bevestigd door de aanwezigen, waaronder Anna Jacob de Leers van Coolwijk, die aantoonde dat zij erfgenaam was van Willem den Erentfeste, een man uit Keulen die in Doodwijk woonde.
Bekijk transcriptie 


Op 11 juni 1943 zijn in het vernietigingskamp Sobibor in Polen omgekomen:

De overlijdens werden pas op 12 april 1950 officieel geregistreerd door een ambtenaar van de burgerlijke stand in Amsterdam, op basis van een schriftelijke melding van de minister van Justitie.

Bekijk transcriptie 


Op 15 maart 1824 werden in Amsterdam vier geboortes officieel geregistreerd. Alle inschrijvingen vonden plaats om 11:00 uur 's ochtends.

Alle akten werden ondertekend door de betrokkenen en bevestigd door een lid van de stadsraad, die hiertoe was aangesteld volgens een besluit van de koning van 14 februari 1823.

Op 14 september 1800 trouwde het echtpaar C. Sacher de Singe in Amsterdam. Op 13 september 1800 werd de naam Joannes Minaar officieel gecorrigeerd door de rechtbank.

Bekijk transcriptie 


Pieter Stevens (32) en Pieter van der Velde (chirurgijn, 36) werkten op het schip Lands Kroon voor de Kamer Amsterdam (Admiraliteit van Amsterdam). Pieter Godschalk was landhandelaar en opperwachtmeester in Karsenshage (173, loon: 26 gulden). Willem Albert Pauw uit Enkhuizen was onder-de-hoofdofficier in Onstwedde (1758, loon: 26 gulden). Pieter van der Sprenkel uit Delft was mijnwerker in Rinsterwolde (loon: 24 gulden). Juriaan Adriaansz de Leeuw, timmerman uit de Commijne, werkte in Onstwedde (1730, loon: 11 gulden). Hille Siebes uit Leeuwarden was haakbus-schutter in Ditmarsen (1731). Een onbekende uit Rotterdam werkte als petronella (kanonnier) voor 48 gulden. Pieter Beiker uit Bergen was opper-soldaat in Nieuwpoort (1752, loon: 32 gulden). Frans Affel uit Amsterdam was onder-officier in Venendaal (loon: 26 gulden). Pieter Perfect uit Amsterdam was 2e onder-officier bij de saai-lijders (slepers) (1733, loon: 8 gulden). Op het schip Nieuwland (ook voor de Kamer Amsterdam): Michiel de Kijser uit Veere was stuurman (loon: 48 gulden, 1733). Pieter Keijman (stuurman, loon: 26 gulden) en Pieter Laurens (chirurgijn) werkten in Bathberg als opperwachtmeester (1735, loon: 2 gulden). Caspardule (36) en Cornelis Spanjerberg uit Delft waren onder-officieren in Haamstede (loon: 24 gulden). Een onbekende uit Groningen was 3e matroos in Middelharnis (loon: 14 gulden). Doeds Eberts, timmerman uit Amsterdam, werkte in Jumadel (1731, loon: 32 gulden). Manus Jans de Vries uit Kerkwerve (loon: 29 gulden), Claas Eertsschoon uit Hoorn (loon: 32 gulden), en Pieter Vroote uit Amsterdam (onder-officier in Lijduin, loon: 26 gulden) waren timmerlieden. Billeg was opper-soldaat in Halling (loon: 2 gulden, 1754). Cornelis Broers uit Amsterdam was onder-officier in Westhorn (1732, loon: 1 gulden, later 26 gulden in 1735 en 1754). Hendrik Schoon was stuurman op een onbekend schip (loon: 32 gulden, 1744).
Bekijk transcriptie 


  • Op 13 juli 1674 schrijven de leidinggevenden van het schip Helena een brief vanaf Kaap de Goede Hoop aan Rijckloff van Goens, de gouverneur van Ceylon (nu Sri Lanka). Ze vragen om het nieuws over de vrede tussen Engeland en de Nederlandse Republiek zo snel mogelijk door te geven aan belangrijke plaatsen zoals Ceylon, Canara (kustgebied in Zuid-India), Surat (India), Tuticorin (India) en Colombo (Sri Lanka). Dit is belangrijk voor de belangen van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC).
  • De brief is ondertekend door Isbrand Goske, Albert van Breugel, Dirck Jansz Smaent en Hendrik Crudop (als secretaris).
  • Op 15 juli 1674 schrijft Hendrik Crudop namens de gouverneur en raad van Batavia (nu Jakarta) aan Joan Maatsuijker, gouverneur van Ceylon. Ze bevestigen dat het schip Couwerre, vertrokken uit Zeeland op 16 maart 1674, brieven heeft gebracht met het nieuws over de vrede tussen Engeland en de Republiek. Dit nieuws moet zo snel mogelijk verspreid worden.
  • Twee schepen, de Brantgans (een hoeker) en de Quartel, zijn met spoed onderweg om het nieuws te verspreiden:
    • De Quartel vaart rechtstreeks van Kaap Comorin (zuidelijkste punt van India) naar Colombo.
    • De schepen hebben vertraging opgelopen door slecht weer, maar hopen snel op weg te zijn.
  • Er wordt ook een zaak gemeld over Frans Hendricxse, een metselaar van het schip Pijnacker. Hij zou 250 gulden te veel hebben ontvangen (in plaats van 100 gulden) op zijn rekening, mogelijk door een fout in de administratie. Zijn moeder, Aeltje France van Rietbeec, woont in Amsterdam, maar in de papieren staat ten onrechte Neeltje Hendricx uit Haarlem genoemd. De scheepsboeken van de Pijnacker moeten dit nog bevestigen.
  • De brieven bevestigen dat het nieuws over de vrede nog niet officieel bekend is gemaakt. De VOC hoopt dat de vrede standhoudt.
  • De brief van november 1673 (uit het vorige jaar) en bijlagen voor zowel de Kaap (Zuid-Afrika) als het vaderland (Nederland) zijn ontvangen en komen overeen met de registers. Hieruit blijkt dat de vrede nog niet algemeen bekend was op 1 januari 1674.
Bekijk transcriptie 


Op 20 april 1659 schreef Adriaen van der Meijde een brief vanaf het jacht De Schelvis, dat voor anker lag bij Calicoelangh (nu: Kalkulang, nabij Tuticorin). Hij besprak militaire plannen tegen de Dessavas (lokale heersers) in Zuid-India, met name in gebieden als:

  • Jaffanapatnam (nu: Jaffna)
  • Mannaer (nu: Mannar)
  • Calpatijn (nu: Kalpatta)
  • Chilap (mogelijk Chidambaram)
  • Galos Balija (mogelijk Golconda of een nabijgelegen gebied)

De bedoeling was om met extra troepen uit de verwachte vloot van Goa Baer (een Portugese of lokale commandant) de Dessavas aan te vallen of elders voordelen te behalen. Dit hing af van:

  • het weer (regen kon de plannen verstoren)
  • of de Dessavas de Nederlandse inwoners met rust zouden laten
  • of er elders betere kansen waren, zoals in Sammanture (nu: Kandy), Baticalo (nu: Batticaloa), of Cotjaer (nu: Kottiyar), waar de koning van Kandy weinig argwaan zou hebben.

Er werden schepen en troepen ingezet:

  • De Goutsblom met 107 soldaten en 92 sascarijns (inheemse huursoldaten) naar een onbekende bestemming.
  • De Schelvis met 66 soldaten naar Colombo.
  • Het jacht Coilan en het fregat Tutucorijn naar Kayalpattinam (nu: Kayalpattnam), waar Tutucorijn ook rijst moest laden.

De plannen werden aangepast toen De Rode Leeuw arriveerde met een brief van koopman Isbrant Godtske. Deze meldde dat het plan voor Coilan vanuit Colombo was gewijzigd. De nieuwe afspraken stonden in een bijgevoegde kopie (niet inbegrepen in deze tekst). Jan Compas, de schipper die bij de gebeurtenissen in Coilan aanwezig was, kon hier mondeling meer over vertellen.

De brief werd later, op 11 mei 1669 in Colombo, bevestigd door Jacob Borchoost als een exacte kopie van het origineel. De tekst eindigt met een verwijzing naar een eerdere brief ("aris 384"), maar details hierover ontbreken.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/