Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


3 juni 1789 werd een derde wissel getrokken door Sacvadorsarqui in opdracht van Haas & Comp en Abm Jas Sarqui. Deze werd door hem geëndosseerd en voorzien van een akte van protest wegens niet-betaling en van een vonnis ten nadele van Pl de Mosesgerl van 11 november 1774, groot aan hoofdsom met kosten 2.281 gulden, 17 stuivers en 6 penningen.

Er was een pakket met verschillende bewijzen van verschillend eigendom van de bezittingen van wijlen de heer J. H. Brandon.

Er was een schuldbekentenis door Juriaan Francois Frederici wegens aankoop van 18 slaven voor rekening van plantage Voorburg, gedateerd 9 maart 1793, binnen 1 jaar te betalen, groot een som van 5.600 gulden.

Er was een schuldbekentenis van Jdrt vn Horarras voor 74 gulden en 5 stuivers, gedateerd 10 oktober 1787.

Bekijk transcriptie 


C.I. Hirth en Compagnie moesten als boekhouders en leidende reders van het schip genaamd de Vrouw Grerhy de Catharna 24 vaten suiker vervoeren. De vergelijker eiste een vergoeding voor de vracht van deze 24 vaten suiker. Daarnaast leed hij nog meer schade door:

De vergelijker verklaarde dat hij de 24 vaten suiker alleen terug wilde overnemen van de gezworen loodjesmaker Abraham Joseph Sarqui onder bepaalde voorwaarden.

Bekijk transcriptie 


10 mei 1813 lag juffrouw Judith Jacob Iona, geboren Alvares, ziek in bed. Ze was echter nog wel helder van geest en kon nog duidelijk spreken, en was dus in staat om dit document op te laten maken. De ondergetekende bediende klerk was bij haar. Ze verklaarde dat ze voor deze dag nog geen testamenten, latere toevoegingen aan testamenten of andere documenten met betrekking tot haar laatste wil had gemaakt, niet alleen en ook niet samen met anderen. Daarom verklaarde zij, de testatrice (degene die het testament maakt), hierbij over haar stoffelijke goederen te beschikken op de volgende manier:

Bekijk transcriptie 


Nicolaes du Sart verbond zich ertoe om zo snel mogelijk aan de hooftmans en Joost van Beeck, of iemand anders die de hooftmans zouden aanwijzen, alles te leren over de kunst van karmozijnrood verven. Hij moest onder andere leren hoe wollen lakens karmozijn geverfd konden worden, inclusief scharlaken karmozijn rood, karmozijn purper, karmozijn grijs, karmozijn paars en karmozijn purper zonder blauw, en alle andere kleuren die met meekrap gemaakt konden worden. Du Sart mocht hierbij niets achterhouden, zodat Joost van Beeck of een ander de verf zelf kon bereiden en alles kon doen wat bij karmozijn verven hoorde, zowel in aanwezigheid als in afwezigheid van du Sart.

Het contract zou 4 jaar duren. Du Sart moest zich persoonlijk bezighouden met de verwerij en alles doen wat daaraan verbonden was, als een eerlijk en trouw dienaar. Als betaling zou du Sart ontvangen:

Voordat het contract zou ingaan, moest eerst gedurende 2 maanden getest worden of de kennis van du Sart goed was. Deze periode van 2 maanden zou beginnen nadat de ketel voor de verwerij gemaakt en geplaatst was op de plek die de heer hooftmans zou bepalen. Na deze 2 maanden had de hooftmans nog de vrijheid om het contract wel of niet aan te gaan. Nicolaes du Sart was verplicht om gedurende deze tijd de kunst van karmozijn verven aan niemand anders te leren of bekend te maken dan aan de heer hooftmans of degene die hij daartoe zou aanwijzen.

Beide partijen verklaarden zeer tevreden te zijn met het contract. Ze beloofden zich er te allen tijde aan te houden en verbonden hun personen en goederen als zekerheid. Dit werd 18 maart 1634 gepasseerd in Haarlem in de Heilstraat in het huis van notaris Schoudt, in aanwezigheid van getuigen Matheus Euerswijn en Joannes Putmans.

Heden verschenen voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem: Jan van Claerenbeeck (koopman en inwoner), Gabriel Loreijn (man en voogd van Geertruijt van Clarenbeeck), elk voor zichzelf en als voogden van vaderlijke zijde over:

Bekijk transcriptie 


Hens Hubrechtsz van Clarenbeeck, poorter van deze stad, getrouwd met de dochter van wijlen Elsge Jan Bruyninge, genaamd Gabriel Loren, verklaarde dat hij aan Geertruijn van Clerenberch, David en Jehan van Clarenberch, en Metje van Clarenberts (weduwe van wijlen N. Colres van Wapels), allen zijn kinderen bij Elsge van Bruynings, het volgende had overgedragen ter voldoening van hun moederlijke erfenis (waarvoor ze kwijting hadden verleend):

  • alle uitstaande schulden die nog onbetaald stonden in bepaalde schuldboeken die hij aan hen had overhandigd
  • een obligatie van 150 carolusguldens ten laste van Cornelis Decker, bleekster
  • aan zijn zwager Gabriel Loreyn een kapitaal van 300 carolusguldens uit een verzegelde losrentebrief van 800 carolusguldens ten laste van Jan Willemsz Thuijmman, waarvan de andere 500 guldens de zwager zelf toekwamen

Hij deed afstand van deze boekschulden en obligatie ten behoeve van de genoemde kinderen, en van de 300 guldens kapitaal op Jan Willems Thuynman ten behoeve van zijn zwager Gabriel Loreyn in het bijzonder, zonder zelf nog enig recht te behouden. Zij mochten deze bedragen innen, ontvangen en behouden met alle rechtelijke of andere middelen. Dit gebeurde te Haarlem op 26 februari 1631 in aanwezigheid van Joost Duijst van Voorhout en Fremijn Leere, poorters van de stad, als getuigen.

Gabriel Loreijn (getrouwd met Geertruijt van Clarenbeeck), David en Jehan van Clarenberch, en Metje van Clarenbeeck (nagelaten weduwe van wijlen Ricelres van Aapels), bijgestaan door haar zwager en 2 broers, allen wonend in deze stad, verklaarden dat zij op verzoek van Jans Hubrechts van Clarenbrecht (hun respectievelijke vader en schoonvader) van hem in geld hadden ontvangen de som van 4000 carolusguldens van 40 groten het stuk, zijnde elk 1000 guldens, onder voorwaarde dat zij gehouden waren (en dit ook hadden beloofd voor henzelf en hun erfgenamen) elk één voor allen gezamenlijk.

Bekijk transcriptie 


Pieter de Pepere, inwoner en burger van de stad, verklaarde 13 februari 1631 voor notaris dat hij 1500 Carolus guldens schuldig was aan Abraham Pietersz en zijn erfgenamen. Abraham woonde buiten de Kleine Houtpoort. Het ging om geleend geld dat Pieter volledig ontvangen had. Hij beloofde het bedrag terug te betalen op verzoek van Abraham of diens rechthebbenden, met een rente van 1 op de 16 vanaf deze dag tot volledige terugbetaling. Als zekerheid verbond Pieter al zijn bezittingen:

  • roerende en onroerende goederen
  • inboedel en huisraad
  • lopende schulden
  • acties en rechten die hij nu had of later zou krijgen

Pieter beloofde zijn inboedel te bewaren en op elk moment te overhandigen, zodat deze te gelde gemaakt kon worden om de schuld af te lossen. Hij beloofde zijn goederen niet aan anderen te verkopen of te belasten ten nadele van Abraham. Dit gebeurde in St. Jansstraat in aanwezigheid van Aelbert Symons, kleermaker, en Jan Willemsz Doorten.

7 februari 1631 kwamen voor notaris: Hans Hubrechts van Clarenbeeck, weduwnaar en poorter van de stad, en Neeltgen Harmans dochter van Steenboorden, jongedochter. Zij maakten huwelijkse voorwaarden voor hun aanstaande huwelijk:

  • Neeltgen bracht geen goederen in het huwelijk en zou geen gemeenschap of recht hebben op de boedel of bezittingen die tijdens het huwelijk verworven zouden worden
  • Alle bezittingen zouden van Hans blijven en na zijn dood naar zijn kinderen uit zijn vorige huwelijk of uit dit huwelijk gaan, of bij gebrek daaraan naar zijn naaste erfgenamen
  • Neeltgen zou niets erven van haar kinderen uit dit huwelijk
  • Als Hans eerder overleed, zou Neeltgen haar leven lang 200 Carolus guldens per jaar ontvangen, te betalen per half jaar, plus al haar kleding van linnen en wol met de juwelen
  • Als Neeltgen eerder overleed zonder kinderen na te laten, mocht Hans volstaan met het uitkeren van 100 Carolus guldens per kind en hun kleding met juwelen

Dit gebeurde in St. Jansstraat in aanwezigheid van Freuijn Lourens, maatmaker, en Aelbert Symonsz, kleermaker, beiden poorters van de stad.

Diezelfde dag kwam voor notaris Gheuren (achternaam onduidelijk) namens Anneken, de nagelaten weduwe van Oliuys van Hillebaeck. Martyntgen Leeuens, jongedochter van ongeveer 26 jaar, verklaarde dat zij in 1629 als dienstmeid had gewerkt bij Reyner op de Blokke, en dat zij meer

Bekijk transcriptie 


8 augustus 1763 vergaderde de vroedschap. De commissieleden die zich bezighouden met de academische zaken werden verzocht om na te denken over een vervanger. Ze moesten een geschikte persoon voorstellen ter vervanging van professor Castillon, die ontslag had aangevraagd en gekregen.

De weduwe van Otto van Stuijvenberg kreeg toestemming om een bepaald gebouw te verkopen. Op de vergadering werd het verslag besproken over het verzoek dat op 27 september 1762 was ingediend door Jacomina de Visser, weduwe en erfgenaam van Otto van Stuijvenberg. Dit verzoek had enige tijd bij de politiesecretarie gelegen. Zij vroeg of de vroedschap het gebouw dat in het verzoek en verslag genoemd werd, wilde terugnemen met terugbetaling van de kosten.

De commissieleden voor het bestuur van de stadsfinanciën brachten verslag uit. Zij hadden zich beziggehouden met het verzoek van 27 september 1762 van Jacomina de Visser, weduwe en erfgenaam van Otto van Stuijvenberg. Zij maakte kenbaar dat de vroedschap bij besluit van 31 maart 1760 aan de man van verzoekster gratis het gebruik had verleend van een deel van het oude tuchthuis. Dit moest door hem worden ingericht en gebruikt voor een zijden lintenfabriek. Dit gebeurde onder verschillende voorwaarden, waaronder dat wanneer de fabriek niet naar wens zou lopen, het de zoon van verzoekster vrij zou staan het gebouw weer aan de vroedschap aan te bieden en over te geven met terugbetaling van de kosten. Deze kosten, zoals zou blijken uit een gedetailleerde lijst, waren gemaakt om het gebouw in te richten tot een zijden lintenfabriek. Als de vroedschap het niet wilde aannemen, zou het de zoon van verzoekster toegestaan zijn het gebouw of het gebruik daarvan op dezelfde voorwaarden als waarop de man van verzoekster het van de vroedschap had ontvangen, publiek of onderhangs te verkopen, zonder kosten voor de stad. Het kwam verzoekster noch haar zoon nu gelegen die fabriek op te richten, waardoor zij

Bekijk transcriptie 


Op 8 oktober 1619, omstreeks 2 uur 's middags, verschenen voor notaris Michiel van Woerden in Haarlem de echtgenoten Gabriel Loreyn en Geertruyt Jans van Clarenbeeck. Zij waren beide gezond van lichaam en geest (hoewel Geertruyt zwanger was) en maakten uit vrije wil hun testament.

De afspraken waren als volgt:

  • Gabriel Loreyn had bij het huwelijk 7.500 gulden ingebracht. Als hij als eerste zou overlijden zonder kinderen na te laten, zou Geertruyt Jans van Clarenbeeck als enige erfgenaam alle goederen erven.
  • Wel moest zij dan uitkeren aan Gabriels volle broers en zus (Fremyn, Abraham en Hester Loreyn) elk 100 gulden, en aan zijn halfbroer en halfzus (Loys en Janneken Loreyn) elk 50 gulden. Hiermee moesten zij tevreden zijn en verder niets meer eisen.
  • Geertruyt Jans van Clarenbeeck had bij het huwelijk 4.500 gulden ingebracht aan geld, kleding, linnengoed en andere zaken. Als zij als eerste zou overlijden zonder kinderen na te laten, zou Gabriel Loreyn als enige erfgenaam alle goederen erven.
  • Als haar vader en moeder, of één van beiden, dan nog in leven waren (of bij hun overlijden haar broers en zussen), zouden deze al haar kleding, linnen en juwelen krijgen die zij gedragen had. Dit gold als hun wettig erfdeel en verder niets. Hiermee moesten zij tevreden zijn en niets meer eisen.

De getuigen waren Gerrit Dirixz en Gerryt Doede, beiden poorters van Haarlem.

Bekijk transcriptie 


Joachim Beersmans, Jan Dirk Bartels, Anthonij Smits en Jan van Spreuwel gaven als regenten van Diessen toestemming aan Joachim Beersmans en Jan Dirk Bartels, samen of ieder afzonderlijk, om 18 juni 1737 's morgens precies om 9 uur te verschijnen in Oosterwijk bij het huis van de heer stadhouder Hartongh. Daar moesten zij samen met andere afgevaardigden van de verschillende plaatsen uit dit kwartier besluiten nemen over 7 punten die op de agenda stonden. De afgevaardigden waren hiervoor goed geïnstrueerd en kregen de opdracht om te handelen in het belang van het kwartier in het algemeen en van de gemeente Diessen in het bijzonder. Indien er nog nadere of uitgebreidere instructies nodig waren, werd dat ook toegestaan. De opdrachtgevers beloofden alles wat de afgevaardigden zouden doen en regelen als geldig en bindend te beschouwen. Dit werd juridisch vastgelegd in Diessen op 14 juni 1737 en ondertekend door Joachim Beersmans, Jan Dirck Bartels, Jan van Sprouwel en Antonj Snijts.

Omdat hun edele mogenden bij besluit van 2 november 1734 hadden bepaald dat bij de verpachting van de gemeenschappelijke middelen over de Meijerij van 's-Hertogenbosch elke plaats of dorp niet meer dan 1 goede persoon mocht afvaardigen, voorzien van een behoorlijke toestemming van de regenten om als pachter voor het bestuur en de regenten als borgen in de pachtakte te worden opgenomen, gaven de regenten van Diessen hierbij toestemming aan Joachim Beersmans om voor dit doel naar de aanstaande verpachting in 's-Hertogenbosch te gaan en zich als pachter voor het bestuur en de regenten als borgen voor de verpachting van de gemeenschappelijke middelen te laten inschrijven. Zij beloofden alles wat hun gemachtigde op grond hiervan zou doen en regelen als geldig en bindend te beschouwen en hem daarvoor schadeloos te stellen. Dit werd juridisch vastgelegd en eigenhandig ondertekend in het resolutieboek op 30 augustus 1737 door Joachim Beersmans, Jan Dirck Bartels, Jan van Spreuwel, Adriaen van den Bichelaer en Luijcas Elas Huijberts.

Bekijk transcriptie 


Er werden eeretekens (medailles) met of zonder beloningen uitgereikt aan militairen die 20 jaar in Nederlandse dienst waren in Suriname, Curaçao en St. Eustatius. De medailles moesten op de gebruikelijke manier worden uitgereikt aan de betrokkenen. Er werd gelet op het verschil tussen de beschikbare 2 bronzen en 1 zilveren medaille.

Besloten werd:

  • 5 zilveren en 28 bronzen medailles met 33 linten en bijbehorende bewijzen toe te zenden aan de gezaghebber van Curaçao en onderhorige eilanden, bestemd voor de militairen in het garnizoen daar.
  • 1 bronzen medaille met lint en bewijs toe te zenden aan de gezaghebber van St. Eustatius, bestemd voor een korporaal in het garnizoen daar.
  • 5 zilveren en 5 bronzen medailles met 10 linten en bewijzen toe te zenden aan de luitenant-kolonel commandant van het garnizoen, bestemd voor manschappen van het Bataillon Jagers in garnizoen.
  • 2 zilveren en 3 bronzen medailles met 5 linten en bewijzen toe te zenden aan de 1e luitenant commandant der artillerie, bestemd voor manschappen van het 1e Bataljon Veldartillerie in de kolonie.
  • 1 zilveren en 1 bronzen medaille met 2 linten en bewijzen toe te zenden aan de kapitein commandant van het Korps Guides, bestemd voor militairen van het Korps Koloniale Guides in de kolonie.

De gezaghebbers en genoemde officieren werden gemachtigd om de bewijzen, eeretekens en beloningen op plechtige wijze uit te reiken volgens de bestaande regels.

De administrateur van financiën werd gemachtigd om tegen kwitantie uit te betalen: 36 gulden aan de luitenant-kolonel commandant van het Bataljon Jagers nummer 27, 12 gulden aan de 1e luitenant commandant der artillerie, en 6 gulden aan de kapitein commandant van het Korps Koloniale Guides, zodat zij de beloningen konden uitreiken.

Afschriften van dit besluit met de lijsten, bewijzen, medailles en linten zouden worden toegezonden aan de gezaghebbers van Curaçao en St. Eustatius, de luitenant-kolonel commandant van het Bataljon Jagers nummer 27, de 1e luitenant commandant der artillerie, de kapitein commandant van het Korps Guides, en de administrateur der financiën, voor zover het hen aanging.

Er werd een brief gelezen van het Departement van Koloniën van 14 mei nummer 745, met een beschikking van diezelfde dag nummer 2, waarbij de heer H. Ho Lans werd gemachtigd om zich in juli met een schip naar de kolonie te begeven om het ambt van auditeur-meester en curator te aanvaarden, dat hem was opgedragen bij koninklijk besluit van 9 augustus 1852 nummer 89. Zijn wachtgeld, dat eind mei stopte, werd met nog 1 maand verlengd tot eind juni, te betalen uit de Surinaamse fondsen bij de Nederlandse Bank.

Besloten werd het voorgaande bij uittreksel bekend te maken.

Bekijk transcriptie 


Coenraad en Bettie verklaarden op de genoemde datum voor de notaris hun testament. Ze bepaalden dat hun bezittingen, testamenten en laatste wil geldig moesten blijven, ook als er kinderen zouden komen. De langstlevende partner hoefde geen bewijs of inventaris te leveren. Ze vrijwaarden elkaar van deze lasten en gaven elkaar de verantwoordelijkheid voor het beheer van de goederen van de kinderen. Ze hielden het recht om later nog legaten (erfenissen) toe te voegen. Dit moest net zo krachtig zijn alsof het in het testament stond. De testateurs verklaarden dat dit hun bijzondere testament en laatste wil was. Dit moest na hun overlijden worden gevolgd, of het nu ging om een testament, laatste wil, gift of andere vorm, volgens de beste rechten en gewoonten. Het werd gedaan in Haarlem bij het huis van de notaris in de Sint Jansstraat op de genoemde datum en jaar. Getuigen waren Willem Sijmonsz, bakker, en Nicolaes van Dyck, klerk, beide inwoners van de stad.

Later verscheen voor de notaris en getuigen de edele jonker Nicolaes van Ebbenbroeck, wonende in Abbenbroeck. Hij was mede-erfgenaam van wijlen Barchout vander Nijenburch, oud-burgemeester van Haarlem, zijn oom, die onlangs in Haarlem was overleden. Hij gaf volmacht aan Johan en zijn vrouw Soutgen de Cramer, namens Frans en de notaris Vander Nijenburch, ook erfgenamen van de burgemeester. Namens hemzelf en de erfgenamen mochten zij schulden vorderen, eisen, innen en ontvangen die aan het sterfhuis toebehoorden, zoals landrente, huishuur, pachten of andere zaken. Ze mochten kwitanties van ontvangst geven en onwilligen voor de rechter dwingen. Ze mochten ook een procureur aanstellen. Nicolaes beloofde alles wat door zijn vertegenwoordigers werd gedaan als aangenaam en wettig te beschouwen, alsof hij het zelf had gedaan. Ze moesten wel rekening en bewijs van ontvangst doen. Dit werd gedaan in Haarlem in het huis van de notaris in de Sint Jansstraat op 10 juni 1575. Getuigen waren Jan van Pallenbach, Lodewijck vande Eeckhelen, inwoners van de stad.

Bekijk transcriptie 


Catharina Jans de Goede, wonende in Haarlem, kwam 10 juni 1625 voor de notaris. Zij gaf bij deze volmacht aan Jan van Grijsten, haar neef en burger van Leiden, de opdracht om namens haar geld op te halen uit de boedel van haar overleden broer Jacob Jans de Goede in Leiden. Het ging om een bedrag van ongeveer 100 Carolus guldens hoofdsom, die haar verschuldigd was uit een rentebrief van een grotere som. Deze rentebrief lag bij de weeskamer van Leiden. De rest van het geld kwam toe aan haar broer Gerrit Jans de Goede, die naar Oost-Indië was vertrokken.

Jan van Grijsten mocht:

  • De eerste rente innen die verscheen op 3 juli aanstaande, en alle rente die daarna nog zou verschijnen
  • Een kwitantie voor de ontvangst tekenen
  • Zonodig naar de rechter gaan om het geld op te eisen
  • Een of meer andere personen aanstellen om dit werk te doen

Catharina beloofde alles wat Jan deed goed te keuren, alsof zij het zelf had gedaan. Als getuigen waren aanwezig Willem Symonsz, bakker, en Nicolaes van Dijck, klerk.

3 juni 1625 om 5 uur 's avonds kwamen Fremijn Loren, zijdelakenkoper, en Jannetgen Willems, getrouwde mensen en poorters van Haarlem, voor de notaris om hun testament te maken. Zij waren gezond en bij hun verstand. Ze verklaarden geen ouders of kinderen in leven te hebben. Omdat het leven kort en onzeker is, wilden zij regelen wat er met hun bezittingen zou gebeuren.

Hun testament bepaalde het volgende:

  • Als zij geen kinderen kregen, zou de langstlevende van hen tweeën alle goederen erven van de eerst overledene: huizen, grond, koopmansgoederen, gereed geld, aandelen en schulden
  • De langstlevende hoefde hierover aan niemand verantwoording af te leggen
  • De kleren van wol en linnen zouden naar de familie van elk gaan: de kleren van Fremijn naar zijn broers en zussen Louwijs, Janneken, Hester, Abraham en Gabriel, waarbij Louwijs en Janneken samen 1 deel zouden krijgen; de kleren van Jannetgen naar haar broer Christiaen Willemsz en zus Gaertgen Willems
  • Als de langstlevende binnen 3 jaar na het overlijden van de ander hertrouwde, zouden alle goederen naar hun broers en zussen gaan, half om half verdeeld
  • Als Jannetgen hertrouwde, moest zij bovendien 800 Carolus guldens uitkeren aan de broers en zussen van Fremijn
  • Als Fremijn hertrouwde, moest hij 1.200 guldens uitkeren aan Christiaen
Bekijk transcriptie 


27 januari 1648 verschenen er verschillende personen voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem. Aan de ene kant waren dat Abraham Loreyn, Gabriel Loreyn en Frederick Fredericxs van Vliet. Frederick was weduwnaar en beheerder van de nalatenschap van zijn overleden vrouw Hester Loelijn. Zij waren erfgenamen volgens het testament van Jan Fremyn Loreyn, een overleden keurmeester die was gestorven in het proveniershuis in de stad Edam.

Aan de andere kant waren er Joffijn Geertruijt Willems, wonend in Alkmaar, weduwe van Pieter van Bijlevelt, bijgestaan door de notaris als haar gekozen voogd. Ook waren er Jan Crispiaensz Panneken en Geertruyt Cristiaens met Pieter Erkenis, wonend in Amsterdam. Pieter was getrouwd met Maria Cristiaens. Dit waren kinderen van Crispiaen Willemsz, een apotheker. Janneke en Geertruyt Crispiaens waren minderjarig en werden daarom bijgestaan door Jan Cristiaens en Jan Brieuw, hun broer en zwager. Zij waren ook erfgenamen volgens het testament van Jannetgen Willems, die in haar leven de vrouw was geweest van Fremyn Loreyn en ook was overleden in het proveniershuis in Edam.

De aanwezigen verklaarden dat zij onderling in vriendschap en goed overleg de goederen en bezittingen van Fremyn Loreyn en Jannetgen Willems hadden gescheiden en verdeeld, zoals die in hun leven waren bezeten en bij hun overlijden waren nagelaten. Ieder had zijn deel en recht volgens het testament volledig en naar tevredenheid ontvangen. Daarom kwijten zij elkaar volledig en absoluut voor nu en altijd, zonder nog enig recht of aanspraak jegens elkaar te behouden of in de toekomst te zullen eisen, noch in rechte noch daarbuiten.

Abraham Loreyn kreeg in de verdeling een obligatie van 1000 caroliguldens ten laste van het algemene land van Holland en West-Friesland, staand op het kantoor van de heer ontvanger in Akersloot te Haarlem, geregistreerd in boek B folio 86, gedateerd 10 maart 1634. Zijn broer en zwager, samen met alle erfgenamen van Jannetgen Willems, droegen deze obligatie over aan Abraham Loreyn en zijn gerechtigden, met alle bijbehorende rechten en acties, zonder enige voorbehouden.

Bij deze verdeling werd uitdrukkelijk bepaald dat ten laste van de erfgenamen van Jannetgen Willems een bepaalde verplichting blijft bestaan zoals vermeld in een akte van 10 februari 1631. In die akte hadden Fremyn, Abraham en Gabriel Loreyn, samen met Frederick Fredericxs van Vliet, zich samen verbonden tot teru

Bekijk transcriptie 


20 juni ontving men een brief van de secretaris met daarin een verzoek van mevrouw Thieme, gedateerd 27 juni. Hieruit bleek dat haar echtgenoot alleen wilde dat zijn vrouw overkwam.

Op grond van eerdere besluiten van 8 juni 1873 deelde men aan Zijne Excellentie de Minister van Koloniën het volgende mee:

J. A. P. de Jongh van Arkel, echtgenote van de predikant bij de Hervormde gemeente in Nederlands-Indië met standplaats Soerabaija, J. S. Thieme, meldde dat:

  • Haar echtgenoot in de maand oktober 1672, na het einde van zijn verlof, weer naar Indië was vertrokken.
  • Haar echtgenoot haar had achtergelaten omdat volgens een medische verklaring haar gezondheidstoestand het volstrekt verbood hem daarheen te volgen.
  • Haar echtgenoot, onbekend met de bestaande bepalingen, had nagelaten om aan Uwe Excellentie toestemming te vragen voor zijn vrouw om bij herstel hem voor rijksrekening naar Indië te mogen volgen.
  • Zij, nu hersteld, zich tot Uwe Excellentie wendde met het beleefd verzoek om haar te willen toestaan met haar 2 kinderen over te komen, genaamd Magdalena Henriette, geboren 11 oktober 1866, en Elisabeth Johanna Frederika, geboren 19 mei.
Bekijk transcriptie 


Jannette Gesina Thieme, echtgenote van dominee Johan George Liernur van de Evangelisch-Lutherse Gemeente in Haarlem, gaf op een niet genoemde datum via notaris Pieter van Lei een volmacht. Zij machtigde iemand om namens haar toestemming te geven voor een contract tussen haar moeder Gesina Geertruida van Eldik, weduwe van Hermann Carl Anton Thieme, en haar broer Johann Wilhelm Thieme. Beiden woonden in Zutphen. Het contract ging over het beheer van de boekhandel die haar moeder na het overlijden van haar vader in Zutphen had voortgezet en nog steeds dreef. Door dit contract zou het beheer worden overgedragen aan haar broer, met de nodige betalingen en zekerheden voor beide partijen.

Bekijk transcriptie 


De betalingen aan de erfgenamen van wijlen de heer W. J. Thieme konden door het overlijden niet verder worden doorgezet. De goederen van de heren M. A. Thieme en H. J. Thieme konden niet verder betaald worden totdat de deleganten hierover nieuw besluit hadden genomen en bij het Departement van Koloniën nieuwe volmachten en aantekeningen waren ontvangen. De delegatie van de heer J. H. Thieme zou voortaan uitgekeerd moeten worden aan de oorspronkelijk gemachtigde, de heer W. Thieme zelf, tenzij deze weer iemand anders in zijn plaats wilde machtigen. In dat geval moest een nieuwe akte van vervanging naar het departement worden gestuurd.

Bekijk transcriptie 


29 juni 1867 schreef het bureau namens de Minister van Koloniën een brief aan vrouw C. M. Vmalt, de weduwe van W. P. Thieme, die in De Hoven bij Zutphen woonde. In de brief werd uitgelegd dat er volgens eerder ingestuurde volmachten 3 personen waren gemachtigd om geld te ontvangen:

Bovendien had W. Thieme op 1 februari 1863 bij notariële akte W. J. Thieme gemachtigd om in zijn plaats het gedelegeerde geld van J. H. Thieme te ontvangen. Alle 3 de delegaties werden uitbetaald in 's-Gravenhage.

Bekijk transcriptie 


18 maart 1800 gaven de ondertekende leden van het Bestuur van Weldadigheid van het kanton Sint-Oedenrode, arrondissement Eindhoven, departement van de Deux Nèthes, volmacht aan Anthonij van Styrum. Hij kreeg de bevoegdheid om naar de plaats te gaan waar de bezittingen van Joan Johanna, natuurlijk kind van wijlen Jenneme Tennisse, die te Sint-Oedenrode was overleden, zich bevonden. Hij moest:

  • De persoon vertegenwoordigen van Johannes Johanna, natuurlijk zoon van de genoemde Jenneme Tennisse en achtergelaten kind
  • De zegels lichten
  • Een eerlijke en ware boedelbeschrijving laten opstellen samen met de andere erfgenamen
  • Alles regelen wat de erfenis betrof
  • Door bemiddeling van een openbaar ambtenaar de goederen laten verkopen die verkocht moesten worden
  • De opbrengst waarvan de helft voor het Bureau van Weldadigheid was als erfgenaam, in ontvangst nemen

De volmachtgever beloofde alles te bekrachtigen wat de gemachtigde op grond van deze volmacht zou doen. Dit gebeurde te Sint-Oedenrode op 18 maart 1800 in aanwezigheid van notaris P.J. Bangeman en getuigen I.H. Hoogeveen, A. van Styrum, M. van Kernenade en Christiaan van Weest.

Bekijk transcriptie 


17 augustus 1885 verschenen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam Riekele Alberts van der Zee, 32 jaar oud, opzichter, wonende in het Buitengasthuis, en Albertus Spers, 40 jaar oud, opzichter, wonende op hetzelfde adres. Beiden waren bekenden van de overledene. Zij verklaarden dat op 17 augustus des voormiddags om 1 uur in het huis aan de Buitengasthuis kanton 3 nummer 144 was overleden Theodora Janssen, zonder beroep, wonende in de Heerenstraat 21. Zij was 57 jaar oud, geboren in Renkum, weduwe van Petrus Johannes Jansen en dochter van Hermanus Janssen en Gerarda van Deelen.

Op 17 augustus 1885 verschenen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam Johannes Maas, 55 jaar oud, opzichter, wonende in het Binnengasthuis, en Albertus Krouwel, 57 jaar oud, opzichter, wonende op hetzelfde adres. Beiden waren bekenden van de overledene. Zij verklaarden dat op 16 augustus des voormiddags om half 6 in het huis aan het Binnengasthuis kanton 2 nummer 10 was overleden Adriana Nederveld, zonder beroep, wonende in de Ouillijnstraat 52. Zij was 69 jaar oud, geboren in Nieuwkoop, weduwe van Johannes de Waart en dochter van Arie Nederveld en Grietje van Dam, beiden overleden.

Op 17 augustus 1885 verschenen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam Riekele Alberts van der Zee, 32 jaar oud, opzichter, wonende in het Buitengasthuis, en Albertus Sjoers, 40 jaar oud, opzichter, wonende op hetzelfde adres. Beiden waren bekenden van de overledene. Zij verklaarden dat op 16 augustus des voormiddags om 7 uur aan de Buitengasthuis kanton 3 nummer 144 was overleden Anthony Stephanus Pols, schilder, wonende aan de Vondelkade 69. Hij was 71 jaar oud, geboren in Amsterdam, echtgenoot van Catharina Adriana Hendrietta Richter en zoon van Willem Pols en Trijntje Pieters, beiden overleden.

Op 17 augustus 1885 verschenen voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Amsterdam Johannes Maas, 55 jaar oud, opzichter, wonende in het Binnengasthuis, en Albertus Krouwel, 57 jaar oud, opzichter, wonende op hetzelfde adres. Beiden waren bekenden van de overledene. Zij verklaarden dat op 15 augustus des namiddags om 4 uur in het huis aan het Binnengasthuis kanton 2 nummer 10 was overleden Gerh

Bekijk transcriptie 


4 april 1667 gaven de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden een vrijwaringsbewijs af voor Godert Adriaen Baron van Reede, heer van Amerongen, Ginckel en Elst. Hij was afgevaardigde namens de provincie Utrecht en zou als buitengewoon gezant naar de koning van Denemarken en Noorwegen reizen.

De Staten-Generaal verklaarden dat zij:

  • de heer van Amerongen, zijn gevolg, bagage en goederen met alle middelen kosteloos en schadeloos zouden houden
  • hem zouden beschermen tegen arrestaties, inbeslagnames, gevangennemingen, plunderingen en andere gevaren
  • dit gold tijdens de gehele reis, zowel over zee als over land
  • alle goederen en inkomsten van de Staten-Generaal hiervoor werden ingezet als waarborg

Tegelijkertijd werd er een reispas uitgegeven voor 4 april 1667. Hierin verzochten de Staten-Generaal aan alle koningen, republieken, vorsten, machthebbers, steden en bondgenoten om de heer van Amerongen tijdens zijn reis alle hulp, gunst en bijstand te verlenen, zowel bij het heengaan als bij de terugkeer.

Bij de documenten was een gedetailleerde lijst van de bagage opgenomen, bestaande uit diverse kisten, koffers, dozen, zakken en andere voorwerpen, waaronder spiegels, dekens, leren tassen en geschir.

Daarnaast werd een paspoort verstrekt voor de uitvoer van 24 vaten Rijnse wijn ten behoeve van de hofhouding van de koning van Denemarken.

Het doel van de zending was het inspecteren van 40 oorlogsschepen die door de koning van Denemarken werden uitgerust in dienst van de Staten-Generaal, conform het bondgenootschapsverdrag van 11 februari 1666.

Bekijk transcriptie 


15 januari werd Alexander Joseph in het stamboek opgenomen. Hij diende bij het Artillerie Regiment.

Pieter had de volgende gegevens:

  • Zijn vader heette Lambert en zijn moeder Elisabeth
  • Hij was geboren te Schwabach in Duitsland op 1 augustus
  • Hij was bij aankomst bij het korps 1 meter lang
  • Hij woonde laatst te Nijmegen

Johannes Engelbert had de volgende gegevens:

Er was een soldaat met de volgende gegevens:

  • Zijn vader heette O. Laurens en zijn moeder Geertruida Peereboorn
  • Hij was geboren te Heesworen op 26 december 1852
  • Hij woonde laatst te Heesworen
  • Hij was bij aankomst bij het korps 1 meter lang

Een soldaat trad in dienst bij het Artillerie Regiment van 1 oktober 1873 tot 30 september 1874.

Op 24 januari 1868 werd een soldaat overgeplaatst naar het Artillerie Regiment.

Bij het 1e Regiment Veld Artillerie werd op 8 mei 1878 iemand ingedeeld als plaatsvervanger voor Klaas van Hougan uit de lichtingsklasse van 1878 uit de gemeente Gaasterland in Friesland. Op 28 oktober 1880 ging hij over naar het korps met een 6-jarige verbintenis bij de artillerie. Hij ging mee bij inscheping en werd bevorderd als kanonier 2e klasse. Op 2 oktober 1880 werd hij in de administratie gesteld.

Iemand kwam aan te Merauke op 1 juli 1887. Hij overleed op 1 januari 1887. Hij kwam aan te Amsterdam.

Bekijk transcriptie 


Jakob Oeber Grutens werd op 13 oktober aangesteld als controleur.

Zurcker overleed in Barneveld op 9 augustus 1668.

Friefens Denigenuth ontving op 4 april 1742 patent.

Jan Arend Lagevos werd op 4 oktober 1815 te Rouvij afgegaan.

Magnus Willem van der Danice:

  • Vader: Seonuel, moeder: Anna Marie Signiot
  • Geboren te Leengen, Zwitserland op 1 april 1835
  • Laatst gewoond te Lörrach bij aankomst bij het korps
  • Lengte: 1 ellen 1 palmen duimen strepen
  • Uiterlijke kenmerken: smal voorhoofd, ronde grijze ogen, spitse neus, gewone mond, rond, bruin haar, bruine wenkbrauwen, geen merkbare tekenen
  • Op 21 juli 1873 besloten als kantinediener
  • Op 12 juli 1873 overgang
  • Ontslagen op 17 oktober 1856

Cappeler:

  • Vader: Abraham, moeder: Magaalena Galli
  • Geboren te Ricdlerswjjl, Zwitserland op 21 maart 1852
  • Laatst gewoond te Lörrach bij aankomst bij het korps
  • Lengte: 1 ellen 6 palmen duimen strepen
  • Uiterlijke kenmerken: gewoon gezicht, ronde ogen, gewone neus en mond, rond, bruin haar, laag bruine wenkbrauwen, geen merkbare tekenen
  • Aangenomen voor handgeld
  • Bij ontbinding van het korps naar de overzeese bezit als sergeant ontslagen
  • Voor handgeld op 23 juli 1856 80 gulden
  • Op 17 juni 1857 overgenomen als korporaal van het 4de Regiment Infanterie
  • Bevordering bij het korps tot de graad van officier

Johann Albrecht:

  • Vader: Scolomes Kalbfell
  • Geboren te Basel, Zwitserland op 21 juli 1836
  • Laatst gewoond te Lörrach bij aankomst bij het korps
  • Lengte: 1 ellen palmen 1 duimen strepen
  • Uiterlijke kenmerken: ovaal gezicht, ronde voorhoofd, grijze ogen, spitse neus, gewone mond, rond, bruin haar, bruine wenkbrauwen, geen merkbare tekenen
  • Op 28 februari 1870 toegekend de bronzen medaille met gratificatie
Bekijk transcriptie 


20 augustus 1615 verschenen voor notaris Adriaen Willemsz te Haarlem Jonas Pietersz vergezeld door zijn vader Pieter Zegers, olieslagersknecht uit Delft, en zijn broer Abraham Pietersz Rhynen enerzijds, en Susanneken van der Cruysse samen met haar vader Pieter van der Cruysse, brouwer te Haarlem, haar oom Pieter Baes en haar neef Guilliame Decramoult anderzijds.

Zij verklaarden met toestemming van hun ouders te zijn overeengekomen om met elkaar in het huwelijk te treden met de volgende voorwaarden:

De huwelijkse voorwaarden bepalen dat indien een van beiden zonder kinderen overlijdt, de langstlevende alle goederen terugneemt die hij of zij in het huwelijk heeft ingebracht, plus alle goederen die tijdens het huwelijk aan zijn of haar kant door erfenis zijn gekomen, plus kleding, kleinodiën, gouden ringen en alles wat de langstlevende toebehoort. De erfgenamen van de eerst gestorven krijgen evenzo alle goederen die de eerst gestorven had ingebracht, plus goederen die via erfenis aan hem of haar waren gekomen, plus kleding en kleinodiën.

Verder wordt bepaald dat indien Jonas Pietersz eerst zonder kinderen overlijdt, Susanneken uit zijn nagelaten goederen als douarie (weduwestaat) 600 guldens zal ontvangen. Indien Susanneken eerst zonder kinderen overlijdt, zal Jonas Pietersz uit haar nagelaten goederen 300 guldens ontvangen.

Tijdens het huwelijk zullen schade en baat, winst en verlies voor de helft gedeeld worden. Dit gebeurde in het huis van Pieter van der Cruysse aan de Spaarne te Haarlem, in aanwezigheid van getuigen Harman Jansz de Vries, kuiper, en Pieter van Geesten van Yperen, brouwersknecht.

2 september 1615 verschenen voor dezelfde notaris Adriaen Willemsz te Haarlem Abraham Lolyn vergezeld door zijn moeder Syntgen Vercruyssen, weduwe van Fremyn Lolyn, en zijn zwager Gabriel Blommers enerzijds, en Judith van der Cruysse samen met haar vader Pieter van der Cruysse en haar zwager Symon le Feure anderzijds.

Zij verklaarden met goedkeuring van hun ouders te zijn overeengekomen om met elkaar in het huwelijk te treden met de volgende voorwaarden:

Bekijk transcriptie 


20 november 1614 verscheen Gooswyn Bartholomeensz van Gennep, koopman in Haarlem, voor notaris Adriaen Willemsz. Hij stelde Bartholomeeus van Gennep (zijn zoon) en Jan van Huisberch, koopman te Amsterdam, gezamenlijk aan als zijn vertegenwoordigers. Zij mochten namens hem geld ontvangen en laten inschrijven bij de koopmanbank te Amsterdam, alle bedragen die hij daar te ontvangen had of die hem verschuldigd waren of zouden worden. Zij mochten alles doen wat hij zelf zou kunnen doen als hij aanwezig was. Hij beloofde dit te erkennen alsof hij het zelf had gedaan. Dit werd gedaan ten huize van de notaris aan de Spaarne, in het bijzijn van getuigen Claes Cornelisz Smit en Henrick Pietersz, molenmaker, beide poorters van Haarlem.

21 november 1614 verschenen voor notaris Adriaen Willemsz de eerzame Pieter van der Cruysse, brouwer in de Drie Kruisen, en zijn wettige echtgenote Lanneken Baes (dochter van Joas), beide van Meeuwen en nu wonend in Haarlem. Pieter van der Cruysse was gezond, maar Janneken Baes was ziek en lag te bed, maar beiden waren bij hun verstand en konden goed spreken. Zij maakten hun testament omdat het leven kort is, de dood zeker en het tijdstip onzeker. Zij bevalen hun zielen aan Gods genade en hun lichamen aan een eerlijke begrafenis.

De belangrijkste bepalingen van het testament waren:

  • Bij overlijden van de eerste echtgenoot bleef de langstlevende in bezit van alle goederen van de gezamenlijke boedel, alsof beiden nog in leven waren
  • De langstlevende moest aan hun gemeenschappelijke kinderen, gehuwd of ongehuwd, voor hun vaderlijk of moederlijk goed elk een bedrag van 3000 Karolus gulden (à 40 groten Vlaams per stuk) betalen als hun wettelijk erfdeel
  • Voor gehuwde kinderen werd in mindering gebracht wat hun bij het huwelijk was gegeven, behalve de kosten van de bruiloft en kleding
  • De betalingen aan ongehuwde kinderen bleven bij de langstlevende tot de kinderen meerderjarig werden of in het huwelijk traden
  • De langstlevende hoefde aan niemand een staat of inventaris te leveren, behalve wanneer gevraagd door degene die de langstlevende namens de kinderen daartoe zou verzoeken, en dan alleen op zijn of haar eenvoudige verklaring
  • De langstlevende hoefde geen borgstelling te geven en werd van elkaar vrijgesteld
  • De langstlevende werd voogd en beheerder van de kinderen en hun goederen
  • Bij overlijden van beide ouders zouden ongehuwde kinderen voor bruiloft en kleding elk 1000 Karolus gulden ontvangen
  • Als de langstlevende hertrouwde, moest deze de helft van de goederen van de gehele boedel aan de gemeenschappelijke kinderen bewijzen, in mindering waarvan de eerder genoemde be
Bekijk transcriptie 


31 januari 1753 werd vanuit Malacca aan Esche duidelijk gemaakt dat de plicht van een dienaar volgens de eed waardoor iedereen gebonden is, meebrengt dat men binnen de vastgestelde periode moet gaan waar de Oost-Indische Compagnie zijn dienst nuttig en nodig acht. Zijn verzoek tot ontslag was inmiddels eerbiedig voorgedragen en men wachtte alleen nog op het antwoord daarop. Hoewel dit antwoord door het ongeluk met het schip de Merquisaan pas 16 december van het voorgaande jaar in Malacca aankwam, hield het in dat men Esche voorlopig nog in Pera moest zien te houden, omdat veelvuldige veranderingen op zulke plaatsen niet goed zijn. Men had wel de vrijheid om hem van daar te nemen als het noodzakelijk was, en dan de plaats te vervullen met een van de aanwezige geschikte personen. Dit bleek uit een brief van 29 oktober van het voorgaande jaar. Dit besluit zou hem volgens een besluit van 25 december al zijn meegedeeld als er sindsdien een vaartuig die kant op was vertrokken. Esche had echter kennelijk niet genoeg geduld gehad om daarop te wachten, maar had in zijn laatste brief neergeschreven dat men hem op zijn meerdere verzoeken om verlossing telkens had uitgesteld in afwachting van antwoord van het hoofdkantoor, maar dat van daar geen ander bericht te verwachten stond dan wat ze al hadden ontvangen. Dit hield in dat de gouverneur, die alleen de voordelen genoot, ervoor moest zorgen dat er een bekwaam persoon in Pera was die de handel, die zo ernstig door de hoge autoriteiten werd aanbevolen, in stand kon houden. Hij gebruikte hierbij meer arrogante uitdrukkingen over een vermeende onverzoenlijke woede die de gouverneur jegens hem zou hebben.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/