Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 27 november 1777 in Paramaribo werd een officiële verklaring opgesteld namens Jan Bruijn. Deze verklaring was gebaseerd op een volmacht die Jan Bruijn op 3 juli had afgegeven bij notaris Mr. Klinkhamer in Amsterdam en die was geregistreerd.

Jan Bruijn gaf via zijn vertegenwoordigers opdracht aan Herm Franke Hermsz, die eerder namens dokter Hendrik Kemper optrad, om:

Jan Bruijn behield zich het recht voor om schadevergoeding te eisen voor eventuele vertragingen, nalatigheid of schade die al was ontstaan of nog zou ontstaan door toedoen van Herm Franke Hermsz.

De verklaring werd opgesteld door Elga Meijnhouksta en een kopie werd aan Herm Franke Hermsz overhandigd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 488 / 0301  


Op 29 december 1773 verscheen Isaac de La Croix voor George Christiaan Qualibrink, een beëdigd griffier in Paramaribo, Suriname. Hij werd bijgestaan door getuigen, waaronder Johan Eoms Hafftenbergen. De La Croix verklaarde zich hoofdelijk aansprakelijk (dat betekent: zowel als borg als als hoofdschuldenaar) voor een schuld van Thomas Quil (die optrad namens Thomas Verdil). Deze schuld betrof een bedrag van 437,5 gulden (in Hollandse valuta), dat eerder door G. Boedberg was vastgelegd in een zaak tegen Zuil en bij de griffie was gestort. De La Croix beloofde dat hij, als dat nodig zou zijn, dit geld opnieuw aan de griffie zou betalen. Hij aanvaardde deze verplichting onder inbeslagname van zijn bezittingen, mocht hij dat niet doen. Het document werd ondertekend door Qualibrink, De La Croix, J. Kaftenberger en Hesra (een andere griffiemedewerker). Er werd ook verwezen naar een eerdere akte uit 1713.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0585  


Hendrik Kemper beschuldigde een bedrijf (hier Compagnie genoemd) van ernstige laster en valse beschuldigingen, waardoor zijn reputatie zou zijn aangetast. Het bedrijf ontkende dit sterk en zei: Het bedrijf vroeg om een officiële akte van deze verklaring op te stellen. Dit gebeurde in Paramaribo op 5 maart 1734 (de tekst verwijst naar "533" en "534", wat duidt op het jaar 1733/1734 in oude jaartelling). Getuigen hierbij waren Jan Hellendaal en Johannes Hendrikus Wessels. De akte werd opgemaakt door Van Claveren, met hulp van Gesworen Clercq (een beëdigd ambtenaar).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0577  


Op 28 december 1735 verscheen Margaretha Keijser, weduwe van A. H. Meijer, voor Johannes Adolph Claveren, een tijdelijk beëdigd klerk in Paramaribo. Zij verklaarde onder ede het volgende:

Keijser verklaarde dat zij deze beschuldigingen onterecht vond en dat haar reputatie hierdoor zwaar was beschadigd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0575  


In Suriname lagen drie plantages in de Mattapica-kreek, langs de Commewijne-rivier, die samen werden verkocht of verpand: Bij de plantages hoorden ook: Een vertegenwoordiger, Daalby, verklaarde namens de eigenaren (de gezamenlijke comparen) dat: Tot het totale bedrag van 113.000 gulden (inclusief rente) was afbetaald, mochten Insinger en Compagnie (of hun opvolgers):
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0331  


De betrokkenen (de Comparanten) doen bewust afstand van verschillende juridische voordelen en uitzonderingen, zoals: De Comparanten beloven namens zichzelf dat ze een totaalbedrag van 113.000 gulden terugbetalen aan heren Insinger en Compagnie (of hun opvolgers) in Amsterdam. Deze terugbetaling is bedoeld voor alle geïnteresseerden in deze geldlening en dient als schadevergoeding. De betaling gebeurt in termijnen op de volgende data en bedragen: Er wordt vastgelegd dat de betalingen eerder of in hogere bedragen mogen gebeuren, maar in geen geval later dan de afgesproken data.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0326  


Op 6 februari 1773 ’s avonds om 21:00 uur, op de positie Noorderbreedte 1° 20’ en lengte 5° 51’, brak door een heftige, onverwachte windvlaag de top van de bezaansmast (het achterste mastdeel) van het schip Oud Haarlem af, net onder het rak (een dwarsbalk). Hierdoor vielen de kruissteng (een verlenging van de mast) en andere onderdelen overboord. De bemanning moest: Bij deze windvlaag brak ook de voorbramsteng (een hoger mastdeel aan de voorste mast) af en viel overboord. Op 17 mei 1773 ’s ochtends om 4:00 uur brak tijdens een sterke, koude wind (“stijve koelte”) de grote steng (vervangende mast) opnieuw af, samen met de bramsteng (bovenste mastverlenging) die daarop was gemonteerd. Deze verklaring werd opgesteld door: Zij werkten allemaal op het schip van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), onder leiding van schipper Jan Sierevelt.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10190 / 0231  


Op 3 mei 1785 bij Kaap de Goede Hoop schreven de hoofdchirurgijnen en andere medische officieren een verklaring over de gezondheid van Jan Sierevelt. Zij vonden het gevaarlijk als Jan Sierevelt snel weer de zee op zou gaan. Volgens hen had hij dringend frisse lucht, groenten en landdieet nodig. Dit bleek ook uit een aderlating (een oude medische behandeling waarbij bloed werd afgenomen). Het bloed van Sierevelt zag er slecht uit en leek op rotting. De verklaring werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 4331 / 0222  


Bekijk transcriptie kronieken / 353365 / 142  


In zijn testament deelt B. Brodier uit Haarlem zijn erfenis als volgt in:

Er gelden extra voorwaarden voor het laatste kwart (van Bensamen, Geertruij en Brodier):

Als executeurs (uitvoerders van het testament) wijst Brodier aan: Jacob Hazevolt, Hendrik van der Maak en Jan ter Hoffsteede (allen wonend in Haarlem). Zij krijgen de volgende taken en bevoegdheden:

Het testament werd opgemaakt op 6 maart 1818 in Haarlem, in aanwezigheid van de notaris en getuigen: Jacobus van Loon (koetsmaker), Barend Jan van Det (bierdrager) en Daniel Jacob Stephan (schoenmaker).

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6700855 / 129  


In Haarlem werd op 25 april 1818 een verkoop vastgelegd waarbij drie personen, namelijk: als kinderen van de overleden Abraham Brodier, een huis in de Spaarnwouderstraat in Haarlem verkochten. Deze drie waren ook de erfgenamen van hun oom Bensamen Brodier, die op 24 april 1818 in Haarlem was overleden. Bensamen had in zijn testament, opgemaakt op 6 maart 1818 en geregistreerd op 6 mei 1818, Benjamin Brodier als erfgenaam aangwezen. De verkoop gebeurde via volmachten, die waren ondertekend op 23 februari 1818 (voor Benjamin en Ida Eva) en 28 februari 1818 (voor Geertruy). Beide volmachten waren geregistreerd in Haarlem op 25 april 1818. De verkoopprijs was 77,5 cent (inclusief extra kosten). Het huis werd verkocht aan Bernardus Gozeling, een timmerman die in dezelfde Spaarnwouderstraat woonde. Hij aanvaardde de koop en kreeg het huis in vol eigendom, met garantie dat er geen juridische problemen of claims op rustten. Het huis lag in de Spaarnwouderstraat en grensde aan andere percelen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6700855 / 559  


In Haarlem werd op 25 april 1818 een verkoopakte geregistreerd waarbij drie personen, vertegenwoordigd door een volmacht, een huis verkochten.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1617 / 1701 / 0559  


Op 4 januari 1693 schreef O. S. Droost tregstocken, de voormalig directeur van de Gouvernements Kina-onderneming (een overheidsbedrijf voor kinateelt), een verweerschrift aan de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië in Den Haag. Hij was met verlof gestuurd vanwege ziekte, maar voelde zich onterecht behandeld.

Droost tregstocken was boos omdat er een onderzoekskommissie was ingesteld om zijn werk te controleren. Deze commissie bestond uit:

Volgens Droost tregstocken was deze commissie onterecht benoemd, omdat:

Droost tregstocken vreesde dat het rapport van de commissie ongunstig zou uitvallen, gebaseerd op tweedehands informatie. Hij wilde daarom eerst zelf gehoord worden voordat er beslissingen over hem werden genomen. Zijn verzoek werd op 13 januari 1693 ontvangen door de Secretaris-Generaal.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4661 / 0671  


Op 15 oktober 1617 stuurden Rasopper en van Banosheed een brief vanuit Rotterdam aan een hoge ambtenaar die verantwoordelijk was voor wezen en koloniën. Ze schreven dat ze nog steeds wachtten op een antwoord op hun eerdere brief van 27 september. In die brief ging het over het schip Agatha, onder leiding van kapitein Loulus Ressadende, dat klaar lag om te vertrekken. Omdat ze nog niets van de ambtenaar hadden gehoord, vroegen ze opnieuw om een paspoort (toestemming) voor het schip. Op dezelfde dag, 14 oktober 1617, werd de brief officieel geregistreerd. In een andere brief, gedateerd 15 oktober 1607, meldden kooplieden Jum Rvin Ossel en Kritss in Rodenbrock uit Amsterdam aan de directeur-generaal van handel en koloniën dat hun schip, de Aarlinge, klaarlag om naar Suriname te vertrekken. Het schip was 85 last (een oude maat voor gewicht) groot en geladen met 10.000 vaten zout, maar het zout was helemaal niet geschikt voor de reis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0378  


De schrijver kreeg een boodschap en vroeg even tijd om zich aan te kleden en zijn persoonlijke zaken te regelen. Heer Voiss Baauw gaf toestemming, waarna de schrijver naar het kasteel in Elmina werd gebracht. Daar werd hij onvriendelijk ontvangen door een strenge en vooringenomen rechter.

De rechter beschuldigde hem ervan zich uit te roepen tot koning van Elmina en vroeg waarom hij dit had gedaan. De schrijver antwoordde kalm:

De rechter, Generaal (vermoedelijk Gouverneur de Veer), werd woedend, sprong op en schreeuwde dat de schrijver een schurk was en hem wilde wurgen. Heer Oldenburg probeerde de generaal te kalmeren en stelde voor de schrijver naar Europa te sturen in plaats van hem vast te houden. De generaal antwoordde dat de schrijver een vijand van de Koning van Holland was en beschuldigde hem van de moord op Hoogenboom.

De schrijver werd het kasteel uitgezet en voelde zich vernederd. Later vertelde de generaal het verhaal aan twee Engelse heren tijdens het eten en noemde de schrijver publiekelijk een moordenaar en vijand van de koning. De schrijver besloot niet toe te geven en zijn eer te verdedigen, maar kon op dat moment niets doen.

Hij probeerde de Gouvernementssecretaris om hulp te vragen, maar die weigerde zijn klachten schriftelijk vast te leggen. Uiteindelijk besloot de schrijver te wachten op een beter moment om zich in Holland te beklagen en zijn recht te halen. Toen hij later brieven ontving via het schip Ajap, zag hij een kans om alsnog zijn klachten in te dienen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0368  


De schrijver klaagt over zijn slechte behandeling door Gouverneur-Generaal Daendels (de Gulsk). Hierdoor kon hij tenminste met rust gelaten worden in zijn huis en tuin, want voorheen kwam Daendels soms vijf of zes keer per dag langs om hem lastige vragen te stellen of naar het kasteel te roepen voor overleg.

Hij merkte dat Carel Ruhle, die bij aankomst van Daendels bijna al zijn bezit kwijt was geraakt door willekeurig optreden, nu juist in de gunst stond bij Daendels. Ruhle werd dagelijks uitgenodigd en bezocht. Daendels beschuldigde de schrijver er vervolgens van dat hij een van zijn slaven andere instructies had gegeven dan die van Ruhle. De schrijver hoopt dat deze beschuldiging ooit eerlijk onderzocht wordt, zodat het gedrag van Daendels en hemzelf beoordeeld kan worden.

Daendels wist dat de schrijver financieel slecht af was. Door het stoppen van de slavenhandel bij aankomst van de nieuwe gouverneur, waren veel mensen aan de kust hun fortuin kwijt. De schrijver had grote verliezen geleden door leveranties aan het lokale gouvernement en kon niet meer betalen. Omdat er jarenlang geen Nederlandse schepen waren geweest, was hij afhankelijk van Britse handelaren. Toen de slavenhandel stopte, kon hij zijn Britse schulden niet meer voldoen.

De schrijver ontdekte dat Daendels probeerde zijn schulden bij Britse handelaren in Cabo Cors (Kaapkust) op te kopen. De Brit Watts weigerde dit eerst, maar Daendels zette hem onder druk. Uiteindelijk bedankte Watts voor de "rechterlijke hulp" van Daendels en zei dat hun zaken onderling waren opgelost. Daendels ging echter verder en dreigde openlijk tegen Britse ambtenaren:

Daendels maakte ook dagelijks denigrerende opmerkingen over de schrijver tegen de koning, onderkoning, en lokale leiders in Elmina.

Op 11 oktober van het betreffende jaar (1808) kwam Van der Paauw, een assistent in dienst van Lodewijk Napoleon, om 's ochtends rond 10 uur bij de schrijver thuis. Hij bracht een boodschap van Daendels: de schrijver moest naar het fort komen voor een ontmoeting.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0366  


Mr. Dcessesse schrijft op 13 oktober 1807 een klachtbrief over zijn slechte behandeling in Batavia (het huidige Jakarta). Mr. Dcessesse vertelt verder over zijn achtergrond: Hij vraagt de ontvanger van de brief (een hoge ambtenaar in Den Haag) om zijn zaak onder de aandacht van de koning te brengen. Hij hoopt op bescherming, zodat hij in zijn oude dag niet langer hoeft te lijden onder het geweld van Daendels.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0363  


De schrijver verdedigt zich tegen beschuldigingen van Gouverneur De Wees en legt uit waarom hij de titel Groot Marschalk der Elminaanse Kwartieren aannam, die hem door de lokale Afrikaanse leiding werd gegeven na een succesvolle verdediging van het gebied. Deze titel was gebruikelijk voor Europese ambtenaren in Elmina en weigeren zou tot conflicten leiden. De kosten voor de bijbehorende ceremonie (tussen de 3.000 en 4.000 gulden) betaalde hij zelf.

Hij benadrukt dat hij geen verrader is, zoals De Wees hem noemt. Hij wijst erop dat hij:

Tijdens een woedende uitbarsting op 19 december noemde De Wees hem een moordenaar (verwijzend naar de dood van President Hoogenboom) en vijand van Koning Lodewijk Napoleon. De schrijver werd het kasteel uitgezet en publiekelijk vernederd. De Wees herhaalde deze beschuldigingen later tegenover twee Engelse gasten.

Omdat hij geen rechtvaardige behandeling kreeg, besloot de schrijver zijn zaak voor te leggen aan de Nederlandse regering. Hij probeerde brieven te versturen via:

  • de korvet Ascot (van Zijne Majesteit), maar deze werden door De Wees geopend en teruggestuurd,
  • een Engels schip, de Afrikaner (onder kapitein Scholtheijs), maar ook deze brieven werden onderschept en geopend.

Sinds de komst van Gouverneur-Generaal Daendels moest de schrijver zelfs in het geheim handeldrijven om in zijn levensonderhoud te voorzien, hoewel dit nauwelijks genoeg opleverde.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0361  


  • Een aantal Nederlandse handelaren hadden nog wel krediet bij de Engelsen, omdat ze op tijd betaalden. Dit hield de handel in Elmina (Ghana) nog 20 jaar gaande.
  • Toen kreeg de schrijver te maken met vorderingen (schulden) van Engelse heren, die hij in de loop der tijd moest afbetalen.
  • De gouverneur-generaal Ek werd door de schrijver op de hoogte gebracht van deze schulden aan Engelse vrienden.
  • De gouverneur-generaal Gl. (vermoedelijk een afkorting voor een titel) had enkele schuldeisers in Cabo Cors (Kaapkust) benaderd om hun vorderingen op te kopen, maar die weigerden.
  • De Engelse handelaar Watts (factoor in Cabo Cors) werd door de gouverneur overgehaald om niet direct juridische stappen te ondernemen. Watts was zelfs naar Elmina gekomen om een rechtszaak te beginnen, maar trok dit in na bemiddeling.
  • De gouverneur-generaal Gl. prees het eerlijke en moedige karakter van de Engelse natie, maar had eerder ook dreigende opmerkingen gemaakt over de schrijver, die hem in een slecht daglicht stelden.
  • De gouverneur-generaal Ek had tegen hoge Engelse ambtenaren gezegd dat de vorderingen van de schrijver op het gouvernement nooit betaald zouden worden.
  • De secretaris-generaal Kaltz had de gouverneur in een privébrief geschreven dat officiële berichten uit Engeland aantoonden dat de koning (L. M., Zijne Majesteit) wel gunstig stond tegenover deze vorderingen.
  • De gouverneur had Engelse heren aangeraden hun vorderingen op de schrijver bij hem kenbaar te maken, of ze anders kwijt te raken als ze ze niet wilden verkopen.
  • De gouverneur had zelfs enkele meubels van de schrijver laten kopen (in beslag laten nemen) als onderpand.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0359  


Op 15 oktober 1807 schreef een 62-jarige man een brief aan de directeur-generaal van het Departement van Koophandel en Koloniën in 's-Gravenhage. Hij vertelde dat hij het hoofd was van een groot gezin en dat hij zijn kinderen een goede opvoeding in Nederland had gegeven. Hij had 16 jaar gewerkt voor de Nederlandse Indische Compagnie, zowel in militaire als civiele dienst, en ook bij de land- en zeemacht. In mei 1785 was hij als vrijhandelaar in Indië begonnen, met een officiële vergunning.

Alles veranderde toen Herman Willem Daendels, de nieuwe gouverneur-generaal, aankwam. In het begin behandelde Daendels hem vriendelijk en beloofde hij zelfs dat hij positief over hem zou schrijven naar de koning. Maar na twee maanden begon Daendels hem plotseling te beschuldigen. Op een ochtend zei Daendels zelfs dat de Engelse overheid had gevraagd om hem als gevaarlijk persoon naar Nederland te deporteren. De man ontkende dit en was geschokt door deze beschuldiging, vooral omdat hij juist goede contacten met Engelse ambtenaren had.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0356  


Veel mensen waren erbij betrokken en Louden hoorde bij de groep die bij de Venden Zafel stond. Deze groep was bang dat de Engelse heren er alles aan deden om snel geld van Louden te krijgen. Ze vreesden dat HoogEdelGestrenge (een hoge Nederlandse functionaris) Louden zonder rechtszaak failliet zou laten gaan. Daarna zou Louden, als een varken aan een paal gebonden, op het eerste Hollandse oorlogsschip naar Nederland worden gestuurd om daar gestraft te worden. Louden was door Koning Willem I aangemerkt als een gevaarlijk persoon, die met voorzichtigheid behandeld moest worden. De Gouverneur-Generaal (Gr. El.) beschuldigde Louden dagelijks bij de koning en andere hoge functionarissen in Elmina (een Nederlandse vestiging in het huidige Ghana). Op 11 oktober van het voorgaande jaar, rond 10 uur ’s ochtends, kwam Van der Bauw, een assistent in dienst van de koning, bij Louden thuis. Hij vertelde dat De Gouverneur-Generaal Louden wilde ontbieden in het fort. Louden vroeg even tijd om zich fatsoenlijk aan te kleden en zijn zaken te regelen. Van der Bauw zei dat hij geen opdracht had om dit te weigeren, maar toen die tijd om was, werd Louden alsnog meegenomen. De Gouverneur-Generaal ontving Louden woedend en partijdig, zonder hem de kans te geven zich te verdedigen. Louden vroeg waarom hij beschuldigd werd en wat de straf zou zijn. De Gouverneur-Generaal antwoordde luid dat Louden in 1809 het Fante-volk (een lokale bevolkingsgroep) bij Elmina had gesteund met 1000 gulden in goud en munitie, terwijl Louden ontkende ooit geld ontvangen te hebben. Ook zou Louden 250 gewapende mannen hebben gesteund.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0360  


In 1842 dienden de erfgenamen van Herman Willem Daendels een verzoek in bij het hof en de rechtbank in Arnhem. De eisers waren: De gedaagde partij was de Nederlandse staat, vertegenwoordigd door Mr. Schout Schmolck. De zaak ging over geld dat Herman Willem Daendels in 1811 had gestort in de kas van de overheid op Java (toen onderdeel van Nederlands-Indië). Hiervoor had hij bonnen ontvangen, ondertekend door gouverneur-generaal Janssen, met een totale waarde van 396.666,32 rijksdaalders. Deze bonnen waren bedoeld voor de levering van:
  • koffie (10 bonnen)
  • peper (10 bonnen)
  • suiker (10 bonnen)
Iedere bon was 500 pikols waard (à 125 gulden per pikol). De producten moesten altijd uit de pakhuizen van de overheid worden geleverd. De erfgenamen stelden dat:
  • de schuld nooit was ontkend;
  • de overheid geen maatregelen had genomen om het recht op terugbetaling te beperken;
  • ze bereid waren om zich te houden aan het koninklijk besluit van 4 november 1820 over de afhandeling van de schuld.
Volgens dit besluit moest de schuld worden omgerekend:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0356  


Op 21 augustus 1844 werd door de overheid besloten:
  • Aleida Elisabeth Reiniera van Vlierden, de weduwe van de overleden Herman Willem Daendels (voormalig gouverneur-generaal van Nederlands-Indië), krijgt een jaarlijks pensioen van 3500 gulden. Dit bedrag wordt vanaf 1 januari 1844 uitgekeerd door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam, Rotterdam of 's-Gravenhage, naar keuze. Ze moet zich houden aan de regels van de maatschappij, die bij deze brief zijn meegestuurd. Het pensioen wordt elke drie maanden uitbetaald.
  • De Nederlandsche Handel-Maatschappij krijgt een afschrift van dit besluit en de opdracht om het pensioen uit te betalen. De kosten hiervan komen ten laste van de koloniale kas (het geldpotje voor de koloniën).
  • Aan L.E. Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië (de huidige baas in Indië) wordt meegedeeld hoe de kwestie rond de erfgenamen van Daendels is afgerond. Dit ging over 30 obligaties (schuldbrieven) met een waarde van 396.666,32 gulden, die Daendels in 1811 had gekregen van de Franse keizer.
  • Na goedkeuring door de koning (3 december 1838) bleven de erfgenamen tot begin 1842 wachten. Toen dreigden ze de Nederlandse staat voor de rechter te slepen, tenzij er een schikking zou komen. De overheid stemde hiermee in om een rechtszaak te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0305  


In 1825 wees de koning een verzoek af van de familie van de overleden Herman Willem Daendels. Zijn vrouw, Sosina Maria Christina Daendels, en hun kinderen (waaronder Augustus Dick Daendels, die toen in Nederlands-Indië verbleef) wilden dat het Rijk een schuld van 30 obligaties zou betalen. Deze obligaties waren in 1811 uitgegeven door het toenmalige bestuur in Indië. De familie snapte niet waarom hun verzoek was afgewezen en dacht dat er misschien andere redenen speelden. Ze wilden eerst meer informatie voordat ze opnieuw een officieel verzoek indienden. Ze vroegen de koning om:
  • de kans om hun verdediging toe te lichten, of
  • in onderhandelingen te mogen gaan over de schuld.
De situatie van Sosina Maria Christina Daendels (de weduwe) was slecht: ze leefde in armoede en was afhankelijk van haar kinderen. Haar man was gouverneur-generaal geweest, en normaal gesproken kregen families van hooggeplaatste ambtenaren steun na hun overlijden. Dat dit nu niet gebeurde, vond de familie onterecht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4235 / 0385  


In 1777 werd een overeenkomst gesloten in Paramaribo tussen de heren Willem Bliek en Cornelis Bliek. Volgens deze afspraak zou Willem Bliek een bedrag van 6000 gulden (Hollands geld) ontvangen voor de erfenis van de overleden Bartholomius Eleimput, zoals vastgelegd in diens testament van 27 juli 1777. Dit bedrag moest in één keer worden betaald uit de eerste beschikbare gelden van hypotheken of schuldbewijzen die nog binnen moesten komen. Daarnaast werd afgesproken dat Willem Bliek een stuk land, genaamd Plantage Dijkvelt, met 46 percelen buiten deze regeling zou houden. Beide heren, Willem Bliek en Cornelis Bliek, verklaarden akkoord te gaan met deze afspraken en beloofden deze na te leven alsof ze zelf de overeenkomst hadden ondertekend. Ze spraken af dat alle lopende juridische procedures als beëindigd zouden worden beschouwd. Ook deden ze afstand van eventuele verdere claims die ze sinds 31 december 1757 op elkaar hadden kunnen hebben. Om zeker te stellen dat de afspraken zouden worden nageleefd, wezen ze meester Boudewijn Smit (advocaat) en Janspaan (procureur) aan om de overeenkomst juridisch te laten vastleggen. De akte werd opgesteld in Paramaribo in aanwezigheid van de getuigen Jean Toureau en Pieter Guirenus Pinkernell. De ondertekenaars waren onder anderen Willem Bliek, Jan Poureau, F. Pinkernell, Adriaan van Son, Berkhoff en Clercq.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 343 / 0537  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/