Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Op 27 november 1777 in Paramaribo werd een officiële verklaring opgesteld namens Jan Bruijn. Deze verklaring was gebaseerd op een volmacht die Jan Bruijn op 3 juli had afgegeven bij notaris Mr. Klinkhamer in Amsterdam en die was geregistreerd.
Jan Bruijn gaf via zijn vertegenwoordigers opdracht aan Herm Franke Hermsz, die eerder namens dokter Hendrik Kemper optrad, om:
- binnen 14 dagen na ontvangst van deze verklaring een volledige financiële verantwoording af te leggen over alle inkomsten, uitgaven, beheer en administratie die hij voor Jan Bruijn had uitgevoerd;
- toegang te geven tot alle brieven, documenten, kwitanties en andere bewijsstukken die hiermee te maken hadden;
- na afronding van de verantwoording het eventuele restbedrag (saldo) aan Jan Bruijn te betalen, indien blijkt dat dit nog openstaat;
- alle verdere juridische stappen of claims die voortkomen uit zijn eerdere opdracht voor dokter Hendrik Kemper onmiddellijk te stoppen.
Jan Bruijn behield zich het recht voor om schadevergoeding te eisen voor eventuele vertragingen, nalatigheid of schade die al was ontstaan of nog zou ontstaan door toedoen van Herm Franke Hermsz.
De verklaring werd opgesteld door Elga Meijnhouksta en een kopie werd aan Herm Franke Hermsz overhandigd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 488 / 0301
Op
29 december 1773 verscheen
Isaac de La Croix voor
George Christiaan Qualibrink, een beëdigd griffier in
Paramaribo,
Suriname. Hij werd bijgestaan door getuigen, waaronder
Johan Eoms Hafftenbergen.
De La Croix verklaarde zich
hoofdelijk aansprakelijk (dat betekent: zowel als borg
als als hoofdschuldenaar) voor een schuld van
Thomas Quil (die optrad namens
Thomas Verdil). Deze schuld betrof een bedrag van
437,5 gulden (in Hollandse valuta), dat eerder door
G. Boedberg was vastgelegd in een zaak tegen
Zuil en bij de griffie was gestort.
De La Croix beloofde dat hij, als dat nodig zou zijn, dit geld opnieuw aan de griffie zou betalen. Hij aanvaardde deze verplichting onder
inbeslagname van zijn bezittingen, mocht hij dat niet doen.
Het document werd ondertekend door
Qualibrink,
De La Croix,
J. Kaftenberger en
Hesra (een andere griffiemedewerker). Er werd ook verwezen naar een eerdere akte uit
1713.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0585
Hendrik Kemper beschuldigde een bedrijf (hier
Compagnie genoemd) van ernstige laster en valse beschuldigingen, waardoor zijn reputatie zou zijn aangetast. Het bedrijf ontkende dit sterk en zei:
- Ze hadden Hendrik Kemper nooit beschuldigd van iets wat strafbaar was, noch voor hem, noch voor anderen binnen het bedrijf.
- Als er toch bewijs zou zijn dat ze zoiets hadden gedaan, dan zouden ze toegeven dat het per ongeluk was gezegd, uit boosheid of in een opwelling.
- In dat geval beloofden ze zelf de kosten van eventuele rechtszaken te betalen.
Het bedrijf vroeg om een officiële akte van deze verklaring op te stellen. Dit gebeurde in
Paramaribo op
5 maart 1734 (de tekst verwijst naar "533" en "534", wat duidt op het jaar 1733/1734 in oude jaartelling).
Getuigen hierbij waren
Jan Hellendaal en
Johannes Hendrikus Wessels. De akte werd opgemaakt door
Van Claveren, met hulp van
Gesworen Clercq (een beëdigd ambtenaar).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0577
Op 28 december 1735 verscheen Margaretha Keijser, weduwe van A. H. Meijer, voor Johannes Adolph Claveren, een tijdelijk beëdigd klerk in Paramaribo. Zij verklaarde onder ede het volgende:
- Op 3 augustus 1735 was zij door de eerwaarde Hendrik Kemper gedagvaard om te verschijnen voor het Hof van Politie en Criminele Justitie in de kolonie.
- Toen zij gehoorzaamde aan deze oproep, met hulp van advocaat Meus, ontdekte zij tot haar grote verbazing dat Kemper haar via een officiële aanklacht en conclusie beschuldigde.
- Kemper beweerde dat Keijser hem op verschillende plaatsen en tijdstippen had beschuldigd van een seksuele relatie met haar, waardoor een kind zou zijn verwekt. Dit kind zou nu door de kerk en de staat worden onderhouden.
- Als gevolg hiervan was Keijser door het hof veroordeeld tot een boete en een winstgevende straf, zoals bleek uit de aanklacht en conclusie, opgesteld door de advocaten M. J. B. van Vhelen en de procureur G. Sykens.
Keijser verklaarde dat zij deze beschuldigingen onterecht vond en dat haar reputatie hierdoor zwaar was beschadigd.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 374 / 0575
In
Suriname lagen drie plantages in de
Mattapica-kreek, langs de
Commewijne-rivier, die samen werden verkocht of verpand:
Bij de plantages hoorden ook:
- alle tot slaaf gemaakte mensen (mannen, vrouwen en kinderen);
- vee, landbouwgereedschap, gewassen en verbouwde producten;
- toekomstige oogsten en verbeteringen aan de grond.
Een vertegenwoordiger,
Daalby, verklaarde namens de eigenaren (de
gezamenlijke comparen) dat:
Tot het totale bedrag van
113.000 gulden (inclusief rente) was afbetaald, mochten
Insinger en Compagnie (of hun opvolgers):
- de plantages beheren via een lokale vertegenwoordiger in Suriname;
- deze vertegenwoordiger kreeg hiervoor een standaard vergoeding, zoals gebruikelijk was voor koloniale beheerders.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0331
De betrokkenen (de
Comparanten) doen bewust afstand van verschillende juridische voordelen en uitzonderingen, zoals:
- het niet hoeven betalen van ongevraagd geleend geld dat geen waarde heeft opgeleverd;
- de regels die schuldenaren beschermen die te goedgelovig of te lichtzinnig zijn geweest (beneficiën de dolo malus vel plus minus);
- de bescherming tegen reis- en vervoerskosten;
- de regels voor betaling en verdeling van schulden (ordinis executionis et divisionis);
- voor de vrouwelijke betrokkenen: de bescherming uit het Senatus Consultum Vellejanum (een oude Romeinse wet die vrouwen beschermde tegen bepaalde schulden) en de Authentica Si Qua Mulier (een latere aanpassing daarop).
De
Comparanten beloven namens zichzelf dat ze een totaalbedrag van
113.000 gulden terugbetalen aan
heren Insinger en Compagnie (of hun opvolgers) in
Amsterdam. Deze terugbetaling is bedoeld voor alle geïnteresseerden in deze geldlening en dient als schadevergoeding. De betaling gebeurt in termijnen op de volgende data en bedragen:
- 31 december 1825: 7.000 gulden;
- 31 december 1826: 7.000 gulden;
- 31 december 1827: 8.000 gulden;
- 31 december 1828: 9.000 gulden;
- 31 december 1829: 10.000 gulden;
- 31 december 1830: 11.000 gulden;
- 31 december 1831: 13.000 gulden;
- 31 december 1832: 15.000 gulden;
- 31 december 1833: 15.000 gulden;
- 31 december 1834: 18.000 gulden.
Er wordt vastgelegd dat de betalingen eerder of in hogere bedragen mogen gebeuren, maar in geen geval later dan de afgesproken data.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 926 / 0326
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10190 / 0231
Op
3 mei 1785 bij
Kaap de Goede Hoop schreven de hoofdchirurgijnen en andere medische officieren een verklaring over de gezondheid van
Jan Sierevelt.
Zij vonden het
gevaarlijk als
Jan Sierevelt snel weer de zee op zou gaan. Volgens hen had hij dringend
frisse lucht, groenten en landdieet nodig. Dit bleek ook uit een
aderlating (een oude medische behandeling waarbij bloed werd afgenomen). Het bloed van
Sierevelt zag er slecht uit en leek op
rotting.
De verklaring werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 4331 / 0222
- Ondanks het goede onthaal en de gastvrijheid die Willem van Oranje in Gent had gekregen, toonden sommige onbetrouwbare en ondankbare mensen zich niet loyaal.
- Op 12 april 1583 trouwde Willem van Oranje in Antwerpen met Louise de Coligny, dochter van de vermoorde Franse admiraal Gaspar de Coligny, die omkwam tijdens de Bartholomeüsnacht in Parijs.
- Op 3 juni 1583 werd de eerste steen gelegd voor de buitenste stadsmuur van Gent. Joos Jacob van der Haeghen (een schepen van de stad) en Jan van der Venne (hoofdman) legden de steen. De metselaars kregen 24 gulden als drinkgeld.
- Op 16 juli 1583 gaven de steden Duinkerke, Bergues-Saint-Winoc en Nieuwpoort zich over aan Alexander Farnese, hertog van Parma, onder goede voorwaarden.
- Op 14 augustus 1583 werd in Gent de Weth (stadswacht) aangesteld. Jan van Imbise was de eerste schepen van de Keure (rechtbank), gevolgd door Jan van der Venne als tweede schepen met andere collega’s. Voor de Gedeele (ander stadsbestuur) waren François Triest en Lieven Heylinck (de oude) schepenen. Jan Bollaert was op dat moment hoofdman, de vierde in deze onrustige tijd.
- Op 18 augustus 1583 werd Filips van Chimay, zoon van de hertog van Aarschot en gouverneur van Vlaanderen, feestelijk ontvangen bij de Brugse Poort in Gent, met veel burgers te paard en te voet.
- Rond dezelfde tijd hoorden de oude schepenen van Gent dat Jan van Imbise terugkeerde uit Duitsland. Hij had Willem van Oranje doen vertrekken, tegen de wil van de inwoners van Gent, in het jaar 1583.
Bekijk transcriptie kronieken / 353365 / 142
In zijn testament deelt B. Brodier uit Haarlem zijn erfenis als volgt in:
- De kinderen van zijn overleden broer Abraham Brodier erven samen de nalatenschap, met uitzondering van specifieke voorwaarden:
Er gelden extra voorwaarden voor het laatste kwart (van Bensamen, Geertruij en Brodier):
- Van dit kwart moet een bedrag van 125 gulden worden uitgekeerd aan Ida Brodier (ook een dochter van Abraham Brodier, wonend in Deventer), of aan degene die voor haar zorgt. Dit bedrag wordt betaald uit de erfenis voordat de verdeling plaatsvindt.
- Ida Brodier krijgt bovendien levenslang recht op de jaarlijkse opbrengst (rente/winst) van het resterende deel van dit kwart. Dit geld wordt jaarlijks of in termijnen aan haar of haar verzorger uitgekeerd, zoals de executeurs beslissen.
- Het vierde deel blijft tijdens Ida's vruchtgebruik (leven lang) onder beheer van de executeurs en eventuele door hen aangestelde helpers. Zij moeten ervoor zorgen dat de voorwaarden uit het testament worden nageleefd.
- Als een erfgenaam de voorwaarden niet accepteert of tegenwerkt, verliest deze direct alle recht op de erfenis. Zijn/haar deel gaat dan naar de andere erfgenamen.
Als executeurs (uitvoerders van het testament) wijst Brodier aan:
Jacob Hazevolt, Hendrik van der Maak en Jan ter Hoffsteede (allen wonend in Haarlem).
Zij krijgen de volgende taken en bevoegdheden:
- Zorgen voor de begrafenis en afhandeling van de nalatenschap.
- Volledige macht om de goederen te beheren, volgens de wettelijke regels.
- Zij mogen een redelijk salaris voor hun werk in rekening brengen, passend bij hun inspanningen.
Het testament werd opgemaakt op 6 maart 1818 in Haarlem, in aanwezigheid van de notaris en getuigen:
Jacobus van Loon (koetsmaker), Barend Jan van Det (bierdrager) en Daniel Jacob Stephan (schoenmaker).
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6700855 / 129
In
Haarlem werd op
25 april 1818 een verkoop vastgelegd waarbij drie personen, namelijk:
als kinderen van de overleden
Abraham Brodier, een huis in de
Spaarnwouderstraat in
Haarlem verkochten.
Deze drie waren ook de erfgenamen van hun oom
Bensamen Brodier, die op
24 april 1818 in
Haarlem was overleden.
Bensamen had in zijn testament, opgemaakt op
6 maart 1818 en geregistreerd op
6 mei 1818,
Benjamin Brodier als erfgenaam aangwezen.
De verkoop gebeurde via volmachten, die waren ondertekend op
23 februari 1818 (voor
Benjamin en
Ida Eva) en
28 februari 1818 (voor
Geertruy). Beide volmachten waren geregistreerd in
Haarlem op
25 april 1818. De verkoopprijs was
77,5 cent (inclusief extra kosten).
Het huis werd verkocht aan
Bernardus Gozeling, een timmerman die in dezelfde
Spaarnwouderstraat woonde. Hij aanvaardde de koop en kreeg het huis in vol eigendom, met garantie dat er geen juridische problemen of claims op rustten. Het huis lag in de
Spaarnwouderstraat en grensde aan andere percelen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6700855 / 559
In
Haarlem werd op
25 april 1818 een verkoopakte geregistreerd waarbij drie personen, vertegenwoordigd door een volmacht, een huis verkochten.
- De verkopers waren:
- De koper was Bernardus Gozeling, een timmerman uit de Spaarnwouderstraat in Haarlem.
- Het verkochte pand was een huis met erf, gelegen in de Spaarnwouderstraat.
- De verkoopprijs was 77,5 cent (inclusief extra kosten).
- De verkopers garandeerden dat het huis vrij was van schulden of juridische problemen.
- De akte vermeldde ook dat Bensamen Brodier (een andere broer) op 24 april 1818 in Haarlem was overleden en dat Benjamin Brodier zijn erfenis had geclaimd via een testament van 6 maart 1818.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1617 / 1701 / 0559
Op 4 januari 1693 schreef O. S. Droost tregstocken, de voormalig directeur van de Gouvernements Kina-onderneming (een overheidsbedrijf voor kinateelt), een verweerschrift aan de Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië in Den Haag. Hij was met verlof gestuurd vanwege ziekte, maar voelde zich onterecht behandeld.
Droost tregstocken was boos omdat er een onderzoekskommissie was ingesteld om zijn werk te controleren. Deze commissie bestond uit:
Volgens Droost tregstocken was deze commissie onterecht benoemd, omdat:
- Hij altijd goede rapporten over zijn werk had gekregen.
- De commissieleden (Dreub en Merwelt) nauwelijks kennis hadden van de Gouvernements Kina-onderneming. Dreub had slechts één keer een vluchtig bezoek gebracht, en Merwelt had zelfs nog nooit een overheidsplantage bezocht.
- De commissie afhankelijk was van verklaringen van medewerkers die mogelijk partijdig waren, omdat zij baat hadden bij zijn eventuele ontslag.
Droost tregstocken vreesde dat het rapport van de commissie ongunstig zou uitvallen, gebaseerd op tweedehands informatie. Hij wilde daarom eerst zelf gehoord worden voordat er beslissingen over hem werden genomen. Zijn verzoek werd op 13 januari 1693 ontvangen door de Secretaris-Generaal.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4661 / 0671
Op
15 oktober 1617 stuurden
Rasopper en
van Banosheed een brief vanuit
Rotterdam aan een hoge ambtenaar die verantwoordelijk was voor wezen en koloniën. Ze schreven dat ze nog steeds wachtten op een antwoord op hun eerdere brief van
27 september. In die brief ging het over het schip
Agatha, onder leiding van kapitein
Loulus Ressadende, dat klaar lag om te vertrekken. Omdat ze nog niets van de ambtenaar hadden gehoord, vroegen ze opnieuw om een paspoort (toestemming) voor het schip.
Op dezelfde dag,
14 oktober 1617, werd de brief officieel geregistreerd.
In een andere brief, gedateerd
15 oktober 1607, meldden kooplieden
Jum Rvin Ossel en
Kritss in Rodenbrock uit
Amsterdam aan de directeur-generaal van handel en koloniën dat hun schip, de
Aarlinge, klaarlag om naar
Suriname te vertrekken. Het schip was 85 last (een oude maat voor gewicht) groot en geladen met 10.000 vaten zout, maar het zout was helemaal niet geschikt voor de reis.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0378
De schrijver kreeg een boodschap en vroeg even tijd om zich aan te kleden en zijn persoonlijke zaken te regelen. Heer Voiss Baauw gaf toestemming, waarna de schrijver naar het kasteel in Elmina werd gebracht. Daar werd hij onvriendelijk ontvangen door een strenge en vooringenomen rechter.
De rechter beschuldigde hem ervan zich uit te roepen tot koning van Elmina en vroeg waarom hij dit had gedaan. De schrijver antwoordde kalm:
- In 1309 had hij het Fanty-volk van Elmina en Kwar geholpen in hun strijd door 11.000 gulden aan munitie en andere benodigdheden te geven, zonder ooit hiervoor betaald te zijn.
- Hij had 250 gewapende mannen uitgerust en geleid in de strijd tegen de Ayand, om het land en de bezittingen van de vorst te verdedigen.
- Als dank had de lokale (zwarte) regering hem de titel Groot Maar Schalk gegeven, wat hem tussen de 3.000 en 4.000 gulden had gekost.
- Hij weigerde de titel eerst, maar de lokale bevolking zei dat hun fetiche (een soort geestelijke leider) hem had benoemd. Om problemen te voorkomen, accepteerde hij de titel, maar hij wilde dat de regering hem weer afnam.
- Hij benadrukte dat hij geen verrader was, maar juist veel had gedaan voor de blanken in Elmina, zoals het helpen van het gouvernement tijdens slechte tijden toen er geen aanvoer uit Europa was.
- Hij had nooit beloning ontvangen voor zijn hulp en vond de behandeling door Gouverneur de Veer oneerlijk.
De rechter, Generaal (vermoedelijk Gouverneur de Veer), werd woedend, sprong op en schreeuwde dat de schrijver een schurk was en hem wilde wurgen. Heer Oldenburg probeerde de generaal te kalmeren en stelde voor de schrijver naar Europa te sturen in plaats van hem vast te houden. De generaal antwoordde dat de schrijver een vijand van de Koning van Holland was en beschuldigde hem van de moord op Hoogenboom.
De schrijver werd het kasteel uitgezet en voelde zich vernederd. Later vertelde de generaal het verhaal aan twee Engelse heren tijdens het eten en noemde de schrijver publiekelijk een moordenaar en vijand van de koning. De schrijver besloot niet toe te geven en zijn eer te verdedigen, maar kon op dat moment niets doen.
Hij probeerde de Gouvernementssecretaris om hulp te vragen, maar die weigerde zijn klachten schriftelijk vast te leggen. Uiteindelijk besloot de schrijver te wachten op een beter moment om zich in Holland te beklagen en zijn recht te halen. Toen hij later brieven ontving via het schip Ajap, zag hij een kans om alsnog zijn klachten in te dienen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0368
De schrijver klaagt over zijn slechte behandeling door Gouverneur-Generaal Daendels (de Gulsk). Hierdoor kon hij tenminste met rust gelaten worden in zijn huis en tuin, want voorheen kwam Daendels soms vijf of zes keer per dag langs om hem lastige vragen te stellen of naar het kasteel te roepen voor overleg.
Hij merkte dat Carel Ruhle, die bij aankomst van Daendels bijna al zijn bezit kwijt was geraakt door willekeurig optreden, nu juist in de gunst stond bij Daendels. Ruhle werd dagelijks uitgenodigd en bezocht. Daendels beschuldigde de schrijver er vervolgens van dat hij een van zijn slaven andere instructies had gegeven dan die van Ruhle. De schrijver hoopt dat deze beschuldiging ooit eerlijk onderzocht wordt, zodat het gedrag van Daendels en hemzelf beoordeeld kan worden.
Daendels wist dat de schrijver financieel slecht af was. Door het stoppen van de slavenhandel bij aankomst van de nieuwe gouverneur, waren veel mensen aan de kust hun fortuin kwijt. De schrijver had grote verliezen geleden door leveranties aan het lokale gouvernement en kon niet meer betalen. Omdat er jarenlang geen Nederlandse schepen waren geweest, was hij afhankelijk van Britse handelaren. Toen de slavenhandel stopte, kon hij zijn Britse schulden niet meer voldoen.
De schrijver ontdekte dat Daendels probeerde zijn schulden bij Britse handelaren in Cabo Cors (Kaapkust) op te kopen. De Brit Watts weigerde dit eerst, maar Daendels zette hem onder druk. Uiteindelijk bedankte Watts voor de "rechterlijke hulp" van Daendels en zei dat hun zaken onderling waren opgelost. Daendels ging echter verder en dreigde openlijk tegen Britse ambtenaren:
- De schrijver zou nooit betaald worden voor zijn claims op het gouvernement.
- Daendels had al ministeriële brieven ontvangen die aantoonden dat de koning (Lodewijk Napoleon) tegen de claims van de schrijver was.
- Britse handelaren moesten hun vorderingen op de schrijver aan Daendels verkopen, zodat hij ze kon betalen.
- Daendels zou meubels van de schrijver kopen en hem uiteindelijk in ketens voor zijn deur laten zetten.
- De Britten moesten snel hun geld van de schrijver zien te krijgen, want Daendels zou hem anders zonder proces laten fusilleren (neerschieten).
- De schrijver zou als een "varken" geboeid op het eerste Nederlandse oorlogsschip worden gezet en in ijzers naar Nederland gestuurd om gestraft te worden.
- De schrijver was door Lodewijk Napoleon aangemerkt als een "gevaarlijke rebel" en Daendels mocht niet zachtzinnig met hem omgaan.
Daendels maakte ook dagelijks denigrerende opmerkingen over de schrijver tegen de koning, onderkoning, en lokale leiders in Elmina.
Op 11 oktober van het betreffende jaar (1808) kwam Van der Paauw, een assistent in dienst van Lodewijk Napoleon, om 's ochtends rond 10 uur bij de schrijver thuis. Hij bracht een boodschap van Daendels: de schrijver moest naar het fort komen voor een ontmoeting.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0366
Mr. Dcessesse schrijft op
13 oktober 1807 een klachtbrief over zijn slechte behandeling in
Batavia (het huidige
Jakarta).
- Hij wordt constant bespioneerd, bedreigd en vernederd door Herman Willem Daendels, de huidige gouverneur-generaal van Nederlands-Indië.
- Zijn handel is volledig vernietigd: zijn goederen worden in beslag genomen en kooplieden en kapiteins van schepen worden gedwongen hun waar binnen het kasteel af te leveren.
- Hij vraagt de koning om te onderzoeken of hij schuldig is aan de beschuldigingen die Daendels tegen hem heeft ingebracht. Als hij onschuldig is, wil hij beschermd worden tegen de voortdurende aanvallen van Daendels.
- Hij benadrukt dat hij, als trouwe onderdaan van de Nederlandse koning, recht heeft op een eerlijk onderzoek en bescherming.
Mr. Dcessesse vertelt verder over zijn achtergrond:
- Hij is 62 jaar oud en heeft een gezin.
- Hij heeft zijn kinderen in Nederland laten opleiden, in de hoop dat ze nuttige leden van de samenleving zouden worden.
- Hij heeft 16 jaar gewerkt voor de West-Indische Compagnie, zowel in militaire als politieke functies en bij de land- en zeedienst.
- In mei 1785 vestigde hij zich als vrijhandelaar in Batavia, met een officiële vergunning van de overheid.
- Jarenlang genoot hij van de rechten en privileges die elke eerlijke onderdaan onder een rechtvaardig bestuur toekomen.
- Sinds de komst van Daendels zijn al zijn rechten hem echter ontnomen.
Hij vraagt de ontvanger van de brief (een hoge ambtenaar in
Den Haag) om zijn zaak onder de aandacht van de koning te brengen. Hij hoopt op bescherming, zodat hij in zijn oude dag niet langer hoeft te lijden onder het geweld van
Daendels.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0363
De schrijver verdedigt zich tegen beschuldigingen van Gouverneur De Wees en legt uit waarom hij de titel Groot Marschalk der Elminaanse Kwartieren aannam, die hem door de lokale Afrikaanse leiding werd gegeven na een succesvolle verdediging van het gebied. Deze titel was gebruikelijk voor Europese ambtenaren in Elmina en weigeren zou tot conflicten leiden. De kosten voor de bijbehorende ceremonie (tussen de 3.000 en 4.000 gulden) betaalde hij zelf.
Hij benadrukt dat hij geen verrader is, zoals De Wees hem noemt. Hij wijst erop dat hij:
- zijn leven waagde om muiterij tegen De Wees te stoppen,
- altijd het gouvernement trouw diende, zelfs in moeilijke tijden toen er geen voedsel kon worden aangevoerd,
- nooit beloning ontving voor zijn inzet,
- geen vast bezit in Elmina had (geen vrouw, kinderen, huizen of land), wat bewijst dat hij niet uit eigenbelang handelde.
Tijdens een woedende uitbarsting op 19 december noemde De Wees hem een moordenaar (verwijzend naar de dood van President Hoogenboom) en vijand van Koning Lodewijk Napoleon. De schrijver werd het kasteel uitgezet en publiekelijk vernederd. De Wees herhaalde deze beschuldigingen later tegenover twee Engelse gasten.
Omdat hij geen rechtvaardige behandeling kreeg, besloot de schrijver zijn zaak voor te leggen aan de Nederlandse regering. Hij probeerde brieven te versturen via:
- de korvet Ascot (van Zijne Majesteit), maar deze werden door De Wees geopend en teruggestuurd,
- een Engels schip, de Afrikaner (onder kapitein Scholtheijs), maar ook deze brieven werden onderschept en geopend.
Sinds de komst van Gouverneur-Generaal Daendels moest de schrijver zelfs in het geheim handeldrijven om in zijn levensonderhoud te voorzien, hoewel dit nauwelijks genoeg opleverde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0361
- Een aantal Nederlandse handelaren hadden nog wel krediet bij de Engelsen, omdat ze op tijd betaalden. Dit hield de handel in Elmina (Ghana) nog 20 jaar gaande.
- Toen kreeg de schrijver te maken met vorderingen (schulden) van Engelse heren, die hij in de loop der tijd moest afbetalen.
- De gouverneur-generaal Ek werd door de schrijver op de hoogte gebracht van deze schulden aan Engelse vrienden.
- De gouverneur-generaal Gl. (vermoedelijk een afkorting voor een titel) had enkele schuldeisers in Cabo Cors (Kaapkust) benaderd om hun vorderingen op te kopen, maar die weigerden.
- De Engelse handelaar Watts (factoor in Cabo Cors) werd door de gouverneur overgehaald om niet direct juridische stappen te ondernemen. Watts was zelfs naar Elmina gekomen om een rechtszaak te beginnen, maar trok dit in na bemiddeling.
- De gouverneur-generaal Gl. prees het eerlijke en moedige karakter van de Engelse natie, maar had eerder ook dreigende opmerkingen gemaakt over de schrijver, die hem in een slecht daglicht stelden.
- De gouverneur-generaal Ek had tegen hoge Engelse ambtenaren gezegd dat de vorderingen van de schrijver op het gouvernement nooit betaald zouden worden.
- De secretaris-generaal Kaltz had de gouverneur in een privébrief geschreven dat officiële berichten uit Engeland aantoonden dat de koning (L. M., Zijne Majesteit) wel gunstig stond tegenover deze vorderingen.
- De gouverneur had Engelse heren aangeraden hun vorderingen op de schrijver bij hem kenbaar te maken, of ze anders kwijt te raken als ze ze niet wilden verkopen.
- De gouverneur had zelfs enkele meubels van de schrijver laten kopen (in beslag laten nemen) als onderpand.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0359
Op 15 oktober 1807 schreef een 62-jarige man een brief aan de directeur-generaal van het Departement van Koophandel en Koloniën in 's-Gravenhage. Hij vertelde dat hij het hoofd was van een groot gezin en dat hij zijn kinderen een goede opvoeding in Nederland had gegeven. Hij had 16 jaar gewerkt voor de Nederlandse Indische Compagnie, zowel in militaire als civiele dienst, en ook bij de land- en zeemacht. In mei 1785 was hij als vrijhandelaar in Indië begonnen, met een officiële vergunning.
Alles veranderde toen Herman Willem Daendels, de nieuwe gouverneur-generaal, aankwam. In het begin behandelde Daendels hem vriendelijk en beloofde hij zelfs dat hij positief over hem zou schrijven naar de koning. Maar na twee maanden begon Daendels hem plotseling te beschuldigen. Op een ochtend zei Daendels zelfs dat de Engelse overheid had gevraagd om hem als gevaarlijk persoon naar Nederland te deporteren. De man ontkende dit en was geschokt door deze beschuldiging, vooral omdat hij juist goede contacten met Engelse ambtenaren had.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0356
Veel mensen waren erbij betrokken en
Louden hoorde bij de groep die bij de
Venden Zafel stond. Deze groep was bang dat de
Engelse heren er alles aan deden om snel geld van
Louden te krijgen. Ze vreesden dat
HoogEdelGestrenge (een hoge Nederlandse functionaris)
Louden zonder rechtszaak failliet zou laten gaan. Daarna zou
Louden, als een varken aan een paal gebonden, op het eerste
Hollandse oorlogsschip naar
Nederland worden gestuurd om daar gestraft te worden.
Louden was door
Koning Willem I aangemerkt als een gevaarlijk persoon, die met voorzichtigheid behandeld moest worden.
De Gouverneur-Generaal (
Gr. El.) beschuldigde
Louden dagelijks bij de koning en andere hoge functionarissen in
Elmina (een Nederlandse vestiging in het huidige
Ghana).
Op
11 oktober van het voorgaande jaar, rond 10 uur ’s ochtends, kwam
Van der Bauw, een assistent in dienst van de koning, bij
Louden thuis. Hij vertelde dat
De Gouverneur-Generaal Louden wilde ontbieden in het fort.
Louden vroeg even tijd om zich fatsoenlijk aan te kleden en zijn zaken te regelen.
Van der Bauw zei dat hij geen opdracht had om dit te weigeren, maar toen die tijd om was, werd
Louden alsnog meegenomen.
De Gouverneur-Generaal ontving
Louden woedend en partijdig, zonder hem de kans te geven zich te verdedigen.
Louden vroeg waarom hij beschuldigd werd en wat de straf zou zijn.
De Gouverneur-Generaal antwoordde luid dat
Louden in
1809 het
Fante-volk (een lokale bevolkingsgroep) bij
Elmina had gesteund met 1000 gulden in goud en munitie, terwijl
Louden ontkende ooit geld ontvangen te hebben. Ook zou
Louden 250 gewapende mannen hebben gesteund.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 161 / 0360
In
1842 dienden de erfgenamen van
Herman Willem Daendels een verzoek in bij het hof en de rechtbank in
Arnhem. De eisers waren:
De gedaagde partij was de Nederlandse staat, vertegenwoordigd door
Mr. Schout Schmolck.
De zaak ging over geld dat
Herman Willem Daendels in
1811 had gestort in de kas van de overheid op
Java (toen onderdeel van Nederlands-Indië). Hiervoor had hij bonnen ontvangen, ondertekend door gouverneur-generaal
Janssen, met een totale waarde van
396.666,32 rijksdaalders. Deze bonnen waren bedoeld voor de levering van:
- koffie (10 bonnen)
- peper (10 bonnen)
- suiker (10 bonnen)
Iedere bon was
500 pikols waard (à
125 gulden per pikol). De producten moesten altijd uit de pakhuizen van de overheid worden geleverd.
De erfgenamen stelden dat:
- de schuld nooit was ontkend;
- de overheid geen maatregelen had genomen om het recht op terugbetaling te beperken;
- ze bereid waren om zich te houden aan het koninklijk besluit van 4 november 1820 over de afhandeling van de schuld.
Volgens dit besluit moest de schuld worden omgerekend:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0356
Op
21 augustus 1844 werd door de overheid besloten:
-
Aleida Elisabeth Reiniera van Vlierden, de weduwe van de overleden Herman Willem Daendels (voormalig gouverneur-generaal van Nederlands-Indië), krijgt een jaarlijks pensioen van 3500 gulden. Dit bedrag wordt vanaf 1 januari 1844 uitgekeerd door de Nederlandsche Handel-Maatschappij in Amsterdam, Rotterdam of 's-Gravenhage, naar keuze. Ze moet zich houden aan de regels van de maatschappij, die bij deze brief zijn meegestuurd. Het pensioen wordt elke drie maanden uitbetaald.
-
De Nederlandsche Handel-Maatschappij krijgt een afschrift van dit besluit en de opdracht om het pensioen uit te betalen. De kosten hiervan komen ten laste van de koloniale kas (het geldpotje voor de koloniën).
-
Aan L.E. Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië (de huidige baas in Indië) wordt meegedeeld hoe de kwestie rond de erfgenamen van Daendels is afgerond. Dit ging over 30 obligaties (schuldbrieven) met een waarde van 396.666,32 gulden, die Daendels in 1811 had gekregen van de Franse keizer.
-
Na goedkeuring door de koning (3 december 1838) bleven de erfgenamen tot begin 1842 wachten. Toen dreigden ze de Nederlandse staat voor de rechter te slepen, tenzij er een schikking zou komen. De overheid stemde hiermee in om een rechtszaak te voorkomen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 1586 / 0305
In
1825 wees de koning een verzoek af van de familie van de overleden
Herman Willem Daendels. Zijn vrouw,
Sosina Maria Christina Daendels, en hun kinderen (waaronder
Augustus Dick Daendels, die toen in
Nederlands-Indië verbleef) wilden dat het Rijk een schuld van 30 obligaties zou betalen. Deze obligaties waren in
1811 uitgegeven door het toenmalige bestuur in
Indië.
De familie snapte niet waarom hun verzoek was afgewezen en dacht dat er misschien andere redenen speelden. Ze wilden eerst meer informatie voordat ze opnieuw een officieel verzoek indienden. Ze vroegen de koning om:
- de kans om hun verdediging toe te lichten, of
- in onderhandelingen te mogen gaan over de schuld.
De situatie van
Sosina Maria Christina Daendels (de weduwe) was slecht: ze leefde in armoede en was afhankelijk van haar kinderen. Haar man was gouverneur-generaal geweest, en normaal gesproken kregen families van hooggeplaatste ambtenaren steun na hun overlijden. Dat dit nu niet gebeurde, vond de familie onterecht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4235 / 0385
In
1777 werd een overeenkomst gesloten in
Paramaribo tussen de heren
Willem Bliek en
Cornelis Bliek. Volgens deze afspraak zou
Willem Bliek een bedrag van
6000 gulden (Hollands geld) ontvangen voor de erfenis van de overleden
Bartholomius Eleimput, zoals vastgelegd in diens testament van
27 juli 1777. Dit bedrag moest in één keer worden betaald uit de eerste beschikbare gelden van hypotheken of schuldbewijzen die nog binnen moesten komen.
Daarnaast werd afgesproken dat
Willem Bliek een stuk land, genaamd
Plantage Dijkvelt, met
46 percelen buiten deze regeling zou houden.
Beide heren,
Willem Bliek en
Cornelis Bliek, verklaarden akkoord te gaan met deze afspraken en beloofden deze na te leven alsof ze zelf de overeenkomst hadden ondertekend. Ze spraken af dat alle lopende juridische procedures als beëindigd zouden worden beschouwd. Ook deden ze afstand van eventuele verdere claims die ze sinds
31 december 1757 op elkaar hadden kunnen hebben.
Om zeker te stellen dat de afspraken zouden worden nageleefd, wezen ze
meester Boudewijn Smit (advocaat) en
Janspaan (procureur) aan om de overeenkomst juridisch te laten vastleggen.
De akte werd opgesteld in
Paramaribo in aanwezigheid van de getuigen
Jean Toureau en
Pieter Guirenus Pinkernell. De ondertekenaars waren onder anderen
Willem Bliek,
Jan Poureau,
F. Pinkernell,
Adriaan van Son,
Berkhoff en
Clercq.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 343 / 0537
Vorige paginaVolgende pagina