Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


De afgevaardigden melden aan Hare Hoog Mogenden dat de zaken niet zo vlot verlopen als gehoopt, ondanks hun wens. Hier de belangrijkste punten:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8977 / 0042  


De tekst gaat over een juridisch geschil rondom de erkenning van leenrechten door de heren van Schaesberg aan de keizer. Hier een samenvatting:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11643 / 0151  


De vrouw van de overleden heer van Overleeuw had een vrijwillige rechtszaak aangespannen bij de Stadhouder en Leenmannen van het Monhuys van Valkenburg, namens de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Haar man had eerder al een soortgelijke procedure gevolgd bij dezelfde Leenhof van Valkenburg. Tijdens deze procedure kwam graaf van Schaesberg, die in Pekingstad bij Aken woonde, in verzet. Hij claimde dat de heerlijkheid Schaesberg niet onder de Leenhof van Valkenburg viel. Volgens hem had baron de Bourscheid nooit een deel van deze heerlijkheid bezeten. In plaats daarvan zou het om twee twaalfde delen gaan die privé-eigendom waren van graaf van Schaesberg zelf. De graaf vroeg daarom om de vrouw voor het juiste leenhof te dagen, waar de heerlijkheid Schaesberg volgens hem wel leenplichtig was. Hij gaf echter niet aan welk leenhof dat dan zou moeten zijn. Later bleek uit documenten, ingediend bij de Leenhof van Valkenburg, dat graaf van Schaesberg stelde dat de heerlijkheid Schaesberg een oud Guliks leen was (een leen onder het hertogdom Gulik). Hiermee zou de heerlijkheid dus niet onder Valkenburg vallen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3045 / 0201  


In 26 januari 1772 was er een geschil over het leenrecht van het kasteel en de heerlijkheid Schaesberg, gelegen bij Valkenburg. De stadhouder en leenmannen van het Manhuys van Valken (een leenhof) hadden een rechtszaak lopen over de verdeling van een erfenis. Een vrouw, wier man was overleden, had een zogenaamde purgatie civiel (een juridische procedure om leenrechten te bewijzen) aangespannen bij het Leenhof van Valkenburg. Hierbij claimde ze rechten op een deel van de heerlijkheid Schaesberg. Graaf van Schaesberg, die in Ripstad Aken woonde, was het hier niet mee eens. Hij stelde dat: De graaf eiste dat de zaak verplaatst zou worden naar het juiste leenhof, waar Schaesberg volgens hem wel leenplichtig was. Eerst noemde hij niet welk leenhof dat dan wel was, maar later claimde hij in een schriftelijke verklaring met bijlagen dat: Door deze tegenwerping (exceptie declinatoir) werd de vrouw gedwongen de procedure voort te zetten. Ze moest met een openbare eed (een plechtige bevestiging onder ede) aantonen dat het kasteel, de heerlijkheid en de goederen van Schaesberg al sinds onheuglijke tijden afhankelijk waren van het kasteel van Den... (de plaatsnaam ontbreekt in de tekst).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1683 / 0184  


De graaf van Schaesberg claimde dat bepaalde landerijen en het kasteel Schaesberg al eeuwenlang een leengoed (een soort erfpacht) waren van de leenhof (een rechtbank voor leenzaken) van Valkenburg. Hij eiste dat de huidige eigenaar, de graaf van Schaasbeng, zich hiervoor zou melden bij het leenhof om de leenplicht te bevestigen. De graaf van Schaasbeng had hiertegen bezwaar gemaakt en stelde dat het goed een oud Guliks leen was (een leen onder het voormalige hertogdom Gulik). Volgens hem hoorde het bij de Mankamer (een leenhof) in Düsseldorf en was het nooit verbonden aan Valkenburg. De zaak was eerder behandeld door rechters die namens de keizer en koning (de hoogste gezagsdragers in het Heilige Roomse Rijk) een vonnis hadden geveld. Hierin werd bepaald dat: De graaf van Schaasbeng werd dus in het ongelijk gesteld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3659 / 0350  


Op 23 augustus 1630 werd in Amsterdam een huwelijksovereenkomst opgesteld door Gerrit Hoijer Ras en Grietgen van der Gous. Zij waren al getrouwd, maar legden nu de financiële afspraken vast. Hier de belangrijkste punten: Gerrit Hoijer Ras en Grietgen van der Gous beloofden deze afspraken strikt na te leven. Ze lieten dit officieel vastleggen door een notaris. --- Op dezelfde dag, 23 augustus 1630, rond 16:00 uur, kwam het echtpaar voor notaris Jacobo Westfrisio (een openbare notaris in Amsterdam, erkend door het Hof van Holland). Gerrit was ziek en lag in bed, Grietgen was zwanger, maar beide waren helder van geest. Ze beseften dat het leven breekbaar is en de dood onvoorspelbaar. Daarom maakten ze, na een christelijke aanbeveling voor hun zielen en lichamen, hun testament op.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 689207 / 144  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1097 / 0010  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1099 / 0152  


Deze tekst gaat over de straf en de inbeslagname van bezittingen van de opstandige en moordenaars uit Het Zuiderland. De zaak werd behandeld door commandeur Francisco Pelsaert en de scheepsraad van het schip Sardam, samen met de advocaat-fiscaal (openbaar aanklager) voor de Raad van Justitie.

De volgende bedragen werden maandelijks in beslag genomen en toegewezen:

De bedragen werden maandelijks geïnd en verdeeld zoals hierboven vermeld.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1104 / 0925  


William Wylich was in 1645 en 1646 schepen in een bepaalde stad. Tijdens zijn tweede jaar als schepen gaf hij zijn functie als stadhouder op, met toestemming van de toenmalige hoogschout Bergaigne. Zijn plaats als stadhouder werd ingenomen door Laurens van Berkel, die zelf in 1648 en 1649 schepen was. Tijdens die jaren liet Laurens van Berkel zijn taken als stadhouder waarnemen door William Wylich, die toen weer schepen was. Johan van Blosenburg was in 1651 stadhouder en in 1667 schepen. Uit documenten bleek dat hij alleen als schepen had gewerkt, niet als stadhouder terwijl hij schepen was. Cornelis Hoofd was in 1677 stadhouder en werd in oktober van dat jaar ook schepen. Hij bleef schepen in 1678 en 1679, maar gaf bij zijn aanstelling als schepen zijn stadhouderschap op. Turriaan van Luenen was van 1679 tot 1693 stadhouder en werd in 1699 schepen. Er was geen bewijs dat hij als stadhouder optrad terwijl hij schepen was. Uit deze voorbeelden bleek niet dat een stadhouder die schepen werd, verplicht was zijn stadhouderschap op te geven vanwege een officiële verklaring of vonnis. Wel bleek dat stadhouders die schepen werden, hun stadhouderschap soms vrijwillig opgaven, soms na onderhandelingen of toestemming van de hoogschout. Dit voorkwam conflicten met de schepenen of de overige bestuurders, die anders tot ernstige problemen konden leiden, zoals in de voorgaande eeuw was gebeurd. De bewijzen hiervoor stonden in de bijlagen van het adres onder nummer 112.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11570 / 0412  


Dirk Bierens, Pieter Cornelis de Patot (hoofdadministrateur), Thomas Termathe (secretaris van politie), Rudolph Seijzelaer, Daniel Evertsen (onderkoopman), Hendrik Koorenaer, Pieter Sneek (luitenant), Leendert Overschie (onderkoopman), Theunis Holst (baas der smeden) en Cornelis van Aerden (eerste pakhuismeester) waren allemaal werkzaam in deze functies op Colombo. Zij waren samen leden van de zogenaamde Ceylonsen krijgsraad (een soort militaire en bestuurlijke raad op Ceylon, nu Sri Lanka). Daarnaast was Abraham Velge, die secretaris was, ook bij deze zaak betrokken. Deze kwestie was op dat moment nog niet afgerond en lag nog bij de rechter (litispendent).
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0115  


Op 15 oktober besliste de rechtbank dat een zaak tegen Abraham Velge verder onderzocht moest worden. De officier van justitie (toen advocaat fiscaal genoemd) had eerder schriftelijke bewijsstukken en aanklachtpunten ingediend. Vervolgens, op 12 november, kreeg Abraham Velge toestemming om: De verdere stappen in de zaak, zoals de standpunten van beide partijen en de planning van de zittingen, werden bepaald aan de hand van de eerder genoemde feiten en aanklachten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0119  


Op 8 oktober stemde de hogere krijgsraad (een soort militaire rechtbank) in met het verzoek van de leden om een normaal rechtsproces te voeren. Zij mochten zich laten vertegenwoordigen door een advocaat. Ook kregen ze kopieën van de aanklacht en andere stukken die ze nodig hadden voor hun verdediging. Ze kregen drie maanden de tijd na ontvangst van deze kopieën om zich voor te bereiden. Voor de secretaris Abraham Velge gold een uitzondering. Voordat er een beslissing werd genomen over zijn verzoek, moest de officier van justitie (de advocaat-fiscaal) eerst uit de aanklacht halen: Pas daarna zou de krijgsraad beslissen hoe verder te gaan met de zaak van Velge.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0118  


Op onbekende datum werden de volgende vonnissen uitgesproken tegen een groep gevangenen: Daarnaast werd besloten dat:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0117  


De krijgsraad behandelde een zaak over verschillende zware misdaden, zoals majesteitsschennis (een aanval op de gezaghebbende vorst) en moord. Op 2 oktober van dat jaar eiste de advocaat-fiscaal Isaac van Schinne namens de openbare aanklager (fiscaal) een definitief vonnis tegen de gevangenen en overleden leden van de groep Weitnauw. Volgens de aanklacht hadden zij schuldig zijn aan: De gevangenen zouden volgens de eis veroordeeld moeten worden en ter plekke gebracht worden waar strafvonnissen normaal gesproken werden uitgevoerd. Daar zouden zij aan de beul worden overgedragen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 9195 / 0116  


Op 7 augustus 1739 werd een verzoek ingediend om betalingen uit te stellen voor het aandeel van Falk, omdat diens weduwe, de douairière (weduwe met recht op inkomen) van de overleden Arend van Broijel (een raadslid in Nederlands-Indië, woonachtig in Batavia), nog niet had betaald. Het bedrag dat zij verschuldigd was, bedroeg 147 gulden en 16 stuivers. Daarnaast werd gevraagd hoe om te gaan met het aandeel van Casparus De Jong, de mallabaarse commandeur (een militaire leider in Malabar), dat 6066 gulden en 13 stuivers bedroeg. De vraag was of dit bedrag rechtstreeks aan het Commando Malabar mocht worden toegerekend of aan de hoofdpost. Verder moesten de aandelen van Wijer, Patot en Van Hagen (in totaal 17.596 gulden, 6 stuivers en 8 penningen) worden afgeschreven, omdat zij geen vertegenwoordigers in Indië hadden. Het aandeel van Van Dam (184 gulden, 13 stuivers en 8 penningen) moest echter door zijn weduwe contant worden uitgekeerd. Op 30 juli 1759 diende Donna Anna De Zaa, weduwe van de overleden modliaar (een lokale functionaris) Don Simon in Matara (Illangacoom), een verzoek in.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2959 / 0344  


Tijdens een vergadering van de Raden in Rheede werd een brief besproken die al eerder was ingediend. Deze brief ging over het schip Anna Maria, dat was gezonken. Tijdens de discussie kwam ter sprake dat het zegel (een soort officiële afsluiting) van de brief was afgebroken en in het vuur was gegooid.

De Raden vroegen Patot (een van de aanwezigen) wie dit had gedaan. Patot gaf toe dat hij, zonder na te denken, het afgebroken zegel in het vuur had gegooid. Een van de Edele Heren (hoge functionarissen) zei dat Patot zijn vertrek op dat moment voor verwarring kon zorgen. De Edele Heer voegde eraan toe dat hij Patot altijd goed had behandeld en vertrouwd had, maar dat deze nu zoiets deed.

Patot begon te smeken en leek spijt te hebben, waarna de Edele Heer medelijden kreeg. Toen Patot zich weer kalmeerde, ging de vergadering verder. Er werd gevraagd of Patot nog andere belangrijke informatie had die schade of opheldering kon geven. Hij antwoordde nee. Daarna werden de volgende getuigen ondervraagd, zoals beschreven in document raed 270.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10121B / 0491  


In haar testament bepaalt Caterina Hustaert hoe haar bezittingen en inkomsten (jaarlijkse opbrengsten) na haar dood moeten worden gebruikt voor haar kinderen. Hier de belangrijkste punten:

Als uitvoerders en voogden wijst zij aan:

Zij geeft hen volle macht om alles uit te voeren zoals hierboven staat. Het testament moet worden gerespecteerd, ook als lokale wetten of gewoontes hiermee in strijd zijn. Caterina Hustaert vraagt om een officiële akte hiervan op te stellen en te registreren in Amsterdam, bij de notaris op de Faijesgracht (bij de Pesbane van Malt).

Getuigen bij het opstellen: Gillis Gaduijts en anderen.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1937295 / 189  


Op 7 juli 1651 kwamen in Amsterdam verschillende personen een overeenkomst sluiten over een erfeniskwestie. De betrokkenen waren:

Zij maakten definitief afspraken over de verdeling van de erfenis van Neeltge Claes, die op haar beurt erfgenaam was van Grietghe Claes (de weduwe van Jacob Sijbrantsz). Deze erfenis was vastgelegd in een testament uit 12 oktober 1603, opgemaakt in Hoorn voor Jacob Claesz Cort. Uit deze erfenis was echter niets ontvangen, ondanks een fideicommissum (een soort erfelijke last).

De afspraak was dat Corle Twarthenburch (namens de familie van Neeltge Claes) zijn aandeel in de erfenis behield, zonder verdere claims. Hiervoor betaalde hij een bedrag van 211 carolus gulden (een oude munteenheid). Daarna zouden alle partijen geen verdere aanspraak meer maken op elkaars erfenis.

De overeenkomst moest nog goedgekeurd worden door de Weeskamer (de instantie die toezicht hield op wezen en hun bezit), omdat het ook de belangen van de vier wezen betrof. De partijen beloofden zich aan de afspraak te houden.

Als extra zekerheid werd vastgelegd dat als er later nog meer erfenis boven water zou komen, dit ten goede zou komen aan de erfgenamen van Neeltge Claes. Ook werd bepaald dat de partijen zich, indien nodig, zouden laten veroordelen door het Hof van Utrecht om de overeenkomst na te leven. Hiervoor werd een procureur (een juridisch vertegenwoordiger) aangesteld.

De akte werd opgesteld in Amsterdam op 7 juli 1651, in aanwezigheid van de geloofwaardige getuigen Jacob Pondt en Can van Gelder. De notaris was Laurens Jansz, met als merk Bouwe Jansz Kick.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510370 / 57  


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2344056 / 33  


Op 26 mei 1814 trouwden in Amsterdam twee stellen:

Bij beide huwelijken werden de wettelijke documenten voorgelezen, waaronder:

Na bevestiging van beide partijen verklaarde de ambtenaar (G. ten Sande, lid van de burgerlijke stand) hen officieel getrouwd volgens de wet van 20 ventôse jaar 11 (Franse republikeinse kalender).

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1928521 / 32  


Wolgang Günther Kamel en Johanna Elisabeth Kameli gaven een volmacht aan Albertus Allen, die op dat moment op terugreis was naar Suriname. Ze trokken hiermee een eerdere volmacht in, die ze op 24 maart 1808 aan Christiaan Godlieb Pleiser hadden gegeven. Albertus Allen kreeg de volgende taken: Albertus Allen mocht deze taken ook aan een ander overdragen (substitutie). De akte werd opgesteld in Amsterdam, in aanwezigheid van de getuigen Jan Hendrik Obertop Junior en Isaac Coronel Pereira. De notaris was J.B. van der Meersch, die bevestigd werd door andere koninklijke notarissen in Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0277  


Op 10 juni 1808 gingen de heren Rudolph Mees, Pieter van der Wallen van Vollenhoven, Jan Bartholomeus Snellen en Michiel Baelde Roehussen (allen uit Rotterdam) naar notaris Jan van Oosterhout. Ze vertegenwoordigden een groep geldschieters die samen 650.000 gulden hadden geïnvesteerd in twee plantages: L'Embarras en Venlo, gelegen in Suriname aan de Commewijne-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart). Deze vier heren gaven H.I. Matile (wonend in Suriname) een officiële opdracht: Herman Forsten was ook betrokken, maar kon door slecht ziend vermogen niet zelf tekenen. De vier heren spraken namens hem. De akte werd later bevestigd en geregistreerd in Paramaribo op 15 december 1841 door H. Heeve (provinciale gezworen klerk) en vertaald door J.A. Gerding (beëdigd vertaler). Er zat een zegel van 50 stuivers (1 gulden) op.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 757 / 0267  


Op 28 december 1816 werd in Amsterdam een officiële akte opgesteld bij notaris I. Commelin in het huis van Pieter Jacobus Kerkhoven. De akte ging over de vernietiging van eerdere volmachten (procuratie en substitutie) voor een handelshuis en plantage in Suriname. De volgende personen waren betrokken en ondertekenden: De akte werd later, op 5 maart 1817, geregistreerd door P. Schuster, een beëdigd klerk voor de kolonie Suriname, nadat U. H. Wilkens het origineel had ingediend. Op dezelfde dag (28 december 1816) bevestigden de notarissen J. Commelin, W. van Homrigh, F. Berkman, H. Happe en A. Houthoper dat de akte geldig was en door hen was ondertekend. Later, in Suriname, liet Josephus Donatus Iustus Thym (die op het punt stond naar Europa te vertrekken) een persoonlijk document, een onderhandse akte van substitutie (een soort volmacht), verzegelen door Jorchem Frederik Stoffens, een beëdigd klerk. Het document werd voorzien van Thym's persoonlijke stempel en het officiële stempel van de secretarie van de kolonie. Het verzegelde document bleef bij de secretarie berusten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 901 / 0267  


Het Huis van Negotie (een handelsorganisatie) stelde strenge regels op voor het beheer van een plantage in Suriname:

Alles wat de beheerders deden, moest volgens de wet gebeuren en werd bindend verklaard.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 901 / 0265  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/