Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Gillis de Clerck en Elisabeth Huberts (zijn vrouw) maakten testamentaire afspraken. De langstlevende van hen beiden hoefde geen borg of zekerheid te stellen voor wat ze hun kinderen hadden nagelaten, zolang deze persoon ongetrouwd bleef.

Als de langstlevende opnieuw zou trouwen, dan gold het volgende:

Als de langstlevende hertrouwde maar geen kinderen kreeg uit het nieuwe huwelijk, mocht deze alle goederen behouden. Wel moest hij of zij van de rente of opbrengsten de kinderen volledig onderhouden tot ze meerderjarig waren of gingen trouwen. Dan kregen de kinderen hun deel.

De testatoren vroegen hun kinderen om de langstlevende ouder in alles te gehoorzamen en zich naar diens raad te gedragen. Ze hielden voor zichzelf de vrijheid om samen nog dingen toe te voegen aan het testament.

Dit alles verklaarden Gillis de Clerck en Elisabeth Huberts hun laatste wil te zijn. Ze wilden dat dit na hun overlijden volledig werd uitgevoerd.

Dit werd verleden in de stad Haarlem in het huis van de testatoren in de Vrouwestraat. Als getuigen waren aanwezig: Symon Cornelisz (vleeshouwer) en Pieter Joosten, beiden poorters en inwoners van de stad. Ze tekenden samen met de testatoren en de notaris.

Op 2 maart 1619 (op zaterdag omstreeks 7 uur 's avonds) verschenen voor notaris Michiel van Woerden (openbaar notaris en secretaris van de stad Haarlem) Abraham Loryn (zoon van Fremin) en Judith van der Conyte (dochter van Pieter), man en vrouw, poorters van Haarlem. Ze waren gezond van lichaam en geest (hoewel Judith hoogzwanger was).

Ze verklaarden dat ze, hoewel nog jong van jaren, dagelijks de broosheid van het aardse leven inzagen, de zekerheid van de dood en de onzekerheid van het tijdstip daarvan. Daarom wilden ze over hun aardse goederen beschikken.

Allereerst herriepen en annuleerden ze:

Bekijk transcriptie 


Gillis de clerck, zoon van Peter, geboren in Gendt, en Elisabeth Hubert, dochter van een trompetter, geboren in De Graeff, waren een getrouwd stel dat woonde in Haarlem. Op vrijdag 22 februari 1619 kwamen zij voor een notaris om hun testament te maken. Elisabeth was ziek maar kon nog zitten, lopen en staan. Gillis was gezond. Beide waren bij hun volle verstand.

Zij verklaarden:

Bekijk transcriptie 


J. Parqui diende 7 september 1852 een verzoekschrift in bij de gouverneur van Suriname. Hij had geen geld en voegde daarom een bewijs van armoede toe. Hij verzocht om 2 dingen:

  1. dat er strafrechtelijke vervolgingen zouden worden ingesteld tegen mr. J. Al. Litman, de waarnemend procureur-generaal, vanwege de feiten die hij in zijn verzoek noemde
  2. dat mr. J. Al. Litman zou worden ontheven van zijn taken als waarnemend procureur-generaal totdat er een definitieve uitspraak was gedaan

Parqui en zijn dochters behielden zich het recht voor om later nog een civiele procedure te starten bij het gerechtshof of bij de Hoge Raad als ze dat nodig zouden vinden.

Op 3 november 1852 stuurde een ambtenaar in Paramaribo een vertrouwelijk bericht aan de gouverneur over de klacht van J. Parqui. Hij schreef het volgende: op de ochtend van 27 augustus had de politie een melding gekregen dat er in de Vrambandersgracht in de stad het lichaam van een pasgeboren kind was gevonden. De politieluitenant ging meteen naar die plek voor onderzoek. Hij vond inderdaad het lichaam van een pasgeboren meisje met een zeer lichte, bijna blanke huidskleur op de oever van de gracht. Er waren geen sporen van mishandeling te zien.

Bekijk transcriptie 


18 september 1842: De overwegingen en het advies van de Administrateur van Financiën van 14 september 1842 zijn gelezen. Deze gingen over het verzoek van 31 juli van S. Parqui en anderen. De verzoekers waren:

Zij meldden dat zij aan H. Clemens, die de firma C. Aersten vertegenwoordigde, voor de som van 5.200 gulden een stuk grond en de daarop staande gebouwen hadden verkocht. Deze lagen aan de Domineestraat. Daarom verzochten zij om afstand te doen van het recht van naasting (het recht van voorkoop). Er is besloten dit verzoek af te wijzen. De Administrateur van Financiën werd op de hoogte gebracht door middel van een afschrift.

7 september 1848: Op basis van artikel 3 van de publicatie van 1 mei 1821 is besloten de Administrateur van Financiën uit te nodigen om de verzoekers te vragen de bewijsstukken over te leggen die hun recht ondersteunen.

7 september 1848: De brief van de Voorzitter der Koloniale Staten is gelezen. Hierin maakte hij bekend dat Culler tot Gruyter was benoemd tot Commissaris ter Griffie.

7 september 1848: De brief van de Administrateur van Financiën van deze maand nummer 1338 is gelezen. Hierbij werden ter goedkeuring aangeboden de uitgavenoverzichten over de maand augustus 1865 voor de dienstjaren 1864 en 1865. Besloten is deze overzichten goed te keuren voor een bedrag van 1.309 gulden.

Bekijk transcriptie 


Rooswyk procedeert tegen Alr. Mo. S. Schu van Carel Gredick Steinhard. C. H. Hornon procedeert tegen Christina van Fockens als erfgename, S. Jacol des Combes en S. Vholyk als bewindvoerders van A. Sanson procederen tegen de weduwe van Soseph Leoy. Een van Sal. Alexander procedeert voor Sitko Piedluken tegen S. Embricis van Hage Sayen. Na beraadslaging is besloten de gevraagde dwangbevelen tot tenuitvoerlegging te verlenen op korte termijn.

De heren ontvingen een verzoekschrift van Ao. et Consanlo, die een besluit van verstekverlening vroegen tegen St. Sarqui. Na beraadslaging is besloten het gevraagde besluit van verstekverlening te verlenen, met toestemming zoals passend is.

De volgende verzoekschriften werden ingediend met een vraag om besluit van dagvaarding:

Na beraadslaging is besloten om een verzoeningszitting te gelasten op 1 april aanstaande voor heren commissarissen, met verzoek het hof hiervan op passende tijd te dienen.

Er werd een verzoekschrift ontvangen van Jacques Lambertus de Bije in hoedanigheid als gemachtigde van J. Halfhide, die toestemming vroeg van het hof om op grond van het voorkeursrecht van verzoeker uit de bij hen aanwezige penningen, verkregen uit de verkoop van producten van de door hen beheerde 2/3 deel in de plantage Canaiasipibo, aan verzoeker te betalen wegens zijn daarin omschreven vordering, groot aan kapitaal.

Bekijk transcriptie 


3 juli 1855: De verkooprékening en een kopie daarvan werden met bijbehorende stukken gestuurd naar de waarnemend Administrateur van Financiën en de Schutter van plantage Catharina Sophia ter informatie en voor kennisgeving. De Administrateur van Financiën werd gevraagd om het Ministerie van Koloniën voor het bedrag van de verkooprekening in rekening te brengen.

3 juli 1855: Er werd een brief gelezen van de Luitenant-Kolonel, Commandant van het Garnizoen en der Troepen, waarin werd voorgedragen dat jager Cornelis van der Dis van het Bataljon Jagers nummer 27 verzocht om bij zijn aanstaande diensteinde (15 juli) een binnenlands paspoort te krijgen. De Luitenant-Kolonel vroeg, onder overlegging van een akte van borgtocht, om hiertoe gemachtigd te worden. Na het bekijken van de overgelegde akte van borgtocht van 2 juli 1855, werd besloten dat de Luitenant-Kolonel, Commandant van het Garnizoen en de Troepen, bij afschrift werd gemachtigd om aan jager Cornelis van der Dis een binnenlands paspoort uit te reiken.

Er werden verzoeken gelezen van:

Beiden verzochten om erf nummer 31 in pacht te krijgen. Na het bekijken van de overwegingen en adviezen van de waarnemend Administrateur van Financiën van 31 mei 1855 nummers 190, 358 en 191, 360, en na kennisname van het door S. M. Wormer overgelegde bewijs waaruit bleek dat zij door aankoop eigenaresse was geworden van een gebouw dat op bovengenoemd erf stond, werd het volgende besloten. Omdat van het verzoek van S. M. Wormer in het Gouvernements advertentieblad van 12 juni 1855 aankondiging was gedaan en daartegen geen bezwaar was ingekomen, werd aan S. M. Wormer vergund om het genoemde erf van 5.886 vierkante voeten tot wederopzegging te gebruiken en te bebouwen.

Bekijk transcriptie 


Nobias Sall was het oneens met Lu lomen Diesenskec en Andreu Charurier was het oneens met William Turns over de geëxecuteerde lening van het Williamdt Tuinsie. Hierop werd besloten dat beide partijen moesten verschijnen voor een verzoeningsgesprek op 17 december bij de commissarissen, met het verzoek om de rechter te informeren over de feiten.

Salm Marcus Clamson diende een verzoek in voor een dwangbevel met een uitvoeringsclausule tegen H. El. Koning voor de rechter vanwege een executie die tegen de verzoeker werd uitgevoerd. Hierop werd besloten een verzoeningsgesprek te organiseren voor de commissarissen, met het verzoek om de rechter te informeren, waarbij alles ondertussen in de huidige toestand bleef.

Posepche Sarqui diende een verzoek in voor een beslag op 1/3 van het loon van Um Bliekveld als directeur van plantage Vlaardingen, met toestemming om dit te innen via G. G. Weldurk als beheerder, en ook op andere personen bij wie Um Bliekveld zou komen wonen, die dit aan de verzoeker moesten uitbetalen. Hierop werd besloten het beslag op 1/3 van het loon van directeur Wm. Blickveld toe te staan, met toestemming om dit uit te voeren, en met de verplichting om bij verzet binnen 14 dagen bij de rechter te reageren, anders zou het beslag van kracht blijven.

Nicolaar Lamberthe Braam, als gevolmachtigde van Theodorus Lodewyk de Surmont de Veus in de beschreven hoedanigheid, diende een verzoek in voor voorrang in de beschreven procedures tegen Jan van Valle en wilde verder met hem op korte termijnen van 3 tot 3 dagen kunnen procederen, omdat het een spoedeisende zaak betrof.

Bekijk transcriptie 


5 september werd besloten om de volgende dag om 8 uur in de ochtend hiermee verder te gaan. Er zouden afschriften worden gestuurd aan de Procureur Generaal en de Administrateur van financiën ter informatie.

5 september. Er werd een verzoek behandeld van 29 augustus van Dansie Cornelia de Lyon, weduwe van Salomo Sarqui. Zij vroeg om samen met haar dochter Josephina Florentina Maria in het burgerregister te worden ingeschreven. De aanvrager gaf aan dat zij, voorheen Johanna Cornelia de Lyon geheten, op 16 december 1863 was getrouwd met Salomo Sarqui, die in het burgerregister stond. Zijzelf en haar door dat huwelijk wettige dochter waren respectievelijk op 1 november 1812 en 26 augustus 1844 binnen de kolonie geboren. Er werd verwezen naar publicaties uit 1831, 1863, 1864 en 1828. Er werd besloten de ambtenaar die verantwoordelijk was voor het burgerregister toestemming te geven om de aanvrager en haar dochter in dat register in te schrijven wanneer zij daartoe een aanvraag indienden. Hiervan zou ook een afschrift naar de aanvrager worden gestuurd als antwoord.

5 september. Er werd een uittreksel behandeld van de Districts Commissaris van Beneden en Boven Dara over de maand juni, en specifiek over wat op 25 juni was aangegeven over het aanhouden van overtreders in de haven van l'Enquietude. Er werd besloten de Districts Commissaris te vragen of de publicatie van 16 juni 1863 in verband met die van 15 september 1864 was toegepast op de vervoerder van de genoemde overtredingen.

Bekijk transcriptie 


De Gereformeerde gemeenschap maakte een lijst van mensen die hulp hadden gevraagd na een brand. Onder hen waren Portugees-Joodse mensen:

Er werd een algemene staat gemaakt van uitdelingen en onderstand aan de noodlijdenden vanwege de brand van 21 en 22 januari 1821. De hulp kwam uit liefdegaven die in het vaderland waren ingezameld.

De grondslag waarop de verleende onderstand werd berekend, was gebaseerd op de geleden verliezen zoals de slachtoffers die zelf hadden opgegeven. De verliezen varieerden van 300 gulden tot 18.005 gulden aan huizen, meubels en koopmanschap.

De bedragen die aan de verzoekers tot onderstand in hun behoeften waren verstrekt, waren onder andere:

Het totaal transport bedroeg 3.028 gulden en 5 stuivers, met een eerdere transport van 1.067 gulden en 10 stuivers. Er werd ook kwitantie gegeven voor de ontvangst van de toegekende bedragen, die betaald waren in assignatie op de heer raad.

Bekijk transcriptie 


22 maart diende de grootcassier Matthijs Fenn van Bazel een bericht in. Hij meldde dat hij volgens orders aan zijn gemachtigde in Europa opdracht had gegeven om een partij aandelen bij de Compagnie in te kopen.

Er werd een overzicht toegestuurd van de inkomsten die in Colombo en onderliggende kantoren maandelijks aan predikantsweduwen werden uitbetaald. Dit was vermeld in een schrijven van 15 oktober 1790, paragraaf 54. Ook was er een vergelijkbaar overzicht van de inkomsten van de predikantsweduwe in Banda.

Met de boot de Lugtbol werd een brief ontvangen, geschreven en ondertekend door P.H.W. de la Fargue, maar zonder datum. De brief bevatte een uitgebreid verslag van persoonlijke zaken en een verzoek. De la Fargue vroeg om een besluit te nemen over de brieven van voorschrijving die door het Hof van Holland en West-Friesland aan de curator over hun personen en goederen waren verleend. Dit besluit moest voldoen aan wat in hun meegestuurde verklaring over hun geldzaken stond. Als er al een ander besluit was genomen voordat deze verklaring was ontvangen, moest dat besluit worden ingetrokken en aangepast aan wat in hun verklaring stond.

Bekijk transcriptie 


5 augustus waren aanwezig de heer president en de heren raadsheren Mr. C. J. Elleram, L. B. Slengarde, Hr. A. R. Hayun, I. P. Thompert en de secretaris A. van Meer.

De notulen van de vorige vergadering werden gelezen en goedgekeurd.

Er werd een verzoekschrift gelezen van Johan Friedrich Ohlanck, waarin hij vroeg om benoeming van een advocaat en een procureur om hem bij te staan in rechtszaken die hij meende te moeten beginnen tegen van den Brocte, Luteyn en de Schouten te Middelburg. Na beraadslaging werd besloten om advocaat William Melanchton Forbes en procureur Strictus Eylaart aan te wijzen.

De heren commissarissen van de rol rapporteerden over de verschillende verzoeken om dagvaarding. De volgende partijen zijn het eens geworden en de verslagen zullen bij de secretarie worden bewaard:

Dit werd voor kennisgeving aangenomen.

Voor de zaken waarin geen overeenstemming was bereikt of waarbij de gedagvaarden niet waren verschenen, stelden de commissarissen voor om dagvaarding te verlenen, namelijk:

Bekijk transcriptie 


St. D. Lourada werd voorgedragen om benoemd te worden tot curator ad hunc actum (tijdelijk bewindvoerder voor deze specifieke zaak) voor de besproken kwestie.

Verder werden er mondeling overeenkomsten gesloten tussen partijen over de volgende verzoeken:

Na beraadslaging werd besloten de voorgestelde bevelen toe te kennen en het overige gerapporteerde aan te nemen als kennisgeving.

Vervolgens werden de volgende zaken besproken:

Bekijk transcriptie 


21 december heeft de commissie uit het gerechtshof Carel Vernes van Ommer (ook wel van Ommeren genaamd) veroordeeld tot gevangenisstraf vanwege geweldpleging. Hij vroeg om vrijstelling van deze straf. Zijn verzoek is besproken samen met de overwegingen en adviezen van de procureur-generaal en het gerechtshof van 27 januari.

Er zijn verzoeken ontvangen van de volgende personen die graag benoemd wilden worden als hulp-deurwaarder:

  1. E. Vallee
  2. J. Jungles
  3. P. Singeling
  4. J. Meyer Ferno
  5. D. Rendwel
  6. H. Salomons
  7. W. B. White
  8. D. Sack van der
  9. J. Duijzer la Parra
  10. C. Massy Dde
  11. W. Pardé
  12. Jarqui

Er is besloten dat aan de verzoeker wordt laten weten dat zijn verzoek niet kan worden toegestaan. Afschriften worden gestuurd naar de procureur-generaal en het gerechtshof ter informatie en kennisgeving, en ook naar de verzoeker.

2 februari is een brief van het gerechtshof gedateerd 24 december behandeld. Er is besloten om:

Afschriften worden gestuurd naar de procureur-generaal, de administrateur van financiën, het gerechtshof, de raad van administratie van het pensioenfonds der ambtenaren en de waarnemend deurwaarder ter informatie en kennisgeving, en ook naar de benoemden als aanstellingsbesluit en naar de overige verzoekers.

1 februari is een brief ontvangen van Zijne Excellentie de minister van koloniën. Er is een verzoek behandeld van J. Scou, J. J. Rouse, H. Raise en A. van Velzen in hun functie als bestuurders van plantage Vredenburg. Zij vroegen om de slaaf Prenceese met haar kinderen Etritje en Sophia van de namenlijst van dat landgoed af te schrijven en over te schrijven naar de naam van J. H. Romeyn voor een bedrag. Ook vroegen zij om in hun plaats op de namenlijst van genoemd landgoed de slaven Urnet

Bekijk transcriptie 


30 augustus kwamen er verzoeken binnen van verschillende mensen die vrijstelling wilden van een boete van 50 gulden. Deze boete was opgelegd omdat ze hun gewichten niet op tijd hadden laten ijken. De verzoeken kwamen van:

  1. Isaye Abrahams Sr., gepatenteerde broodbakker
  2. Barend Lugard, koopman
  3. Arius Frederick Weitmaar, varkensslager
  4. Andreas Christiaan Walile, vellewasser
  5. Elizabeth de Lyon, eigenaar van een slagerswinkel
  6. Salomo Joseph Jacqui, varkensslager
  7. A. D. Mohlman, vellewasser

De Procureur Generaal gaf 23 december 1846 zijn advies. Hij verwees naar de publicaties van 19 november 1828 en 20 juli 1830.

Er werd overwogen dat wat betreft A. E. Dalile en S. St. Sarqui, zij aan de Procureur Generaal hadden laten zien dat ze pas na januari van dat jaar hun verschillende bedrijven waren begonnen. In januari vond normaal gesproken de jaarlijkse ijking plaats.

Voor J. Abrahams Sr. en S. Lugard werd opgemerkt dat hun gewichten, hoewel niet geijkt, wel duidelijk accuraat waren. Er was dus geen sprake van kwade trouw, maar alleen van nalatigheid van hun kant.

Bekijk transcriptie 


Volgende zaken werden behandeld: Er waren verschillende verzoeken om afspraken te maken voor rechtszaken:

Er werd besloten om voordat er een beslissing werd genomen, een verschijning van partijen te gelasten om te proberen tot een vergelijk te komen op de 20e van deze maand voor de heren commissarissen, met verzoek aan het hof om daarover verslag uit te brengen.

Er was ook een verzoek van H. van Masselaar die toestemming vroeg tot aanhouding tegen Isaac De. de Moesquita. Ook hier werd besloten om voordat er toestemming werd gegeven, een verschijning van partijen te gelasten om te proberen tot een vergelijk te komen op de 20e van deze maand voor de heren commissarissen, met verzoek aan het hof om daarover verslag uit te brengen.

Verder werden de vonnissen uitgesproken die op de 10e van deze maand waren gewezen in de volgende zaken:

Bekijk transcriptie 


10 augustus 1818. Margaretha Petronella Reun lag ziek in bed in Paramaribo om half 4 's nachts, maar was nog wel in staat om een testament te maken.

Zij verklaarde te willen bepalen wat er met haar bezittingen moest gebeuren na haar dood:

  • Aan de armen van de hervormde kerk en aan die van de lutherse kerk ieder 30 gulden oud Surinaams muntgeld.
  • Aan Framinia Petronella Tenning, dochter van Anselua Parque, een snoer fijne gouden parels en 60 gulden oud Surinaams muntgeld.
  • Aan Cornelia Margaretha Tenning, dochter van voornoemde Annelica Sarqui, een zilveren bloed koraal en eveneens 60 gulden oud Surinaams muntgeld.
  • Aan Jan Cornelis Harinse mocht tijdens zijn leven het gebruik van haar huis aan de Waagdenstraat in Paramaribo, bekend onder nummer 364, en daarnaast schonk zij hem volledig eigendom van de slavinnen genaamd Willemyntje en Johanna.
  • Het slavenmeisje genaamd Christina moest door haar hierna genoemde executeur en mede-erfgenaam vrijgekocht worden met het benodigde geld. Zij stelde deze persoon tevens aan als voogd over voornoemde slavin.
Bekijk transcriptie 


Jean Francois Saverey, Daniel Jacob Loth, Abraham Bueno de Alesquita, H. P. van Mark, S. J. van Bergen, Raphael de Fina, Carolus Mortier, Pierre Gabriel Labadie, Joseph Sarqui en Salomon Heyman Boas waren kandidaten voor een functie.

De gouverneur-generaal nam het advies over van de procureur-generaal van 21 dezer. Er werd speciaal gelet op de overwegingen van de procureur-generaal over verzoeker nummer 2, J. Loth, die zorgde voor een groot huisgezin en daarom vaak wederwaardig was geweest buiten zijn schuld.

De gouverneur-generaal besloot het volgende:

  • Daniel Jacob Loth werd benoemd tot ijkmeester van ellematen en gewichten. Hij zou de inkomsten krijgen die bij deze functie hoorden. Voordat hij de functie kon aanvaarden, moest hij de daarvoor vastgestelde eed afleggen bij de gouverneur-generaal.
  • Aan de overige verzoekers zou via een uittreksel worden medegedeeld dat hun verzoeken waren vervallen omdat de functie van ijkmeester van ellematen en gewichten was ingevuld.

Van dit besluit zou een afschrift worden gestuurd aan de administrateur der financiën, de procureur-generaal, de raad van administratie van het pensioenfonds der ambtenaren ter informatie en kennisgeving, en aan de benoemde persoon voor de aanvaarding van de functie.

De gouvernementssecretaris bevestigde dat dit overeenkwam met het journaal.

Bekijk transcriptie 


J. M. Kisman, de Procureur-Generaal, maakte aan de klager duidelijk dat zijn handelswijze hoogst ongepast en verkeerd was.

23 november 1652 (vermoedelijk 1852) werd het volgende verzocht: bij verwijzing naar deze zaak moeten de dagtekening en het nummer nauwkeurig worden vermeld.

De Gouverneur van de kolonie Suriname behandelde een brief van Joseph Sarqui van 7 september. In deze brief beschreef Sarqui zijn bezwaren tegen het optreden van Procureur-Generaal Mr. J. M. Kisman. Kisman had, samen met Commissaris Mr. J. M. A. Martini van Geffen, een huiszoeking gedaan bij Sarqui. Dit deed hij met toestemming van de waarnemend President van het Gerechtshof. Sarqui verklaarde alleen onder bedreiging van geweld dat stadsarts S. Weijl een lichamelijk onderzoek bij zijn 3 dochters mocht uitvoeren. Uit dit onderzoek bleek dat de dochters volledig onschuldig waren aan de beschuldiging dat een van hen een kind van gemengde afkomst zou hebben vermoord.

Sarqui vroeg:

  • dat Mr. J. M. Kisman voorlopig geschorst zou worden als Procureur-Generaal
  • dat de Gouverneur een strafrechtelijk onderzoek tegen Kisman zou bevelen

Sarqui en zijn dochters behielden het recht om later nog civiele stappen te ondernemen bij het Gerechtshof of de Hoge Raad.

De Gouverneur bekek het vertrouwelijke rapport van Procureur-Generaal Mr. J. M. Kisman van 3 november 1852 en de bijgevoegde documenten:

  1. de toestemming voor huiszoeking die de waarnemend President van het Gerechtshof Mr. J. H. de Frederici op 26 augustus had verleend
  2. een eerdere toestemming voor huiszoeking die Resident Mr. P. Kiers Smeding op 29 april 1849 aan de toenmalige Procureur-Generaal had verleend

De Gouverneur besloot:

  • aan Sarqui mee te delen dat na zorgvuldige overweging van de gebeurtenissen, die door de Procureur-Generaal volledig waren toegelicht, er geen reden was om aan zijn verzoek tegemoet te komen
  • op te merken dat het, gezien de omstandigheden, beter was geweest als Sarqui en vooral zijn dochters zich niet zo lang en ongepast hadden verzet tegen het gerechtelijk bevel, waardoor
Bekijk transcriptie 


27 augustus 1790 verscheen voor notaris Dominicus van Vianen in Amsterdam de heer Johan Adolph Saas. Hij deed dit namens zijn handelsvennootschap, die de naam Haas & Compagnie droeg. Saas woonde in Amsterdam en was bij de notaris bekend.

Saas verklaarde dat hij hierbij de heer J.F. Neitsch, wonend in Suriname, aanstelde en machtigen gaf. Neitsch mocht namens het genoemde handelsbedrijf het volgende doen:

Beide heren woonden of verbleven in Suriname. Het ging om betaling van alles wat Abraham Joseph Sarqui en Hendrik van der Schaaf Junior ieder afzonderlijk verschuldigd waren aan het handelsbedrijf. Dit kon gaan om schulden uit hoofde van schuldbekentenissen, facturen, verkochte goederen, rekening courant of om welke reden dan ook, zoals uit bewijzen daarvan zou blijken.

Bekijk transcriptie 


Elian Jsrael Pacheco woonde in Paramaribo en stond op het punt om naar het vaderland te vertrekken. Hij wilde zijn testament maken en herriep daarbij alle eerdere testamenten en codicillen die hij had opgesteld.

Hij liet aan Jsak Rodrigues, Moses de Daniel Rodrigues, Jacob Iona en Sara Iona (de vrouw van Joseph van Abraham Sarqui) samen een bedrag van 2.000 gulden na. Zij waren kinderen van zijn overleden zuster, die toen getrouwd was met Abraham Iona.

Pacheco gaf de vrijheid aan zijn mulatte meisje Catrijntje, dochter van de slavin Francina. Hij droeg zijn erfgenamen op om de vrijheidspapieren bij de overheid aan te vragen en aan haar te geven, op kosten van zijn nalatenschap.

Ook gaf hij de vrijheid aan de slavin Francina, maar zij moest eerst 600 gulden aan zijn nalatenschap betalen. Dit mocht in 1 keer of in gedeelten. Wanneer zij dit bedrag had betaald, moesten zijn erfgenamen de vrijheidspapieren voor haar aanvragen en geven, op kosten van zijn nalatenschap.

Hij benoemde zijn zuster Iudit Pacheco, de vrouw van Jacob Nunes Naban, tot zijn enige erfgename. Zij hoefde geen erfportie af te staan en geen belastingen op de goederen te betalen. Deze kosten moesten betaald worden uit de opbrengsten van de erfenis. Na het overlijden van zijn eerdergenoemde...

Bekijk transcriptie 


9 februari 1582 [waarschijnlijk 1812 bedoeld]. Het verzoek van de onder punt 4 genoemde 2e verzoekster werd afgewezen omdat het door haar gevraagde stuk grond niet bekend was. Het verzoek van een andere verzoekster kon ook niet worden ingewilligd totdat de pachtgelden voor de gevraagde erven waren betaald.

De brief van de Administrateur van financiën van 1 februari werd behandeld. Er werd goedgekeurd dat een stuk grond gelegen bij de Zwartenhovenbrug straat en de Steenbakkersgracht, dat bij notariële akte van 13 december 1681 [waarschijnlijk 1811 bedoeld] in 2 gelijke delen was verdeeld, een nummer zou krijgen:

Bekijk transcriptie 


Raphael, zoon van I.B. Bibaz, ontving 64 gulden en 51 cents Nederlands courant.

De volgende bedragen werden nagelaten:

Aan de Armen Kassa van de Portugees-Nederlands-Israëlitische Gemeente werd, bovenop het eerder genoemde legaat, nog 1612 gulden en 90 cents Nederlands courant nagelaten. Dit bedrag moest door de kerkbestuurders op de veiligst mogelijke manier worden belegd om rente op te verdienen. De opbrengsten moesten 2 keer per jaar worden uitgekeerd aan de armen die door de kerk werden onderhouden: 8 dagen voor Pesach (Paasfeest) en 8 dagen voor Kipoer (grote verzoendag). Dit moest gebeuren door loting, waarbij telkens 2 loten getrokken werden en de winnende loten weer terug in de bus moesten worden gedaan. Dit moest voor eeuwig zo blijven.

Daarnaast werd 80 gulden en 65 cents Nederlands courant nagelaten, op voorwaarde dat jaarlijks op de dag van Hosahana Raba een zielengebed (Askaba) voor de overledene in de kerk in Paramaribo zou worden gehouden, eveneens voor eeuwig.

De testamentuitvoerders moesten alle voornoemde legaten aan meerderjarige personen en aan de verschillende gemeenten binnen 1 jaar en 6 weken na

Bekijk transcriptie 


J. G. Neytsch, woonachtig in de stad, verklaarde dat hij zich garant stelde als hoofdschuldenaar. Hij deed dit voor de gemachtigde van een compagnie ten behoeve van Abm Joseph Sarqui. De garantie gold voor alle proceskosten in een rechtszaak van de gemachtigde als eiser tegen Abm Joseph Sarqui als gedaagde. Deze zaak stond geregistreerd bij het Hof Civiel in 1792 onder nummer 16. Neytsch beloofde dat als de gemachtigde de zaak zou verliezen en veroordeeld zou worden tot betaling van de proceskosten, en Sarqui niet zou betalen, hij dan alle kosten als zijn eigen schuld bij eerste aanmaning zou betalen.

Bekijk transcriptie 


Joseph Sarqui diende een verzoek in voor uitstel van alle vervolgingen tegen de verzoeker voor een periode van 14 maanden. Na beraad werd besloten dat de verzoeker samen met al zijn schuldeisers moest verschijnen op 15 februari voor de heren commissarissen. Zij zouden hem horen en verslag uitbrengen aan het Hof. De verzoeker moest de oproeping hiervan op eigen kosten laten publiceren in de kranten. De deurwaarder werd aangeschreven om tijdens de beraadslagingen over dit verzoek de vervolgingen tegen de verzoeker op te schorten. Er zou een uittreksel van het besluit aan de verzoeker worden gegeven.

De commissarissen van de Rol rapporteerden over verschillende verzoeken om dagvaardingen. De volgende partijen waren met elkaar tot overeenstemming gekomen en hadden hun overeenkomsten op de griffie gedeponeerd:

  1. Aron Jacob Polak voor de boedel Jacob Emanuels tegen C. Tollensteede voor de boedel N. Sallibrie
  2. Van 5 januari: dezelfde voor de boedel Jacob Emanuels tegen Mos. H. Cotino
  3. S. H. Franke en Shoniglowgg voor D. Bennernagel tegen Cell van Nessel (geboren de Landzolle) plante klaagster namens de weduwe Aeelere
  4. L. Lutz, W. Leckie, Missarstuers en John Sowerby voor de firma van John Black en Compagnie tegen Jacob Soesman
  5. Lobato en Lourada tegen J. fet Welkens
  6. Van 5 januari 1819: J. Gaveryne voor Espreeuw tegen F. Linck
  7. Lobato en Lourada tegen Joseph Sarqui
  8. Lobato en Lourada tegen Cell Neeter
  9. Monsanto fils tegen G. van Lienen voor de firma van Schiels, van Lienen
  10. De Delprado tegen H. Stenhuijs
  11. Sichot Wildeboir tegen M. S. Schuster
  12. De weduwe Salomin Abrahams tegen de weduwe Sarrvellores Robles de Leelena en borg I. Robles
  13. G. Penlff en B. Weessenbruchgg voor Joseph Oyma tegen Antoinette van Paterson
  14. M. Scholtsborg tegen de erfgenamen van wijlen Robles de Leelena en borg S. Delmonte
  15. Weesmeesteren der Portugees-Joodse gemeente voor de boedel van de weduwe G. G. Pobato tegen
Bekijk transcriptie 


Judith, weduwe Nabaro, zou twee derde van de rente ontvangen en Sara Sargui (geboren Iona), de nicht van de testator, één derde. Als de erfgenaam of erfgenamen binnen de vastgestelde periode van 6 jaar in de kolonie aanwezig waren, zou de erfenis meteen worden uitgekeerd. In dat geval zou aan zijn zuster Judith, weduwe Nabaro, 5.000 gulden worden geschonken en aan zijn nicht Sara Sarqui (geboren Iona) 2.000 gulden, ter vergoeding van de eerder vermaakte rente.

Als na 6 jaar de omstandigheden het niet toelieten om de erfenis over te maken, of als de erfgenaam geen gevolmachtigde stuurde om de erfenis op te eisen, wilde de testator dat zijn nalatenschap opnieuw op rente werd gezet en de rente werd uitgekeerd zoals eerder beschreven, totdat de omstandigheden dit beter zouden toelaten.

De testator benoemde tot uitvoerders van zijn testament en beheerders van zijn nalatenschap:

Zij konden samen of ieder afzonderlijk handelen. Bij overlijden, weigering of afwezigheid van een van hen zou Philip Machiel Bromet in de plaats komen. Hij gaf hen alle benodigde macht en gezag.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/