Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Johan en Hendrick hadden geschreven dat de goederen alleen aan Octavio en Govert mochten worden gestuurd, en dat Georgie Swellengrebel daar niets mee te maken mocht hebben. Zij beloofden dat zij van die waren goede rekening zouden doen. Johan en Hendrick hebben met het schip op hun verzoek de goederen gestuurd en geschreven dat zij de 40000 rijksdaalders, die zij met de eerste schepen hadden gestuurd, van de eerste verkoop van de goederen zouden inhouden. De rest was in totaal 110000 roebels, die Johan en Hendrick elk voor de helft kregen, dus elk 55000 roebels. Van de 40000 rijksdaalders kreeg ieder ook de helft, dus 20000 rijksdaalders ofwel 10000 roebels. Die 10000 roebels zijn voor Johan zijn helft op rekening van de bovengenoemde goederen, die zij van de grote heer Zijn keizerlijke majesteit uit de schatkist hebben ontvangen. Dit was betaald aan de kooplieden, te weten aan de heer Swersshoff en compagnie, en aan inkoop van goederen, papier, salpeter en andere onkosten, zodat door Johan en Hendrick bijna 20000 roebels was betaald. Wat Hendrick Sellengrebel boven zijn 20000 rijksdaalders heeft ontvangen, daarvan moesten zij rekening doen. Toen hij, Jan van Sweeden, in het vorige jaar 1721 in de maand mei bij Tensini en vander Raeck in Amsterdam kwam om een behoorlijke rekening te vragen, is hij bij de huizen van Tensini en vander Saeck veelvuldig geweest om een behoorlijke en juiste rekening onder hun handtekening te krijgen, zodat hij die rekening aan eerlijke mensen kon tonen. Over die rekening heeft hij vele keren om uitleg gevraagd in aanwezigheid van Jacob vander Hulst. Zij hebben hem, Johan, alleen een lijstje laten zien en geen rekening gedaan. Zij zeiden dat zijn, Johans, gelden nog uitstonden en niet ontvangen waren. Toen de schepen van Amsterdam naar Archangel begonnen te vertrekken, is hij gereisd met Isaacq Sulz.

Bekijk transcriptie 


Pieter de la Dale schreef in zijn antwoord dat hij in september 173 aanwezig was op de jaarmarkt in Archangel. Daar vroeg hij aan de tsaar om hulp met betrekking tot een Hollandse koopman Daniel Hartma en een Hamburger Philip Vervoorten. Hij gaf een verzoekschrift aan de gouverneur Esix Joanoobitz Lerba en aan de kanselier om hen voor de rechter te brengen vanwege de zaak van een Hollandse koopman Jan van Sweeden. Dit gebeurde op verzoek van Jan van Sweeden zelf. Pieter had te lijden onder Daniel en Philip in verband met deze zaak.

In 170 had Jan van Sweeden en Henrick Swellengrebel een contract gesloten met de tsaar voor de aankoop van Russische goederen zoals potasch, weedasch, hennep en andere waren. Deze goederen moesten in Archangel worden ontvangen in juli, augustus en september voor een waarde van ongeveer 100.000 roebel en meer.

In mei 171 schreven Jan van Sweeden en Henrick Swellengrebel vanuit Amsterdam naar Octavio Censins, Govert van der Raeck en George Swellengrebel. Ze meldden dat ze van de tsaar uit de schatkist potasch, weedasch, hennep en andere Russische waren hadden gekocht zonder kosten voor 104.000 roebel. Octavio en zijn compagnons moesten 10 schepen sturen om deze goederen op te halen en met winst te verkopen. Ze moesten 40.000 goede rijksdaalders naar Johan en Henrick sturen. In plaats daarvan stuurden Octavio en Govert in juli van datzelfde jaar 11 schepen en 40.000 goede rijksdaalders naar hen.

Bekijk transcriptie 


Octavio Tonsini en Govert van der Saeck werden er valselijk van beschuldigd dat zij goederen in beslag hadden genomen. Er werd beweerd dat zij grote bedragen aan geld onrechtmatig hadden vastgehouden en dat zij niet wilden afrekenen. De zaak werd volledig beschreven in een brief van hun hoogmogende (autoriteiten) die 9 februari aan zijn Tsaarsche Majesteit was overhandigd. Daaruit bleek dat de Hollandse kooplieden hun goederen niet vasthielden. Toch werden deze goederen in beslag genomen, vielen zij hun pakhuizen binnen, legden hen boetes op en plaatsten soldaten in hun opslagplaatsen. Deze handelingen waren tegen alle recht en billijkheid.

Ambrosius verzocht aan de grote heer zijn Tsaarsche Majesteit dat de onrechtvaardige handelingen die door opdracht van Jan van Sween door Pieter de la Dale in Archangel waren uitgevoerd, onderzocht zouden worden. Hij vroeg dat zij alle kosten en schade die Octavio, Govert, Philip Vervoorten en Daniel Hartman samen hadden geleden door aangiftes van Jan van Sween en Pieter de la Dale moesten betalen. Wat Jan van Sween nog van Octavio Tensini en Govert van der Raeck mocht vorderen, zou aan hem vergoed worden zodra hijzelf of een gemachtigde namens hem naar Amsterdam zou komen of sturen. Als Octavio en Govert niet bereid zouden zijn om volledig af te rekenen en volledige betaling te doen, zou vanwege hun hoogmogende zo goed recht gegeven worden als overal passend en behoorlijk was.

Hierop werd door opdracht van de grote heer zijn Tsaarsche Majesteit over deze zaak Pieter de la Dale en Jan van Sween, de Hollandse kooplieden, ondervraagd. Van dit onderzoek werd een schriftelijk antwoord onder hun eigen handtekening afgenomen.

Bekijk transcriptie 


Henrick en Firano hebben geen vereffening gemaakt omdat de gelden en goederen niet volledig zijn geleverd volgens de afspraak aan de tsaar. De tsaar heeft veel schade toegebracht aan de verkochte goederen omdat deze nog in Archangel liggen.

De kooplieden Joan Clunsen en Alex Souchanoff hebben gezegd dat zij een vierde deel van de prijzen van 12.000 hebben ingehouden en niet hebben uitbetaald, doordat ze in plaats van 84 maar tot 69 hebben betaald. Daardoor hebben ze Frans 400 roebel te weinig gegeven. Frans heeft over Ivan en Alexe gelogen. Hij heeft uit de schatkist van de tsaar geld ontvangen en de Europese waren vrijwillig in de schatkist van de tsaar geleverd in aanwezigheid van veel overzeese kooplieden. De waren, zijn lakens die van hem ontvangen zijn, zijn niet meer dan 86,26 waard.

In het geschreven stuk staat dat in 162 Jan van Sweeden vanuit Amsterdam veel waren heeft gestuurd naar de kooplieden Octavio Tensini en Govert vander Laeck en hen opdracht gaf deze voor hem te verkopen. Zij hebben daarop veel gelden aan Jan van Sweeden gegeven en betaald, wat aangetoond kan worden als hijzelf of iemand namens hem naar Amsterdam komt om af te rekenen. Jan van Sweeden deed alsof hij geen rekening van hen kon krijgen en heeft om onbekende redenen zonder enig schriftelijk of vast bewijs besloten om in Archangel de huizen van de kooplieden Daniel Hartman en Philip Verpoorten binnen te vallen.

Bekijk transcriptie 


4 juni 1659 schreven de Afgevaardigden van de Classis (kerkelijk bestuur) van het Eiland van Schouwen en Bergen op Zoom een verzoek. Ze wilden naar Den Haag komen om een zaak te bespreken met de Gedeputeerden. Het doel was om de zaak definitief af te handelen en daarmee schandalige praatjes van de monniken tegen de Staat en de kerk te stoppen. De Afgevaardigden beloofden ondertussen te blijven bidden voor de personen en de loffelijke regering. De brief was ondertekend namens allen door Arnoldus Fiuson, schrijver van de Classis.

Een vertaling van een brief uit Moskou volgde, ontvangen op 10 juni 1669. De brief was van de grote heer en grootvorst Alexei Michaelewets, zelfheerser van heel Groot en Klein Rusland, met vele titels waaronder:

Alexei Michaelewets schreef aan de Staten van de Verenigde Nederlanden, Holland en andere vorstendommen. Hij had een buitenlandse koopman uit het Rooms-Duitse Rijk, Johan van Zweden en compagnons, gestuurd om zeldzaamheden, zilveren en tinnen voorwerpen en wapens te kopen voor zijn keizerlijke schatkamer. Hij verzocht dat wanneer zij in Holland aankwamen, zij in alle Hollandse steden en gebieden vrijelijk handel mochten drijven. Ze moesten zonder belemmering of lastigvallen met hun gekochte waren en meegekomen mensen naar het Moskovische rijk kunnen doorreizen. In ruil beloofde de grote heer de Hollandse onderdanen in zijn rijk volledig te beschermen. De brief was geschreven in Moskou op 12 maart in het jaar 7167 (volgens de schepping van de wereld).

Bekijk transcriptie 


15 december 1637 werden Gerrit van Oostraum, Willem Matheus van Oosterinne en Rubbert Jansen vermeld. De notaris was G. van Waeij. Er werd verwezen naar het jaar 1632.

Bekijk transcriptie 


Op de datum van dit document kwamen Geert Matheusz van Oosterum en Willem Matheusz van Oosterum, broers en enige erfgenamen van Aeltje Matheusz Jansz van Oosterum en Aeltje Gerrits, hun vader en moeder die beiden overleden waren, tot een overeenkomst. Ze spraken het volgende af voor henzelf en hun erfgenamen:

Bekijk transcriptie 


Maria Bitter en Gevryt Bitter kregen van hun vader Harman Bitter (door zijn vrouw en hun moeder vertegenwoordigd omdat hij niet aanwezig was) volledige toestemming om bepaalde geestelijke gronden en huizen te verkopen die gelegen waren in de Aelbensberg. Deze eigendommen had Maria geërfd van Jonckvrouw Caterina Bitter, weduwe van Flons van Intphaes en hun tante. Harman beloofde de verkoop aan de kopers over te dragen en kwijting te geven in de beste vorm. Zijn vrouw beloofde dit voor altijd goed te keuren, alsof Harman het zelf had gedaan. 17 november 1593 werd dit gedaan in de herberg de Gulden Valk in Haarlem, met Pieter Doessen en Henrick Willemsz als getuigen.

Er werd een huwelijkscontract gesloten tussen Hubrecht Henrixsz, trompetter die in de Blekerij van de Draef woonde en nu poorter van Haarlem was, en Margriet Croocks van Gent. De voorwaarden waren:

Beide partijen verklaarden hiermee akkoord te zijn en beloofden dit na te komen. 25 november 1593 werd dit gepasseerd in Haarlem in het huis van de notaris in de Lange Begijnenstraat, met Pieter de Clercq en Pieter Henrixz als getuigen.

Mr. Ghijsbrecht van Tenesse gaf volmacht aan Dirck Cornelisz, wonende op de Burg in Texel, om in zijn naam percelen land die hij op het eiland Texel bezat te verhuren en daarvoor huurcontracten op te stellen alsof hij er zelf bij aanwezig was. Hij beloofde deze verhuring te erkennen alsof hij het zelf had gedaan. 18 november 1593 gebeurde dit met Jan Bont en Erbes Leven als getuigen.

Bekijk transcriptie 


27 april 1597 verschenen voor notaris Adriaen Rattebel voor zichzelf en Pouwels Bate als man en voogd van Tanneken Ruttebel. Beiden waren kinderen van Paulyne Croop, zuster van wijlen Margriete Croop. Margriete was in haar leven de vrouw van Huybert Trompel geweest. Zij verklaarden dat Huybert hen hun vierde deel had uitbetaald dat hen toekwam in een zestiende scheepsdeel van een schip genaamd de Zwarte Ruyter. Dit schip werd bestuurd door oude Pieter Jacobsz. Huybert bezat dit scheepsdeel in lijfrente en had het gekregen van Margriete Croop. Hierdoor mocht Huybert het voortaan als zijn eigen erfgoed houden voor hem en zijn erfgenamen. Zij gaven Huybert hiervoor kwijting voor nu en altijd, zonder nog enig recht hierop te behouden. Dit gebeurde te Haarlem in de woning van de notaris aan het Spaarne, met als getuigen Adriaen Centen, bleker, en Claes vanden Wege, poorters of inwoners van dezelfde stad.

2 maart 1597 verschenen voor notaris Adriaen Willemsz Emploris van der Kindert, tafellakenwerker uit Kortrijk, en Jaques Noose als oom en bloedvoogd van de 4 nagelaten kinderen van wijlen Mayken Ken Noese, zijn zuster, ook uit Gent. Deze kinderen waren verwekt bij Emploris en heetten: Tanneken (24 jaar oud), Janucken (23 jaar oud), Joos (20 jaar oud) en Robert (14 jaar oud). Zij verklaarden dat zij overeenstemming hadden bereikt over de moederlijke goederen van de kinderen. Na onderzoek van de boedel en aftrek van schulden werd het zuivere bedrag vastgesteld op 62 pond en 4 schellingen groot Vlaams. Hiervan zou Joos, een van de kinderen die gebrekkelijk was, voor zichzelf 2 pond groot Vlaams buitennemen. De resterende 60 pond en 4 schellingen groot Vlaams zou in tweeën gaan: de helft aan Emploris van der Kindert en de andere helft aan de 4 kinderen, zodat het deel van de kinderen 30 pond en 2 schellingen groot Vlaams bedroeg. Emploris zou dit bedrag aan de kinderen opleggen wanneer zij getrouwd zouden zijn of meerderjarig geworden, waarbij hij daarover rente zou geven zolang hij de kinderen onderhield. Hij verbond hiervoor zijn persoon en al zijn roerende en onroerende goederen, huidige en toekomstige. Dit gebeurde te Haarlem in de woning van de notaris aan het Spaarne, met als getuigen Pieter Pietersz, stadstimmerman, en Henrick Willemsz Spaengniaert, schoenmaker, beide poorters van dezelfde stad.

Bekijk transcriptie 


Gerardt vander varent benoemde voogden voor zijn kinderen en hun erfgoed. Deze voogden kregen volledige bevoegdheid om eerst al zijn schulden te betalen en de boedel af te wikkelen. Daarna moesten de voogden het resterende vermogen, bestaande uit erfgoederen of andere bezittingen, met gezamenlijke stemming op de best mogelijke manier ten behoeve van de kinderen beleggen. De voogden mochten geen geld of goederen voor zichzelf houden. Als een van de 4 oorspronkelijke voogden zou overlijden, mochten de 3 overgebleven voogden samen een vierde persoon kiezen als vervanger met dezelfde bevoegdheden.

De testateur verklaarde dat hij graag een legaat wilde doen aan Tanneken vanden vaert en zijn zusters, en aan Henrick Nederhouden zijn zwager, mits zij garandeerden dat alle schulden te Frankfurt goed zouden worden voldaan. Hij gaf Tanneken en de haren een legaat van 300 gulden van 40 groten per stuk, en aan Henrick Nederhouden 50 in dezelfde munt. Dit gold alleen als de schulden te Frankfurt inderdaad werden voldaan.

Gerardt vander varent verklaarde dat dit zijn testament, laatste wil en uiteindelijke wens was. Hij wilde dat deze als zodanig of als codicil, donatie wegens dood of tussen levenden werd beschouwd, zodat het na zijn overlijden werd nageleefd volgens het recht of goede gebruiken, ondanks eventueel ontbrekende juridische formaliteiten. Hij verzocht notaris Willems hier een of meer openbare documenten van op te stellen.

Dit gebeurde te Haerlem, in de woning van de testateur aan de St. Jans straat, in aanwezigheid van Aelbrecht Verhae van Vutiecht en Hans Sterck van Antwerpen, beide inwoners van die stad, als geloofwaardige getuigen. Zij ondertekenden het ontwerp elk met hun naam.

10 augustus 1585: Adriaen Willemz, openbaar notaris te Haerlem, ging op verzoek van Pauwels van Immenseel en zijn vrouw, samen met getuigen, naar de woning en persoon van de huisvrouw van Huybrecht Trompetter. Omdat Huybrecht afwezig was (volgens zijn vrouw was hij op de bleek), werd haar namens Pauwels het volgende verklaard:

Huybrecht had de vrouw van Pauwels laten arresteren om betaling te eisen van het bleekloon voor 44 stukken linnen. Deze linnen waren in augustus 1582 door Trompetter in de bleek ontvangen, pas in 1583 gemaakt en stonden nog steeds als onbetaald in de rekening, zoals hij in zijn verzoekschrift beweerde. Dit was echter in strijd met en helemaal in tegenspraak tot de eindkwitantie die Huybrecht op 30 juli 1585 onder zijn eigen handtekening had verstrekt aan Pauwels van Immenseel als bewijs van definitieve afrekening.

Vervolgens had Trompetter, wegens moeilijkheden over een verme

Bekijk transcriptie 


Gerburch Jans en Bartel Jansz verklaarden dat ze maandag jongstleden tussen 6 en 7 uur 's avonds een drank aan Thomas Jansz hadden gegeven. Ze hadden de drank zelf geproefd voordat ze deze aan de patiënt gaven. Thomas leefde hierna nog tot de nacht tussen dinsdag en woensdag. De getuigen zagen niet dat de drank hem kwaad had gedaan en hadden er daarom geen spijt van dat ze hem de drank hadden gegeven. De drank was Thomas zeer aangenaam en hij kreeg er natuurlijke functies van terug zoals drinken en naar het toilet gaan.

Hans Hunbertsz, een trompetter, verscheen ook. Hij verklaarde onder ede dat hij op ernstig verzoek van Bartel Jansz de zieke Thomas Jansz had bezocht om hem moed in te spreken, ondanks dat deze er slecht aan toe was. Dit gebeurde binnen Haarlem op 21 maart 1706.

Hans Hunbertsz voegde later aan zijn verklaring toe dat meester Wouter niets negatiefs tegen hem had gezegd. Ook had hij sinds het bezoek van meester Wouter tot aan zijn getuigenis niet meer met hem over de patiënt gesproken. Dit werd vastgelegd op 12 maart in Haarlem.

Op 4 maart 1706 rond 18:00 uur verscheen Fijtgen Cornelis, de nagelaten weduwe van wijlen Willem Dircxsz, voor de notaris. Ze was ziek maar had volledig gebruik van haar verstand, geheugen en spraak. Ze wilde een testament maken naar eigen vrije wil.

In haar testament deed Fijtgen het volgende:

Het testament werd opgemaakt in haar woonhuis op het Bagijnhof in aanwezigheid van Jan Dircxsz (kleermaker) en Pauwels Tros (schilder) als getuigen.

Op 12 maart 1706 verscheen Symon Dircxsz in Bekijk transcriptie 


Op deze datum in Amsterdam werd alles vereffend en afgerekend. Van Sweeden moest een goede en passende kwitantie verlenen ten behoeve van de heren Iem sui en Van der Raeck bij de ontvangst van het afgesproken geld. Dit gebeurde in aanwezigheid van de heer Hendrick Scholten, de heer Guillielmo van der Voort, Back Ruts en David Butler, die optraden als scheidsrechters en bemiddelaars bij het tot stand komen van deze overeenkomst in Amsterdam. Het document werd ondertekend door Octavio Lensing, Jan van Sweelen, Gonert van der Braech, Paala But, David Butler, Hend. Scholte en Guit. van der Vort.
Bekijk transcriptie 


16 februari 1543: Hiltgen Loodewycx, weduwe van Lambert van Dale, en Loodewyk van Dale, wonend in Haarlem, gaven samen met hun broers en zussen als erfgenamen van de eerdergenoemde Lambert van Dale een volmacht aan Gerardt vander Burch, een advocaat. Hij moest namens hen procederen bij de Hoge Raad en het Hof van Holland tegen de erfgenamen van jonkheer Barthout van Assendelft en Hans Lambert Hubertsz, een trompetter, en alle anderen. Dit gold zowel voor het eisen als het verweren en alle rechtszaken, volgens de regels van de Hoge Raad en het Hof van Holland. Getuigen waren meester Jan Bont en Willem van Trier, burgers of inwoners van Haarlem.

11 februari 1598, omstreeks 8 uur 's ochtends: Voor notaris verschenen de eerbare personen Claes Cornelisz Geltsacq en Guerthen Laurens, zijn echtgenote, burgers van Haarlem. Zij waren gezond van geest en lichaam, met volledig gebruik van hun verstand, geheugen en spraak. Zij verklaarden uit vrije wil dat zij, dagelijks denkend aan de broosheid van het tijdelijke leven dat als een schaduw op aarde vergankelijk is, aan de zekerheid van de dood en de onzekerheid van het tijdstip daarvan, graag over hun aardse goederen wilden beschikken naar hun wens. Na christelijke aanbeveling van hun ziel en lichaam maakten zij hun testament en laatste wil.

Bekijk transcriptie 


Op 26 november 1666 kwamen de heren Octavio Tensinij en Govert van de Raeck aan de ene kant en heer Jan van Sweeden aan de andere kant tot een overeenkomst over een rekening.

De afspraken waren als volgt:

Van dit totaalbedrag van 16.375 gulden, 14 stuiver en 8 penningen werd afgetrokken: 4.499 gulden en 12 stuiver. Dit bedrag had Jan van Sweeden namelijk namens Tensinij en Van der Raeck toegewezen aan Aernout Beltjens en Philip Verpoorten, en het was aan hen betaald voor rekening van Van Sweeden.

Daardoor resteerde voor Van Sweeden nog: 11.876 gulden, 2 stuiver en 8 penningen.

Hiermee werden alle rekeningen die de heren Ten Sin en Van der Raeck met Van Sweeden tot die datum hadden gehad afgesloten en nietig verklaard, zonder uitzondering.

Bekijk transcriptie 


Mattheus Butler werd geautoriseerd om goederen en koopmanschappen die hij had ingekocht te betalen, tegen de prijs waarvoor ze hier in het land waren gekocht, inclusief de belastingen daarvan volgens de rekening.

Alle goederen en koopmanschappen die nog onverkocht in Sevilla en elders in Spanje aanwezig waren en aan de Compagnie toebehoorden, zouden in handen en onder beheer blijven van Mattheus Butler.

Voor de spellen die door Jacob Claesz hier in het land voor rekening van de Compagnie waren ingekocht en in Spanje gehouden en ontvangen waren, zou Schouwenburch voor zijn aandeel verantwoordelijk blijven en zou dit tot last en risico van Butler blijven, tegen de inkoopprijs. Butler bleef verplicht dit te betalen.

Butler moest Schouwenburch vrijwaren tegenover degenen aan wie de onverkochte goederen toebehoorden, mits de kosten en belastingen die daarop waren uitgegeven aan Schouwenburch door Butler werden terugbetaald, volgens de daarvan zijnde rekening en voor zover het Schouwenburchs aandeel betrof.

De lading die door Matheila Croix aan hen was gezonden en gefailleerd was, en door zijn curators aan Butler was verkocht, bleef alleen voor rekening van Butler, en Schouwenburch moest daarvan rekening doen, met aftrek van de daarop uitgegeven belastingen.

De laatste lading die door Butler naar Malaga en Madrid was verzonden en daar gearriveerd was met het schip de Witte Valck, schipper Bathasar Bulder van Lübeck, zou alleen voor rekening van Butler zijn en blijven, evenals de andere goederen en koopmanschappen die sinds die tijd naar die plaatsen en elders in Spanje waren verzonden, zowel door Butler als anderen, en alles wat aan Butlers broer was geconsigneerd met de retouren daarvan.

Omdat Schouwenburch verklaarde dat hij voor rekening van de Compagnie verschillende goederen en koopmanschappen aan Elias Stael had gezonden, die hem in commissie had gediend, en dit meer bedroeg dan wat hem toekwam over wat van zijn goederen was geproduceerd, stemde Schouwenburch ermee in en gaf Butler toestemming om van die persoon terug te vorderen alles wat hij meer door retouren had genoten en ontvangen dan hij zou moeten hebben, mits wat hij daarvan zou verkrijgen door Schouwenburch in zijn rekening zou worden gevalideerd.

Schouwenburch moest ook aan Butler vergoeden en teruggeven wat hij zowel hier in het land als in Spanje had betaald tijdens het begin van de Compagnie tot het moment dat Butler voor de laatste keer in Spanje was gearriveerd, aan zijn kleding hier in het land en in Spanje, en aan reis- en mondkosten respectievelijk, zoals zou blijken uit de daarvan gehouden

Bekijk transcriptie 


18 maart 1584 werd er een overeenkomst gemaakt tussen Heiltgen Lodewycks, de weduwe van wijlen Lambert van Dale, wonend in Haarlem, die optrad voor zichzelf en namens haar kinderen aan de ene kant, en Hans Hubertsz aan de andere kant. Ze werden bijgestaan door Lodewyck van Dale, haar oudste zoon. De overeenkomst werd vastgelegd door notaris Michiel Jansz van Woerden.

De inhoud van de overeenkomst was als volgt:

  • Ze gingen een verbintenis aan voor 4 jaar om samen te bleken, waarbij ze de winst en het verlies zouden delen zoals God het zou geven.
  • Het eerste jaar zou ingaan op 18 maart 1584 en eindigen op 18 maart 4 jaar later.
  • Het betrof de blekerij die op dat moment toebehoorde aan Heiltgen van Dale, gelegen in Santpoort bij Velsen.
  • Hans zou de blekerij overnemen met alle gereedschappen, gebouwen en karren die Heiltgen op dat moment had, plus 4 bedden met elk een paar lakens en een deken.
  • Heiltgen of haar kinderen zouden dezelfde spullen terugkrijgen na afloop van de 4 jaar via een specificatie.
  • Als er iets kapot ging, moesten Hans Hubertsz en Heiltgen dat samen laten repareren op gezamenlijke kosten.
  • Hans Hubertsz moest de blekerij beheren op de beste manier zoals een meester dat behoort te doen, zonder moeite voor Heiltgen.
  • Als Hans meer gereedschap nodig had of reparaties aan dijken of andere zaken moest doen, zou hij dit kopen en laten repareren op gezamenlijke kosten.
  • Spullen die aan het einde van de 4 jaar meer waren dan bij aanvang en die Hans voor hen beiden had gekocht, zouden ze half om half delen.
  • De winst of het verlies van elk jaar zouden ze samen delen, elk de helft, waarbij Hans elk jaar rekening moest doen zoals gebruikelijk was.
  • Hans Hubertsz moest al het werk doen dat een meester hoort te doen, zonder daarvoor arbeidsloon of mondkosten te ontvangen.
  • Heiltgen van Dale zou geen huur ontvangen voor haar blekerij, maar de blekerij stond tegenover het arbeids- en onderhoudsloon van Hans Hubertsz.
  • Ze zouden samen de winst en het verlies delen.

Beide partijen verbonden hun persoon en goederen, zowel aanwezig als toekomstig, om deze overeenkomst getrouw na te komen. Dit gebeurde in Haarlem in aanwezigheid van getuigen Hubert Trompetter, Jorden Lodewycks en Pieter Janssz.

De akte werd gepasseerd op 13 maart 1584 ten huize van de notaris in Haarlem en ondertekend op 14 december 1588

Bekijk transcriptie 


20 september 1602: Jacques Chette, koopman en poorter in Haarlem, ongeveer 40 jaar oud, verklaarde op verzoek van Hans Huybertsz (trompetter, bleker en poorter binnen Haarlem) het volgende:

  • Ongeveer 10 weken geleden hoorde hij bij het huis van Pieter Bruyninck dat de vrouw van de verzoeker, genaamd Elsgen Jans, een discussie had met Jacob Verbrugge.
  • Het ging over 5 stukken linnen die zij of haar man ongeveer een jaar geleden aan Jacob hadden meegegeven om in Zeeland te verkopen.
  • Elsgen vroeg waarom hij het linnen niet had teruggebracht, hoewel zij hem dat meerdere keren had opgedragen toen hij naar Zeeland reisde.
  • Jacob Verbrugge antwoordde dat hij wilde dat hij dat gedaan had.
  • Later, toen de getuige en Jacob Verbrugge opnieuw over deze zaak spraken, zei de getuige dat Jacob verkeerd had gehandeld door Elsgens opdracht niet op te volgen en het linnen niet terug te brengen.
  • Jacob erkende dit en zei dat hij hierin een fout had gemaakt.

23 september 1602: Notaris Egbert van Bosvelt ging op verzoek van Cornelis Claesz, brouwer in de Oliphant in Haarlem, naar het kantoor van de kerkmeesterś van de Grote Kerk in Haarlem. Daar zag hij in het register van de graven het volgende:

  • Graf nummer 3 (aan de zuidzijde, eerste tafel) en graf nummer 292 (aan de noordzijde, 41e tafel) waren beide overgezet op Floris dochter op 23 november 1574.
  • Beide graven hadden hetzelfde merkteken.
  • De notaris en de getuigen hebben dit duidelijk gezien.
Bekijk transcriptie 


Hubrecht Henricxsz, trompetter bij de graaf in Haerlem, bekrachtigde 22 mei 1601 eerst het huwelijkscontract dat 3 januari 1597 tussen hem en Mayken Hubrechts van Breda was gemaakt. Hij maakte haar een bed met toebehoren, waaronder een bedstee met peluw, 2 kussens, beddekleed, 2 paar slaaplakens, 4 slopen, 2 goede dekens met rode zijden gordijnen en bijbehorende rand.

Mocht Mayken eerder overlijden, dan zou zij als zijn weduwe eerlijk moeten kunnen leven. Hij gaf haar daarom ook het gebruik voor haar hele leven van een huisje of woning, zijnde een van de 3 huizen gelegen in het Heilig Klooster, met zijn ingang bij de doorgang van de toren van de zijlkerk.

Verder maakte hij haar voor haar leven:

  • de blok met 2 of 3 paar tinnen drinkbekers
  • 24 tinnen borden
  • 2 kannen
  • een half dozijn tinnen schalen
  • een trektafeltje waar zij dagelijks op aten
  • een besloten zitbank
  • een oosterse kist waar zij haar goed in legde
  • 6 van de beste stoelen die zij zou kiezen
  • een lege koffer van tinnen maaksel
  • 3 paar slaaplakens naar haar verkiezing
  • 3 paar slopen
  • een half dozijn tafellakens
  • het kantoorken nieuw gemaakt
  • 2 handdoeken
  • een half dozijn servetten
  • 2 of 3 stoelkussens
  • een klein koffertje
  • een linnen mutsje
  • 2 kannen
  • een half vat van ongeveer anderhalf voet

Ook zou zij alle goederen behouden die zij had ingebracht. Dit verklaarde hij zijn uiterste wil te zijn. De akte werd gepasseerd bij hem thuis in de Appelaarsteeg in Haerlem met als getuigen mr. Jan Jansz van de Goude en Willem van Haellewijn Anthonisz, poorters van Haerlem.

11 november 1601 kwam Gerrytgen Jans, weduwe van wijlen Symon Gerryts, voor de notaris. Hubrecht wilde en vocht bij dit codicil dat tot betaling van de 300 gulden die hij aan haar zusjes en kinderen van zusjes van vaderszijde had gemaakt, er zulke 300 gulden geleverd zouden worden als hoofdsom staande op renten tegen 6,5 procent per jaar, zoals hij een brief op Cornelis Claes Paeskaers te Sloterdijk had. Hiermee zouden zij tevreden moeten zijn. Mocht er meer of minder zijn, dan zou het verschil verdeeld worden onder de armen van het gasthuis binnen Haerlem.

Dit werd gedaan 3 december 1601 met als getu

Bekijk transcriptie 


Adriaen Pietersz (ongeveer 16 jaar oud), Hubrecht de trompetter (ongeveer 17 jaar oud) en meester Henrick Spoerwaters (ongeveer 31 jaar oud) verschenen voor de notaris op verzoek van Marp van Perzenwouck, zoon van Haems Huyden. Zij verklaarden onder ede dat zij eind november en begin december waren opgeroepen als scheidsrechters voor een geschil tussen de weduwe van Jan Haemssen en Willem Boen Backer over een erfkwestie betreffende een huis in de Grote Houtstraat.

Marytgen Thoreins, de weduwe van Pieter Woutsen (houtkoper), was daar ook en vertelde dat Willem Boen haar ongeveer tussen de 10 en 11 gulden schuldig was. Willem Boen erkende deze schuld in aanwezigheid van de getuigen en beloofde te betalen zodra het geschil over de huiskoop met de weduwe van Jan Thaemsz zou zijn opgelost.

Dit gebeurde op 28 januari 1638. De getuigen waren Aernt Claesz en Cornelis Barselmees.

Op 28 januari 1688 kwam Willem Moninx, koopman uit 's-Hertogenbosch wonend in Haarlem, voor de notaris. Hij was de voogd van de onmondige kinderen van wijlen Henrick en Johan Pelgroen. Hij verwees naar een eerder opgesteld testament voor notaris Georjens Knisecker in Nürnberg op 15 november 1666.

In dit testament had de testateur bepaald:

  • Zijn weduwe Susanna zou elk jaar 400 daalders (elk 24 stuivers) krijgen als lijfrente, zolang zij leefde
  • Zij zou gratis mogen wonen in een huis, zolang dit niet meer kostte dan 100 Duitse guldens per jaar
  • De vader van zijn 2 echtgenotes zou een jaarlijkse lijfrente krijgen van 100 Duitse guldens, zolang hij leefde

Deze bedragen (jaarlijks 400 daalders en 200 guldens) moesten elk jaar aan de genoemde personen worden uitbetaald.

Bekijk transcriptie 


9 oktober 1596 verklaarde meester Cornelis Schonens, rector van de grote school in Haarlem, dat enkele jaren geleden (het exacte aantal jaren kon hij niet meer zeggen) wijlen Jan Roeloffsz bij hem gelogeerd had. Jan Roeloffsz wachtte op linnen dat hij op verschillende bleekvelden rond Haarlem had laten bleken bij zijn zwager Hubrecht. Volgens Cornelis klaagde Jan Roeloffsz tijdens zijn verblijf dat een zekere Willem van Enwijck, een bleker, hem had gemaand voor een schuld. Willem had gezegd dat deze schuld afkomstig was van Hubrecht Kopelle, de zwager van Willem. Jan Roeloffsz was hier erg verontrust over omdat hij beweerde dat die schuld al betaald was door zijn zuster in Antwerpen.

Toen Jan Roeloffsz daarna ziek werd en op sterven lag (hij werd verzorgd door iemand genaamd Jan Dickers), bleef hij klagen over de eis van Willem van Enwijck voor deze schuld, die hij zeker wist niet schuldig te zijn. Toen Jan Roeloffsz zijn ziekte voelde naderen, verzocht hij dat het linnen dat die zomer gebleekt was, verkocht zou worden door Cornelis (de getuige) en Willem van Enwijck. Cornelis verklaarde dat Willem van Enwijck na de verkoop van het linnen de opbrengst naar hem toe had laten komen via de koper, om af te rekenen met de erfgenamen van Jan Roeloffsz, wat hij ook gedaan had.

Daarom kon Cornelis zich niet voorstellen dat Willem van Enwijck nog iets zou kunnen vorderen van de weduwe of erfgenamen van Jan Roeloffsz, aangezien hij het geld in handen had gehad om te verkopen en zich daaruit had kunnen voldoen. Cornelis wist niet dat Willem van Enwijck ooit geklaagd had dat hij niets verkocht had of geen geld had ontvangen.

9 oktober 1596 verscheen ook Hubrecht Heynricxsz Trompetter, een bleeker van ongeveer 25 jaar oud. Hij verklaarde dat hij in 1582 met Willem van Enwijck, zijn zwager, en diens echtgenote afgerekend had over wat zij enkele jaren daarvoor samen gebleekt hadden. Daarbij werd Willem van Enwijck onder andere aangerekend 203 gulden die van Thomisken Roeloffs ontvangen moesten worden als bleekloon. Hubrecht wist niet of Willem van Enwijck ooit geld daarvoor had ontvangen van Thomisken. Willem had hem in de lange jaren daarna dat hij in Haarlem bleekte, nooit geklaagd dat hij niet betaald was door Thomisken of geen betaling kon krijgen.

9 oktober 1596 gaf Jacob Huijsz, koopman in Haarlem, volmacht aan Lambert JanssenBekijk transcriptie 


Hubrecht Henricxsz, trompetter en bleker van de graaf, en zijn wettige echtgenote Mechtelt van Enwick woonden in Haarlem. Op zondag 22 maart 1580 kwamen zij voor notaris Michiel Jansz van Woerden om hun testament te maken.

Zij verklaarden bij gezond verstand te zijn en wilden hun bezittingen regelen. Alle eerdere testamenten werden hierbij nietig verklaard.

In het testament werd het volgende geregeld:

  • Alle goederen van het gemeenschappelijke sterfhuis, zowel roerende als onroerende goederen, schulden en vorderingen uitgezonderd, zouden bij overlijden verdeeld worden: de langstlevende echtgenoot kreeg de helft en hun kind of kinderen samen de andere helft, gelijkelijk verdeeld.
  • Als een van hun kinderen al tijdens hun leven getrouwd was uitgegeven, zou hetgeen dat kind bij het huwelijk had ontvangen aan huisraad en kleding worden afgetrokken van het erfdeel dat de langstlevende ouder aan de kinderen zou geven.
  • De langstlevende echtgenoot kreeg het volle en vrije genot van het huis met de bijbehorende kamer, staande in de Grote Houtstraat binnen Haarlem, met het erf dat aan de stad en aan de graaf toebehoorde, samen met alle meubels. De langstlevende mocht hiermee doen naar eigen vrije wil zonder tegenspraak van iemand.
  • Alle andere goederen zouden daarna verdeeld worden.
  • Als een van hun kinderen zou overlijden met achterlating van wettige nakomelingen, zouden deze kleinkinderen in de plaats van het overleden kind komen.
  • Als een van hun kinderen zou overlijden zonder wettige erfgenamen na te laten, zouden de goederen van dat overleden kind voor de ene helft gaan naar de langstlevende ouder en voor de andere helft naar de overgebleven broers en zussen. Dit gold door tot het laatste kind toe.
  • Als het laatste kind ook zou overlijden zonder wettige kinderen, zou de helft van de goederen van dat laatste kind gaan naar de langstlevende vader of moeder, en de andere helft naar de vrienden en rechtmatige erfgenamen van dat laatste kind, bestaande uit de familie van de eerst overleden ouder.

Hubrecht Henricxsz en Mechtelt van Enwick verklaarden dat dit hun testament, uiterste wil en laatste wens was. Zij wilden dat dit na hun overlijden onverbreekbaar in alle punten werd nageleefd, of dit nu als testament, uiterste wil, codicil, gift wegens de dood of anderszins gold. Dit moest stand houden ongeacht waar hun goederen gelegen waren of welke privileges, gewoonten of verordeningen van enige landen of steden er eventueel tegen in zouden gaan.

Bekijk transcriptie 


Margriete van Hogensteyn had nog 27 pond Vlaams meer schuld dan het bedrag dat zij had ontvangen. Mogelijk zou de schuld met 1 pond Vlaams meer worden wanneer zij haar schuld zou betalen.

11 oktober 1595 verklaarde getuige Jasper Schamp, tafellakenweefder van ongeveer 32 jaar oud, op verzoek van Adriaen de Lange het volgende:

  • Margriete van Hogensteyn woonde achter in de kamer van Adriaen de Lange
  • Zij had van de vrouw van Adriaen de Lange een watergang gekocht om hemelwater te lozen
  • Het water kwam vooral van haar pomp, van het wassen van groenten en kleren, en van het koken in de zomer
  • Er zou een ijzer voor staan om geen vuil door te lozen, anders zou zij haar eigen water vervuilen
  • Margriete zou voorzichtig zijn met vuil
  • De getuige zei: liever had hij de waterlozing dan niet, want dan zou er meer schoon water in zijn goot lopen en de stank zou verdwijnen
  • Margriete had de getuige zelf op haar erf geleid en gezegd: mijn huis mag door deze watergang alleen water van hemel, pomp en zomerkoken lozen, want van het schrobben kan het water daar niet in komen
  • Zij had dit gekocht omdat zij daar niet mee mocht wateren, want zij moest haar wolfskuil en een put gebruiken om haar huis te wateren en een deel van haar erf
  • Zij had deze waterlozing van de pomp gekocht omdat de wolfskuil het water niet allemaal kon verzwelgen

Getuigen waren aanwezig 14 oktober 1595: Lambertsz en Willem van Triere.

23 oktober 1595 maakten Hubrecht Henrixz, trompetter van de graaf, en zijn wettige vrouw Margriete Crox, beiden wonend in Haarlem, hun testament:

  • Hubrecht was op en Margriete was enigszins ziek en lag te bed
  • Beiden hadden volledig gebruik van hun verstand, geheugen en spraak
  • Zij wilden over hun tijdelijke goederen beschikken vanwege de broosheid van het menselijk leven, de zekerheid van de dood en de onzekerheid van het moment

Als Hubrecht eerst zou sterven:

  • Maakte hij Margriete tot erfgename van het huis met erf in de Grotehoutstraat in Haarlem (waar het wapen van de stad en graaf uithangde) met de huisraad, om tijdens haar leven te behouden
  • Hij stelde zijn 4 kinderen uit zijn eerste huwelijk aan als erfgenamen van zijn overige goederen, gelijk verdeeld, of bij overlijden van een kind de kleinkinderen in hun plaats

Als Margriete eerst zou sterven, legateerde zij aan Hubrecht het gebruik tijdens zijn leven van:

  • Al haar huizen en kamers in HaarlemBekijk transcriptie 


    Nicolaes Pouwelsz en Jacques de Clerck, beide burgers en inwoners van Haarlem, verklaarden op 27 september 1600 dat Hubrecht Geyndrixsz, trompetter, alle gelden had betaald aan Catelma Croops en haar kinderen. Dit bedrag was Hubrecht verplicht te betalen volgens het testament van de overleden Margriere Croocxs, die de zuster was van Catelma. Nicolaes en Jacques beloofden Hubrecht, zijn erfgenamen en nakomeling te beschermen tegen eventuele eisen hierover. Ze verbonden al hun roerende en onroerende goederen, zowel tegenwoordige als toekomstige, aan deze belofte. De akte werd opgemaakt ten huize van de notaris in Haarlem, in aanwezigheid van getuigen mr. Jan Bont en Willem van Trier, beiden burgers van Haarlem.

    Op 28 september 1600 verschenen Jan Hamer, afkomstig uit het vorstendom Kleef, en zijn wettige echtgenote Heiligen van Dalen, dochter van Lambrecht, voor de notaris in Haarlem. Beiden waren gezond en bij hun volle verstand. Zij wilden over hun aardse goederen beschikken door het maken van een testament. Uit echtelijke liefde en andere goede redenen bepaalden ze dat indien een van beiden zou overlijden zonder kinderen uit hun huwelijk na te laten, en Jan Hamer als eerste overleed, zijn echtgenote Heiligen van Dale zou erven.

    Bekijk transcriptie 


    Hubrecht Heynricxz, die eerder getrouwd was geweest met wijlen Margriet Croocxs, en Nicolaes Pouwelsz, als man en voogd van Jacobmyntgen Fredericx (beiden poorters in Haarlem), kwamen voor een notaris en verklaarden elkaar volledig te hebben betaald.

    Dit betrof alles wat ze elkaar schuldig waren volgens het testament van wijlen Margriet Croocxs, dat op 23 oktober 1595 in Haarlem voor een notaris en getuigen was opgemaakt.

    Hubrecht erkende dat Nicolaes Pouwelsz hem goede en volledige rekening had gedaan van:

    Er was alleen nog ongeveer 32 florins Pools als restant te innen in Danzig, die Hubrecht aan de broers- en zusterskinderen van zijn overleden vrouw had geschonken. Claes Pouwelsz zou hen dit bedrag uitkeren.

    Hubrecht kwijtscheldde hiermee voor zichzelf en zijn erfgenamen Nicolaes Pouwelsz, diens vrouw en hun erfgenamen en nakomingen van alle verplichtingen.

    Hubrecht Henricxz behield wel volgens het testament levenslang het gebruik van:

    • 4 huizen gelegen op het Kleine Heiligland in Haarlem
    • 44 gulden
    • Het levenslang gebruik van huizen en land op het Grote Heiligland
    • Het lijftocht van het paard schip en het schip schip van Oude Pieter Jacobs

    Verder zouden partijen elkaar niets meer te eisen of verwijten hebben.

    Bekijk transcriptie 


    3 januari 1597 werd er een huwelijkscontract gesloten tussen Hubert Henricxz, trompetter, en Mayken Hubrechts van Breda. Het contract werd opgesteld door notaris Michiel Jansz van Woerden, secretaris van de stad Haarlem.

    De belangrijkste afspraken waren:

    • Er zou geen gemeenschap van goederen zijn tussen de echtelieden.
    • Als Hubert als eerste zou overlijden (met of zonder kinderen uit dit huwelijk), zou Mayken meteen na zijn dood 100 Karolus guldens ontvangen en daarna elk jaar 100 guldens krijgen zolang zij leefde.
    • De kinderen en erfgenamen van Hubert moesten hiervan een goede zekerheid en borg stellen, zodat Mayken maar 1 persoon hoefde aan te spreken voor de betaling.
    • Hubert mocht bij zijn overlijden aan Mayken een bed met toebehoren en andere nuttige huisraad nalaten.
    • Als Mayken als eerste zou overlijden, zou Hubert al haar goederen behouden en hoefde hij alleen 150 guldens aan haar erfgenamen uit te keren.
    • Kinderen uit dit huwelijk zouden in de vaderlijke goederen komen, elk met hetzelfde deel als de kinderen die Hubert al had.
    • Als deze kinderen zelf zonder wettige erfgenamen zouden overlijden, zouden hun goederen naar de erfgenamen van moederszijde gaan.

    Het contract werd afgesloten in Haarlem ten huize van de notaris op de hoek van de Lange Bagijnestraat. Als getuigen waren aanwezig meester Jan Bont en Willem van Thier, beiden poorters en inwoners van Haarlem.

    Bekijk transcriptie 



    Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/