Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
Johannes Willem van den Dulk, controleur van de Brescaanse Tweeravery de Mssis, kreeg toestemming voor het legaliseren van zijn handtekening bij de resident van Treuinsan.
Johan Marthie Esche werd aangesteld als resident van Roeninsan en kreeg toestemming voor het legaliseren van zijn handtekening.
De resident van Pheribon tekende namens Dr. J. H. G. Sollewijn Gelpke, resident van Oleribon.
Secretaris Ordwyck was aanwezig bij het verzoekschrift.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 4129 / 0026 20 mei 1643, omstreeks 9 uur voor de middag, verschenen voor notaris Gerard van Waey, toegelaten door het Hof van Utrecht, en de hiertoe gevraagde getuigen Wolphert Jansz van Arnhem, kleermaker en burger van deze stad, en Jannichhen Beeints van Helmont, zijn echtgenote, beiden bekend bij de notaris. Zij verklaarden tot voogden over hun onmondige kinderen benoemd, aangewezen en gesteld te hebben:
Met de voorwaarde dat de langstlevende van de echtelieden de eerste en leidende voogd of voogdes zou zijn. Zij sloten hiermee uit de heren commissarissen ter zake van voogdijschappen van deze stad en allen anderen die anders op enigerlei wijze recht op het voogdijschap zouden kunnen hebben.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507035 / 171 10 oktober 1624 werd een octrooi verleend door Utrecht. Er waren restricties en voorwaarden voor de kinderen van neven en nichten: als een van hen zonder kinderen zou overlijden, zou het bedrag van 600 gulden over de erfgenamen worden verdeeld.
Er werden de volgende legaten (geldelijke nalatingen) gemaakt:
Het testament moest na overlijden volledig uitgevoerd worden. Dit kon als codicil (aanvulling op een testament), als uiterste wil, als schenking vanwege de dood of op andere wijze, afhankelijk van hoe het het beste erkend en gehouden kon worden.
De akte werd opgemaakt te Utrecht in aanwezigheid van getuigen: mr. Johan Portengen, Joofs van Uts en Adriaen van Bilsen, die speciaal hiervoor waren gevraagd. De akte werd ondertekend door Joannes Portengen, Adriaen van Bilsen en notaris G. van Waer in 1645.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507171 / 116 16 juni 1640, zaterdagavond omstreeks 17:00 uur, verscheen voor notaris Jacob Schoudt in Haarlem de eerbiedwaardige Tgen a Wuerug, weduwe van wijlen Olivier Huijberts van Claenburgh. Zij was oud maar nog redelijk bij zinnen, met helder verstand, geheugen en spraak.
Zij wilde beschikken over haar bezittingen en maakte haar testament. Eerst verklaarde zij dat zij samen met Olivier van Claerenbeeck 9 december 1633 voor de notaris van Ommelen van Schoorl een testament hadden gemaakt. Daarin hadden zij beschikt over hun nalatenschap. Hun 3 kinderen, namelijk Huijbert, Assuerus en Henrick van Claerenbeeck, hadden niet alleen volledige voldoening gekregen van hun vaders erfenis, maar waren ook allemaal naar hun stand uitgehuwelijkt.
Omdat er inmiddels belangrijke veranderingen in haar familie waren voorgevallen, wilde zij het testament van 9 december 1633 en alle andere eerdere wilsbeschikkingen uitdrukkelijk herroepen en nietig verklaren.
Zij benoemde tot haar enige erfgenamen: de wettige kinderen van Huijbert, Assuerus en Henrick van Claerenbeeck, zowel reeds geboren als nog te verwekken. Zij zouden alle door haar na te laten goederen in gelijke delen erven per stam. Huijbert, Assuerus en Henrick Claerenbeeck zouden elk van hun kinderens erfelijk kapitaal alleen de vruchten en opbrengsten hun leven lang trekken. Dit was als aanvulling op wat zij eerder aan onderhoud en alimentatie hadden genoten. Verder kregen zij alleen hun legitieme portie die hun volgens het recht toekwam, en niets meer.
Als de vruchten en opbrengsten ooit zouden worden aangesproken voor schulden van haar 3 zonen of om andere redenen, dan was het haar wens dat wanneer een van hen (Huijbert, Assuerus of Henrick van Claerenbeeck) daarmee te maken kreeg, in dat geval zijn aandeel zou vervallen aan zijn kinderen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 11983577 / 677 De bruigom bracht goederen ter waarde van 1.450 Carolus guldens in (20 stuivers per gulden), inclusief goederen die hij tijdens het huwelijk zou erven. De bruid bracht alle goederen die ze bezat in, zoals beschreven in een inventaris. Deze waren samen waard 3.525 Carolus guldens, naast de schulden en lasten, en naast wat haar kinderen uit een eerder huwelijk toekwam van de erfenis van hun vader. Ook haar kleding, linnen, andere stoffen, wapens en baaierd waren hiervan uitgesloten.
Er werden de volgende afspraken gemaakt:
De echtelieden en borgen beloofden deze voorwaarden na te komen. Dit gebeurde op 27 oktober 1626 (oude stijl) in aanwezigheid van getuigen: Geerts de Leeu, Aelbert van Hoddinloff, Haremken Heertsdeel, Cornelis van Acht, Cornelis Jeurijaensz., Jan de berghe, Cornelis van Tambalen, Mijpus Barkulus, Aerten Jurijaensen van Ise en Wessel Gerridtsen Borchorn.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507213 / 503 In naam van de heer, Amen. Cornelis Huijgens van Schoddenberch als broer en Corus van Lambalch als schoonbroer, samen met Hercules Politz als neef, handelden namens en met toestemming van Aelbert Huijgens van Schoddenberch, burger van Utrecht en aanstaande bruidegom, aan de ene kant. Corns van Issen, Aert van Issen en Wessel Gerrits Borchoorn als respectievelijk zwager en schoonzoon handelden namens en met toestemming van Hermantgen de Leeuw, laatste weduwe van wijlen Wouter Aelbertsz van Ravenswaeij, aanstaande bruid, aan de andere kant.
Zij maakten bekend dat tussen Aelbert Huijgens van Schoddenberch en Hermantgen de Leeuw met wederzijdse instemming ter ere van God een wettig huwelijk was afgesproken en besloten. Zij beloofden elkaar dit huwelijk op de eerst mogelijke dag met de juiste regeling te voltrekken.
Ter ondersteuning van dit huwelijk bracht de aanstaande bruidegom in bij de aanstaande bruid al zijn bezittingen, na aftrek van:
Dit bedroeg de som van 1450 Carolusguldens (elk à 20 stuivers gerekend) in vrij zuiver geld. Hiervoor stelden Cornelis van Schoddenberch, Corus van Lambasen en Hercules Polits zich samen en elk afzonderlijk borg, waarbij zij afstand deden van het recht op uitwinning en verdeling (hun rechten als borgen).
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507213 / 502 Maijcken Haubrechts, weduwe van wijlen Huubert Henricxsz trompetter, ongeveer 50 jaar oud, en Adriana Jairbs, ongeveer 32 jaar oud en dienstmeid van Huubert Henricxsz trompetter ten tijde van zijn overlijden, verschenen op 3 februari 1606 voor een notaris en getuigen in Haarlem. Zij verklaarden onder ede dat zij Huubert Henricxsz trompetter tijdens zijn ziekte hadden horen zeggen dat hij omwille van vrede het ene kind wilde behandelen als het andere en dat zij gelijk zouden delen. Verder verklaarde hij dat hij geld had geteld of gegeven aan Gillis de Clerck of Roelant Haubrechts trompetter, zijn zwager.
Michiel Deken, koopman wonend in Haarlem, ongeveer 45 jaar oud, verscheen voor de notaris en getuigen. Hij verklaarde onder ede dat hij begin mei 1606 met zijn vrouw en een brachtwagen van Amsterdam naar Haarlem reisde langs de Sparendamsche dijk. Een stuk weg van huis kreeg hij in de verte een groep ossen in het oog die langs de dijk in de richting van Haarlem gingen. Hij bleef deze ossen volgen en kwam ze steeds dichterbij. Uiteindelijk kwam hij met de wagen dichtbij tussen de dijk en het water bij een oude brouwerij, 's avonds rond 18:00 uur. Hij vond de ossen met Claes Joost en een drijver die de ossen gestadig voortdreven. Na hem te groeten en een weinig verder te rijden, hoorde hij rumoer van een man te paard die kwam aanrijden. Er was niemand anders in de buurt dan alleen Claes Joost, zijn drijver, de man te paard en de wagen waarop de getuige zat. Door het rumoer liet de getuige de wagen stilhouden en hoorde hij schreeuwen en schelden tussen Claes Joost en de man te paard. De getuige verklaarde verder dat hij toen hij met de wagen voorbij de hoeve van Jacob Janssz kwam, zag dat een ossenweider van Haarlem daar bepaalde ossen liet weiden, die volgens hem diezelfde dag ook uit Utrecht waren gekomen.
Gedaan te Haarlem op 6 februari 1606 voor getuigen, door Albert Oiryz en Michiel de Kevan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975181 / 356 Mechtelt Claes en anderen gaven toestemming voor de verbouwing van 4 kamers. Deze kamers waren ontstaan door de afbraak van een vijver, zoals bepaald in het testament van Lucia Jans vander Molen. De kamers hadden dringend reparaties nodig omdat ze anders zouden instorten. Voor deze reparaties was veel geld nodig. Uit een eerdere regeling bleek dat de minderjarigen uit de erfenis van hun peettante nog 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen toekwam. Mechtelt Claes had daar haar leven lang recht op als lijfrente.
De aanwezigen wilden en stemden ermee in dat Jan Claesz de Vrij, hun broer en zwager, de reparaties van de 4 kamers goed en volledig zou laten uitvoeren. Hij mocht daarvoor meteen het bedrag van 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen gebruiken dat hij volgens de eerdere regeling had moeten beleggen. Ook mocht Jan Claesz de Vrij ten laste van de kamers en voor de reparaties nog eens 200 gulden meer of minder lenen als hij dat nodig vond. De reparaties moesten het eerst en zo snel mogelijk gebeuren.
De aanwezigen stelden Jan Claesz de Vrij onherroepelijk aan om de reparaties te laten uitvoeren, de 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen en het extra geld tegen rente te lenen en voor de reparaties te gebruiken. Zij beloofden onherroepelijk te zullen respecteren wat Jan Claesz de Vrij hierin naar zijn eigen inzicht zou doen. Dit alles onder verpanding van hun personen en goederen.
Dit werd gedaan en gepasseerd in de stad Utrecht in het huis van Jan Claesz de Vrij aan het Buurkerkhof, in aanwezigheid van Jacob Dionysz van Gelder en Gerrit Wesselsz Borthorn, beide burgers van Utrecht, als getuigen.
Op 29 juli 1620 verscheen Jacob Cuijpers, burger van Utrecht, als beheerder van de nalatenschap van wijlen Pieter Bahuet, de broer van zijn overleden vrouw.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506912 / 70 Jan Claesz de Vrij, burger van Utrecht, kwam voor de notaris. Hij handelde voor zichzelf en als voogd van de 2 onmondige kinderen van Ghijsbert Roeloffs en Mechtelt Claes de Vrij (zijn zus). Ook Mechtelt was aanwezig, voor zichzelf en met een volmacht van Willem Moer, soldaat in de compagnie van kapitein Thomas Pantons. Die volmacht was 1 mei 1620 (nieuwe stijl) in Hoorn gepasseerd voor notaris Hendrick Hesselsz vande Wel. Verder was er Jannichgen Claes de Vrij, weduwe van wijlen Jan Harmansz van Dorsten, bijgestaan door Hendrick Berntsz van Casteel als haar gekozen voogd. Zij waren allemaal erfgenamen van wijlen Lucia Jans vander Molen, hun moeder en grootmoeder.
Zij verklaarden vriendschappelijk overeenstemming te hebben bereikt en een boedelscheiding te hebben gemaakt volgens 2 testamenten van Lucia. Deze waren gepasseerd voor notaris Johan Anthonisz Wttenwael en getuigen in Utrecht, één op 9 juni 1609 en de ander op 4 december 1611.
De regeling hield het volgende in:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506912 / 50 10 april 1620 kwam notaris Niclaes van Lostadt op verzoek van Jacob Dionijsz van Gelder (weduwnaar van Lucia Jans dochter vander Molen), Jan Claesz de Vrij, Jannichgen de Vrij (weduwe van Jan Harmansz van Dorsten) en Mechtelt de Vrij (vrouw van Willem Moer, bijgestaan door haar voogd Henrick Bernts van Casteel) samen in het huis van de overleden Lucia in Utrecht. De genoemde personen waren allemaal kinderen van Lucia Jans dochter vander Molen.
De notaris opende en las daar de volgende documenten voor die Jacob Dionijsz aan hem had gegeven:
Na het voorlezen gaf de notaris alle documenten terug aan Jacob Dionijsz.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6506912 / 42 Aeltgen Denijs beloofde haar dochter (de aanstaande bruid) 1.200 Carolusguldens uit te betalen. Dit geld kwam uit de nalatenschap van haar vader. De helft moest direct bij het voltrekken van het huwelijk worden betaald, de andere helft binnen een jaar daarna. De bruid bracht ook 100 Carolusguldens mee die haar waren nagelaten in het testament van Wouter Aelbertoen. Dit geld was nog in het bezit van haar moeder. De bruid behield haar lijftocht (onderhoudsgeld) tot een eventueel hertrouwen, zoals haar man dat ook had. Dit alles kwam bovenop haar kleding en sieraden die ze op dat moment bezat. De moeder beloofde ook de bruiloftskosten van de bruid te betalen, zonder hiervoor iets af te trekken, en stelde de bruid vrij van alle schulden en lasten. De bruid moest wel zelf de beide bruidskledij betalen die voor de aanstaande bruiloft gemaakt zou worden, en dit zou van de tweede termijn van haar medegave of vadersgoed worden betaald.
Tussen de partijen was afgesproken dat bij ontbinding van het huwelijk van de waarde van de kleding 200 Carolusguldens zou worden afgetrokken van het door haar ingebrachte huwelijksgoed.
Bij overlijden van een van beide aanstaande echtgenoten, met of zonder kinderen, zou de langstlevende aan de ene kant en de kinderen of erfgenamen van de eerst overledene aan de andere kant elk hun eigen ingebrachte goederen, kleding en sieraden terugkrijgen. Ook goederen die tijdens het huwelijk waren geërfd, zouden naar de respectievelijke erfgenamen gaan.
De aanstaande echtgenoten zouden het huis met alle toebehoren huren dat de moeder van de bruidegom op dat moment gebruikte. Dit voor een periode van 6 jaar, beginnend bij Sint-Victor (de eerstkomende vervaartijd). De huurprijs was 200 Carolusguldens per jaar, te betalen volgens de verordening van de stad. Als Aeltgen Denijs (de verhuurster) zou overlijden, zou de huur op de juiste tijd worden opgezegd volgens de verordening. De aanstaande echtgenoten hadden voorrang als het huis verkocht of verhuurd zou worden, als zij dezelfde prijs wilden betalen als een ander.
Tijdens het huwelijk zouden winst en verlies van de boedel en alle tijdens het huwelijk gevallen erfenissen (erfenissen niet als winst gerekend) gelijk verdeeld worden. Als kinderen uit dit huwelijk zouden sterven zonder zelf kinderen na te laten, zouden hun goederen van de ene op de andere overerven tot de laatste toe. Als de laatste ook zonder kinderen zou sterven, zouden de goederen terugkeren naar de familie waar ze vandaan kwamen, en niet naar de langstlevende vader of moeder. Gemeenschap van goederen was uitgesloten, behalve alleen winst en verlies.
Als de aanstaande bruidegom zou overlijden vóór de bruid, zonder kinderen bij haar na te laten, zou de bruid uit zijn meest gereed liggende goederen 200 jaarguldens eens mogen nemen en erfelijk behouden, bovenop het morgengave en trouwschat die altijd aan haar zouden blijven.
Het huisgeld zouden de echtgenoten uitbetalen. Bij de aanstaande vervaartijd zouden ze het gebruik van de kamers regelen. De verhuurster zou de benedenkamer en haar vrije in- en doorgang door de rest van het huis mogen blijven gebruiken.
8 september 1620 volgens de nieuwe kalender
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507213 / 498 Niet vermeld: Er werd een huwelijk geregeld tussen Wessel Gerritsz van Borckhorn (bruidegom) en Martijntgen Joriaens van Essen (bruid). Namens de bruidegom waren aanwezig: Aeltgen de Nijs (weduwe van Gerrit Wessels van Borckhorn) als moeder, Jacob Denijs van Gelder als oom, en Ludolph Adriaensz als neef. Namens de bruid waren aanwezig: Hermantgen de Leeuw (weduwe van Joriaen Jansz van Essen en later van Wouter Aelbertsz van Ravenswaey) als moeder, Cornelis Joriaensz van Essen als broer, en Cornelis Florisz van Eusch als aangetrouwde oom.
De huwelijksvrienden die als bemiddelaars optraden waren Evert Dircksz en Anthonij van Mansvelt.
De huwelijksvoorwaarden waren als volgt:
Hermantgen de Leeuw beloofde namens haar dochter Martijntgen van Essen ook een bijdrage (de tekst breekt hier af).
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507213 / 497 Aert van Ijssen, als man en voogd van Grietgen Gerrits van Borchorn, zijn echtgenote en erfgenaam voor het 1/3 deel van Aeltgen Dionijs, verklaarde dat hij in deze hoedanigheid eigendomsrechten overdroeg aan Wessel Borchorn en Steven Jansz van Arnhem, beide burgers van Utrecht en zijn zwagers. Het ging om het rechte 1/3 deel van een grafzerk die gelegen was in het middenschip van de burenkerk binnen Utrecht, bij het grote altaar. De ingang van de kelder van Adriaen Claesz van Blanckenaels lag zuidwaarts en de kelder van Jan van Zijl oostwaarts ernaast. Aert deed afstand van alle rechten die hij hierop had en beloofde vrijwaring volgens de wet. Hij verklaarde tevreden te zijn en volledig betaald te zijn door de kopers.
Dit gebeurde op 17 augustus 1636 in Utrecht bij het huis van de verschenen persoon bij de Magdalenenbrug, in aanwezigheid van getuigen Willem Jansz van Oostrum en Jacob Michielsz van Nijmegen, die samen met de betrokkene en de notaris Nicolaes van Lostadt ondertekenden.
Op 18 augustus 1636 verscheen voor notaris Nicolaes van Lostadt Jacobs Bosch, echtgenote van Cornelis Merrick van Broeckhuysen, wonende in Utrecht.
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 6507173 / 17 Hollanders zeiden dat ze zonder order of paspoort waren, en verzekerden dat er oorlog in Holland tegen Frankrijk was, en zelfs dat Maastricht was belegerd. Hij had moeite om deze mensen te geloven die zonder opdracht kwamen, maar indien zij deze werkwijze volgden zou dat reden geven om er enig geloof in te stellen en op hun hoede te zijn, zoals hij deed en zou blijven doen totdat hij door hun gedrag en woorden was verzekerd. Wat hen aanging, zouden zij niets onrechtvaardigs of brutaals ondernemen, tenzij daartoe gedwongen. Dit was de verzekering die zij gaven. Ondertekend was de la Haije.
Na aanroeping van Gods naam werd besloten het volgende antwoord aan hen toe te zenden en dit via hun afgevaardigden montena en luitenant David Butler te laten bezorgen:
Zij hadden op de 16e het antwoord van de 15e van hun afgevaardigden ontvangen, waarin zij zo weinig tevredenheid kregen dat deze brief opnieuw als laatste poging overging om hen tot rede te brengen. Zij vonden in de brieven veel meer een koppigheid in het voortzetten van hun handelwijze dan dat hun krachtige redenen hen daarvan zouden overtuigen. Dit waren tekenen van een voorbedacht en aangenomen besluit.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 0678 Dombaer (een onderkoopman en redelijk ervaren theoreticus in de kunst) en luitenant David Butler (een goede praktijkman) zijn eerder naar Nagapatnam gestuurd om de fortificatie te onderzoeken. Uit hun rapport en de nauwkeurige kaart blijkt dat er een nieuw ontwerp is gemaakt van een onregelmatige vijfhoek, aangepast aan de ligging van de plaats en zo goedkoop mogelijk bedacht. Als de stad verkleind moet worden, kan dit ontwerp zo worden uitgevoerd. Als men echter besluit de stad even groot te laten als deze nu is, moet de stad noodzakelijk worden versterkt met 6 nieuwe punten. Bovendien moeten alle wallen die alleen met aarde en gebakken steen zijn gemetseld en helemaal niet goed verdedigbaar zijn, worden vernieuwd. Dit zou niet alleen veel meer kosten, maar ook veel meer soldaten vergen om de stad te bezetten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 0794 17 februari 1672 rond 3 uur 's morgens schreef W. van Dam vanuit Arippo dat hij weer met de tonijnvissers de zee op zou gaan. 18 februari waren alle vaartuigen de vorige nacht laat op het land aangekomen. De wind uit het noordoosten was stevig, dus bleven ze samen aan de wal om het volk te laten rusten en beter weer af te wachten. 's Avonds ontving men kort na elkaar 3 brieven van de Compagnie:
Al deze brieven stonden vermeld in het inkomende brievenboek. 19 februari 's morgens was de lucht enigszins bewolkt en de landwind koelde weinig door. De Pattangatijnse vissers achtten het onverstandig om samen weer de zee op te gaan. Maar op aandringen om het werk te bespoedigen, besloten ze rond de middag met alle tonijnvissers van hier naar Moedere Gamme te zeilen en daar te overnachten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1001 Rijckloff van Goens, gouverneur, admiraal en veldoverste, schreef een brief aan de edele heer in Colombo. Omdat er een inlands vaartuig naar Colombo vertrok, stuurde hij deze korte brief om de heer op de hoogte te brengen.
Het hoekerschip de Bontekraai was op 11 december teruggekeerd bij Baeckenburgh of de Manaarse rivier. De hoeker de Puttoor had aangename brieven meegebracht die meteen over de landweg naar Jaffanapatnam werden gestuurd. Vaandrig David Butler zou van Manaal over land verder gaan om tijdens zijn reis niet lastig gevallen te worden.
Alle merriepararden waren aangekomen, maar sommige waren erg mager en slap door het lange verblijf op het schip. Men vertrouwde erop dat dit zou verbeteren als ze behoorlijk voedsel kregen.
Men was 4 dagen achter elkaar bezig geweest met het inspecteren van de parelbanken bij redelijk weer. Tot hun grote teleurstelling werden de banken grotendeels onvruchtbaar bevonden. Er waren tot dan toe maar heel weinig oesters gevonden die aan de binnen- en buitenkant verspreide parels hadden. Er moesten nog parelbanken bezocht worden bij Goederemale, Moedere Gamme en het eiland Caradive.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 1000 17 januari (voorgaand jaar) schreef Capiteijn Davit Butler vanuit Ardevil, een plaats in het Perzische gebied. Hij meldde dat zo'n 16 Nederlandse stuurlieden, timmerlieden en varende personen waren gevangen genomen door Kozakken en Tataren. Deze groepen hadden zich tegen de Moskouse vorst verzet en de stad Astracant en andere plaatsen ingenomen. De gevangenen hadden geprobeerd te vluchten naar Darbent, een stad aan de Kaspische Zee, maar waren in handen gevallen van deze barbarische mensen en slecht behandeld. Alleen Butler was ontsnapt. Hij was op weg naar Ispahan en zou bij aankomst meer informatie kunnen geven. Hij vroeg om bij te dragen aan de bevrijding van deze arme ellendige mensen. Ook vroeg hij of zijn behouden aankomst aan de heer Jeronimo de Hase meegedeeld kon worden.
De Poolse ambassadeur, die in mei van het vorige jaar van dit hof vertrokken was, werd aangevallen door zijn eigen tolk, die hij slecht behandeld had, en raakte ernstig gewond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1284 / 1162 Het oordeel van de Ceylonse ingenieurs Pieter Dombaer en David Butler, die dit jaar door Zijn Edelheid daarheen waren gestuurd, ging niet alleen over de Nagapatnamse fortificatie en de meest noodzakelijke verbeteringen daarvan, maar was algemeen en bijzonder, zoals hun schriftelijk verslag daarvan uitgebreid uitlegt. Een kopie ligt onder nummer 3 bij dit document, samen met de nieuwe kaart die zij toen hadden gemaakt als beter bewijs van hun mening.
Er zal echter aan het nieuwe punt 'Amsterdam' worden gewerkt, hoewel dat ongeveer 2500 pesos zal kosten. Dit is al absoluut bevolen door de Edele Heer Van Goens als superintendent en veldoverste. Zij vonden het veel beter in dienst van de compagnie om Nagapatnam als vesting te verkleinen of te verbeteren en met een behoorlijke bezetting te bezetten als grensvestiging van het kostelijke Ceylon aan deze kant, dan die stad aan een hier plaatselijk machthebber over te geven.
Dit jaar zijn al grote kosten besteed aan:
Hetzelfde aan de andere kant doen zou te veel geld kosten. Het kon ook niet met zoden worden bedekt omdat die daar niet genoeg te verkrijgen zijn. Zij hadden niemand aan deze kust die kennis had van de kunst van fortificaties. Daarom zou, indien U.E. (Uw Edelheid) iets bijzonders aan Nagapatnam wenste te veranderen, daarvoor een bekwaam man moeten worden gestuurd. Het nieuwe punt 'Amsterdam' zou worden afgestoken met hulp van de Jaffnapatnamse man.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1288 / 0460 Joost Buijten verklaarde ook dat Jan Cornelisz hem bekend maakte en vertelde dat, toen hij met zijn schip onlangs in Amsterdam was aangekomen, Pieter Verbeecq, koopman te Stockholm, mede-eigenaar was van hetzelfde schip.
Dit werd gedaan in Amsterdam in aanwezigheid van Jan vanden Hoven en Cornelis Hallius als getuigen op 9 maart 1661.
Op 12 april verscheen voor mij notaris Christiaen Leningh, ongeveer 29 jaar oud. Hij verklaarde op verzoek als boven dat ongeveer 6 weken geleden de schipper Jan Cornelisz hem een schuldbrief had aangeboden om te verkopen, die ten laste was van Pieter Verbeecq te Stockholm. De schipper had hem gezegd dat hij dat wel wilde doen als hij daarvoor toestemming uit Stockholm had, maar dat hij dat niet kon omdat Verbeecq een van zijn opdrachtgevers was en hij niet wist of hij dat goed of slecht zou doen.
Dit werd gedaan in Amsterdam in aanwezigheid van Johan Sandra en Pieter Hamer de Jongen als getuigen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936837 / 81 Adriaen van Dalen verklaarde dat hij de was die in zijn schuit was geleverd, zowel goed als slecht, had gevaren naar de blekerij van de producent op Jan Hansen pat. Dit gebeurde in Amsterdam in aanwezigheid van getuigen Jan vanden Hoven en Pieter Hamer de Jonge op 8 april 1661.
Er verschenen voor notaris Niclaes Huij, die toegelaten was bij het Hof van Holland en woonde in Amsterdam, 2 getuigen: Joost weijten, een koopman uit Stockholm van ongeveer 26 jaar oud, en Davidt Jansz Butler van ongeveer 23 jaar oud. Zij verklaarden onder ede op verzoek van Jan Butler het volgende:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936837 / 80 Jan van Zweden wilde dat Philip Verpoorten en Daniel Partman, compagnons van Octavio Tensini en Govert van der Raeck, rekening zouden afleggen over de goederen van Jan van Zweden en deze zouden tonen aan Russische en Duitse kooplieden. Wat de Tsaristische Majesteit daarop zou beslissen, zou voor Van Zweden voldoende zijn.
In het geschrift werd vermeld dat de Tsaristische Majesteit had bevolen dat alle rechtszaken die onderdanen van Hare Hoge Mogenden betroffen, net als buitenlanders, alleen mochten worden behandeld in de Posolskoi Prikaas. Ondanks dit bevel werden onderdanen van Hare Hoge Mogenden vaak buiten de Posolskoi Prikaas voor andere rechtbanken gebracht. Dit was in strijd met het schriftelijke antwoord van de Tsaristische Majesteit in het jaar 1648. De ambassadeur verzocht daarom dat de Tsaristische Majesteit opnieuw zou bevelen dat geen enkele zaak betreffende onderdanen van Hare Hoge Mogenden buiten de Posolskoi Prikaas behandeld mocht worden, maar alleen in de Posolskoi Prikaas voor de rechter mochten komen.
Het antwoord hierop was dat Nederlandse Hollandse kooplieden die woonden en handelden in de Russische gebieden van de Tsaristische Majesteit, volgens het officiële bevel al hun claims die zij op onderdanen van de Tsaristische Majesteit hadden, alleen in de Posolskoi Prikaas moesten verantwoorden. Hetzelfde gold als Russische kooplieden iets tegen hen hadden in te brengen. Nederlandse kooplieden die in dezelfde rechtbanken contracten aangingen en obligaties gaven voor waren, moesten deze obligaties daar ook verantwoorden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8523 / 0247 Hij van Sweeden had niet geschreven dat hij niet terug zou komen naar Moskoue, zoals zijn terugkomst bewees. Als hij dat wel had gedacht, zou hij niet teruggekomen zijn naar Moskoue en was hij van Zweden naar Amsterdam gereisd om daar met hen af te rekenen. Hij had al ongeveer 10 weken als belangrijke heren achter hen aan moeten gaan, waarvan hij vanuit Zweden bewijs kon geven. Ook Jacob van der Hulst wist dit, die het zelf gehoord en gezien had. In de brief stond dat zij de rekening in handen wilden geven van eerlijke en goede mensen in Amsterdam. Toen hij van Sweeden in Amsterdam was, had niet alleen hij maar ook Jacob van der Hulst hen om de rekening gevraagd, maar zij konden deze niet krijgen.
Over de bovengenoemde goederen die hij van Sweeden aan Tensini en vander Raeck had gestuurd (zoals uit hun brieven bleek dat zij deze uit verschillende schepen hadden ontvangen), moesten Verpoorten en Hartman rekening doen. Als uit die rekening zou blijken wat hem van Sweeden rechtmatig toekwam, zou hij daarmee tevreden zijn.
Philip Verpoorten en Daniel Hartman hadden in Archangel aan de borgen van van Sweeden borgen willen geven. Daaruit zou gebleken zijn dat de zaak hun eigen schuld betrof en dat Tensini en vander Raeck zich daarbij hadden aangesloten. Dit was van Verpoorten nooit gebleken. Daniel Hartman had tegen de borgen van van Sweeden gesproken dat als hem volgens rechtmatige rekening 10.000 roebels van vander Laeck zouden toekomen, hij daarvoor borgen zou geven. Toch had hij dit daarna niet gedaan. Hieruit bleek dat Philip Verpoorten en Daniel Hartman hun verzoekers Octavio en Govert met arglistigheid en bedrog hadden behandeld tegenover de grote heer, Zijne Tsaristische Majesteit.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8523 / 0246 Jan van Sweeden zijn goederen werden in Hamburg vastgehouden door Frans de la Camp, zoals uit de hand van de la Camp zelf te zien was. Hierdoor kon Johan geen geld of goederen krijgen. Johan heeft vanuit de stad Hessen speciaal aan Govert vander Saeck geschreven dat hij zijn geld dat hem rechtmatig toekwam moest geven aan Jacob vande Water of Iaacq Butz, en dat dit naar Archangel gestuurd moest worden aan de borgen van Jan van Sweeden.
Govert vander Baeck heeft in aanwezigheid van Jacob vander Hulst gezegd en zijn hand gegeven dat hij met Van Sweeden zou afrekenen en dat het geld dat hem nog toekwam met de eerste schepen naar Archangel zou sturen. Govert had gezegd dat er 2000 rijksdaalders bij hem klaar lagen om met deze schepen naar Archangel te sturen, maar dit gebeurde niet.
Van Sweeden kon niets krijgen van Tensinie vander Raeck, waardoor Van Sweeden gedwongen was om door zijn borgen in Archangel de goederen van Philip Verpoorten en Daniel Hartman in beslag te laten nemen. Deze goederen waren in Archangel tijdens het proces voor de gouverneur en kanselier. Hieruit bleek dat Philip Verpoorten en Daniel Hartman compagnons waren van Tensini en vander Raeck.
Daarom werden de rekeningboeken van Verpoorten in het proces in beslag genomen. Deze boeken en geschriften werden aan Verpoorten teruggegeven. Daniel Hartman zei dat hij een lijst of factuur had van de goederen van Govert vander Raeck, die in Moskou lag in het proces van de grote rechter.
In de brief die ambassadeur Jacob Boreel had overhandigd op verzoek van Tensini en vander Raeck, stond geschreven alsof Jan van Sweeden stiekem en zonder bericht uit Moskou was vertrokken en zijn woning had verlaten, alsof hij zich vanwege onbehoorlijk gedrag in Moskou niet had durven vertonen. Tensini en vander Raeck hadden dit als oneervol geschreven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8523 / 0245 Censini had tegen hem gezegd dat hij naar Amsterdam zou komen om alles met hem af te rekenen. Censini kwam naar Amsterdam en weigerde op verzoek van Philip Perpoorten uit Hamburg, die nu in Moskou is, zonder enige reden rekening te geven. Hij gaf toe wat Perpoorten eiste, hoewel hij dat niet aan Perpoorten schuldig was. Ook had hij met de rekening in Amsterdam niets met Censini en Van der Saeck te maken.
Johan had hen gezegd dat als zij niet met hem alles wilden afrekenen, hij zijn recht bij zijne Tsarische Majesteit of in Archangel of in Moskou zou zoeken, waar de goederen gekocht waren. Censini antwoordde daarop dat als hij hen met Russisch recht wilde dreigen, zij hem wat anders zouden leren. Dit vertelde Johan aan Jacob van Hulst en vele andere kooplieden. Hij vroeg hen hoe hij met hen om moest gaan.
Zij zeiden Johan dat hij een vreemdeling was en dat zij hem met de rekening vele jaren aan het werk konden houden, waardoor hij onvermogend zou zijn om in de schatkist van onze grote heer zijne Tsarische Majesteit te kunnen betalen. Daarom besloot hij zijn recht bij zijne Tsarische Majesteit te zoeken. Hij vertrok uit Amsterdam naar Harderwijk en kreeg daar door het bestuur een volmacht. Deze stuurde hij naar Rusland aan Pieter de la Dalie, Harmen van Gaaten en Isaacq Lutz Davidis zoon, met de opdracht om in de gebieden van zijne Tsarische Majesteit de goederen van Censini en Van der Saeck en de persoon van Philip Perpoorten te zoeken. Philip Perpoorten was ook een oorzaak dat Johan van Sweeden de bovengenoemde rekening niet kreeg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8523 / 0244 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/