Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


4 dezer werd het rapport gehoord van de heren commissieleden over de zaken van voogdij en beslag. Zij bespraken een verzoekschrift van de deurwaarder van diezelfde datum, waarin hij vroeg om de benoeming van beheerders over de plantage Smithsfield. Deze plantage behoorde toe aan de weduwe Johan Philip Sander, geboren Douro Touro, en Johan Fredrik Charles Sander, die getrouwd was met Johanna Sander, geboren Watson.

Er werd een conceptbrief besproken aan Zijne Excellentie de Gouverneur-Generaal over de vernieuwing van het meubilair van het hof.

Besloten werd om als beheerders over de plantage Smithsfield te benoemen:

De benoemde personen moesten zich houden aan de instructies en regels voor beheerders die door dit hof waren vastgesteld en aan andere bestaande besluiten hierover. De beheerders moesten voordat zij hun taak aanvaardden de daarvoor geldende eed afleggen.

Bekijk transcriptie 


De gevangene zegt te geloven dat alle leden naast hem met veel medelijden aanwezig zijn geweest. Hij zegt dat het kan zijn dat sommigen van hen zich tegenover de edelachtbare heer Vuyst hebben uitgesproken over de slachtoffers die gemarteld werden en die daarbij Gods naam aanriepen en hun onschuld verklaarden. Hierop antwoordde de heer dat het schurken waren. Vervolgens werd er van overheidswege hevig gescholden en beschuldigd.

De gevangene zegt te hebben gehoord dat de heer tijdens het eten heeft gezegd dat er onlangs in Engeland verraad was gepleegd. Hij verwees daarbij naar de Engelse manier van martelen bij het misdrijf van majesteitsschennis. Hij bedoelde dat men slachtoffers op de grond zou neerleggen en hen aldus met een plank of zwaar gewicht op hun lichaam zou platdrukken. De gevangene zegt hierover te hebben gediscussieerd zonder de bedoeling te hebben dit hier in praktijk te brengen, maar alleen als een gesprek.

De gevangene zegt dat hij hierover heeft gesproken. De ondervraagde heeft in de krijgsraad verklaard dat zo'n manier van martelen in Europa gebruikelijk was. Hierop werd gezegd: "Het is waardig dat ik jou hier ter raadkamer in duivelsgewaad laat uitschilderen ter gedachtenis van onze kindskinderen."

Bekijk transcriptie 


Den gevangene zegt verder niets meer te weten. Den gevangene zegt niet te weten dat deze manier van pijnigen zoals door de Engelsen wordt gebruikt, algemeen gebruikelijk is onder het gebied van christelijke vorsten, omdat zij anders niet gewoon zijn te martelen dan bij hoogverraad of landverraad. In Turkije of Barbarije gebeurt dit wel. Den gevangene zegt dit niet te begrijpen.

Er wordt gevraagd of den geïnterrogeerde ook in de krijgsraad niet heeft gehoord dat de edele heer Vuijst voornoemd, terwijl de mensen op de pijnbank streng werden gegeseld, dikwijls bij wijze van aanmoediging heeft gezegd: "Zo zo, leg er de roede op, dan wordt haar de memorie wakker". Den gevangene zegt zulk gedrag aan de edele heer Vuijst nooit te hebben bespeurd, maar altijd met oplettendheid aanwezig te zijn geweest om de zaken naar zijn beste kennis en wetenschap in rechte te behandelen.

Nu wordt den geïnterrogeerde gevraagd waarom hij op al deze zaken als lid in de krijgsraad geen behoorlijke aandacht heeft genomen en behandelingen van zijn edelheid, welke geenszins naar die van een eerlijke rechter, maar wel naar de gedragingen van een aartstiran leken, niet heeft gesuspecteerd, maar ter contrarie diens bloeddorst de ruime teugel heeft gevierd en daardoor zovele mensen heeft helpen mishandelen.

Bekijk transcriptie 


Barend Schuurman werd enige dagen als vrijgelatene behandeld: de ene dag kreeg hij voldoende eten en de andere dag alleen drinken. De ondervraagde verklaarde niet te weten hoelang Barend Schuurman honger en dorst had geleden. De soldaat Hans Andries Grijs en burger Anthonij de Cauw waren bij uitstek voorbeelden hiervan: nadat zij ongeveer 3 dagen geen water hadden gekregen, kregen ze vervolgens 3 dagen helemaal geen eten.

Bekijk transcriptie 


Den geer zegt dat alle besluiten die hierbij of dat dit alles is behandeld met een krijgsraad, behoorlijk genomen zijn door het uitdrukkelijke besluit van de krijgsraad en dat deze in de akten zijn opgenomen. Verder vraagt hij of dit met de raad is gebeurd, of slechts met een eenvoudige mededeling aan alle leden. Zo ja, hoe de ondervraagde persoon zijn toestemming daartoe heeft kunnen verlenen.

Dit moet te vinden zijn in de akten van de krijgsraad. De ondervraagde moet bekennen dat dit is nagelaten, alleen uit schaamte, zodat dergelijke onchristelijke manieren van behandeling niet bekend zouden worden bij het nageslacht.

Den geer zegt dat alles wat is gebeurd - of de ondervraagde niet - den geer verklaart dit niet te weten. In dat opzicht wordt de ondervraagde gevraagd wie dit voor het eerst in de krijgsraad heeft voorgedragen.

Of het hem niet bekend was dat - en waarom dit bij de documenten of akten van de krijgsraad, speciaal omtrent de laatstgenoemde persoon, helemaal niet is aangetekend.

Bekijk transcriptie 


De gevangene zei dat hij helemaal niet wist hoe het met de weeskinderen was, en dat hun honger en dorst anders als een nieuwe formele marteling beschouwd had kunnen worden. De rechter verklaarde dat alle rechtsprocedures niet duidelijk waren voor de ondervraagde persoon, en dat hij niet wist of hij had gehoord dat zulke rechtsprocedures bij enige christelijke regering in gebruik waren, vooral niet voor mensen die al zoveel ondraaglijke martelingen hadden ondergaan. De gevangene zei dat hij niet wist dat het de taak van de fiscaal was om daarop toe te zien. Alle mensen die vanwege verraad in de boeien of ketenen bij de wachten en in het materiaalhuis hadden gezeten, waren zeer slecht behandeld tijdens hun gevangenis. Ze hadden als beesten gedeeltelijk op de blote aarde gelegen en sommigen slechts op een bloedmat met een stuk brandhout als hoofdkussen. De rechter zei niet te weten of er een bevel was geweest om dagelijks verslag te doen aan iemand van de krijgsraad, maar dat hij wel had gezien dat de heer Vuijst zich meerdere keren had teruggetrokken en dat de fiscaal geen verslag aan de krijgsraad had gedaan.

Bekijk transcriptie 


Benjamins Vepleend vroeg om een bevel tot executie. Dit werd verleend.

8 september 1819: Er kwamen verschillende verzoeken binnen:

Verschillende personen vroegen om bevelen tot strenge beslaglegging:

Al deze verzoeken werden verleend volgens de gebruikelijke regels.

9 september 1819: Ho. Paerle vroeg om een bevel tot strenge beslaglegging tegen S. Sarqui. Dit werd verleend volgens de gebruikelijke regels.

10 september 1819: De eerste deurwaarder vroeg om toestemming om beslag te leggen op een huis aan de Steenbakkersgracht, dat toebehoorde aan S. Me. Hake. Dit werd doorverwezen naar de commissie voor executieverkopen voor verdere behandeling.

Er kwamen verzoeken binnen om beslag te leggen op een derde van het loon:

Het verzoek om beslag op een derde van het loon werd verleend.

Bekijk transcriptie 


Bierens moest een rapport uitbrengen, maar kon niet met zekerheid zeggen wat daarin was gebeurd of wat zij hadden verricht. De ondervraagde zegt dat hij dit niet met zekerheid kan zeggen omdat hij er nooit bij is geweest. Bierens had geklaagd dat de behandeling van de krijgsraad in zijn afwezigheid veel te slap was en zou hierover klagen bij de hooggeplaatste personen.

De ondervraagde wordt gevraagd of hij weet dat Bierens zich in het openbaar heeft uitgelaten dat hij een soldaat genaamd Godfried Beuker, die tijdens zijn dronkenschap losjes had gesproken over roofovervallen, absoluut aan de galg wilde hebben. De ondervraagde zegt hiervan niet op de hoogte te zijn.

Ook wordt gevraagd of de ondervraagde niet vaak onder vele bittere en scherpe uitdrukkingen het misnoegen van Bierens heeft meegemaakt, omdat verdachten volgens hem niet scherp genoeg werden gemarteld en daardoor niet tot een bekentenis werden gebracht. De ondervraagde verklaart hier niets van te weten.

Bekijk transcriptie 


De getuige zei dat hij zich niet met zekerheid kon herinneren wie van de leden zich in zulke bewoordingen had uitgelaten. Hij meende van heer Kapitein Pyselaar daarover te hebben horen spreken of dit te hebben horen aanvoeren.

De getuige verklaarde ja, dat zo'n soortgelijk voorstel niet in de krijgsraad maar in de raad was gedaan.

Vervolgens was bovengenoemde soldaat Godfried Beuker hierheen geroepen. Na een onderzoek van zijn zaak was hij veroordeeld om gedegradeerd te worden tot matroos en van dit eiland weggestuurd te worden.

Het was de ondervraagde bekend dat de Edele Heer Vuijst over deze uitspraak buitenmate ontevreden was geweest en veel moeite had gemaakt om daarvoor zijn goedkeuring te verlenen.

Bekijk transcriptie 


Den gevangeene zegt dat hij niet aanwezig is geweest bij het eerder genoemde incident en dat hij heeft geantwoord wat hij heeft geantwoord, en dat hij heeft uitgelegd welke bewoordingen gebruikt zijn.

Aan de geïnterrogateerde wordt gevraagd waarom hij een verzoek heeft ingediend over het gevelde vonnis tegen een ontdekte beuker, terwijl dat vonnis geen doodstraf maar alleen een simpele verbanning en gradatie bevatte.

De gevangeene zegt dat dit is gebeurd op last van de krijgsraad en na goedkeuring van diezelfde raad, volgens zijn herinnering.

Vervolgens wordt de geïnterrogateerde gevraagd of hij op verschillende manieren 19 personen ter dood heeft laten executeren, namelijk:

Er wordt gevraagd of hij bij al die vonnissen aanwezig is geweest.

Bekijk transcriptie 


Iosephus Standaart en Ian dengevr zeiden dat van de echte gebeurtenissen slechts één van deze mensen, Barend Schuurman, vrijwillig zonder marteling en dwang een bekentenis had afgelegd over het vermeende misdrijf. Hij had bekend over 19 mensen die ter dood waren gebracht.

Zij vroegen of de ondervraagde ooit zo'n verschrikkelijk voorval had gehoord: dat er bij een rechtbank in zo'n klein gebied als Colombo zo'n groot aantal personen was gestraft, waarbij niemand een bekentenis had afgelegd zonder daartoe eerst door foltering gedwongen te zijn, zoals nooit eerder was voorgekomen.

De ondervraagde zei dat hij op het kastje in de raadkamer wel een witte doek had zien liggen, waaruit later het touw was gehaald, zonder met zekerheid te kunnen zeggen door wie het daar was gebracht.

Er werd gevraagd of er 4 personen geëxecuteerd zouden worden. De edele heer had uit handen van zijn hofmeester Pieter van Zoon in een servet het trommelkoord ontvangen, dat gebruikt zou worden om strikken te maken.

Bekijk transcriptie 


Jan zei dat zij allemaal overeenkwamen over een voorgenomen afschuwelijk verraad, maar dat er over sommige details verschil was. De ondervraagde zei dat dit niet met zekerheid gezegd kon worden. De ondervraagde zei dat uit de bekentenissen bleek dat de beschuldigde zaken misschien niet duidelijk had kunnen zien en begrijpen, omdat de gevangenen die als laatste waren gefolterd op een stuksgewijze manier hadden bekend. Ze hadden alleen bekendgemaakt wat nodig was over de punten die aan hen waren gevraagd, en wat andere gevangenen gedwongen waren in de gevangenis te vertellen.

Verder werd aan de ondervraagde gevraagd of hij niet duidelijk had gezien en ervaren dat de bekentenissen van alle beschuldigden op de pijnbank niet met elkaar overeenkwamen en in alle delen klopten, ook al spraken ze over gebeurtenissen die al door anderen waren bekend.

Ook werd gevraagd of Zijn Edelheid deze niet eigenhandig had overhandigd aan de Javaanse scherprechters om daarmee de veroordeelden ter dood te brengen.

Bekijk transcriptie 


Den Geer zei dat hij nooit anders had gezien en of hij daardoor bemerkt had of het voornemen waar was geweest. Hij verklaarde, zoals hij ook aan het begin had gedaan, dat als hij maar wat meer tijd had gehad, hij de goede inwoners van Colombo erg droevig had kunnen laten ondervinden wat de heer Vuijst zei, omdat er onmogelijk zo'n verraad kon worden gesmeed.

Den Geer zei dat hij op alle zaken goede redenen had om te slagen, maar hij legde niet uit waarom hij als rechter op alle belangrijke zaken niet goed had gelet. Den Geer zei dat hij er zelf van overtuigd was geweest van het geplande kwaad en dat dit niet langer verborgen kon blijven. Hij had ook geen rekening gehouden met de nadrukkelijke woorden van burger Barend Schuurman, die ook een ander besluit had genomen in zijn gevangenschap en de meesterknecht van de smederij tot inkeer of galgberouw had gebracht.

Bij die gelegenheid had Schuurman gevraagd om een gebedenboek of psalmboek van die persoon. Hij zei toen: "Lieve God". Er werd gevraagd of hij in de eerdere bekentenis niet veel omstandigheden en verhalen had gevonden die tegenstrijdig waren of totaal onmogelijk waren geweest. Den Geer zei dit met het antwoord op nummer 37.

Bekijk transcriptie 


Den geer zegt dat het volgens hem ongeveer 3 maanden geleden was. Aan de ondervraagde werd gevraagd of genoemde meesterknecht daarom niet voor de krijgsraad is geroepen, waar hij dezelfde woorden had moeten herhalen. Den geer zegt dat hij dat vergeten is of dat daar toen onder de leden geen gesprek over is geweest.

Den geer zegt goed te weten dat dit zeggen werd aangenomen als bewijs dat Schuurman onschuldig was en dat hij het uit een zuiver gemoed had gezegd. Maar de verdere gedachten daarover herinnert hij zich niet meer.

Den geer zegt dat al die details en overwegingen die de krijgsraad in overweging heeft genomen, niet meer zo sterk in zijn geheugen staan dat hij dat met zekerheid en gerustheid zou kunnen zeggen. Wanneer hem in de herinnering wordt gebracht over welke zaken: "ik weet niet hoe ik me zal gedragen, daar is luitenant Swarts die heeft mij samen met alle anderen voor de heren beschuldigd en ik weet nergens van".

Bekijk transcriptie 


De gedetineerde zei, net als in het vorige artikel of ook door andere personen, dat alle zaken door degenen die bekenden voordat ze gemarteld zouden worden of voor de krijgsraad gebracht zouden worden, niet vaak in belangrijke mate dezelfde zijn. De betuigingen zijn gedaan, en er werd zelfs verzocht dat haar maar een bekentenis mocht worden voorgelegd en dat zij graag wilde tekenen om te sterven, maar dat zij aan het smeden van een samenzwering geheel onschuldig waren.

Er werd gezegd dat dit door velen tegenovergesteld werd getoond tijdens de verhoren. Er werd gevraagd of de meeste, want wanneer haar de doodstraf werd voorgehouden of nadat de doodstraf haar was aangezegd, elkaar om vergiffenis hebben gevraagd en ook onder het aanroepen van Gods naam hebben verklaard dat zij tegenover de rechter geheel onschuldig waren.

De gevraagde zei dat zijn lot en zijn eigen briefwisselingen over het vermeende gesmede verraad. Er werd gevraagd of hij in de brief ook luitenant Swarts hem in zijn tegenwoordigheid had beschuldigd en waarop door hem, Schuurmans, werd geantwoord dat hij zeer graag wilde sterven maar dat alles wat Swarts gezegd had onwaarachtig was en hij in het geheel van geen verraad wist.

Bekijk transcriptie 


6. Aan Staman, Margaretha Bos, Cacla en Petrus Brouwer werd vrijstelling verleend van de helft van de door hen en hun gezin verschuldigde stoofgelden (belasting), met de bepaling dat de andere helft voor of op 15 oktober betaald moest worden.

7. Aan Bos Sargui werd uitstel verleend voor de betaling van het door hem verschuldigde patentrecht (recht om een bedrijf te mogen uitoefenen). Vanaf 1 oktober moest hij elke 2 maanden betalen zodat hij binnen een jaar alles zou hebben afbetaald.

8. Aan Christina Johanna van Dova werd uitstel verleend voor de betaling van haar achterstallige hoofdgelden (personenbelasting) en patentrecht. Zij moest elke 3 maanden betalen wat zij over 1 jaar verschuldigd was. De eerste termijn voor de hoofdgelden over 1638 moest zij betalen op ultimo oktober, die over 1639 op ultimo januari 1640, enzovoort. Totdat alles was afbetaald bleven de tot haar behorende slaven aan het land verbonden.

9. Het verzoek van Cecilia Geertruida Shuttig werd afgewezen, met de opdracht aan de administrateur van financiën om, als haar verschuldigde belastingen nog niet verjaard waren, de personen te vervolgen die zich borg hadden gesteld voor haar vrijgelaten slaven.

10. Aan Struys werd vrijstelling verleend van de hoofdgelden die hij en zijn kinderen aan het land verschuldigd waren, met de bepaling dat de hoofdgelden voor zijn slaven voor of op ultimo november 1640 betaald moesten worden.

Er werd een uittreksel gestuurd aan de ontvanger-generaal en de administrateur van financiën, ieder voor zover het hen aanging, en ook aan de aanvragers.

11-1141. Er werd een brief gelezen van de administrateur van financiën van 25 september, waarin hij voorstelde om een gratificatie (beloning) toe te kennen aan de klerk bij de magazijnen G. Schori Willweber et Alstaedt voor het maken en bijhouden van de boeken, overzichten en verantwoordingsstukken. Dit werk werd eerder gedaan door de onderluitenant-commies bij de magazijnen G. Scholte, die op 25 februari bij besluit was ontslagen. Dit werk werd grotendeels buiten de gewone kantooruren met grote nauwkeurigheid door bovengenoemde klerk voltooid.

Besloten werd aan de klerk bij de magazijnen G. von Wellweber et Alstaedt voor het verrichten van bovengenoemde werkzaamheden een gratificatie van 150 gulden te verlenen. De administrateur van financiën werd verzocht voor de betaling te zorgen, waarbij dit moest worden verantwoord onder hoofdstuk D, afdeling L, artikel 8 van de begroting. Er werd een uittreksel gestuurd aan de administrateur van financiën en aan de heer Alstaedt.

12-1142. Er werd een brief gelezen van de administrateur van financiën van 25 september, waarbij hij de gecontroleerde staten van het depot-magazijn der marine over het 2e kwartaal

Bekijk transcriptie 


Er blijkt verraad te hebben plaatsgevonden, waarbij de verraders heimelijk brieven gericht aan de burgerluitenant Benjamen Pego wisten te bezorgen. Dit gebeurde via de kapitein van een Portugees schip, genaamd Louis Sanche de Castris, die enige tijd voor de ontdekking van het vermoedelijke verraad met zijn schip ter plaatse was geweest. De Castris had iets gemerkt dat leek op verdachte correspondentie of slechte plannen. Verschillende personen beschuldigden De Castris tijdens ondervragingen onder foltering ervan dat hij een van de belangrijkste uitvoerders was geweest van het vermoedelijke verraad. De ondervraagde moest beantwoorden of dit waar was. De mensen die deze brieven en andere documenten in handen hadden, lieten door hun houding, gedrag en betrouwbare getuigenissen zien dat de verraders door hun duidelijke onbetrouwbaarheden en hun bekende ontrouw aan hun voorgenomen daad niet meer konden nadenken over het uitvoeren van hun plan. De ondervraagde werd gevraagd of hij hieruit niet begreep dat het onmogelijk was dat een complot onder zo'n groot aantal mensen gesmeed kon worden.

Bekijk transcriptie 


Den Geer zei dat de ter dood gebrachte persoon terecht was gestraft en niet onschuldig was. Zij was schuldig aan landverraad en had met haar slechte plannen veel onschuldige mensen in gevaar gebracht.

Den Geer zei dat hij verwachtte dat de ondervraagde nu duidelijk zou moeten vertellen wat er precies gebeurd was. Dit moest de secretaris opschrijven. Hij herinnerde de ondervraagde eraan dat luitenant Andries Swarts en burger Benjamin Pegolotti om genade hadden gevraagd tijdens de krijgsraad, maar dat hun de doodstraf was aangezegd.

Den Geer zei dat hij zich dit niet kon herinneren. Deze vraag werd beantwoord met dezelfde verklaring als bij de vorige vraag.

Ten slotte moest er ook een verklaring komen over de volgende personen:

Er werd gezegd dat er geen echte ontdekking was gedaan door middel van brieven, geschriften of andere bewijzen hierover.

Bekijk transcriptie 


Barner kreeg de opdracht om soldaat Frederik Andriesz een neusdoek voor de mond te binden toen deze op het schavot iets wilde zeggen om zo zijn onschuld aan de wereld bekend te maken. De ondervraagde werd gevraagd of deze opdracht was gegeven door voorzitter Bierens en of de krijgsraad hierover eerst een besluit had genomen. De ondervraagde zegt dat dit vanwege de menigte gebeurde.

Ook werd de ondervraagde gevraagd hoe hij lid kon worden van de krijgsraad en zijn toestemming kon verlenen tot het verbannen van zoveel mensen voor een reeks van jaren naar het Robbeneiland, terwijl deze mensen door de aanhoudende marteling van alle beschuldigingen waren gezuiverd. De ondervraagde zegt dat dit niet zo is gebeurd.

Vervolgens werd hem gevraagd hoe het toeging met de ondertekening van de justitiedocumenten in de raadkamer en op de secretarie.

Bekijk transcriptie 


De ondervraagde persoon werd gevraagd of hij wist dat de zaak al langere tijd in handen was geweest van justitie, waar deze altijd was gebleven. Hij had de zaak zelfs namens de heer Vuijst vanwege de ziekte van de secretaris naar de raadkamer gebracht.

Bij verdere ondervraging zei hij dat hij de zaken niet zo kon weergeven zoals ze werkelijk bij de krijgsraad waren gebeurd, omdat hij de ware inhoud niet kende.

Aan de ondervraagde werd gevraagd of wat hem was voorgelezen een waar verhaal was, namelijk of de slaaf van luitenant Swarts, genaamd Francisco, in de krijgsraad op 20 april zulke redeneringen had gevoerd als in de akten van die datum stonden opgetekend.

Ook werd hem gevraagd of hij wist dat dergelijke behandelingen tegen het gebruikelijke verloop van vergaderingen waren waar recht werd gesproken, en waar de notulen moesten blijven zoals ze tijdens de rechtszitting waren gehouden.

Verder werd gevraagd of hij bij herlezing van de documenten had gemerkt dat er verschillende belangrijke correcties en veranderingen waren gemaakt in wat er in de krijgsraad door alle leden samen was behandeld.

Bekijk transcriptie 


Celestina van Anna vroeg of ze vrijgesteld kon worden van het betalen van hoofdgelden voor haarzelf en haar 4 kinderen. Ze moest deze belasting betalen over de jaren 1630 tot en met 1636 maar verkeerde in een slechte financiële situatie. Ze bood aan om de belasting voor een slavin die haar toebehoorde wel te betalen.

De administrateur van de financiën gaf advies op 27 dezer. Er werd besloten dat Celestina van Anna werd vrijgesteld van de hoofdgelden voor haarzelf en haar kinderen tot en met het jaar 1636. De belasting voor de slavin en de vervolgingskosten moesten wel worden betaald voor 15 april aanstaande.

Coseple Sarqui diende ook een verzoek in. Hij overlegde een certificaat van onvermogen en vroeg om vrijstelling van hoofdgelden voor zichzelf, zijn vrouw en kinderen, en voor 2 slaven die aan zijn kinderen toebehoorden.

De administrateur van de financiën gaf advies op 27 dezer. Er werd besloten dat Coseple Sarqui werd vrijgesteld van de hoofdgelden voor hemzelf, zijn echtgenote en kinderen tot en met dit jaar. De belasting voor de beide slaven en de vervolgingskosten moesten wel worden betaald in 2 termijnen: voor de jaren tot en met 1634 op ultima mei, en voor de 4 volgende jaren op een later moment.

Bekijk transcriptie 


10 januari 1730 verscheen voor de aangewezen leden uit de achtbare raad van justitie van het kasteel Colombo de ondervraagde uit de eerder genoemde verhoren. Zijn eerdere antwoorden werden hem duidelijk voorgelezen in aanwezigheid van koopman-fiscaal Joan de Mauregnault en enkele leden van de voormalige krijgsraad. Hij verklaarde bij zijn gegeven antwoorden te blijven, maar wilde de volgende verandering en aanvulling maken:

Dit werd gedaan, opnieuw doorgenomen en uitgebreid binnen het kasteel Colombo in de raadkamer van justitie op bovenstaande dag, in aanwezigheid van de edelachtbare leden Johan Willem Soenel en meester Johan Busch. Getekend door L. Overschie, aan de zijkant stonden J.W. Scinee en Johan Busch, en onderaan stond: in aanwezigheid van A. Velge, secretaris. Overeenstemmend bevonden door D. Storm, secretaris.

Bekijk transcriptie 


Verhagen, de beëdigde klerk, verklaarde dat hij voor God en zijn geweten kon verantwoorden dat de getuige op verschillende latere waarschuwingen, wanneer hij iemand kwam te noemen, eraan herinnerd moest worden dat hij eerder had gezegd en beloofd de waarheid te zullen spreken. Hierop deed de getuige steeds zeer krachtige betuigingen zoals eerder vermeld stond, zonder dat hij ook maar in het minste onderbroken werd door iemand. Zo eindigde hij zijn verklaring zoals die in het protocol te vinden was.

De ondervraagde zei dat hij de voorgaande punten naar waarheid had beantwoord, zoals hij in het vorige artikel al had gezegd. Daarom bleef hij bereid om deze ten allen tijde onder ede te bevestigen wanneer hem dit gevraagd zou worden en hij zich in staat achtte om deze met een eed te kunnen bekrachtigen.

Dit werd gedaan, gevraagd en beantwoord in het kasteel Colombo in de raadkamer van justitie op de voornoemde dag, in aanwezigheid van de edelachtbare leden Johan Willem Schnee en Aza Johan Busch, die de originele versie hiervan samen met de ondervraagde en de beëdigde klerk ondertekenden. Dit werd ondertekend door Verhagen, beëdigd klerk.

Overgegeven in de gewone raadkamer op 29 december 1724, ondertekend door I. D. Mauregnault.

Bekijk transcriptie 


Pator en de ander botsten tegen elkaar en vielen samen op de grond, waarbij Pator aan zijn voorhoofd wat gewond raakte. De getuige verklaarde naar beste kennis.

Tenslotte werd de ondervraagde gevraagd of hij nog meer zaken kende die nadere opheldering konden geven over de punten die hem waren voorgelegd, of over zaken die daar mee te maken hadden.

Hij antwoordde nog te kunnen zeggen dat toen Jensen bij de krijgsraad verscheen en daar een verhaal deed van wat hem bekend was over het gesmede verraad, hem gevraagd werd of hij daar een verklaring over wilde afgeven. Hij antwoordde: "Ja, graag van dat wat mij bekend is." Daarop besloot de krijgsraad Luitenant Koorenaar aan te wijzen als commissaris voor wie de verklaring zou worden afgelegd. Vervolgens ging de krijgsraad uiteen.

Voordat de genoemde Jensen overging tot het afleggen van zijn verklaring, vermaande de getuige hem op christelijke wijze bij alles wat heilig was. Hij zei dat Jensen, nu hij op het punt stond zijn woorden op schrift te laten stellen, voorzichtig moest zijn en bij de zuivere waarheid moest blijven. Als hij iemand op onrechtvaardige wijze zou beschuldigen, zou dat een gruweldaad zijn die hem zwaar te vergeven zou zijn. Hij moest vooral bedenken dat hij nu wel voor een wereldse rechtbank stond, maar dat hij uiteindelijk op de jongste dag voor de rechterstoel van God zou moeten verschijnen. Daar zou hij rekenschap moeten geven van elk woord dat hij hier sprak tot nadeel en onwaarheid van zijn medemens. Als hij leugens zou spreken, zou hij een vreselijke straf krijgen.

Hierop sloeg Jensen zijn ogen naar de hemel en stak op dezelfde manier zijn rechterhand op. Met een bewogen gezicht zei hij: "Ik weet dat ik op de jongste dag voor de rechterstoel van God zal moeten verschijnen om rekenschap te geven, en daarom zal ik niet liegen."

Bekijk transcriptie 


Pieter Cornelis de Patot, de toenmalige dessave (bestuurder) van Colombo, werd in de maand februari in opdracht van de edele heer Vuijst naar Nigombo gestuurd, zogenaamd om toezicht te houden op de reparaties van de verdedigingswerken.

Vlak voor het vertrek van heer Vuijst naar Nigombo gebeurde er iets in de krijgsraad tussen hem en dessave Patot. Bij het bekijken van papieren viel er een brief met het zegel van een Portugees rijk in handen, die al eerder in de vergadering was getoond. Heer Vuijst was hierover verbaasd en zei tegen heer Patot: "Wat een surtout dat Cachiet heeft." Heer Patot antwoordde: "Dat is een aanzienlijk zegel, bewaar het zeer zorgvuldig."

Kort daarna brak heer Patot het zegel in kleine stukjes en gooide het in het vuur. Toen de edele heer Vuijst vroeg wat er zo stonk, antwoordde heer Patot dat hij een beetje lak in het vuur had gegooid.

Vervolgens vroeg de edele heer Vuijst naar het Cachiet (zegel), waarop heer Patot antwoordde dat hij het in het vuur had gegooid. De edele heer Vuijst reageerde geschokt: "Mijn God, mijn heer Patot, hebt u dat zegel in het vuur geworpen? Ik heb u er zo ernstig om verzocht omdat het zo aanzienlijk was en u het zorgvuldig zou bewaren. Mijn heer Patot, wat moet ik hiervan denken?"

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/