Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Jacob van Bochem heeft op 31 december Peter Sweijtzer twee keer laten roepen vlak voor een rechtszitting. Van Bochem toonde Sweijtzer een document dat hij moest ondertekenen. Sweijtzer, die onervaren was in rechtszaken, tekende dit zonder het te lezen of te weten wat erin stond. Van Bochem had hem ook niet verteld wat de inhoud was.

Later bleek dat het document een soort antwoord was waarmee Sweijtzer onbedoeld betrokken raakte bij verdere rechtszaken. Dit was tegen zijn wil. Daarom vraagt Sweijtzer nu aan de rechters om:

Dit verzoek is ingediend op 14 januari 1734.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0188  


De soldaat Jacob Sweitzer vertelt dat hij samen met de burger Jacob van Boehem op 17 december voor de rechtbank moest verschijnen. De aanklager Daniel van den Henghel had hen aangeklaagd bij Jan de La Fontaine, die de gouverneur was van Kaap de Goede Hoop. Sweitzer zegt dat hij na het horen van de aanklacht mondeling heeft geantwoord zoals dat in de rechtbankverslagen staat. Hij was niet van plan om verder te gaan.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0187  


Op 14 januari 1734 werd door D.V.D. Henghel en J. Degrand een document ingediend over wanneer noodweer wettelijk toegestaan is. Ze stelden dat noodweer alleen is toegestaan als iemand zijn leven op geen enkele andere manier kan redden dan door zijn tegenstander te doden. Na het geven van verschillende bewijzen en het weerleggen van mogelijke bezwaren, legden ze deze zaak voor aan de rechters.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0184  


Mr Daniel van den Henghel, fiscaal onafhankelijk van het bestuur, heeft als aanklager een antwoord geschreven aan Jan de la Fontaine, buitengewoon raadslid van India en gouverneur, en aan de rechtbank. De aanklacht is tegen burger Jacob van Boihem en tegen korporaal Jacob Sweitzer van de Groene Kloof. Ze worden beschuldigd van mishandeling van de slaafgemaakte jongen Harcus, die daaraan is overleden. De aanklager heeft 14 dagen geleden een document van de aangeklaagden ontvangen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0175  


De Eiser zegt dat de beschuldigingen van de beklaagden onbelangrijk zijn en geen weerlegging nodig hebben. Zelfs als de ergste overtredingen waarbij ze zichzelf moesten verdedigen zouden kloppen, vindt de Eiser dat hij toch moet reageren op hun volgende argumenten. De beklaagden beweren dat het verhaal van de jongens over het zoeken naar varkens niet klopt omdat hun eigenaar de dieren niet bij het pad van het ronde bos laat grazen maar in de vlakte. Dit betekent echter niet dat een jongen 's avonds de dieren niet naar huis zou drijven en dat er één achter zou kunnen blijven bij het huis. De eerste beklaagde houdt vervolgens een lang verhaal over zijn eerlijkheid en bekendheid bij alle burgers hier ter plaatse. Dit interesseert de Eiser niet en hij wil die zogenaamde langdurige eerlijkheid niet onderzoeken. Hij wil alleen zijn aanklacht bewijzen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0179  


De aanklager klaagt dat hij meer onschuldige mensen met bezit aanklaagt dan schuldige mensen met bezit. Hij vraagt de rechters om bescherming tegen beledigende taal. Hij wil dat de gedaagden hun beschuldigingen schriftelijk bewijzen. Hij vindt het onaanvaardbaar dat een gerechtelijk ambtenaar door onwaardige mensen in zijn eer en fatsoen wordt aangetast. Dit omdat hij dan in de toekomst steeds blootgesteld zal worden aan beledigingen en laster door iedereen die hij zou moeten vervolgen. Deze kwaadwillende mensen proberen zo wraak te nemen. Als de rechters dit toestaan, vreest hij dat het niet bij woorden zal blijven maar zal uitlopen op geweld, waardoor een gerechtelijk ambtenaar gevaar loopt door mensen die hij moet vervolgen of heeft vervolgd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0180  


Op 7 april 1734 ontstond er een conflict in de smederij bij het kasteel aan Kaap de Goede Hoop. Jan Philip Stief, een 48-jarige smid uit Hamburg in dienst van de VOC, kwam die ochtend rond 8 uur de werkplaats binnen. De hoofdsmid Jacob Scheffer kwam achter hem aan en begon tegen hem te schreeuwen over zijn werkhouding. Toen Stief antwoordde en de brandijzers aanwees, pakte Scheffer een stok waarmee hij Stief sloeg. Toen Scheffer Stief bij zijn haar wilde pakken, duwde Stief hem weg waardoor Scheffer achterover viel, vermoedelijk op een stapel oud ijzer. Deze verklaring werd op 13 april 1734 afgelegd voor de Raad van Justitie, in aanwezigheid van de onafhankelijke fiscaal Daniel van den Henghel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0203  


Op 12 april 1734 legde Jacob Scheffer, de hoofdsmid, een verklaring af bij het gerechtelijk secretariaat van Kaap de Goede Hoop. Dit gebeurde in aanwezigheid van klerken Johannes Hinricus Blankenberg en Joachim Nicolaes Jan Dessin als getuigen. Het document werd ondertekend door Scheffer en P. De Gran.

Op 20 april 1734 bevestigde Scheffer in aanwezigheid van smid Philip Stief dat zijn eerdere verklaring volledig waar was. Dit werd vastgelegd in Kaap de Goede Hoop en ondertekend door De Grandpreez als secretaris, met Brand en Moller als commissarissen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0200  


Christoffel Bek had een slaaf genaamd Marcus. Er waren klachten over de slechte behandeling van Marcus door meerdere personen. Een belangrijke vraag was wanneer dit voorval zich afspeelde. De jongens Jan en Juli verklaarden dat het tussen 7 en 8 uur 's avonds gebeurde, maar er waren ook getuigenissen die spreken van 11 of 12 uur 's nachts. De getuigenissen kwamen van burger C. Opperman en tuinman Francois Wikkaard.

Over de jongens werd het volgende duidelijk:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0164  


Jacob Corporaal van Boehem en Jacob Swijtzer dienden een bezwaarschrift in bij Jan de La Fontaine, buitengewoon raadslid van Indië en gouverneur van Kaap de Goede Hoop, en de rechtbank. Dit was gericht tegen Daniel van den Henghel, de openbaar aanklager. De zaak ging over een mannelijke slaaf die 's nachts rondzwierf en de openbare weg onveilig maakte. Deze slaaf raakte gewond en zou daaraan zijn overleden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0163  


Jacob Sweitzer ondertekende de verordening van de gouverneur en het gerechtshof. Als secretaris tekende F. De Granpreez mee. Dit document werd bekrachtigd door De Grandpreez als secretaris.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0160  


De rechter gaf toestemming om burger Jacob van Bochem en korporaal Jacob Sweitzer persoonlijk te verhoren op 11 juni 1733. Het verzoek om korporaal Sweitzer vast te houden in het fort werd afgewezen. Het verzoek werd ingediend door H. van de Heughel.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0159  


De gebeurtenis gaat over een aanval van een zwarte jongen, waarvan de andere aanvallers al waren weggevlucht. Hoewel ze oorspronkelijk met 4 aanvallers waren, toonde hun vlucht aan dat ze niet sterk genoeg waren om hun plan uit te voeren. Dit gold zeker voor deze ene overgebleven jongen die zich verzette tegen sterke mannen, waarvan er één bewapend was met een zwaard.

Hun angst om vermoord te worden ontstond toen van Bochem van zijn paard werd getrokken door die jongen. Dit verhaal is onlogisch want van Bochem spreekt zichzelf tegen: hij zat te paard en greep een vluchtende persoon vast. Die jongen probeerde los te komen. Het is logisch dat iemand dan óf van het paard moet vallen, óf de vastgegrepen persoon moet loslaten. Als hij had losgelaten, was de jongen weggevlucht en was er geen gevaar geweest om van het paard te vallen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0155  


De tekst gaat over een incident waarbij Van Bochem bij een gewelddadige confrontatie betrokken was. Hij hield een jongen aan zijn haar vast terwijl deze probeerde te vluchten. Twee andere jongens waren al weggerend. De verdediging stelt dat het gebruik van geweld onnodig was, omdat:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0154  


De fiscaal meldt dat op 1 van de maand rond 10:30 uur Jacob Jan Bochem samen met korporaal Jacob Sweitzer van de post Groene Kloof bij hem kwam. Bochem vertelde dat hij de nacht ervoor rond 12 uur, terugkomend van de brouwerij bij het nieuwe land, tussen de huizen van Johannes Swellengrebel en Steven ten Holder werd aangevallen door 4 zwarte jongens met stokken. De korporaal had hem gered en mogelijk 1 of 2 aanvallers verwond met zijn zwaard. Op de vraag waarom ze de jongens niet hadden vastgebonden en of ze hen kenden, antwoordden ze dat de jongens waren ontsnapt en ze hen niet kenden. De fiscaal, die wist dat Bochem problemen had met zijn eigen slaven, zei dat hij zijn plicht zou doen om de daders te vinden. Kort daarna kwam de knecht van Johannes Swellengrebel melden dat er een lijk lag op zijn landgoed tussen het Compagniesbos en het ronde bosje. Het lichaam lag half in de sloot met de benen in de rivier en het hoofd leek zwaar gewond. Eerst dacht men dat het een Nederlandse houthakker was, maar later bleek het een slaaf van Jan Christoffel Bek te zijn. Omdat de vindplaats van het lijk overeenkwam met de plek van de vermeende aanval, besloot de fiscaal de zaak te onderzoeken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0143  


Bij een onderzoek werden verschillende verwondingen aangetroffen, waaronder:

Al deze verwondingen waren veroorzaakt door een scherp voorwerp en waren dodelijk van aard.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0140  


Op verzoek van Mr. Daniel van den Henghel, de onafhankelijke aanklager van het bestuur, hebben de eerste en tweede hoofdchirurg in aanwezigheid van Nicolaes Heyning en Hendrik Oostwald Eksteen (afgevaardigden van de rechtbank) het lichaam onderzocht van Marcus van Nias, een slaaf van burger Jan Christoffel Beek.

Bij onderzoek van het hoofd, de borst en de buik vonden ze de volgende verwondingen aan het hoofd:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0139  


Hij verklaarde dat hij niet dronken was en dat het hem niet opviel dat Jacob van Bochem onder invloed was. Jacob van Bochem was ongewapend toen dit voorval plaatsvond. Dit werd vastgelegd op 3 juni 1733 aan Kaap de Goede Hoop door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0137  


De getuige stapte van zijn paard af toen hij Van Bochem 'help help, ik word vermoord' hoorde roepen. Van Bochem was toen al door een jonge man van zijn paard getrokken en hing nog maar met één voet in de stijgbeugel. De getuige trok zijn zwaard, maar toen hij naar de jonge man wilde slaan, sloeg deze zo hard op het zwaard dat de beugel brak. Daarop heeft de getuige meerdere keren met zijn zwaard naar de jonge man geslagen en gestoken. Vervolgens hielp hij Van Bochem weer op zijn paard. De jonge man vluchtte weg en ze hebben hem daarna niet meer gezien. De getuige is daarna met Jacob van Bochem naar een bepaalde plek gereden waar ze hebben overnacht. De volgende dag zijn ze naar de Kaap gegaan om de rechter over deze gebeurtenis te informeren.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0136  


De belangrijkste punten uit een verklaring van soldaat (korporaal) Jacob Sweitzer uit Basel over een voorval op 31 mei:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0135  


P. van Bochem vertelt dat een jonge man hem bij zijn haar greep en van zijn paard trok, waardoor hij op de grond viel. Bang om vermoord te worden riep hij om hulp naar de in de buurt zijnde korporaal Jacob Swijtzer. Deze korporaal kwam meteen te paard aangereden en stak meerdere keren met zijn zwaard naar de jonge man. Daarna hielp de korporaal Van Bochem weer op zijn paard. De jonge man verstopte zich toen in een sloot bij het huis van de oude heer Swellengrebel. Van Bochem en de korporaal reden vervolgens naar zijn boerderij waar ze de nacht doorbrachten. De volgende dag gingen ze naar de commandant aan de Kaap om dit te melden. Van Bochem verklaart dat zowel hij als de korporaal niet dronken waren tijdens dit voorval.

Deze verklaring is afgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 3 juni 1733 en ondertekend door:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0132  


Jacob van Bochem verklaarde op verzoek van openbaar aanklager Daniel van den Henghel het volgende: In de nacht van afgelopen zondag, tussen 12 en 1 uur, kwam hij samen met soldaat Jacob Sweitzer te paard terug van de brouwerij bij het Nieuwe Land. Op de weg tussen de huizen van Hendrik Heijns en Johan Christoffel Bek kwamen ze 4 zwarte jongens tegen die waarschijnlijk speren droegen. Toen Van Bochem vroeg van wie ze waren, antwoordden ze dat ze bij Heijns hoorden. Van Bochem riep dat ze moesten blijven staan zodat hij ze naar huis kon brengen. 3 van hen sprongen over een sloot.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0131  


De slaaf Juli van Nias verscheen voor de Raad van Justitie van het bestuur. Hij bevestigde dat zijn eerder afgelegde verklaring helemaal waar was. Dit deed hij in aanwezigheid van burger Jacob van Bochem. De tekst werd hem voorgelezen en hij wilde er niets aan toevoegen of weghalen. Dit gebeurde in Kaap de Goede Hoop op 12 december 1733. Het document werd ondertekend door Juli (met een merkteken), J. De Grandpreez (secretaris), H. Swellengrebel en F. Russouw als commissieleden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0130  


De slaaf Julij verklaarde dat hij met twee anderen werd aangesproken door twee Europeanen. Een van de Europeanen had lang haar en de ander droeg een bruin pak. Ze vroegen wie er aankwam, waarop de slaven antwoordden dat ze "jongens van Bek" waren. De Europeanen dreigden hun hoofd af te hakken als ze niet naar de Kaap gingen. Een van hen trok zelfs zijn zwaard.

Uit angst sprongen Julij en de slaaf Jan over een sloot een tuin in. Marcus werd bij zijn haar gegrepen en kon niet vluchten. Julij zag vanuit de tuin hoe de twee Europeanen Marcus meenamen. Hij verklaarde dat geen van de slaven wapens of stokken bij zich had.

Deze verklaring werd afgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 3 juni 1733. De verklaring werd ondertekend door De Grandpreez, Swellengrebel en Ehsteen. Op 4 december 1733 werd de verklaring nogmaals voorgelezen aan Julij in het bijzijn van korporal Jacob Swijtser. Julij bevestigde dat alles waar was en werd opnieuw ondertekend door De Grandpreez, Swellengrebel en Russouw.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0128  


Op 31 mei vertelde Julij van Nias, een slaaf van burger Johan Christoffel Bek, het volgende aan de onafhankelijke aanklager Daniel van den Henghel:

Julij ging samen met de slaven Lan en Marcus om 7 uur 's avonds weg van de woonplaats van hun eigenaar bij het Ronde Boschje. Ze gingen stilletjes op zoek naar een varken dat het kind van Lan was kwijtgeraakt. Op de weg tussen de plaats van hun eigenaar en die van Hendrik Heijns kwamen ze twee Europeanen op paarden tegen. Een van hen droeg een blauwe jas.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0127  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/