Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Deze tekst is een formeel document dat opgesteld werd aan Kaap de Goede Hoop op 12 december 1733. Het werd ondertekend door de slaaf Jan, met als officiële getuigen P. De Grandpreez (secretaris), Swelleu (afgevaardigde), H. Grebel en Fn. Russouw.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0123 De slaaf Jan van Macasser vertelde dat hij rond 8 uur met Julij naar huis was gegaan en naar bed, zonder de knecht hierover in te lichten. Hij verklaarde dat hij, Julij en Marcus geen wapens bij zich hadden, van welke soort dan ook. Deze verklaring werd afgelegd in Kaap de Goede Hoop op 3 juni 1733. De verklaring werd ondertekend door Jan met een merkteken, in aanwezigheid van secretaris J. D'Grandpreez en commissarissen H. Swellengrebel en H.C. Ek Heen. Bij een eerste controle op 4 december 1733, in aanwezigheid van korporaal Jacob Sweitzer, bevestigde Jan van Macasser zijn verklaring volledig. Bij een tweede controle, in aanwezigheid van burger Jacob van Bochem, bevestigde hij nogmaals zijn verklaring.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0121 Toen het donker was, zagen ze 2 Europeanen aankomen. Een van hen droeg een blauw pak en had lang haar, en had een mes bij zich. De andere droeg volgens de verteller een bruin pak. De 2 Europeanen riepen 'waar gaan jullie heen?' waarop zij antwoordden 'wij zijn vrienden, jongens van Bek'. De Europeanen zeiden dat ze mee moesten naar de Kaap. Ze waren bang omdat hun meester via zijn knecht had verboden 's avonds weg te gaan. De verteller en de slaaf Juli sprongen over de sloot de tuin van hun meester in toen ze zagen dat een van de Europeanen een mes trok. Vanaf daar zagen ze de Europeanen te paard, met tussen hen in de eerder genoemde slaaf Marcus, die door een van de Europeanen met een mes werd geslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0120 Op 10 februari 1734 zegt een 15-jarige Hottentotin genaamd Anna, die bij landbouwer Jan Louw Jacobssoon woont, het volgende tegen de landdrost Pieter Lourensz:
Ongeveer 14 dagen geleden zag ze hoe Joumath, een oudere slaaf van Jan Louw Jacobssoon, een grote teef uit het slavenhuis droeg richting de rivier. Anna en slavin Lijs van de Caab volgden hem en verstopten zich achter een bosje. Daar zagen ze dat Joumath tussen de bosjes en rotsen de teef op haar rug legde en haar verkrachtte.
Toen Anna en Lijs hem riepen en vroegen wat hij deed, reageerde hij boos. Hij vroeg wat ze te loeren hadden en gooide een steen naar hen, waarna ze naar huis gingen.
Dit werd vastgelegd op het justitiekantoor van Kaap de Goede Hoop in aanwezigheid van klerk Johannes Henricus Blanckenberg.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0071 De Khoi-vrouw, Anna, heeft haar eerdere verklaring voorgelezen gekregen in aanwezigheid van de slaaf Joumath van Ternaten. Ze bevestigde dat ze bij haar verklaring bleef en dat deze de waarheid bevatte. Ze vond dat er niets aan toegevoegd of verwijderd hoefde te worden. Dit gebeurde in Kaap de Goede Hoop op 11 februari 1734.
Als getuigen waren aanwezig:
De secretaris P. Boegrandgereet heeft dit document voor akkoord ondertekend.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0072 Joumath van Ternaten, een 60-jarige slaaf van landbouwer Jan Louw Jacobsz, werd ondervraagd door de rechtbank in Stellenbosch. Hij moest antwoorden geven over voorvallen op de boerderij van zijn meester in Stellenbosch.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0075 Op 10 februari 1734 legde Josephus de Grandpreez, secretaris van de rechtbank van het bestuur, een verklaring vast. De slavin Lijs van de Caab, eigendom van landbouwer Jan Louw Jacobsz, deed aangifte op verzoek van landdrost Pieter Lourensz.
Ongeveer 14 dagen eerder had zij gezien hoe Joumat, een oudere slaaf van haar eigenaar, een grote teef naar de rivier droeg. Lijs en de Hottentotse vrouw Anna volgden hem en verstopten zich achter een bosje. Ze zagen hoe Joumat de hond op haar rug legde tussen de struiken en rotsen. Hij smeerde zijn geslachtsdeel in met speeksel en had gemeenschap met de hond.
Toen Lijs hier iets van zei, reageerde Joumat boos. Hij vroeg wat ze daar kwam gluren en gooide een steen naar hen. Daarop gingen de vrouwen terug naar huis.
De verklaring werd afgelegd op het gerechtelijk secretariaat van Kaap de Goede Hoop in het Nederlands, een taal die de aangeefster goed sprak en begreep, in aanwezigheid van klerk Johannes.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10933 / 0067 De Raad wijst de bovenstaande schriftelijke verklaring af en beveelt om binnen 14 dagen een passend antwoord te geven op de eis van de aanklager. In dit antwoord mag de boer Jan Nortie niet genoemd worden. Jan Garde Weijders krijgt een boete van 25 rijksdaalders voor zijn ongehoorzaamheid. Dit geld gaat naar de armen van de gemeente. De onafhankelijke aanklager Daniel van den Hengsel heeft schriftelijk laten zien dat de burger Jan Heijn op 19 van de vorige maand iets heeft gedaan.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0061 Op donderdag 7 oktober 1734 's ochtends kwamen bij elkaar:
De landbouwer Jan Garde moest zich verdedigen tegen een aanklacht van landschout Pieter Lourentsz. De gouverneur vroeg aan Garde of hem niet was opgedragen om een geschreven verdediging in te leveren. Garde antwoordde dat hij niet anders kon verantwoorden dan wat er al lag, omdat hij zelf geen verdedigingsschrift kon opstellen of schrijven.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0060 Na overweging van de zaak en omdat de slavin Leijs al lange tijd opgesloten zat en haar gezondheid gevaar liep, werd besloten haar aan een blok met kettingen vast te maken. Ze moest werken bij de werken van de VOC, totdat er meer duidelijkheid zou komen in deze zaak. Dit kon gebeuren door het vangen van de jonge slaaf Cupido, die eigendom was van landbouwer Jan Hendrik Debes, of op een andere manier. Dit werd besloten in het Kasteel de Goede Hoop. De secretaris P. de Grandpreez was hierbij aanwezig op een donderdag.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0059 Op 23 september 1734 was er een rechtszaak in het Kasteel de Goede Hoop. Aanwezig waren gouverneur Jan de La Fontaine en alle leden, samen met drie burgerraadsleden. De zaak ging tussen landdrost Pieter Lourentsz en landbouwer Jan Nortie als eisers, tegen Jan Garde als gedaagde. Het ging om een zaak van belediging. Jan Garde diende een verweerschrift in, maar dit werd door de Raad afgewezen vanwege fouten in de procedure.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0056 De rechter heeft de landdrost opgedragen om het dode lichaam van een kind op te sporen. Leijs, een jonge vrouw, moest hem naar de begraafplaats of het gat leiden waar het vermoorde kind verborgen zou zijn. Daarnaast heeft de landdrost een schriftelijk verslag getoond van landbouwer Arij Lekkerwijn. In dit verslag beschrijft Lekkerwijn hoe hij uit zelfverdediging zijn weggelopen slaaf Marcus moest doden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0055 Op donderdag 9 juli 1734 was er een rechtszitting in de ochtend. Aanwezig waren:
De landdrost diende een aanklacht in tegen de landbouwer Jan Garde. De aanklacht ging over het verwonden van een andere landbouwer, Jan Nortie. Pieter Lourentsz trad op als openbaar aanklager. De verdachte vroeg om een kopie van de aanklacht en kreeg 14 dagen de tijd om te antwoorden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10932 / 0053 De veroordeelde werd aan de beul overgedragen en aan een kruis vastgebonden. Hij werd zonder genade levend geradbraakt en moest op het kruis blijven liggen tot zonsondergang. Als hij daarna nog leefde, zou hij worden gewurgd. Zijn lichaam werd daarna buiten de stad gesleept en op een rad gezet, waar het werd blootgesteld aan de elementen en vogels. Hij moest ook de proceskosten betalen.
Dit vonnis werd uitgesproken in het Kasteel de Goede Hoop op 2 oktober 1732 en uitgevoerd op 4 oktober 1732. Het document werd ondertekend door secretaris J. de Grandpreez.
Op 16 oktober 1732 kwam men 's ochtends bijeen in aanwezigheid van gouverneur Jan de Lafontaine en alle leden, inclusief drie burgerraadsleden. De onafhankelijke fiscaal deed zijn aanklacht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10930 / 0066 De rechters hebben de aanklacht van de officier gelezen en bekeken, evenals de vrijwillige bekentenissen van de gevangenen. Na alles overwogen te hebben veroordelen ze Pieter Hollebroek en Catrijn van Madagascar tot de volgende straffen:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10929 / 0013 Op 11 januari 1731 kwamen 's ochtends de volgende bestuurders bij elkaar in de Kaap:
Adriaan van Kervel, die de hoofdadministrateur en opperkoopman was, was niet aanwezig omdat hij de aanklager was in deze zaak.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10929 / 0011 Christina van Madagascar, een slavin van landbouwer Jochem Scholts, werd ondervraagd in Kaap de Goede Hoop. Ze verklaarde op 24 augustus 1730 dat ze alleen wist dat een slaaf genaamd Scipio, die eigendom was van Gijsbert Verweij, door Amil was vermoord. Later, op 13 september 1730, werden haar verklaringen aan haar voorgelezen en bevestigde ze dat alles correct was opgeschreven. Ze wilde niets toevoegen of weghalen uit haar verklaring.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0398 Lena van de Caab verklaarde tijdens een verhoor dat haar eerdere bekentenis klopte. Ze voegde toe dat de slaaf van Jochem Scholts Alexander heette. Toen Philander, Pieter, Caesar en Amil weggingen om buskruit van de Compagnie bij de Leeuwenkop te stelen, wachtte zij samen met de meid Christina beneden op hen. Pieter en Caesar hadden twee schapen gestolen van de veeplaats van de oude heer Swellengrebel. Deze schapen werden geslacht en Lena at ervan mee. November en Cara vertelden haar dat een weggelopen jongen van de Compagnie, genaamd Francis, was gedood in de buurt van de Saldanhabaai.
Dit werd vastgelegd aan de Kaap de Goede Hoop op 13 december 1730. Het document werd ondertekend met een kruisje van Lena van de Caab, in aanwezigheid van secretaris De Grandpreez en commissarissen A.K. Swellengrebel en J. Cruijwagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0313 Bakker en December van Balij zwommen met een groep van 5 mensen over de Palmiet rivier. Op het strand troffen ze een gevluchte Europeaan aan, genaamd Philip, die aan het vissen was. Leander Bougis duwde hem zonder waarschuwing omver met zijn wapen. Daarna stak Aron hem met een mes. Januarij (ook wel Janboe genoemd) en December van Balij staken hem ook met hun messen.
Na de moord:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0199 Een rechtszaak beschrijft de volgende veroordelingen voor verschillende misdaden:
De veroordeelden waren schuldig bevonden aan verschillende misdaden waaronder moord, diefstal, roof, geweld en veediefstal. De doodstraffen werden uitgevoerd op de gebruikelijke plaats voor het uitvoeren van vonnissen. De lichamen van de terechtgestelden werden tentoongesteld tot ze door weer en wind waren vergaan. Het vonnis werd uitgesproken door de Raad van Justitie namens de Staten-Generaal der Verenigde Nederlanden, na een aanklacht van Adriaan van Kervel, die tijdelijk het ambt van fiscaal waarnam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0440 De rechtbank heeft Caser van Madagascar en Januarij (ook bekend als Jamboe) van Boegin in kettingen gezet. Ook werd Zera van de Kaap vastgeketend aan een zware ketting met een blok. Lena en Januarij (alias Jambo) kregen levenslang werken voor de Compagnie, waarbij Januarij bij de batterij moest werken. Caser kreeg 10 jaar. Caser van Madagascar, September van Boegin, Christina van Madagascar en Alexander van Malabar moesten terug naar hun eigenaren, die de kosten moesten betalen. Voor Januarij (alias Jambo) betaalde de Compagnie de kosten. Alle gevangenen moesten de proceskosten betalen.
Dit vonnis werd uitgesproken in het Kasteel de Goede Hoop op 9 november 1730 en uitgevoerd op 11 november 1730. Het document werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0442
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0444
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0445 Op donderdag 23 maart 1730 vond er een rechtszaak plaats, onder leiding van gouverneur Jan de la Fontaine en alle andere leden behalve Nicola Heijning (die verhinderd was), samen met drie burgerraadsleden.
Adriaan van Kervel, de tijdelijke fiscaal van het gouvernement, klaagde Abraham de Haan aan. De aanklacht was dat De Haan op zondag 19 maart, ondanks eerdere waarschuwingen en tegen de regels in, met zijn boot naar de schepen van de VOC was gevaren binnen een termijn van drie dagen waarin dit verboden was.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0460 Het verhaal gaat over een aantal misdaden en ondervragingen met betrekking tot diefstallen en moorden. De daders Philander en Pieter stalen buskruit van de Oost-Indische Compagnie bij de Leeuwenkop. Ze gingen naar verschillende plekken zoals de Houtbaai, Tafelberg en Leeuwenkop.
Een gevangene heeft een slaaf genaamd Scipio, die eigendom was van burger Gijsbert Verweij, gedood. Dit gebeurde nadat Scipio de gevangene van een klif in zee had geduwd. Toen de gevangene weer op het strand kwam, zocht hij Scipio op en doodde hem.
Er wordt ook gevraagd naar de moord op een slaaf genaamd Salomon, die eigendom was van burger Roglits, maar de ondervraagde zegt hier niets van te weten.
Tot slot wordt er gevraagd naar de slaaf Leander, die eigendom was van de overleden burger Dirk Brand, die drie jongens in de Vishoek zou hebben vermoord met een mes.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10928 / 0341 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/