Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
De slaaf Alie van Boegies, 28 jaar oud en eigendom van dominee Petrus van der Apuij uit Draakenstein, legde een verklaring af voor de Raad van Justitie van het kasteel de Goede Hoop op 8 januari 1756. Hij vertelde aan hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn dat hij in oktober was weggelopen. Dit deed hij op voorstel van zijn medeslaaf April. De andere slaven April, Pedro, September en Juli waren al 2 dagen eerder weggelopen. De slavin Diana was al een maand weg. Hij vond hen terug in het Paarlgebergte, boven de plaats van de
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10955 / 0181 Op 22 oktober 1756 werd op het secretariaat van justitie in het kasteel de Goede Hoop een verklaring afgelegd. Otto Wilhelm Rotenburg en Joachim Frederik Mensz waren hierbij als klerken getuige.
Op verzoek van de onafhankelijke fiscaal Pieter Reede van Oudshoorn verklaarde de eerste opperchirurg van het hospitaal dat hij op 13 oktober de tijdelijke onderchirurg Nicolaas Scharff naar de gevangenis had gestuurd. Deze moest een slavin genaamd Lea, die eigendom was van burger Evert Colijn, onderzoeken en verbinden. Scharff rapporteerde dat de slavin verschillende verwondingen had:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10955 / 0823 Op 28 oktober 1756 kwam de rechtbank bijeen in de ochtend. Aanwezig waren rechter Serques Swellengrebel en alle leden, behalve Isaac Meinertzhagen en Rudolf Siegfried Alleman die verhinderd waren. Ook waren er drie burgerraadsleden.
De openbare aanklager diende een aanklacht in tegen burger Evert Colijn over de mishandeling van zijn slavin Lea uit de Kaap. Volgens verklaringen van de slavin zelf en een rapport van de ziekenhuischirurg had Colijn:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10955 / 0096 De stadsraad voor rechtspraak las op deze dag de strafzaak voor die was ingediend door hoofdaanklager Pieter Reede van Oudshoorn tegen de gevangene Januarij van Boegies. Na het horen van de vrijwillige bekentenis van de gevangene, heeft de raad namens de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden en de prins van Oranje en Nassau besloten om de gevangene ter dood te veroordelen.
Hij zou:
De gevangene moest ook de rechtbankkosten betalen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1274 De rechtszaak werd gehouden in het Kasteel de Goede Hoop op 4 december 1755. Het vonnis werd uitgesproken en uitgevoerd op 6 december 1755. Het document werd ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1275 Een gevangene zag Augustus in de achterkamer bij een wieg waar zijn jongste kind lag. De gevangene vroeg aan Clara, uit jaloezie, wat die jongen bij haar deed. Hij had al langere tijd achterdocht tegen Augustus. Clara antwoordde dat hij het huilende kind alleen maar wiegde en dat daar niets verkeerds aan was.
De gevangene werd boos en zei tegen Clara "Jij hebt een ziel en ik heb een ziel". Hij ging naar de achterplaats en pakte, naar eigen zeggen buiten zinnen van woede, een kapmes in plaats van het brandhout waarmee hij Clara had willen slaan.
Hij sloot eerst de voordeur en stak de sleutel in zijn zak. Clara en Augustus waren met het kleinste kind van zijn overleden vrouw naar de achterkamer gevlucht. Clara was bezig het kind aan te kleden toen ze uit het raam vluchtten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1272 Een onderzoeker heeft een slavin genaamd Clara uit Boegis onderzocht. Ze hoorde bij de erfenis van mevrouw Schindelaar. Clara had drie verwondingen:
De verwondingen waren veroorzaakt door een scherp mes of zwaard. De verwondingen aan haar hand waren niet gevaarlijk. Bij de hoofdwond waren er nog geen tekenen van hersenletsel die de dood konden veroorzaken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1270 Clura van Maccasser verscheen voor de plaatselijke rechtbank van Kaap de Goede Hoop. Haar verklaring werd voorgelezen, waarbij ze aangaf dat ze bij haar verhaal bleef en er niets aan toegevoegd of weggehaald hoefde worden. Dit bevestigde ze in aanwezigheid van de slaaf Januarij van Boegies.
Dit werd vastgelegd in Kaap de Goede Hoop op 13 november 1755. Aanwezig waren raadsleden Cl Brand en J.H. Blanckenberg. De secretaris J.F. Tiemmendorf ondertekende het document.
Op verzoek van aanklager Pieter Rheede van Oudshoorn verklaarde chirurg Dirk Wijdenaar dat hij op 2 november een bezoek bracht aan het sterfhuis van mevrouw Johanna Elisabet Delits, weduwe van kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelaar.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1269 Toen een vrouw een kind van haar meesteres door het raam naar buiten wilde tillen, viel Januarij haar aan. Hij sloeg met een kapmes (parrang) vanuit de kamer naar haar. Ze kreeg een klap op haar hoofd, maar die werd grotendeels tegengehouden door een zilveren haarpen. Daarna kreeg ze nog een slag op haar rechterschouder, die alleen haar kleren raakte. Toen ze probeerde verdere slagen af te weren met haar rechterhand, kreeg ze daar nog drie verwondingen. Intussen was het kleine kind van haar meesteres uit de kamer weggelopen. Januarij sprong door het raam en vluchtte weg, waarbij hij het kapmes en de sleutel van de voordeur meenam.
Dit voorval is vastgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 2 november 1755, in aanwezigheid van klerken Otto Wilhelm Rotenburg en Jochem Henrik Borgwedel als getuigen. Het document is ondertekend door hen en door beëdigd klerk C.L. Neethling, die vanwege afwezigheid van de gerechtssecretaris deze taak waarnam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1268 Een vrouw vertelt dat terwijl ze zich aan het aankleden was, haar jongste kind in een wieg in de achterkamer hard huilde. Ze vroeg toen aan de kok van haar voormalige eigenaar, Augustus, om het kind te wiegen. Terwijl Augustus dit deed, kwam haar huisgenoot en medeslaaf Januari thuis. Januari vroeg wat Augustus bij de wieg deed. Na haar uitleg dat hij alleen het huilende kind wiegde en ze daar niets verkeerds in zag, ging Januari mopperend naar de keuken. Hij zei daarbij "jij hebt een ziel, en ik heb een ziel". Kort daarna kwam Januari de keuken uit, ging naar de voordeur, deed deze op slot en nam de sleutel mee. De vrouw werd bang en:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1267 Januarij van Boegies kreeg zijn verklaring voorgelezen in de rechtszaal. Hij bevestigde dat alles klopte en vroeg niets toe te voegen of te verwijderen. Dit werd opgeschreven in Kaap de Goede Hoop op 13 november 1755. C. Brand en J.H. Blanckenberg, leden van de Raad van Justitie, en secretaris J.F. Tiemmendorf hebben dit ondertekend.
Clara van Makassar, een slavin van wijlen kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelaar, gaf rond 2:30 uur 's middags een verklaring aan hoofdaanklager Pieter van Oudshoorn, terwijl ze bezig was het jongste zoontje van haar overleden meester aan te kleden.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1266 Hij bekende dat hij in plaats van een stuk brandhout in het slavenhuis een kapmes had gepakt. Daarmee ging hij naar voren, deed de voordeur op slot en nam de sleutel eruit. Hij ging naar de achterkamer waar Clara, Augustus en het jongste kind van zijn overleden mevrouw waren. Clara en Augustus waren al door het raam naar buiten gevlucht. Hij sprong Clara achterna en gaf haar ongeveer 3 klappen met het kapmes. Hij wist niet precies waar hij haar raakte. Toen hij zag dat de meid bloedde, vluchtte hij met het kapmes naar het Tafelgebergte. De tweede nacht klom hij via de regenpijp van het achterste huis, waar een Chinees woonde, eerst op dat platte dak en daarna op de binnenplaats van zijn meesteres. Hij wilde zijn jas pakken omdat hij alleen een hemd droeg. Toen dat niet lukte, ging hij terug naar het gebergte. Hij bleef daar tot eergisteren. Door honger gedreven ging hij 's avonds naar de tuin van...
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1264 Januarij van Boegies, een lijfeigene van de erfgenamen van wijlen kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelaar, werd op 4 december 1755 naar het Kasteel de Goede Hoop gebracht. Hij werd daar door de beul op een kruis vastgebonden en levend geradbraakt. Daarna werd zijn dode lichaam naar de executieplaats buiten de stad gesleept. Daar werd hij op een rad tentoongesteld tot zijn lichaam door weer en vogels vergaan zou zijn. De kosten van het proces moesten betaald worden door de veroordeelde. Het vonnis werd ondertekend door P.V. Reed van Oudshoorn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1262 In de Nederlandse rechtspraak was het zo dat rechters moesten kijken naar de details van een moord, zoals omschreven in hoofdstuk 34 van het boek van Simon van Leeuwen ("Rooms Hollands Recht"). Hierin staat dat bij moordgevallen gekeken moest worden naar:
Dit bepaalde of er een normale of bijzondere straf moest komen. De straf kon lichter worden (verbanning of andere lichte straffen) of zwaarder (ophanging, verbranding of radbraking). In dit geval werd Januarij van Boegies aangeklaagd voor een moordaanslag. De aanklager wilde een voorbeeldstraf om andere misdadigers af te schrikken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1261 Volgens oude Nederlandse wetten werd iemand ook schuldig bevonden aan een moordpoging als hij ontkende een moord te hebben willen plegen maar de manier van verwonden wel duidelijk maakte dat dit wel zijn bedoeling was.
Volgens Simon van Leeuwen in zijn boek over Nederlands-Romeins recht geldt: als iemand met wapens een moordaanslag pleegt maar deze mislukt, wordt hij toch gestraft alsof de moord was gelukt. Dit omdat zijn bedoeling was om te moorden maar dit buiten zijn wil om werd verhinderd.
Volgens zowel goddelijke als menselijke wetten staat op moord de doodstraf. Van Hogendorp legt in zijn vertaling van Carpzovius uit dat de straf aangepast wordt op basis van:
Ook werd er strenger gestraft als de dader een slaaf was dan wanneer het een vrij persoon betrof.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1260 Uit de verklaring van de chirurg blijkt dat niet zeker was of er bij Clara binnenin haar schedel verwondingen waren. Zulke verwondingen kunnen namelijk soms pas 2 of 3 weken later zichtbaar worden en dan tot de dood leiden. Het was volgens de chirurg alleen aan Gods voorzienigheid te danken dat de dienstmeid Clara dit heeft overleefd. De gevangene had haar namelijk met zoveel geweld op haar hoofd geslagen, dat het een wonder was dat haar schedel niet in tweeën was gekliefd. Dit zou zeker gebeurd zijn als de slag niet was afgeketst op een haarspeld.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1259 De gevangene klom over de achterplaats van het huis. Men dacht dat hij daar kwam om wraak te nemen op de dienstmeid Clara en de kok August. Clara werd 's nachts vastgezet in het huis, en August en een paar anderen die mogelijk contact hadden met de gevangene werden onder toezicht geplaatst van de gerechtsdienaar totdat de gevangene was opgepakt.
Hoewel de verwondingen die de gevangene aan Clara had toegebracht niet dodelijk waren, vooral de hoofdwond niet, zou volgens het rapport van de opperchirurgijn van 1 december de genezing nog wel een maand duren. De slag had namelijk een stuk schedelbeen losgemaakt waarvan al enkele splinters waren afgekomen. Dit moest eerst helemaal losgekomen zijn voordat de wond kon genezen. Dit neemt niet weg dat de verwonding zeer gevaarlijk was en dodelijk had kunnen zijn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1258 Dit is een juridisch document waarin staat dat iemand de doodstraf krijgt ondanks zijn verweer dat hij niet bij zijn verstand was. Van Hogendorp citeert een jurist die aangeeft dat de meeste moorden uit woede worden gepleegd en dat dit nog steeds strafbaar is. Verder blijkt dat de verdachte 's nachts over de achterplaats was geklommen van zijn overleden meesteres' huis, wat bewijst dat hij van plan was om de slavin Clara of de slaaf August te doden. Zijn verweer dat hij alleen zijn jas kwam halen werd niet geaccepteerd. De weduwe Schindelar wordt genoemd als de overleden meesteres.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1257 Een situatie waarbij een gevangene eerst de voordeur had afgesloten en de sleutel in zijn zak had gestoken. Hij achtervolgde daarna slaven die eerst naar een kamer waren gevlucht en later via het raam naar buiten waren ontsnapt. Dit gedrag toonde duidelijk aan dat hij van plan was om iemand te doden.
Want als hij geen kwade bedoelingen had gehad, zou hij niet eerst de deur hebben afgesloten. Hij had dan waarschijnlijk de meid, met wie hij een gesprek had over de kok August, meteen opgepakt en geslagen. Maar dat deed hij niet.
Zodra hij jaloers werd, bedacht hij zonder na te denken over het raam, dat als hij de voordeur zou afsluiten en de sleutel zou houden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1256 De gevangene gooide zijn zwaard neer bij de dienaar Riggevangen in het huis van de overleden raadslid Jan de Wit. Daarna werd hij opgepakt door justitie. De aanklager zegt dat hij duidelijk heeft aangetoond dat de gevangene met opzet een moordpoging heeft gedaan.
De gevangene verdedigt zich met de volgende punten:
De aanklager vindt dit verhaal onwaarschijnlijk.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1255 De zaak gaat over 2 snijwonden in de rechterhandpalm van Clara. De eerste wond begint aan de bovenkant van de duim en eindigt tussen de ringvinger en pink, deze is 5 vingers lang. De tweede wond ligt wat meer naar binnen, is ongeveer een pink breed en begint bovenaan de hand waar wat spieren zijn doorgesneden. Deze wond eindigt bij de ringvinger en is 7 vingers lang. De verwondingen zijn veroorzaakt door een scherp wapen. De dader heeft de verwondingen toegebracht aan Clara toen zij voor hem vluchtte. Hij ontkent de verwondingen niet. Na het zien van het bloed vluchtte hij met zijn kapmes naar het Tafelgebergte. In de tweede nacht na de aanval kwam hij terug om zijn wachtrok op te halen. Hij klom over de achterste veranda van zijn ex-meesteres' huis naar de binnenplaats. Toen hij de wachtrok niet kon vinden, vluchtte hij weer naar het gebergte tot 10 november. Door honger gedreven ging hij toen naar de tuin van de weduwe.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1254 De gewonde Clara verklaarde dat toen ze al uit het raam op straat was gesprongen en bezig was het jongste kind van haar werkgeefster ook naar buiten te helpen, werd ze aangevallen door de gevangene. Hij had een kapmes in zijn hand en sloeg haar op haar hoofd. De klap werd gedeeltelijk gestopt door een zilveren haarpen in haar haar. De gevangene gaf haar nog meer klappen:
De chirurg verklaarde bij het verbinden van de verwonde dienstmeid drie wonden te hebben gevonden, waaronder een wond aan de rechterkant van haar voorhoofd. Deze begon een duim breed vanaf de schedelnaden en eindigde net boven haar rechteroog. De slag was zo hard dat deze doordrong tot het schedelbeen, waar het schuin naar binnen ging en enkele splinters van het bot had afgeslagen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1253 Een man werd jaloers op zijn bijzit (partner buiten huwelijk) Clara. Dit kwam door een voorval met een jongen bij haar wieg. Toen de man aan Clara vroeg wat de jongen daar deed, antwoordde ze "Niets". Clara legde uit dat de kok Augustus alleen haar kind aan het wiegen was omdat het huilde. Ze voegde toe dat ze niet wist wat daar mis mee was. De man liep mopperend en boos naar de kombuis (scheepskeuken) terwijl hij zei "jij hebt een ziel en ik heb een ziel". Hoewel de man dit later in zijn bekentenis ontkende, bleek uit zijn gedrag dat hij toen al moordplannen had. De man probeerde zijn woede te rechtvaardigen door te zeggen dat slaaf August uit de achterkamer kwam toen hij met Clara praatte en hem verbood tegen de meid te spreken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1251 De officier van justitie Pieter Reede van Oudshoorn diende een aanklacht in bij rechter Fergius Swellengrebel en de rechtbank van dit gebied. De aanklacht was tegen Januarij van Boegies, een slaaf van de erfgenamen van de weduwe van kapitein-luitenant Godfried Gerhard Schindelar. De aanklacht betrof een opzettelijke verwonding met dodelijke afloop. De officier van justitie voegde bij de aanklacht de vrijwillige bekentenis van de gevangene en een verslag.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1249 In de nacht hebben twee gevangenen wapens gestolen: een geweer, twee pistolen en vijf kogels. Ook hebben ze een tas uit de keuken gestolen. Voor hun vlucht hebben ze de pistolen met alleen buskruit geladen. De eerste gevangene droeg het geweer, één pistool en de tas. De tweede gevangene droeg het andere pistool en een sabel.
Ze kwamen eerst bij de Harmens Kraal en daarna in de Braijf. Daar bleven ze ongeveer een maand in de bergen. Ze kregen eten van de schaapherder genaamd April, die voor burger Hendrik Feerssen werkte. De eerste gevangene kende deze herder. Later hebben ze één kogel in vier stukken gehakt en het geweer daarmee geladen. De gevangenen laadden ook hun pistolen met scherpe munitie. Dit gebeurde begin oktober.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10954 / 1240 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/