Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3364 / 0269  


Gregorius Hendrick Praagman, het opperhoofd in Siam, schrijft op 25 november 1724 een brief naar de leiding van de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) in Batavia.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 2013 / 0262  


Op 12 mei 1858 werd in Heemstede een boedelbeschrijving opgemaakt bij notaris Jan Dolleman, in aanwezigheid van:

De boedel omvatte:

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748864 / 73  


In een brief aan het opperhooft werd een verzoek ingediend om 4100 pond sappanhout te mogen verbranden, omdat het ongeschikt was voor transport. Bij de brief zaten ook documenten van de bedienden, waaronder een overdrachtsbewijs. Dit bewijs toonde aan dat alle geld, goederen en andere bezittingen van het kantoor in Judia (een oude naam voor een gebied in Azië) waren overgedragen door Rogier van der Welt, een koopman en opperhooft genaamd Gregorius Hendrik Praagman. Deze overdracht klopte met drie sap-negotiëboeken (boeken voor de handel in sappanhout). Bij het controleren van de overdracht bleek dat er nog 1.259.665 pond sappanhout in Judia lag, waarvan 400 pond onbruikbaar was voor vervoer. De bedienden vroegen toestemming om 2091 pond te verbranden, omdat dit hout bedoeld was voor drie grote schepen die het Limburghout (een soort sappanhout) moesten ophalen, maar een schip en zes bemanningsleden waren verdwenen. Het verzoek om het hout te verbranden zou later worden beoordeeld, samen met de vraag of er aan de eisen van de bedienden kon worden voldaan, zoals het leveren van drie grote schepen voor het vervoer van het sappanhout en andere goederen. In een naschrift van de brief werd ook vermeld dat de sloep van het schip Consteeren en de sloep van het schip Limburg, bemand door 100 man, waren verdwenen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1989 / 0118  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 1988 / 1109  


In 1725 ontving de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) op 12 april een officiële brief afkomstig uit Calouang (het huidige Ayutthaya, Thailand). De brief was een origineel schrijven van het opperhoofd Gregorius Hendrik Praagman en de raad in Siam (het huidige Thailand), gericht aan de gouverneur-generaal van de VOC. De brief bevatte ook een register van brieven en belangrijke bijlagen, die in 1725 waren verzonden en ontvangen. De documenten waren achtereenvolgens ingesloten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8320 / 0211  


In 25 december 1724 schreef een brief uit Siam (het huidige Thailand) over een verzoek om Nederlandse en Indiase stoffen (zoals kleding en zijde) naar Siam te sturen. Dit zou helpen om de handel vast en goed te houden. In het jaar van het Konijn (een bepaald Jaar in de Aziatische kalender) stuurden de gouverneur-generaal en de Raad van Indië (de VOC-leiding in Azië) Gregorius Hendrik Praagman als nieuwe leider naar Siam. Toch kwam er toen geen officiële brief voor het hof of een bevestiging van zijn aanstelling. Daarom schreef de afzender (waarschijnlijk een lokale bestuurder) terug naar de gouverneur-generaal dat Praagman nog niet als leider werd geaccepteerd. Nu had de gouverneur-generaal wel een officiële brief gestuurd, zowel voor het hof als voor de afzender zelf, om Praagman als leider te bevestigen. Als Praagman verstandig en volgens de afspraken werkt, zal de afzender hem ondersteunen, zoals afgesproken in eerdere overeenkomsten. Daarnaast werd bekend dat de Vereenigde Oostindische Compagnie (VOC) een geldlening had gegeven aan ambtenaren van de Chinese Keizer.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 8689 / 0101  


Johannes Abllas bezat een stuk land in de buurt van Haserswoude met de volgende grenzen: Het land bestond uit verschillende percelen hooiland en weiland, verspreid over verschillende polders rond Haserswoude: Er waren ook verschillende erven (kleine stukken land met vaak een huis) in het westeinde van Haserswoude: Er waren ook twee schuldbrieven (leningen) gekoppeld aan deze eigendommen:
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974913 / 377  


In deze overeenkomst werden de rechten van een naamloze vennootschap in liquidatie (een bedrijf dat bezig was met afwikkeling) overgedragen aan verschillende kopers. De afspraken waren als volgt: Er werden enkele kleine fouten in de tekst verbeterd. De akte werd opgesteld in Haarlem op de datum die bovenaan vermeld stond, in aanwezigheid van twee getuigen: Een deel van het bedrag, namelijk 1500 gulden, werd betaald met een lening op naam van Arie Geylvoet, een gasfitter uit Haarlem, die was ingeschreven op 20 maart 1920. De verkoper, Jan Arnold Wilkens, bevestigde dat hij de volgende zaken had verkocht aan verschillende kopers (genummerd I t/m VII) voor de volgende bedragen: De verkoper verklaarde dat alle bedragen volledig waren voldaan en dat er niets meer openstond. De kopers werden officieel de nieuwe eigenaars van de vorderingen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 20  


De heren Johan Antoni Philipse (wonend in Rossinières, Zwitserland) en Jan Arnold Wilkens (wonend in Heemstede) waren de beheerders van een geldbedrag. Dit geld kwam uit de erfenis van mejuffrouw Antonia Martha Emelia Bunge, die in Amsterdam woonde en daar overleed op 11 oktober 1917. Volgens haar testament (9 november 1916, opgemaakt bij notaris P. de Booy in Amsterdam) mochten twee mensen levenslang rente ontvangen van dit kapitaal: De beheerders moesten ook regelmatig geld uitkeren aan de volgende personen en organisaties (met de bedragen en inschrijfdata):
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 19  


Deze tekst bevat een lijst van personen uit Haarlem, Rotterdam, Schoten, Nijmegen, Delft, Velp, Gravenhage, Aerdenhout en Teteringen die geldbedragen (leningen of schulden) hebben ingeschreven in een register. De bedragen zijn gekoppeld aan namen, data en registratienummers.

De volgende personen staan genoemd als schuldenaren (degene die geld lenen):

De volgende personen staan genoemd als schuldeisers (degene aan wie geld verschuldigd is):

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209098 / 18  


In 1916 verkochten J.P. Baten en M. Baten-Vos (als wettige vertegenwoordigers van twee minderjarige kinderen) een stuk grond in Hoofddorp (gemeente Haarlemmermeer), gelegen aan de Kruisweg (kadastraal bekend als sectie C, nummers 2856, 2857 en 2926), met een oppervlakte van 5 are en 36 centiare. Belangrijke punten van de verkoop: G. Kerste, als vader en voogd van de minderjarige kinderen, had op 15 juni 1916 toestemming gekregen van de kantonrechter in Haarlem om mee te werken aan deze verkoop. De akte werd ondertekend door de betrokkenen en de notaris.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 86  


Op 29 juni 1916 gingen Johannes Petrus Baten en Matthys Baten (beide vrachtrijders uit Haarlem) naar notaris Carel Frederik Jan Heinsius in de gemeente Haarlemmermeer. Zij handelden:

Zij verkochten twee huizen met schuur, erf en tuin in de polder Haarlemmermeer, gebied Vijfhuizen (bij Hoofddorp), aan de Kruwen. Het perceel had kadastraal nummer C 2856, 2857 en 2926 en was 5 are en 36 centiare groot. De koper was Willem Elsinga, koopman uit Haarlemmermeer.

De eigendom was eerder in handen van Jozef Baten. De verkoop werd bevestigd door getuigen en de notaris. De koopsom bedroeg ƒ74,40, plus 10% belasting (ƒ7,44), totaal ƒ81,84. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 29 juni 1916 en later overgeschreven bij de kantoren voor hypotheken en de Haarlemmermeerpolder in juli en augustus 1916.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351793 / 84  


In 1223 werd een overeenkomst vastgelegd over een lening met zware voorwaarden. De schuldenaar, het Gesticht, moest bij verkoop van onroerend goed eerst toestemming vragen aan de geldschieter. Alle kosten (zoals administratie, aanmaningen en eventuele rechtszaken) waren voor rekening van het Gesticht. De betrokkenen beloofden zich aan de afspraken te houden en kozen het kantoor van de notaris als officiële woonplaats voor juridische zaken. De notaris kende de deelnemers persoonlijk. Er werden kleine tekstwijzigingen goedgekeurd, zoals het toevoegen van "faillissement van den schuldenaar" en het schrappen of aanpassen van enkele woorden en letters.

De akte werd op 28 december 1908 ondertekend in Amsterdam aan de Herengracht 270, in aanwezigheid van twee getuigen: Zesnardus Jacobus Wilhelmus Eskens (tekenleraar uit Amsterdam) en Joost Johannes van Balen Blanken (tekenleraar uit Haarlem). De akte werd geregistreerd op 4 januari 1908 in Amsterdam, met registratiekosten van 1 gulden en 20 cent.

Op 28 december 1908 werd een koopovereenkomst getekend voor notaris Agathen Carel Roeloffs Valk in Uithoorn. Aan de ene kant stond het bestuur van het Gesticht „Sint-Nicolaas Hoeve" in Nieuwveen, vertegenwoordigd door:

Aan de andere kant stond Johan Willem Theodoor van Oijen (directeur van de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij in Amsterdam), die handelde namens zijn bedrijf met mondelinge toestemming van mede-directeur Johan Jacobs Jacob (wonend in Amsterdam).

Het Gesticht verkocht en droeg over aan de Hollandsche Electrische Spoorweg Maatschappij de volgende percelen in Nieuwveen en Zevenhoven (polder Nieuwkoop), bekend bij het kadaster als gemeente Nieuwveen, sectie B:

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5351480 / 4  


De notaris maakte een lijst van leningen die werden verstrekt aan verschillende mensen in de regio Beverwijk, Assendelft, Velsen, Heemskerk en Haarlem tussen 1838 en 1839. Hier een overzicht van de leningen, met de namen van de leners, hun beroep, woonplaats, borgstellers (indien vermeld) en het geleende bedrag in guldens:

De akte werd ondertekend door een aantal aanwezigen, waaronder Arie Boogaard, Leonardus Sprangers, Jacob Mooy en Willem Schmidt, en door de getuigen Johannes Theodoms Rutgen (kantonbediende in Velsen) en Laurens Diemeer (afslager in Heemskerk). Sommige aanwezigen vertrokken voor het ondertekenen zonder reden op te geven.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5308211 / 85  


Op 24 juni 1909 tekenden twee mannen, Peter Bors (timmerman uit Schoten) en Wilhelmus Johannes Bouke (timmerman uit Haarlem), een leningovereenkomst bij notaris Pierre François de Bordes in Haarlem. Namens de Nederlandse Hypotheekbank (gevestigd in Veendam) ondertekende Jacob Hendrik Jongeneel, een kandidaat-notaris. Hij handelde namens de directie: Meester Niks laas Frans Wilkens (uit Veendam) en Dokter Dirk Bos (lid van de Tweede Kamer, uit Winschoten).

De afspraken in de overeenkomst waren:

De akte werd ondertekend in het huis van de notaris in Haarlem, met Karel J. Hannis van Rijssel en Feije Meijer (beide kantoorbedienden uit Haarlem) als getuigen. De akte werd geregistreerd in Haarlem op 25 juni 1909, en de bank betaalde ƒ1,20 aan registratiekosten. De eerste officiële kopie van de akte werd op 6 september 1909 afgegeven aan de Nederlandse Hypotheekbank.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332771 / 167  


Johan Christoffel Peinders Volmer, een administrateur uit Amsterdam, kwam op 6 maart 1919 om 10:30 uur naar het veilinghuis in het Wandelbosch Groenendaal in Heemstede. Hij was daar als vertegenwoordiger van drie personen: De verkoop vond plaats onder toezicht van notaris Cornelis Jan Boerlage uit Heemstede, met Offendrik ten Oever en Karel Wessel van Gorkom (beide kandidaat-notaris uit Heemstede) als getuigen. Er werden bomen geveild. De kopers en hun aankopen waren: De totale opbrengst van de veiling was ƒ5170. Het proces-verbaal (verslag) werd opgemaakt en ondertekend door de verkoper, de getuigen en de notaris. De kopers tekenden niet en gaven geen reden op. Het document werd geregistreerd in Haarlem op 13 maart 1919. De registratiekosten bedroegen ƒ27,55.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4748848 / 104  


Op 10 mei 1911 ging Karel van Balen, een bakker uit Haarlem, naar notaris Jan Arnold Wilkens om een verkoopovereenkomst te tekenen. Hij verkocht een woon-winkelhuis (nummer 20) en een woonhuis (nummer 18) onder één dak, met erven en tuinen, aan de Maerten van Heemskerkstraat in Haarlem. Het geheel was 2 are groot (bekend bij het kadaster als sectie A, nummers 2551 en 2552). De koper was Jelke van der Horst, inspecteur bij een levensverzekeringsbank, ook uit Haarlem. Het bedrag was 7500 gulden, contant betaald. Van Balen ontving dit geld en gaf Van der Horst alle rechten op het pand. De afspraken waren: Van Balen had het pand gekocht op 5 april 1899 via notaris Willem Karel Loeff in Haarlem.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5332708 / 323  


Op 10 september 1662 werd door de erfgenamen van Stevin Ratelijntje (overleden in 1661) een testamentair geschil met Cathalyntje afgerond. Hiervoor betaalden ze een bedrag van ƒ4,8 voor het opmaken van een boedelinventaris, die uiteindelijk ƒ3,12 kostte. De notaris A. rondde de inventaris af, die bestond uit 60 bladzijden met een totale kostenpost van 3 stuivers. De rechterlijke uitspraak over het sluiten van de inventaris bedroeg ƒ0,12, met extra kosten van ƒ17,12 voor Henrick en Lijsbet van Sberg, de weduwe van Jan Ganckber.

Op 28 oktober 1661 verschenen voor notaris Grietie Braen (weduwe van Stevin Nicolaes van Ryck) en anderen, waaronder Hendrickie Jans (weduwe van Jan Cornelisz Baker), Jan Jansz Minne, Hendrick Lucasz Minne, Barent Lucasz Minne, en Hendrick Geens (getrouwd met Sara Minne). Ook Johannes Junius (getrouwd met Aertgen Lucas), Hans Mulder (als vertegenwoordiger van zijn zoon Requier Mulder en dochter Jannetie Mulders), en anderen kwamen bijeen als erfgenamen van Tryntgen Lourens, overleden in Haarlem.

Zij verklaarden dat Hans Mulder een volmacht had, opgemaakt op 1 september 1661 bij notaris Nicolaes van Bosvelt, om namens hen op te treden. Ze gaven Pieter de Jongh de opdracht om voor de schepenen van Haarlem een leningsovereenkomst (van 1000 pond met rente) over te dragen aan Maria Cruythoff, een bejaarde vrouw. Deze lening was oorspronkelijk afgesloten met Jan Thomasz van Brengel en was gedekt door twee huizen met erven in Croft. Cornelis van Campen had hier ook een rol in als mede-gevolmachtigde. De erfgenamen bevestigden dat de hoofdsom met rente volledig was betaald en dat ze Pieter de Jongh vrijwaarden van verdere claims.

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842774 / 282  


Op 4 april 1659 verscheen Servaes Montenacq, een koopman uit Haarlem, voor Francois Meerhout, een openbare notaris. Montenacq verklaarde het volgende:

Eerder had Nicolaes van Nas, een deurwaarder van het Hof van Holland, op basis van een vonnis van dat hof tegen Francois Montenack (de schoonzoon van Servaes Montenacq), gevorderd dat er goederen van Montenack zouden worden aangewezen om de schuld te betalen. Dit vonnis was verkregen door Hendrick Pansier. Servaes Montenacq wilde echter dat zijn schoonzoon hiervan vrijgesteld zou blijven. Hij behield wel zijn recht om in hoger beroep te gaan bij de Hoge Raad (de hoogste rechtbank).

Daarom wees Montenacq een stuk grond aan: een tuin met gebouwen en landerijen die hij samen met zijn schoonzoon bezat. Deze lag bij de Ossemarkt (bij het Paardewet) in Amsterdam.

Onder protest tekende Montenacq de akte van aanwijzing, die door deurwaarder Nicolaes van Nas was opgesteld. Hij benadrukte nogmaals dat hij in hoger beroep kon gaan bij de Hoge Raad.

Als getuigen waren aanwezig: Fs Jan Vallors, Jan Garsho (een knecht in herberg Het Schilt van Frankrijk in Amsterdam), Jan Valloct en Jan Gerthouen. De notaris was Francois Meerhout.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1510517 / 42  


In 1683 werd de wet van de stad Brugge vernieuwd door een groep belangrijke heren, onder leiding van: Deze vernieuwing vond plaats op 31 augustus 1683, met de burgemeester en schepenen van Brugge als getuigen, waaronder: Op 25 oktober 1683 overleden Michiel Marisael, Jacques Neijts, en Thomas Roelof. Jan Cornelis Roelof nam de plaats van Thomas Roelof in. Andere aanwezigen waren:
Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 261  


Belov, François Montenacq en Abraham Denise krijgen op 4 december 1664 in Haarlem een officiële volmacht van de erfgenamen van Servaes Heerlemmer. Dit zijn zijn dochters Margriete Montenacq, Elisabeth Montenacq en Maementie Montenacq, bijgestaan door notaris Leyn Nots en getuigen Pieter Lijken en Adrianus Buttinga. De volmacht houdt het volgende in: Deze volmacht vervangt niet een eerdere volmacht die al aan François Montenacq en Abraham Denise was gegeven. Die blijft ook geldig. De akte is opgesteld door notaris Leyn Nots en ondertekend door de betrokkenen, waaronder ook J.C. Huttin, Toircond Wittens en P. Rijke.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 70  


Op 9 december 1764 verklaarden de volgende personen in Haarlem voor een notaris en getuigen dat zij de zaken rondom de erfenis van hun overleden vader, Sae Servaes Montenack, wilden afhandelen: Zij benoemden Francoijs Montenacq als executeur (degene die de erfenis afhandelt) en gaven hem volledige bevoegdheid om: Kortom, Francoijs Montenacq mocht alles doen wat nodig was om de erfenis zo goed mogelijk af te handelen, net als de erfgenamen zelf hadden kunnen doen. Alle betrokkenen waren het hiermee eens.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5842737 / 69  


Gerrit van de Op Huijden, notaris in Haarlem, schreef op 1 maart 1693 een verklaring op voor Pieter Gerlings. Hierin verklaarde Martina Montemaco, weduwe van François Montenacq, dat zij namens haar schoonzoon Arnold Trip een verzoek had ingediend bij de rechtbank van Tetrode. Martina wilde dat er voogden werden aangesteld voor de twee kinderen van haar overleden dochter Adriana Montenacq. Haar dochter was getrouwd met Arnold Trip en woonde in Tetrode, waar zij was overleden. Op 2 april 1693 stelde de rechtbank Hendrick de Laat (een zwager van Arnold Trip) en Servaes Montenacq (een schepen en zoon van Martina) aan als voogden. Eén van de twee kinderen was inmiddels ook al overleden. Arnold Trip had, met toestemming van Martina, alle goederen en bezittingen van zijn overleden vrouw aan Servaes Montenacq gegeven. Deze had de spullen grotendeels verkocht en het geld als kapitaal belegd. Dit was gebeurd op verzoek van Arnold Trip zelf, die geen belang had bij rente of winst, omdat hij alleen dacht aan het welzijn van zijn minderjarige kind. Arnold Trip verklaarde dat er bij het beheer van de goederen geen misbruik of andere schadelijke dingen waren gebeurd. Het beheer mocht daarom gewoon doorgaan.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4975090 / 54  


Bekijk transcriptie kronieken / 352194 / 201  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/