Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.
Op 21 december 1760 verscheen Dorinde van Bengalen, een slavin van burger Jan Hendrik Kruger, voor Christiaan Ludor Neethling, secretaris van de Raad van Justitie van het Kasteel de Goede Hoop. Ze deed een verklaring op verzoek van fiscaal Jan Willem Coppenburg. Ze vertelde dat op 18 december een medeslaaf genaamd April van Mandhaar was weggelopen. Na één nacht afwezigheid werd hij door een bewaker thuisgebracht. Hij had zichzelf verwond met:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0184 Een slavenjongen genaamd April heeft bekend dat de slavin Dorinda van Bengalen hem vroeg waarom hij zichzelf had verwond. Hij antwoordde dat hij het niet meer kon uithouden. Hij ontkende dat hij gezegd had dat zijn baas had gedreigd hem in de schoorsteen op te hangen. Hij bekende dat hij van plan was geweest om de man, vrouw, kinderen en slaven te vermoorden, maar omdat hij dat niet kon uitvoeren had hij zichzelf verwond.
Deze bekentenis werd afgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 18 januari 1765, voor raadsleden P. David D. Hillij en Jan Raszingh. Het document werd ondertekend door de bekennende partij en secretaris C.L. Naethling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0194 Op 21 december 1764 legde Christiaan Ludolph Neethling, secretaris van de raad van justitie, een verklaring vast. De slaaf Niel uit Padang, eigendom van burger Jan Hendrik Krugel, deed een verklaring op verzoek van hoofdaanklager Jan Willem Cloppenburg. De verklaring ging over een andere slaaf, April uit Mandhaar, die gewond thuis was gebracht na te zijn weggelopen. Niel moest voor April zorgen. Rond 10 uur 's ochtends kwam de slavin Dorinde uit Bengalen, die aan dezelfde eigenaar toebehoorde, naar de zolder waar April lag. Het document werd ondertekend op 19 januari 1765 bij Kaap de Goede Hoop door L.S. Faber en Sas Lingh.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0188 Een man had een plan gemaakt om een slavin te vermoorden door verwurging, maar omdat de slavin die dag niet kwam, kon hij zijn plan niet uitvoeren. De verdachte had rond het middaguur een soepkom die hij gerepareerd had teruggebracht naar de eigenaar, Schetzlijn. Hij moest ook nog een waterbeker repareren. Na het eten ging hij deze ophalen, zoals beloofd. Schetzlijn vroeg toen naar zijn suikertrommel die bij de verdachte ter reparatie was. De verdachte antwoordde dat Schetzlijn zijn kind of jongeman maar moest meesturen, dan zou hij de trommel terugsturen. Later bekende de verdachte dat hij van plan was geweest om degene die zou komen te vermoorden, of het nu het kind of de jongeman zou zijn.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 1287 Op 27 augustus 1765 verscheen voor de Raad van Justitie van het gouvernement aan Kaap de Goede Hoop de slaaf Absalom uit Malakka. Hij was ongeveer 35 jaar oud en behoorde aan de burger Rievert Ja Forst. Absalom was gevangen genomen en had vrijwillig een bekentenis afgelegd over een zaak met de slavin Catharina. De secretaris C.L. Neethling las hem de vragen en antwoorden voor, waar Absalom bij bleef. De verklaring werd ondertekend door Absalom (met een merk), secretaris Neethling, P.F. Hassingh en G. Warnecken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0668 Een slavin genaamd Sara van Java, die eigendom was van burger Johannes Dempers, had geklaagd over wrede mishandeling door haar eigenaar. De tweede oppermeester van het gouvernement, Coenraad Nelsen, heeft de slavin onderzocht en bevestigde de mishandeling. De fiscaal vroeg toestemming om:
De straf die werd opgelegd omvatte:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0016 Een slaaf werd op de zolder ontdekt toen een vrouw gestommel hoorde. Ze zag bij het openen van het zolderluik met een kaars iemands hoofd, waarna het luik snel werd dichtgedaan. De vrouw werd hier bang van en maakte haar dochter wakker die in dezelfde kamer sliep. Ze schreeuwde om hulp uit het raam richting de bakkerij waar de jongens slagen. De huisslaven kwamen in actie toen het 10:30 uur was. De eigenaar van het huis lag toen al met zijn gezin te slapen. De slaaf Jumath ging met een mes de zoldertrap op. Met hulp van de slaaf Philip werd het zolderluik opengemaakt omdat Jumath dit niet alleen kon. Ze vonden de gevangene in een hoek zittend met zijn handen over elkaar. Jumath zei dat hij zich moest overgeven anders zou hij het mes gebruiken. De gevangene verzette zich niet en werd naar beneden gebracht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0294 De onafhankelijke aanklager Cloppenburg Jan Willem klaagt de slaaf April van Samarang aan, die eigendom is van burger Ian Smoek. April wordt beschuldigd van diefstal met gewelddadige inbraak. Volgens zijn eigen bekentenis heeft hij:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0239 Op 13 juli 1763 werd in het Kasteel de Goede Hoop een verklaring afgelegd. De klerken Jochem Hendrik Borgwe en Pieter Caspar Broedersz waren hierbij aanwezig als getuigen. Zij ondertekenden het document samen met secretaris C.L. Neethling. Later verscheen Titus van Batavia, een slaaf van burger Jan Smoek, voor de commissarissen van de Raad van Justitie. Nadat zijn eerdere verklaring aan hem was voorgelezen, gaf hij aan daar volledig achter te blijven staan. Hij wilde alleen toevoegen dat April hem via een slavenjongen genaamd Achilles (die eigendom was van Smit Andries) had laten bedanken omdat Titus hem had vastgebonden. April liet weten dat als hij zou worden opgehangen, hij Titus er niet bij zou betrekken. Maar als hij alleen zweepslagen en een brandmerk zou krijgen, zou hij Titus wel erbij betrekken. Dit bericht kwam na een inbraak in de nacht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0265 De gevangene zei dat hij dronken was toen hij op de muur klom die het erf van burger Petrus van der Poel en het Paphuis scheidde. Hij beweerde dat hij viel en in een tuintje terechtkwam. Bij inspectie bleek dit een leugen: er waren verse sporen op de wijnranken langs de muur, maar de bloembedden waren onbeschadigd.
De gevangene ging via het tuintje naar het woonhuis van van der Poel. Hij klom op de galerij door eerst met zijn handen riet uit het dak te trekken. Hij sneed bamboe doormidden met zijn mes en kroop door het gat, waarbij hij zijn hoed en kam achterliet. Op de zolder zag hij volgens zijn leugenachtige verklaring door een halfopen luik het schijnsel van een kaars van een slavin.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0339 De slavin Flora had een brandende kaars in de kleine kamer bij de trap naar de zolder. Rond 11 uur hoorde ze gestommel op de zolder. Ze zag bij het luik het hoofd van iemand toen ze met haar kaars keek. Het luik ging snel weer dicht.
Flora schrok hier erg van en maakte samen met een dochter van Van der Poel de jongens in de bakkerij wakker door te roepen. Ze waarschuwden hun eigenaar en gingen met 3 slaven naar de zolder. Daar vonden ze een verdachte die gehurkt in een hoek zat met zijn handen tegen elkaar. Hij gaf zich direct over zonder verzet.
Toen ze hem beneden onderzochten, vonden ze een knipmes en een schaartje bij hem. De verdachte zei tijdens het verhoor dat het schaartje niet van hem was en dat hij niet wist hoe het in zijn zak was gekomen. Later bleek het schaartje van soldaat Jan Schetzlin te zijn, die in een hoeden- en taphuis woonde.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0340 Een loopjongen met de naam Adonis, die behoorde aan de burger Servaas de Kok, was erbij toen er kousen werden verkocht in april. Titus had de aanleiding gegeven tot een diefstal met inbraak in het huis van hun meester. Hij vertelde dat het houten venster niet goed vergrendeld was en vroeg of ze het open konden maken om spullen te stelen uit de kamer terwijl hun meester afwezig was. Ze hadden daar samen mee ingestemd. Titus had vervolgens een tondeldoos en een vuurslag aan hem gegeven, die waren weggenomen van hun medeslaven Februari (ook Augustus genoemd) die in de galerij sliep. Nadat de andere slaven waren gaan slapen, had de verdachte zwavelstokken en een kaarsje uit de keuken bij zich gestoken. Ze hadden deze afspraak in het Maleis gemaakt terwijl Februari (of Augustus) en de slavin Sanna in de galerij zaten. De kleine jongen Moses, die in de keuken zat, had hun afspraak niet gehoord omdat ze zachtjes in een aparte hoek hadden zitten praten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0241 Een slaaf vertelt dat het jongetje Carolus was weggelopen maar weer werd teruggebracht, zonder dat hij geslagen was. Maar toen de slaaf vlakbij aan het ploegen was, zag hij dat zijn baas Carolus (die op de grond lag) hard met een zweep sloeg. Tijdens deze mishandeling werd Carolus ook nog gebeten door twee grote honden.
De slaaf had niet gezien dat Carolus een leren riem om zijn nek had, wat andere slaven en Hottentotten wel hadden gezien. 's Middags moest Carolus weer de ossen voor de ploeg leiden, maar hij was te zwak en viel steeds. De drijver Domingo riep toen om hulp. De schoenmaker Hendrik, die toevallig in de buurt was, kwam kijken en ging daarna terug naar de baas. Vervolgens kwam de Hottentot Griet, die Carolus van het land haalde en naar huis bracht.
De slaaf zag vanaf het land dat zijn baas Carolus, die op de grond lag, weer met de zweep sloeg. De Europeaan Hendrik had deze wrede behandeling gezien en volgens de andere mensen de baas vermaand om hiermee te stoppen. De baas antwoordde daarop dat het zijn jongen en zijn geld was en dat het niemand wat aanging.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0151 De slaaf vertelde dat hij van zijn meester te horen kreeg dat hij aan een paal zou worden gebonden en geslagen zou worden van zonsopgang tot zonsondergang. De meester had de rietdekker Jan Praatjes gevraagd om touwen, maar die weigerde om mee te werken aan het vastbinden van een jongen. Vervolgens had de meester de slavin Candars opgedragen touwen te halen, wat zij ook deed.
De slaaf besloot daarop te vluchten richting Kaap, omdat hij bang was voor de slagen. Hij wist dat zijn meester slaven vastbindt aan een paal op de werf en hen dan laat slaan met een zweep (tjambok). Hij werd gevangen genomen bij de Tijgerbergen, aan deze kant van de Elsjes Kraal, en naar de Kaap gebracht.
Deze verklaring werd afgelegd in het Kasteel de Goede Hoop op 17 juni 1763, in aanwezigheid van klerken Pieter Caspar Broedersz en Frederik Wilhelm Allemann als getuigen. De verklaring werd ondertekend door de secretaris C.C. Neethling.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0153 In de nacht werd er op de slaapkamer in de galerij geklopt. De verteller vroeg wat er aan de hand was, waarop zijn slaaf Philip antwoordde dat er iemand op de zolder zou zijn omdat er twee keer gestommel was gehoord.
De verteller stond op en opende de kamerdeur. In de galerij ontmoetten zijn slaven hem met een onbekende Europeaan, die scheepskleding droeg en geen hoed had. De slaven hadden deze Europeaan op de zolder gevangen genomen.
Dit gebeurde nadat een slavin, genaamd Flora, die nog wakker was en bij kaarslicht bezig was, gestommel op de zolder had gehoord. Ze waarschuwde drie jongens die direct naar de zolder gingen.
Hoewel het zolderluik, dat volgens Flora eerst open was geweest toen ze de Europeaan vanaf beneden bij kaarslicht had gezien, weer dicht was gemaakt, gingen de slaven toch naar boven. Een van hen, Sumeth, bedreigde de Europeaan met een mes en zei dat als hij zich niet zou overgeven, ze het mes zouden gebruiken.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0301 Een gevangene ging vanuit zijn slaapkamer terug naar het voorhuis, waar mensen zaten te drinken. Hij ging naar de achterplaats en klom op een scheidingsmuur tussen dat huis en het huis van burger Petrus van der Poel. Via latten die aan de muur waren gespijkerd, klauterde hij naar beneden in de tuin van Van der Poel. Via een voetpad kwam hij bij een klein plateau en klom vervolgens op het galerij-dak van Van der Poel's huis tot aan het rieten dak.
Daar trok hij eerst met zijn hand het riet uit het dak. Met zijn mes sneed hij de bindrottingen en bamboestokken door. Door het gat dat hij maakte kroop hij naar de zolder, waarbij zijn hoed en kromme haarkam achterbleven op het galerij-dak. Deze werden de volgende morgen gevonden. Hij wilde waarschijnlijk naar beneden gaan om te kijken of hij iets van zijn gading kon vinden om te stelen.
Dit lukte niet omdat de slavin Flora nog niet sliep. Ze was bij kaarslicht nog bezig op de opkamer (die naar de zolder leidde) waar haar meesters kinderen sliepen. Ze hoorde hem daar stommelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0293 Ongeveer 14 dagen geleden had de beklaagde een paar kousen gestolen die op de achterplaats te luchten hingen. De honden hadden de kousen kapot gemaakt. De beklaagde had de kousen aan een kennis gegeven. Zijn eigenaar had hem hiervoor geslagen. Toen de eigenaar van de beklaagde 8 dagen geleden 's avonds weg was gegaan, had medeslaaf Titus tegen de beklaagde gezegd dat het houten venster niet op slot zat. Titus vroeg of ze het venster konden openmaken om spullen uit de kamer te stelen, aangezien hun eigenaar die nacht niet thuis zou komen. De beklaagde stemde hiermee in. Vervolgens gaf Titus hem:
Februari/August zat tijdens dit gesprek (dat in het Maleis werd gevoerd) in de galerij samen met slavin Panna, terwijl de jonge slaaf Moses in de keuken zat.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0278 Op 21 juli 1763 legde de slaaf April van Jamarang, ongeveer 40 jaar oud, een verklaring af. Hij was eigendom van burger Jan Smok en zat toen gevangen. Hij verklaarde uit vrije wil, zonder marteling of dreiging, aan de rechtbank van het gouvernement het volgende:
Op zaterdag 9 juli was zijn eigenaar 's avonds niet thuis. De medeslaaf Titus had een jonge slaaf genaamd Moses opgedragen koffiewater te koken. April wilde dit niet toestaan en zei tegen Moses: "Wat ga jij de baas uitmaken als de eigenaar weg is, opblijven en kaarsen verbranden? Je moet gaan slapen."
Dit leidde tot onenigheid tussen April en Titus, maar uiteindelijk werd het koffiewater toch gekookt. April, Titus, Moses, Februari en de slavin Sanna dronken samen wijn en bleven tot 12 uur 's nachts op.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0282 De rechtszaak gaat over de soldaat Matthijs Roedolph Van Melschouw uit Duits-Bohemen. Hij was eerder gestationeerd op het schip de Barbara Theodora. Hij wordt aangeklaagd door hoofdaanklager Jan Willem Cloppenburg. De rechtszaak wordt voorgezeten door Pieter van Bee de van Oudshoorn. Het gaat om een zaak van inbraak.
Als bewijs zijn verschillende verklaringen verzameld, waaronder:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10963 / 0291 In de avond was Ruijter bij de zogenaamde grote rivier. Toen hij enkele boten wilde gaan halen, werd hij eerst met een stok geslagen. Toen hij dit met zijn arm probeerde af te weren, kreeg hij een snee over zijn linkerarm met een mes. Toen hij wilde vluchten, kreeg hij een steek tussen zijn schouderbladen. Ruijter vluchtte in zijn benarde situatie en verstopte zich in de bosjes. Daar werd hij door de dader opgespoord en beschoten met grof hagel, waarvan 3 kogels zijn rechterzijde bij zijn onderrug raakten.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1390 Paul ging eerst naar boven op zolder om te controleren of er mensen aankwamen. Hij had ook een wond die verbonden moest worden. De verdachte werd bang dat de moord zou uitkomen omdat Paul gewond was, of dat Paul hen zou beschuldigen. De verdachte en David besloten daarom om Paul ook te doden. Nadat Paul het bloed van de grond in de galerij had opgeruimd, sloeg de verdachte hem 2 à 3 keer met een ijzeren bout op het hoofd. Daarna heeft hij samen met David de zakdoek die om Paul's nek zat strakker getrokken tot hij dood was.
Na de moord gingen de verdachte en David met een brandende lantaarn via de achterdeur en de gang naar de straat. De verdachte zag achter de gangpoort een lantaarn en een grote porseleinen kom die van Saul waren. De verdachte nam een zak met zilvergeld mee en David een grotere zak met zilvergeld. Ze gingen naar David's woning, waar ze aanklopten en de slavin Silvia, die David's vrouw was, de deur opende.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1352 Er werden lege zakken gevonden. Na overleg besloten ze die eerst naar hun werkgever te brengen, maar uiteindelijk kozen ze ervoor de zakken te verkopen bij Kaap de Goede Hoop voor eigen gewin. Ze brachten de zakken naar de slavin Susanna, de 5e beklaagde, om ze te kopen of te bewaren. De 2e beklaagde bleef aandringen bij de vrouw om de zakken op te slaan, ook al weigerde ze eerst. Uiteindelijk stemde ze toe toen hij zei dat het zakken van zijn werkgever waren die hij tijdelijk wilde laten staan terwijl hij eten ging zoeken. De 2e en 3e beklaagden vertrokken toen. Toen de 2e beklaagde niet terugkwam, moest Susanna de zakken tegen haar zin bewaren tot de volgende dag. Toen ze hem vroeg waarom hij de zakken niet ophaalde, nam hij ze eindelijk weg. Hij gaf ze vervolgens aan een oude arbeidersjongen, de 4e beklaagde, die op de hoek van de straat stond.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 0551 Op 30 september 1762 bekende een persoon aan de Kaap de Goede Hoop dat hij betrokken was bij een diefstal. Hij had een pak met geld naar de kamer van David gebracht. Later, toen David gevangen was genomen, ging hij naar diens huis. Hij vroeg aan de slavin Silvia of de vrouw van David waar David was. Ze zei dat hij bij zijn meester was geroepen. Toen hij hoorde dat David gevangen zat, nam hij een grote zak met geld onder een bed vandaan. Hij stopte dit in een mand, bracht het naar beneden en verstopte het in een ton met vies water op de binnenplaats. Nadat hij hoorde dat de politie het geld uit David's huis had weggehaald, vluchtte hij uit angst naar het Tafelgebergte. Hij bleef daar ongeveer 5 dagen. Hij werd uiteindelijk gevangen genomen door 6 jonge slaven die hout gingen halen en werd naar de gevangenis gebracht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1353 Hij bekende de zwaan niet bij de keel te hebben gegrepen, maar alleen zijn handen te hebben vastgehouden. Paul is twee keer op de zolder geweest. In de tussentijd overlegde hij met slaaf David, omdat Paul tegen hen had gezegd dat hij bang was dat alles uit zou komen omdat hij gewond was. Ze besloten om hem ook uit de weg te ruimen toen Paul voor de tweede keer boven was en schone kleren had aangetrokken.
Hij verklaarde verder dat toen hij met David 's nachts met het geld thuiskwam en het naar David's kamer brachten, de slavin Silvia ook in de kamer was. Ze vroeg wat voor geld het was. Hij antwoordde dat ze haar mond moest houden. Silvia zag ook dat hij de grote zak met geld in een mandje deed en naar beneden bracht.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1355 De slavin Silvia (uit Makassar) verklaarde op 27 september 1762 aan de Kaap de Goede Hoop voor Hendrik Moller, Ian Sernivier en secretaris C.L. Neethling dat ze niet meer wilde toevoegen aan haar eerdere bekentenis. Alleen wilde ze nog verklaren dat ze had gezien dat de slaaf David 's nachts thuiskwam met een bundel, waarvan ze de inhoud niet kende. Ze bevestigde dit in aanwezigheid van de slaven Madel en David.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10962 / 1375 Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/