Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van herkende teksten

Fully AI-GeneratedGebruikers van Open Archieven kunnen van de via tekst- (OCR) en handschriftherkenning (HTR) tot stand gekomen herkende teksten (transcripties) een samenvatting laten maken. Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond. De resultaten van de toepassing van (Europese) kunstmatige intelligentie zijn niet gecontroleerd door een mens.


Op 27 augustus 1765 werd op het kasteel in de Kaap de Goede Hoop een verklaring opgemaakt door Kapper Baatjoe in aanwezigheid van Faber, beëdigd klerk, en de commissarissen L.C. Warneck en I. Haszingh. Op 9 augustus 1765 verscheen voor Lucas Sigismundus Faber, algemeen klerk van het gerechtssecretariaat, de Kapper Pemoeboe uit Manado. Op verzoek van de onafhankelijke officier van justitie Jan Willem Cloppenburg verklaarde hij dat hij op zondag 4 augustus samen met Kapper Baatjoe een slaaf van de burger Rewerd Jacobsz naar de gevangenis had gebracht.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0658  


Op 19 augustus 1765 vond er in Kaap de Goede Hoop een verhoor plaats. De ondervraagde persoon verklaarde dat hij:

Het verhoor werd afgenomen door raadsleden Dirk Westerhoff en Jan, met een secretaris die alles noteerde. De ondervraagde werd gevraagd of hij:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0667  


De slaaf Pamoeboe verklaart dat zijn medeslaaf tegen hem in het Maleis had gezegd dat wanneer hij weer bij zijn baas thuis zou komen, hij het hart van zijn baas zou opeten. Pamoeboe bevestigt deze verklaring in aanwezigheid van de slaaf Absalom. De verklaring werd afgelegd in het Kasteel de Goede Hoop en vertaald door tolk Benjamin. Als getuigen waren aanwezig de klerken Jochem Hendrik Borgweedel en Johan Adolf Kuijke. Ze hebben allen het document ondertekend, samen met de gezworen klerk L.S. Fader. Op 2 [maand ontbreekt] bevestigde Pamoeboe voor de Raad van Justitie dat zijn verklaring volledig en naar waarheid was, in aanwezigheid van de slaaf Absalom.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0659  


De soldaat Johan Adam Grondelach uit Commerhousen in Frankenland verklaarde op 8 augustus 1765 aan secretaris Christiaan Ludoelph Neethling van de Raad van Justitie, op verzoek van de Fiscaal Jan Willem Chiffenburg, het volgende: Op 4 augustus 1765 (zondag) rond 11:30 uur was hij in de werkplaats van burger Sievert Jansz, waar hij als kuiper werkte. Daar werd hij aangesproken door soldaat Jurgen Mertz. Hij hoorde toen wel iemand met luide stem spreken, maar wist niet waarover het ging. De verklaring werd afgelegd aan Kaap de Goede Hoop op 20 augustus 1765 en ondertekend door L.F. Faber, Schild (klerk) en Fr Latzingh Warneck.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0649  


Op 7 augustus 1765 aan Kaap de Goede Hoop verscheen de slaaf Absalon van Timor, eigendom van burger Siewert Jacobsz, voor de rechtbank. De kafferleider Pamoes zette zijn handtekening. De secretaris C. L. Neetklung was aanwezig, samen met commissieleden J. Haszingh en L. C. Warneck. De onafhankelijke aanklager Jan Willem Cloppenburg stelde vragen aan Absalon, waarvan de antwoorden in de kantlijn werden genoteerd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0660  


Voor de rechtbank van het kasteel verklaarde burger Jan Knipschild dat hij van anderen had gehoord dat P.V. had gezegd "ik schijt je allemaal". Dit werd opgetekend door de klerken Jochem Hendrik Berg Weedel en Johann Adolf Kuuhl als getuigen. Zij hebben samen met de klerken dit document ondertekend. Later verscheen Jan Knipschild nogmaals voor de raad van justitie. Nadat zijn eerdere verklaring aan hem was voorgelezen, bevestigde hij deze. Hij wilde niets toevoegen of weghalen. Hij bevestigde de waarheid van zijn verklaring in aanwezigheid van de slaaf Assalon uit Malije.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0648  


Een slaaf had ruzie met zijn eigenaren. Hij had een soldaat genaamd Mertz in zijn arm gebeten. Die soldaat had geprobeerd te voorkomen dat de slaaf het been van zijn meester terugtrok. De soldaat had de slaaf alleen door zijn kleren heen kunnen bijten. De slaaf werd daarna overgedragen aan bewakers om hem naar de gevangenis te brengen. Tijdens het weggaan zei de slaaf beledigingen tegen iedereen. Ook dreigde hij onderweg naar de bewakers dat als hij weer in het huis van zijn meester zou komen, hij het hart van zijn baas zou opeten.

Zulk brutaal gedrag door een slaaf tegen zijn eigenaren, met gewelddadig verzet en doodsbedreigingen, kan in een land met een rechtssysteem niet onbestraft blijven. Het moet als voorbeeld gestraft worden om andere misdadigers af te schrikken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0671  


De getuige kwam de galerij in en zag dat de slaaf Absalon een jongen bij zijn haar had gepakt. Absalon hield met zijn andere hand de rechterarm van de jongen vast en worstelde met hem. De getuige probeerde Absalon bij zijn haar te pakken en op de grond te krijgen, maar was hier niet sterk genoeg voor omdat Absalon zich hevig verzette. De getuige riep daarom de kapper Jan Adam Goudelaeg te hulp.

Goudelaeg en een barbier (wiens naam de getuige niet kent) kwamen helpen. Ze trokken Absalon's benen onder hem vandaan en kregen hem zo op de grond. Ze bonden hem vast, maar Absalon bleef proberen los te komen. Met hulp van toegesnelde buren hielden ze hem vast tot de politieagenten kwamen. Die boeiden Absalon en brachten hem naar de gevangenis.

De getuige verklaart tot slot dat hij de jongen bij vertrek met de agenten iets in het Maleis hoorde zeggen, maar hij verstond dit niet omdat hij die taal niet beheerst.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0647  


De Raad van Justitie heeft de aanklacht van Jan Willem Cloppenburg, die werkte als onafhankelijk aanklager, tegen de gevangene gelezen. Na het bekijken van de bekentenis van de gevangene en andere documenten hebben ze een vonnis uitgesproken namens de Staten-Generaal van de Verenigde Nederlanden. De gevangene Absalom van Maleij werd veroordeeld om:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0672  


Op 26 september 1765 werd in Kaap de Goede Hoop een vonnis uitgesproken. Dit vonnis werd op 12 oktober 1765 uitgevoerd. Het document werd ondertekend door verschillende bestuurders:

De klerk L. S. Fater bevestigde dit document in aanwezigheid van gouverneur Tulbagh.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0673  


Jan Knip, afkomstig uit Erstal in Hessen, verklaarde op verzoek van onafhankelijk aanklager Jan Willem Clapper het volgende:

Afgelopen zondag bevond Sievert Jacobsz Wid zich bij hem op zijn kamer. Tussen 11 en 12 uur kwam de vrouw van Wid binnen. Ze klaagde dat hun slavin Cathrijn van Berg geen kleren kon aantrekken omdat deze waren weggenomen door de slaaf Absalom. Wid vroeg zijn vrouw waar deze jongen was. Ze antwoordde dat hij was uitgegaan maar snel thuis zou komen. De vrouw van Wid ging naar beneden, gevolgd door Wid zelf. Kort daarna werd Knip door de vrouw geroepen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0646  


Op een schip deed zich een incident voor waarbij de gevangene ongeveer een maand na vertrek seksueel wangedrag vertoonde. Op een avond rond 21:00 uur bevond hij zich aan de bakboordzijde onder de bak van het schip. Daar lag de tweede zeilmaker Willem de Ruijter ziek, die werd verzorgd door Cornelis Wiltenburg. Toen Wiltenburg vroeg wat de gevangene kwam doen, antwoordde deze dat hij een uurtje bij zijn baas of de zieke wilde zitten. De gevangene ging zitten naast de half slapende scheepstimmerman Jan Tacke. Hij betastte eerst Tacke's voeten, krabde toen aan diens broek bij de knieën en probeerde vervolgens Tacke's broek te openen om bij diens geslachtsdeel te komen. Dit mislukte omdat Tacke wakker werd en hem luid beval van zijn broek af te blijven. Bij dit voorval was ook scheepstimmerman Arij Roos aanwezig.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0680  


De ex-burger Siewert Jacobsz deed een verklaring bij de rechtbank in Kaap de Goede Hoop. Na voorlezing van zijn verslag bevestigde hij alles wat erin stond. Hij voegde alleen toe dat Claas Absalom eerder tijdens een worsteling probeerde in zijn voet te bijten, voordat hij voor de tweede keer werd vastgebonden. Gordon Mertz had dit tegen hem gezegd, want Jacobsz had het zelf niet gezien maar voelde wel dat iemand aan zijn been trok.

Deze verklaring werd afgelegd voor de raad van justitie op 27 augustus 1765. Het document werd ondertekend door L.J. Wid en de secretaris L. Heethling. In de kantlijn tekenden L.C.J. 't Lasdingh en Warneck.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0645  


Op 6 augustus heeft er een voorval plaatsgevonden waarbij Absalon, een slaaf, naar de gevangenis werd gebracht. Tijdens dit voorval kreeg hij een paar trappen. Toen Absalon probeerde te ontsnappen door zijn voet los te maken, werd hij door omstanders tegengehouden. Hij werd opnieuw vastgebonden en naar de gevangenis gebracht.

Tijdens het wegbrengen riep Absalon naar de verzamelde menigte: "Ga allemaal weg". Hij zou ook hebben gezegd dat wanneer hij weer bij de aangever thuis zou komen, hij hem hard zou aanpakken of slaan. Dit laatste kon niet met zekerheid worden bevestigd.

Deze verklaring werd afgelegd op het secretariaat in aanwezigheid van getuigen Jochem Hendrik Borgweedel en Johann Adolf Kuuhl. Het document werd ondertekend door de klerk L.S. Faber.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0644  


De slaaf werd door zijn eigenaar geslagen. Hij riep in het Portugees "na misti dali pro nu", wat betekent "je moet mij niet slaan". Hij zou niet om vergiffenis hebben gevraagd met de woorden "per dua Signoor". De eigenaar werd bang voor de gevolgen en probeerde de slaaf met één hand bij zijn jasje te pakken. Met zijn andere hand probeerde hij te voorkomen dat de slaaf een mes zou pakken.

De eigenaar riep zijn eigen slaven te hulp, maar die waren niet sterk genoeg om de woedende slaaf vast te binden. Daarom moest hij de hulp inroepen van:

Ze wierpen de slaaf samen op de grond en bonden hem vast. De slaaf wist echter zijn voeten weer los te rukken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0670  


Anton Janssen kreeg opdracht om ergens geld te zoeken. Hij zei geen geld te hebben. Hij zei ook dat als iemand het had over het voeren van kousen, hij zou kunnen betalen zodra hij geld had. In het vervolg was er discussie of hij het geld had, waar hij het had bewaard en of hij de bevelen van zijn werkgever had opgevolgd. Hij reageerde brutaal dat de spullen van hem waren omdat hij ervoor had betaald. De zondag voor de 14e kreeg hij opdracht van zijn werkgever om een jak terug te geven aan de dienstmeid.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0662  


Op 12 september 1705 is door rechter I.W. Cloppenburg de volgende uitspraak gedaan: de gevangene Absolon van Maleija werd ter dood veroordeeld. Hij moest naar de plek worden gebracht waar gebruikelijk de doodstraf werd uitgevoerd in Ede. Daar zou hij door de beul worden opgehangen tot de dood erop volgde. Zijn lichaam moest daarna naar het galgenveld worden gesleept en opnieuw worden opgehangen. Het lichaam moest daar blijven hangen tot het door de lucht en vogels was vergaan. Ook moest hij de proceskosten betalen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0641  


De slaaf Absalon werd boos en schreeuwde tegen zijn meester dat hij hem niet moest slaan. Hij ging door met schreeuwen in het Portugees en was erg brutaal. De meester werd bang dat het uit de hand zou lopen. Hij greep Absalon bij zijn haar en hield zijn handen vast zodat hij geen mes kon pakken. De andere slaven konden Absalon niet vastbinden omdat hij zich hevig verzette. De meester riep de hulp in van kleermaker Jan Knipschild en kuiper Jan Adam Gundelag. Ook een barbier, wiens naam onbekend is, kwam helpen. Absalon beet de barbier in zijn arm tijdens een worsteling. De kuiper gaf Absalon een duw waardoor hij even los kwam. Uiteindelijk lukte het met hulp van de buren en hun slaven om Absalon vast te binden. Hij wist echter zijn handen weer los te krijgen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0643  


Een gevangene had in de arm van soldaat Mertz gebeten toen deze probeerde hem tegen te houden. De gevangene had eerder geweigerd om bevelen van zijn meesteres op te volgen. Toen zijn meester dit hoorde, kwam deze erbij en gaf de gevangene een paar klappen tegen zijn hoofd, met de eis om direct te gehoorzamen. De gevangene dreigde daarop dat zijn meester hem niet moest slaan. De meester probeerde de gevangene vast te houden toen hij merkte dat deze woedend werd. De gevangene verzette zich niet alleen tegen zijn meester maar ook tegen mensen die op het geroep waren afgekomen. In zijn woede probeerde hij tijdens het worstelen zijn meester bij het been te grijpen. Hij kon zijn meester geen letsel toebrengen omdat hij werd tegengehouden, maar zou dit zeker gedaan hebben als zijn arm niet naar achteren was getrokken.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0639  


De gevangene beweert dat hij de Portugese taal wel verstaat maar niet kan spreken. Volgens het verslag van zijn meester bleef hij tot het einde verwoed en agressief. Ook blijkt nergens dat hij "Perdi Sinjoor" (vergiffenis) zou hebben gezegd in het Portugees, of zich zou hebben aangeboden om de goederen terug te halen.

De bijgevoegde onderzoeken bevestigen dat de gevangene zich niet vrijwillig liet vastbinden, zoals hij beweerde. In tegendeel:

Hieruit kan worden afgeleid dat de gevangene tijdens het gevecht niet aan de voeten van zijn meester om vergiffenis heeft gesmeekt, zoals hij beweert.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0638  


Na zijn straf bleef de gevangene volhouden dat hij zou betalen zodra hij het geld had. Er werd hem gevraagd of hij in het Portugees gevloekt had toen zijn landheer hem voor de tweede keer sloeg. De gevangene gaf toe dat dit waar was en zei "na nusti dalipromi". Zijn bewering dat hij om vergiffenis had gevraagd en het geld wilde halen wordt niet geloofd. Het is onwaarschijnlijk dat zijn landheer hem een tweede keer zou hebben geslagen als hij zich direct gehoorzaam had getoond. Als de gevangene na de tweede slag onderdanig had willen zijn, zou hij zijn eerdere woorden niet op een dreigende manier hebben herhaald. Gezien zijn brutale gedrag tegenover zowel zijn landheer als diens vrouw is het onwaarschijnlijk dat hij plotseling zo gehoorzaam zou zijn geworden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0637  


De weggelopen slaaf weigerde zich te laten vangen en werd door de bewakers naar de gevangenis gebracht. Voordat hij vertrok riep hij beledigende opmerkingen naar de aanwezigen. Ook dreigde hij tegen de bewakers dat hij zijn meester zou aanvallen als hij weer terug zou komen in diens huis.

Toen hij werd ondervraagd ontkende hij dat hij zijn meester had bedreigd. Hij beweerde dat hij in het Portugees om vergiffenis had gevraagd en had beloofd de gestolen goederen terug te brengen. Maar uit zijn eigen bekentenis blijkt dat hij juist had geweigerd de goederen terug te geven aan zijn meesteres. Hij had gezegd dat de goederen van hem waren omdat hij ervoor had betaald, tenzij zijn meesteres de voering wilde vergoeden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0636  


De lijfheer was bang voor problemen en hield de gevangene in bedwang. Hij wilde voorkomen dat de gevangene een mes zou pakken en liet daarom zijn slaven helpen. De slaven konden de gevangene, die hard vocht om los te komen, niet vastbinden. De lijfheer vroeg daarom hulp aan:

Toen ze de gevangene op de grond probeerden te krijgen, rukte hij zijn benen los. Hij schopte Gundelach in zijn buik. Mertz probeerde de arm van de gevangene los te trekken van de lijfheer, maar werd zelf licht verwond door de kleding heen. Uiteindelijk kwamen de buren en hun slaven helpen, waarna ze de gevangene konden vastbinden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0635  


Op 4 en 15 december kwam de hoofdaanklager J.W. Ciffenburg, namens zijn functie, met een aanklacht tegen G. Abselon uit Maleia. Abselon was een slaaf van burger Siewert Jacobsz Wiid. De zaak werd voorgelegd aan president Pieter van Reede van Oudshoorn en de rechtbank. Abselon werd beschuldigd van:

De aanklager legde verschillende bewijsstukken voor aan de rechtbank:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0633  


Adriaan van Colvoor en Hendrik Moller, leden van de Raad van Justitie, hebben samen met de ondervraagde en de secretaris een document ondertekend. C.L. Relaeris bevestigt dit als getuige. Mattijs Jan Hansen verscheen voor de ondergetekende commissieleden van de Raad van Justitie van het gouvernement. Nadat zijn ondervraging woord voor woord aan hem was voorgelezen, verklaarde hij daarbij te blijven. Hij wilde dat er niets aan toegevoegd of vanaf gehaald zou worden. Dit document is opgesteld aan Kaap de Goede Hoop op 11 juli 1765. Het bevat het geschreven merk van de ondervraagde, in aanwezigheid van de beëdigde klerk en commissieleden.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10965 / 0631  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/