Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.
De tekst bevat een lijst met namen, data, woonplaatsen en transportgegevens van mannen, waarschijnlijk militairen of gevangenen, uit het begin van de 20e eeuw. Hier volgt een overzicht van de belangrijkste informatie:
-
Willem Rinéeus, Den Haag, 27 september 1917
-
Willem Christiaan, Delft, 16 september 1893
-
Gerard Johan Antonius, Heiden, 13 juli 1913
-
Willem Jacobus Josephas, Amsterdam, 1 januari 1917
-
Leonardus Johannes George, Delft, 6 november 1919
-
Johannes Gerardus, Den Haag, 3 december 1922
-
Johannes Philipus Cornelis Marinus, Leiden, 20 september 1920
-
Jacob Willem Joseph, Vijfhuizen, 11 juli 1917
-
H. C. Jans Willem Pieter, Heijningen, 13 januari 1923 en 12 augustus 1923
-
Gerardus Jacobus en Wilhelmus Hendrikus A., Den Haag, 26 oktober 1910 en 5 november 1923
-
Stephanus Hendrikus, Dordrecht, 29 juni 1923
-
Gerrit Hendrik, Leiden, 18 maart 1922
-
Nicolaas Gerardus, Delft, 30 december 1922
-
Wilhelmus Hendrikus, Leidschendam, 15 september 1906
-
Johannes Intemus, Den Haag, 5 april 1909 en 14 januari 1927
Deze personen woonden in verschillende steden zoals Den Haag, Delft, Leiden, Rotterdam, Amersfoort en kleinere plaatsen zoals Heijningen, Boskoop en Piezen. De adressen variëren van straten zoals de Lange Vijverberg en Wierstraat in Den Haag tot plattelandsadressen zoals Posteinde 244 in Oudkoop.
Er worden ook transporten genoemd, waarbij groepen mannen werden verplaatst. Voorbeelden hiervan zijn:
-
Transport van Amersfoort naar Hoofddorp op 16 april 1911, waarbij 157 mannen werden vervoerd.
-
Transport van Wageningen en Haarlem op verschillende data, waarbij soms wordt vermeld dat mannen "teruggekomen" of "niet gezonden" zijn.
-
Transport van Amersfoort naar Hoofddorp op 18 november 1911, waarbij 75 mannen werden vervoerd.
-
Transporten op 23 november 1911 en andere data, waarbij aantallen variëren van 3 tot 167 mannen.
De tekst vermeldt ook enkele andere namen, zoals Bernard Hendrik Vreij, Petrus Fransiscus, Johannes van Dalen, Adam Vink, Sam den Heijer, Evert Marius, Pieter David, Jan Gerrit Marinus en Herman Scholman, met bijbehorende data en woonplaatsen zoals Nieuwenhoven, Stokhem, Meurs en Zijlmans Jonker.
Bekijk transcriptie NL-HaHGA / 0432-01 / 4275 / 0008
Op 24 oktober 1871 werd in Ardjasari een verslag opgesteld over een verzoek om een nieuwe hoofdelijke belasting in te voeren in Benkoelen (nu Bengkulu).
Hierin werd verwezen naar een brief van de assistent-resident van Benkoelen uit 16 maart 1870, die zijn mening gaf over een ontwerp voor deze belasting. Dit ontwerp was bedoeld om bestaande verplichte arbeid (zoals pepes en heosi) te vervangen door een geldelijke belasting.
De gouverneur-generaal van Nederlands-Indië had op 6 april 1870 om advies gevraagd. Omdat er meer informatie nodig was, werden ook lokale leiders geraadpleegd. Op 1 december 1870 werden hun reacties doorgestuurd.
Uiteindelijk kreeg de regering op 28 juli 1870 toestemming van de Nederlandse koning om de belasting in Benkoelen in te voeren. De assistent-resident stelde voor om niet alleen gezinshoofden, maar ook ongehuwde mannen (zoals die op rijstvelden werkten) te belasten.
De discussie ging verder over de precieze regels voor de belastingheffing onder de Maleise bevolking.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2496 / 0357
Op
21 oktober 1897 ging
Rudolph Eduard Rerkhoven, een erfpachter en pandhouder uit
Gamboeng bij
Bandoeng in de
Preanger Regentschappen op
Java, naar
Jan Evenblij, een notaris in
Amsterdam. Daar gaf hij officieel toestemming aan twee mannen om namens hem op te treden:
Rerkhoven gaf deze twee mannen de macht om:
- zijn belangen en rechten te behartigen, zowel nu als in de toekomst;
- hem te vertegenwoordigen in alle zaken, zowel persoonlijk als in zijn huidige of toekomstige werkrelaties;
- geld dat aan hem toekomt (nu of later) op te eisen, te innemen en ervoor te tekenen dat hij het heeft ontvangen.
De twee mannen mochten dit zowel apart als samen doen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 1972 / 507 / 0250
In een oude tekst worden gegevens gegeven over hoffijtuinen (een soort boomgaarden of plantages) in Gamboeng. Deze tuinen werden beheerd door verschillende personen en families, zoals:
De tekst vermeldt ook de namen van de eigenaren van de tuinen, zoals Windoe tjena Sambdenoeijseng, Windoe Gina Vambagzoeijveng, Windoe Aina Sambalgroeijdeng en Goenoeng patorha Gauldoeug. Daarnaast staan er lange lijsten met cijfers in de tekst. Deze cijfers gaan over:
- het aantal bomen per tuin (soms wel 20.000 of 70.000 bomen),
- de jaren waarin de bomen zijn geplant (bijvoorbeeld 1617, 1716 of 1756),
- de afstand van elke hoffijtuin tot het centrum van het dorp (variërend van 4 tot 60 kilometer).
De tekst bevat ook een opsomming van aantallen bomen per jaar en per tuin, zoals:
- in 1617: 5.562 bomen,
- in 1716: 14.260 bomen,
- in 1756: 70.000 bomen.
Daarnaast worden er afstanden genoemd, zoals 15, 22 of 56 kilometer, en totale aantallen bomen per gebied, zoals 4.400, 8.670 of 46.400. De tekst is vooral een overzicht van statistieken over deze tuinen, hun eigenaren, de hoeveelheid bomen en de ligging ten opzichte van dorpen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2488 / 0195
Catherina van Panten en
dr. William Last Miller (een docent scheikunde aan de universiteit in
Sarnia,
Canada), een getrouwd stel uit
Sarnia, gaven op
22 februari 1898 een officiële volmacht aan
mr. Johannes Engenus Huuny (lid van de Raad van State in
's-Gravenhage).
Met deze volmacht mocht
Huuny namens
Catherina (als mede-erfgename) de volgende zaken regelen voor de nalatenschap van haar overleden tante,
Mathilde Kerkhoven:
- Afrekenen met de voormalige curator (beheerder) van Kerkhovens bezittingen. Dit betekende:
- De rekeningen controleren en goedkeuren.
- Eventueel aanvullingen of verbeteringen eisen.
- De curator officieel vrijstellen van verdere verantwoordelijkheid (zonder voorbehoud).
- De erfenis van Kerkhoven (overleden op 5 maart in Le Meerenberg, Bloemendaal, ongehuwd en zonder kinderen) accepteren. Dit kon:
- Zonder voorwaarden (zuiver), óf
- Met voorbehoud (alleen als de schulden kleiner waren dan de bezittingen).
- Alle benodigde aangiften doen en afhandelen.
- Erfbelasting (overgangs- en successierechten) betalen.
- Mezewerken aan de verdeling van de erfenis, bijvoorbeeld door openbare of private verkoop van (een deel van) de bezittingen.
Huuny mocht zelf iemand anders aanwijzen om deze taken over te nemen en hoefde achteraf geen toestemming te vragen voor zijn beslissingen.
William Miller handelde hierbij ook namens zijn vrouw.
Mathilde Kerkhoven had geen familie achtergelaten die recht had op haar erfenis.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701348 / 265
Op 10 juni 1798 om 11 uur 's ochtends stelde Martinus Nicolaas Beets, notaris in Haarlem, een officiële lijst op van de bezittingen van Mathilde Kerkhoven. Zij was ongetrouwd en kinderloos overleden op 5 maart 1798 in het psychiatrisch ziekenhuis Heerenberg in Bloemendaal. Omdat ze geen testament had gemaakt, werd haar erfenis verdeeld onder familieleden.
De beschrijving vond plaats in het huis van Johannes Bosscha, een voormalig hoogleraar die woonde aan het Spaarne 17 in Haarlem. Hij was getrouwd met Paulina Emilia Kerkhoven, een zus of naaste familielid van de overledene. Aanwezig waren ook twee getuigen: Carel Joseph Bakte (kantoorassistent) en Carel Lodewijk Froel (kachelmaker), allebei uit Haarlem.
Johannes Bosscha trad op namens zichzelf en zijn vrouw, en als vertegenwoordiger ("lasthebber") van 9 andere familieleden:
- Carolina Frederica Kerkhoven (zonder beroep, Haarlem)
- Charlotta Octavia Kerkhoven (weduwe van Jacob van Stolk, Arnhem)
- Sophia Catharina Kerkhoven (zonder beroep, Haarlem)
- Eduard Julius Kerkhoven (directeur van plantage Sinigo, Preanger Regentschappen, woonachtig in Linagar)
- Pieter Gerard van Schermbeek (directeur van de Koninklijke Tapijtfabriek, Deventer)
- Bertha Elisabeth van Delden (weduwe van Johannes Corstianus van Osselen, 's-Gravenhage)
- Augustus Johannes van Delden (directeur van de Academie van Beeldende Kunsten, 's-Gravenhage)
- Eduard Wilhelm van Delden (fotograaf, Breslau)
- Rudolf Eduard Kerkhoven (beheerder van plantage Cjambong, Preanger Regentschappen, woonachtig in Garoet)
Daarnaast was Johannes Eugenius Hennij (lid van de Raad van State, 's-Gravenhage) aanwezig als vertegenwoordiger van Rudolph Albert van Santen (handelsmedewerker in Soerabaja), op basis van een volmacht uit 22 februari 1798.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 6701348 / 241
29 mei 1908 trouwden in
Amsterdam twee stellen:
-
Johannes van Reggelen, 25 jaar, kapper uit Amsterdam, zoon van Johannes van Reggelen (winkelbediende) en Maria Neeltje van Pietersom, trouwde met Sophia Christina Schmidt, 21 jaar, zonder beroep, uit Amsterdam, dochter van Predrik Hendrik Schmidt (kantoorbediende) en Elisabeth Christina Stracke. Beide ouders gaven toestemming. Het huwelijk werd 17 mei en 24 mei 1908 aangekondigd zonder bezwaar.
Getuigen: Willem Frederik Weijntjes (42, winkelier), Bertus Diederich Stracke (44, slager, oom van de bruid), Poppe Wouter de Vries (34, diamantslijper, zwager van de bruidegom) en Jan Gerrit Otto van Rhoon (27, diamantbewerker).
-
Jan Jozeph Richmond, 30 jaar, onderwijzer uit Diever, zoon van Willem Richmond (zonder beroep) en Hendrika Klijn (overleden), trouwde met Martha Henriette Klosters, 30 jaar, zonder beroep, uit Diepenveen, dochter van Jan Klosters (overleden) en Alijda Locht (zonder beroep). Het huwelijk werd 17 mei en 24 mei 1908 aangekondigd zonder bezwaar.
Getuigen: Johan Herman Klosters (38, gymnastiekleraar, broer van de bruid), Teunis Aalpol (37, onderwijzer, zwager van de bruid), Jan Klosters (33, onderwijzer, broer van de bruid) en Johannes Herman Klosters (28, bouwkundige, neef van de bruidegom).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335478 / 17
Helena Henrietta Stijgers (ook wel
Henrietta Stijgers genoemd), weduwe van
Jan van Rossen, woonde in
Beverwijk maar was op
24 mei 1802 in
Haarlem aanwezig. Zij trok haar eerdere aanstellingen van executeurs (uitvoerders van een testament), voogden en beheerders in, zoals vastgelegd in haar testament van
22 februari 1797 bij notaris
Adam Houtkoper in
Amsterdam. Ook alle latere aanstellingen verklaarde ze ongeldig.
Ze benoemde opnieuw drie personen als executeurs van haar testament en toekomstige beschikkingen:
Deze drie kregen volmacht om:
- haar begrafenis te regelen,
- haar nalatenschap (boedel) af te handelen,
- als voogd op te treden voor minderjarige erfgenamen,
- eventuele erfporties (erfeniskwesties) met een voorbehoud (fideicommis) te beheren,
- onroerend goed en bezittingen te verkopen (openbaar of onderhands),
- koopsommen te innen en kwijting te verlenen,
- garanties af te geven en schikkingen te treffen,
- namens minderjarige kleinkinderen (van haar zoon Adam van Rossen) akten van keuze en goedkeuring op te stellen, zonder extra toestemming van een rechter.
Ze sluit hierbij de
Weeskamer (instantie voor wezen) en rechtbanken in
Beverwijk en andere plaatsen waar haar nalatenschap zou kunnen vallen, uit van bemoeienis. Om dit na haar overlijden te kunnen aantonen, vraagt ze om een officiële akte en afschrift.
De akte werd opgemaakt in
Haarlem, met als getuigen
Petrus Engesmet en
Jan Andries Bresser.
Henrietta Stijgers ondertekende met een kruisje (+), bevestigd door notaris
P.P. Kuenen.
Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 4974878 / 370
Op 4 juli 1914 werden in Amsterdam verschillende geboortes geregistreerd door de ambtenaar van de burgerlijke stand. Hier een overzicht:
- Johannes Petrus Wilhelmus Rosier (25 jaar, bakker) meldde de geboorte van zijn dochter Catharina Margaretha, geboren om 17:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. De moeder was Maria Hendrika Elisabeth Roos. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Frans Johan George Herle (29 jaar, banketbakker) meldde de geboorte van zijn zoon Frans Johan George, geboren om 14:00 uur in de Jonkerbosstraat 15. De moeder was Adriana Eijkelestam. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Evert Leonardus van Duijkeren (32 jaar, beambte) meldde de geboorte van Johannes Adrianus Theodorus, zoon van Maria Johanna Hendrikus Goudt en Martinus Goedemondt (kellner), geboren om 09:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Catharina de Vlieger (51 jaar, vroedvrouw) meldde de geboorte van Hendrika, dochter van Anna Maria van Sam, geboren om 14:00 uur in de Wagenaarstraat 62. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Evert Leonardus van Duijkeren meldde ook de geboorte van Jan Hendrik, zoon van Antje de Pree en Jacobus Johannes Hendrik Cornelisse (broodbezorger), geboren om 10:00 uur in het Wilhelmina Gasthuis. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Wouterus van Nieuwland (23 jaar, meubelmaker) meldde de geboorte van zijn dochter Elisabeth Suzanna Johanna, geboren om 16:30 uur in de Bilderdijkstraat 185. De moeder was Catharina Wilhelmina Cordina van Raalte. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Jan Jansen (22 jaar, leerling-machinist) meldde de geboorte van zijn dochter Alberdina, geboren om 14:00 uur in de Kattenburgerstraat 511. De moeder was Goudje Jansen. Getuigen: Jan van Loest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Godefried Cornelis Rosenboom (43 jaar, timmerman) meldde de geboorte van zijn dochter Theresia Wilhelmina, geboren om 15:00 uur in de Wittenkade 192. De moeder was Cornelia Theresia Post. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
- Dirk Willem Samp (37 jaar, smid) meldde de geboorte van zijn zoon Marinus Christiaan Johannes, geboren om 23:00 uur in het Frederik Hendrikplantsoen 5. De moeder was Magdalena Disetta Andersen. Getuigen: Jan van Soest (30) en Jan Rudolf Manneke (25).
Op 6 juli 1914 werden nog twee geboortes geregistreerd:
Bij een eerdere akte (20 januari 1912) werd een kind erkend door Hendrikus Portegies Zwart (voorheen Portegies Zwart of Tortegies Zwart), na een beslissing van de Arrondissementsrechtbank in Amsterdam (3 september 1929).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2433633 / 56
- Een Nederlandse vloot was bij Vaelmouth om de schepen schoon te maken en proviand (voedsel en benodigdheden) over te nemen.
- Op de eerste wacht vertrokken schepen vanuit de Nes met koers westwaarts, om via Vrouwenbank te varen. Later kwam de Zingels (een schip) bij hen met een zeilprobleem.
- Op 14 [onbekende maand] waaide de wind uit het noorden. Er werden Engelse vissersschepen gezien. 's Avonds voegde kapitein Boer Jaep zich met ongeveer 20 koopvaardijschepen bij de vloot; zij wilden naar Nantes en Bordeaux. De Nederlandse schepen bleven met oostenwind op hun positie.
- Op 16 [onbekende maand] kwam bij oostenwind kapitein Ham, Jan Gijssen, Lieven de Zeeuw, Backer en Veen met het schip van kapitein Abraham Crijns en enkele schepen uit Smalø (Noorwegen). Omdat de Smalø-vaarders (Noorse schepen) maar één begeleidend schip hadden, kreeg Lieven de Zeeuw opdracht hen te helpen begeleiden. De vloot bleef in het vaarwater.
- Op 17 [onbekende maand] was het weer regenachtig. 's Morgens zagen ze 6 of 7 schepen westelijk van hen en achtervolgden die, maar door windverandering ontsnapten de schepen. Er werd een ton (vat) met een touw vanaf het admiraalschip overgezet. 's Middags hielden ze een oorlogsraad: kapiteins moesten hun proviandvoorraad rapporteren. Er werden ook verklaringen afgenomen over een recent gevecht met de Vlaamse Armada (Spaanse vloot).
- Op 18 [onbekende maand] veroverde kapitein Joris Brouck een vijandelijk fregat met 65 bemanningsleden en 8 kanonnen, onder leiding van kapitein Jan van Lillo. De vloot wilde koers zetten naar Dover, maar door westenwind moesten ze naar Duins (bij Dover) varen.
- De admiraal besloot dat overtollige proviand werd afgestaan aan schepen van de provincie Holland. Het schip van de verteller zou bij eerste gelegenheid de Franse ambassadeur Tullerien in Calais oppikken om hem naar Nederland te brengen. Onderweg zouden ze ankers, touwen en proviand inslaan en het schip onderhouden (kielhalen).
- Toen ze hoorden dat de vijand met 9 schepen in het Scheur (bij Goeree) klaarlag om de grote vissersvloot aan te vallen, kreeg kapitein Frans Jansz het commando over Kempen, Camp, t' Jaert en Bouchorst om de vissers te beschermen. Frans Jansz moest wel bij de verteller blijven tot de ambassadeur was opgehaald.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9308 / 0007
Op 9 juni 1638 's ochtends besloten de kapiteins onder leiding van de Nederlandse vloten om posities in te nemen bij Mardijke en Oostende. De schepen werden als volgt verdeeld:
De vloten zagen een Engels konvooi passeren, waarvan enkele koopvaardijschepen het Scheur (een zeegat) invaren, terwijl de rest met twee schepen uit Lübeck door De Braak (een zeestraat) naar de kust van Oostende en Nieuwpoort voer.
Op 8 juni 1638 's ochtends spraken ze de Maassche vloot (uit Zierikzee) en de Maloosche vloot (uit Dunkerke), die beide op weg waren naar hun vaderland. Er was geen vijand gesignaleerd. Een sloep werd naar land gestuurd en bracht het nieuws dat binnen 14 tot 21 dagen ongeveer 20 schepen uit Dunkerke zouden vertrekken bij de eerste oostenwind. De vloot zette zeil en voer langs Calais naar Dunkerke, waar ze 's middags in De Braak voor anker gingen. Viceadmiraal Jan Everts en Kapitein Hollaer kwamen bij hen voor Mardijke.
Op 5 juni 1638 's ochtends haalden ze met sloepen water aan land. 's Middags lichtten ze het anker en kruisten rond de Hoofden (een gebied bij Dunkerke) met weinig wind. Op 6 juni 1638 voeren ze met zuidwestenwind en goed weer. Een konvooi van 7 schepen (2 konvooiers en 5 boeiers) uit Heynhooft (vermoedelijk Den Helder) werd gesproken; ze waren op weg naar Texel. Sommige schepen kwamen uit Rio de la Plata, West-Indië, Spanje en andere gebieden. 's Avonds voeren ze richting Dover.
Op 10 juni 1638 dwongen ze twee Engelse schepen uit Dunkerke (de Thomas Carrij uit Lynn en de Francois Godvrij uit Sandwich) met schieten om bij hen voor anker te gaan. De schepen meldden dat er een grote vloot in Dunkerke lag, bestaande uit 12.000 man (soldaten, matrozen en burgers). Ook zouden de Spanjaarden enkele Franse schepen bij Sint-Omaars hebben verslagen. De schepen mochten vertrekken, maar kregen het verbod om 's nachts onder hun wacht te komen. 's Nachts kwam een Frans schip uit het westen onder het fort van Dunkerke.
Op 11 juni 1638 passeerde een Franse kaapvaarder (piratenschip) westwaarts. Commandeur Bancker stuurde 2 schepen westwaarts om vijandelijke schepen tegen te houden. 's Avonds passeerden 6 of 7 schepen langs zee, buiten de zandbanken, koers westwaarts.
Op 12 juni 1638 vertrok een Engels konvooi uit het Scheur met 15 schepen, waaronder 2 grote fluitschepen (koopvaardijschepen). Kapitein Brederode en Abram Crijns werden eropuit gestuurd om de fluitschepen van het konvooi af te scheiden. Abram Crijns moest passagiers naar Vlissingen brengen om te bevoorraden, terwijl Brederode de schepen moest controleren. Kapitein Coulster kwam bij hen voor anker; hij had de Franse ambassadeur naar Vlissingen gebracht. Twee Engelse koopvaarders voeren met vloed het Scheur in, maar hun konvooier ankerde buiten De Splinter (een zandbank).
Op 13 juni 1638 bracht een sloep uit Calais een brief van Glargius met het nieuws dat er een koopvaardijschip met paarden en Spaanse passagiers in het Engels konvooi zat. Een brief van de Nederlandse fiscale officier uit Dover bevestigde dat er in Dunkerke grote voorbereidingen voor een vloot werden getroffen. Een Engels bootje uit Dunkerke werd gevolgd door een groot vijandelijk fregat. Kapitein Baselaer, Matthijs Gillis, Frans Jansen, Abram Crijns, Jan van Diemen, Claes Ham en het jacht Bouchorst vuurden ongeveer 100 schoten af op het fregat en de stad. 's Avonds voer Abram Crijns naar huis om te bevoorraden, met brieven voor hun hogere leiding om manieren voor bevoorrading voor te stellen.
Op 14 juni 1638 vernamen ze dat 's nachts uit Dunkerke het fregat van Boer Jaep en de bark van La Motte het Scheur waren binnengekomen. Een Franse edelman uit Vlissingen bracht een bevel van 11 juni: als schepen van de Franse koning in Nederlandse gebieden gebouwd en onder hun vloot zouden komen, moesten ze begeleid worden tot Île de Ré. Deze schepen zouden tussen 15 en 20 juni klaar zijn. Bij hoogwater lichtten ze het anker en voeren dicht langs Dunkerke. Een Engels en een Lübecks koopvaardijschip verlieten de haven met een vijandelijk fregat. Toen de stad op hen begon te schieten, vuurden ze ongeveer 250 schoten af op de stad en het fregat, maar ledigden weinig schade. Bij laagwater ankerden ze op 20 vadem diepte.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 9305 / 0008
-
De heren vinden het verzoek (hierboven genoemd) goed onderbouwd. Ze vragen Eysinga of hij, samen met Brunincx, wil meewerken aan het controleren van de rekeningen van de afgelopen 20 jaar. Als hij weigert, zal iemand anders worden gevraagd en aangesteld.
-
Er is een brief ontvangen van de Staten van Zeeland, gedateerd 24 maart en geschreven in Middelburg door Apolonius Ingelssen. Ze vragen of Apolonius Ingelssen mag worden benoemd als raad bij de Admiraliteit in Middelburg, in plaats van zijn vader Ingel Luenissen. De andere aanwezige raadsleden mogen hem de vereiste eed afnemen. Besloten is om hiermee in te stemmen.
-
Er is een brief ontvangen van de Kanselier en Raden van Gelre en Zutphen, gedateerd 22 februari en geschreven in Arnhem. Bij deze brief zit een verzoek van inwoners uit Welsen (op de Veluwe). Ze willen vrijgesteld worden van belastingheffing door de ontvanger van Olst, omdat ze onder Overijssel vallen. Besloten is om een kopie van dit verzoek naar de Staten van Overijssel te sturen met het dringende verzoek om de inwoners van Welsen (en andere betrokkenen) vrij te stellen van deze belasting.
-
Brunincx en Van Goch (Gedeputeerden in Tilburg) rapporteren dat inwoners buiten Overijssel niet door de vijand belast of verbrand mogen worden, omdat dit belangrijk is voor het landsbelang. Besloten is om de gezanten van Hamburg de volgende dag te ontvangen voor hun verzoek.
-
Na overleg met een hoge functionaris is besloten om de Hertog van Nieuwburg beleefd en uitstellend te antwoorden. De kwestie rond Düsseldorf blijft voorlopig zoals eerder afgesproken, met betrekking tot de verdediging en bezetting van de stad.
-
Kapitein Saint Hillaire, commandant in Nijmegen, vraagt om 500 gulden voor extra kosten die hij heeft gemaakt tussen 10 december 1629 en 10 december 1631. Besloten is om eerst advies te vragen aan de Raad van State.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3190 / 0147
In
1675 werden twee schepen en een half jacht uitgerust voor de kust van
Vlaanderen onder leiding van het
Collegie ter Admiraliteit in Zeeland:
-
Het schip De Meermin (200 last, 95 matrozen) werd geleid door kapitein Jan Jacobsz Vlieger.
- Kosten: loon voor de bemanning (975 gulden), uitrustingskosten (926 gulden en 10 stuivers), en loon voor 30 musketiers (292 gulden en 10 stuivers).
- Totaal per maand: 2194 gulden.
-
Het schip De Zeeuwse Leeuw (200 last, 95 matrozen) werd geleid door kapitein Willem Joosten Block.
- Kosten: loon voor de bemanning (975 gulden), uitrustingskosten (926 gulden en 10 stuivers), en extra loon (585 gulden).
- Daarnaast werd de helft van de kosten voor een jacht (60 last, 8 matrozen) meegerekend: 6300 gulden voor het loon van de kapitein en 607 gulden en 10 stuivers voor andere kosten.
- Totaal per maand: 2194 gulden.
De totale maandelijkse kosten voor beide schepen en het halve jacht bedroegen
14.194 gulden, 15 stuivers en 10 penningen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8051 / 0135
De Nederlandse Republiek rustte vier schepen uit voor twee verschillende missies:
-
Drie schepen en een fregat werden ingezet om de kust van Vlaanderen te bewaken:
-
Kapitein Jan Jacobsz Vlieger voerde het schip De Meerminne (200 last, 8 kanonnen, 16 kleine kanonnen, 6 steenkanonnen) aan met 95 matrozen (maandloon: 975 gulden, extra kosten: 926 gulden en 10 stuivers) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 2194 gulden.
-
Kapitein Adriaen Sandersz van Cruyningen commandeerde De Aolus (170 last, 10 kanonnen, 10 kleine kanonnen, 8 steenkanonnen) met 85 matrozen (maandloon: 885 gulden) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 15.200 gulden en 65 stuivers (waarschijnlijk een typefout, bedoeld: 2006 gulden en 15 stuivers).
-
Een ongenoemde kapitein A. leidde een fregat (50 last, 6 kanonnen) met 50 matrozen (maandloon: 540 gulden, extra kosten: 487 gulden en 10 stuivers).
-
Totaal voor deze vier schepen: 2310 matrozen en 90 musketiers. Maandelijkse kosten:
-
Kapitein Jan Euertsz voer het schip De Zeeridder (180 last, 10 kanonnen, 10 kleine kanonnen, 8 steenkanonnen) uit voor een missie van Hoofd (waarschijnlijk Den Helder) naar De Seine-monding (Frankrijk). Aan boord: 90 matrozen (maandloon: 939 gulden, extra kosten: 868 gulden) en 30 musketiers (kosten: 292 gulden en 10 stuivers). Totaal per maand: 2099 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8050 / 0068
De Nederlandse vloot bereidde zich voor op actie in 1652:
- De vloten uit Texel en Wielingen zouden samen ongeveer 80 oorlogsschepen tellen. Hiervan zouden er 13 naar de Golf van Biskaje (bocht van Vrankrijk) en 12 naar de Middellandse Zee gestuurd worden. De rest bleef beschikbaar voor andere taken. De provincie Holland vroeg een kopie van deze informatie om deze met hun eigen bestuur te delen.
- Er was een conflict geweest tussen Michiel de Ruyter (commandant) en een kapitein van de Zeelandse Admiraliteit, maar dit was snel opgelost. Dit bericht kwam van het Admiraliteitscollege in Zeeland (Middelburg, 25 november).
- Het Admiraliteitscollege in Zeeland meldde (23 november) dat er maar één schip, onder leiding van kapitein Adriaen Kempe, geschikt was voor een expeditie naar de Middellandse Zee. Dit schip kon voor 10 maanden aan voedsel meenemen, maar kreeg opdracht om extra voorraad voor 7 maanden in te slaan (bovenop de 3 maanden die al aan boord was). Dit bericht werd doorgestuurd naar de heren Huijgens en andere afgevaardigden voor zeezaken om te onderzoeken.
Op 28 november:
- De heren Huijgens en andere afgevaardigden voor de Caribische Eilanden werden gevraagd om diezelfde namiddag nog een gesprek te voeren met de aanwezige afgevaardigden over handel en scheepvaart in dat gebied. Ze moesten de volgende ochtend een verslag maken.
- De heren De Witt en andere afgevaardigden hadden een financieel overzicht onderzocht. Uit de eerste 2 miljoen gulden die beschikbaar waren, was nog 1.991.355 pond, 17 shilling en 12 penning over. Ze hadden ook berekend hoe dit geld verdeeld moest worden over de verschillende Admiraliteitscolleges. De provincies kregen een kopie van deze berekeningen.
- Er werd besloten dat een artikel in een concept-verdrag met Portugese Kroon aangepast zou worden. Het gebied rond Recife en Mauritsstad (in Brazilië) zou uitgebreid worden van Rio Lengada (bij Cabo Santo Agostinho) tot Siara. De Portugezen mochten de havens en het rif vrij gebruiken, omdat ze anders te weinig havens zouden hebben. Andere punten uit eerdere verdragen zouden ook meegenomen worden, zolang ze niet in strijd waren met het nieuwe concept.
Op 29 november:
- Een brief van Agent de Glarges uit Calais meldde dat de Engelse admiraal Blake met zijn vloot (40 tot 50 schepen) weer in Duins (bij Duinkerke) lag. De Engelsen hadden een tekort aan teer, hennip (voor touw) en kennis van de zee. Ze moesten zelfs touw van koopvaardijschepen lenen. Als hun gevangen genomen vloot in de Sont niet snel vrijkwam, zouden ze in de problemen komen.
- De Gecommitteerde Raden van Holland hadden een galjoot (klein schip) gestuurd om de Engelse vloot te verkennen. Dit schip moest luitenant-admiraal Maarten Tromp informeren over de positie van de Engelsen.
- Maarten Tromp kreeg opdracht om niet te wachten op andere schepen die nog niet klaar waren. Hij moest met zijn gereed liggende oorlogs- en koopvaardijschepen zo snel mogelijk uitvaren. Als hij de Engelse vloot in Duins of elders in Het Kanaal aantrof, moest hij deze met alle macht aanvallen. Hij moest wel zorgen voor de veiligheid van de koopvaardijschepen. Ook moest hij een klein schip vooruit sturen om informatie te verzamelen.
De heren van der Steen, Meerman, Nieupoort en de Hase kregen de opdracht om dit verder te regelen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 4565 / 0252
In
1713 werd een vloot samengesteld met de volgende schepen en kapiteins:
- Adriaen Kempe voer op het schip Sint Joris (groot 180 lasten) met een maandelijkse kostprijs van 171 gulden.
- Cornelis Loucke voer op het schip De Hout (groot 110 lasten) met een maandelijkse kostprijs van 175 gulden.
- Jacob Danielsz Blockmaecker voer op het schip De Arent (groot 70 lasten, bemand met 70 man) met een kostprijs van 1462 gulden en 10 stuivers.
- Adriaen Marinus Hackelaer voer op het schip De Liefde (groot 40 lasten, bemand met 35 man) met een kostprijs van 721 gulden en 1 stuiver.
- Adriaen de Wale voer op het schip De Lupert (groot 100 lasten, bemand met 75 man) met een kostprijs van 1529 gulden en 5 stuivers.
- Adriaen Pieters Scheijteruijt voer op het schip De Hasewint (groot 70 lasten).
- Nicolaus Jansz Gauw voer op het schip De Dolphijn (groot 60 lasten, bemand met 37 man) met een kostprijs van 718 gulden en 15 stuivers.
- Geleijn Pieters Bolckvanger voer op het schip De Witte Leeuw (groot 80 lasten, bemand met 70 man) met een kostprijs van 1462 gulden en 10 stuivers.
Daarnaast waren er een jacht (50-60 lasten, bekleed met koper) en een fregat (50 lasten, bekleed met koper), elk met een kostprijs van 1027 gulden en 10 stuivers.
De totale bemanning van de 7 schepen, het jacht en het fregat bestond uit:
- 695 matrozen
- 210 musketiers (soldaten met een musket)
De maandelijkse soldij (loon) en onderhoudskosten voor deze bemanning bedroegen
17.998 gulden en 10 stuivers. Per jaar kwam dit neer op
215.985 gulden.
De schepen waren bedoeld als
konvooi (begeleiding en bescherming voor andere schepen). De kosten voor de musketiers op elk van de 7 schepen bedroegen per maand 192 gulden en 10 stuivers, wat voor alle schepen samen neerkwam op
2047 gulden en 10 stuivers.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8049 / 0025
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 527 / 0529
Henriette Orsbach uit
Aken (
Rijnprovincie,
Pruisen) schrijft op
6 mei 1874 een brief aan een onbekende ontvanger (mogelijk een familielid of ambtenaar). Ze vraagt om zo snel mogelijk de erfenis van haar overleden broer naar haar op te sturen.
Uitzonderingen:
- Grote spullen zoals meubels of oude kleren die te duur zijn om te vervoeren.
Bij de brief zit een certificaat om haar handtekening te verifiëren, ondertekend door de burgemeester van
Aken,
Conrad Braun.
Op
17 augustus 1874 reageert het Nederlandse
Departement van Hollandsche Zaken (onderdeel van Buitenlandse Zaken) in
's-Gravenhage op een eerdere vraag over deze erfenis. Ze melden dat er nog geen bericht is binnengekomen over de nalatenschap van de overleden
luitenant C.G.S.H. Orsbach (van het
Indische leger, afdeling
Medische Dienst). Zodra er meer bekend is, zal de vrager hierover geïnformeerd worden, inclusief hoe de erfenis kan worden opgeëist. De brief is ondertekend door
H. Gend..
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.02 / 2702 / 0209
- Op 22 oktober 1676 verklaren Jacob Claesz Vlotschuijt (47 jaar, sjouwer) en Hendrick Martensz (50 jaar, sjouwer), beide uit Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat zij namens schipper Pieter Goudschaal (kapitein van het schip Livorno) hebben gelost en gecontroleerd:
- Op 14 augustus 1676: 3 balen "boven turx garen" (nummers 51 en 50) voor David Hage, uit de lichter (klein vrachtschip) van Andries Jansz.
- Op 13 augustus 1676: 1 baal (nummer 4).
- Op 17 augustus 1676: 1 baal (nummer onvermeld).
- Op 26 augustus 1676: 1 baal (nummer 58).
De balen met Turks garen bleken bij lossen beschadigd en nat te zijn. Hendrick Martens bevestigt dat hij en andere sjouwers (inclusief een schippersknecht) enkele natte balen hebben gedroogd en hersteld. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Knophoff en Jan Barden.
- Op 21 oktober 1676 verklaren vier bemanningsleden van het schip Livorno voor notaris Jacob van Loosdrecht:
Zij bevestigen dat het schip op 8 juni 1676 vanuit Texel aankwam. Op 10 of 11 juni 1676 kwam schipper Andries Jansz (van een mastlichter/smack) aan boord om goederen over te nemen, waaronder zijde, Turks garen en palhout. Deze goederen waren droog en in goede staat, zonder vocht- of beschadigingsschade. De verklaring wordt bevestigd in aanwezigheid van Camphoff en Jan van Aris.
- Op 21 oktober 1676 verklaart Roemer Jacobsz, kuiper in Amsterdam, voor notaris Jacob van Loosdrecht dat hij zich herinnert dat de vis die van Tongeren aan Lips verkocht, lag opgeslagen in het tweede pakhuis (linkerkant, binnenkomend) van het dertigste pakhuis. Hij kan zich dit niet precies herinneren door ziekte of "kortheid" (gebrekkig geheugen).
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1936897 / 237
- Op 21 juli voer het schip door het Kanaal van Negroponte (nu: Euboea). Door zware storm en tegenwind moest het op 24 juli ankeren in de haven van Folo (mogelijk: Volos, Griekenland).
- Op 26 juli vertrok het schip na het weer wat verbeterd was en kwam dezelfde middag aan op de rede (ankerplaats) van Smirna (nu: İzmir, Turkije). Daar verankerden ze het schip met twee dikke touwen.
- Op 28 juli lossen ze de lading die ze in Marseille hadden ingenomen. Op 2 en 3 maart verwijderden ze de ballast (zwaar materiaal voor stabiliteit) en begonnen met het laden van nieuwe goederen.
- Tot 19 mei laadden ze het schip met:
- katoen
- houtstammen
- zijden pluizen (ruwe zijde)
- aluin (mineraal voor textielverven)
- palmhout
- rozijnen
- andere stukgoederen (losse lading)
- De lading werd goed gestouwd (ingepakt) en het schip was waterdicht. De pompen werden gecontroleerd en het luik (opening in het dek) werd afgedekt met zeildoek. Op 20 mei vertrokken ze uit Smirna.
- In de Middellandse Zee hadden ze soms onweer, maar meestal rustig weer. Bij de Straat van Gibraltar was er veel tegenwind en storm. Op 16 juli kwamen ze in de Spaanse Zee (westelijk deel van de Middellandse Zee).
- Op 2 augustus kregen ze veel water over het schip door hoge golven. Daarna volgden zware wind en hoge zeeën, waardoor het schip moeizaam voer. Op 30 augustus kwamen ze in Het Kanaal (vermoedelijk: Het Kanaal/Engelse Kanaal).
- Op 3 september kwamen ze aan bij Texel. Het schip werd geïnspecteerd en moest in quarantaine (afzondering om ziekten te voorkomen). Ze wachtten op verdere instructies van de Admiraliteit (marinebestuur).
- Op 8 september kregen ze bezoek van een luitenant en een hellebaardier (bewaker met wapen) van de Admiraliteit van Amsterdam. Ze mochten een deel van de lading lossen in Texel om te luchten (ventileren).
- De bemanning laadde op 8 september een eerste lichter (klein vrachtschip) met katoen en zijden pluizen. De hellebaardier ging mee op de lichter, de luitenant bleef aan boord.
- Op 9 september volgde een tweede lichter met dezelfde goederen. Een derde lichter werd geweigerd omdat het schip anders te zwaar beladen zou zijn.
- Op 10 september kregen ze toestemming om met het schip en de twee geloste lichters naar Durgerdam (bij Amsterdam) te varen. Ze vertrokken en ankerden die avond bij De Kreupel (ondiepte bij Texel).
- Op 11 september voeren ze verder en ankerden ’s avonds in de Kwil van Marken (vaargeul bij Marken).
- Op 12 september passeerden ze Pampus (eiland in het IJsselmeer) en ankerden in de bocht van Durgerdam.
- Op 17 september kregen ze ’s avonds opdracht van de Admiraliteit om naar Amsterdam te varen en daar te lossen. Op 18 september lichtten ze het anker om de reis voort te zetten.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1486081 / 141
Enno Lodewijk, graaf van
Oost-Friesland, schrijft op
2 mei 1654 dat hij en de
Landsstanden (vertegenwoordigers van het gebied)
niet van plan zijn om bestaande afspraken en landverdragen te verbreken. Hij beschuldigt zijn tegenstanders ervan onder het mom van "onderhandelingen" eigenbelang na te jagen. Hij vraagt de ontvanger (waarschijnlijk de
Staten-Generaal of een hoge functionaris) vriendelijk om hem te blijven steunen totdat de zaak duidelijk is.
Op
16 juni 1654 schrijven de
burgemeester en raad van Emden dat ze eerder al twee brieven stuurden (
5 mei 1654) over hun zorgen. Uit
Regensburg (waar het keizerlijk hof zit) komt nieuws dat hun vijanden via rechtszaken druk uitoefenen en beweren dat dit met
toestemming van de ontvanger gebeurt. Ze zijn bang dat de afspraken worden verbroken en vragen om
70.000 gulden om hun verdedigingswerken te versterken. Ze waarschuwen dat als er niets gebeurt, jarenlange inspanningen voor niets zijn geweest.
De
Stad Emden reageert ook op een verzoek van
23 maart 1654 over
kaasconvooien (belasting op kaastransport). Ze vinden het onnodig om
alle kaas als "kanterkaas" (een zoute, hardere kaassoort) te belasten, zoals het
Collegie van Rotterdam voorstelt. Volgens hen kunnen douaneambtenaren makkelijk het verschil zien tussen zoute en zoete kaas, en het gewicht controleren. Andere steden hanteren deze regel ook niet, dus ze snappen niet waarom
Rotterdam dit wel wil.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 11122 / 0338
Op 10 augustus 1854 trouwden in Amsterdam twee stellen:
Jacobus Johannes Kreek, 23 jaar, kantoorbediende, geboren en wonend in Amsterdam, zoon van Bartholomeus Johannes Kreek (onderwijzer) en de overleden Christina Johanna van Heereveld, trouwde met Grietje de Lezenne Coulander, 30 jaar, zonder beroep, geboren in Rotterdam en wonend in Amsterdam, dochter van Willem de Lezenne Coulander (letterzetter) en Christina Petronella Ioscani. De vader van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen vonden plaats op 8 en 15 augustus 1854 in Amsterdam zonder bezwaren. De ambtenaar van de burgerlijke stand bevestigde het huwelijk na hun toezegging om trouw te blijven. Getuigen waren:
- Jan Jacob van Hartingsveld, 30 jaar, zinkograaf en zwager van de bruid, uit Amsterdam;
- Jan Westerveld, 21 jaar, kantoorbediende, uit Amsterdam;
- Franciscus Opdam, 32 jaar, koopman, uit Amsterdam;
- Jan Brouwer, 58 jaar, loodgieter, uit Hilversum.
Op dezelfde dag trouwde ook Johannes Marinus ten Broek, 29 jaar, wachtmeester, geboren in Amsterdam en wonend in Haarlem, zoon van de overleden Benjamin ten Broek en Catharina Elisabeth Crouwel, met Hendrikje Koopman, 26 jaar, zonder beroep, geboren in Steenwijk en wonend in Amsterdam, dochter van de overleden Hendrik Koopman en Aaltje van Agteren. De moeder van de bruidegom gaf toestemming. De huwelijksaankondigingen waren op 21 juli 1854 in Haarlem en Schoten en op 1 augustus 1854 zonder bezwaren. Na hun belofte van trouw verklaarde de ambtenaar hen wettig getrouwd. Getuigen waren:
- Joseph Crouwel, 52 jaar, oom van de bruidegom en timmerman, uit Amsterdam;
- Hendrik Stigter, 50 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Koch, 32 jaar, arbeider, uit Amsterdam;
- Hendrik Breek, 30 jaar, makelaar, uit Amsterdam.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2335526 / 39
-
De volgende personen vertrokken met het schip Indrapura uit Nederland:
-
Johannes Vences Lans, geboren op 12-13-1800 in Doornbos, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: St. Jacobi Parochie.
-
Jacob Rabbedijk, geboren op 18-16-04 in Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Pannerden.
-
Anthonius Corne Houtbraken, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Zutphenland.
-
Johannes de Bruin, geboren op 17-24-15 in Schiedam, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Gabriel Bernardus Kroon, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Ambarawa.
-
Hendrik van Bldert, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Appingedam.
-
Hendrikus Rans, beroep: tuselier (kanonnier 2e klasse). Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Den Helder.
-
De volgende personen vertrokken ook met het schip Indrapura:
-
Antonie Johannes Brienesse, geboren op 18-16-16 in 's-Gravenhage, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Leendert Bastiaan Snaauw, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: 's-Gravenhage.
-
Hubertus Joseph Herbergs, geboren op 16-23-08 in Utrecht, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836.
-
Jacob van der Wilk, geboren op 12-01, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Cornelis Adrianus Bosch, geboren op 12-5, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Broeksittard.
-
Alfred Pieter de Li, geboren op 11-15, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Dubbeldam.
-
Jacobus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1836. Geboorteplaats: Rotterdam.
-
Gerrit Jan Ossewaarde, geboren op 19-16-10, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 29-3-1838.
-
Johannes Valk, geboren op 2-1-1815, beroep: infanterist 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schravenhage.
-
Maria Lotten, geboren op 10-20-1, vertrok op 19-9-1852.
-
Isbertus Pronk, beroep: kanonnier 2e klasse. Vertrekdatum: 19-9-1852. Geboorteplaats: Schiedam.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.50 / 484 / 0041
Willem Rido en
Pr. Quick maken op
1 februari 1633 in
Amsterdam een afspraak om een geschil binnen een week op te lossen. Ze beloven zich aan de uitspraak te houden en eventueel geld terug te betalen. Als ze zich niet aan de afspraak houden, verliezen ze hun recht op verdere claims. Beide partijen zetten hun handtekening met getuigen
Albert Pietersen van der Veer en
Pieter Ride (als notaris).
Op
26 mei 1652 maken
Matheus Butler en
Jacob Claesz Ruts, beide kooplieden in
Amsterdam, een geheime overeenkomst over de handel in
soedthout (kurk) uit
Spanje. Ze spreken af dat:
- alleen zij of Jacobus Buber (de broer van Matheus Butler) deze handel mogen drijven;
- als Matheus Butler geld voorschiet en Jacob Claesz Ruts zijn helft niet betaalt, Ruts 5% rente per jaar moet betalen vanaf de datum van voorschot;
- ze het geheim moeten houden; wie het verraadt, moet 5000 pond Vlaams betalen als boete;
- de overeenkomst 10 jaar geldt en na overlijden van een van beiden, hun nabestaanden mogen meedoen als ze dat willen.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 67
- Op 26 mei 1653 sluit Jan Adriaensz Groen, een vetkoper in Amsterdam, een overeenkomst met Barent Jansz Backer, een bakker op de hoek van de Prinsenstraat en de Keizersgracht.
- Barent Jansz Backer neemt Sybrandt Jansz van Woude voor 2 jaar in dienst als bakkersleerling, startend op 8 mei 1653.
- Tijdens deze periode moet Sybrandt Jansz van Woude zijn meester trouw en gehoorzaam helpen en hard werken als een goede leerling.
- In ruil hiervoor krijgt Sybrandt Jansz van Woude gratis onderdak, eten, drinken, wassen en stijven van kleding. Daarnaast ontvangt hij in het tweede jaar 50 Carolus gulden (een soort munt).
- Als Sybrandt Jansz van Woude ziek wordt en daardoor niet kan werken, moet hij de gemiste tijd later inhalen.
- Barent Jansz Backer belooft om Sybrandt Jansz van Woude alles te leren over het bakken van brood, zonder iets achter te houden.
- Beide partijen gaan akkoord met deze afspraken en beloven zich eraan te houden. Ze ondertekenen de overeenkomst in Amsterdam op 26 mei 1653.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 565693 / 68
Vorige paginaVolgende pagina