Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Maijcken Haubrechts, weduwe van wijlen Huubert Henricxsz trompetter, ongeveer 50 jaar oud, en Adriana Jairbs, ongeveer 32 jaar oud en dienstmeid van Huubert Henricxsz trompetter ten tijde van zijn overlijden, verschenen op 3 februari 1606 voor een notaris en getuigen in Haarlem. Zij verklaarden onder ede dat zij Huubert Henricxsz trompetter tijdens zijn ziekte hadden horen zeggen dat hij omwille van vrede het ene kind wilde behandelen als het andere en dat zij gelijk zouden delen. Verder verklaarde hij dat hij geld had geteld of gegeven aan Gillis de Clerck of Roelant Haubrechts trompetter, zijn zwager.

Michiel Deken, koopman wonend in Haarlem, ongeveer 45 jaar oud, verscheen voor de notaris en getuigen. Hij verklaarde onder ede dat hij begin mei 1606 met zijn vrouw en een brachtwagen van Amsterdam naar Haarlem reisde langs de Sparendamsche dijk. Een stuk weg van huis kreeg hij in de verte een groep ossen in het oog die langs de dijk in de richting van Haarlem gingen. Hij bleef deze ossen volgen en kwam ze steeds dichterbij. Uiteindelijk kwam hij met de wagen dichtbij tussen de dijk en het water bij een oude brouwerij, 's avonds rond 18:00 uur. Hij vond de ossen met Claes Joost en een drijver die de ossen gestadig voortdreven. Na hem te groeten en een weinig verder te rijden, hoorde hij rumoer van een man te paard die kwam aanrijden. Er was niemand anders in de buurt dan alleen Claes Joost, zijn drijver, de man te paard en de wagen waarop de getuige zat. Door het rumoer liet de getuige de wagen stilhouden en hoorde hij schreeuwen en schelden tussen Claes Joost en de man te paard. De getuige verklaarde verder dat hij toen hij met de wagen voorbij de hoeve van Jacob Janssz kwam, zag dat een ossenweider van Haarlem daar bepaalde ossen liet weiden, die volgens hem diezelfde dag ook uit Utrecht waren gekomen.

Gedaan te Haarlem op 6 februari 1606 voor getuigen, door Albert Oiryz en Michiel de Kevan.

Bekijk transcriptie 


Mechtelt Claes en anderen gaven toestemming voor de verbouwing van 4 kamers. Deze kamers waren ontstaan door de afbraak van een vijver, zoals bepaald in het testament van Lucia Jans vander Molen. De kamers hadden dringend reparaties nodig omdat ze anders zouden instorten. Voor deze reparaties was veel geld nodig. Uit een eerdere regeling bleek dat de minderjarigen uit de erfenis van hun peettante nog 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen toekwam. Mechtelt Claes had daar haar leven lang recht op als lijfrente.

De aanwezigen wilden en stemden ermee in dat Jan Claesz de Vrij, hun broer en zwager, de reparaties van de 4 kamers goed en volledig zou laten uitvoeren. Hij mocht daarvoor meteen het bedrag van 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen gebruiken dat hij volgens de eerdere regeling had moeten beleggen. Ook mocht Jan Claesz de Vrij ten laste van de kamers en voor de reparaties nog eens 200 gulden meer of minder lenen als hij dat nodig vond. De reparaties moesten het eerst en zo snel mogelijk gebeuren.

De aanwezigen stelden Jan Claesz de Vrij onherroepelijk aan om de reparaties te laten uitvoeren, de 216 gulden, 2 stuivers en 5 penningen en het extra geld tegen rente te lenen en voor de reparaties te gebruiken. Zij beloofden onherroepelijk te zullen respecteren wat Jan Claesz de Vrij hierin naar zijn eigen inzicht zou doen. Dit alles onder verpanding van hun personen en goederen.

Dit werd gedaan en gepasseerd in de stad Utrecht in het huis van Jan Claesz de Vrij aan het Buurkerkhof, in aanwezigheid van Jacob Dionysz van Gelder en Gerrit Wesselsz Borthorn, beide burgers van Utrecht, als getuigen.

Op 29 juli 1620 verscheen Jacob Cuijpers, burger van Utrecht, als beheerder van de nalatenschap van wijlen Pieter Bahuet, de broer van zijn overleden vrouw.

Bekijk transcriptie 


Jan Claesz de Vrij, burger van Utrecht, kwam voor de notaris. Hij handelde voor zichzelf en als voogd van de 2 onmondige kinderen van Ghijsbert Roeloffs en Mechtelt Claes de Vrij (zijn zus). Ook Mechtelt was aanwezig, voor zichzelf en met een volmacht van Willem Moer, soldaat in de compagnie van kapitein Thomas Pantons. Die volmacht was 1 mei 1620 (nieuwe stijl) in Hoorn gepasseerd voor notaris Hendrick Hesselsz vande Wel. Verder was er Jannichgen Claes de Vrij, weduwe van wijlen Jan Harmansz van Dorsten, bijgestaan door Hendrick Berntsz van Casteel als haar gekozen voogd. Zij waren allemaal erfgenamen van wijlen Lucia Jans vander Molen, hun moeder en grootmoeder.

Zij verklaarden vriendschappelijk overeenstemming te hebben bereikt en een boedelscheiding te hebben gemaakt volgens 2 testamenten van Lucia. Deze waren gepasseerd voor notaris Johan Anthonisz Wttenwael en getuigen in Utrecht, één op 9 juni 1609 en de ander op 4 december 1611.

De regeling hield het volgende in:

Bekijk transcriptie 


10 april 1620 kwam notaris Niclaes van Lostadt op verzoek van Jacob Dionijsz van Gelder (weduwnaar van Lucia Jans dochter vander Molen), Jan Claesz de Vrij, Jannichgen de Vrij (weduwe van Jan Harmansz van Dorsten) en Mechtelt de Vrij (vrouw van Willem Moer, bijgestaan door haar voogd Henrick Bernts van Casteel) samen in het huis van de overleden Lucia in Utrecht. De genoemde personen waren allemaal kinderen van Lucia Jans dochter vander Molen.

De notaris opende en las daar de volgende documenten voor die Jacob Dionijsz aan hem had gegeven:

Na het voorlezen gaf de notaris alle documenten terug aan Jacob Dionijsz.

Bekijk transcriptie 


Aeltgen Denijs beloofde haar dochter (de aanstaande bruid) 1.200 Carolusguldens uit te betalen. Dit geld kwam uit de nalatenschap van haar vader. De helft moest direct bij het voltrekken van het huwelijk worden betaald, de andere helft binnen een jaar daarna. De bruid bracht ook 100 Carolusguldens mee die haar waren nagelaten in het testament van Wouter Aelbertoen. Dit geld was nog in het bezit van haar moeder. De bruid behield haar lijftocht (onderhoudsgeld) tot een eventueel hertrouwen, zoals haar man dat ook had. Dit alles kwam bovenop haar kleding en sieraden die ze op dat moment bezat. De moeder beloofde ook de bruiloftskosten van de bruid te betalen, zonder hiervoor iets af te trekken, en stelde de bruid vrij van alle schulden en lasten. De bruid moest wel zelf de beide bruidskledij betalen die voor de aanstaande bruiloft gemaakt zou worden, en dit zou van de tweede termijn van haar medegave of vadersgoed worden betaald.

Tussen de partijen was afgesproken dat bij ontbinding van het huwelijk van de waarde van de kleding 200 Carolusguldens zou worden afgetrokken van het door haar ingebrachte huwelijksgoed.

Bij overlijden van een van beide aanstaande echtgenoten, met of zonder kinderen, zou de langstlevende aan de ene kant en de kinderen of erfgenamen van de eerst overledene aan de andere kant elk hun eigen ingebrachte goederen, kleding en sieraden terugkrijgen. Ook goederen die tijdens het huwelijk waren geërfd, zouden naar de respectievelijke erfgenamen gaan.

De aanstaande echtgenoten zouden het huis met alle toebehoren huren dat de moeder van de bruidegom op dat moment gebruikte. Dit voor een periode van 6 jaar, beginnend bij Sint-Victor (de eerstkomende vervaartijd). De huurprijs was 200 Carolusguldens per jaar, te betalen volgens de verordening van de stad. Als Aeltgen Denijs (de verhuurster) zou overlijden, zou de huur op de juiste tijd worden opgezegd volgens de verordening. De aanstaande echtgenoten hadden voorrang als het huis verkocht of verhuurd zou worden, als zij dezelfde prijs wilden betalen als een ander.

Tijdens het huwelijk zouden winst en verlies van de boedel en alle tijdens het huwelijk gevallen erfenissen (erfenissen niet als winst gerekend) gelijk verdeeld worden. Als kinderen uit dit huwelijk zouden sterven zonder zelf kinderen na te laten, zouden hun goederen van de ene op de andere overerven tot de laatste toe. Als de laatste ook zonder kinderen zou sterven, zouden de goederen terugkeren naar de familie waar ze vandaan kwamen, en niet naar de langstlevende vader of moeder. Gemeenschap van goederen was uitgesloten, behalve alleen winst en verlies.

Als de aanstaande bruidegom zou overlijden vóór de bruid, zonder kinderen bij haar na te laten, zou de bruid uit zijn meest gereed liggende goederen 200 jaarguldens eens mogen nemen en erfelijk behouden, bovenop het morgengave en trouwschat die altijd aan haar zouden blijven.

Het huisgeld zouden de echtgenoten uitbetalen. Bij de aanstaande vervaartijd zouden ze het gebruik van de kamers regelen. De verhuurster zou de benedenkamer en haar vrije in- en doorgang door de rest van het huis mogen blijven gebruiken.

8 september 1620 volgens de nieuwe kalender

Bekijk transcriptie 


Niet vermeld: Er werd een huwelijk geregeld tussen Wessel Gerritsz van Borckhorn (bruidegom) en Martijntgen Joriaens van Essen (bruid). Namens de bruidegom waren aanwezig: Aeltgen de Nijs (weduwe van Gerrit Wessels van Borckhorn) als moeder, Jacob Denijs van Gelder als oom, en Ludolph Adriaensz als neef. Namens de bruid waren aanwezig: Hermantgen de Leeuw (weduwe van Joriaen Jansz van Essen en later van Wouter Aelbertsz van Ravenswaey) als moeder, Cornelis Joriaensz van Essen als broer, en Cornelis Florisz van Eusch als aangetrouwde oom.

De huwelijksvrienden die als bemiddelaars optraden waren Evert Dircksz en Anthonij van Mansvelt.

De huwelijksvoorwaarden waren als volgt:

Hermantgen de Leeuw beloofde namens haar dochter Martijntgen van Essen ook een bijdrage (de tekst breekt hier af).

Bekijk transcriptie 


Aert van Ijssen, als man en voogd van Grietgen Gerrits van Borchorn, zijn echtgenote en erfgenaam voor het 1/3 deel van Aeltgen Dionijs, verklaarde dat hij in deze hoedanigheid eigendomsrechten overdroeg aan Wessel Borchorn en Steven Jansz van Arnhem, beide burgers van Utrecht en zijn zwagers. Het ging om het rechte 1/3 deel van een grafzerk die gelegen was in het middenschip van de burenkerk binnen Utrecht, bij het grote altaar. De ingang van de kelder van Adriaen Claesz van Blanckenaels lag zuidwaarts en de kelder van Jan van Zijl oostwaarts ernaast. Aert deed afstand van alle rechten die hij hierop had en beloofde vrijwaring volgens de wet. Hij verklaarde tevreden te zijn en volledig betaald te zijn door de kopers.

Dit gebeurde op 17 augustus 1636 in Utrecht bij het huis van de verschenen persoon bij de Magdalenenbrug, in aanwezigheid van getuigen Willem Jansz van Oostrum en Jacob Michielsz van Nijmegen, die samen met de betrokkene en de notaris Nicolaes van Lostadt ondertekenden.

Op 18 augustus 1636 verscheen voor notaris Nicolaes van Lostadt Jacobs Bosch, echtgenote van Cornelis Merrick van Broeckhuysen, wonende in Utrecht.

Bekijk transcriptie 


Hollanders zeiden dat ze zonder order of paspoort waren, en verzekerden dat er oorlog in Holland tegen Frankrijk was, en zelfs dat Maastricht was belegerd. Hij had moeite om deze mensen te geloven die zonder opdracht kwamen, maar indien zij deze werkwijze volgden zou dat reden geven om er enig geloof in te stellen en op hun hoede te zijn, zoals hij deed en zou blijven doen totdat hij door hun gedrag en woorden was verzekerd. Wat hen aanging, zouden zij niets onrechtvaardigs of brutaals ondernemen, tenzij daartoe gedwongen. Dit was de verzekering die zij gaven. Ondertekend was de la Haije.

Na aanroeping van Gods naam werd besloten het volgende antwoord aan hen toe te zenden en dit via hun afgevaardigden montena en luitenant David Butler te laten bezorgen:

Zij hadden op de 16e het antwoord van de 15e van hun afgevaardigden ontvangen, waarin zij zo weinig tevredenheid kregen dat deze brief opnieuw als laatste poging overging om hen tot rede te brengen. Zij vonden in de brieven veel meer een koppigheid in het voortzetten van hun handelwijze dan dat hun krachtige redenen hen daarvan zouden overtuigen. Dit waren tekenen van een voorbedacht en aangenomen besluit.

Bekijk transcriptie 


Dombaer (een onderkoopman en redelijk ervaren theoreticus in de kunst) en luitenant David Butler (een goede praktijkman) zijn eerder naar Nagapatnam gestuurd om de fortificatie te onderzoeken. Uit hun rapport en de nauwkeurige kaart blijkt dat er een nieuw ontwerp is gemaakt van een onregelmatige vijfhoek, aangepast aan de ligging van de plaats en zo goedkoop mogelijk bedacht. Als de stad verkleind moet worden, kan dit ontwerp zo worden uitgevoerd. Als men echter besluit de stad even groot te laten als deze nu is, moet de stad noodzakelijk worden versterkt met 6 nieuwe punten. Bovendien moeten alle wallen die alleen met aarde en gebakken steen zijn gemetseld en helemaal niet goed verdedigbaar zijn, worden vernieuwd. Dit zou niet alleen veel meer kosten, maar ook veel meer soldaten vergen om de stad te bezetten.

Bekijk transcriptie 


17 februari 1672 rond 3 uur 's morgens schreef W. van Dam vanuit Arippo dat hij weer met de tonijnvissers de zee op zou gaan. 18 februari waren alle vaartuigen de vorige nacht laat op het land aangekomen. De wind uit het noordoosten was stevig, dus bleven ze samen aan de wal om het volk te laten rusten en beter weer af te wachten. 's Avonds ontving men kort na elkaar 3 brieven van de Compagnie:

Al deze brieven stonden vermeld in het inkomende brievenboek. 19 februari 's morgens was de lucht enigszins bewolkt en de landwind koelde weinig door. De Pattangatijnse vissers achtten het onverstandig om samen weer de zee op te gaan. Maar op aandringen om het werk te bespoedigen, besloten ze rond de middag met alle tonijnvissers van hier naar Moedere Gamme te zeilen en daar te overnachten.

Bekijk transcriptie 


Rijckloff van Goens, gouverneur, admiraal en veldoverste, schreef een brief aan de edele heer in Colombo. Omdat er een inlands vaartuig naar Colombo vertrok, stuurde hij deze korte brief om de heer op de hoogte te brengen.

Het hoekerschip de Bontekraai was op 11 december teruggekeerd bij Baeckenburgh of de Manaarse rivier. De hoeker de Puttoor had aangename brieven meegebracht die meteen over de landweg naar Jaffanapatnam werden gestuurd. Vaandrig David Butler zou van Manaal over land verder gaan om tijdens zijn reis niet lastig gevallen te worden.

Alle merriepararden waren aangekomen, maar sommige waren erg mager en slap door het lange verblijf op het schip. Men vertrouwde erop dat dit zou verbeteren als ze behoorlijk voedsel kregen.

Men was 4 dagen achter elkaar bezig geweest met het inspecteren van de parelbanken bij redelijk weer. Tot hun grote teleurstelling werden de banken grotendeels onvruchtbaar bevonden. Er waren tot dan toe maar heel weinig oesters gevonden die aan de binnen- en buitenkant verspreide parels hadden. Er moesten nog parelbanken bezocht worden bij Goederemale, Moedere Gamme en het eiland Caradive.

Bekijk transcriptie 


17 januari (voorgaand jaar) schreef Capiteijn Davit Butler vanuit Ardevil, een plaats in het Perzische gebied. Hij meldde dat zo'n 16 Nederlandse stuurlieden, timmerlieden en varende personen waren gevangen genomen door Kozakken en Tataren. Deze groepen hadden zich tegen de Moskouse vorst verzet en de stad Astracant en andere plaatsen ingenomen. De gevangenen hadden geprobeerd te vluchten naar Darbent, een stad aan de Kaspische Zee, maar waren in handen gevallen van deze barbarische mensen en slecht behandeld. Alleen Butler was ontsnapt. Hij was op weg naar Ispahan en zou bij aankomst meer informatie kunnen geven. Hij vroeg om bij te dragen aan de bevrijding van deze arme ellendige mensen. Ook vroeg hij of zijn behouden aankomst aan de heer Jeronimo de Hase meegedeeld kon worden.

De Poolse ambassadeur, die in mei van het vorige jaar van dit hof vertrokken was, werd aangevallen door zijn eigen tolk, die hij slecht behandeld had, en raakte ernstig gewond.

Bekijk transcriptie 


Het oordeel van de Ceylonse ingenieurs Pieter Dombaer en David Butler, die dit jaar door Zijn Edelheid daarheen waren gestuurd, ging niet alleen over de Nagapatnamse fortificatie en de meest noodzakelijke verbeteringen daarvan, maar was algemeen en bijzonder, zoals hun schriftelijk verslag daarvan uitgebreid uitlegt. Een kopie ligt onder nummer 3 bij dit document, samen met de nieuwe kaart die zij toen hadden gemaakt als beter bewijs van hun mening.

Er zal echter aan het nieuwe punt 'Amsterdam' worden gewerkt, hoewel dat ongeveer 2500 pesos zal kosten. Dit is al absoluut bevolen door de Edele Heer Van Goens als superintendent en veldoverste. Zij vonden het veel beter in dienst van de compagnie om Nagapatnam als vesting te verkleinen of te verbeteren en met een behoorlijke bezetting te bezetten als grensvestiging van het kostelijke Ceylon aan deze kant, dan die stad aan een hier plaatselijk machthebber over te geven.

Dit jaar zijn al grote kosten besteed aan:

Hetzelfde aan de andere kant doen zou te veel geld kosten. Het kon ook niet met zoden worden bedekt omdat die daar niet genoeg te verkrijgen zijn. Zij hadden niemand aan deze kust die kennis had van de kunst van fortificaties. Daarom zou, indien U.E. (Uw Edelheid) iets bijzonders aan Nagapatnam wenste te veranderen, daarvoor een bekwaam man moeten worden gestuurd. Het nieuwe punt 'Amsterdam' zou worden afgestoken met hulp van de Jaffnapatnamse man.

Bekijk transcriptie 


Joost Buijten verklaarde ook dat Jan Cornelisz hem bekend maakte en vertelde dat, toen hij met zijn schip onlangs in Amsterdam was aangekomen, Pieter Verbeecq, koopman te Stockholm, mede-eigenaar was van hetzelfde schip.

Dit werd gedaan in Amsterdam in aanwezigheid van Jan vanden Hoven en Cornelis Hallius als getuigen op 9 maart 1661.

Op 12 april verscheen voor mij notaris Christiaen Leningh, ongeveer 29 jaar oud. Hij verklaarde op verzoek als boven dat ongeveer 6 weken geleden de schipper Jan Cornelisz hem een schuldbrief had aangeboden om te verkopen, die ten laste was van Pieter Verbeecq te Stockholm. De schipper had hem gezegd dat hij dat wel wilde doen als hij daarvoor toestemming uit Stockholm had, maar dat hij dat niet kon omdat Verbeecq een van zijn opdrachtgevers was en hij niet wist of hij dat goed of slecht zou doen.

Dit werd gedaan in Amsterdam in aanwezigheid van Johan Sandra en Pieter Hamer de Jongen als getuigen.

Bekijk transcriptie 


Adriaen van Dalen verklaarde dat hij de was die in zijn schuit was geleverd, zowel goed als slecht, had gevaren naar de blekerij van de producent op Jan Hansen pat. Dit gebeurde in Amsterdam in aanwezigheid van getuigen Jan vanden Hoven en Pieter Hamer de Jonge op 8 april 1661.

Er verschenen voor notaris Niclaes Huij, die toegelaten was bij het Hof van Holland en woonde in Amsterdam, 2 getuigen: Joost weijten, een koopman uit Stockholm van ongeveer 26 jaar oud, en Davidt Jansz Butler van ongeveer 23 jaar oud. Zij verklaarden onder ede op verzoek van Jan Butler het volgende:

Bekijk transcriptie 


Jan van Zweden wilde dat Philip Verpoorten en Daniel Partman, compagnons van Octavio Tensini en Govert van der Raeck, rekening zouden afleggen over de goederen van Jan van Zweden en deze zouden tonen aan Russische en Duitse kooplieden. Wat de Tsaristische Majesteit daarop zou beslissen, zou voor Van Zweden voldoende zijn.

In het geschrift werd vermeld dat de Tsaristische Majesteit had bevolen dat alle rechtszaken die onderdanen van Hare Hoge Mogenden betroffen, net als buitenlanders, alleen mochten worden behandeld in de Posolskoi Prikaas. Ondanks dit bevel werden onderdanen van Hare Hoge Mogenden vaak buiten de Posolskoi Prikaas voor andere rechtbanken gebracht. Dit was in strijd met het schriftelijke antwoord van de Tsaristische Majesteit in het jaar 1648. De ambassadeur verzocht daarom dat de Tsaristische Majesteit opnieuw zou bevelen dat geen enkele zaak betreffende onderdanen van Hare Hoge Mogenden buiten de Posolskoi Prikaas behandeld mocht worden, maar alleen in de Posolskoi Prikaas voor de rechter mochten komen.

Het antwoord hierop was dat Nederlandse Hollandse kooplieden die woonden en handelden in de Russische gebieden van de Tsaristische Majesteit, volgens het officiële bevel al hun claims die zij op onderdanen van de Tsaristische Majesteit hadden, alleen in de Posolskoi Prikaas moesten verantwoorden. Hetzelfde gold als Russische kooplieden iets tegen hen hadden in te brengen. Nederlandse kooplieden die in dezelfde rechtbanken contracten aangingen en obligaties gaven voor waren, moesten deze obligaties daar ook verantwoorden.

Bekijk transcriptie 


Hij van Sweeden had niet geschreven dat hij niet terug zou komen naar Moskoue, zoals zijn terugkomst bewees. Als hij dat wel had gedacht, zou hij niet teruggekomen zijn naar Moskoue en was hij van Zweden naar Amsterdam gereisd om daar met hen af te rekenen. Hij had al ongeveer 10 weken als belangrijke heren achter hen aan moeten gaan, waarvan hij vanuit Zweden bewijs kon geven. Ook Jacob van der Hulst wist dit, die het zelf gehoord en gezien had. In de brief stond dat zij de rekening in handen wilden geven van eerlijke en goede mensen in Amsterdam. Toen hij van Sweeden in Amsterdam was, had niet alleen hij maar ook Jacob van der Hulst hen om de rekening gevraagd, maar zij konden deze niet krijgen.

Over de bovengenoemde goederen die hij van Sweeden aan Tensini en vander Raeck had gestuurd (zoals uit hun brieven bleek dat zij deze uit verschillende schepen hadden ontvangen), moesten Verpoorten en Hartman rekening doen. Als uit die rekening zou blijken wat hem van Sweeden rechtmatig toekwam, zou hij daarmee tevreden zijn.

Philip Verpoorten en Daniel Hartman hadden in Archangel aan de borgen van van Sweeden borgen willen geven. Daaruit zou gebleken zijn dat de zaak hun eigen schuld betrof en dat Tensini en vander Raeck zich daarbij hadden aangesloten. Dit was van Verpoorten nooit gebleken. Daniel Hartman had tegen de borgen van van Sweeden gesproken dat als hem volgens rechtmatige rekening 10.000 roebels van vander Laeck zouden toekomen, hij daarvoor borgen zou geven. Toch had hij dit daarna niet gedaan. Hieruit bleek dat Philip Verpoorten en Daniel Hartman hun verzoekers Octavio en Govert met arglistigheid en bedrog hadden behandeld tegenover de grote heer, Zijne Tsaristische Majesteit.

Bekijk transcriptie 


Jan van Sweeden zijn goederen werden in Hamburg vastgehouden door Frans de la Camp, zoals uit de hand van de la Camp zelf te zien was. Hierdoor kon Johan geen geld of goederen krijgen. Johan heeft vanuit de stad Hessen speciaal aan Govert vander Saeck geschreven dat hij zijn geld dat hem rechtmatig toekwam moest geven aan Jacob vande Water of Iaacq Butz, en dat dit naar Archangel gestuurd moest worden aan de borgen van Jan van Sweeden.

Govert vander Baeck heeft in aanwezigheid van Jacob vander Hulst gezegd en zijn hand gegeven dat hij met Van Sweeden zou afrekenen en dat het geld dat hem nog toekwam met de eerste schepen naar Archangel zou sturen. Govert had gezegd dat er 2000 rijksdaalders bij hem klaar lagen om met deze schepen naar Archangel te sturen, maar dit gebeurde niet.

Van Sweeden kon niets krijgen van Tensinie vander Raeck, waardoor Van Sweeden gedwongen was om door zijn borgen in Archangel de goederen van Philip Verpoorten en Daniel Hartman in beslag te laten nemen. Deze goederen waren in Archangel tijdens het proces voor de gouverneur en kanselier. Hieruit bleek dat Philip Verpoorten en Daniel Hartman compagnons waren van Tensini en vander Raeck.

Daarom werden de rekeningboeken van Verpoorten in het proces in beslag genomen. Deze boeken en geschriften werden aan Verpoorten teruggegeven. Daniel Hartman zei dat hij een lijst of factuur had van de goederen van Govert vander Raeck, die in Moskou lag in het proces van de grote rechter.

In de brief die ambassadeur Jacob Boreel had overhandigd op verzoek van Tensini en vander Raeck, stond geschreven alsof Jan van Sweeden stiekem en zonder bericht uit Moskou was vertrokken en zijn woning had verlaten, alsof hij zich vanwege onbehoorlijk gedrag in Moskou niet had durven vertonen. Tensini en vander Raeck hadden dit als oneervol geschreven.

Bekijk transcriptie 


Censini had tegen hem gezegd dat hij naar Amsterdam zou komen om alles met hem af te rekenen. Censini kwam naar Amsterdam en weigerde op verzoek van Philip Perpoorten uit Hamburg, die nu in Moskou is, zonder enige reden rekening te geven. Hij gaf toe wat Perpoorten eiste, hoewel hij dat niet aan Perpoorten schuldig was. Ook had hij met de rekening in Amsterdam niets met Censini en Van der Saeck te maken.

Johan had hen gezegd dat als zij niet met hem alles wilden afrekenen, hij zijn recht bij zijne Tsarische Majesteit of in Archangel of in Moskou zou zoeken, waar de goederen gekocht waren. Censini antwoordde daarop dat als hij hen met Russisch recht wilde dreigen, zij hem wat anders zouden leren. Dit vertelde Johan aan Jacob van Hulst en vele andere kooplieden. Hij vroeg hen hoe hij met hen om moest gaan.

Zij zeiden Johan dat hij een vreemdeling was en dat zij hem met de rekening vele jaren aan het werk konden houden, waardoor hij onvermogend zou zijn om in de schatkist van onze grote heer zijne Tsarische Majesteit te kunnen betalen. Daarom besloot hij zijn recht bij zijne Tsarische Majesteit te zoeken. Hij vertrok uit Amsterdam naar Harderwijk en kreeg daar door het bestuur een volmacht. Deze stuurde hij naar Rusland aan Pieter de la Dalie, Harmen van Gaaten en Isaacq Lutz Davidis zoon, met de opdracht om in de gebieden van zijne Tsarische Majesteit de goederen van Censini en Van der Saeck en de persoon van Philip Perpoorten te zoeken. Philip Perpoorten was ook een oorzaak dat Johan van Sweeden de bovengenoemde rekening niet kreeg.

Bekijk transcriptie 


Johan en Hendrick hadden geschreven dat de goederen alleen aan Octavio en Govert mochten worden gestuurd, en dat Georgie Swellengrebel daar niets mee te maken mocht hebben. Zij beloofden dat zij van die waren goede rekening zouden doen. Johan en Hendrick hebben met het schip op hun verzoek de goederen gestuurd en geschreven dat zij de 40000 rijksdaalders, die zij met de eerste schepen hadden gestuurd, van de eerste verkoop van de goederen zouden inhouden. De rest was in totaal 110000 roebels, die Johan en Hendrick elk voor de helft kregen, dus elk 55000 roebels. Van de 40000 rijksdaalders kreeg ieder ook de helft, dus 20000 rijksdaalders ofwel 10000 roebels. Die 10000 roebels zijn voor Johan zijn helft op rekening van de bovengenoemde goederen, die zij van de grote heer Zijn keizerlijke majesteit uit de schatkist hebben ontvangen. Dit was betaald aan de kooplieden, te weten aan de heer Swersshoff en compagnie, en aan inkoop van goederen, papier, salpeter en andere onkosten, zodat door Johan en Hendrick bijna 20000 roebels was betaald. Wat Hendrick Sellengrebel boven zijn 20000 rijksdaalders heeft ontvangen, daarvan moesten zij rekening doen. Toen hij, Jan van Sweeden, in het vorige jaar 1721 in de maand mei bij Tensini en vander Raeck in Amsterdam kwam om een behoorlijke rekening te vragen, is hij bij de huizen van Tensini en vander Saeck veelvuldig geweest om een behoorlijke en juiste rekening onder hun handtekening te krijgen, zodat hij die rekening aan eerlijke mensen kon tonen. Over die rekening heeft hij vele keren om uitleg gevraagd in aanwezigheid van Jacob vander Hulst. Zij hebben hem, Johan, alleen een lijstje laten zien en geen rekening gedaan. Zij zeiden dat zijn, Johans, gelden nog uitstonden en niet ontvangen waren. Toen de schepen van Amsterdam naar Archangel begonnen te vertrekken, is hij gereisd met Isaacq Sulz.

Bekijk transcriptie 


Pieter de la Dale schreef in zijn antwoord dat hij in september 173 aanwezig was op de jaarmarkt in Archangel. Daar vroeg hij aan de tsaar om hulp met betrekking tot een Hollandse koopman Daniel Hartma en een Hamburger Philip Vervoorten. Hij gaf een verzoekschrift aan de gouverneur Esix Joanoobitz Lerba en aan de kanselier om hen voor de rechter te brengen vanwege de zaak van een Hollandse koopman Jan van Sweeden. Dit gebeurde op verzoek van Jan van Sweeden zelf. Pieter had te lijden onder Daniel en Philip in verband met deze zaak.

In 170 had Jan van Sweeden en Henrick Swellengrebel een contract gesloten met de tsaar voor de aankoop van Russische goederen zoals potasch, weedasch, hennep en andere waren. Deze goederen moesten in Archangel worden ontvangen in juli, augustus en september voor een waarde van ongeveer 100.000 roebel en meer.

In mei 171 schreven Jan van Sweeden en Henrick Swellengrebel vanuit Amsterdam naar Octavio Censins, Govert van der Raeck en George Swellengrebel. Ze meldden dat ze van de tsaar uit de schatkist potasch, weedasch, hennep en andere Russische waren hadden gekocht zonder kosten voor 104.000 roebel. Octavio en zijn compagnons moesten 10 schepen sturen om deze goederen op te halen en met winst te verkopen. Ze moesten 40.000 goede rijksdaalders naar Johan en Henrick sturen. In plaats daarvan stuurden Octavio en Govert in juli van datzelfde jaar 11 schepen en 40.000 goede rijksdaalders naar hen.

Bekijk transcriptie 


Octavio Tonsini en Govert van der Saeck werden er valselijk van beschuldigd dat zij goederen in beslag hadden genomen. Er werd beweerd dat zij grote bedragen aan geld onrechtmatig hadden vastgehouden en dat zij niet wilden afrekenen. De zaak werd volledig beschreven in een brief van hun hoogmogende (autoriteiten) die 9 februari aan zijn Tsaarsche Majesteit was overhandigd. Daaruit bleek dat de Hollandse kooplieden hun goederen niet vasthielden. Toch werden deze goederen in beslag genomen, vielen zij hun pakhuizen binnen, legden hen boetes op en plaatsten soldaten in hun opslagplaatsen. Deze handelingen waren tegen alle recht en billijkheid.

Ambrosius verzocht aan de grote heer zijn Tsaarsche Majesteit dat de onrechtvaardige handelingen die door opdracht van Jan van Sween door Pieter de la Dale in Archangel waren uitgevoerd, onderzocht zouden worden. Hij vroeg dat zij alle kosten en schade die Octavio, Govert, Philip Vervoorten en Daniel Hartman samen hadden geleden door aangiftes van Jan van Sween en Pieter de la Dale moesten betalen. Wat Jan van Sween nog van Octavio Tensini en Govert van der Raeck mocht vorderen, zou aan hem vergoed worden zodra hijzelf of een gemachtigde namens hem naar Amsterdam zou komen of sturen. Als Octavio en Govert niet bereid zouden zijn om volledig af te rekenen en volledige betaling te doen, zou vanwege hun hoogmogende zo goed recht gegeven worden als overal passend en behoorlijk was.

Hierop werd door opdracht van de grote heer zijn Tsaarsche Majesteit over deze zaak Pieter de la Dale en Jan van Sween, de Hollandse kooplieden, ondervraagd. Van dit onderzoek werd een schriftelijk antwoord onder hun eigen handtekening afgenomen.

Bekijk transcriptie 


Henrick en Firano hebben geen vereffening gemaakt omdat de gelden en goederen niet volledig zijn geleverd volgens de afspraak aan de tsaar. De tsaar heeft veel schade toegebracht aan de verkochte goederen omdat deze nog in Archangel liggen.

De kooplieden Joan Clunsen en Alex Souchanoff hebben gezegd dat zij een vierde deel van de prijzen van 12.000 hebben ingehouden en niet hebben uitbetaald, doordat ze in plaats van 84 maar tot 69 hebben betaald. Daardoor hebben ze Frans 400 roebel te weinig gegeven. Frans heeft over Ivan en Alexe gelogen. Hij heeft uit de schatkist van de tsaar geld ontvangen en de Europese waren vrijwillig in de schatkist van de tsaar geleverd in aanwezigheid van veel overzeese kooplieden. De waren, zijn lakens die van hem ontvangen zijn, zijn niet meer dan 86,26 waard.

In het geschreven stuk staat dat in 162 Jan van Sweeden vanuit Amsterdam veel waren heeft gestuurd naar de kooplieden Octavio Tensini en Govert vander Laeck en hen opdracht gaf deze voor hem te verkopen. Zij hebben daarop veel gelden aan Jan van Sweeden gegeven en betaald, wat aangetoond kan worden als hijzelf of iemand namens hem naar Amsterdam komt om af te rekenen. Jan van Sweeden deed alsof hij geen rekening van hen kon krijgen en heeft om onbekende redenen zonder enig schriftelijk of vast bewijs besloten om in Archangel de huizen van de kooplieden Daniel Hartman en Philip Verpoorten binnen te vallen.

Bekijk transcriptie 


4 juni 1659 schreven de Afgevaardigden van de Classis (kerkelijk bestuur) van het Eiland van Schouwen en Bergen op Zoom een verzoek. Ze wilden naar Den Haag komen om een zaak te bespreken met de Gedeputeerden. Het doel was om de zaak definitief af te handelen en daarmee schandalige praatjes van de monniken tegen de Staat en de kerk te stoppen. De Afgevaardigden beloofden ondertussen te blijven bidden voor de personen en de loffelijke regering. De brief was ondertekend namens allen door Arnoldus Fiuson, schrijver van de Classis.

Een vertaling van een brief uit Moskou volgde, ontvangen op 10 juni 1669. De brief was van de grote heer en grootvorst Alexei Michaelewets, zelfheerser van heel Groot en Klein Rusland, met vele titels waaronder:

Alexei Michaelewets schreef aan de Staten van de Verenigde Nederlanden, Holland en andere vorstendommen. Hij had een buitenlandse koopman uit het Rooms-Duitse Rijk, Johan van Zweden en compagnons, gestuurd om zeldzaamheden, zilveren en tinnen voorwerpen en wapens te kopen voor zijn keizerlijke schatkamer. Hij verzocht dat wanneer zij in Holland aankwamen, zij in alle Hollandse steden en gebieden vrijelijk handel mochten drijven. Ze moesten zonder belemmering of lastigvallen met hun gekochte waren en meegekomen mensen naar het Moskovische rijk kunnen doorreizen. In ruil beloofde de grote heer de Hollandse onderdanen in zijn rijk volledig te beschermen. De brief was geschreven in Moskou op 12 maart in het jaar 7167 (volgens de schepping van de wereld).

Bekijk transcriptie 


15 december 1637 werden Gerrit van Oostraum, Willem Matheus van Oosterinne en Rubbert Jansen vermeld. De notaris was G. van Waeij. Er werd verwezen naar het jaar 1632.

Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/