Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 1175973 / 640  


Op 16 juli 1718 verscheen Pieter Duijts Jongman, een meerderjarige man uit Amsterdam, voor notaris David Walschaart. Jongman had toestemming gekregen van de Staten van Holland en West-Friesland om ondanks zijn jonge leeftijd zelfstandig zaken te doen. Hij verklaarde dat hij drie schuldbrieven (obligaties) had verkocht aan: Elke schuldbrief had een waarde van 1000 gulden en was uitgegeven door de provincie Holland, met betaling in Haarlem. De brieven waren gedateerd op 16 oktober 1708 en goedgekeurd op 15 juni 1709, met de volgende nummers: Jongman had deze schuldbrieven gekregen via een akte op 27 december 1715, opgemaakt door notaris Jan Snoek. Hij bevestigde dat hij het volledige bedrag, inclusief rente, van de kopers had ontvangen en beloofde dat de schuldbrieven vrij waren van claims. Hij zou deze overdracht altijd respecteren, onder een boete van 3000 gulden.
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2320392 / 37  


Gedeputeerden (afgevaardigden van de hoogmogende heren) werden na een ontvangst op het Raadhuis op de Poort door dezelfde heren begeleid naar de kamer van burgemeester Burgh. Daar namen ze afscheid en werden de gedeputeerden naar de deur van hun logement gebracht. Daar wachtten kolonel Robberts (commandant van het garnizoen) en luitenant-kolonel Meijners op hen. Tijdens het eten kregen ze van de stadsbodes, namens de burgemeesters en regenten, 8 grote stads kannen met Rijnse wijn als geschenk voor de hoogmogende heren. Als dank schonken de gedeputeerden de kannen – zoals gebruikelijk – aan de regenten van het Licilia en Catharina Gasthuizen (voor ouderen). De bodes kregen elk een fooi van 4 zilveren dukaten. Op uitnodiging van de gedeputeerden kwamen 29 mei 1665 om half twee ’s middags drie burgemeesters (Joan van der Marck, Adriaan Evertsz Petrus Cunaus en Hendrik van Buren), samen met de pensionaris, secretarissen en twee bodes met bussen, naar het logement van de burgemeester. De gedeputeerden ontvingen hen bij de voordeur, leidden hen naar de kamer en nodigden hen uit voor een maaltijd, samen met Jacob Schultens (regent van het Staten College). De gedeputeerden zaten aan het hoofd van de tafel, de burgemeesters en hun medewerkers aan weerszijden, gevolgd door de aanwezige predikanten (gerangschikt naar hun positie). De maaltijd verliep vriendschappelijk en in goede sfeer. Om 8 uur namen de burgemeesters en hun medewerkers afscheid en werden ze door de gedeputeerden naar de deur van het logement gebracht, waar ze ’s middags ook waren ontvangen. Daarna vertrokken de gedeputeerden met de predikanten, tevreden over alles, in dezelfde volgorde als bij aankomst. Ze kwamen ’s avonds om 11 uur weer aan in Den Haag. De volgende ochtend bedankten de voorzitter en de secretaris, namens alle predikanten, de hoogmogende gedeputeerden persoonlijk. Daarna besloten de gedeputeerden:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 2677 / 0253  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3260 / 0013  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 8891 / 0268  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 2792 / 0152  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3532 / 0015  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 23 / 0011  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 23 / 0010  


Op 8 oktober 1576 besloten de Staten van Brabant (de drie standen) het volgende:

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1 / 0013  


Op 21 september 1576 werd in Brussel een afspraak gemaakt over een betaling die later zou plaatsvinden.

Op 1 oktober 1576 besloten de afgevaardigden van de Staten van Vlaanderen en Henegouwen dat mijnheer Thiny, de ontvanger van belastingen, een betaling van 2000 pond aan de heer van Immerzele moest doen. Dit was voor hem en zijn 200 soldaten, als vergoeding voor hun werk. Dit werd bevestigd met een kwitantie.

Op 2 oktober 1576 werd een betaling van 3 pond goedgekeurd voor de heer van Egmont, onder voorwaarde dat hij geen buitenlandse soldaten of kapiteins zou werven voor zijn regiment.

Ook op 2 oktober 1576 werd een betaling van 6 pond goedgekeurd voor Moyzes, een soldaat uit Antwerpen, en een bedrag van 5 pond voor Joncke heur, eveneens uit Antwerpen.

Op 3 oktober 1576 werd een betaling van 10 pond goedgekeurd voor Thomas de Verh, een beul die zijn werk had uitgevoerd. Dit bedrag werd ook als vergoeding voor hem vastgelegd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1 / 0012  


Op 21 september 1576 gaf Dienrck van der Heken, rentmeester van Brabant in naam van de rekenkamer van Brussel, opdracht om Jonker Huyge van Kerckel en Wilhem Angelis elk een bedrag van 150 pond uit te betalen (samen 300 pond). Dit geld was bedoeld als voorschot op hun werkzaamheden, die ze zouden uitvoeren op basis van een opdracht die ze diezelfde dag hadden gekregen van de Raad van State namens de landvoogd. De betaling moest gebeuren na inlevering van een geldig bewijs van ontvangst van Huyge van Kerckel.

Op 23 september 1576 werd vastgelegd dat er rekening gehouden moest worden met de uitgaven van de heer van Egmont voor een maand, inclusief de kapiteins en andere officieren.

Op 24 september 1576 kreeg Dienrck van der Heken opnieuw de opdracht, nu om de graaf van Egmont, kolonel van een regiment voetvolk, een bedrag van 4000 pond uit te betalen. Dit geld was bestemd om zijn soldaten uit te betalen en om kapiteins te belonen die extra taken hadden gekregen.

Daarnaast was de heer van Saenthen opdracht gegeven om de compagnie van Clant te inspecteren (te "monsteren"). Tijdens deze inspectie moesten alle soldaten betaald worden voor één maand. Ook deze betaling moest gebeuren na inlevering van een geldig bewijs van ontvangst en een inspectierapport.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 1 / 0011  


Op 14 januari 1647 en 14 januari 1654 werden verschillende verzoeken en brieven besproken door een groep bestuurders, waaronder Hesselus Meckama, Colonel Aylua, en Raadpensionaris de Witt.

De volgende onderwerpen kwamen aan bod:

Daarnaast werden brieven ontvangen van:

De besluiten van de vorige dag werden herhaald en bevestigd.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3260 / 0082  


De rechtbank besloot dat een eerder genoemde verklaring naar de Heren Gecommiteerden (een groep verantwoordelijken) in de rekenkamer van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden moest. Zij moesten de verklaring controleren, nakijken en afhandelen. Daarna moest deze doorgestuurd worden naar de Raad van State voor een definitief besluit.

Tijdens de vergadering werd een brief van de voormalige ontvanger-generaal Philips Doubleth voorgelezen. Hij meldde dat hij, volgens een eerdere beslissing van 1 april, de gevraagde financiële overzichten op tijd had ingediend bij de rekenkamer. Ook zei hij dat hij hard werkte om voor 11 april zijn definitieve rekening klaar te hebben. De rechtbank besloot om de Heren Gecommiteerden te vragen een kopie van deze overzichten naar de hoogste leiding te sturen. Doubleth kreeg opnieuw de opdracht om het tweede deel van de eerdere beslissing uit te voeren.

Er werd ook een verzoek besproken van Bartholt van Mortaigne. Hij wilde dat een bedrag van 185 gulden, dat boven de toegestane 1400 gulden uitkwam voor de kosten van ambassadeur Chanut, alsnog goedgekeurd zou worden. Dit verzoek werd aangehouden (er werd nog geen beslissing over genomen).

De rechtbank ontving een brief van de hoogschout (hoofd-officier van justitie) Bergaigne, gedateerd 5 januari in 's-Hertogenbosch. Dit was een reactie op een eerdere brief van de hoogste leiding van 8 november. Het ging over het verzoek van Cornelis van der Dussen, die Caspar van de Graeff wilde aanstellen als schout (een soort politiebaas) voor de dorpen Vessem, Wintelre en Knegschel.

Het verzoek van Henrick van Catshuijsen, die baas wilde worden over het openbare ambt in Aardenburg, werd samen met soortgelijke verzoeken opzijgelegd om later te behandelen.

Het verzoek van Casper van de Graeff, kapitein en sergeant-majoor in Ravestein, om tijdelijk de leiding te mogen nemen in afwezigheid van de commandeur, werd ook aangehouden.

Jacob Jansz van Harlingen, een voormalig soldaat in Brazilië, vroeg opnieuw om betaling van zijn achterstallige soldij. De rechtbank hield vast aan het eerdere besluit van 30 december en wees zijn verzoek af.

Het verzoek van Rochus van Steenbergen, die verantwoordelijk was voor brieven en pakketten uit Frankrijk, samen met een overzicht van portokosten, werd doorgestuurd naar de Heren Gecommiteerden in de rekenkamer. Zij moesten dit controleren en volgens de regels afhandelen.

De procureur-generaal van Brabant vroeg toegang tot bepaalde stukken over de zaak van fiscale ambtenaar Cuijck, die bij de griffie (het secretariaat van de rechtbank) lagen. De rechtbank stemde hiermee in en droeg de agent De Heijde op om deze stukken te laten inzien.

Tot slot werd op 13 januari een notificatie (een officiële mededeling) aangenomen.

Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.01.02 / 3260 / 0081  


In 1845 werden de volgende kosten en inkomsten voor Java en andere gebieden bijgehouden: De uitgaven van verschillende afdelingen waren: De inkomsten waren: Kosten voor geldzaken en pachten: De totale inkomsten en uitgaven:
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 2.10.01 / 4302 / 0135  


Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 2446939 / 66  


Samuel Hartog vroeg op 20 oktober 1794 aan het Provinciaal Hof van Utrecht om een wisselbrief te bevestigen of te ontkennen. De wisselbrief was ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-UtHUA / 11307456 / 5  


Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.04.02 / 10886 / 0169  


Op 29 december 1773 verscheen voor Dirk Oortmond, een notaris erkend door het Hof van Holland in Amsterdam, een groep mensen: Deze voogden, Christiaan Godfried Kusell en Nicolaas De Kruijff, waren verantwoordelijk voor Johanna Cornelia en Anna Dorothea van Fredriksoorf. Aan hen was de plantage Knoffelsgift nagelaten. Deze plantage lag in de kolonie Suriname, aan de Commewijne-rivier, aan de linkerkant als je stroomopwaarts ging, tussen de plantages Fredriksoip en Johanna Margaretha. De voogden hadden de opdracht om geldzaken te regelen en de plantage Knoffelsgift te verhypothekeren (als onderpand te gebruiken voor een lening). Dit was allemaal vastgelegd in het testament van Johan Fredrik Knöffel.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 726 / 0279  


Bij een veiling in Wi op 20 juni 1800 golden de volgende regels:

De veiling bracht de volgende bedragen op (in gulden en centen):

De totale opbrengst was ƒ 139,45 (plus ƒ 139,48 in een andere berekening). De veiling werd officieel vastgelegd door notaris Bruijn in aanwezigheid van de getuigen Matthijs Winden (schipper) en Thomas Vermee (veldwachter). De akte werd geregistreerd op 20 juli 1800, met extra kosten van ƒ 5,— voor registratie en ƒ 1,14 voor opcenten (belasting).

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209784 / 131  


Deze tekst is een overzicht van een veiling van stukken hakhout in Sap op 2 maart. In totaal werd er ƒ 511,25 opgebracht. Hier volgen de kopers en de bedragen die zij betaalden:

Bekijk transcriptie NL-HlmNHA / 5209847 / 348  


De persoon die dit testament maakt, bepaalt het volgende: Jacobus en Anna zijn kinderen van de overleden zus van de testateur, Cornelia Poelgeest, en haar man Micheel van der Winden. Als één groep erfgenamen er niet meer is, krijgt de andere groep alles. Zij regelen: De testateur sluit de Weesmeesters (toezichthouders op wezen) hierbij uit. Deze wijzigingen moeten net zo geldig zijn als het originele testament. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is, vrijwillig opgesteld en zonder druk van anderen. Na zijn overlijden moet dit worden uitgevoerd als een geldig testament. Ondertekend door:
Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 604584 / 568  


Hendrik Maurits Wolff, getrouwd met Anna Porothea van Frederikdorff, verschijnt persoonlijk voor de rechtbank van de kolonie Suriname. Hij is gemachtigd door zijn vrouw via een akte van 22 mei 1779, opgemaakt door de beëdigde ambtenaar Johan Ernst Hafftenberger. Daarnaast handelt Hendrik Maurits Wolff ook namens Christoffel Cornelis Durant en diens vrouw Johanna Cornelia van Frederikdorff. Deze volmacht staat in een akte van 29 oktober 1779, opgemaakt door notaris Nicolaas van Veen in Amsterdam en geregistreerd in het protocol van de kolonie. Anna Porothea en Johanna Cornelia van Frederikdorff zijn elk voor de helft eigenaar van een bepaald goed.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 392 / 0447  


De eigenaar van plantage Knoffelsgift verklaarde dat deze plantage al twee keer als onderpand (hypotheek) was gegeven aan de heren Henricus en Martinus van der Winden, die handelden onder de naam Johannes van der Winden & Zoonen in Amsterdam. Dit gebeurde op: De plantage was als zekerheid gegeven voor een lening van in totaal 104.000 gulden (Hollands geld): De eigenaar bevestigde namens zichzelf, zijn vrouw en zijn kinderen (Cornelis Christoffel Durant en Johanna Cornelia van Frederiksdorf) dat de twee hypotheekakten uit 18 oktober 1768 en 14 april 1773 nog steeds geldig waren. Hij erkende daarmee een schuld van 104.000 gulden aan Johannes van der Winden & Zoonen.
Bekijk transcriptie NL-HaNA / 1.05.11.14 / 392 / 0448  


De gemeenten Amsterdam en Weesp beheerden samen het zandpad tussen Amsterdam en Weesp. Op 19 december 1928 besloten ze dit beheer stop te zetten en het pad, inclusief alle bijbehorende eigendommen, over te dragen aan de provincie Noord-Holland. Hiervoor ontvingen ze een bedrag van ƒ 168.421. Vanaf 1 januari 1929 stopte de commissie die het pad beheerde, en per 1 april 1929 verdwenen ook de tolpoorten bij het Bijlmerhek, de Uitermeerse Schans en de 's-Gravelandse vaart. Deze tollen waren oorspronkelijk ingesteld toen het zandpad in 1650 werd doorgetrokken tot de Hooibrug in 's-Graveland. Een deel van het pad, tussen Amsterdam en de Diemerbrug, was al in 1839 overgenomen door het Rijk.

De Bijlmermeerpolder maakte in 1817 deel uit van de gemeente Bijlmermeer, samen met de Oost-Bijlmerpolder, West-Bijlmerpolder en het Bijlmerbroek. In 1846 werd deze gemeente toegevoegd aan Weesperkarspel. Het wapen van de voormalige gemeente Bijlmermeer toonde een zilveren reiger op een zwarte achtergrond, staand op een bloedzuiger met aan weerszijden nog een bloedzuiger. Dit symbool verwijst naar het Reigersbos, een gebied waar reigers broedden, mogelijk gelegen in of nabij het Bijlmerbroek. Ook de naam Reigersbroek, een voormalige buitenplaats bij de Gaasp, herinnert hieraan. De boerderij De mens wikt God beschikt bij de Hulksbrug zou nog resten bevatten van de oude buitenplaats Gaasperdam.

Op 26 april 1586 gingen in Amsterdam de 28-jarige bakkersknecht Jan Goossens (afkomstig uit Hardenberg) en de 20-jarige Lysbeth Henricxdr. (uit Harderwijk) in ondertrouw. Lysbeth kon schrijven, Jan zette een kruisje. Lysbeth was de dochter van Hendrick Jansz van der Cooten en Lysbeth Ramp Wiggertsdr., terwijl Jan de zoon was van Goossen Cornelisz Meebeeck en Aeltgen Jans Tengnagel. Het paar kreeg drie kinderen: Elisabeth, Hendrick en Aeltgen. Na Jans overlijden in 1598 of 1599 hertrouwde Lysbeth in 1607 met de 32-jarige schipper Cornelis Matthijsz Rijser (geboren in Haarlem rond 1573/1574). Zij kregen samen één kind.

Bekijk transcriptie NL-AsdSAA / 3586472 / 50  



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/