Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 8 oktober 1576 besloten de Staten van Brabant (de drie standen) het volgende:

Bekijk transcriptie 


Op 21 september 1576 werd in Brussel een afspraak gemaakt over een betaling die later zou plaatsvinden.

Op 1 oktober 1576 besloten de afgevaardigden van de Staten van Vlaanderen en Henegouwen dat mijnheer Thiny, de ontvanger van belastingen, een betaling van 2000 pond aan de heer van Immerzele moest doen. Dit was voor hem en zijn 200 soldaten, als vergoeding voor hun werk. Dit werd bevestigd met een kwitantie.

Op 2 oktober 1576 werd een betaling van 3 pond goedgekeurd voor de heer van Egmont, onder voorwaarde dat hij geen buitenlandse soldaten of kapiteins zou werven voor zijn regiment.

Ook op 2 oktober 1576 werd een betaling van 6 pond goedgekeurd voor Moyzes, een soldaat uit Antwerpen, en een bedrag van 5 pond voor Joncke heur, eveneens uit Antwerpen.

Op 3 oktober 1576 werd een betaling van 10 pond goedgekeurd voor Thomas de Verh, een beul die zijn werk had uitgevoerd. Dit bedrag werd ook als vergoeding voor hem vastgelegd.

Bekijk transcriptie 


Op 21 september 1576 gaf Dienrck van der Heken, rentmeester van Brabant in naam van de rekenkamer van Brussel, opdracht om Jonker Huyge van Kerckel en Wilhem Angelis elk een bedrag van 150 pond uit te betalen (samen 300 pond). Dit geld was bedoeld als voorschot op hun werkzaamheden, die ze zouden uitvoeren op basis van een opdracht die ze diezelfde dag hadden gekregen van de Raad van State namens de landvoogd. De betaling moest gebeuren na inlevering van een geldig bewijs van ontvangst van Huyge van Kerckel.

Op 23 september 1576 werd vastgelegd dat er rekening gehouden moest worden met de uitgaven van de heer van Egmont voor een maand, inclusief de kapiteins en andere officieren.

Op 24 september 1576 kreeg Dienrck van der Heken opnieuw de opdracht, nu om de graaf van Egmont, kolonel van een regiment voetvolk, een bedrag van 4000 pond uit te betalen. Dit geld was bestemd om zijn soldaten uit te betalen en om kapiteins te belonen die extra taken hadden gekregen.

Daarnaast was de heer van Saenthen opdracht gegeven om de compagnie van Clant te inspecteren (te "monsteren"). Tijdens deze inspectie moesten alle soldaten betaald worden voor één maand. Ook deze betaling moest gebeuren na inlevering van een geldig bewijs van ontvangst en een inspectierapport.

Bekijk transcriptie 


Op 14 januari 1647 en 14 januari 1654 werden verschillende verzoeken en brieven besproken door een groep bestuurders, waaronder Hesselus Meckama, Colonel Aylua, en Raadpensionaris de Witt.

De volgende onderwerpen kwamen aan bod:

Daarnaast werden brieven ontvangen van:

De besluiten van de vorige dag werden herhaald en bevestigd.

Bekijk transcriptie 


De rechtbank besloot dat een eerder genoemde verklaring naar de Heren Gecommiteerden (een groep verantwoordelijken) in de rekenkamer van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden moest. Zij moesten de verklaring controleren, nakijken en afhandelen. Daarna moest deze doorgestuurd worden naar de Raad van State voor een definitief besluit.

Tijdens de vergadering werd een brief van de voormalige ontvanger-generaal Philips Doubleth voorgelezen. Hij meldde dat hij, volgens een eerdere beslissing van 1 april, de gevraagde financiële overzichten op tijd had ingediend bij de rekenkamer. Ook zei hij dat hij hard werkte om voor 11 april zijn definitieve rekening klaar te hebben. De rechtbank besloot om de Heren Gecommiteerden te vragen een kopie van deze overzichten naar de hoogste leiding te sturen. Doubleth kreeg opnieuw de opdracht om het tweede deel van de eerdere beslissing uit te voeren.

Er werd ook een verzoek besproken van Bartholt van Mortaigne. Hij wilde dat een bedrag van 185 gulden, dat boven de toegestane 1400 gulden uitkwam voor de kosten van ambassadeur Chanut, alsnog goedgekeurd zou worden. Dit verzoek werd aangehouden (er werd nog geen beslissing over genomen).

De rechtbank ontving een brief van de hoogschout (hoofd-officier van justitie) Bergaigne, gedateerd 5 januari in 's-Hertogenbosch. Dit was een reactie op een eerdere brief van de hoogste leiding van 8 november. Het ging over het verzoek van Cornelis van der Dussen, die Caspar van de Graeff wilde aanstellen als schout (een soort politiebaas) voor de dorpen Vessem, Wintelre en Knegschel.

Het verzoek van Henrick van Catshuijsen, die baas wilde worden over het openbare ambt in Aardenburg, werd samen met soortgelijke verzoeken opzijgelegd om later te behandelen.

Het verzoek van Casper van de Graeff, kapitein en sergeant-majoor in Ravestein, om tijdelijk de leiding te mogen nemen in afwezigheid van de commandeur, werd ook aangehouden.

Jacob Jansz van Harlingen, een voormalig soldaat in Brazilië, vroeg opnieuw om betaling van zijn achterstallige soldij. De rechtbank hield vast aan het eerdere besluit van 30 december en wees zijn verzoek af.

Het verzoek van Rochus van Steenbergen, die verantwoordelijk was voor brieven en pakketten uit Frankrijk, samen met een overzicht van portokosten, werd doorgestuurd naar de Heren Gecommiteerden in de rekenkamer. Zij moesten dit controleren en volgens de regels afhandelen.

De procureur-generaal van Brabant vroeg toegang tot bepaalde stukken over de zaak van fiscale ambtenaar Cuijck, die bij de griffie (het secretariaat van de rechtbank) lagen. De rechtbank stemde hiermee in en droeg de agent De Heijde op om deze stukken te laten inzien.

Tot slot werd op 13 januari een notificatie (een officiële mededeling) aangenomen.

Bekijk transcriptie 


In 1845 werden de volgende kosten en inkomsten voor Java en andere gebieden bijgehouden: De uitgaven van verschillende afdelingen waren: De inkomsten waren: Kosten voor geldzaken en pachten: De totale inkomsten en uitgaven:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Samuel Hartog vroeg op 20 oktober 1794 aan het Provinciaal Hof van Utrecht om een wisselbrief te bevestigen of te ontkennen. De wisselbrief was ondertekend door:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Op 29 december 1773 verscheen voor Dirk Oortmond, een notaris erkend door het Hof van Holland in Amsterdam, een groep mensen: Deze voogden, Christiaan Godfried Kusell en Nicolaas De Kruijff, waren verantwoordelijk voor Johanna Cornelia en Anna Dorothea van Fredriksoorf. Aan hen was de plantage Knoffelsgift nagelaten. Deze plantage lag in de kolonie Suriname, aan de Commewijne-rivier, aan de linkerkant als je stroomopwaarts ging, tussen de plantages Fredriksoip en Johanna Margaretha. De voogden hadden de opdracht om geldzaken te regelen en de plantage Knoffelsgift te verhypothekeren (als onderpand te gebruiken voor een lening). Dit was allemaal vastgelegd in het testament van Johan Fredrik Knöffel.
Bekijk transcriptie 


Bij een veiling in Wi op 20 juni 1800 golden de volgende regels:

De veiling bracht de volgende bedragen op (in gulden en centen):

De totale opbrengst was ƒ 139,45 (plus ƒ 139,48 in een andere berekening). De veiling werd officieel vastgelegd door notaris Bruijn in aanwezigheid van de getuigen Matthijs Winden (schipper) en Thomas Vermee (veldwachter). De akte werd geregistreerd op 20 juli 1800, met extra kosten van ƒ 5,— voor registratie en ƒ 1,14 voor opcenten (belasting).

Bekijk transcriptie 


Deze tekst is een overzicht van een veiling van stukken hakhout in Sap op 2 maart. In totaal werd er ƒ 511,25 opgebracht. Hier volgen de kopers en de bedragen die zij betaalden:

Bekijk transcriptie 


De persoon die dit testament maakt, bepaalt het volgende: Jacobus en Anna zijn kinderen van de overleden zus van de testateur, Cornelia Poelgeest, en haar man Micheel van der Winden. Als één groep erfgenamen er niet meer is, krijgt de andere groep alles. Zij regelen: De testateur sluit de Weesmeesters (toezichthouders op wezen) hierbij uit. Deze wijzigingen moeten net zo geldig zijn als het originele testament. De testateur bevestigt dat dit zijn laatste wil is, vrijwillig opgesteld en zonder druk van anderen. Na zijn overlijden moet dit worden uitgevoerd als een geldig testament. Ondertekend door:
Bekijk transcriptie 


Hendrik Maurits Wolff, getrouwd met Anna Porothea van Frederikdorff, verschijnt persoonlijk voor de rechtbank van de kolonie Suriname. Hij is gemachtigd door zijn vrouw via een akte van 22 mei 1779, opgemaakt door de beëdigde ambtenaar Johan Ernst Hafftenberger. Daarnaast handelt Hendrik Maurits Wolff ook namens Christoffel Cornelis Durant en diens vrouw Johanna Cornelia van Frederikdorff. Deze volmacht staat in een akte van 29 oktober 1779, opgemaakt door notaris Nicolaas van Veen in Amsterdam en geregistreerd in het protocol van de kolonie. Anna Porothea en Johanna Cornelia van Frederikdorff zijn elk voor de helft eigenaar van een bepaald goed.
Bekijk transcriptie 


De eigenaar van plantage Knoffelsgift verklaarde dat deze plantage al twee keer als onderpand (hypotheek) was gegeven aan de heren Henricus en Martinus van der Winden, die handelden onder de naam Johannes van der Winden & Zoonen in Amsterdam. Dit gebeurde op: De plantage was als zekerheid gegeven voor een lening van in totaal 104.000 gulden (Hollands geld): De eigenaar bevestigde namens zichzelf, zijn vrouw en zijn kinderen (Cornelis Christoffel Durant en Johanna Cornelia van Frederiksdorf) dat de twee hypotheekakten uit 18 oktober 1768 en 14 april 1773 nog steeds geldig waren. Hij erkende daarmee een schuld van 104.000 gulden aan Johannes van der Winden & Zoonen.
Bekijk transcriptie 


De gemeenten Amsterdam en Weesp beheerden samen het zandpad tussen Amsterdam en Weesp. Op 19 december 1928 besloten ze dit beheer stop te zetten en het pad, inclusief alle bijbehorende eigendommen, over te dragen aan de provincie Noord-Holland. Hiervoor ontvingen ze een bedrag van ƒ 168.421. Vanaf 1 januari 1929 stopte de commissie die het pad beheerde, en per 1 april 1929 verdwenen ook de tolpoorten bij het Bijlmerhek, de Uitermeerse Schans en de 's-Gravelandse vaart. Deze tollen waren oorspronkelijk ingesteld toen het zandpad in 1650 werd doorgetrokken tot de Hooibrug in 's-Graveland. Een deel van het pad, tussen Amsterdam en de Diemerbrug, was al in 1839 overgenomen door het Rijk.

De Bijlmermeerpolder maakte in 1817 deel uit van de gemeente Bijlmermeer, samen met de Oost-Bijlmerpolder, West-Bijlmerpolder en het Bijlmerbroek. In 1846 werd deze gemeente toegevoegd aan Weesperkarspel. Het wapen van de voormalige gemeente Bijlmermeer toonde een zilveren reiger op een zwarte achtergrond, staand op een bloedzuiger met aan weerszijden nog een bloedzuiger. Dit symbool verwijst naar het Reigersbos, een gebied waar reigers broedden, mogelijk gelegen in of nabij het Bijlmerbroek. Ook de naam Reigersbroek, een voormalige buitenplaats bij de Gaasp, herinnert hieraan. De boerderij De mens wikt God beschikt bij de Hulksbrug zou nog resten bevatten van de oude buitenplaats Gaasperdam.

Op 26 april 1586 gingen in Amsterdam de 28-jarige bakkersknecht Jan Goossens (afkomstig uit Hardenberg) en de 20-jarige Lysbeth Henricxdr. (uit Harderwijk) in ondertrouw. Lysbeth kon schrijven, Jan zette een kruisje. Lysbeth was de dochter van Hendrick Jansz van der Cooten en Lysbeth Ramp Wiggertsdr., terwijl Jan de zoon was van Goossen Cornelisz Meebeeck en Aeltgen Jans Tengnagel. Het paar kreeg drie kinderen: Elisabeth, Hendrick en Aeltgen. Na Jans overlijden in 1598 of 1599 hertrouwde Lysbeth in 1607 met de 32-jarige schipper Cornelis Matthijsz Rijser (geboren in Haarlem rond 1573/1574). Zij kregen samen één kind.

Bekijk transcriptie 


Na zijn huwelijk bleef Cornelis Thijsz Rijser (een voormalig schipper) wonen in de Nieuwezijds Kapelsteeg in Amsterdam, in herberg Het Witte Lam. Zijn stiefdochter Elisabeth (Lysbeth) Jans trouwde in 1612 met Jan Claes Gorter, maar ze had eerder al een grappig vers gemaakt over haar verlangen om bij een jonge man te zijn in plaats van bij haar moeder.

In 1623 ging Hendrick Jansz, de zoon van Cornelis en stiefzoon uit een eerder huwelijk, in ondertrouw. Hij woonde toen op de Nieuwendijk en was zeilenmaker. Bij zijn huwelijk met Barbara Jans (dochter van een rijke slager) bracht hij 6000 gulden in, waaronder een winkel, schulden van klanten en scheepsdelen. Zijn bruid bracht 3000 gulden mee. Hendrick noemde zich toen al Cruywagen, waarschijnlijk omdat zijn stiefvader de winkel De Gulden Kruiwagen (eigendom van de familie Geelvinck) had overgenomen.

Twee jaar later, in 1625, kocht Cornelis Rijser een huis op de Brouwersgracht (nu nummer 53) en bouwde het opnieuw op. Ook dit huis kreeg een gevelsteen met De Kruiwagen. In 1631 woonde Hendrick Cruywagen al op het Singel, in een pand dat later ook De Kruiwagen heette. Zijn moeder en Cornelis waren doopsgezind en lieten in 1634 1000 gulden na aan een armenfonds.

Hendrick en Barbara kregen twaalf kinderen, waarvan er zes volwassen werden. Een bekend familiewapen is een groepsportret (ca. 1642) in het Rijksmuseum, met Hendrick, Barbara, hun zes zonen en Barbara's moeder, Niesje Claes (overleden in 1645). De familie bezat land bij de Uitweg (tussen Ringsloot en Sloterdijkermeer).

Barbara stierf in 1650 en werd begraven in de Noorderkerk. Hendrick overleed in 1661 en liet een vermogen van bijna 87.325 gulden na, waaronder:

Van de zes zonen:

Hendrick was vanaf 1652 kapitein van wijk 53 (waarschijnlijk remonstrant, niet doopsgezind zoals zijn moeder). Door ziekte stopte hij in 1659 met zijn werk.

Bekijk transcriptie 


In een tekst uit 1930 wordt een deel van de Westerstraat in Amsterdam beschreven, met name het huis ‘het Friese Wapen’ op nummer 130, het vijfde huis ten westen van de 2e Boomdwarsstraat. Naast dit huis staat het smallere pand met nummer 128. De tekst noemt ook tekeningen van de kerk en toren, gemaakt door Daniel van Breen:

De bladen zijn niet op chronologische volgorde gezet. Over het privéleven van Van Breen is weinig bekend. Hij betaalde in 1631 geen belasting (de 200e penning), maar misschien woonde hij toen nog in Middelburg.

Er is een testament van Van Breen en zijn vrouw gevonden, gedateerd 21 december 1643, maar door brand is slechts een klein deel leesbaar. Waarschijnlijk ging het over hun dochter Maria, die op 5 januari 1644 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam werd gedoopt. Haar peetoom was mr. Dirck Blevet, de latere eigenaar van het huis op nummer 130.

De laatste vermelding van Van Breen is in een notariële akte van 16 april 1659, waarin hij als getuige optreedt bij het testament van Baerentje Bardus, een zieke jonge vrouw die op de Anjeliersgracht woonde. Vijf maanden na het overlijden van haar vader trouwde Maria van Breen (22 jaar) op 16 september 1659 met de 28-jarige Bastiaen Stoopendael, ook een plaatsnijder (iemand die landkaarten en prenten graveert).

Er wordt gespeculeerd over de datering van een tekening van het huis op nummer 130. De tekst vermeldt dat Hendrick Danckers en Harmen Jansz. (rooimeesters, ambtenaren die percelen opmaten) op 3 maart 1634 een verklaring aflegden, maar Blevet kocht het perceel pas op 17 mei 1638. De schrijver denkt dat de tekening uit 1637 of begin 1638 stamt, vlak voordat Blevet het huis kocht. Er wordt ook getwijfeld of de stuurman Hessel Hesselsz. (een buurman) toen nog leefde, of dat zijn weduwe en erfgenamen bedoeld werden.

Over mogelijke familiebanden van Van Breen met anderen in Haarlem of Middelburg is niets zeker. Archiefstukken in Middelburg kunnen bovendien verloren zijn gegaan tijdens gevechten in mei 1940.

Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/