Transcripties » Recent gemaakte samenvattingen van historische documenten

Gebruikers van Open Archieven kunnen van de via handschriftherkenning tot stand gekomen transcripties een samenvatting laten maken.
Beide kunstmatige intelligentie taken zijn niet perfect, maar vaak ruim voldoende zodat het historische document begrijpelijk wordt. In de transcripties zijn namen groen onderstreept en klikbaar (om de persoonsvermeldingen op Open Archieven op de betreffende naam te doorzoeken), de herkende datums hebben een licht grijze achtergrond en herkende plaatsnamen hebben een licht paarse achtergrond.


Op 25 augustus 1658 verscheen Elisabeth Leenaerts, de vrouw van Paulus Emptingh, samen met haar man en voogd, voor notaris David Doornick in Amsterdam. Zij verklaarde dat zij via Salomon van Meuland (ook notaris) de laatste betaling van 1500 gulden had ontvangen. Dit bedrag was vastgelegd in een vonnis van de schepenen (rechters) op 25 juli 1652, waarbij Adriaen van Nieuland als hoofdzakelijke schuldenaar gold. Elisabeth Leenaerts gaf hiermee alle rechten op dit vonnis en verdere claims tegen Adriaen van Nieuland officieel over aan Salomon van Meuland. Zij gaf hem ook toestemming om het geld terug te vorderen van Adriaen van Nieuland of diens bezittingen, indien nodig. Elisabeth bevestigde dat zij geen verdere aanspraken meer had op dit vonnis en beloofde niets meer te zullen ondernemen wat hiermee in strijd was.
Bekijk transcriptie 


Dirc Boortens, zoon van de overleden Dirc Boortens d'Oude en Maijke Pieters, heeft op 25 mei 1662 in Haarlem een overeenkomst gesloten met Maria Boortens, dochter van dezelfde overleden personen en echtgenote van Salomon van Nieuland. Deze afspraak is vastgelegd in een notariële akte, ondertekend door Dirc Boortens, Maria Boortens, en getuigen, waaronder Floris Simonsz van de Werff. De notaris is Geslinck uijten Not., en de akte is geregistreerd in 1661 onder nummer 68, folium 123.
Bekijk transcriptie 


Gerrit van Riemselijk, een hoge ambtenaar die verantwoordelijk was voor staatsgronden (domeinen) in de regio Arnhem (de hoofdstad van de provincie Gelderland), handelde in een speciale rol. Hij was namelijk aangesteld om de afkoop (het uittreden van rechten tegen betaling) van oude heerlijke rechten van de overheid op boerderijen in Overijssel en Gelderland te regelen. Deze taak kreeg hij op 1 oktober 1822 en later nogmaals bevestigd op 27 september 1828, met extra goedkeuring van een permanente commissie op 21 april 1829. Dit was allemaal officieel geregistreerd in Almelo op 24 augustus 1829. Van Riemselijk sloot een overeenkomst met twee boeren:
  1. Janus Lesger, een landbouwer uit de buurschap Volthe, gemeente Weersele (onder het kanton Oldenzaal).
  2. Hendrik Hampsink, een landbouwer uit de buurschap Lamselv (zelfde gemeente en kanton), die tijdelijk het erf Hampsink in Leuiselo beheerde.
Het ging om het erf Hampsink, een voormalige hofhorige boerderij (een boerderij met verplichtingen aan een heer). Dit erf bestond uit: De partijen kwamen een afkoopovereenkomst overeen: de boeren betaalden een bedrag aan de staat, waardoor de oude rechten van de overheid op dit erf vervielen. Hendrik Hampsink verklaarde dat als er later meer grond bleek te zijn, de rechten van de overheid daarop gewoon bleven bestaan.
Bekijk transcriptie 


Jan Nilant, rechter in Oldenseel, bevestigt samen met zijn assistenten Fré Blomen en Jan Hilders dat Altjen Nihoff op 16 augustus 1749 voor hen is verschenen. Zij is bij haar volle verstand en wordt bijgestaan door Gerr. Wisscher en haar voogd H. Hals. Altjen Nihoff verklaart: Zij bevestigt dat dit haar officiële testament is, gemaakt zonder druk van anderen. Ook vraagt zij dat dit document geldig blijft, zelfs als niet alle formele regels zijn gevolgd. De rechter en H. Hals ondertekenen het document als bewijs van de waarheid.
Bekijk transcriptie 


Dit is een overzicht van officiële overdrachten (cessies en transporten) die zijn vastgelegd tussen 15 juli 1746 en 30 mei 1761. Hierin staan onder andere de volgende transacties:

Bekijk transcriptie 


Op 10 augustus 1780 bevestigde Hendrik Jan Bos, rechter van het Landgericht in Oldenzaal, samen met zijn assistenten Jan Franke en Willem Mafeland, een schuldbekentenis. Jan Roelof Berlehem uit Losser en zijn vrouw Swenne Scholte erkenden dat ze 760 Carolusguldens (à 20 stuivers per muntstuk) schuldig waren aan Jan Beernink, ook uit Losser. Ze beloofden jaarlijks 3% rente te betalen en het volledige bedrag af te lossen. De eerste betalingsdatum was 7 augustus 1781, met de mogelijkheid om een half jaar van tevoren op te zeggen.

Als zekerheid voor de lening zetten ze hun bezittingen in, waaronder:

Bij niet-betalen mocht Beernink of zijn erfgenamen de schuld verhalen op deze zekerheden. Omdat Swenne Scholte niet kon schrijven, tekende Alexander Maguel namens haar. De akte werd ondertekend in Oldenzaal.

Op 24 augustus 1780 bevestigde Hendrik Jan Bos opnieuw, nu met assistenten Alexander Maguel en Willem Maseland, een verkoopakte. Van Blenke en zijn vrouw Janna Hoxstede verkochten hun huis, genaamd de Blenken woning in Oldenzaal, aan Gerrit Reinink en diens vrouw Jenne voor 200 Carolusguldens. Het geld was al betaald, volgens de verkopers. De verkoop gebeurde met toestemming van Geertruida Blenke (stiefmoeder van Van Blenke, bijgestaan door Gerrit Spanjer) en Jan Bleuke (halfbroer), die afzagen van hun rechten op het huis.

Omdat de verkopers niet konden schrijven, tekende Jan Weling namens hen. De akte werd in Oldenzaal opgemaakt en ondertekend.

Bekijk transcriptie 


Op 2 februari 1779 maakte Hendrik Jan Bos, rechter van het landgericht in Oldenzaal, een officiële verklaring op. Hij bevestigde dat Janna Blouken, bijgestaan door haar gekozen vertegenwoordiger Jan Wijffer, voor hem en zijn assistenten (Berend Berghuis en Jan Kloppers) was verschenen. Janna Blouken verklaarde dat zij op 29 januari 1779 een deel van het huis en het bijbehorende land, genaamd de Blenken in Doorningen, had verkocht aan Jan Wigbolt. Dit deel had zij geërfd van haar ouders. De verkoopprijs bedroeg 400 gulden, die zij had ontvangen. Zij gaf alle rechten op het huis en land aan Jan Wigbolt en zijn erfgenamen, zonder iets voor zichzelf te houden. Omdat Janna Blouken niet kon schrijven, tekende Alexander Maguel namens haar. Hendrik Jan Bos ondertekende en verzegelde het document als bevestiging.
Bekijk transcriptie 


Hendrik Jan Bos, rechter van het landgericht in Oldenzaal, bevestigde op 30 november 1778 twee schuldverklaringen:
Bekijk transcriptie 


Op 8 februari 1772 bevestigde Hendrik Jan Bos, rechter in Oldenzaal, dat Joan Palthe (als vertegenwoordiger van juffrouw C. Borgerink) voor hem en assessoren Jan Weling en Berend Berghuis verschenen was. Palthe verklaarde dat juffrouw S. Borgerink op 17 december 1771 twee stukken bouwland in de Marke Boorningen (bij Deurningen) had verkocht aan haar pachter Gerrit Wesselink. De details: Op 17 december 1771 had Hendrik Slaterus, rechter in Kedingen, al bevestigd dat juffrouw S. Borgerink (bijgestaan door secretaris Wilhelm Bekker) dezelfde verkoop had gedaan. Zij gaf Palthe volmacht om de overdracht af te ronden, zonder enige voorbehouden. Beide akten werden ondertekend en verzegeld door de betrokken rechters.
Bekijk transcriptie 


Op 20 juni 1730 werd in Oldenzaal een akte opgesteld door Anth. Borgerman, rechter, over de verkoop van land en hooiland. Claes Ter Daggel en zijn vrouw Geesje Ter Daggel verkochten dit aan Maria Jacoba Chalus voor 8 koop (een oude munteenheid). De verkopers bevestigden dat ze volledig waren betaald en droegen het land over aan Maria Jacoba Chalus en haar erfgenamen. De akte werd ondertekend door de rechter, Claes Ter Daggel en Geesje Ter Daggel.

Op 20 juni 1733 werd opnieuw een akte opgesteld in Oldenzaal door Anth. Borgerinck, nu namens de Ridderschap en Steden van Overijssel. Adolph Otto Joost van Twello, landdrost van Bentheim en heer van Haarveld en Ravenshorst, en zijn vrouw, samen met Anna Agnes de Rhede, vrouw van Haasveet en Navershorst, bevestigden dat ze op 23 februari 1729 een lening van 200 gulden hadden ontvangen van Michiel Hillebrands Mante. Deze lening moest tegen 4% rente worden terugbetaald op 23 februari 1734.

Als zekerheid voor deze lening zetten ze hun goederen in, waaronder:

Deze goederen dienden als onderpand, zodat Michiel Hillebrands Mante zich kon verhalen op het kapitaal, rente en eventuele schade. De akte werd ondertekend door de rechter en de betrokkenen.

Bekijk transcriptie 


Op 8 oktober 1728 bevestigde H.M. Borgerinck en Jan Tomas de Graeff, namens de Ridderschap en de Staten van Overijssel, een verklaring over een gebeurtenis in Oldenzaal. Op 21 oktober 1728 werd een laatste wil opgesteld in het huis van Wolter Wegman in Dulder (bij Oldenzaal).

Egbert Hoeckhuis, ziek en bedlegerig maar met een heldere geest, maakte mondeling zijn testament bekend aan Anthoni Borgerinck (als rechter) en de schepenen Gerrit Ten Spricke en Egbert Haeshen. Omdat Egbert Hoeckhuis niet kon schrijven en geen zegel had, tekenden de aanwezigen voor hem. De notaris H. Hulsher verzegelde het document.

Egbert Hoeckhuis bepaalde het volgende in zijn testament:

Egbert Hoeckhuis verklaarde dat dit zijn officiële testament was, ook als niet alle formaliteiten waren nageleefd. Het document werd ondertekend door de schepenen en Anthoni Borgerinck, met een handtekening (een kruisje) van Egbert Haeshen namens Egbert Hoeckhuis.

Bekijk transcriptie 


Op 14 mei 1792 maakte de rechter Ant. Bos van het landgericht in Oldenzaal, samen met twee getuigen (J. P. Stork en Abr. Maguel), een officiële verklaring op.

De weduwe Geese (weduwe van Jan Raat Gerink uit Rossum), bijgestaan door haar juridisch vertegenwoordiger Dr. H. R. G. Pagenstecher, bevestigde dat zij een lening van 1400 gulden had ontvangen van Jann (weduwe van Hendrik Scholte Linde).

De afspraken waren:

Als zekerheid voor de lening stelde Geese (met toestemming van haar vertegenwoordiger) haar boerderij Blankenfoort (ook wel Blenke genoemd) in Rossum als onderpand. Deze boerderij had ze gekocht van Dr. J. J. Hulsken en Jan Hendrik Nijenhuis, met medewerking van Hendrik Luttenberg. Het pand omvatte land, gebouwen, bomen en alle rechten die daarbij hoorden.

Als Geese niet zou betalen, mochten Jann of haar erfgenamen hun geld (inclusief rente en kosten) terugvorderen via de boerderij. Geese deed afstand van alle mogelijke bezwaren, zoals de bewering dat het geld niet volledig was uitbetaald.

Omdat Geese niet kon schrijven en geen zegel had, tekenden J. P. Stork en haar vertegenwoordiger Pagenstecher namens haar. De rechter Ant. Bos bevestigde dat deze verklaring overeenkwam met het origineel.

Bekijk transcriptie 


De schrijver van de klacht (de suppliant) vindt het nodig om de Staten-Generaal (aangeduid als Dw Hoog Mogende) te vertellen over het gedrag van de gouverneur van Suriname sinds zijn vertrek uit de kolonie. Hij doet dit namens zichzelf en zijn opdrachtgevers. Volgens hem dreigt de gouverneur met ernstige gevolgen als de kolonisten klachten indienen bij de overheid in Nederland. De klachten gaan over zijn eigen behandeling en die van anderen.

De gouverneur heeft:

De reden? Deze mensen (en de schrijver) hadden klachten ingediend bij de Staten-Generaal. De gouverneur beschuldigde hen van opstand en leugenachtigheid.

Zijn wraak ging zo ver dat hij volgens de voormalige raad van politie en justitie, Guldensteeden, vier belangrijke ondertekenaars van de volmacht (waardoor de schrijver optrad) heimelijk wilde laten vermoorden met een rode das (wurging) of vergif (den beker).

Door deze behandeling:

De schrijver waarschuwt voor twee grote gevaren:

Bekijk transcriptie 


T. F. Wessels, rechter van het Landgericht (een soort rechtbank) in Oldenzaal, bevestigde op 2 februari 1798 een officiële verkoopovereenkomst. Hierbij waren aanwezig: Willem Stopel en Venne Berghuis verklaarden dat zij 200 gulden hadden ontvangen van Jan Blenke voor een stuk land, genaamd het Nijeland in Dulder. Dit land was: De verkopers gaven alle rechten op het land definitief aan Jan Blenke, inclusief alle voor- en nadelen. Ze beloofden ook dat de verkoop altijd geldig zou blijven, volgens de regels van erfkooprecht (de toenmalige regels voor grondverkopen). Omdat Venne Berghuis niet kon schrijven en beide verkopers geen zegel hadden, tekende Alex. Maguel namens hen. De akte werd ondertekend door: De rechter bevestigde dat dit een exacte kopie was van het origineel.
Bekijk transcriptie 


De tekst beschrijft twee historische afspraken over grond en schulden in de regio Twente.

14 mei 1700:

26 juli 1761:

Bekijk transcriptie 


C. D. van Coeverden tot Rande en zijn vrouw Jurriana Cunnera Roderica van Leunip gaven op 11 september 1758 in Deventer een officiële volmacht aan Jan Heijdenrijk van Coeverden tot Weckdam. Hiermee mocht hij namens hen de verkoop afhandelen van een derde deel van twee boerderijen: Erve Veltman en De Kattenpoel (ook wel Katersteede genoemd), gelegen in het gebied Oldenzaal, onder het bestuur van Rossum. De kopers hadden het bedrag al volledig betaald, en Jan Heijdenrijk mocht alles regelen wat nodig was voor deze overdracht. De akte werd ondertekend door He. Borgerink, een secretaris van de stad, en bevestigd als een echte kopie van het origineel.

Op 6 oktober 1700 verkochten in Oldenzaal de volgende personen gezamenlijk een stuk bouwland van ongeveer 5 schepel (een oude maat voor zaaigoed) op Kalterkamp: De kopers waren Berend in olde Rosen en zijn vrouw Ale Blenke. Zij betaalden de afgesproken prijs in "penningen" (geld) en kregen het land officieel in bezit. De verkopers beloofden dat zij geen rechten meer op het land hadden en dat de verkoop geldig was. De akte werd ondertekend door Hendrik Jan Bos, de plaatselijke rechter, en door alle betrokkenen, soms met een handtekening of een merk (een soort stempel of kruisje als teken van instemming).
Bekijk transcriptie 


Op 18 september 1750 bevestigde Hendrik Jan Bos, rechter van het kerkelijke gerecht in Oldenzaal, dat Gerrit Jansen Snijders en zijn vrouw Fenneken Kolnaars een stuk bouwland in den Vossebelt (in Hasselerbroek) hadden verkocht aan Willem Wensink en zijn vrouw. Het land lag tussen de grond van Arends Jan en werd met alle rechten en plichten overgedragen. De verkopers bevestigden dat ze het bedrag hadden ontvangen en deden afstand van elk verder recht op het land. De akte werd ondertekend door de rechter, de verkopers en getuigen Engbert Krop en Jan Welink.

In een tweede geval, bevestigd door Gerrit Willem Stork (waarnemend rechter van het landgerecht in Oldenzaal), verkochten Berend Siemerink en zijn vrouw Ale Blenke uit Olde Rosen op dezelfde manier een stuk bouwland in den Berghuizer esch aan Hendrik Jan Bos en zijn vrouw Maria Beek. Dit land lag tussen de grond van Jan op den Brand en was eerder, op 24 februari 1714, gekocht door de overleden vader van Berend, Jan Siemerink. Ook hier werd het bedrag betaald, en de verkopers deden afstand van alle rechten. Albert Rosen stond borg voor de garantie van de verkoop. Getuigen waren opnieuw Engbert Krop en Jan Welink.

Bekijk transcriptie 


De tekst beschrijft een conflict tussen Hendrik Kemper, een Lutherse predikant in Paramaribo, en een zekere Fredut Bopp (ook wel Monsieur Bopp genoemd), die samen met een vrouw (door Kemper een "hoer" genoemd) betrokken is bij laster, bedrog en financiële fraude. Hier volgt een samenvatting:

Kemper beschuldigt Bopp ervan dat hij:

Kemper vraagt om hulp bij het verzamelen van bewijzen tegen Bopp:

Kemper meldt verder:

Kemper hoopt dat Bopp gestraft kan worden en dat hij zelf genoegdoening krijgt. Hij sluit af met de mededeling dat hij en zijn dochter in goede gezondheid verkeren. De brief is gedateerd op 21 mei 1773 in Paramaribo en ondertekend door Hendrik Kemper. Een korte notitie achterop vermeldt dat de brief is beantwoord op 22 juli 1773 en later is doorgestuurd op 23 oktober 1777.

In een latere toevoeging (na 10 mei 1773) meldt Kemper dat Bopp en de vrouw (met wie Bopp kort voor haar bevalling is getrouwd) op 10 mei 1773 zijn gevlucht met het schip Benjamin Morgan naar Sint Eustatius. Kemper benadrukt dat Bopp en de vrouw hem en anderen op grove wijze hebben belasterd en bedrogen.

Bekijk transcriptie 


In 1763 ontstond er een conflict tussen een ambtenaar en het bestuur van een Nederlandse kolonie. Hier volgt een samenvatting van de gebeurtenissen:
Bekijk transcriptie 


Evertse schrijft over een conflict met de gouverneur en de Raad van Curaçao over de beëdiging van zijn eerste klerk. Hier een samenvatting van de belangrijkste punten:
Bekijk transcriptie 


Bekijk transcriptie 


Gouverneur en Raad stuurden op 9 mei een kopie van een officiële verklaring (protest) naar Uw Edelgrootachtbaarheid, maar deze was per ongeluk niet vermeld in een eerdere brief van 11 mei. Op 13 mei werd de schrijver gevraagd om onder ede een verklaring af te leggen over wat er precies was gebeurd bij de overhandiging van dit protest. Deze verklaring (bijlage B) werd later toegevoegd. De volgende dag, 14 mei, kwamen Johannes Heiliger, Pieter Rumnels (beide raadsleden), Anthonij Beaujon (Eerste Klerk) en gerechtsbode Gideon Godet naar het secretariaat om papieren op te halen die eerder via een volmacht en protest van 9 mei waren gevraagd. Wat er precies gebeurde, staat beschreven in verklaringen van twee klerken (bijlage C) en van de klerken zelf (bijlage E). Op 24 mei ontving de schrijver een uittreksel van een nieuwe resolutie (bijlage E), waarna hij opnieuw protest aantekende, samen met het notulenboek, tijdens een volle raadsvergadering op 4 juni (bijlage F). Zonder medeweten van de schrijver werden op 26 mei (een maandag) plotseling dagvaardingen uitgedeeld voor een rechtszitting die dezelfde dag nog zou beginnen. Dit was in strijd met een eerdere belofte van de gouverneur dat dagvaardingen minimaal 8 dagen van tevoren bekendgemaakt zouden worden. Normaal gesproken werden dagvaardingen, arrestbevelen en andere juridische stukken via het secretariaat afgehandeld, maar nu waren ze rechtstreeks door Anthonij Beaujon uitgegeven. Hierdoor gingen ongeveer 120 stukken (ter waarde van 8 gulden) verloren. Door deze chaos: De schrijver had hierdoor geen zicht meer op: Hierdoor verloor hij de helft van de inkomsten die bij zijn ambt hoorden. De schrijver kon weinig doen tegen deze willekeurige en dictatoriale werkwijze, vooral omdat sommige raadsleden, zoals Pieter Rumnels en Groewveldt Salomons, openlijk zeiden dat de WIC (West-Indische Compagnie) er toch niets om gaf hoe de zaken in de kolonie werden behandeld, zolang de inkomsten maar binnenkwamen. De gouverneur toonde zijn dictatoriale gedrag en zou, als er iets misging, de schuld op zijn raadsleden afschuiven, terwijl hij zelf de problemen veroorzaakte.
Bekijk transcriptie 


Op 16 januari 1775 werd in Paramaribo een officiële waardering gemaakt van plantage Pietersburg, gelegen aan de Cottica-rivier (aan de rechterkant als je stroomopwaarts vaart), tussen plantages Mijnhoop en CrassCreecq. Deze waardering werd uitgevoerd op verzoek van N. Guisan, die toen beheerder was van de plantage namens de eigenaar, I. Camijn (een voormalig burgemeester van Vianen). De basis voor deze waardering was een opdracht van de eigenaar uit 26 juli 1704.

De inventaris en taxatie werden opgesteld door de toenmalige directeur C. Pache en uitgevoerd door de beëdigde taxateurs I. Barlon en P. Voegelaar. De totale waarde van de grond volgens de officiële kaart bedroeg 6180 gulden en 266 akkers.

De bewerkte gronden waren als volgt verdeeld:

Deze taxatie werd later, op 28 maart 1775, bevestigd door J.L. Veelmant, een beëdigde griffier, die verklaarde dat het document overeenkwam met het origineel dat door P. Stolting (als vertegenwoordiger van de kerkeraad) was getoond. De taxateurs Christiaen Nagel en J. Barloh waren hierbij aanwezig.

Bekijk transcriptie 


In Paramaribo werd een inventaris en taxatie gemaakt van een huis en erf aan de waterkant, tussen de Lutherse kerk en het erf van mevrouw de Weede Buttner. Het pand was op dat moment in gebruik door Hendrik Kemper en zou toekomen aan de kerkenraad van de Lutherse Gemeente in Paramaribo. De taxatie werd uitgevoerd op verzoek van Philip Stolting, die namens de kerkenraad als ouderling was aangesteld. De waardering werd gedaan door de beëdigde taxateurs Christiaan Nagel en Johannes Barlon. Het erf had de volgende afmetingen: Op het erf stond een woonhuis met de volgende kenmerken: Daarnaast stonden er nog vier andere gebouwen op het erf:
  1. Een wateropslag (lengte: 15 voet / ~4,3 m, breedte: 10 voet / ~2,8 m) van vierkant bijlhout, met een dak van kopieplanken en bolletjessingels, op een stenen voet.
  2. Een keuken en magaziijn (lengte: 46 voet / ~13 m, breedte: 20 voet / ~5,7 m) van diverse soorten vierkant hout, met een dak van kopieplanken. De keuken had een stenen vloer en een bakoven; het magaziijn was niet bevloerd. Het gebouw stond op een stenen voet en had een galerij aan de voorkant.
  3. Een slaafs huis en veestal (lengte: 32 voet / ~9 m) van vierkant hout met een dak van planken en singels, op een stenen voet.
  4. Een toiletgebouwtje van vierkant hout met een dak van kopieplanken en singels, op een stenen voet.
Verder waren er op het erf: De totale waarde van het hele complex werd geschat op 15.500 gulden.
Bekijk transcriptie 


Op 28 mei 1777 verscheen Johannes Adolph van Claveren, een beëdigde ambtenaar van de secretarie van de kolonie Suriname en de omliggende rivieren en districten, voor een verklaring. Bij hem waren twee getuigen: Hendrik Mauritz Wolff, een inwoner van Suriname, en een andere beëdigde ambtenaar. Van Claveren verklaarde het volgende:
Bekijk transcriptie 



Vorige paginaVolgende pagina

Zoek uw voorouders en publiceer uw stamboom op Genealogie Online via https://www.genealogieonline.nl/